[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

36915 XX Verslag houdende een lijst van vragen en antwwoorden inzake Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Asiel en Migratie (XX) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)(Kamerstuk 36915-XX)

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D18893, datum: 2026-04-20, bijgewerkt: 2026-04-20 15:03, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z08406:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Beantwoording Kamervragen van de Vaste Kamer commissie voor Asiel en Migratie inzake Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Asiel en Migratie (XX) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

(Kamerstuk 36915-XX)

Vraag (1):
Kan worden toegelicht welke uitvoeringskosten van het EU Asiel- en Migratiepact inmiddels budgettair zijn verwerkt in de eerste suppletoire begroting 2026, uitgesplitst naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA), de Koninklijke Marechaussee (KMar), de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de rechtspraak?

Antwoord:
In de eerste suppletoire begroting 2025 zijn middelen toegevoegd voor de implementatie en uitvoering van EU Asiel- en migratiepact. Hiermee zijn de structurele kosten voor de implementatie van het EU Asiel- en migratiepact gedekt. In de eerste suppletoire begroting 2026 zijn geen aanvullende uitvoeringskosten in het kader van het EU Asiel- en Migratiepact verwerkt.

Vraag (2):
Kunt u aangeven welke bestaande nationale maatregelen momenteel beschikbaar zijn om de bewegingsvrijheid van asielzoekers die structureel overlast veroorzaken te beperken, en welke belemmeringen zich bij de toepassing daarvan in de praktijk voordoen?

Antwoord:
Er kan een vrijheidsbeperkende maatregel (gebiedsgebod) worden opgelegd. Het gaat hierbij om een zogeheten artikel-56 Vreemdelingenwet maatregel. Dat is een individueel gemotiveerde maatregel waarbij de vreemdeling vanwege overlastgevend gedrag een gebiedsgebod opgelegd krijgt door de IND. In de praktijk wordt de vreemdeling dan overgeplaatst naar een modaliteit voor overlastgevers (procesbeschikbaarheidslocatie (PBL) of een handhaving- en toezichtlocatie (HTL)).

Daarnaast kan detentie worden opgelegd. Inbewaringstelling is gebonden aan een wettelijk kader dat altijd individueel moet worden gewogen. Overlast zal op zichzelf staand in de regel niet voldoende zwaarwegend zijn om de (strenge) normen uit de jurisprudentie te halen voor bewaring. Naast openbare orde, is het risico dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht ook een grond om tot bewaring over te gaan. Het niet naleven van de toezichtsmaatregel (zoals de artikel 56 Vw maatregel bij de PBL), in combinatie met het overige dossier, kan grond bieden om de persoon in bewaring te stellen en van daaruit de versnelde asielprocedure te volgen en, in het geval van afwijzing, terugkeer te organiseren. Oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel blijft een afweging die op individueel niveau wordt gemaakt waarbij alle beschikbare informatie wordt betrokken. In de praktijk is goede samenwerking in de keten en beschikbare capaciteit hierbij van belang. Waar enige tijd geleden DJI-capaciteit voor vreemdelingenbewaring een knelpunt vormde, is dat momenteel niet een belemmering

Vraag (3):
Hoe vaak is in 2024, 2025 en tot op heden in 2026 gebruikgemaakt van plaatsing in de handhaving- en toezichtlocatie, vrijheidsbeperkende maatregelen en andere toezichtsinstrumenten ten aanzien van asielzoekers, uitgesplitst per instrument?

Antwoord:
In de jaren 2024 tot en met maart 2026 was de instroom in de handhaving- en toezichtlocatie als volgt:
Instroom in de htl
2024 70
2025 110
2026 t/m maart 30
Instroom in de handhaving- en toezichtlocatie (Bron: COA; eindejaarsstanden)

Vreemdelingen met een vertrekplicht kunnen op een vrijheidsbeperkende locatie (vbl) of een gezinslocatie (gl) worden geplaatst. Aan volwassen vreemdelingen wordt in deze gevallen een gebiedsgebod opgelegd.
Gezinslocatie - Vrijheidsbeperkende locatie
2024 340 - 590
2025 420 - 480
2026 t/m maart 60 - 160
Opgelegde maatregelen (artikel 56 Vreemdelingenwet) in gezinslocatie en vrijheidsbeperkende locatie (Bron: DTenV; peildatum 31 maart 2026)

De politie kan een wekelijkse meldplicht opleggen. Onderstaande tabel toont het aantal opgelegde maatregelen meldplicht aan vreemdelingen in de caseload van DTenV. Ketenbrede cijfers zijn niet beschikbaar.
Meldplicht 2024 570
2025 530
2026 t/m maart 130
Het aantal opgelegde maatregelen meldplicht aan vreemdelingen in de caseload van DTenV (Bron: DTenV; peildatum 31 maart 2026).

Tot slot kan een reisdocument (zoals een paspoort) worden ingenomen of gevorderd. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar

Vraag (4):
Kunt u aangeven welke personele, financiële en juridische randvoorwaarden nog ontbreken om bestaande en aanvullende maatregelen ter beperking van de bewegingsvrijheid van overlastgevende asielzoekers intensiever toe te passen?

Antwoord:
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 is een goede samenwerking in de keten en beschikbare capaciteit van groot belang bij de aanpak van overlast. De DJI-capaciteit voor vreemdelingenbewaring is niet langer een knelpunt. Wel is van belang dat er voldoende procesbeschikbaarheidslocaties en verscherpt toezicht locaties beschikbaar zijn om overlastgevers in te plaatsen. Het is de inzet van dit kabinet om het aantal plaatsen in deze modaliteiten verder uit te breiden, zoals ook gewisseld is met uw Kamer in het commissiedebat van 8 april jl.

Vraag (5):
Kunt u aangeven welke onderdelen van de nieuwe EU-Terugkeerverordening naar verwachting het grootste effect zullen hebben op het versnellen van terugkeer vanuit Nederland?

Antwoord:
Op 8 december 2025 heeft de Raad van de EU een positie ingenomen op het voorstel van de Europese Commissie voor een Terugkeerverordening. Nederland kon hiermee instemmen, omdat dit in lijn was met het BNC-fiche dat dient als leidraad bij onderhandelingen over een Europees wetsvoorstel. Op 26 maart 2026 heeft het Europees Parlement eveneens een positie ingenomen, die niet sterk afwijkt van de Raadspositie. De triloog is inmiddels begonnen. Het kabinet zet in op een vlotte onderhandeling en staat klaar om het Cypriotisch Voorzitterschap daarbij te ondersteunen. Hoewel de definitieve tekst nog niet gereed is, moet de Terugkeerverordening in zijn geheel het terugkeerproces simpeler, efficiënter en doeltreffender maken.

Naar verwachting zal de uitbreiding van de definitie van terugkeer, en daarmee de terugkeermogelijkheden, een positief effect hebben op het terugkeerproces. Hiermee wordt vrijwillige én gedwongen terugkeer onder meer mogelijk naar landen waar de vreemdeling bestendig verblijf heeft of toegang en verblijf geniet. Bovendien moet terugkeer in de toekomst plaatsvinden naar derde landen waarmee een overeenkomst of regeling voor een terugkeerhub of transithub wordt getroffen. Ook de nieuwe systematiek ten aanzien van het nemen van een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit, de beoordeling van het beginsel van nonrefoulement, de uitbreiding van de bewaringsgronden en de bewaringstermijn, verduidelijking van de plichten van de vreemdeling en aandacht voor personen die een veiligheidsrisico vormen, zullen verder naar verwachting een positieve bijdrage leveren aan de versnelling van het terugkeerproces.

Vraag (6):
Kunt u aangeven welke capaciteit beschikbaar is of wordt voorbereid voor grensprocedures, gesloten opvang en grensdetentie voor niet-kansrijke aanvragen, en welke uitbreiding daarvan nog noodzakelijk is?

Antwoord:
Specifiek voor de asielgrensprocedure heeft de Europese Commissie voor elke EU-lidstaat de ‘passende (of toereikende) capaciteit’ berekend. Dit is de capaciteit voor opvang en personele middelen die alle lidstaten beschikbaar moeten hebben voor asielgrens- en terugkeergrensprocedures. Deze capaciteit dient beschikbaar te zijn als het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 van toepassing wordt. Deze capaciteit betreft voor Nederland 211 plekken en is reeds beschikbaar waardoor uitbreiding niet nodig is.

Vraag (7):
Kunt u aangeven welke nationale koppen op het asiel- en migratierecht inmiddels zijn geschrapt, welke nog in stand zijn, en welke verdere stappen op dit punt in voorbereiding zijn?

Antwoord:
Het Asiel- en migratiepact bestaat uit negen verordeningen en een herschikte Opvangrichtlijn. De verordeningen zijn vanaf het moment dat zij van toepassing worden rechtstreeks werkend. Van deze rechtstreeks werkende bepalingen kan niet worden afgeweken door de lidstaten. Dat betekent echter niet dat er geen nationale keuzes meer resteren. Het Pact creëert niet vanzelf in de lidstaten een werkend asiel- en migratiesysteem en het blijft dus van belang dat de lidstaten uitvoering geven aan het Asiel- en migratiepact en aldus een werkend stelsel neerzetten waarin de voorgeschreven rechten en plichten vorm krijgen. Dit betekent dat elke lidstaat een groot aantal operationele keuzes zal kunnen en moeten maken over het eigen nationale systeem. Vragen als welke instelling of organisatie, op welke locatie (en op hoeveel locaties) via welke ict-systemen en met hoeveel personeel hieraan invulling wordt gegeven, zijn goeddeels nationale keuzes, zolang daarmee de rechten en plichten uit het Pact worden nageleefd. Ook de wijze waarop bijvoorbeeld de lidstaten tot voldoende goede opvangvoorziening komen is een nationale keuze. Ondanks de vele verplicht voorgeschreven elementen van het Pact, blijft het dus noodzakelijk dat lidstaten een zeer groot aantal nationale operationele uitvoeringskeuzes maken om tot een werkend asiel- en migratiestelsel te komen. Deze keuzes zijn bedoeld om te komen een effectief en efficiënt migratiestelsel. Op een aantal onderdelen laat het Pact bij de beschrijving van de rechten en plichten expliciet ruimte voor nationale uitvoerings- of implementatiekeuzes. Het kabinet heeft bij de invulling van die keuzeruimte een restrictieve of stringente invulling als uitgangspunt genomen. Datzelfde geldt voor veel van de nadere operationele keuzes die nodig zijn voor de implementatie. Voorbeelden van ruimte binnen het Pact zijn de versobering van de asielprocedure, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur van de verblijfstitel en verkorting van de beroepstermijnen. De regering wijst daarnaast op de wetsvoorstellen Asielnoodmaatregelenwet en invoering Tweestatusstelsel waarmee vooruitlopend op de invoering van het Pact wordt voorgesteld maatregelen te treffen die tot doel hebben de instroom te beperken en de asielketen te ontlasten. De daartoe benutte ruimte betreft ruimte die onder het geldende EU-recht reeds bestaat, maar ook het Asiel- en migratiepact laat ruimte voor deze maatregelen. Daar waar ruimte zit voor een nationale uitvoeringskeuzes naast of binnen de Europese verplichtingen heeft de regering ervoor gekozen deze zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te voegen in het Nederlandse systeem. Voorbeeld hiervan is de invulling van juridische counseling en rechtsbijstand, zoals uiteengezet en beargumenteerd in de Kamerbrief van 29 september 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 19637, nr. 3479).

Vraag (8):
Kunt u per lidstaat die binnen het solidariteitsmechanisme een bijdrage verschuldigd is, aangeven in hoeverre die bijdrage tijdig en volledig wordt voldaan, en op welke wijze Nederland zich inzet voor effectieve naleving van deze verplichtingen?

Antwoord:
De bijdrages zijn pas begin 2027 verschuldigd en zijn wettelijk verplicht. Nederland gaat er daarom vanuit dat alle lidstaten deze bijdrage tijdig en volledig voldoen. De Commissie is verder verantwoordelijk voor het hierop toezien. Nederland steunt de Commissie hierin.


Vraag (9):
Kunt u toelichten welke objectieve criteria in de praktijk worden gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van onderduikrisico in het kader van vrijheidsbeperking, gesloten opvang of bewaring van vreemdelingen?

Antwoord:
De Opvangrichtlijn, de Terugkeerrichtlijn en de Asiel- en Migratiebeheerverordening geven aan dat een onderduikrisico moet worden gebaseerd op nationaalrechtelijk gedefinieerde objectieve criteria. Deze criteria staan nu al in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De criteria op basis waarvan een onderduikrisico aangenomen kan worden zijn bijvoorbeeld dat de vreemdeling zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken, geen gevolg heeft gegeven aan een eerder besluit waaruit de plicht blijkt Nederland te verlaten, of niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.

In het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026, dat op dit moment voor advies ligt bij de Raad van State, wordt deze lijst in het beoogde artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 overgenomen en aangepast aan de herschikte Opvangrichtlijn en de Asiel- en Migratiebeheerverordening, alsook aan ontwikkelingen in de jurisprudentie. Daarbij wordt ervoor gekozen dat een maatregel tot vrijheidsbeperking kan worden opgelegd indien zich ten minste één criterium voordoet en een bewaringsmaatregel indien zich ten minste twee criteria voordoen.

Vraag (10):
Kunt u aangeven welke personele, financiële en juridische randvoorwaarden nog ontbreken om signalen van onderduikrisico eerder en consistenter te vertalen naar toezicht, vrijheidsbeperking of bewaring?

Antwoord:
Het asiel- en migratiepact leidt tot de herschikking en aanvulling van de objectieve criteria om een onderduikrisico vast te stellen (zie ook vraag 9). Wanneer de ketenpartners, belast met het toezicht op vreemdelingen, een onderduikrisico signaleren kan dat een reden zijn voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het beschikbaar houden van de vreemdeling voor de asiel- of terugkeerprocedure. Dit betreft altijd een individuele afweging. Het kabinet zet zich ervoor in om zoveel als mogelijk gebruik te maken van de nieuwe of aangevulde instrumenten uit het pact. Als het gaat om toezicht, vrijheidsbeperking of vrijheidsbeneming is goede samenwerking in de keten en beschikbare capaciteit hierbij van belang. Waar enige tijd geleden DJI-capaciteit voor vreemdelingenbewaring een knelpunt vormde, is dat momenteel niet langer een belemmering. Dat neemt niet weg dat, mede vanwege het tekort op de arbeidsmarkt, voldoende beschikbaar en goed opgeleid personeel constant aandacht heeft

Vraag (11):
In hoeverre zijn in de eerste suppletoire begroting 2026 middelen gereserveerd om de informatiepositie, dossiervorming en ketensamenwerking te versterken die nodig zijn om onderduikrisico tijdig vast te stellen en daarop te handelen?

Antwoord:
Er zijn in de eerste suppletoire geen specifieke middelen gereserveerd om de informatiepositie, dossiervorming en ketensamenwerking te versterken die nodig zijn om onderduikrisico tijdig vast te stellen en daarop te handelen.

Vraag (12):
Hoeveel procent van de asielzoekers ging in 2025 na een afwijzing van diens asielaanvraag in beroep? Hoe verhoudt dit percentage zich tot 2024?

Antwoord:
In 2025 werd in 64% van de afgewezen asielaanvragen beroep ingesteld. In 2024 was dat 51%. (Bron: cijfers IND)

Vraag (13):
Wat is de totale omvang aan rechterlijke dwangsommen die asielzoekers in 2025 hebben ontvangen in het kader van asielprocedures? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024 en 2023?

Antwoord:
Voor asiel is in 2025 in totaal 26.6 mln. aan rechterlijke dwangsommen uitbetaald. In 2024 is een bedrag van 5.4 mln. uitgekeerd en in 2023 is in totaal 3.2 mln. (dit is excl. In gebreke stelling) betaald aan rechterlijke dwangsommen.


Vraag (14):
Hoeveel plekken waren er op 1 januari 2026 in de procesbeschikbaarheidslocatie (pbl) beschikbaar? Hoeveel van deze plekken waren daadwerkelijk bezet?

Antwoord:
In Ter Apel is een gezamenlijke capaciteit gereserveerd voor de PBL en VTL van maximaal 80 plekken. In principe zijn vijf plekken bestemd voor de PBL, maar dit kan worden uitgebreid. Op 1 januari 2026 verbleven er minder dan vijf personen op de PBL. Budel heeft geen pilot Procesbeschikbaarheidslocatie (PBL), maar enkel een pilot Verscherpte Toezichtlocatie (VTL) met een maximale capaciteit van 100 plekken

Vraag (15):
Op welke manier bent u van plan om de 12 miljoen euro die beschikbaar is voor migratiepartnerschappen in te zetten? Vallen terugkeerhubs ook onder dit begrotingsonderdeel?

Antwoord:
Samenwerking op het gebied van migratie gaat om bijvoorbeeld het aanpakken van mensensmokkel- en/of mensenhandel, het versterken van migratie- en asielmanagement in partnerlanden, het maken van terugkeerafspraken, het versterken van grensbewaking, het bieden van bescherming en het bevorderen van terugkeer vanuit derde landen of een combinatie hiervan. Dit kan worden vormgegeven via (een combinatie van) migratiedialogen, programmatische inzet via (internationale) organisaties en operationele inzet van migratieketenpartners in partnerlanden.

Het kabinet wil ook innovatieve vormen van migratiesamenwerking in kunnen zetten, zoals terugkeerhubs. Verkenningen en pilots op dit gebied kunnen dan ook vallen onder dit begrotingsonderdeel.


Vraag (16):
Hoeveel Chavez-verblijfsvergunningen zijn er in 2025 verleend op basis van erkenningen?

Antwoord:
Antwoord: In 2025 zijn 2970 eerste Chavez-verblijfsvergunningen verleend aan niet-Europese ouders van minderjarige, Nederlandse kinderen. In hetzelfde jaar zijn 300 eerste Chavezverblijfsvergunningen verleend aan minderjarige (half)broertjes en zusjes van minderjarige, Nederlandse kinderen.

Hoe vaak een Chavez-verblijfsvergunning op basis van een erkenning is verleend is niet te zeggen nu deze gegevens niet door de IND worden bijgehouden. Bron: IND, cijfers afgerond op tientallen

Vraag (17):
Hoeveel euro is vanaf 2005 jaarlijks besteed aan asielgerelateerde kosten? Kunt u dit uitsplitsen naar kosten van de verschillende vormen van opvang (zoals bijvoorbeeld hotels, noodopvang, etc.), uitbetalingen van dwangsommen, vreemdelingendetentie, kosten van de detentie van asielzoekers die een strafbaar feit hebben begaan en overige kosten, zoals bijvoorbeeld uitvoeringskosten? Kunt u deze kosten zowel als totalen per jaar als uitgedrukt in kosten per persoon per jaar presenteren? Hoeveel euro bedragen deze kosten als ook kosten van sociale zekerheid, zorg en alle andere voorzieningen waar vreemdelingen worden meegenomen? Kunt u een raming geven voor de komende jaren tot en met 2030?

Antwoord:
Alle kosten die jaarlijks worden gemaakt door de uitvoeringsorganisaties in de asielketen en op de genoemde onderwerpen worden jaarlijks gerapporteerd aan uw Kamer door middel van de departementale jaarverslagen. Deze kosten zijn niet eenvoudig te herleiden naar kosten per persoon per jaar. Voor opvang en de uitbetaling van dwangsommen is het wel mogelijk gebleken om voor de jaren 2020 tot en met 2025 en kostenoverzicht op totaalniveau te maken.



De dwangsombetalingen gericht op asielzaken bedragen over de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 respectievelijk: ca. € 1,7 mln., ca. € 3,4 mln. (inclusief In gebreke stelling), ca. € 5,5 mln. en ca. € 26,6 mln

De verwachtte kosten tot en met 2030 voor de uitvoeringsorganisaties in de asielketen staan vermeld in de eerste suppletoire begroting. De kosten voor sociale zekerheid, zorg en andere voorzieningen lopen in den brede mee in deze begrotingen.

Vraag (18):
Wat is de gemiddelde duur van een laissez-passer-aanvraag bij een diplomatieke vertegenwoordiging van derde landen tussen 2022 en 2026? Welk aandeel van de aanvragen wordt afgewezen en welk aandeel van de aanvragen wordt niet beantwoord door diplomatieke vertegenwoordigingen tussen 2022 en 2026? Is dit tevens te specificeren per land?

Antwoord:
De gemiddelde duur van laissez-passer-aanvraag bij een diplomatieke vertegenwoordiging van derde landen tussen 2022 en 2026 is 455 dagen. Hiervan wordt 51% niet beantwoord en 8% afgewezen.

Bron: DTenV, peildatum 10 april 2026

Tabel: doorlooptijd en antwoorden laissez-passers per jaar

Jaar Doorlooptijd tot antwoord Geen antwoord ontvangen Nationaliteit bevestigd Nationaliteit niet bevestigd
2022 407 63% 31% 6%
2023 533 51% 42% 8%
2024 587 49% 41% 10%
2025 330 43% 47% 10%
2026 262 47% 49% 4%
Gemiddeld 455 51% 41% 6%

Tabel doorlooptijd en antwoorden laissez-passers van top 10 landen

Land Doorlooptijd tot antwoord Geen antwoord ontvangen Nationaliteit bevestigd Nationaliteit niet bevestigd
Marokko 630 37% 51% 12%
Algerije 434 52% 40% 8%
Nigeria 402 65% 32% 3%
Tunesië 259 39% 46% 15%
Irak 400 67% 29% 4%
Gambia 292 78% 16% 6%
Ethiopië 486 40% 32% 27%
Syrië 18 1% 99% 0%
Somalië 218 54% 42% 4%
Iran 1164 96% 3% 1%

Vraag (19):
Op welke wijze wordt er rekening gehouden met juridische, en daardoor financiële, verantwoordelijkheden van het Rijk ten opzichte van de opvang van mensen zonder geldige verblijfspapieren zoals de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV)?

Antwoord:
Aan vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven kan onderdak worden geboden in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) alwaar zij, ondersteund door de DT&V dienen te werken aan hun vertrek. De financiering van de VBL is onderdeel van het COA-budget zoals opgenomen in de begrotingsstaten van het Ministerie van Asiel en Migratie voor het jaar 2026

Vraag (20):
Via welke regeling(en) worden gemeenten in staat gesteld om te werken aan opvang en huisvesting van asielzoekers, statushouders en vluchtelingen uit Oekraïne en hoeveel geld wordt daarvoor gereserveerd?

Antwoord:
Gemeente worden voor hun opvangtaak van Oekraïense ontheemden gefinancierd vanuit de Bekostigingsregeling opvang ontheemden Oekraïne (BooO). Daar is voor de komende drie jaar respectievelijk € 2,1 mld., (2026) € 2,1 mld., (2027) en € 0,8 mld. (2028) voor gereserveerd. Daarnaast bestaat er nog de Bekostigingsregeling eerste opvang ontheemden Oekraïne door Regionale openbare lichamen (BeooO), waarbij de eerste opvang de locatie is waar ontheemden uit Oekraïne zich melden om van daaruit te worden geplaatst in een gemeentelijke opvangvoorziening. Financiering verloopt via veiligheidsregio’s, provincie of gemeente. Hiervoor is respectievelijk € 0,035 mld. (2026), € 0,035 (2027) mld. en € 0,006 mld. (2028) gereserveerd. Er zijn middelen gereserveerd voor de opvang gedurende de looptijd van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) + 1 jaar, waardoor er nu financiering is voor de opvang tot 4 maart 2028.

De opvang van asielzoekers wordt bekostigd via het COA. Voor het COA is in 2026 4 mld. euro beschikbaar, in 2027 3,8 mln. en in 2028 3,5 mld. Daarnaast kan een gemeente een beroep doen op de decentralisatie uitkering Faciliteitenbesluit voor dekking van de kosten die een gemeente maakt of inkomsten die gemist worden door de gemeente. Tevens kan een gemeente een beroep doen op de decentralisatie uitkering overlastgevende en criminele asielzoekers. Hiervoor is een bedrag van € 14,2 mln. gereserveerd in de begroting. De opvang van statushouders wordt bekostigd via het COA tot het moment dat de statushouder uitgeplaatst wordt naar de gemeente waaraan de statushouder is gekoppeld. Om de uitplaatsing van statushouders te versnellen biedt het Rijk de HAR regeling (tot 1 juli 2026) en de SPUK Doorstroomlocaties (DSL).

Vraag (21):
Welk bedrag is er nodig om aan alle kansrijke asielzoekers taalonderwijs en/of beroepsonderwijs aan te bieden direct na aankomst in Nederland?

Antwoord:
Dit hangt van een aantal factoren af. Onder meer van de omvang van de doelgroep, hoeveel les mensen krijgen en wat voor les mensen krijgen (bijvoorbeeld NT2-les). Wanneer wordt uitgegaan van 15.000 kansrijke volwassen asielzoekers, waarvan ca. 80 procent deelneemt aan taalles, en 100 uur taalles krijgt door NT2-docenten, komt dat neer op ca. €14 mln.

Op dit moment wordt gewerkt aan een plan zodat iedereen in Nederland zo snel mogelijk mee kan doen. Taalles is daar een onderdeel van. Met het COA en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt onderzocht hoeveel taalles passend en nuttig is.

Asielzoekers hebben onder voorwaarden reeds toegang tot beroepsonderwijs

Vraag (22):
Kan per jaar vanaf 2026 tot en met 2031 worden weergegeven wat de geraamde capaciteit (aantal plaatsen) voor vreemdelingenbewaring is, uitgesplitst naar de verschillende locaties?

Antwoord:
Vreemdelingenbewaring vindt in Nederland plaats op twee hoofdlocaties die worden beheerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), te weten het detentiecentrum Rotterdam (volwassen mannen) en de Gesloten Gezinsvoorziening (GGv) in Zeist (gezinnen en alleenstaande minderjarigen). Daarnaast is er het Justitieel Complex Schiphol voor grensdetentie en het centrum voor transculturele psychiatrie Veldzicht voor COA bewoners die zijn aanmerkt als patiënt.

Vreemdelingenbewaring
In detentiecentrum Rotterdam is structureel plek voor 418 mannen.
In de gesloten gezinsvoorziening Zeist zijn structureel 46 (waarvan 10 voor amv) plekken beschikbaar voor vrouwen, gezinnen en amv
In het centrum voor transculturele psychiatrie Veldzicht zijn voor vreemdelingenbewaring structureel 4 zorgplekken
Aanvullend zijn er op Justitieel Complex Schiphol (JCS) 90 plekken beschikbaar voor vreemdelingenbewaring. Zoals met de TK gedeeld middels de zesde voortgangsrapportage capaciteit worden 48 van deze plekken tot juni 2026 gebruikt door DJI voor het gevangeniswezen. Voor deze datum zal er een nieuwe overweging worden gemaakt over deze regeling door middel van een evaluatie met de betrokken ketenpartners.

Grensdetentie en het Europees migratiepact
In het JCS zijn structureel 192 plekken beschikbaar voor grensdetentie, in de gesloten gezinsvoorziening in Zeist is structureel plek voor vrouwen, gezinnen en amv voor grensdetentie. In het totaal zijn 238 plekken voor grensdetentie beschikbaar. Voor de grensprocedure geldt een Europese eis van minimaal 211 plekken.

Vraag (23):
Welke middelen zijn in 2026, 2027 en 2028 specifiek gereserveerd voor uitbreiding van vtl-capaciteit (verscherpte toezichtlocatie) en uitbreiding van pbl-voorzieningen? Op welke begrotingsartikelen en -onderdelen zijn deze bedragen geboekt?

Antwoord:
Vanaf 2023 is € 15 mln. geoormerkt om de procesbeschikbaarheidslocaties te bekostigen. In de begroting is dit opgenomen binnen artikel 37.4 - Toegang, toelating en opvang vreemdelingen, onder Versterking VreemdelingenKeten (VVK).


Vraag (24):
Hoeveel inbewaringstellingen van vreemdelingen hebben in 2021 tot en met 2025 plaatsgevonden, en wat is op basis van de huidige raming het verwachte aantal inbewaringstellingen in 2026 en 2027 met het oog op de verruimingen voor inbewaringstelling in het EU Asiel- en Migratiepact?

Antwoord:
In de periode van 2021 tot en met 2025 betrof de instroom bij DJI de volgende aantallen vreemdelingen:
-2021: 2.929
-2022: 2.732
-2023: 3.174
-2024: 3.590
-2025: 3.198

Belangrijk om te benoemen is dat het aantal inbewaringstellingen (IBS) iets anders is dan de instroom bij DJI. De instroom bij DJI betreft vreemdelingen die, al dan niet aansluitend op verblijf in het aanmeldcentrum van de IND, in een detentiecentrum verblijven. Niet alle vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld, komen hierdoor in de DJI-instroom terecht. Vreemdelingen die enkel in het aanmeldcentrum van de IND verblijven voor de asielgrensprocedure, worden niet meegeteld in de instroom bij DJI. Ook een wijziging in de titel voor inbewaringstelling tijdens het verblijf in een detentiecentrum telt niet als nieuwe instroom, maar wél als nieuwe inbewaringstelling.

Wat betreft de verwachte inbewaringstellingen voor 2026 en 2027 is het niet mogelijk om een betrouwbare raming te geven. De beslissing om iemand in bewaring te stellen is op basis van de wet altijd afhankelijk van de noodzaak en proportionaliteit, waarbij per geval een individuele belangenafweging wordt gemaakt. De verwachtingen voor toekomstige aantallen kunnen dus variëren, mede door de invloed van de verruimingen in het EU Asiel- en Migratiepact.

Vraag (25):
Kan per jaar van 2026 t/m 2031 worden aangegeven hoeveel fte aan personeel (bewaking, toezicht en handhaving) in de vreemdelingenbewaring wordt ingezet, inclusief eventuele uitbreidingen die voortvloeien uit de eerste suppletoire begroting?

Antwoord:
Vreemdelingenbewaring vindt in Nederland plaats op twee hoofdlocaties te weten het detentiecentrum Rotterdam en JC Zeist. Daarnaast is er het Justitieel Complex Schiphol voor grensdetentie.

Het Detentiecentrum Rotterdam heeft in 2026 492 formatieplaatsen, JC Zeist 327 en JC Schiphol 516. Deze formatie stelt de locaties in staat hun opdracht te realiseren. Omdat op deze locaties ook andersoortige detentie wordt verzorgd, is een uitsplitsing tussen vreemdelingenbewaring en andere detentievormen moeilijk te maken.

Er staan op deze locaties geen uitbreidingen gepland die voortvloeien uit de eerste suppletoire begroting.

Vraag (26):
Kan per jaar 2026 en 2027 worden aangegeven wat het oorspronkelijk op de begroting van het ministerie van Asiel en Migratie geraamde bedrag was onder de post “aanpak overlastgevende en criminele asielzoekers” en onder welke specifieke uitkeringsregeling dit in het gemeentefonds is verwerkt, gezien voor deze post in 2026 een bedrag wordt overgeboekt naar het gemeentefonds?

Antwoord:
De structurele middelen voor de aanpak van overlast vloeien voort uit de bestuurlijke en politieke afspraken van 26 augustus 2022 en zijn op artikel 37.4 (Versterking Vreemdelingenketen) van de AenM-begroting geraamd. Binnen deze middelen is een deel specifiek bestemd voor de “aanpak overlastgevende en criminele asielzoekers”.

Jaar 2026
Oorspronkelijke raming op de begroting van Asiel en Migratie onder de post “aanpak overlastgevende en criminele asielzoekers”: € 23,0 mln. Hiervan is € 14,2 mln. geoormerkt voor een decentrale uitkering aan gemeenten. Bij Voorjaarsnota 2026 is € 12,9 mln. daarvan overgeboekt naar het Gemeentefonds.
Uitkeringsregeling in het Gemeentefonds: decentrale uitkering “Aanpak overlast asielzoekers”.
Een tweede decentrale uitkering (restant van de oormerking) wordt later dit jaar via een aanvullende overboeking naar het Gemeentefonds ingericht.

Jaar 2027
Voor 2027 wordt eveneens een decentrale uitkering aan gemeenten voorzien. De omvang en de voorwaarden van deze uitkering zijn nog niet vastgesteld. Om die reden is er thans geen afzonderlijk, definitief bedrag onder de specifieke post “aanpak overlastgevende en criminele asielzoekers” te vermelden, noch is de uitkeringsregeling al in het Gemeentefonds verwerkt.
De Kamer wordt via de reguliere suppletoire stukken geïnformeerd zodra besluitvorming over omvang, voorwaarden en verwerking in het Gemeentefonds is afgerond.

Vraag (27):
Welke voorwaarden, bestedingsdoelen en verantwoordingsvereisten gelden voor de decentralisatieuitkering aan gemeenten voor de aanpak van overlastgevende asielzoekers en hoe wordt de besteding door gemeenten geregistreerd en gerapporteerd?

Antwoord:
Antwoord: In 2025 is het instrument van de decentralisatie uitkering (DU) ingezet voor een bijdrage aan gemeenten in de aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers. In 2026 is de decentralisatie uitkering wederom beschikbaar gesteld voor de gemeenten. Gemeenten kunnen daarmee zelf bepalen welke maatregelen het beste bij hun lokale situatie past, bijvoorbeeld de inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's), bodycams, extra cameratoezicht, persoonsgerichte aanpak of het organiseren van extra sport en activiteiten.

Bij een dergelijke uitkering is geen sprake van strikte landelijke voorwaarden voor de inzet van de middelen. Wel zijn er bepaalde criteria aan de voorkant, zoals inwonersaantal, oppervlakte en sociaaleconomische kenmerken op basis waarvan de hoogte van de uitkering bepaald wordt. Ook mag het Rijk geen harde verantwoordingseisen stellen aan de besteding van deze uitkeringen, zoals dat wel het geval is bij specifieke uitkeringen. Uitkering van deze gelden vindt plaats via het gemeente- of provinciefonds. De uitkeringen worden geregistreerd in de gemeentebegroting en de jaarstukken. De gemeente verantwoordt de besteding van de uitkering via de reguliere, algemene jaarrekening

Vraag (28):
Hoeveel gemeenten hebben in 2023, 2024 en 2025 gebruikgemaakt van de specifieke of decentrale uitkering voor de aanpak van overlastgevende asielzoekers, wat was het totaal uitgekeerde bedrag per jaar en wat was de gemiddelde bijdrage per gemeente?

Antwoord:
In 2023 en 2024 is door het kabinet € 2,2 mln. beschikbaar gesteld voor de financiering van lokale maatregelen die gemeentes konden aanvragen via de Specifieke uitkering (SPUK) aanpak overlastgevende asielzoekers. Totaal hebben 17 gemeenten gebruik gemaakt van de regeling (2023: 9 en 2024: 17, waarvan 8 nieuwe). In 2023 is € 0,6 mln. uitgekeerd. In 2024 is € 1,6 mln. uitgekeerd. Gemiddeld was dit ca € 133.000 per gemeente.

In 2025 is een budget van € 3,4 mln. beschikbaar gesteld voor (gedeeltelijke) financiering van lokale maatregelen door middel van de decentralisatie-uitkering. Deze regeling geeft gemeenten de mogelijkheid om zelf te bepalen welke maatregelen het beste bij de ervaren problematiek past. Totaal hebben 35 gemeenten gebruik gemaakt van de regeling. Het gemiddelde bedrag per gemeente was € 98.000

Vraag (29):
Kan een overzicht worden gegeven van de typen maatregelen die gemeenten in de praktijk hebben gefinancierd uit deze middelen (bijvoorbeeld inzet boa’s, cameratoezicht, extra toezicht, begeleidingstrajecten), op basis van de beschikbare verantwoording?

Antwoord:
Gemeenten gebruiken decentrale uitkeringen en specifieke (SPUK) subsidies van het Rijk voor een breed scala aan maatregelen om overlast door asielzoekers, met name buiten de opvanglocaties, aan te pakken. De maatregelen zijn hieronder inzichtelijk gemaakt:

1. Versterking van toezicht en handhaving: zoals de inzet van extra BOA’s, straattoezichtteams, cameratoezicht, bodycams en inzet van extra (particuliere) beveiliging op overlastlocaties in de openbare ruimte en rondom opvanglocaties.

2. Maatregelen in de openbare ruimte; zoals (straat)verlichting en (her)inrichting van de openbare ruimte, plaatsen van hekken.

3. Preventieve en sociale interventies; zoals straatcoaches/jongerenwerkers om de-escalerend te werken, organiseren van sociale activiteiten, begeleiding naar werk, een leefbaarheidsfonds en het organiseren van informatiebijeenkomsten over lokale regels en normen (bijv. in samenwerking met de politie).



Vraag (30):
Uit welke begrotingshoofdstukken en -artikelen worden de middelen voor migratiepartnerschappen precies gedekt (bijvoorbeeld overhevelingen uit de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking), met vermelding van de bijbehorende bedragen per jaar?

Antwoord:
In het kader van de taskforce is in totaal vanuit de respectievelijke begrotingen van BHO en A&M op basis van de voorjaarsbesluitvorming oplopend tot 118 miljoen euro per jaar in 2029 begroot voor ontwikkelingshulp (ODA-uitgaven) en non-ODA uitgaven t.b.v. migratiesamenwerking- en partnerschappen. Een deel hiervan is voor de jaren 2026-2028 overgeheveld naar de A&M begroting (zie kopje incidenteel hieronder).

De middelen voor migratiepartnerschappen staan als volgt begroot op de AenM-begroting voor 2026-2028:

Structureel:
JenV-begroting, Hoofdstuk: Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) onderdeel Asiel en Migratie
Artikel: 37.4 – Toegang, toelating en opvang vreemdelingen - Versterking Vreemdelingenketen
Toelichting:
Bij de bestuurlijke en politieke afspraken van 26 augustus 2022 zijn structurele middelen voor migratiepartnerschappen opgenomen.
Bedragen:
2026: € 6,8 mln.
2027: € 6,8 mln.
2028 e.v.: € 6,8 mln.

Incidenteel:
Overhevelingen vanuit Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp(bron; externe dekking)
Begrotingshoofdstuk XVII – Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, Ontvangende begroting: Asiel en Migratie
Artikel: 37.4 – Toegang, toelating en opvang vreemdelingen - Versterking Vreemdelingenketen
Toelichting: Migratiepartnerschappen zijn opgenomen als een direct instrument om met derde landen de instroom te beperken en terugkeer te bevorderen. De inzet specifiek gericht op asiel en migratie en complementeert de inzet van de BHO op het gebied van migratie: bevorderen terugkeer, tegengaan irreguliere migratie, inzet keten bij grensmanagement, aanpak mensenhandel/-smokkel, aansluiting bij EU-partnerschappen, pilots.
Besluitvorming en bedragen:
September­ suppletoire 2025: 2025–2028 € 10 mln. per jaar.
Voorjaarsnota 2026 (aanvullend) voor 2027–2028 € 12 mln. per jaar.

Jaartotalen migratiepartnerschappen (op basis van bovenstaande dekking)
2026: € 16,8 mln (JenV art. 37.4: € 6,8 mln; Hoofdstuk XVII BHO: € 10 mln)
2027: € 28,8 mln (JenV art. 37.4: € 6,8 mln; Hoofdstuk XVII BHO: € 10 mln + aanvullend € 12 mln)
2028: € 28,8 mln (JenV art. 37.4: € 6,8 mln; Hoofdstuk XVII BHO: € 10 mln + aanvullend € 12 mln)
2029 e.v.: € 6,8 mln (JenV art. 37.4: € 6,8 mln).

Vraag (31):
Waarom zijn voor migratiepartnerschappen geen middelen in 2026 en vanaf 2029 geraamd, terwijl in 2027 en 2028 wel 12 miljoen euro per jaar beschikbaar komt en welke overwegingen liggen aan deze timing ten grondslag?

Antwoord:
Voor 2026 is er 17 miljoen beschikbaar voor migratiepartnerschappen voor de Minister van Asiel en Migratie, waarvan 10 miljoen afkomstig is uit de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. In 2027 en 2028 is er voor A&M additioneel 12 miljoen per jaar beschikbaar gesteld uit de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De extra middelen zijn noodzakelijk om invulling te geven aan intensivering op migratie conform kabinetsplannen.
Vanaf 2029 komt de reeks tot zijn eind en zijn er daarom vanaf 2029 geen additionele middelen geraamd op de begroting van A&M.

Vraag (32):
Op welke wijze wordt de samenhang geborgd tussen de nationale middelen voor migratiepartnerschappen op de begroting van het ministerie van Asiel en Migratie en de Nederlandse inzet binnen EU-migratiepartnerschappen en relevante EU-fondsen en hoe wordt overlap in financiering voorkomen?

Antwoord:
Nederland zet in op EU-coördinatie t.a.v. migratiesamenwerking in de voor Nederland prioritaire landen. Waar dat effectief wordt geacht, zoekt Nederland ook actief de samenwerking met de Europese Commissie en/of andere lidstaten op – bijvoorbeeld waar het gaat om operationele of programmatische inzet. Zo zet A&M bijvoorbeeld samen met Oostenrijk, Denenmarken en Zweden middelen in voor een grensmanagement project in Syrië, en zijn andere lidstaten aangesloten zonder financiële bijdrage. Ook is Nederland voornemens meer Europese fondsen aan te trekken voor deze doeleinden. De inzet van de non-ODA middelen van A&M is complementair aan de inzet van BZ ODA middelen ten behoeve van migratiepartnerschappen en deze samenhang wordt geborgd in de Taskforce Internationale Migratie.

Vraag (33):
Kan worden aangegeven welk deel van de middelen voor opvang en asielprocedure voortvloeit uit ramingen op basis van de Meerjaren Productie Prognose (MPP) en welke bandbreedtes in instroomscenario’s daarbij zijn gehanteerd?

Antwoord:
De meerjaren productieprognose (MPP) schetst een gedeeld toekomstbeeld voor de migratieketen op strategisch niveau. Dit gebeurt in de vorm van 4 scenario’s (minimum, mediaan, medio en maximum) die samen een bandbreedte volgen. Bij het opstellen van de begroting is uitgegaan van het mediaanscenario. In dit scenario is de kans dat de instroom hoger uitvalt even groot als de kans dat de instroom lager uitvalt, en is daarmee het midden van de bandbreedte van de MPP. De middelen uit het coalitieakkoord die zien op het meerjarig op niveau brengen van de asielketen moeten in relatie gezien worden met de verdere verwerking van de MPP.

In het kader van opvang is voor het COA het budget op basis van de MPP in 2026 verhoogd met € 220,4 mln., in 2027 met € 575,3 mln., in 2028 met € 549,4 mln. En vanaf 2029 meerjarig met € 553 mln. NIDOS: in 2026 € 56,1, in 2027 € 80,9 en vanaf 2028 meerjarig met 80,8 mln. In het kader van de asielprocedure is er bij de IND een bedrag van € 3 mln. toegevoegd in 2028.

Vraag (34):
Kan worden aangegeven welk deel van de middelen voor opvang en asielprocedure voortvloeit uit ramingen op basis van de MPP en welke bandbreedtes voor externalisering van de opvang en asielprocedure daarbij zijn gehanteerd?

Antwoord:
De meerjaren productieprognose (MPP) schetst een gedeeld toekomstbeeld voor de migratieketen op strategisch niveau. Dit gebeurt in de vorm van 4 scenario’s (minimum, mediaan, medio en maximum) die samen een bandbreedte volgen. Bij het opstellen van de begroting is uitgegaan van het mediaanscenario. In dit scenario is de kans dat de instroom hoger uitvalt even groot als de kans dat de instroom lager uitvalt, en is daarmee het midden van de bandbreedte van de MPP. De middelen uit het coalitieakkoord die zien op het meerjarig op niveau brengen van de asielketen moeten in relatie gezien worden met de verdere verwerking van de MPP.

In het kader van opvang is voor het COA het budget op basis van de MPP in 2026 verhoogd met € 220,4 mln., in 2027 met € 575,3 mln., in 2028 met € 549,4 mln. En vanaf 2029 meerjarig met € 553 mln. NIDOS: in 2026 € 56,1, in 2027 € 80,9 en vanaf 2028 meerjarig met 80,8 mln. In het kader van de asielprocedure is er bij de IND een bedrag van € 3 mln. toegevoegd in 2028.

Vraag (35):
Welke mechanismen zijn in de begrotingssystematiek opgenomen om bij een lagere feitelijke instroom dan geraamd de extra middelen voor de asielketen (bijvoorbeeld uit MPP-middelen) af te bouwen en hoe wordt dit proces in de tijd vormgegeven?

Antwoord:
Binnen de reguliere begrotingscyclus wordt op de vaste momenten bij onder meer Voorjaarsnota en Najaarsnota bezien of het beschikbare budgettaire kader volstaat en/of moet worden bijgesteld op basis van de feitelijke instroom en de bezetting in combinatie met de verwachte aantallen van de meest actuele Meerjaren Productie Prognose

Vraag (36):
Welke risico’s voor de begroting van het ministerie van Asiel en Migratie zijn in kaart gebracht indien de instroom hoger uitvalt dan in de huidige raming is verondersteld en welke aanvullende maatregelen (beleidsmatig of budgettair) zijn daarbij voorzien?

Antwoord:
In het geval dat de instroom hoger is dan voorzien voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen, wordt binnen de reguliere begrotingscyclus op de vaste momenten bij onder meer Voorjaarsnota en Najaarsnota bezien of het beschikbare budgettaire kader volstaat en/of moet worden bijgesteld op basis van de feitelijke instroom en de bezetting in combinatie met de verwachte aantallen van de meest actuele Meerjaren Productie Prognose. Tegelijkertijd liggen de wetsvoorstellen voor het migratiepact, asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel nu voor bij de Kamers. De verwachting is dat deze voorstellen een beperkend effect zullen hebben op de instroom. Het is echter nog niet mogelijk dit effect te kwantificeren

Vraag (37):
Kan een overzicht worden verstrekt van alle maatregelen in deze begroting die specifiek zijn gericht op beperking van instroom, intensivering van terugkeer en versterking van grenstoezicht, met vermelding van de bijbehorende budgetten per jaar?

Antwoord:
Het kabinet heeft er in het coalitieakkoord voor gekozen om de uitvoeringsorganisaties in de asielketen meerjarig stabiel te financieren. In het kader van terugkeer betekent dit dat in de eerste suppletoire begroting 2026 het programmabudget van DTenV wordt verhoogd met € 4,8 mln. in 2026, € 16,7 mln. in 2027, 2028 meerjarig € 24,2 mln en 2029 e.v. € 24,1 mln. Voor de versterking van het grenstoezicht is er voor het Entry Exit System (EES) op Schiphol in 2026 een bedrag van € 25 mln. gereserveerd. De andere middelen voor grenstoezicht lopen via de begroting van het Ministerie van Defensie.

In de begroting waren al middelen opgenomen voor de uitvoering van de asielnoodmaatregelenwet, het migratiepact en tweestatusstelsel. De totaal opgenomen kosten staan genoemd in de memorie van toelichting van deze wetsvoorstellen.

Vraag (38):
Op basis van welke omstandigheden en/of criteria zal de uitgave voor maatregel 68 (overige stabiele asielketen incl. crisisnoodopvang) substantieel kunnen afnemen van 328 miljoen euro in 2029 naar 32 miljoen euro in 2030?

Antwoord:
In het coalitieakkoord (maatregelen 67 en 68) zijn budgetten voor de asielketen meerjarig op een stabiel niveau gebracht. Deze mutatie(s) moeten samen worden gezien met de verwerking van de MPP voor de organisaties in de asielketen. De meest recente MPP is verwerkt voor 2026 en 2027 en de begrotingsstand 2027 die hieruit volgt is als uitgangspunt genomen voor 2028 en verder. Daarnaast kent het budget voor de meerkosten van (crisis)noodopvang door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) een gelijkmatig afloop van 1,2 miljard euro in 2026 naar 0 euro vanaf 2030.

Vraag (39):
Worden er specifieke gelden gereserveerd voor het onderbrengen van kinderen op voor hen geschikte reguliere opvanglocaties in plaats van (crisis)noodopvang?

Antwoord:
Het COA wordt gefinancierd op het aantal benodigde opvangplekken. Hierbij wordt geen onderverdeling of specifieke reservering gemaakt voor de opvang van kinderen of andere doelgroepen.

De opvangcapaciteit van het COA zit vol en de uitdagingen van kinderen in de opvang kunnen daar niet los van worden gezien. Zolang het aantal reguliere opvangplekken nog niet op peil is, is het niet te voorkomen dat ook kinderen in noodopvang worden opgevangen. Daarbij moet altijd aandacht blijven voor de kwaliteit van de betreffende locatie en is voor het plaatsen van kinderen veiligheid altijd een harde voorwaarde. De kwaliteit van sommige noodopvanglocaties doet overigens niet onder voor die van reguliere opvanglocaties. Waar nodig worden maatregelen getroffen om de omstandigheden voor kinderen verder te verbeteren, zoals aan uw Kamer is toegezegd.

Vraag (40):
Hoe wordt de effectiviteit van de middelen voor (migratie)partnerschappen (gericht op terugkeer) gemonitord en welke indicatoren worden hierbij gehanteerd?

Antwoord:
Nederland heeft migratiepartnerschappen als inzet om irreguliere migratie naar de Europese Unie en Nederland tegen te gaan en terugkeer te bevorderen. Middelen worden in die hoedanigheid ingezet voor verschillende activiteiten, o.a. investeren in programma’s op verschillende thema’s (zoals mensensmokkel- en/of mensenhandel, migratie- en asielmanagement, grensbewaking, re-integratie), keteninzet in derde landen, diplomatie en de Nederlandse informatiepositie.
Een voorbeeld van deze aanpak is de gelijkwaardige samenwerking tussen de Koninklijke Marechaussee en haar Marokkaanse evenknie, op het gebied van identiteits- en documentfraude door middel van trainingen. Dit gaat in op een verzoek van een partner en versterkt daarmee de bilaterale relatie, vergroot de capaciteit om irreguliere migratie tegen te gaan en bevordert de terugkeersamenwerking.
Migratiesamenwerking wordt beïnvloed door externe factoren, zoals politieke (in)stabiliteit in partnerlanden, internationale machtsverhoudingen en de mate waarin landen van herkomst bereid zijn om mee te werken aan terugkeer. De Taskforce Internationale Migratie is bezig met het ontwikkelen van instrumenten om de impact van de inzet beter inzichtelijk te maken.


Vraag (41):
Waarom is er alleen sprake van een reservering voor de uitvoering decentralisatie uitkering faciliteitenbesluit in 2026 (11,689 miljoen euro) en niet voor de jaren daarna?

Antwoord:
De € 11,689 mln. voor de uitvoering van decentralisatie uitkering faciliteitenbesluit ziet op een overboeking naar de fondsbeheerders voor verwerking in de meicirculaire. Er wordt per verschillende circulaire van de fondsbeheerders bezien welke middelen gemeenten nodig hebben in het kader van het voormalige faciliteitenbesluit.

Vraag (42):
Hoe zal de effectiviteit van gemeentelijk beleid voor het inzetten van de vrijgemaakte middelen voor de aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers ten behoeve van het gemeentefonds (12,9 miljoen euro) worden geëvalueerd?

Antwoord:
Er is door het departement gekozen om deze middelen via een decentralisatie uitkering te verstrekken aan de gemeenten die maatregelen willen treffen in het kader van overlastgevende- en criminele asielzoekers. Gemeenten hebben hier beleidsvrijheid in, er is geen evaluatie op Rijksniveau voorzien.

Gemeenten gebruiken decentrale uitkeringen en specifieke (SPUK) uitkeringen van het Rijk voor een breed scala aan maatregelen om overlast door asielzoekers, met name buiten de opvanglocaties, aan te pakken. De maatregelen zijn hieronder inzichtelijk gemaakt:

1. Versterking van toezicht en handhaving: zoals de inzet van extra BOA’s, straattoezichtteams, cameratoezicht, bodycams en inzet van extra (particuliere) beveiliging op overlastlocaties in de openbare ruimte en rondom opvanglocaties.

2. Maatregelen in de openbare ruimte; zoals (straat)verlichting en (her)inrichting van de openbare ruimte, plaatsen van hekken.

3. Preventieve en sociale interventies; zoals straatcoaches/jongerenwerkers om de-escalerend te werken, organiseren van sociale activiteiten, begeleiding naar werk, een leefbaarheidsfonds en het organiseren van informatiebijeenkomsten over lokale regels en normen (bijv. in samenwerking met de politie).

Vraag (43):
Op basis van welke criteria worden de incidentele middelen (10 miljoen euro in 2026 en 40 miljoen euro in 2027) voor bonussen aan gemeenten en provincies onder de spreidingswet verdeeld? Waarom zijn er in dit verband geen uitgaven gereserveerd na 2027?

Antwoord:
De Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen werkt middels een tweejarige cyclus. Per cyclus kunnen gemeenten volgens verschillende voorwaarden aanspraak maken op een specifieke uitkering. Deze criteria zijn wettelijk vastgelegd. Er zijn drie specifieke uitkeringen:
-Gemeenten kunnen aanspraak maken op SPUK 1 in het geval de gemeenten duurzame opvangplekken boven de indicatieve verdeling realiseren.
oBij minder dan 100 opvangplaatsen boven de indicatieve verdeling: €1.000,- euro per opvangplaats boven de indicatieve verdeling.
o Bij meer dan 100 opvangplaatsen boven de indicatieve verdeling: €2.000,- euro per opvangplaats boven de indicatieve verdeling.

-Op SPUK 2 kunnen gemeenten aanspraak maken in het geval de gemeenten bijzondere opvangplekken, in dit geval AMV, realiseren.
o Gemeenten ontvangen €2.000,- euro per bijzondere opvangplek.

-Op SPUK 3 kunnen gemeenten aanspraak maken als de provincie 75% van de provinciale opgave realiseert. Voor iedere opvangplek die binnen de provincie gerealiseerd wordt boven de 75% grens is €1.500,- euro beschikbaar. Hiervan is €1.275,- euro bestemd voor gemeenten en €225,- euro voor de provincie. Het totaal beschikbare bedrag voor gemeenten, wordt naar rato dat gemeenten bijdragen aan het provinciaal totaal verdeeld. Opvangplekken waarvoor SPUK 1 is aangevraagd, kunnen daarnaast geen geld vanuit SPUK 3 ontvangen.

De hoogte van het jaarlijks totaal uit te keren bedrag is op voorhand niet vast te stellen en hangt af van het aantal opvangplaatsen dat daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Gemeenten die tijdens de 2e cyclus aanspraak kunnen maken op een van de specifieke uitkeringen zullen deze ontvangen in 2027 of 2028. De bonussen voor het uitvoeren van de spreidingswet zullen in het vervolg worden meegenomen met de MPP.

Vraag (44):
Wat verklaart de mutaties in het budget voor het programma ‘Return and Emigration Assistance from the Netherlands’ (REAN) en hoe verhouden deze zich tot inspanningen om vrijwillige terugkeer te bevorderen ten opzichte van gedwongen terugkeer?

Antwoord:
Er is een bijstelling op de REAN-regeling zichtbaar van € 7,3 mln. naar € 6,6 mln. “Bijdrage REAN” is onderdeel van verschillende programma uitgaven van DTenV. Deze mutatie is onderdeel van de bredere mutatie om de begroting van DTenV in lijn te brengen met de MPP en de organisatie meerjarig op een stabiel niveau te financieren. Reden voor de bijstelling is dat DTenV reeds in kaart heeft wat de uitgaven voor REAN zijn dit jaar, namelijk € 6,6 mln, doordat het een meerjarig contract betreft met vaste jaarlijkse voorschotten. Op enkele andere uitgavenposten van DTenV is een opwaartse bijstelling gedaan onder andere vanwege stijgende tarieven voor vertrek (vliegtickets, tolken, medische kosten, etc).

De inzet van het Kabinet is om vreemdelingen zoveel mogelijk zelfstandig te laten vertrekken als het kan. Daarnaast bestaat ook de optie om vertrekplichtige vreemdelingen, die niet vrijwillig vertrekken, gedwongen te laten terugkeren. Als het gaat om vrijwillig vertrek wordt onder andere gebruik gemaakt van de diensten van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zoals het programma ‘Return and Emigration Assistance from the Netherlands’ (REAN). Medewerking van de vreemdeling is hierbij essentieel.

Vraag (45):
Hoeveel opvangplekken voor ontheemden uit Oekraïne worden er binnen afzienbare tijd gerealiseerd? Voor hoeveel opvangplekken wordt er budget gereserveerd? Hoeveel ontheemden uit Oekraïne die zich nu voor opvang en bescherming in Nederland melden krijgen geen opvang en bescherming, omdat er geen opvang beschikbaar is?

Antwoord:
Ontheemden uit Oekraïne kunnen zich bij iedere Nederlandse gemeente melden voor opvang. Op dit moment zijn er zo’n 98.000 gemeentelijke opvangplekken gerealiseerd. De bezetting in de opvang is echter al geruime tijd zeer hoog. Indien een gemeente geen plekken beschikbaar heeft, dient er regionaal en uiteindelijk landelijk gekeken te worden naar een beschikbare plek. In afwachting hiervan, dient een gemeente crisisnoodopvang te verzorgen, bijvoorbeeld in de vorm van een hotelovernachting. Tegelijkertijd roep ik ontheemden op die daartoe in staat en bereid zijn om zelf huisvesting te zoeken. Op dit moment wonen zo’n 40.000 ontheemden zelfstandig.
Het aantal ontheemden dat zich in Nederland meldt, maar niet direct opvang krijgt, wordt niet centraal geregistreerd omdat de taak decentraal bij gemeenten is belegd. Voor het realiseren van opvangplekken is ca. 2,1 miljard euro in 2026, 2,2 miljard euro in 2027 en 0,8 miljard euro in 2028.

Vraag (46):
Hoeveel procent van het totaal aantal Oekraïners die zich in Europa bevinden vangt Nederland op? Hoe verhoudt zich dat tot andere landen?

Antwoord:
In februari 2026 werden ca. 4.398.405 Oekraïners opgevangen in de EU, waarvan ca. 135.790 personen (3%) in Nederland. Lidstaten Duitsland (29%), Polen (22%), Tsjechië (9%), Spanje (6%) en Roemenië (5%) vangen meer Oekraïense vluchtelingen op dan Nederland; de overige EUlidstaten hebben hetzelfde aandeel of minder dan Nederland.

Bron: Eurostat

Vraag (47):
Zijn er signalen dat Oekraïners die naar Nederland komen het komende jaar zullen toenemen of afnemen?

Antwoord:
Nee, die signalen zijn er niet. In juli 2025 is in samenwerking met experts van o.a. Clingendael, Defensie, KCIO en de veiligheidsregio’s een prognose opgesteld voor de instroom van Oekraïense ontheemden. In augustus 2026 zal deze prognose worden herzien en geactualiseerd. Dan zal ook de prognose voor het komende jaar bepaald worden. Bij de vaststelling van de nieuwe prognose zullen de instroomcijfers over het afgelopen jaar worden meegewogen. De kamer wordt na de zomer hierover nader geïnformeerd.


Vraag (48):
Hoeveel O-documenten zijn er in 2025 verstrekt aan Oekraïners?

Antwoord:
Oekraïners krijgen in principe geen O-document. In plaats daarvan krijgen zij een sticker in hun paspoort geplakt of op een los inlegvel als het een dienstplichtige man betreft. In 2025 heeft de IND 23.780 verblijfsbewijzen in de vorm van een sticker uitgereikt.

Derdelanders met permanent verblijfsrecht in Oekraïne krijgen wel een O-document. In 2025 heeft de IND 2.040 O-documenten uitgereikt. In totaal heeft de IND in 2025 dus 25.820 verblijfsbewijzen uitgereikt aan personen die een beroep hebben gedaan op tijdelijke bescherming.

Bron: cijfers IND (afgerond op tientallen)

Vraag (49):
Op hoeveel asielverzoeken van Oekraïners is er in 2025 beslist? Wat is het inwilligingspercentage? Hoeveel asielverzoeken van Oekraïners staan er nog open? Hoeveel van deze verzoeken zijn van Oekraïners die niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen?

Antwoord:
Om voor de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in aanmerking te komen, wordt een asielaanvraag ingediend. Gedurende de looptijd van de Richtlijn beslist de IND niet op deze asielaanvragen (zie ook de beantwoording van vraag 50). Op 13 april 2026 ging het om afgerond 139.580 personen die zich sinds het uitbreken van de oorlog in Oekraïne beroepen op de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Daarnaast zijn er personen die niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. Zij kunnen dan in Ter Apel een asielaanvraag indienen als zij menen asielmotieven te hebben. In afwachting van landgebonden asielbeleid, beslist de IND alleen in bepaalde gevallen op asielaanvragen, bijvoorbeeld in het geval van openbare orde aspecten.

In 2025 heeft de IND op 20 asielverzoeken van Oekraïners beslist. Zo goed als alle zaken zijn administratief afgedaan. Het inwilligingspercentage van de behandelde asielverzoeken in 2025 was 0%. Op 13 april 2026 stonden er afgerond 1.010 asielverzoeken van Oekraïners open. Deze vallen niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

Bron: cijfers IND (afgerond op tientallen)

Vraag (50):
Hoeveel asielverzoeken van Oekraïners staan al langer dan 21 maanden open?

Antwoord:
Op 13 april 2026 stonden er afgerond 430 asielverzoeken van Oekraïners langer dan 21 maanden open. Dit zijn asielverzoeken van Oekraïners die niet onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen. Dit zijn bijvoorbeeld Oekraïners die ten tijde van de inval in Oekraïne buiten Oekraïne in een niet-EU land verbleven. De beslistermijn van asielaanvragen die zijn ingediend om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming, is opgeschort gedurende de looptijd van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

1 Bron: cijfers IND (afgerond op tientallen)

Vraag (51):
Wat is het inwilligingspercentage voor Oekraïense asielzoekers met aanvragen van voor 2022?

Antwoord:
In 2020 was het inwilligingspercentage van Oekraïense asielaanvragen 14%. In 2021 was dat 36%. In 2020 en 2021 was Oekraïne aangemerkt als spoor 2-land (oftewel: een veilig land van herkomst), wat inhoudt dat deze asielaanvragen versneld door de IND werden behandeld en beslist.

Bron: cijfers IND

Vraag (52):
Hoeveel tijd heeft Nederland nodig voor invoering van de zogeheten nationale terugvaloptie op het gebied van verblijfsrecht wanneer er geen besluit tot gezamenlijke Europese verlenging van het verblijf van Oekraïners wordt genomen? Hoe wordt hier in de capaciteit van de IND-rekening mee gehouden?

Antwoord:
Het kabinet werkt aan langetermijnbeleid voor de periode na afloop van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. We zetten daarbij in op vrijwillige terugkeer in combinatie met wederopbouw van Oekraïne. Mijn voorganger heeft u hierover geïnformeerd in de verzamelbrief d.d. 28 november 2025. Hiermee wordt beoogd de asielketen niet extra te belasten.

Daarnaast bereiden we ons in de tussentijd op nationaal niveau op verschillende scenario’s voor. Voor Oekraïense vluchtelingen in Nederland werken we een tijdelijke verblijfstatus uit, met oog op de Europese discussie. Inzet is om voor deze groep te werken aan terugkeer en het deel dat niet terugkeert zoveel mogelijk via de reguliere systemen onder te brengen, zodat de IND en het COA niet extra belast worden.

Daartoe worden verschillende opties onderzocht om het proces bij de IND zo snel en efficiënt mogelijk in te richten en minder arbeidsintensief te maken. Ook loopt er momenteel een uitvoeringstoets bij de IND om de verwachte capaciteitsbehoefte, kosten en benodigde voorbereidings- en implementatietijd van deze nationale terugvaloptie in nader kaart te brengen.


Vraag (53):
Hoeveel Oekraïners volgen Nederlandse taalonderwijs vanuit de gelden vanuit de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)? Is dit aandeel gestegen, verminderd of gelijk gebleven ten opzichte van eerdere jaren? Kunnen Oekraïners vanuit iedere gemeente taalonderwijs volgen vanuit de WEB-gelden? In hoeverre wordt een toename van het aandeel van Oekraïners dat taalonderwijs volgt vanuit de WEB-gelden?

Antwoord:
Het aantal Oekraïners dat Nederlandse taallessen volgt vanuit de gelden van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) wordt niet landelijk geregistreerd. Daardoor zijn er geen gegevens beschikbaar over de stijging, daling of gelijkblijvende trend van het aandeel Oekraïense ontheemden dat taallessen volgt ten opzichte van voorgaande jaren.

De WEB-gelden zijn bestemd voor alle niet-inburgeringsplichtigen. In principe kan iedere gemeente vanuit deze middelen taallessen voor Oekraïense ontheemden organiseren, zolang daar voldoende budget voor beschikbaar is.

Voor 2023 en 2024 zijn extra middelen beschikbaar gesteld: in 2023 € 15 miljoen, in 2024 € 2 miljoen vanuit het ministerie van SZW, en in 2025 nog eens € 10 miljoen van het kabinet, specifiek voor taalonderwijs aan Oekraïense ontheemden. Er wordt bekeken of ook in de komende jaren middelen beschikbaar kunnen worden gesteld voor taallessen voor Oekraïense ontheemden. Het spreken van de Nederlandse taal is essentieel voor hun zelfredzaamheid en (arbeids)participatie in Nederland.

Daarnaast worden werkgevers nadrukkelijk opgeroepen om taalonderwijs te faciliteren voor niet-inburgeringsplichtigen, waaronder Oekraïense ontheemden, om zo de integratie en participatie te ondersteunen.


Vraag (54):
Wordt bij het naar beneden bijstellen van de budgetten voor de opvang van Oekraïense ontheemden van 2026 t/m 2028 rekening gehouden met verwachte sluitingen van bestaande opvanglocaties? Hoe worden vervangende opvanglocaties gerealiseerd?

Antwoord:
De budgettaire bijstelling is niet het gevolg van verwachte sluitingen van bestaande locaties, maar doordat er minder capaciteit wordt gerealiseerd dan geraamd.

In de budgetten wordt rekening gehouden met noodzakelijke investeringen in opvanglocaties en nieuwe plekken van locaties die moeten sluiten. Gemeenten kunnen een aanvraag doen voor een investering om een locatie langer open te houden.


Vraag (55):
Op welke manier wordt er rekening gehouden in 2027 en 2028 met de doorstroom van Oekraïners waarbij de opvang bij werkgevers en particulieren zal worden beëindigd (mede in verband met ingang transitiedocument)?

Antwoord:
Op dit moment wordt het langetermijnbeleid Oekraïne verder uitgewerkt, zoals aangekondigd in de verzamelbrief van 28 november 2025.1 Het uitgangspunt is dat de opvang geleidelijk wordt omgezet naar huisvesting, waarbij de gemeentelijke opvang zoveel mogelijk wordt afgebouwd.

Tot die tijd is opvangopgave voor gemeentes vastgesteld op basis van de prognose, die wordt opgesteld door diverse experts. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de verhouding gemeentelijk opvang versus andere vormen van onderdak.


Vraag (56):
Wordt er in 2028 ook rekening gehouden met mogelijke toestroom van Oekraïners naar de asielketen, die niet voor transitiedocument kiezen, maar besluiten om de asielprocedure te continueren?

Antwoord:
Als er geen besluit tot gezamenlijke verlenging van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor Oekraïense ontheemden wordt genomen, loopt deze op 4 maart 2027 af. Zoals toegelicht in de Verzamelbrieven Oekraïne van juli en november 2025 2, werkt het Kabinet aan een nationale terugvaloptie, het zogeheten transitiedocument, om te voorkomen dat Oekraïense ontheemden moeten terugvallen op hun asielaanvraag. De uitwerking van dit langetermijnbeleid is ook bevestigd in het coalitieakkoord. Eén van de uitgangspunten daarbij is dat de keuze voor het transitiedocument voor ontheemden aantrekkelijker is dan het voortzetten van de asielaanvraag, zonder dat dit leidt tot ongewenste secundaire migratiestromen. Dit hangt samen met het geheel aan rechten, plichten en voorzieningen dat aan het transitiedocument wordt verbonden.

Tegelijkertijd wordt er rekening mee gehouden dat niet iedereen 3 voor het transitiedocument zal kiezen. Daarom worden verschillende scenario’s verkend om de impact op de uitvoeringsorganisaties in beeld te brengen.


Vraag (57):
Vanuit welke post worden de te verwachte kosten rondom het bijstellen van het collegegeld ten behoeve van Oekraïense ontheemden gefinancierd (conform de motie van het lid Podt (Kamerstuk 19637, nr. 3472))?

Antwoord:
Het kabinet is voornemens om u uiterlijk bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Zoals door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met uw Kamer gedeeld in antwoord op schriftelijke vragen van de leden Abdi (GroenLinks/PvdA) en Stoffer (SGP) op 8 april 2026 (kenmerk: Aanhangsel Handelingen II, 2025-2026, nr. 1242922), is het kabinet op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor ontheemden uit Oekraïne die al in het collegejaar 2026-2027 willen studeren. Dit is uiteraard alleen mogelijk indien hiervoor dekking gevonden wordt, en dus wordt dit bij deze inspanning betrokken.

Vraag (58):
Kunt u aangeven welk deel van het budget voor crisisnoodopvang in 2026 nodig is door het tekort aan reguliere opvangplekken? Hoe verwacht u dat deze kosten de komende jaren afnemen?

Antwoord:
Het totale budget (€ 1,2 miljard) is benodigd voor noodopvangplekken, door het tekort aan reguliere opvangplekken. Het is de verwachting dat door de stabiele financiering en het verdere uitvoeren van de spreidingswet, alsmede door de inzet van het kabinet op instroombeperking en inzet op terugkeer er steeds minder noodopvangplekken nodig zijn. Het budget voor de meerkosten van (crisis)noodopvang door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) kent een gelijkmatig afloop van 1,2 miljard euro in 2026 naar 0 euro vanaf 2030.

Vraag (59):
Kunt u toelichten waarom de incidentele investering van 25 miljoen euro in het Entry Exit System (EES) voor Schiphol nodig is? Is een lager bedrag niet haalbaar? Waarom is een hoger bedrag niet nodig? Wanneer zijn de eerste uitgaven voor dit project gedaan, gezien de inwerkingtreden van het EES per 10 april 2026 officieel van start gaat?

Antwoord:
Binnen de publiek-private samenwerking (PPS) voor het Entry/Exit System (EES) op Amsterdam Airport Schiphol (AAS) is voor fase 2 een rijksbijdrage toegezegd voor doorstroombevorderende maatregelen (onder meer selfservice-kiosken) om lange wachtrijen en daaruit voortvloeiende onveilige situaties te voorkomen als gevolg van de implementatie van de EES-verordening. De bestuurlijke afspraak is dat de overheid 50% bijdraagt, met een maximum van € 25 mln. De omvang van deze rijksbijdrage is bepaald op basis van onafhankelijk onderzoek in opdracht van de PPS. Op grond daarvan zijn toereikende maatregelen afgesproken die moeten borgen dat de doorstroming op Schiphol na implementatie van EES voldoende en effectief is. Een lager bedrag past niet binnen de op dit onderzoek gebaseerde en binnen de PPS overeengekomen maatregelenset; een hoger bedrag is niet aan de orde, omdat het afgesproken pakket daarmee afdoende wordt gefinancierd. De werkzaamheden zijn sinds mei 2023 uitgevoerd en inmiddels grotendeels afgerond; AAS heeft de kosten voorgefinancierd in de veronderstelling van de 50% rijksbijdrage. Er is reeds een bestuurlijke toezegging gedaan richting AAS voor de bijdrage in 2025; de dekking wordt met de Voorjaarsnota beschikbaar gesteld. Daarmee zijn de eerste uitgaven in 2023 aangevangen, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het EES per 10 april 2026.

Vraag (60):
Kunt u aangeven bij hoeveel opvanglocaties een meedoenbalie wordt gerealiseerd met de middelen die worden vrijgesteld in 2026? Kunt u bevestigen dat bij elke grote opvanglocatie een meedoenbalie wordt gerealiseerd?

Antwoord:
Er zijn momenteel in totaal 38 meedoenbalies. Met de middelen vanuit het coalitieakkoord wordt door de minister van Werk en Participatie bezien hoeveel extra locaties op termijn gerealiseerd kunnen worden.


  1. Verzamelbrief opvang ontheemden Oekraïne, 28 november 2025.↩︎

  2. Minister van Asiel en Migratie, Verzamelbrief opvang ontheemden Oekraïne, 4 juli 2025.↩︎

  3. Minister van Asiel en Migratie, Verzamelbrief over opvang Oekraïners, 28 november 2025.↩︎