Conceptverslag EU-uitbreiding (voortzetting)
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D18955, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-20 17:06, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2025Z19796:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-04-15 18:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-03-31 17:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-01-22 13:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2025-12-04 11:30 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat EU-uitbreiding, in te plannen na het Kerstreces. (Besluit)
- 2025-12-04 11:30: Procedurevergadering (Procedurevergadering), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-01-22 13:00: EU-uitbreiding (Technische briefing), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-03-31 17:00: EU-uitbreiding (eerste termijn Kamer, wordt voortgezet) (Commissiedebat), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-04-15 18:00: EU-uitbreiding (voortzetting) (Commissiedebat), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-04-15 18:00: EU-uitbreiding (voortzetting) (Commissiedebat), vaste commissie voor Europese Zaken
- 2026-04-23 00:00: Aansluitend: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, EU-uitbreiding (voortzetting)
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft op 15 april 2026 vervolgoverleg gevoerd met de heer Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken, over:
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 28 november 2025 inzake kabinetsappreciatie uitbreidingspakket 2025 (23987, nr. 398);
het EU-voorstel d.d. 4 november 2025: Mededeling inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2025 COM(2025) 690 (Engelstalige versie) (2025Z19796);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 22 januari 2026 inzake antwoorden op vragen commissie over onder andere de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 26 januari 2026 (Kamerstuk 21501-02-3315) (21501-02, nr. 3319).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Van Meetelen
De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Blom
Voorzitter: Van Meetelen
Griffier: Blom
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Becker, Van Houwelingen, Klos, Van der Lee, Van Meetelen en Stöteler,
en de heer Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken.
Aanvang 18.00 uur.
De voorzitter:
Het is 18.00 uur. Goedenavond allemaal. Hierbij open ik het
commissiedebat over EU-uitbreiding van de commissie voor Europese Zaken.
Dit commissiedebat is een voortzetting van het debat van 31 maart. Toen
hebben we de eerste termijn van de Kamer gehad. Graag heet ik de
minister van Buitenlandse Zaken en zijn ondersteuning van harte welkom.
Ook een hartelijk welkom aan de aanwezige Kamerleden: mevrouw Becker van
de VVD, de heer Stöteler van de PVV, de heer Klos van D66, de heer Van
der Lee van GroenLinks-PvdA en de heer Van Houwelingen van FVD.
Natuurlijk ook welkom aan alle mensen op de tribune en de mensen die dit
thuis of elders volgen.
Even over de orde van dit debat: de minister krijgt nu als eerste het
woord voor de beantwoording van de vragen die in de eerste termijn zijn
gesteld. De vorige keer waren er heel veel Kamerleden aanwezig. Ik zie
er nu vijf, maar ik wil toch heel even twee interrupties blijven
hanteren. Als het bij vijf Kamerleden blijft, kunnen we kijken hoe we
zitten met de tijd en er misschien nog een interruptie bij doen. Als er
toch weer een grote hoeveelheid Kamerleden bij komt — we waren met elf
leden in de eerste termijn — dan kan dat natuurlijk niet. We houden het
dus bij twee interrupties.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Betekent dat dat we in totaal twee interrupties hebben? Dat is voor mijn
gevoel wel heel weinig.
De voorzitter:
Dat ben ik met u eens. Daarom zeg ik ook dat ik er meer wil toestaan.
Als er wel weer elf Kamerleden komen, terwijl we maar twee uur hebben,
wordt het gewoon heel krap. Als het kan, dan doen we meer, maar we
moeten wel even kijken hoelang de beantwoording duurt van de minister.
We kijken even hoe het gaat. Goed? Oké. Dan wil ik wel nu starten, want
tijd is kostbaar.
Ik geef nu het woord aan de minister.
Minister Berendsen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik kan mij als minister, weer terug in
Nederland na een reis in de VS, geen warmer welkom voorstellen dan naar
de Kamer te mogen komen. Ik kijk uit naar de discussie. Ik vond ook dat
er in de eerste termijn van de Kamer echt een hele interessante en goede
discussie was. De grote opkomst en de discussie laten ook laat zien hoe
belangrijk het onderwerp is dat we hier bespreken. Uiteindelijk is dit
ook het moment waarop wij de komende tijd samen het gesprek gaan voeren.
Wetende dat wij een minderheidskabinet zijn, voeren wij het gesprek met
de Kamer over dit soort fundamentele onderwerpen en geven wij samen
richting aan de positie van Nederland in deze belangrijke
discussie.
De uitbreiding van de EU staat volop op de agenda. Dat hebben we
natuurlijk gezien in relatie tot Oekraïne. Dat geldt ook voor een aantal
andere landen, zoals Moldavië en landen in de Westelijke Balkan, die al
langer in het toetredingstraject zitten. Er wordt voortgang gemaakt.
Voor Montenegro naderen we de fase dat er gesproken gaat worden over een
toetredingsverdrag. De geopolitieke dimensie daarvan wordt meer
benadrukt. Dat hoorde ik ook terug in de eerste termijn van de
Kamer.
Voorzitter. Ik besef ineens dat ik vergeten ben om — ik zoek een goed
Nederlands woord voor "outline" — de structuur van mijn beantwoording te
geven. Ik zie de Kamerleden knikken dat die inderdaad welkom is. Laat ik
daar dus eerst even mee beginnen. In het eerste stukje zal ik het hebben
over wat de kabinetspositie over EU-uitbreiding en hervormingen is.
Daarna ga ik naar geopolitiek en Oekraïne. Daarna komt geleidelijke
integratie en interne hervormingen. Vervolgens ga ik naar de toekomst
van de hervormingen van de Unie en toetredingsverdragen. Daarna heb ik
blokjes met daarin de Westelijke Balkan en IJsland. Daarna volgt een
blokje overig. Dat is zo ongeveer de structuur.
Ik had het over de geopolitieke dimensie van uitbreiding. Dat is
natuurlijk de ene kant van het verhaal. De andere kant van het verhaal —
ik denk dat verschillende Kamerleden dat ook in de eerste termijn hebben
aangegeven — is de slagkracht van de Europese Unie zelf. Hoe zorgen we
voor het absorptievermogen? Dit kabinet vindt het belangrijk dat de
Europese Unie van de toekomst slagkracht houdt op het wereldtoneel en
goed blijft functioneren, ook bij eventuele verdere uitbreiding. Vanwege
de voordelen, maar ook vanwege de uitdagingen, stelt het kabinet zich
realistisch op ten opzichte van uitbreiding. Dat staat ook in het
coalitieakkoord. Nieuwe lidstaten moeten de Unie versterken en niet van
binnenuit verzwakken. Daarom is het voor het kabinet duidelijk dat
landen die willen toetreden, daadwerkelijk moeten veranderen en
transformeren. Zij moeten fundamentele en ingrijpende hervormingen
doorvoeren op het gebied van de rechtsstaat, de aanpak van corruptie en
andere onderwerpen. Daar zetten wij als kabinet op in. Historisch gezien
is het uitgangspunt van Nederland altijd geweest dat wij strikt, fair en
betrokken zijn bij kandidaat-lidstaten die willen toetreden. Dat blijft
het ook. Daar staan we ook om bekend in Brussel.
Eén: strikt. Wij zetten in op het beoordelen van de lidstaten op hun
merites. Dat betekent het doorvoeren van hervormingen en het voldoen aan
de eisen die wij stellen, de Kopenhagencriteria, om volledig lid te
kunnen worden. Ze moeten sterke instituties hebben. Ze moeten een
democratie en een rechtsstaat zijn. Ze moeten op mensenrechten letten en
corruptie bestrijden. Ze moeten EU-wetgeving overnemen. Er zijn nog veel
meer voorbeelden te noemen. Dat is het strikte.
Twee: fair. Als wij zo strikt zijn op al die zaken, dan moeten we ook
fair zijn op het moment dat lidstaten aan die eisen voldoen. Dat
betekent dat er voortgang moet zijn op het moment dat zij aan hun
afspraken voldoen. Dat betekent dat wij vanuit onze kant ook aan de
afspraken moeten voldoen. Als een land voldoet aan de voorwaarden voor
een volgende stap, dan geeft Nederland ook groen licht. Daar leveren we
ook op.
Drie: betrokken. Tenslotte is het ook belangrijk dat wij landen helpen
met onze kennis en expertise om te voldoen aan de criteria. Het beste
voorbeeld daarvan zijn onze bilaterale programma's via de Matra-inzet,
maar natuurlijk ook heel concreet wat we met Oekraïne doen. Denk aan de
Lviv-conferentie in Breda. Nogmaals, dit had niets te doen met het
aantreden van deze minister, die als woonplaats Breda heeft. Dat had het
vorige kabinet al besloten. We maken actief werk van de uitdagingen waar
lidstaten voor staan. We dragen er met onze kennis en expertise ook aan
bij dat ze een weg vinden om te voldoen aan de criteria.
De heer Dassen had een vraag gesteld over het Matra-fonds, gerelateerd
aan de bezuinigingen daarop. Wij onderschrijven het grote belang van het
Matra-programma. Tegelijkertijd is er ook uitvoering gegeven aan de
bezuinigingen op non-ODA-middelen. Het totale Matra-budget daalt daarom
van 16,8 miljoen naar 5,8 miljoen in 2028. Naar aanleiding van de
motie-Piri werd het politiekepartijenprogramma reeds opgetopt en zal er,
indien zich onderuitputting voordoet op de begroting, met prioriteit
gekeken worden of Matra in 2026 en 2027 budgettair op een goed niveau
voortgezet kan worden ten opzichte van 2025. We hebben ook andere
programma's en andere middelen om hierop in te zetten, maar we hebben
ook te maken met de bezuinigingen en de opdracht die we daar hebben.
Tegelijkertijd onderschrijf ik de waarde die het programma heeft.
Voorzitter. Ik kom bij de geopolitiek en Oekraïne. Buurlanden die onze
waarden delen, moeten perspectief hebben op toetreding. Dat geldt ook
voor Oekraïne. Zoals in het coalitieakkoord al is gemeld, ligt wat dit
kabinet betreft de toekomst van de Oekraïners ook in de EU. Het
toetredingsproces is een transformatief proces. Als we dat goed
uitvoeren, betekent dit dat de kandidaat-lidstaat die toetreedt en
lidstaat van de Europese Unie wordt, ook sterk genoeg is om het
lidmaatschap te dragen en bij te dragen aan de versterking van de
Europese Unie. Als we kijken naar Oekraïne, dan is dat op het gebied van
bijvoorbeeld defensie, de defensie-industrie, economie in de toekomst,
de potentie die het land heeft, grondstoffen et cetera. Er zijn allerlei
onderwerpen waar Oekraïne de slagkracht van de Europese Unie kan
vergroten. Maar ook ten aanzien van Oekraïne ...
De voorzitter:
Een ogenblik. U heeft een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Nou, meer een rappelleervraag. Ik hoop echt dat dit me geen interruptie
kost. In het eerste blokje had ik expliciet gevraagd, naar aanleiding
van de technische briefing, wanneer in het toetredingsproces het
Nederlandse belang wordt gewogen. Dat hoort echt in het eerste blokje
thuis.
Minister Berendsen:
Wij hadden dat onder het blokje overig gezet, maar ik vind het prima om
daar nu antwoord op te geven. Het Nederlandse belang wegen wij continu
mee. De samenwerking in de Europese Unie is volgens dit kabinet in het
Nederlands belang. In onze houding ten opzichte van kandidaat-lidstaten,
de strikte, faire en betrokken manier, zien wij het belang van Nederland
gereflecteerd. Het is alleen in het Nederlandse belang als lidstaten
toetreden die de Europese Unie als geheel versterken. Het Nederlandse
belang wegen wij ook mee. We komen later inhoudelijk terug op hoe we
kijken naar uitbreiding, naar de toekomst van uitbreiding, naar
eventuele nieuwe toetredingsverdragen en naar welke voorwaarden wij
stellen. Er zijn namelijk een aantal zaken, bijvoorbeeld lidstaten die
een stap terugzetten op het gebied van de rechtsstaat of het veto op de
slagkracht naar buiten toe, die op dit moment niet in het Nederlandse
belang zijn. We zien besluiten die worden gechanteerd. We zien ook
lidstaten die stappen terugzetten op het gebied van de rechtsstaat. Op
al die gebieden wegen wij het Nederlandse belang mee.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van de heer Van Houwelingen. Deze ga ik wél
rekenen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Uiteraard. Ik vind het mooi om te horen dat dit continu wordt meegewogen
door het kabinet, maar het Nederlandse belang wordt natuurlijk in de
Tweede Kamer vastgesteld. Wij vertegenwoordigen namelijk de Nederlandse
bevolking. Mijn vraag was de volgende. Wanneer in het hele lange,
zorgvuldige proces kunnen wij als Tweede Kamer zeggen: al met al vinden
we de toetreding van bijvoorbeeld Oekraïne niet in het Nederlandse
belang, dus die gaat niet door? Wanneer in het proces kunnen wij dat
zeggen? De minister zegt dat dat niet te achterhalen is. Je hoort strikt
en fair te zijn. Je hoort ze te laten toetreden als ze de hoofdstukken
gesloten hebben. Dat kan niet in het begin, maar ook niet tijdens het
proces van die hoofdstukken. Wanneer kunnen wij als Kamer zeggen "nee,
dat gaat niet door" of "ja, dat gaat wel door"?
Minister Berendsen:
Het Nederlandse kabinet neemt daarin natuurlijk steeds een positie in.
Ik ben blij dat u deze vraag stelt. De Kamer heeft op dit moment in alle
constructieve, goede debatten over EU-uitbreiding die ik met uw
commissie ga voeren, die u ook op alle andere vakgebieden voert met mijn
collega-ministers, de mogelijkheid om sturing te geven aan wat wij als
kabinet doen in Europa. Wij houden rekening met de wensen van de Kamer,
in aanvulling op het besef dat alle voorgaande kabinetten al hadden op
dat gebied. Wij zijn een minderheidskabinet. Wij kijken nadrukkelijk, in
samenwerking met de Kamer, naar de positionering die wij in Europa
aannemen.
Ik had het zojuist over de potentie van Oekraïne, de kracht die het
eventueel kan leveren aan het versterken van de Europese Unie als
kandidaat-lidstaat. Maar ook ten aanzien van Oekraïne is het kabinet,
zoals ik zojuist al heb gemeld, strikt, fair, eerlijk en betrokken. De
uitdagingen in Oekraïne op het gebied van de rechtsstaat en de aanpak
van corruptie zijn ondanks de gezette stappen nog steeds enorm. Een
voorbeeld van onze strikte benadering is bijvoorbeeld hoe wij omgegaan
zijn met de anticorruptiediensten NABU en SAPO, die onder druk kwamen te
staan in Oekraïne. Daar hebben wij, samen met internationale partners,
forse druk op gezet. Ik ben in Oekraïne geweest en heb met
vertegenwoordigers van beide organisaties gesproken. Mijn tijdsbesef is
dezer dagen niet helemaal op orde, maar volgens mij heb ik begin vorige
week of de week ervoor ze ook nog in Nederland gesproken. Wij hebben een
strikte benadering. Op anticorruptie moeten er gewoon belangrijke
stappen gezet worden. Daar zetten we ook druk op. De voorwaarden die de
EU stelt voor toetreding helpen daar natuurlijk ook bij. Het is
misschien nog wel belangrijker om te melden dat het ook in het belang is
van de Oekraïense burgers dat deze stappen op het gebied van
anticorruptie worden gezet. Dat zien we ook bij de protesten rond de
situatie rond NABU en SAPO toen zij onder druk kwamen te staan.
We zijn ook fair. Dat betekent dat het toetredingsproces niet onnodig
stil moet komen te liggen.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Stöteler. Ik wil gelijk even
aangeven dat u allemaal vier interrupties krijgt, omdat we maar met vijf
leden in plaats van met elf leden zijn. Het worden dus vier
interrupties.
De heer Stöteler (PVV):
Dat scheelt. Ik wil nog even vragen naar die anticorruptieagencies in
Oekraïne, NABU en SBU, die de minister aanhaalt. Ik heb in aanloop naar
het vorige debat even bij wat Oekraïners nagevraagd hoe daarnaar wordt
gekeken en wat voor werk zij nou doen. Zij zeggen: die twee zijn
eigenlijk alleen maar met elkaar aan het strijden om wie de volgende
grote case naar boven weet te trekken, maar er zijn veel ngo's op het
gebied van corruptiebestrijding, die ook niet kunnen werken zonder dat
er ophef over ontstaat of dat er twijfels zijn over hun integriteit. Die
staan dan ook weer onder toezicht. Welke grote, echt meetbare stappen
zijn er nou in het afgelopen jaar gezet? Volgens Oekraïners gebeurt er
namelijk nog niet zo gek veel, behalve dat er veel naar boven
komt.
Minister Berendsen:
Laten we in ieder geval samen concluderen dat er zaken naar boven komen.
Dat zijn impactvolle zaken. Dat zijn geen kleine zaken. Ze hebben echt
impact op personen en instituties in Oekraïne. Een hele belangrijke stap
die gezet moet worden, is dat wetgeving door het Oekraïense parlement
moet om de positie van de anticorruptiediensten verder te versterken en
de onafhankelijkheid daarvan te waarborgen. Er komen meer zaken naar
boven. Daarvan kun je je natuurlijk altijd afvragen of dat laat zien dat
er veel corruptiezaken zijn of juist laat zien dat de
anticorruptiediensten goed werken omdat er meer zaken naar boven komen
en bekend worden en er actie op ondernomen wordt? Dat er nog veel
stappen te zetten zijn, is volstrekt helder. Dit is ook hét onderwerp
waar we vol druk op zetten. We zijn niet alleen in contact met deze
anticorruptiediensten, maar ook met het maatschappelijk middenveld. Alle
signalen die u tot u neemt, nemen wij ook mee, want dit is gewoon een
essentieel onderwerp.
De strikte en faire benadering, daar wilde ik heen. Het
toetredingsproces mag niet onnodig stil komen te liggen, zoals ik al
zei. Hongarije heeft volgende stappen geblokkeerd. Dat is wat ons
betreft onacceptabel. We gaan het natuurlijk zien met de nieuwe
Hongaarse regering. We gaan ook in gesprek daarmee om die blokkade op
allerlei gebieden zo snel mogelijk aan de kant te krijgen, zodat we in
ieder geval ook fair zijn richting Oekraïne en er stappen gezet worden
als aan voorwaarden voldaan wordt.
De heer Klos (D66):
Ik wil de minister feliciteren. Ik denk dat hij twee jaar geleden niet
had verwacht dat zijn fractiegenoot Péter Magyar en hij nu premier van
Hongarije en minister van Buitenlandse Zaken van Nederland zouden zijn.
Dat is nogal een omwenteling. Mijn vraag gaat daar ook over. Hongarije
heeft dat inderdaad steeds geblokkeerd. In die zin is het
toetredingsproces niet fair geweest richting Oekraïne. Hoe gaat
Nederland er nou voor zorgen dat op de kortst mogelijke termijn het
besluit wordt voorbereid om de toetredingsonderhandelingen met Oekraïne
wel formeel te openen? Op welk moment mogen we dat verwachten?
Minister Berendsen:
Het Hongaarse volk heeft een nieuwe regering gekozen. Wij zijn hoopvol
dat dat ook in Brussel kan bijdragen aan de eenheid en de versterking
van onze slagkracht naar buiten toe en aan een faire benadering van
Oekraïne. Tegelijkertijd: de regering zit er nog niet. Die zal eerst
geïnstalleerd moeten worden. Dat betekent dat dit soort onderwerpen
officieel op de agenda zullen komen op het moment dat de nieuwe regering
daar zit en dat de komende weken gebruikt zullen worden om de contacten
te leggen en de gesprekken te voeren over wat mogelijk is.
Tegelijkertijd is het natuurlijk niet zo dat we op alle gebieden meteen
een totaal andere positie zullen zien op het moment dat er een nieuwe
Hongaarse regering zit. Die regering zal de belangen van het Hongaarse
volk vertegenwoordigen. We zullen kijken hoe we het gesprek aan kunnen
gaan over eventuele zorgen die er zijn of stappen die gezet moeten
worden, maar u kunt erop rekenen dat ook dit kabinet zich in zal zetten
om stappen die het verstandig vindt te bespreken, zoals het naar alle
andere lidstaten doet.
De heer Klos (D66):
Ik las in het nieuws vandaag dat de heer Orbán besluit om niet naar zijn
laatste Europese Raad te gaan. Zou het wat zijn voor Nederland om Costa
te bewegen om Péter Magyar uit te nodigen om als waarnemer bij deze
Europese Raad te zijn, zodat je dat besluit alvast kan voorbereiden? We
verwachten dat Péter Magyar straks op 5 mei zijn regering heeft.
Zelensky komt ook dineren bij de informele Raad op 23 april. Zou het
niet wat voor Nederland zijn om juist een zwengel te geven aan dat
proces, waar de Oekraïners als zo lang op wachten, door juist Péter
Magyar nu al bij de besluitvorming te betrekken?
Minister Berendsen:
Nee. Ik denk dat het niet verstandig zou zijn om een premier die nog
niet geïnstalleerd is te betrekken bij de besluitvorming. Ik denk dat
het heel verstandig is om de lijnen open te doen en het contact te
zoeken om te praten over wat daarna. Dat gebeurt natuurlijk nu al volop.
Maar als het gaat om Europese besluitvorming, denk ik dat we dat proces
zorgvuldig moeten doorlopen. Ik denk ook dat we de wens van de Hongaarse
bevolking moeten respecteren door officieel met elkaar om de tafel te
zitten op het moment dat de premier geïnstalleerd is. Ik verbloem het
wellicht wat meer dan de heer Klos, maar ook ik ben natuurlijk hoopvol
over stappen die gezet worden en wat dat eventueel zou kunnen betekenen.
Over Oekraïne heb ik gezegd: strikt, fair en betrokken. Tegelijkertijd
moeten we ons blijven realiseren onder wat voor zware omstandigheden
Oekraïne deze hervormingen aan het doorvoeren is. Het is een land in
oorlog. Het is een land dat vecht voor het overleven, de eigen
identiteit en de eigen soevereiniteit. Tegelijkertijd stellen wij heel
veel eisen in het proces. Daar helpen we ze bij. Dat blijven we doen.
Tegelijkertijd blijven we beoordelen op de daadwerkelijke vooruitgang
die geboekt wordt.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Het trio "strikt, fair en betrokken" ken ik op zich wel. Dat is
natuurlijk best consistent, maar de vraag is of de geopolitieke dimensie
toch een separaat, vierde criterium is dat gehanteerd zou moeten worden
bij de afwegingen die voor ons liggen, temeer omdat daar gewoon een
oorlog woedt. Dat is toch een andere situatie dan een situatie waarin
lidstaten in vrede werken aan het voldoen aan criteria om die toetreding
te realiseren. Waarom kiest het kabinet er niet voor om een vierde
criterium op dat terrein voor zichzelf te formuleren, om in ieder geval
vanuit dat perspectief hiernaar te kijken? Dat gebeurt toch; dat weten
we. We hoeven niet naïef te zijn. We kunnen het toch net zo goed
benoemen?
Minister Berendsen:
Ik dank de heer Van der Lee voor deze suggestie. Ik denk eigenlijk niet
dat het een vierde criterium is, omdat dit de manier is waarop wij
kijken naar de toetreding van individuele lidstaten en de eisen die we
daaraan stellen. Ik heb al eerder vermeld dat het kabinet het ontzettend
belangrijk vindt dat als lidstaten toetreden, ze de Europese Unie
versterken en niet verzwakken. Tegelijkertijd is de component die u
toevoegt aan dit rijtje, gericht op hoe we de komende tijd omgaan met
verdere toetreding. Dat is een blokje dat we zo dadelijk inhoudelijk
behandelen. Er wordt namelijk gekeken op welke manier je stappen kunt
gaan zetten. Op welke manier kun je landen verder betrekken? Op welke
manier kun je landen — dat geldt niet alleen voor Oekraïne — energie
blijven geven om het proces te blijven doorlopen? Daarbij willen wij
tegelijkertijd gewoon heel erg waakzaam blijven, want als je lid bent
van de Europese Unie, behoor je aan alle criteria behoort te voldoen. De
geopolitieke dimensie speelt natuurlijk ook een rol bij de afweging die
we maken en bij het contact met de landen die kandidaat-lidstaat
zijn.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik snap het antwoord op zich, maar ik zat er zelf nog aan te denken dat
het borgen van vrede op het continent ooit de aanleiding was voor het
starten van de Europese Unie. We zien nu de grootste oorlog op het
continent sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik vind het gewoon niet adequaat
om dat te vergelijken met een regulier toetredingsproces. Ik zeg niet
dat ik er nu voor pleit, maar het borgen van die vrede kan het voor de
Europese Unie nodig maken om een snellere stap te zetten dan we nu in
het reguliere proces doen. We weten dat dat een potentiële mogelijkheid
is en onderdeel kan zijn van een staakt-het-vuren en een uiteindelijk
akkoord. Waarom benoemen we dat dan niet gewoon?
Minister Berendsen:
Het is mijn vrees dat wij gedwongen zouden kunnen worden een deal te
sluiten die iets zegt over de relatie van de Europese Unie met Oekraïne,
maar waarbij Europa niet aan tafel zit. Dat zou ik eigenlijk ten koste
van alles willen voorkomen, omdat dit kabinet hecht aan de criteria die
wij stellen en we de Europese Unie willen versterken. Afgezien van het
toetredingsproces betekent dat tegelijkertijd dat het overduidelijk is
dat dit kabinet en vele internationale partners er alles aan doen om
Oekraïne te ondersteunen, ook op het gebied van veiligheid. Het is
uiteindelijk niet zo dat de veiligheid van Oekraïne vergroot wordt omdat
ze lid zijn van de Europese Unie. De NAVO garandeert onze veiligheid;
dat doet de EU niet. De EU stimuleert natuurlijk wel de
defensie-industrie, waar Oekraïne een hele belangrijke meerwaarde in kan
zijn. Wat betreft het steunen van Oekraïne denk ik dat er meer aspecten
meespelen dan alleen het kandidaat-lidmaatschap. In de situatie waarin
het land zit gaat dat ook om eventueel een veilige en goede toekomst
voor Oekraïne. Ik kom zo dadelijk in het blokje nog op een aantal
elementen terug.
Ik heb nog een vraag van de heer Krul van het CDA, over hoe we de
voortgang in cluster 1 beoordelen. Ik heb zojuist het een en ander
gezegd over anticorruptiebureaus en Hongarije hebben we ook kort
besproken. Als kabinet zijn we dus hoopvol, maar we hoeven ook geen
totale omslag van de ene op de andere dag te verwachten. Uiteindelijk is
het aan de Hongaarse regering om daarin haar positie te bepalen.
Ik heb hier nog een vraag van de heer Dassen. Die vraag is eigenlijk ook
een beetje gerelateerd aan wat de heer Van der Lee zojuist zei en gaat
over de veiligheid. Zoals ik net al zei, hebben de veiligheidsgaranties
niet zozeer te maken met een EU-lidmaatschap an sich, maar ook met
allerlei andere zaken, waar we als Nederland ook in "coalition of the
willing"-verband een geloofwaardige bijdrage aan willen leveren met
andere partners.
Ik merk dat we door de uitstekende interrupties van de Kamerleden al
best wat vragen van dit blokje behandeld hebben.
Ik wil wel even specifiek ingaan op de graduele toetreding. We hebben
dit onderwerp net al een paar keer geraakt. Dit was een specifieke vraag
van mevrouw Becker: welke rol kan het kabinet daarin spelen? Ondanks dat
ik in de eerste termijn natuurlijk geen officiële spreektijd had, heb ik
bij het afscheid van deze commissie aan het einde van het debat gezegd
dat dit onderwerpen zijn waarbij wij als kabinet niet alleen bereid zijn
een bijdrage te leveren en mee te denken met internationale partners,
maar waarover wij juist met de Kamer het gesprek willen voeren, omdat
deze echt fundamenteel van aard zijn. Ik ben dus graag bereid om te
kijken welke elementen onderdeel zouden kunnen zijn van die graduele
toetreding. Voor ons is het belangrijk dat het toetredingsproces
realistisch en uitvoerbaar blijft. De Adviesraad Internationale
Vraagstukken komt in het tweede kwartaal met een voorstel. Daarna komen
wij met een appreciatie daarop. Ik denk dat dat een mooi moment is om
die discussie verder te voeren.
Ondanks dat wij ons hadden voorgenomen de onderwerpen te scheiden, merk
ik dat een aantal dingen een beetje door elkaar lopen. Maar ik kom zo
dadelijk nog terug op hoe die toetredingsverdragen er dan uit zouden
kunnen zien en welke elementen we daarin belangrijk vinden.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank aan de minister voor zijn antwoord en ook voor zijn welwillendheid
om naar het idee van graduele toetreding, waar meerdere collega's vragen
over hebben gesteld, te kijken. Ik ben wel benieuwd hoe hij zelf de
timing van het een en ander ziet. Ik weet dat de Europese Commissie
lidstaten heeft uitgenodigd om actief mee te denken nadat zij zelf een
voorstel heeft neergelegd. In mijn betoog ben ik ook ingegaan op het
risico dat er een situatie ontstaat waarin, vanwege een vredesplan of
ontwikkelingen in Oekraïne, de vraag voor komt te liggen of we wel of
niet versneld stappen moeten zetten op het gebied van toetreding,
terwijl we eigenlijk nog geen nieuw model hebben. Dan wordt het een vrij
zwart-witte vraag, die we eigenlijk grijzer zouden willen inkleuren. De
minister zegt dat het kabinet eerst het AIV-rapport wil afwachten en
daarna in Q2 met een reactie komt, maar dat duurt wat mij betreft best
even. Hebben we die tijd? Kunnen we toch niet wat sneller concreter
worden?
Minister Berendsen:
Dat klopt inderdaad. We hebben die tijd niet. Achter de schermen zijn we
ook al volop bezig met dit onderwerp. Ik vind ook dat wij als Nederland
niet alleen een belang hebben om dit te doen voor een sterkere Europese
Unie en voor werkende processen. Ik vind dat wij kandidaat-leden die de
Europese Unie versterken, moeten laten toetreden, maar ik vind dat het
ook hoort bij de verantwoordelijkheid die we hebben als een van de
founding fathers van de Europese Unie om hieraan bij te dragen. Dat
betekent dat we op dit moment achter de schermen gesprekken voeren met
onder andere Frankrijk en Duitsland om te kijken of we tot een
gezamenlijke inzet kunnen komen. Wat vinden we? Hoe kijken andere landen
daartegen aan? Uiteindelijk spelen de founding fathers een belangrijke
rol om hierin een volgende stap te zetten. We zijn stukken aan het
voorbereiden. Ik heb alleen wel gemeend dat het belangrijk is om dit
debat af te ronden, zodat we die input vervolgens kunnen meenemen bij de
stukken die we aan het voorbereiden zijn. U weet dat de discussie in
Europa vaak gevoerd wordt op basis van non-papers. Dat soort zaken zijn
wij aan het voorbereiden. We nemen de wensen en de inzichten van uw
Kamer daar graag in mee. We zijn daar dus al volop mee bezig. Dat
gesprek loopt. Ik hoop dat we zo snel mogelijk op basis van een document
... Ik moet nog even uitvinden wat voor naam zo'n document krijgt in de
procedures. We willen de discussie met u voeren op basis van de dingen
die op papier staan.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik wil hier nog even op doorgaan. Dank voor de toezegging en voor de
bereidheid om hier zo creatief mogelijk naar te kijken en om hier met
andere lidstaten aan te werken. Dat is in ieder geval mijn interpretatie
hiervan. Tegelijkertijd loopt het traject van de AIV en de
kabinetsreactie. Misschien is dat een separaat traject. Hoe en wanneer
wordt de Kamer hierbij betrokken? Er gebeurt altijd heel veel achter de
schermen en heel veel van wat achter de schermen gebeurt, komt nooit
voor de schermen, want het leidt tot niks. Maar we willen niet met een
voldongen feit geconfronteerd worden, zonder dat we daarbij betrokken
zijn geweest. Wil de minister toezeggen dat hij nog voor de zomer met
een brief komt over hoe het hiermee staat? Is er al een initiatief,
misschien alleen procedureel of ook al inhoudelijk? Want anders schuift
het sowieso door tot na de zomer. Ik ben het met mevrouw Becker eens dat
ik dat toch een beetje te spannend vind, gelet op wat er geopolitiek
allemaal speelt.
Minister Berendsen:
Dat is natuurlijk volledig terecht. Dat zie ik ook. Dat gaan we voor de
zomer doen. We hadden het over graduele toetreding, maar dit is
natuurlijk ook heel erg verbonden met de discussie die we nu gaan hebben
over Montenegro. Het toetredingsverdrag dat we gaan opstellen, zal
wellicht als blauwdruk kunnen fungeren voor de toekomstige stappen die
gezet gaan worden.
Ik heb dit net al aangegeven, maar misschien deed ik dat in wat bedekte
termen. Laat ik het anders melden. Nederland wil in de kopgroep zitten
die hierover voorstellen gaat doen. Dat is gelukkig niet alleen hoe ik
erover denk. Heel veel mensen en experts denken hierover mee. Dat geldt
in het bijzonder voor de Kamer, die in de eerste termijn al een aantal
ideeën gearticuleerd heeft. Er komt op korte termijn een ad-hocwerkgroep
in Brussel voor het toetredingsverdrag voor Montenegro en dan zal deze
discussie verder concreet worden. Wij zullen de Kamer goed geïnformeerd
houden over de ontwikkelingen. Terwijl ik doorpraat, krijg ik in mijn
oor gefluisterd op wat voor termijn we de Kamer met stukken kunnen
bedienen.
Misschien is het goed om alvast een paar denkrichtingen mee te geven.
Ten eerste de rechtsstaat. Als een lidstaat toetreedt, hoe zorgen we er
dan voor dat we in het toetredingsverdrag de garantie hebben dat als er
stappen teruggezet worden op het gebied van de rechtsstaat, we daarop
kunnen acteren? Ik noem het opschorten van de EU-samenwerking op
bepaalde terreinen en het opschorten van EU-fondsen. Deelname aan het
Europees Openbaar Ministerie is nu geen verplichting bij lidmaatschap,
maar je zou in het toetredingsverdrag kunnen stellen dat een lidstaat
die toetreedt daar onderdeel van moet zijn om stappen te kunnen zetten
op het gebied van de rechtsstaat of om in ieder geval te voorkomen dat
er een terugslag is.
Ten tweede de effectiviteit van de Europese Unie zelf. Zouden we kunnen
denken aan het tijdelijk beperken van het veto op bepaalde terreinen,
bijvoorbeeld als het gaat om verdere uitbreiding of om het
Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid? Je hebt het dan niet
over het veto van de bestaande landen op die terreinen, alhoewel het
Nederlandse kabinet ook iets vindt van het veto dat op dit moment
bestaat op het gebied van het Gemeenschappelijke Buitenlands en
Veiligheidsbeleid. Als toetredende lidstaat zou je dan voor een bepaalde
periode geen veto hebben om de gezamenlijke slagkracht naar buiten toe
te blokkeren of chanteren.
Ten derde kun je nadenken over de vraag of er op bepaalde gebieden
langere overgangsmaatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld als het gaat om
vrij verkeer van werknemers. Dat zijn een aantal denkrichtingen. De
discussie over de zaken waaraan wij denken, zal zich nog verder
uitbreiden.
Dan over graduele toetreding. Het is een kandidaat-lidmaatschap. Voor
volledig lidmaatschap moet je aan alle criteria voldoen. Met betrekking
tot graduele toetreding kun je een aantal terreinen bedenken waarop je
al verder kunt samenwerken. Rome is daarbij zo'n veelgenoemd voorbeeld,
maar er zijn nog wel andere voorbeelden te verzinnen. Dat zijn dus de
denkrichtingen waarmee we bezig zijn.
Dan over het tijdstip. Het AIV-advies komt voor de zomer. Dat betekent
dat we dit sowieso op papier kunnen hebben voorafgaand aan de Raad
Algemene Zaken in juni. Ik probeer aan de gezichten van de Kamerleden af
te lezen hoe blij ze daarmee zijn, maar dat is …
De heer Klos (D66):
Ik ga toch een poging wagen. Ik waardeer de denkrichtingen over de
zogenaamde safeguards en over hoe de nieuwe generatie
toetredingsverdragen eruit zou kunnen zien, zeer. De minister vindt het
belangrijk om een discussie met de Kamer te hebben over hoe het
toetredingsproces zelf hervormd zou kunnen worden om een graduele
toetreding die de VVD ook bepleit, toe te staan. Dan helpt het wel om
een klein beetje van gedachten te wisselen over de denkrichtingen die
het kabinet op dat vlak heeft. Denkt het kabinet bijvoorbeeld aan het
opheffen van veto's die geen verdragsrechtelijke basis hebben in de
tussenfase, dus niet bij het openen of het sluiten van de
onderhandelingen maar daartussen? Of denkt het kabinet aan financiële
toegang voor lidstaten of een waarnemersstatus? Dat zijn allemaal vragen
die wij in de eerste termijn van de Kamer hebben gesteld. Ik vraag mij
af of het kabinet daar nog inhoudelijk op kan reageren.
Minister Berendsen:
Ja, zeker. Alleen, wij hebben daarin nog geen standpunt ingenomen. Ik
heb in de eerste termijn, waar ik enthousiast van werd, geluisterd naar
alle suggesties. Naast de inspiratie die de Kamer ons geeft, voeren wij
op dit moment gesprekken met Duitsland en Frankrijk. Wij willen in de
kopgroep zitten, niet alleen vanuit ons belang maar ook vanuit onze
verantwoordelijkheid als founding father. Wij willen hier stappen op
zetten. Dat betekent dat ik daar vervolgens binnen het kabinet van
gedachten over wil wisselen met de vele bewindspersonen die betrokken
zijn bij de Europese en internationale samenwerking. Dat wil ik op een
zorgvuldige manier doen.
De heer Stöteler (PVV):
Het gaat veel over graduele toetreding. Als de minister daar zo
enthousiast van wordt en daarmee aan het werk gaat in Brussel, is het
dan ook een idee om na te denken over graduele uittreding? Ik bedoel dat
je bijvoorbeeld tegen Spanje, waar de regering verwikkeld is in
corruptieschandaal na corruptieschandaal, op een gegeven moment zegt: nu
is het wel genoeg; je krijgt hiervoor even geen budget of daarvoor even
geen stemrecht meer. Andersom kan een land dan zeggen: hier gaat de Unie
een richting op die wij niet goedvinden; daar treden wij gradueel even
uit. Wil de minister daar tegelijkertijd ook over nadenken?
Minister Berendsen:
Ik zou graduele uittreding het beste kunnen vertalen naar
"cherrypicking". Ik denk dat dat onverstandig zou zijn voor de eenheid
en de gemeenschappelijkheid in de Europese Unie. Denk aan cherrypicking
binnen de interne markt, het eerlijke speelveld dat we met z'n allen
bewaken, de productstandaarden die we stellen en de mogelijkheden die
bedrijven daardoor hebben om in heel Europa actief te zijn, om hun geld
te verdienen in heel Europa. Stel dat wij Europabreed een stap zetten op
het gebied van duurzaamheid, veiligheid of bescherming met betrekking
tot kinderspeelgoed. En stel dat een lidstaat zegt dat niet zo te zien
zitten en er even gradueel uit te willen treden, om maar even de woorden
van de heer Stöteler te gebruiken. Dan raakt dat de
gemeenschappelijkheid die we hebben. Er zijn nu eenmaal altijd dingen in
de Europese Unie die je als lidstaat net wat minder ziet zitten, daar
het een compromis is tussen 27 lidstaten. Dat is onderdeel van het
compromis. Daar moet je dan ook voor staan. Als wij als land alleen
hoeven te staan voor de dingen die we leuk vinden en de rest maar laten,
ondermijnt dat de slagkracht die we gezamenlijk hebben in de Europese
Unie.
De heer Stöteler (PVV):
Als het aankomt op graduele toetreding, dan ziet de minister alleen maar
kansen en als het aankomt op graduele uittreding dan ziet hij eigenlijk
alleen maar onmogelijkheden. Ik zal niet ontkennen dat de interne markt
toch wel een fundamenteel onderdeel is van wat we met de Europese Unie
hebben, maar de minister weet heel goed, ook vanuit zijn oude rol ...
Laat ik het anders zeggen: het is niet dat het mandaat wordt opgerekt,
maar de Europese Commissie of de Europese instituten trekken toch steeds
meer invloed naar zich toe. Kijk naar de gezondheidszorg. Daar beginnen
nu in een keer allerlei Europese instituten zich mee te bemoeien,
terwijl dat toch echt een competentie van lidstaten is. Zo zou je daar
ook gradaties in kunnen aanbrengen. Je zou kunnen zeggen: de interne
markt is iets fundamenteels, maar als het aankomt op bijvoorbeeld
landbouw of immigratie kun je gradueel uittreden, al dan niet gedwongen
als er bijvoorbeeld corruptieschandalen zijn, zoals in Spanje en waar
dan ook.
Minister Berendsen:
De gedwongen vorm van graduele uittreding kennen we natuurlijk. Dat is
het rechtsstaatmechanisme in de meerjarenbegroting. Dat is een
belangrijke verdienste van het — ik zal niet zeggen: even veel
gewaardeerde — instituut waar we beiden onderdeel van hebben uitgemaakt,
namelijk het Europees Parlement. Dat moet nog verder versterkt worden.
Op het moment dat een lidstaat zich niet meer houdt aan en door de
ondergrens zakt van onze gezamenlijke waarden op het gebied van
rechtsstaat en democratie, dan heeft dat impact in de Europese Unie op
een manier die hier werkt: op het geld en de fondsen. Dat was
uiteindelijk ook het enige drukmiddel dat echt heeft gewerkt richting
Hongarije. Dus die mogelijkheid is er. Die moet versterkt worden, want
het is heel belangrijk dat lidstaten niet door die ondergrens zakken.
Als we dat dan "verplichte graduele uittreding" mogen noemen, dan kunnen
we elkaar op dat punt vinden.
Dan moet ik even zoeken waar ik gebleven ben. Ik ga gewoon door waar ik
denk dat ik gebleven ben. Ik hoor het wel van de Kamerleden als ze
uiteindelijk dingen gemist hebben. Er waren vragen van mevrouw Becker,
de heer Klos, de heer Dassen, de heer Van Houwelingen en de heer Heutink
over hoe het nou staat met afspraken over het veto in het proces van
toetreding, met het afschaffen van het veto bij sommige stappen in de
toetreding van Oekraïne. Hoe gaan we invulling geven aan de opdracht van
de Kamer om het vetorecht op het buitenlandbeleid af te schaffen?
Kortom, alle vragen die gerelateerd zijn aan veto's. De besluitvorming
in het uitbreidingsproces is op basis van unanimiteit. Het kabinet vindt
dat dat voor sleutelmomenten, zoals het onder voorbehoud sluiten van
hoofdstukken, ook behouden moet blijven. Uitbreiding is een
intergouvernementeel proces, dat raakt aan de kern van het functioneren
van de Unie, ook vanuit een geopolitieke context. Wij hechten zeer aan
stevige toetsing op de brede rechtsstaatontwikkelingen gedurende het
proces. Wij wegen altijd nauwkeurig of aan die voorwaarden is voldaan,
volgens het proces dat ik zojuist al meerdere keren genoemd heb: strikt,
eerlijk en betrokken. Wanneer dat nog niet het geval is, wanneer er niet
aan die voorwaarden voldaan is, dan geven wij als Nederland ook geen
akkoord op de volgende stappen in het proces.
De Europese Raad besluit met consensus. Er zijn ook geen plannen om
daarvan af te wijken. Het Gemeenschappelijk Buitenlands en
Veiligheidsbeleid zou dit kabinet wel graag anders willen inrichten. We
hebben namelijk het frustreren, blokkeren en chanteren van met name
Hongarije gezien als het ging om het druk zetten op Rusland via sancties
en het verlenen van steunmaatregelen aan Oekraïne, die keihard nodig
zijn. Als wij samen sterk staan in de Europese Unie, dan kunnen we ook
een vuist maken op het wereldtoneel. Dat kan niet wanneer wij door een
of twee lidstaten geblokkeerd worden. Dus daar zouden we heel graag van
de unanimiteit af willen. Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn. We
moeten dat gesprek blijven voeren, maar de kans dat we dat snel geregeld
hebben, is beperkt. Daar is een verdragswijziging voor nodig. En voor
een verdragswijziging is unanimiteit nodig. We kijken in samenspraak met
andere lidstaten wanneer mogelijkheden zich voordoen om hier stappen op
te zetten.
Voorzitter. Ik ga nu aankomen bij het blokje interne hervormingen.
De voorzitter:
Voordat u dat gaat doen, zie ik een interruptie. Ik weet niet wie eerder
was, de heer Van Houwelingen of de heer Van der Lee. Eerst de heer Van
der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Toch nog even die vetodiscussie. Ik snap dat er ultimo een
verdragswijziging nodig is, maar ook daar zitten dingen tussen. Je zou
ook een politiek akkoord met elkaar kunnen sluiten: we maken er geen
gebruik van. Voordat je toekomt aan een verdragswijziging, gaat het heel
lang duren, als het ooit nog eens gebeurt. Daar zitten namelijk heel
veel andere dingen aan vast. Wordt er ook naar dat soort tussenvormen
gekeken?
Minister Berendsen:
Wij bekijken natuurlijk de opties. Ik denk ook dat we in gezamenlijkheid
kunnen concluderen dat dit soort discussies met het aantreden van de
nieuwe Hongaarse regering wellicht weer nieuwe energie en een nieuw
momentum kan krijgen. Rekent u er dus maar op dat daar waar dit kabinet
in gezamenlijkheid met andere partners kan inzetten op het zetten van
stappen in dezen, wij dat zeker niet zullen nalaten. Dat neemt niet weg
dat het een gevoelige discussie is, maar tegelijkertijd zijn er ook weer
kansen, bijvoorbeeld in de toetredingsverdragen. Zo voeren we
bijvoorbeeld ten aanzien van Montenegro ook de vetodiscussie, zodat we
in ieder geval door nieuwe lidstaten, als ze dan eindelijk toetreden,
niet in dezelfde positie gebracht kunnen worden. Dat soort stappen
zouden kunnen helpen.
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb eigenlijk een rappelleervraag, want ik heb de minister in mijn
eerste termijn gevraagd hoe het kan dat wij in antwoord op Kamervragen
te horen krijgen dat het ministerie niet wil zeggen of en hoe vaak
bijvoorbeeld afgelopen jaar een veto is ingezet, of met inzet ervan is
gedreigd, door Nederland in de onderhandelingen. Wij krijgen dan als
Kamer te horen dat dat vertrouwelijk is. Hoe kan dat zo zijn? Dat kan
toch niet vertrouwelijk zijn? Dat is een vraag die ik al heb gesteld in
mijn eerste termijn.
Minister Berendsen:
Ik herinner mij die vraag inderdaad. Het dreigen met een veto ... Laat
ik het anders zeggen. Onderhandelen in Europa is een uitdaging, omdat
wij op ieder moment de Nederlandse belangen willen vertegenwoordigen,
daarop inzetten en vervolgens voldoende druk op onze
onderhandelingspartners willen zetten, op het juiste moment en met de
juiste middelen, om daar ook beweging in te krijgen. Dat doen wij als
Nederland, in samenwerking met uw Kamer, dan ook nog in een grote mate
van transparantie, wat ons niet altijd helpt in onze onderhandelingen in
Brussel, omdat wij ons regelmatig in de kaarten laten kijken over onze
positie en waartoe we bereid zijn. Maar feitelijk houden wij helemaal
niet bij hoe vaak wij met een veto dreigen, want wat definieer je als
"dreigen met een veto"? Wat wij doen in onze onderhandelingen, is
aangeven wat onze argumenten en wat de Nederlandse belangen zijn. Het is
aan de onderhandelingspartner om te wegen wanneer ze met ons mee moeten
bewegen en wanneer ze dat niet hoeven te doen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Oké, dank. Ik denk wel dat dat te definiëren valt, maar oké. Wanneer is
het veto dan ... Ik heb het niet over de huidige onderhandelingen, hè,
maar over de afgelopen vijf jaar. Kan de minister één voorbeeld geven
waarbij Nederland het veto heeft ingezet? Is daar één voorbeeld van te
geven? Dat is de vraag die ik heb.
Minister Berendsen:
Er is een verschil tussen ... Misschien is het een definitiekwestie,
maar er zijn natuurlijk een aantal onderwerpen waar niet alleen het
vorige kabinet, het kabinet daarvoor en het kabinet daar weer voor, maar
echt iedereen ... Er zijn besluitvormingsprocedures waarvan iedereen
weet: wij komen hier alleen in unanimiteit uit. Als gedurende dat proces
duidelijk wordt dat een van de lidstaten niet tevreden is met de
uitkomst, dan is dat de facto — laat ik het maar zo zeggen — het
mogelijk inzetten van het veto dat die heeft, om te komen tot
unanimiteit in de besluitvorming. De meerjarenbegroting is daar een
voorbeeld van. Daar wordt nachtenlang over vergaderd. Wat is de reden
dat er nachtenlang over vergaderd wordt? Dat er ergens lidstaten nog
niet tevreden zijn met de uitkomst. Daar is Nederland natuurlijk ook
meerdere keren onderdeel van geweest.
De voorzitter:
U vervolgt uw beantwoording.
Minister Berendsen:
Interne hervormingen. Uiteindelijk gaat EU-uitbreiding niet alleen over
de vraag of kandidaat-lidstaten klaar zijn om toe te treden tot de
Europese Unie en of ze voldoen aan alle voorwaarden. Het gaat ook om het
absorptievermogen van de Europese Unie: is de Europese Unie klaar om
meer lidstaten toe te laten treden? De Europese Unie, van 6 landen
gegroeid naar 12 en inmiddels naar 27, functioneert natuurlijk anders
dan zoals we haar bedacht hadden. Verdere uitbreiding heeft ook impact
op het functioneren. We moeten nadenken en stappen zetten om de
slagkracht van de Europese Unie te behouden. De Europese Unie moet dus
ook nadenken over de hervormingen die we zelf moeten doorvoeren om die
uitbreiding mogelijk te maken. Dat moet parallel aan het
uitbreidingsproces gebeuren. Daarvoor wachten we op de beleidsevaluatie
van de Commissie. U kunt erop rekenen dat Nederland erop aandringt dat
deze ook snel verschijnt, want die is wel de basis voor de discussie die
we samen moeten voeren. Wat Nederland betreft gebeurt het langs vier
sporen. Er zijn dus vier sporen waarlangs de Europese Unie zich moet
voorbereiden op die verdere uitbreiding: waarden, beleid, begroting en
bestuur. Bij al deze punten moet eigenlijk het handelingsvermogen van de
Europese Unie centraal staan.
Toetredingsverdragen en de waarborgen die we daarbij opgenomen willen
hebben, hebben we net besproken. Voorzitter, dat ga ik niet herhalen,
want dat hebben we besproken.
Gerelateerd aan dat blokje waren er vragen over de toekomstige
toetredingsverdragen. Ik heb die zojuist al naar voren gehaald in de
discussie over graduele toetreding. Dat onderwerp hebben we ook
behandeld.
De heer Klos vroeg iets wat we ook in dit blokje gecategoriseerd hebben.
Hij vroeg naar die Europese Unie van verschillende snelheden. Laat
duidelijk zijn dat dit kabinet een voorstander is van een EU met
meerdere snelheden. Dit kabinet wil mee aan het stuur zitten bij
belangrijke ontwikkelingen, bij dingen die wij belangrijk vinden. We
willen een stip op horizon zetten bij de vraag waar de Europese Unie op
bepaalde onderwerpen heen moet. Dat betekent dat je moet samenwerken in
kopgroepen, en dat willen we ook actief invullen. Een goed voorbeeld is
wat we zojuist bespraken: hoe gaat uitbreiding er in de toekomst
uitzien? Dat is ook het thema van dit debat. Dat is een kopgroep waar we
in willen zitten. We willen mee aan het stuur zitten.
Er zijn lidstaten die daar soms misschien wat zorgen over hebben, in de
zin van "krijg je dan een Europese Unie van A- en B-landen, et cetera?"
We moeten echter vooruit, en dit is de manier om vooruit te gaan. Dat
betekent dat dit kabinet daarvoor kiest.
Voorzitter. Dan werden er ook nog vragen gesteld over de Westelijke
Balkan en over IJsland. Er zijn een aantal landen van de Westelijke
Balkan die zelfs ook significante voortgang boeken. Montenegro is daar
een voorbeeld van; het is een eind op weg om hoofdstukken te sluiten.
Met Albanië zijn er in de afgelopen periode ook een aantal
onderhandelingsclusters geopend. Ik heb hier recent ook vrij uitgebreid
met Commissaris Kos over gesproken. Het is natuurlijk ook een
interessante ontwikkeling dat we aan de noordkant van ons continent
inmiddels ook landen zien die overwegen om eventueel EU-lidmaatschap aan
te vragen. IJsland is daar natuurlijk een voorbeeld van. Er is een
referendum in augustus. Een van mijn voorgangers heeft weleens in een
speech aan een Duitse universiteit gezegd dat we ons in de
uitbreidingsdiscussie nu altijd richten op de vraag of landen er wel
klaar voor zijn om toe te treden, maar dat we ons ook moeten richten op
de vraag hoe we een Europese Unie kunnen worden waar dat soort landen —
denk aan IJsland, Noorwegen en Zwitserland — bij kunnen willen
horen.
Ik denk dat we op dit moment vooral geholpen worden door een
veranderende wereldorde en door een crisis in de wereld die wij liever
niet zouden zien. Ik vind het op zich een heel mooi teken dat hierin
voor die landen ook tot uitdrukking komt dat we elkaar nodig hebben.
Uiteindelijk staan we samen sterker. Zeker landen als IJsland en
Noorwegen zouden de EU echt sterker maken, zowel met stevige economieën
als met hun strategische ligging.
Door de heer Van der Lee werd gevraagd wat voor stappen er nodig zijn
voor Albanië en Montenegro. Montenegro is in de fase van het onder
voorbehoud sluiten van hoofdstukken. Het heeft de hoogste mate van
voorbereiding op EU-lidmaatschap. Momenteel zijn 14 van de 35
hoofdstukken gesloten. Sinds december zijn er zeven hoofdstukken onder
voorbehoud gesloten. Vrij verkeer van kapitaal … Ik kan de inhoud
opnoemen, maar u weet waar het over gaat. Dit jaar beginnen de
onderhandelingen over het toetredingsverdrag. Ik heb al aangegeven hoe
belangrijk we dat vinden en dat we dat als kabinet als kans zien om de
discussie daarover te voeren. Met Albanië zijn in anderhalf jaar alle
zes de clusters geopend. Er zijn nog geen hoofdstukken gesloten. Voordat
die fase ingaat, dient er eerst een positieve weging van de voortgang op
het gebied van de rechtsstaatcriteria plaats te vinden. Albanië heeft
hervormingen doorgevoerd voor anticorruptie, met het doorlichten van
rechters. Die hervormingen moeten zich uiteindelijk vertalen in een
onafhankelijke rechterlijke macht, minder corruptie en de aanpak van
georganiseerde misdaad. Daar zetten wij als Nederland ook op in. In
beide landen is het echt van belang dat het hervormingsproces doorgaat,
met name op het gebied van de rechtsstaat. Dat vinden wij gewoon een
belangrijk onderwerp.
Mevrouw Becker had nog een vraag gesteld over de Europese
veiligheidsraad. Dat idee ziet het kabinet zitten. Ik denk dat het
belangrijk is om op die manier verder samen te werken aan de veiligheid
van ons continent. Dat idee blijven we ter sprake brengen bij onze
collega-lidstaten. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat op dit
moment nog weinig tractie krijgt. Dat is natuurlijk ook onderdeel van de
discussie over de NAVO: welke rol heeft de Europese Unie op het gebied
van veiligheid, hoe geven we de Europese pijler onder de NAVO vorm en
welke structuren zijn daarvoor nodig? We hebben nog wat werk te
verrichten om duidelijk te maken wat de toegevoegde waarde daarvan is
ten opzichte van Europese Raad in de Europese Unie. Wellicht kunnen we
onze kennis en creativiteit daar gezamenlijk voor inzetten. De coalition
of the willing is een belangrijk instrument dat we op dit moment hebben,
zeker als het gaat om Oekraïne.
De heer Klos heeft daar destijds een motie over ingediend; dat is nu
mijn tijdsaanduiding, maar u weet zelf wanneer dat was. Dit is ook het
antwoord op de vraag hoe het kabinet invulling geeft aan zijn motie.
Hier blijven we dus mee doorgaan.
Hier had ik de vraag van de heer Van Houwelingen over hoe het Nederlands
belang gewogen wordt, maar dat hebben we al besproken.
De heer Stöteler vroeg in de eerste termijn of het niet uit de hand
gelopen is met speculatie over Canadees lidmaatschap. Er is op dit
moment geen sprake van een eventueel Canadees lidmaatschap. Een
basisvoorwaarde is immers ook dat het een Europees land moet zijn.
Canada is geen Europees land. Het is voor mij geen parate kennis, maar
ik heb me laten vertellen dat in 1987 Marokko op basis van die criteria
is geweigerd. Dat is op dit moment dus gewoon niet aan de orde.
De heren Stöteler, Vermeer en Van Dijk vroegen waarom Georgië en Turkije
nog kandidaat zijn. De onderhandelingen met Turkije zijn bevroren en de
banden worden weer aangehaald. Er is gevraagd hoe we ons opstellen ten
opzichte van Turkije. Ik ben vorige week in Turkije geweest. Toen heb ik
gesproken met mijn collega daar. We hebben als Nederland natuurlijk aan
de ene kant zorgen over de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie daar.
Daar spreken we Turkije ook op aan. Tegelijkertijd is Turkije, met de
wereldorde waarin we ons bevinden en de bestaande veiligheidsrisico's,
natuurlijk ook gewoon een belangrijk buurland, een partner van de EU en
een NAVO-bondgenoot. In het optimistische en realistische
buitenlandbeleid dat wij voorstaan, betekent dat dat we de banden met
dit soort landen goed houden. We benadrukken wat ons gezamenlijk belang
is, maar in het gezamenlijk belang en in het belang van de relatie
spreken we elkaar aan op zorgen die we hebben. Maar zeker in de huidige
geopolitieke situatie hechten we aan een goede band met Turkije, wetende
dat we ook over een aantal zaken van mening verschillen. De
toetredingsonderhandelingen met Turkije liggen effectief stil sinds
2018. Ik verwacht daarbij wat betreft verdere toetreding voorlopig niet
heel veel beweging. Met Georgië is het EU-toetredingsproces …
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Stöteler. Dat is zijn laatste
interruptie.
De heer Stöteler (PVV):
Ja, I know. De minister geeft geen antwoord op de vraag, namelijk:
waarom worden die landen niet gewoon geschrapt van de kandidatenlijst?
Dan krijgen we hele verhandelingen over buitenlandbeleid en dat relaties
met landen als Turkije belangrijk zijn. Dat zal allemaal wel. Ja, het is
een NAVO-bondgenoot en, ja, de relaties moeten goed zijn, maar dat kan
ook met andere verdragen. Daar heb je geen EU-lidmaatschap voor nodig.
Als je buitenlandbeleid wil inzetten om de relatie met Turkije goed te
houden, moet je Turkije zeker geen lid maken van de Europese Unie. Dan
geldt er namelijk weer binnenlandbeleid. Je moet ze dan ook in het
buitenlandbeleiddomein houden. Dus waarom schrapt u die landen niet
gewoon van de kandidatenlijst? Kan dat niet? Welke reden zit erachter om
dat niet gewoon te schrappen?
Minister Berendsen:
Dat heeft meerdere facetten. Een belangrijke is dat Turkije zichzelf
niet terugtrekt als kandidaat-lid. Turkije is officieel kandidaat-lid en
dat betekent dat we ze als kandidaat-lid beoordelen aan de hand van de
toetredingscriteria. En op basis daarvan is er geen voortgang in het
proces. Ik denk dat de heer Stöteler en ik elkaar wel kunnen vinden op
de andere manieren die er zijn om met Turkije samen te werken zonder dat
dat iets betekent voor het toetredingsproces en de verdere toetreding
van Turkije tot de Europese Unie. Op dit moment ligt het effectief stil.
Ik hoop dat we er in de toekomst gewoon een structurele oplossing voor
vinden, want ik voorzie niet dat Turkije heel snel stappen gaat zetten
richting verdere toetreding in de Europese Unie. Tegelijkertijd zie ik
ook het belang van goede samenwerking met Turkije, maar dat zal wellicht
een andere vorm moeten krijgen dan het lidmaatschap van de Europese
Unie, zeker ook gezien de lange tijd dat het proces inmiddels
stilligt.
Georgië. Het EU-toetredingsproces met dit land is de facto tot stilstand
gekomen. De Europese Commissie heeft dat ook bevestigd. Dat geldt ook
voor Turkije, maar in het uiterste geval kan met consensus en door het
aannemen van conclusies de kandidaatstatus van Turkije en Georgië
ingetrokken worden. Maar daar is nu geen consensus over en dat heeft
alles te maken met de wens van de kandidaat-leden zelf.
De heer Vermeer heeft een vraag gesteld over Europees geld voor de
landbouw. Turkije zou dergelijk geld ontvangen. Nou, Turkse boeren
ontvangen geen directe steun van de Europese Unie. Wel helpen we met het
instrument Pre-Accession Assistance for Rural Development, een programma
dat helpt met verduurzaming en het voldoen aan Europese standaarden. Op
die manier kan geld wel aangewend worden. Maar op dit gebied zijn wij
juist voorstander van steun aan Turkije, want dat ligt juist op
terreinen van wederzijds belang.
Ik wil daar in antwoord op een andere vraag van de heer Vermeer nog wel
iets aan toevoegen. Hij is niet meer aanwezig, maar ik kan me wel
voorstellen dat dit geleid zou hebben tot een interruptie, gezien de
discussie die wij net hadden. Ik wil daar iets aan toevoegen in verband
met de impact van de uitbreiding op de landbouw. Als het gaat over
Oekraïne en over de zorgen over Turkije, wil ik dit wel even genoemd
hebben. Bij de toetredingsonderhandelingen houden wij natuurlijk ook
rekening met de kenmerken van de agrarische sector in
kandidaat-lidstaten en gerelateerde uitdagingen op dat gebied. Ook
houden we rekening met de impact daarvan op onze agrarische sector.
Uiteindelijk is het natuurlijk wel zo dat als landen willen toetreden
tot de Europese Unie, zij moeten voldoen aan de productstandaarden die
wij stellen en de standaarden die wij stellen op het gebied van
productieomstandigheden. Daar zijn wij waakzaam op en daar zullen wij
ook waakzaam op blijven.
De heer Stöteler had een vraag over het bestempelen van desinformatie en
factchecken. Hij zei dat dat geen bevoegdheid van overheden zou moeten
zijn. "Waarom heeft Nederland dan toch de trustedflaggerstatus volgens
een Amerikaans rapport?" Nou, dat klopt niet. De Europese Commissie kan
deze status ook niet verlenen binnen de DSA. Wel heeft het ministerie
van Binnenlandse Zaken vrijwillige afspraken gemaakt met de platformen
X, Meta, TikTok en Snapchat. Het gaat dan om het met prioriteit
behandelen van meldingen van het ministerie gedurende de
verkiezingsperiode. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf
verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding
die gedaan wordt in relatie tot de geldende regelgeving en de
gebruiksvoorwaarden. Binnenlandse Zaken heeft via deze kanalen geen
bevoegdheid om content te laten verwijderen. Minister Heerma heeft
overigens op 12 maart jongstleden vragen hierover van de Kamer
beantwoord.
De heren Van Dijk en Vermeer hebben vragen gesteld over het onderzoek
van het CPB naar de verwachte migratie bij toetreding van landen uit de
Westelijke Balkan. Het CPB geeft in het onderzoek aan dat de geschatte
migratiestijging ten opzichte van het jaarlijkse migratiesaldo en ten
opzichte van eerdere EU-uitbreidingen met landen als Polen, Roemenië en
Bulgarije relatief beperkt zou zijn.
Dat neemt niettemin niet weg dat migratie een belangrijk onderdeel is
van het werk van dit kabinet. We willen hier namelijk goed voorbereid
zijn op wat er eventueel in de toekomst op ons af zou kunnen komen.
Zojuist hebben we in verband met eventuele nieuwe toetredingsverdragen
ook even besproken dat we ook kijken of er net als in het verleden
overgangsmaatregelen nodig zijn voor vrij verkeer van werknemers en vrij
verkeer van diensten. Zouden we het wellicht tijdelijk moeten beperken
op basis van de informatie die we hebben en als de aantallen zo zijn dat
die dat noodzakelijk maken?
De heer Van Houwelingen stelde een vraag over de Eurobarometer en over
zijn kritiek op het onderzoek. Wij vinden kwalitatief hoogwaardig
opinieonderzoek natuurlijk belangrijk en daar hoort verantwoording over
de methodologie bij. De Eurobarometer legt ook verantwoording af over
die methodologie. Maar goed, het kabinet baseert zich niet alleen op de
Eurobarometer, maar, net als denk ik vele collega's in de Kamer, ook op
veel meer onderzoeken, opiniepeilingen en beleidsstukken. We gebruiken
ook beleidsstukken, Kamerbrieven en stukken waarin verschillende
perspectieve terugkomen en stukken die herleidbaar zijn naar de bron.
Dus de Eurobarometer is een van de vele methodes die er zijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dit kan dus echt niet. De Eurobarometer is niet zomaar een onderzoek.
Het wordt om de zoveel tijd aangehaald. Het staat ook heel vaak genoemd
in Kamerbrieven, want het is een heel dominant onderzoek. Het wordt
bijvoorbeeld gebruikt om uitbreiding te legitimeren. Maar er zijn dus
hele grote problemen mee.
Ik heb hier een stapel onderzoeken liggen en die heb ik ook uitgebreid
aangehaald. Ik heb die ook in mijn schriftelijke vragen aan het
ministerie doorgegeven. Je kunt dan drie dingen doen, hè? Je kunt zeggen
"die kritiek klopt niet" en dan ga je dat onderbouwen. Of je zegt "de
kritiek klopt" en dan stop je met het onderzoek. Of je zegt dat je het
uit gaat zoeken. Die drie mogelijkheden zijn er, maar het ministerie
zegt nu weer: "We gaan er verder niet op in, maar we blijven wel het
onderzoek gebruiken. We gaan er verder niks mee doen". Dat is wat ik de
minister nu ook hoor zeggen. Maar dat kan toch niet? Dat is toch geen
opstelling? Of je gaat er wat mee doen of je gaat er niets mee doen,
maar je kunt niet een vervuild onderzoek aan blijven halen en naar de
Kamer blijven sturen.
Minister Berendsen:
Ik denk dat de mening van het kabinet over de kwaliteit van het
onderzoek van Eurobarometer verschilt met die van de heer Van
Houwelingen. Ze zijn in ieder geval transparant over de methodologie.
Als daar dingen aan verbeterd kunnen worden, dan is Eurobarometer, denk
ik, de eerste die dat wil verbeteren, omdat ze juist met dit soort
opiniepeilingen serieus genomen willen worden. Als er veel kritiek zou
zijn en als er terechte kritiek zou zijn op de manier waarop ze dat
doen, dan zou het niet meer serieus genomen worden en dan zou het ook
niet meer gebruikt worden in de stukken en de informatie rond beleid.
Tegelijkertijd denk ik dat het gewoon heel belangrijk is om op te merken
dat dit slechts een van de vele vormen is en dat we ons natuurlijk ook
op allerlei andere bronnen baseren. En we gebruiken het zeker niet om
iets te legitimeren.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, mijn laatste. Dat is dus niet het geval. Er is heel veel onderzoek
naar gedaan. Ik heb het hier allemaal naast me liggen en in dat
onderzoek zeggen wetenschappers: het is propaganda, het is
desinformatie. Natuurlijk blijft de Europese Commissie het gebruiken,
omdat het zonnige beeldvorming oplevert voor de EU. Die blijven dat dus
wel gebruiken. Ik geef dat allemaal aan. Dan moet je daar als minister
achteraan gaan of je moet stoppen met de Eurobarometer. Maar je kunt
hier dan niet een beetje gratuit zeggen: "Joh, de Eurobarometer is maar
een van de vele onderzoeken. Die kunnen we blijven gebruiken. Het zal
wel goed zijn." Maar het is niet goed. Als de minister van mening is dat
het wél een goed onderzoek is, dan hoor ik graag onderbouwd waarom al
die studies niet kloppen. Maar dat gebeurt dus ook niet. Het is echt
heel problematisch. Waarom zou ik het ministerie nog vertrouwen als er
zo met onderzoek wordt omgegaan? Dat is toch geen houding. Ik ben zelf
onderzoeker geweest en ik had dat toen zo moeten doen! Daarom nogmaals
de vraag of de minister er wat mee gaat doen. Het minste wat ik
verwacht, is dat het ministerie dit gaat uitzoeken en de Europese
Commissie gaat vragen hoe het zit met die onderzoeken. Het ministerie
moet bij dat onderzoekbureau verhaal gaan halen. Dat is het minste. Of
het ministerie moet met een onderbouwd verhaal naar mij toe komen
waaruit blijkt dat dit onderzoek niet klopt.
Minister Berendsen:
Ik denk dat onze meningen gewoon verschillen. Dit is opinieonderzoek,
naast vele andere bronnen die er zijn om uit te vinden wat de opinie van
mensen is en hoe ze hiernaar kijken. Daar hebben we de Eurobarometer
voor, maar nationaal en internationaal zijn daar meerdere onderzoeken
naar gedaan. De Eurobarometer is een van de bronnen die we gebruiken. En
nogmaals, ik denk dat dit soort opinieonderzoekers zelf de kritiek, als
die er is, toch zich moeten nemen. Ze moeten eventuele kritiek zelf
wegnemen, want zij willen zelf geloofwaardig zijn. Ik denk dat daar
uiteindelijk de belangrijkste motivatie zit voor dit soort
onderzoeken.
Voorzitter. Ik ben aangekomen bij een lege bladzijde. Ik kijk dus even
naar de Kamerleden of zij het gevoel hebben dat er nog vragen zijn die
ik niet heb beantwoord. Ik heb er in ieder geval een hoop gehad.
De voorzitter:
Goed. Ik weet uit ervaring dat Kamerleden altijd vragen hebben, maar we
zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de
Kamer. Nee, ik moet het anders zeggen. Dit was de eerste termijn van de
minister. We gaan gelijk door met de tweede termijn van de Kamer. O, er
is een punt van orde.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Hoeveel tijd hebben we in de tweede termijn?
De voorzitter:
U heeft 1 minuut en 20 seconden, en ik ga u daar ook echt aan houden.
Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Becker van de VVD.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister dat hij, ondanks zijn
drukke agenda, waarbij hij het besef van tijd soms misschien een beetje
kwijtraakt omdat hij de hele wereld over vliegt, hier aanwezig is om met
ons over dit belangrijke onderwerp te spreken.
Zijn houding ten aanzien van dit onderwerp spreekt mij aan. Hij heeft
een realistische opstelling, maar benadrukt ook dat we strikt, fair en
betrokken moeten blijven en op merites moeten blijven beoordelen. Hij
noemde ook de welwillendheid om als Nederland in een kopgroep te zitten
om te kijken hoe we op een meer graduele manier die toetreding voor
elkaar kunnen krijgen. Er valt nog veel meer over te vragen,
bijvoorbeeld over hoe die verdragen er precies uit zouden zien. Daarom
denk ik dat het heel goed is om als Kamer, in aanloop naar wat we in
juni zouden krijgen, de minister hierover toch een uitspraak mee te
geven voor de uitwerking daarvan. Daarom zou ik bij dezen in ieder geval
graag een tweeminutendebat willen aanvragen.
Ik heb voor nu verder geen vragen aan de minister.
Dank u.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Becker. Dan gaan we nu verder met de heer Stöteler van de
PVV.
De heer Stöteler (PVV):
Voorzitter. Ik heb ook geen vragen meer aan de minister. Complimenten
daarvoor, meneer de minister. Maar hij heeft ook drie weken de tijd
gehad om alles nog een keer door te nemen en erover na te denken, dus
het was niet zo gek dat hij op een of andere manier op alle vragen een
antwoord had.
Maar nu het tweeminutendebat is aangekondigd, ga ik toch een paar moties
indienen. Het is toch gek dat de Europese Unie kennelijk geen
kandidaat-lidstaten kan schrappen van de kandidatenlijst. Het is toch
gek dat dat alleen maar kan gebeuren als een kandidaat zichzelf
terugtrekt? Als dat wel kan — de minister schudt nu nee — dan heeft hij
net een incompleet antwoord gegeven. Misschien kan hij daar in zijn
tweede termijn nog op terugkomen. Als dat wel kan, kan ik meteen een
motie indienen om in ieder geval Turkije van de kandidatenlijst te
schrappen en om daar bij de Raad op aan te dringen.
Als mevrouw Becker er niet mee komt, zal ik mogelijk ook nog een motie
indienen met betrekking tot de burenrelatie aan de oostelijke kant. De
minister en ik zijn het wel met elkaar eens dat je een goede
verstandhouding en goede afspraken met je buurlanden moet hebben, dus
daar moeten we maar op inzetten.
Voorzitter, tot slot. Als de minister gaat werken aan een plan voor
graduele toetreding, dan graag ook een plan voor graduele
uittreding.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank, meneer Stöteler. Dan geef ik nu het woord aan de heer Klos van
D66.
De heer Klos (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik zie een
minister die de ambitie heeft om te hervormen en te leiden in de
Europese Unie. Dat spreekt ook mij zeer aan, zeker wat betreft dit
onderwerp, waarvoor dat broodnodig is, omdat de frustratie over het
toetredingsproces hoog oploopt in landen die graag bij de Europese Unie
willen horen. Als wij hen geen perspectief daarop geven, kunnen zij ook
in handen van Rusland en China vallen. De Nederlandse hervormingen op
dat vlak en de haast daarbij worden zeer gewaardeerd.
Het is jammer dat we vandaag nog niet over een concreet plan konden
debatteren. Ik hoop dat dat in de toekomst kan. Daarom volledige steun
om daar een tweeminutendebat aan te wijden.
Het komt niet zo heel vaak voor dat je in de eerste en tweede termijn
van een debat een compleet veranderde dynamiek hebt. In de eerste
termijn was Orbán nog aan de macht en in de tweede termijn, of althans
in de tweede fase van dit debat, niet. Dat zorgt echt voor een andere
dynamiek in het toetredingsproces. Daar gaat mijn laatste vraag over.
Hoe kijkt het kabinet naar de situatie in Servië en Bosnië? Een van de
dingen waar Orbán in is geslaagd, hetzij via Várhelyi, hetzij via de
Europese Raadsconclusies, is dat de Europese Unie tot nu toe met vrij
fluwelen handschoenen is omgegaan met zowel Servië als Bosnië. Wat gaat
Nederland doen om er in deze nieuwe situatie voor te zorgen dat de
elementen die wat autocratischer zijn daar meer worden bestraft en niet
alleen maar worden beloond?
De voorzitter:
Oké. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van der Lee van
GroenLinks-PvdA.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Hartelijk dank. Ook dank aan de minister voor de antwoorden. Ik ben
positief … Nou, ik ben niet verrast, maar ik ben blij met wat hij
allemaal heeft gezegd over gradueel lidmaatschap. Ik ben ook blij met de
toezegging dat we al in juni meer inzicht krijgen in de gedachten
daarover — is er een kopgroep, en waar wil hij naartoe? — zodat wij dat
proces ook kunnen meemaken. Verder snap ik goed dat strikt, fair en
betrokken overeind blijft staan, maar is het daarmee ook strategisch, of
in ieder geval gericht op het borgen van vrede? Ik zou de minister
willen aanraden om daar nog eens over na te denken. Het is misschien
helemaal niet slecht om een vierde criterium toe te voegen.
Daarnaast nog even over de Europese veiligheidsraad. Ik snap de
complexiteit daarvan, ook gelet op de NAVO. Is het misschien goed om
hier iets anders naar te kijken, en misschien te denken in termen van de
economische weerbaarheidsgraad? Kijk, als je strategische autonomie wilt
veiligstellen voor je energievoorziening, je infrastructuur en je
economie als geheel, moet je soms keuzes maken die indruisen tegen wat
er op de korte termijn handig, betaalbaar of in ieder geval voor de hand
liggend zou zijn. Iets meer countervailing power op het versterken van
de economische weerbaarheid lijkt me binnen het construct van de
Europese Unie echt wel verstandig. Dat hoeft niet per se weer die
militaire kant te zijn. Ik hoop dat de minister ook eens naar die kant
zou willen kijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik ben een beetje ruimer omgegaan met de tijd, want de een is wat korter
en de ander wat langer. Nee, meneer Van Houwelingen, we proberen het wel
binnen die 1 minuut 20 te houden! Ik ken u. U heeft het woord.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank. Dank ook voor de beantwoording. Die was een beetje teleurstellend.
Wanneer wordt het Nederlandse belang nou gewogen in het
toetredingsproces, was mijn vraag. Het antwoord was: dat gebeurt gelijk,
en tijdens het hele proces. Dat is niet zo. Het is een technocratisch
proces met die hoofdstukken. Daarin kunnen wij als Kamer het Nederlandse
belang op geen enkel moment wegen, volgens mij.
Dan het veto. Ik vroeg om een voorbeeld van een moment waarop het
vetorecht is ingezet, omdat ik de indruk heb dat dit niet snel gebeurt.
Ik hoop dat de minister in zijn tweede termijn echt nog met een
voorbeeld kan komen van een voorstel dat het niet gehaald heeft omdat
Nederland zijn veto heeft gebruikt. Het mag elk voorbeeld zijn uit de
afgelopen tien jaar. Ik heb het nog niet gehoord.
Dan mijn grote zorgpunt. Die Eurobarometer is heel belangrijk, en het
gaat mij vooral om de houding van het ministerie. Dat onderzoek deugt
niet. Ik heb daarvan allemaal voorbeelden gegeven. Dan verwacht je dat
de minister zegt dat hij het gaat uitzoeken of dat hij de voorbeelden
weerlegt en uitlegt waarom het onderzoek wél deugt. Dat is mijn laatste
verzoek. Ik vraag hier om een brief waarin wordt uitgelegd waarom al die
kritiekpunten en al die onderzoeken die aantonen dat de Eurobarometer
niet deugt, niet kloppen. En als die kritiek niet weerlegd kan worden,
wat ik vermoed, wil ik dat het ministerie op z'n minst zegt "we gaan
niet meer verder met de Eurobarometer" of "we gaan naar de Europese
Commissie toe om het onderzoek te verbeteren". Als die brief er niet
komt en de minister straks weer zegt dat hij er niks aan gaat doen, dan
dien ik wel een motie van wantrouwen in, al zal die het niet gaan halen.
Dat is namelijk zó'n laakbare houding. Dat is zó laakbaar. Wat is dit
voor een ministerie, als het zo omgaat met kritiek, dus als het de oren
ervoor sluit? Dat kan echt niet.
De voorzitter:
Dank, meneer Van Houwelingen. Dan kijk ik naar de minister. Kunt u
gelijk door met de beantwoording, minister? Ja, zie ik. Dan gaan we
gelijk verder met de beantwoording.
Minister Berendsen:
Dank. En dat ligt natuurlijk niet aan de kwaliteit van de vragen, want
die is natuurlijk heel goed. Het ligt eraan dat deze minister nog steeds
goed in de energie zit om met u de discussie voort te zetten.
De heer Stöteler verwees even naar Turkije. Inderdaad heb ik in het
stukje waarin we het hadden over Turkije de aandacht gevestigd op het
feit dat een kandidaat-lid zichzelf kan terugtrekken en dat dit in het
kader van de goede relaties, die we ook willen behouden met Turkije, wel
een onderdeel is van de afweging die je maakt. Vervolgens ging het even
over Georgië. Daarbij heb ik aangegeven, ook in algemene zin — dat geldt
dus ook voor Turkije — dat het kan van de kant van de Europese Unie,
maar dat er dan wel consensus, unanimiteit, in de Raad moet zijn. Voor
zowel de kandidaatstatus van Turkije als die van Georgië is die
unanimiteit er niet. Dus het kan wel, maar ik zie het niet gebeuren. Dat
is het eigenlijk.
De heer Stöteler (PVV):
Pleit Nederland daar dan wel voor in beide gevallen?
Minister Berendsen:
Nee, daar pleit het kabinet niet voor. Ik heb zonet uitgebreid
aangegeven hoe ik aankijk tegen de relatie met Turkije. Dat gaat met
name om de vraag hoe we in de toekomst goed gezamenlijk kunnen
samenwerken. Maar nu eenzijdig zeggen "we schrappen jullie van de
lijst", terwijl Turkije nog de wens heeft om in dat proces te zitten,
zou ik voor de relatie ook zeker niet verstandig vinden.
De voorzitter:
De heer Stöteler, kort.
De heer Stöteler (PVV):
Daar hebben we het dan antwoord voor meneer Van Houwelingen. Hier
spreekt Nederland een veto uit over het schrappen van Turkije als
kandidaat-lidstaat. Daar ligt Nederland dus voor. Dan ga ik een motie
indienen om dat standpunt van het Nederlandse kabinet maar eens te
veranderen.
Minister Berendsen:
Voorzitter. De heer Klos ging nog even in op Servië en Bosnië. Bij
Servië blijven de zorgen over de rechtsstaat bestaan. We zien ook
onvoldoende aansluiting met ons gemeenschappelijke buitenland- en
veiligheidsbeleid, met name op het gebied van sancties tegen Rusland en
de dialoog met Kosovo. Nederland blijft kritisch ten aanzien van stappen
op toetreding. Hoe stevig wij staan in de criteria voor eventuele
volgende stappen, maakt uiteindelijk ook hoe we ons verhouden tot
Servië.
Wat betreft Bosnië zien we zwakke overheidsstructuren, ook vanwege de
oorlog en het Daytonakkoord. De positie van een deelstaat is zorgelijk.
Wat betreft het toelatingsproces zijn stappen ook daar lastig. We hebben
daar zorgen over. In de eerste plaats vertaalt dat zich in het feit dat
er geen voortgang is in het toetredingsproces. Tegelijkertijd wil je op
alle mogelijke manieren in samenwerking druk uitoefenen om niet de
verkeerde kant op te gaan — laat ik het even zo zeggen — omdat zij voor
ons wel degelijk van strategisch belang zijn en eventuele andere
invloeden niet in ons belang zijn.
Ik krijg nog een voorbeeld van een veto toegespeeld door mijn
ondersteuning. Dat is dan de cliffhanger voor het laatste stukje.
De heer Van der Lee gaf ook nog de suggestie voor een economische
weerbaarheidsraad. Nou weet ik niet of we het allemaal institutioneel
moeten maken. Ik denk dat juist die economische weerbaarheid natuurlijk
essentieel is; daar vinden we elkaar. Die is continu onderdeel van heel
veel Raden die op dit moment plaatsvinden, zowel op het gebied van
economie als op het gebied van veiligheid, en bijvoorbeeld ook van de
discussie die we nu voeren over het MFK. Juist het MFK zou wat dit
kabinet betreft gericht moeten zijn op die grote uitdagingen waar we
voor staan die ons ook weerbaarder maken, namelijk veiligheid, energie,
kritische grondstoffen, concurrentievermogen … Dat heeft allemaal te
maken met die weerbaarheid. Ik waardeer de suggestie. Het kabinet zal
niet gaan pleiten voor die raad, maar absoluut wel voor het concept
weerbaarheid een integraal onderdeel laten zijn van al die gesprekken
die we voeren.
Dan de heer Van Houwelingen.
De voorzitter:
Ik ga u heel even onderbreken, want de heer Van der Lee heeft nog een
interruptie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik snap op zich het antwoord. Tegelijkertijd kost economische
weerbaarheid duur, om het maar even in verkeerd Nederlands te zeggen.
Dat is op alle terreinen een obstakel. We weten rationeel dat we daar
stappen op moeten zetten, maar het is gewoon duur en we moeten op heel
veel gronden tegelijk handelen. Wat zien je dat er dan per saldo
gebeurt? Dat we eigenlijk geen of heel weinig vooruitgang boeken. Dan
ontbreekt het toch een beetje aan een goede countervailing power die dat
belang toch wat scherper kan benadrukken dan op dit moment gebeurt. Ik
snap dat dit kabinet daar niet onmiddellijk "ja" tegen zegt, maar denk
daar toch nog eens wat langer over na, want ik zie het op dit moment op
heel veel fronten gewoon niet goed gaan. Als de minister het zelf
koppelt aan de MFK-discussie, dan lijkt het toch weer de prioriteit te
zijn om de afdracht zelfs te verlagen. Dat lijkt in de afweging
belangrijker te zijn dan of we nou op de meest optimale manier de
economische weerbaarheid van de Europese Unie aan het versterken zijn.
Dat is maar één voorbeeld.
Minister Berendsen:
Het kost inderdaad duur, zoals de heer Van der Lee zegt, maar dat
betekent dat je keuzes moet maken. Dat is uiteindelijk ook politiek,
zeker als het gaat om budgetten, ook als het gaat om de
meerjarenbegroting. Dat betekent dat je je moet afvragen wat het
allerbelangrijkste is en dat daar het geld naartoe moet. In de Europese
Unie zijn we heel goed in het stellen van nieuwe prioriteiten — daar
lopen we allemaal juichend achteraan — maar afscheid nemen van oude
prioriteiten is een stuk ingewikkelder, ook vanwege alle verschillende
belangen die lidstaten hebben. Dat betekent dus dat de belangrijkste
inzet van dit kabinet voor de meerjarenbegroting, waarbij het bij
uitstek gaat om de keuzes die we moeten maken met het beschikbare
budget, de onderwerpen betreft waar de grootste uitdagingen liggen. Dat
zit 'm uiteindelijk in het afbouwen van onze afhankelijkheden. Thuis
sterker staan betekent ook sterker zitten aan de geopolitieke
handelingstafel. Economische weerbaarheid is daar een heel belangrijk
onderdeel van. Dat zit wat mij betreft in de modernisering van de
begroting, wat een speerpunt van dit kabinet is in de
onderhandelingen.
Voorzitter. Dan ga ik naar een vraag van de heer Van Houwelingen.
Daarbij ga ik zo dadelijk nog een concreet voorbeeld geven, maar ik wil
nogmaals benadrukken dat het besef bij alle onderhandelingspartners in
Europa aanwezig is dat ieder land zijn veto kan inzetten. Je hoeft in de
onderhandelingen dus helemaal niet te dreigen met een veto. Uitspreken
dat de uitkomst die er nu ligt, het compromis dat er nu ligt, voor jou
niet acceptabel is, is de facto het uitspreken van het feit dat je je
veto zou kunnen inzetten. Maar om de heer Van Houwelingen toch tegemoet
te komen heb ik nog een concreet voorbeeld. Daar kwam ik op omdat we
zojuist Servië bespraken. Nederland heeft vorig jaar duidelijk gemaakt
dat cluster 3 niet open kon. Dat betekent dat we daarbij gedreigd hebben
met het inzetten van het veto omdat wij vonden dat het niet open kon.
Dit is natuurlijk één concreet voorbeeld, maar er zijn natuurlijk vele
voorbeelden in heel veel onderhandelingen van dat wij laten zien wat wij
als Nederland belangrijk vinden. Iedereen weet dat als wij het niet eens
zijn, de facto het instrument veto wordt ingezet. Dat geldt voor alle
lidstaten als ze het er niet mee eens zijn.
De voorzitter:
Ik verwachtte u al, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Dat veto is dus best wel heel belangrijk, toch?
Minister Berendsen:
Dat veto is een belangrijk instrument bij een flink aantal onderwerpen
en een flink aantal vormen van besluitvorming in de Europese Unie. Bij
die meerjarenbegroting is het bijvoorbeeld belangrijk om dat te houden.
Je wil niet dat een meerderheid van de lidstaten zou bepalen dat de
begroting twee keer zo groot wordt en dat Nederland als nettobetaler dat
gaat betalen, om het maar even heel gechargeerd uit te drukken. Maar er
zijn ook onderwerpen — het Gemeenschappelijke Buitenlands en
Veiligheidsbeleid is er daar één van — waarbij we echt zien dat het veto
op dit moment de slagkracht van de Europese Unie belemmert. Dat kunnen
we niet gebruiken in deze veranderende wereld. Het kabinet zet zich dus
in om daarvan af te stappen.
Dan het laatste punt, over de Eurobarometer. Ik blijf erbij dat dit een
opinieonderzoek is dat uitgevoerd wordt en dat op het moment dat daar
duidelijke en terechte wetenschappelijk onderbouwde kritiek op is — de
heer Van Houwelingen heeft daar rapporten liggen — Eurobarometer en ook
de Europese Commissie, neem ik aan, zich eerst zelf zullen bezighouden
met het verbeteren van de methodologie. Die zullen ervoor zorgen dat
opinieonderzoek, dat inderdaad veel gebruikt wordt, van iedere … Ik
zocht even de juiste woorden. Die zullen ervoor zorgen dat daar geen
discussie over is, want die discussie wil je wegnemen op het moment dat
zoiets veel gebruikt wordt.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Maar dat doen ze niet. Er is contact gezocht met de Europese Commissie
en onderzoeksbureau Verian en dat doen ze niet. Ze gaan dus niet in op
die kritiek. Het enige wat ze erover zeggen, is: misschien kloppen onze
uitkomsten niet, maar we moeten die tijdreeksen in stand houden. Dat is
het antwoord dat je dan krijgt. Dat heeft dus als gevolg dat wij als
Kamer worden gevoed met informatie die niet klopt, maar die dan wel een
tijdreeks in stand kan houden. Dat is in ieder geval niet hoe ik het wil
hebben. Dat gaat dus niet vanzelf goed. De Europese Commissie heeft er
ook geen belang bij om dat te veranderen, dus er moet iets gebeuren. Dat
vraag ik. Ik hoop dat de minister met een brief wil komen om te zeggen
waarom hij dat niet wil doen en waarom het blijkbaar allemaal goed is,
maar dit kan zo niet blijven bestaan. Het is ook onvoldoende antwoord op
dit zorgelijke onderzoek.
Minister Berendsen:
Ik kan toezeggen dat ik mij nog eens zal verdiepen in de Eurobarometer
en de eventuele kritiek daarop. In het verleden heeft het kabinet
volgens mij ook op schriftelijke vragen geantwoord dat wij de kritiek
die er is op dit moment niet wegen zoals de heer Van Houwelingen. Die
uitkomst daarvan zal dus niet anders zijn.
De voorzitter:
Ik wil deze discussie eigenlijk gewoon sluiten. Vooruit, ik laat u nog
een keer interrumperen, maar eigenlijk bent u door uw interrupties heen,
meneer Van Houwelingen. Ik gun het u, maar ik onthoud het wel!
De heer Van Houwelingen (FVD):
Als de minister niet meegaat in de kritiek, dan kan dat. Ik sta altijd
open voor een debat, maar dan moet het wel onderbouwd worden in een
brief. Het antwoord dat we van het kabinet hebben gehad, was gewoon:
nou, ik zie het anders. Dat is niet voldoende. Ik vind dat niet
voldoende.
Minister Berendsen:
Dat betekent dat het kabinet de kritiek in de rapporten, die hij naast
zich heeft liggen, niet op dezelfde manier weegt als de heer Van
Houwelingen. Als de kritiek verder aanzwelt en er duidelijke
aanwijzingen en bewijzen zijn dat die methodologie niet op orde zou
zijn, is het kabinet vanzelfsprekend altijd bereid om daarnaar te
kijken. Maar nogmaals, dit is opinieonderzoek. Het is opinieonderzoek
naast vele andere opinieonderzoeken en uiteindelijk is de
opinieonderzoeker er zelf het meest bij gebaat dat zijn onderzoek de
kritiek ontstijgt en dat op waarde geschat wordt.
De voorzitter:
Dan zijn wij aan het einde gekomen van het debat. De toezeggingen zijn
genoteerd.
De minister zegt toe om voor het zomerreces een brief te sturen over de stand van zaken ten aanzien van graduele toetreding van kandidaat-lidstaten.
De minister zegt toe om de Kamer voor de Raad Algemene Zaken van juni te informeren over de ontwikkelingen ten aanzien van nieuwe toetredingsverdragen.
Minister Berendsen:
Dat is ook gerelateerd aan het moment waarop de AIV met zijn onderzoek
komt. Maar in principe proberen we dit gewoon te combineren. En het
wordt inderdaad voor juni, als ons dat lukt.
De voorzitter:
Oké, goed. Dan heb ik hier nog staan dat het tweeminutendebat is
aangevraagd door het lid Becker van de VVD. Rest mij de minister te
bedanken voor zijn beantwoording en de leden voor alle vragen.
Sluiting 19.30 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|