De motie van de leden Keijzer en Boomsma (Kamerstuk 31 288, nr. 1240) over objectiviteit en waarheidsvinding weer als normatief uitgangspunt of zelfstandig kernbegrip hanteren in de wetenschappelijke gedragscode
Schriftelijke vragen
Nummer: 2026D18878, datum: 2026-04-20, bijgewerkt: 2026-04-22 07:47, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kv-tk-2026Z08372).
Krijg melding als deze vragen beantwoord worden:
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M.C.G. Keijzer, Tweede Kamerlid (Lid Keijzer)
Onderdeel van zaak 2026Z08372:
- Gericht aan: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 | Vragen gesteld door de leden der Kamer |
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de motie van de leden Keijzer en Boomsma (Kamerstuk 31 288, nr. 1240) over objectiviteit en waarheidsvinding weer als normatief uitgangspunt of zelfstandig kernbegrip hanteren in de wetenschappelijke gedragscode (ingezonden 20 april 2026).
Vraag 1
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Vraag 2
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Vraag 3
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Vraag 4
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Vraag 5
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Vraag 6
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Vraag 7
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Vraag 8
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 64, pagina 12.↩︎
Website NWO, geraadpleegd d.d. 20 april 2026, De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, (Code_wetenschapsbeoefening_2004_(2014).pdf)↩︎
Website Universiteiten van Nederland, geraadpleegd d.d. 20 april 2026, Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, (1. Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit 2018_0.pdf)↩︎