[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Wijziging van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D18699, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-21 17:21, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36915 A-3 Wijziging van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota).

Onderdeel van zaak 2026Z04491:

Onderdeel van zaak 2026Z08339:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 915 A Wijziging van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 21 april 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de minister en staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Bij brief van 20 april 2026 zijn ze door de minister en staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Huizenga

De griffier van de commissie,

Schukkink

1 Wat is de reden dat de taakstelling onderuitputting voor 2026 met € 1,5 miljard is teruggedraaid ten opzichte van de vorige Voorjaarsnota?

Antwoord:
De taakstellende onderuitputting in 2026 is niet teruggedraaid. Bij Voorjaarsnota 2026 wordt de aanvullende onderuitputting van 1,5 miljard euro in 2026 juist afgeboekt en dit wordt in 2028 en 2029 opgeboekt. Het Kabinet veronderstelt hiermee een lagere onderuitputting in 2026 en een hogere onderuitputting in 2028 en 2029.
2 Waarom houdt het kabinet rekening met minder onderuitputting in 2026 dan het Centraal Planbureau (CPB)?

Antwoord:
Waar het CPB verwacht dat een deel van de budgetten in de begrotingen niet in het geplande jaar tot besteding zullen komen, gaat het kabinet er van uit dat de geraamde bedragen in de begrotingen van IenW en daarmee voor infrastructuur aansluiten bij de uitgaven. Afgelopen jaar heeft er op het Mobiliteitsfonds een overschrijding plaatsgevonden. Om een nieuwe overschrijding te voorkomen is bij Voorjaarsnota circa € 300 miljoen naar 2026 geschoven. Hiermee is de verwachting van het kabinet dat de kasbudgetten aansluiten bij de realisatie en programmering.
3 Kunt u een meerjarig cijfermatig overzicht geven van de actuele veronderstellingen van zowel het kabinet als het CPB ten aanzien van de jaarlijks te verwachten onderuitputting en de verschillen daarin duiden?

Antwoord:
Voor het antwoord wordt verwezen naar de tekst en de tabellen die als bijlage toegevoegd zijn bij deze lijst van vragen en antwoorden.
4 Kunt u nader toelichten waarom ‘bij de VJN 2027 wordt bezien of deze aanvullende onderuitputting nog realistisch is’? Waarom wordt in dit licht op p. 18 van de Voorjaarsnota 2026 op voorhand al gesproken over het korten van de prijsbijstelling in 2027?

Antwoord:
Bij Voorjaarsnota 2027 wordt bezien of de aanvullende onderuitputting nog realistisch is omdat het niet invullen van de aanvullende onderuitputting leidt tot een overschrijding van het uitgavenkader en een verslechtering van het EMU-saldo. In het coalitieakkoord is opgenomen dat als tegenvallers niet kunnen worden opgevangen binnen het uitgavenkader, geplande uitgaven niet door kunnen gaan of dat er omgebogen moet worden. In het uiterste geval kan er loon- en prijsbijstelling worden ingehouden om een overschrijding van het uitgavenkader te voorkomen.
5 Kunt u een overzicht geven van de bedragen die alle begrotingen hebben ontvangen in het kader van de eindejaarsmarge, waarbij ook de budgetflexibiliteit van dat bedrag wordt aangegeven?

Antwoord:
Begrotingshoofdstuk XII heeft in totaal 81,6 miljoen aan eindejaarsmarge ontvangen. Dit bestaat voor € 50,1 miljoen uit NGF-middelen. Dit zijn geoormerkte middelen en deze mogen conform de NGF-regeling niet voor andere zaken ingezet worden. Daarmee zijn deze middelen 100% juridisch verplicht.
De resterende middelen van € 31,4 miljoen betreffen, conform de eindejaarsmargeregeling, enkel overlopende verplichtingen en zijn daarmee ook 100% juridisch verplicht. Het betreft € 31,3 miljoen aan reguliere eindejaarsmarge en € 0,1 miljoen aan HGIS-middelen.

Voor de fondsen geldt er een oneindige eindejaarsmarge. Het voordelig of nadelig saldo wordt volgens de begrotingsregels (Comptabiliteitswet) verrekend in het eerstvolgende uitvoeringsjaar. Bij de Najaarsnota 2025 en Voorjaarsnota 2026 is aan de Kamer gemeld dat op het Mobiliteitsfonds (MF) en Deltafonds (DF) sprake is van een nadelig saldo (kasoverschrijding) in 2025 van respectievelijk € 163,9 miljoen en € 159,6 miljoen. Deze nadelige saldi zijn in mindering gebracht op de beschikbare middelen in 2026.
6 Wat is de reden dat zowel het Mobiliteitsfonds als het Deltafonds in 2026 worden verlaagd met respectievelijk € 164 en € 160 miljoen door meeruitgaven in 2025? Kunt u nader toelichten waarom op p. 156 staat dat ‘de zogenaamde overprogrammering op de fondsen nu stapsgewijs wordt teruggebracht om nieuwe overschrijdingen, zoals in 2025, te voorkomen’?

Antwoord:
Bij de Voorjaarsnota 2025 is, in het kader van een pilot, de overprogrammering verhoogd om te bezien of dit leidt tot betere uitputtingscijfers en daarmee tot een stabielere begroting.
Bij de Najaarsnota 2025 en Voorjaarsnota 2026 is aan de Kamer gemeld dat er het Mobiliteitsfonds (MF) en Deltafonds (DF) sprake is van een nadelig saldo (kasoverschrijding) in 2025.
Conform de Comptabiliteitswet wordt een tekort in het jaar 2025 ten laste gebracht van de begroting in het jaar 2026. Dit betekent dat het kasbudget uit 2026 nodig was om de overschrijding in 2025 op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds te dekken.
Gezien de overschrijding en de betere uitputting is afgesproken om de overprogrammering weer stapsgewijs te verlagen. Het doel blijft hierbij om de begrotingsmiddelen volledig uit te putten.
7 In welke mate en op welke posten op de rijksbegroting gaat het kabinet gebruik maken van het instrument overprogrammering om onderuitputting tegen te gaan? Wat zijn hierbij de ervaringen en verwachtingen?

Antwoord:
Overprogrammering wordt in de Rijksbegroting gehanteerd op de investeringsfondsen. Dit zijn het Mobiliteitsfonds, Deltafonds en Defensiematerieelfonds.

Bij het ministerie van IenW wordt er sinds 2014 met een overprogrammering gewerkt. Overprogrammering betekent dat in de eerste begrotingsjaren meer projecten worden geprogrammeerd dan er in die jaren formeel aan budget beschikbaar is. Zo wordt er extra druk op de begrotingsuitputting gecreëerd: de kans wordt
vergroot dat er daadwerkelijk bestedingen gedaan kunnen worden, is het niet op project A dat onverhoopt vertraagt, dan wel op project B dat wel tot uitvoering komt.

Over de hele looptijd van het Mobiliteitsfonds en Deltafonds zijn de beschikbare middelen en de budgetbehoefte van de projecten precies in balans. In latere jaren is er dus sprake van onderprogrammering: meer budget dan programmering. In de Kamerbrief van 20 januari jl. (Kamerstukken 36 800-A, nr. 15) is meer in detail op het instrument overprogrammering ingegaan en op de ervaringen die daarmee opgedaan zijn.
8 Wat zijn de gevolgen van de inzet van middelen uit het programma Woningbouw en Mobiliteit op artikel 11, 13 en 14 ter compensatie van de ingehouden prijsbijstelling van 2025 en 2026?

Antwoord:
Om de in de Bestuurlijke Overleggen MIRT over het programma Woningbouw en Mobiliteit vastgelegde indexatieafspraken te kunnen nakomen zijn in 2025 binnen het programma Woningbouw en Mobiliteit vrijgevallen middelen ingezet. Door het gebruik van vrijgevallen middelen heeft deze inzet geen nadere gevolgen voor de uitvoering van de lopende projecten.
De verdeling van de prijsbijstelling 2026 moet binnen het Mobiliteitsfonds nog verwerkt worden bij ontwerpbegroting 2027.
9 Welk deel van de middelen op de Aanvullende post voor beheer en onderhoud van infrastructuur en ontsluiting woningbouw is beschikbaar voor de instandhouding van infrastructuur en welk deel voor de bereikbaarheid van woningbouwlocaties?

Antwoord:
Voor het commissiedebat Staat van de infrastructuur is er een brief naar de Kamer verstuurd waarin wordt aangegeven dat vanwege de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds (MF) en Deltafonds (DF) prioritering op deze fondsen noodzakelijk is (Kamerstuk 36 800-A, nr. 39). Er moeten dus scherpe keuzes gemaakt worden. De middelen die bij het coalitieakkoord beschikbaar zijn gesteld maken onderdeel uit van deze bredere afweging.
Inzet is om voorafgaand aan het commissiedebat Strategische Keuzes Bereikbaarheid te komen met een aanpak voor de prioritering. Daarna kan verdere besluitvorming plaatsvinden over de herprioritering en de verdeling van de middelen uit het coalitieakkoord.
10 Voor welke specifieke prioritaire infrastructuurprojecten is het budget van € 1,5 miljard op de Aanvullende post bestemd?

Antwoord:
Voor het commissiedebat Staat van de infrastructuur is er een brief naar de Kamer verstuurd waarin wordt aangegeven dat vanwege de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds (MF) en Deltafonds (DF) prioritering op deze fondsen noodzakelijk is (Kamerstukken 36 800-A, nr. 39). Er moeten dus scherpe keuzes gemaakt worden. De middelen die bij het coalitieakkoord beschikbaar zijn gesteld maken onderdeel uit van deze bredere afweging.
Inzet is om voorafgaand aan het commissiedebat Strategische Keuzes Bereikbaarheid te komen met een aanpak voor de prioritering. Daarna kan verdere besluitvorming plaatsvinden over de herprioritering en de verdeling van de middelen uit het coalitieakkoord.
11 Hoe verhouden de taakstellingen voor efficiency en vernieuwing Rijksdienst/slagvaardige overheid zich tot (de extra middelen voor) de instandhoudingsopgave en de ontsluiting van woningbouwlocaties?

Antwoord:
Deze twee trajecten staan los van elkaar.
De taakstelling voor de efficiency en vernieuwing Rijksdienst is ingeboekt op de IenW-begroting en zal de komende jaren nader ingevuld worden.
De extra middelen staan nog op de Aanvullende Post bij het ministerie van Financiën, Bij het opvragen van deze middelen zal rekening gehouden met de benodigde ruimte voor uitvoeringskosten.
12 In hoeverre wordt de capaciteit van Rijkswaterstaat hiermee weer een beperkende factor bij de instandhoudingsopgave? Welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen?

Antwoord:
Zoals ook in het antwoord bij vraag 11 aangegeven, is de taakstelling voor de efficiency en vernieuwing Rijksdienst ingeboekt op de IenW-begroting en zal deze de komende jaren nader ingevuld worden. Tegelijkertijd geldt dat de opgave voor Rijkswaterstaat zelfs met het huidige apparaat niet volledig maakbaar is.

De kern van de uitdaging ligt niet enkel in de personeelsomvang, maar ook in dat de beschikbare capaciteit maximaal doelmatig wordt ingezet. Rijkswaterstaat werkt daarom gericht aan het versterken van de uitvoeringskracht door onder andere digitalisering, processtandaardisatie en de inzet op assetmanagement.

Het kabinet blijft zich inzetten om binnen de beschikbare middelen de basisuitvoering van Rijkswaterstaat te borgen, conform de aangenomen motie Stoffer/Grinwis over de uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat (Kamerstukken 36800-A, nr. 51). En gegeven de omvang van de instandhoudingsopgave zijn politieke keuzes noodzakelijk over wat we wel en niet kunnen doen. Wij verwachten daarom voor de zomer een prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds aan de Kamer te sturen.
13 Welk bedrag van de prijsbijstelling tranche 2026 wordt met ingang van 2028 jaarlijks ingehouden? Tot welk bedrag telt dit op voor de looptijd van het fonds? Welk bedrag wordt in totaal voor de looptijd van het fonds ingehouden bij de prijsbijstellingen tranche 2025 en tranche 2026?

Antwoord:
De prijsbijstelling tranche 2025 is bij de Voorjaarsnota 2025 voor de helft uitgekeerd. Tot en met de huidige einde looptijd van het fonds (2039) betekende dit een korting van circa 2,1 miljard euro. Met de Voorjaarsnota 2026 is de prijsbijstelling tranche 2026 eveneens niet volledig uitgekeerd. Het jaarlijkse bedrag dat vanaf 2028 wordt ingehouden is circa 88 miljoen euro. Tot en met looptijd fonds betekent dit een korting van circa 1,1 miljard euro. De totale gemiste prijsbijstelling voor de looptijd van het Mobiliteitsfonds komt dus neer op circa 3,2 miljard euro.
14 Wat zijn de gevolgen van het inhouden van de prijsbijstelling tranche 2026 met ingang van 2028?

Antwoord:
Het inhouden van de prijsbijstelling is een korting op het Mobiliteitsfonds omdat de infrastructurele kosten wel met het prijspeil meegroeien. Het ontvangen van minder prijsbijstelling leidt in veel gevallen tot tekorten bij lopende projecten en programma’s, omdat in de contracten met marktpartijen vaak een langjarige, juridisch bindende verplichting opgenomen is om budgetten meerjarig te indexeren.
Om te kunnen voldoen aan de juridische verplichtingen (het compenseren van prijsstijgingen bij projecten) zal budget moeten worden vrijgemaakt binnen het Mobiliteitsfonds. De gevolgen van deze gemiste prijsbijstellingen zijn onderdeel van de prioriteringsopgave op de fondsen waar de Kamer de komende tijd verder over geïnformeerd wordt.
15 Waarom worden de taakstellingen bij artikel 12 en 15 ondergebracht bij onderhoud?

Antwoord:
De apparaatstaakstellingen worden geboekt op het artikelonderdeel 'netwerkgebonden kosten', respectievelijk 12.06 en 15.06. De reden dat deze op dit artikelonderdeel worden geboekt is omdat de apparaatskosten van RWS ook op dit artikelonderdeel worden verantwoord en het daarmee logisch is om hierop de apparaatstaakstellingen te boeken. Met de capaciteit worden activiteiten ontplooid die gerelateerd zijn aan het onderhoud. Bij het verwerken van de taakstelling worden de primaire taken ontzien.
16 Op welke specifieke projecten heeft de verplichtingenmutatie van € 1.340,9 miljoen op artikel 15 (aanleg) betrekking?

Antwoord:
De verplichtingenmutatie van € 1.340,9 miljoen heeft voornamelijk betrekking op de Emergency Response Towing Vessels (ERTV’s), sluiscomplex Kornwerderzand, Nieuwe Sluis Terneuzen, hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl en Sluis II Wilhelminakanaal. Om de belangen van het Rijk niet te schaden bij de onderhandelingen kan dit niet verder worden gespecificeerd. De Kamer kan eventueel wel vertrouwelijk nader geïnformeerd worden.

Bijlage behorend bij antwoord 3

De huidige Rijksbegroting houdt rekening met 5,4 miljard euro aan onderuitputting in 2026, aflopend naar 3,8 miljard euro in 2029 (zie onderstaande tabel). Dit bestaat uit de in=uittaakstelling en aanvullende onderuitputting. De in=uit-taakstelling is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Deze is in 2026 3,1 miljard euro.

Voor 2027, 2028 en 2029 wordt verondersteld dat de in=uittaakstelling even hoog is als in 2026. De exacte hoogte is bekend na de voorjaarsbesluitvorming in het desbetreffende jaar. Daarnaast wordt voor 2026 2,3 miljard euro aan aanvullende onderuitputting geraamd, in 2027 en 2028 is dit 1,5 miljard euro en in 2029 0,7 miljard euro. De aanvullende onderuitputting is generiek en niet toebedeeld aan een specifieke begroting. Deze onderuitputting wordt gedurende het jaar ingevuld.

Overzicht in=uittaakstelling en aanvullende onderuitputting Rijksbegroting
In miljarden euro (+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029
1. In=uittaakstelling (incl. aanname voor latere jaren) -3,1 -3,1 -3,1 -3,1
2. Eerder geboekte aanvullende onderuitputting -2,3
3. Aanvullende onderuitputting Voorjaarsnota 2025 -1,5 -1,5 -0,7
4. Aanvullende onderuitputting een jaar doorschuiven (VJN2026) 1,5 -0,8 -0,7
Verwachte onderuitputting (1 t/m 4) -5,4 -4,5 -4,5 -3,8

Het CPB raamt in het Centraal Economisch Plan (CEP) aanvullend op de begroting extra onderuitputting (inclusief toekomstige kasschuiven) bij defensie, infrastructuur en generiek (verspreid over meerdere begrotingen). Voor de komende jaren is het overgrote deel van de onderuitputting die het CPB raamt generiek en dus niet tot specifieke begrotingen toe te rekenen. Zie voor meer toelichting pagina 18 van het verantwoordingsdocument bij het CEP 2026. Omdat het CEP vóór afronding van de voorjaarsbesluitvorming gepubliceerd is, heeft het CPB o.a. de kasschuiven uit de Voorjaarsnota nog niet meegenomen in zijn onderuitputtingsraming.

Overzicht aanvullende onderuitputting CPB ten opzichte van de begroting
(+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030
Defensie -1,5 -0,3 -1,4 0,9 0,4
Infrastructuur -2,3 0,1 0,8 0,8 1,5
Generiek -0,2 -10,1 -9,9 -6,4 -3,3
Totale aanvullende onderuitputting CPB -3,9 -10,2 -10,6 -4,7 -1,4