Verslag van een schriftelijk overleg over Invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen (Tijdelijke wet) (Kamerstuk 36263-46)
Brief regering
Nummer: 2026D18989, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-21 09:30, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z08437:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-05-21 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Met deze brief reageren wij op de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA en JA21 naar aanleiding van onze brief van 19 december 2025 over de invoeringstoets Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen (hierna: Tijdelijke wet).1 Aangezien de vragen en opmerkingen zowel de AIVD als de MIVD aangaan, gaan wij daar graag gezamenlijk op in. Waar dat dienstig is zullen de vragen van de leden van de diverse fracties over gelijkluidende onderwerpen in samengenomen vorm worden beantwoord.
Invoeringstoets Tijdelijke wet
De leden van de D66-fractie lezen dat gezien de beperkte mate waarin de Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen (hierna: Tijdelijke wet) invulling heeft gekregen, er geen compleet beeld is van wat de Tijdelijke wet in de praktijk betekent voor de nationale veiligheid. Evenmin is er een compleet beeld wat de consequenties voor de uitvoering van de Tijdelijke wet in de praktijk zijn. Er kan om die reden nu geen sluitend antwoord worden gegeven op de vraag of het beoogde doel van de Tijdelijke wet in voldoende mate is behaald. Wat is er voor nodig om dit antwoord wel te kunnen geven, zo vragen deze leden. Welke aanvullend onderzoek wordt er nog gedaan?
Desondanks concludeert de minister dat er een positieve verwachting is voor de toepassing van de Tijdelijke wet en het antwoord dat deze wet biedt op de toenemende dreiging vanuit statelijke actoren met een offensief cyberprogramma tegen Nederland. Waar is deze verwachting op gebaseerd, zo vragen de leden van de D66-fractie. Deze leden vinden deze conclusie niet terug in de bevindingen van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). Deze geven juist aan geen volledig beeld te kunnen geven van de opbrengsten van de Tijdelijke wet. Op basis van welke informatie trekt de minister de conclusie over de positieve verwachting van de potentie van de Tijdelijke wet? Is deze conclusie ook voorgelegd aan de TIB en de CTIVD en zo ja, wat was hun reactie hierop?
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Invoeringstoets bij de Tijdelijke wet (hierna: de invoeringstoets). Deze leden benadrukken het belang van snelle en wendbare diensten met hoogtechnologische capaciteiten ter bescherming van onze nationale veiligheid. Zij zijn verheugd om te lezen dat het kunnen bijschrijven van kenmerken in een lopende operatie zonder dat een nieuw toestemmingsverzoek moest worden ingediend heeft gezorgd voor het vergroten van de operationele slagkracht. En dat de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) heeft geleid tot een positief effect. Zij hebben nog enkele vragen over de invoeringstoets.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de invoeringstoets, de brief van de minister daarover, de bevindingen van de CTIVD en de TIB alsmede van de antwoorden van de minister op schriftelijke vragen van leden van de Eerste Kamer. Deze leden delen de mening van de minister dat de invoeringstoets een belangrijk evaluatie-instrument is dat wordt ingezet om snel vast te stellen of er problemen ontstaan voor mensen en/of uitvoerende organisaties na inwerkingtreding van in dit geval de Tijdelijke wet. Helaas moeten zij concluderen dat de nu voorliggende uitvoeringstoets geen volwaardige toets betreft, omdat belangrijke onderdelen van de Tijdelijke wet in de praktijk niet of nauwelijks gebruikt zijn. De ervaringen met de Tijdelijke wet kunnen daarom naar de mening van deze leden niet doorslaggevend zijn als het gaat om het voorbereiden van de voorgenomen herziening van de Wiv 2017. Deelt de minister deze mening? Zo ja, welke conclusie trekt de minister daar uit? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen, ook in antwoorden op vragen van de Eerste Kamer, dat de diensten gedurende de gehele looptijd de Tijdelijke wet evalueren en monitoren. De minister schrijft vervolgens dat “als de resultaten van de monitoring daar aanleiding toe geven” daar rekening mee gehouden wordt “in de verschillende stadia van het al in gang gezette wetgevingsproces tot herziening van de Wiv 2017”. Tevens zegt de minister daarbij toe “uw Kamer via dat proces [te] informeren over eventuele aanvullende geleerde lessen met de Tijdelijke wet”. Deze leden zouden gezien de onvolledige invoeringstoets van de Tijdelijke wet willen dat de minister ten minste halfjaarlijks, of zoveel eerder als nodig, na overleg met de diensten en de toezichthouders, de beide Kamers schriftelijk informeert over de ervaringen met de Tijdelijke wet en in hoeverre die van invloed zijn op het wetgevingsproces met betrekking tot de herziening van de Wiv 2017. Kan de minister dit toezeggen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de invoeringstoets. Hiervoor bedanken deze leden de minister. Zij hechten er grote waarde aan dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten goed geëquipeerd zijn om tegenwicht te bieden aan offensieve cyberprogramma’s uit derde landen. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor een aanzienlijk aantal bevoegdheden, onder andere rondom bulkinterceptie, geldt dat deze niet of in beperkte mate uitgeoefend kunnen worden. Deze leden vragen of de minister voldoende in beeld heeft wat er nodig is om de obstakels hieromtrent weg te nemen en of de minister bereid is dit korte termijn op te pakken.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de CTIVD concludeert dat de Tijdelijke wet heeft bijgedragen aan een grotere operationele slagkracht van de diensten, maar dat de toepassing van de wet in de praktijk ook complex is en dat er interpretatie- en uitvoeringsvraagstukken bestaan. Deze leden vragen welke concrete uitvoeringsproblemen de CTIVD bij de toepassing van de Tijdelijke wet heeft geconstateerd. Kan de minister nader toelichten welke randvoorwaarden of knelpunten door de CTIVD worden genoemd bij het gebruik van bulkdatasets en andere bevoegdheden onder deze wet?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de invoeringstoets benadrukt dat de Tijdelijke wet een balans moet vinden tussen nationale veiligheid en de bescherming van fundamentele rechten. Omdat de wet extra bevoegdheden introduceert, blijft robuust toezicht essentieel. Deze leden vragen hoe de minister, op basis van de eerste ervaringen met de wet, de proportionaliteit van de verruimde bevoegdheden beoordeelt. In hoeverre blijkt uit de invoeringstoets dat de inzet van deze bevoegdheden daadwerkelijk noodzakelijk en proportioneel is in het licht van de dreiging die uitgaat van statelijke cyberactoren?
Ten aanzien van de verrichte invoeringstoets van de Tijdelijke wet zijn wij, met de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) zoals verwoord in hun bijdragen2, van mening dat we geen volledig beeld kunnen geven van de uitwerking van de Tijdelijke wet. Verschillende bevoegdheden konden namelijk niet of slechts in beperkte mate worden uitgevoerd door de diensten gedurende de periode van de verrichte invoeringstoets. Wij onderschrijven dan ook de conclusie hierover van de leden van GroenLinks-PvdA dat belangrijke onderdelen van de Tijdelijke wet in de praktijk niet of nauwelijks konden worden gebruikt. Daardoor is er nog geen compleet beeld van wat de Tijdelijke wet in de praktijk betekent voor de nationale veiligheid en wat de consequenties voor de uitvoering van de Tijdelijke wet in de praktijk zijn. De reden hiervoor was de huisvestingsproblematiek bij de CTIVD, waarover uw Kamer in een eerder stadium is geïnformeerd.3
De huisvestingsproblematiek van de CTIVD is, in overleg met alle betrokken partijen, inmiddels opgelost met tijdelijke voorzieningen. Zoals ook toegelicht door de CTIVD in haar bijdrage bij onze brief van 19 december 20254, is zij sinds 1 oktober 2025 klaar voor een volledige toepassing van de Tijdelijke wet, met uitzondering van het toepassen van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata. Sinds die periode wordt de Tijdelijke wet gefaseerd tot volledig toegepast door de diensten. Er hoeven op dit moment ten aanzien van de volledige uitvoering van de Tijdelijke wet geen obstakels meer te worden weggenomen, met uitzondering van het aandachtspunt omtrent het toepassen van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata. Wij gaan daar verderop in deze brief nader op in. Voor de huisvesting is verder reeds een permanente oplossing gevonden. De CTIVD zal definitief worden gehuisvest op de Turfmarkt te Den Haag.5 De locatie en bijbehorende faciliteiten worden op dit moment gereed gemaakt.
De positieve verwachting voor de toepassing van de Tijdelijke wet is gebaseerd op de gevallen waar de wet gedurende de periode van de invoeringstoets wel door de diensten kon worden ingezet. Ten aanzien van de bepalingen voor bulkinterceptie (zowel verkennen als de daadwerkelijke interceptie) geldt dat de toepassing van deze bevoegdheid het zicht op statelijke actoren met een offensief cyberprogramma tegen Nederland of Nederlandse belangen heeft vergroot. De Tijdelijke wet stelt de diensten in staat effectiever onderzoek uit te voeren en om de keten van verwerving en verwerking op dat terrein verder te professionaliseren. Het effectief kunnen uitvoeren van kabelinterceptie geeft de diensten meer mogelijkheden gekende en ongekende dreigingen te signaleren, zodat verder onderzoek verricht kan worden. Ook heeft het langduriger kunnen gebruiken van bulkdatasets positief bijgedragen aan de operationele slagkracht van de diensten. Dit geldt ook voor het kunnen bijschrijven van kenmerken in een lopende operatie, zonder dat een nieuw toestemmingsverzoek door de diensten moest worden ingediend. Tot slot zijn de verkenningen voor de hackbevoegdheid ingezet, zoals door de wetgever beoogd. De nieuw in de wet opgenomen mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft eveneens een positief effect gehad; een geschil kan zo snel worden voorgelegd aan de hoogste bestuursrechter. Voorafgaand aan de verzending van onze brief zijn de hoofdlijnen van onze reactie gedeeld met de TIB en de CTIVD, zij hebben daarvan kennisgenomen.
Om een sluitend antwoord te kunnen geven op de vraag of het beoogde doel van de Tijdelijke wet in voldoende mate is behaald, is het nodig dat de diensten ruime ervaring kunnen opdoen met een volledige toepassing van deze wet. De diensten evalueren en monitoren de Tijdelijke wet daarom totdat deze op 1 juli 2028 van rechtswege vervalt. Als de resultaten van deze monitoring daar aanleiding toe geven, houden wij daar in de verschillende stadia van het al in gang gezette wetgevingsproces tot herziening van de Wiv 2017 rekening mee. Wij zullen zowel uw Kamer als de Eerste Kamer via dat proces informeren over eventuele aanvullende geleerde lessen met de Tijdelijke wet. Aanvullend hierop zeggen wij toe uw beide Kamers schriftelijk te informeren, indien er tussentijds belangrijke ervaringen met de Tijdelijke wet met ons worden gedeeld, die van invloed zijn op voornoemd wetgevingsproces.
Geconstateerde knelpunten Tijdelijke wet
De leden van de D66-fractie lezen dat een aantal knelpunten is geïdentificeerd, dat wordt betrokken bij de herziening van de wet. Welke concrete verbetervoorstellen doet de minister voor de herziening van de wet op basis van de invoeringstoets, zo vragen deze leden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat naar de mening van de minister in sommige gevallen de termijn die de TIB nodig heeft om tot een oordeel over de rechtmatigheid te komen onevenredig lang is. Tegelijkertijd meent de minister ook dat de TIB “voldoende gelegenheid dient te krijgen om zich een oordeel te kunnen vormen, al dan niet met hulp van deskundigen”. Is de TIB zelf ook van mening dat de genoemde termijn onevenredig lang is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Deze leden lezen dat de minister voornemens is om in de nieuwe wet “tot een balans te komen tussen vereiste snelheid en duidelijkheid voor de diensten en de benodigde oordeelsvorming door de TIB” en dat daarvoor een wettelijke beslistermijn hierbij in de rede ligt. Zij begrijpen dat de Tijdelijke wet bedoeld is om sneller te kunnen reageren, maar zijn tevens van mening dat dat geen reden mag zijn om het toezicht af te zwakken. Hoe kan worden voorkomen dat onder tijdsdruk een toezichthouder tot een onvoldoende onderbouwd oordeel moet gaan komen? Hoe ziet de TIB het voornemen tot een wettelijke beslistermijn zelf?
De leden van de CDA-fractie lezen dat er enkele knelpunten in de uitvoering geïdentificeerd zijn. Deze leden vragen of zij het goed begrijpen dat deze knelpunten meegenomen zullen worden in de herziening van de Wiv 2017.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de TIB erop wijst dat de Tijdelijke wet de besluitvorming over bepaalde bevoegdheden versnelt, maar dat dit ook extra druk legt op het voorafgaande rechtmatigheidstoetsingsproces. Deze leden vragen in hoeverre de capaciteit van de TIB is aangepast om de snellere procedures adequaat te kunnen toetsen. Kan de minister toelichten of de personele en organisatorische capaciteit van de TIB is uitgebreid sinds de invoering van deze Tijdelijke wet? Daarnaast lezen zij dat de TIB signaleert dat diensten soms onder aanzienlijke tijdsdruk opereren bij het indienen van aanvragen. Acht de minister het wenselijk dat de noodzakelijke snelheid van operaties mogelijk ten koste kan gaan van de volledigheid of kwaliteit van aanvragen voor de inzet van bevoegdheden? Welke maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de kwaliteit van aanvragen en de rechtmatigheidstoetsing onder tijdsdruk voldoende gewaarborgd blijven? Voorts vragen deze leden hoe de minister de langere doorlooptijden beoordeelt die de TIB in sommige operaties signaleert. Wat betekent dit voor de balans tussen snelheid in operaties en zorgvuldigheid in toezicht?
De leden van de JA21-fractie geven aan dat de invoeringstoets moet worden gezien als een eerste evaluatiemoment dat input kan leveren voor toekomstige aanpassingen van de wetgeving. Deze leden vragen welke concrete lessen uit deze invoeringstoets door de minister worden meegenomen bij toekomstige aanpassingen van de Wiv 2017.
Op basis van de verrichte invoeringstoets zullen we voor de herziening van de Wiv 2017 in ieder geval concrete verbetervoorstellen doen met betrekking tot de geconstateerde knelpunten omtrent: 1) het vragen van schriftelijke of mondelinge inlichtingen door de ABRvS; en 2) de beslistermijn van de TIB.
Ten aanzien van het voornoemde tweede punt geldt dat er geen sprake is van een snellere procedure onder de Tijdelijke wet ten opzichte van de Wiv 2017. In beide gevallen geldt geen wettelijke beslistermijn voor de TIB op de bij haar ingediende toestemmingsverzoeken voor de inzet van bepaalde bijzondere bevoegdheden van diensten. In de Wiv 2017 is neergelegd dat de TIB zo spoedig mogelijk een oordeel uitbrengt. De capaciteit van de TIB is in het kader van de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet met 3 fte uitgebreid. Wij hebben geconstateerd dat in enkele gevallen de termijn die door de TIB is gehanteerd om tot een oordeel over de rechtmatigheid van toestemmingverzoeken onder de Tijdelijke wet te komen, zeer lang was. Dit resulteerde in enkele gevallen tot een oordeel na meer dan vier weken vanaf het moment van indiening bij de TIB. De TIB erkent dat in een beperkt aantal operaties sprake is van een langere doorlooptijd.6 Het is evident dat de TIB voldoende gelegenheid dient te krijgen om een oordeel te kunnen vormen. Tegelijkertijd geldt dat het niet of niet tijdig kunnen starten van een operatie nadelen heeft. Dit raakt de vereiste snelheid en wendbaarheid van de diensten. Het is wenselijk op dit punt in de nieuwe wet tot een balans te komen. Zoals aangegeven in onze brief van 19 december 2025 ligt een wettelijke beslistermijn hierbij in de rede. Momenteel wordt een wettelijke beslistermijn door de diensten op uitvoerbaarheid getoetst. Ook de TIB is in de gelegenheid gesteld de uitvoeringsconsequenties te beoordelen. De TIB ziet ook nadelen in een beslistermijn. Hierover zijn wij in gesprek. Wij zullen de inzichten die uit de gesprekken en met de uitvoeringstoetsen worden opgedaan ten aanzien van de beslistermijn meenemen in de verdere voorbereiding van het conceptwetsvoorstel voor de herziening van de Wiv 2017.
Op de onderwerpen verwervingssysteem voor download- en streamingsverkeer, geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptie en gegevensverstrekking door AIVD en MIVD aan buitenlandse diensten, die eveneens raken aan het lopende wetstraject tot herziening van de Wiv 2017, gaan we hieronder specifieker in.
Voorgenomen wijziging verwervingssysteem voor download- en streamingsverkeer Wiv 2017
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het moeten onderhouden van twee verwervingssystemen, negatief filteren onder de Wiv 2017 en positief filteren onder de Tijdelijke wet, zorgt “voor een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten”. De minister meent dat omdat bij negatieve filtering van streaming en downloaddiensten inlichtingen over dreigingen gemist kunnen worden dat voortaan onder zowel de Wiv 2017 als de Tijdelijke wet positieve filtering moet gaan plaatsvinden. Het is deze leden niet duidelijk wat bij dit voornemen de doorslag heeft gegeven: gaat het om het verlichten van de werkdruk voor de diensten of om het niet willen missen van inlichtingen over dreigingen? Legt negatieve filtering een hoger beroep op de diensten op dan positieve filtering? Zo ja, waarom?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de minister nader kan toelichten wat de aard van de informatie is die gemist zou worden indien bij streaming en downloaddiensten wel sprake zou blijven van negatieve filtering? Wat is er sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet voor ervaring opgedaan met negatieve filtering en waaruit blijkt dat daardoor informatie werd gemist? Waaruit blijkt dat de eerdere veronderstelling dat soort informatie van streaming en downloaddiensten geen waarde zou hebben voor de onderzoeken van de diensten, niet meer zou kloppen? Hoe kon dat worden opgemerkt? Hoe vaak wordt er, bijvoorbeeld uitgedrukt in een percentage van de keren dat er gefilterd is, wel waardevolle informatie gevonden bij positieve filtering dan wel waardevolle informatie bij negatieve filtering gemist? Deelt de minister de mening dat er in het geval van negatieve filtering (vooraf) meer sprake is van de wettelijk vereiste gerichtheid van gegevensvergaring dan in het geval van positieve filtering (achteraf)? Zo nee, waarom niet?
De minister stelt dat omdat de eerdere toezegging om niet meer negatief streaming- en downloaddiensten te filteren niet in de wet is vastgelegd maar slechts uitvoeringspraktijk is, dat de nu voorgenomen afwijking van die toezegging ook niet wettelijk verankerd hoeft te worden. Dat mag formeel zo zijn, maar, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, zou het niet toch wenselijk zijn met het oog op de verdere verwerking van de gegevens die door middel van positieve filtering worden verkregen, het gerichtheidsvereiste en het toezicht daarop dit wel wettelijk verankerd gaat worden? Gesteld wordt dat niet op de nieuwe Wiv 2017 kan worden gewacht alvorens de praktijk van filtering aan te passen. Wordt dit dan tenminste wel in de nieuwe Wiv 2017 wettelijk vastgelegd? Zo nee, waarom niet? Wat is de mening van beide toezichthouders om voortaan geen negatieve filtering meer te doen? Waar kunnen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie die meningen lezen?
De leden van de D66-fractie lezen dat het vernietigen van niet relevante gegevens zal gaan gebeuren tijdens de verdere verwerking van de opbrengst van bulkinterceptie. Deze leden wijzen hier op de op aanbeveling van de CTIVD om in de herziening van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) op dit punt meer duidelijkheid te creëren. Wat betekent ‘de verdere verwerking’, zo vragen deze leden. Welke eindtermijnen worden hier aan gekoppeld en op welke wijze wordt het toezicht hierop ingeregeld?
De leden van de VVD-fractie vragen verder aan de minister in hoeverre het inplannen van het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden volgens de minister spoed heeft nu de minister schrijft dat de maatregel die hij wil nemen ten aanzien van het werken met twee aparte verwervingssystemenregimes voor de toepassing van bulkinterceptie niet eerder zal worden uitvoeren dan het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het onderhouden van twee verwervingssystemen heeft gezorgd voor een onevenredig beroep op de technische capaciteit van de diensten en dat dit er mede toe leidt dat inlichtingen worden weggefilterd over dreigingen die niet onder de Tijdelijke wet vallen, zoals jihadistisch terrorisme. Dit baart deze leden zorgen en zij kunnen zich daarom goed vinden in de voorgestelde maatregel.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Tijdelijke wet volgens de minister heeft geleid tot een efficiëntere verwerking van grote datasets en een betere mogelijkheid om cyberdreigingen tijdig te identificeren. Tegelijkertijd wordt in de invoeringstoets aangegeven dat de uitvoering aanzienlijke technische capaciteit en specialistische expertise vereist. Deze leden vragen in hoeverre de AIVD en de MIVD momenteel organisatorisch en technisch in staat zijn om de bevoegdheden uit de Tijdelijke wet optimaal te benutten. Kan de minister toelichten of er op dit moment capaciteitsbeperkingen bestaan bij de diensten die de effectiviteit van de wet kunnen beperken? Daarnaast vragen zij welke investeringen in personeel, technologische infrastructuur en analytische capaciteit noodzakelijk zijn om de wet effectief te laten functioneren. Kan de minister aangeven welke investeringen reeds zijn gedaan en welke aanvullende investeringen eventueel nog nodig zijn? Voorts vragen zij of er knelpunten bestaan in de samenwerking tussen de AIVD en de MIVD bij de uitvoering van de Tijdelijke wet. Indien dat het geval is, kan de minister toelichten welke maatregelen worden genomen om deze samenwerking verder te versterken?
De leden van de JA21-fractie vragen zij hoe wordt gewaarborgd dat de verwerking van bulkdatasets niet leidt tot een onevenredige verwerking van gegevens van personen die niet relevant zijn voor het onderzoek.
De leden van de JA21-fractie lezen verder dat de minister stelt dat het werken met twee afzonderlijke verwervingssystemenregimes voor bulkinterceptie in de praktijk niet uitvoerbaar is gebleken en dat daarom niet kan worden gewacht op een wetswijziging om de werkwijze aan te passen. Tegelijkertijd geeft de minister aan dat de beoogde maatregel – waarbij het negatieve filteren van streaming- en downloadverkeer niet langer in alle gevallen bij de eerste verwerving plaatsvindt maar pas in een latere fase van de gegevensverwerking – niet zal worden ingevoerd vóór het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden. Deze leden vragen hoe deze twee uitgangspunten zich tot elkaar verhouden. Indien de huidige situatie volgens de minister operationele knelpunten veroorzaakt die niet kunnen wachten op een wetswijziging, waarom is het dan wel mogelijk om de invoering van deze maatregel uit te stellen tot na het eerstvolgende commissiedebat IVD-aangelegenheden, dat naar verwachting pas na het zomerreces zal plaatsvinden? Kan de minister nader toelichten hoe urgent de geschetste operationele problematiek daadwerkelijk is?
Daarnaast vragen de leden van de JA21-fractie op welke juridische grondslag de minister vooruitlopend op een wetswijziging deze werkwijze wil toepassen op onderzoeken die niet onder de Tijdelijke wet vallen. Hoe verhoudt deze voorgenomen aanpassing van de uitvoeringspraktijk zich tot de huidige bepalingen van de Wiv 2017 en de daarin vastgelegde waarborgen met betrekking tot proportionaliteit en gegevensminimalisatie? Voorts vragen deze leden of de minister kan bevestigen dat de Kamer voorafgaand aan de invoering van deze werkwijze daadwerkelijk de gelegenheid krijgt om hierover een inhoudelijk oordeel te vormen. Betreft het uitstellen van de invoering tot na het commissiedebat IVD-aangelegenheden een politieke toezegging van de minister of is er een formele procedure waarbij de Kamer instemming kan onthouden?
Graag beantwoorden wij de vragen die zijn gesteld over het geconstateerde knelpunt ten aanzien van bulkinterceptie. Het gaat hierbij in het bijzonder om het onderhouden van twee verwervingssystemen met betrekking tot download- en streamingsverkeer, te weten het negatief filteren onder de Wiv 2017 en het positief filteren onder de Tijdelijke wet. Met de door ons voorgenomen wijziging wordt dezelfde uitvoeringspraktijk als onder de Tijdelijke wet toegepast voor onderzoeken die vallen onder de Wiv 2017.
Juist door de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet kunnen de diensten de bevoegdheid tot bulkinterceptie onder dat wettelijke kader effectiever uitvoeren. Hierdoor is het knelpunt van negatieve filtering ten opzichte van de Wiv 2017 sterker naar voren gekomen dan was voorzien. Immers, de diensten wisten op basis van de eigen informatiepositie onder de Wiv 2017 dat er potentieel relevante gegevens worden weggefilterd door de systematiek van de negatieve filtering. In de nota naar aanleiding van het verslag van de Eerste Kamer bij de Tijdelijke wet is als voorbeeld genoemd dat de Russische militaire inlichtingendienst op online mediaplatforms desinformatie heeft verspreid over het neerhalen van vlucht MH17 en hiermee het beeld hebben proberen te kleuren dat mensen hebben van het neerhalen van vlucht MH17 boven Oekraïne in 2014.7 Uit de opgedane ervaring met de Tijdelijke wet is gebleken dat informatie uit download- en streamingsverkeer wel waarde kan hebben, bijvoorbeeld indien een buitenlandse actor een hackpoging verhult via download- en streamingsverkeer. Wij kunnen, gezien het staatsgeheime karakter ervan, geen verdere openbare uitspraken doen over de specifieke aard van deze informatie.
De reden voor de voorgestelde wijziging is dat we relevante inlichtingen over alle dreigingen tegen de nationale veiligheid niet willen missen, dus ook voor onderzoeken van de diensten die niet vallen onder de Tijdelijke wet. Om vooraf te zien of een gegevensstroom niet-relevante gegevens bevat, vergt daarnaast veel extra technische en personele capaciteiten. Die zijn vanwege de specialistische kennis niet eenvoudig te verkrijgen. Gebleken is dat het werken met twee verwerkingssystemen niet binnen realistische operationele kaders kan worden verwezenlijkt. De diensten zijn organisatorisch en technisch in staat de bevoegdheden uit de Tijdelijke wet optimaal te benutten, het knelpunt ziet op de operationele inzet voor dezelfde bevoegdheid onder de Wiv 2017. Er bestaan op dit moment geen andere capaciteitsbeperkingen bij de diensten die de effectiviteit van de Tijdelijke wet beperken. Ook zijn er geen knelpunten in de samenwerking tussen de AIVD en de MIVD bij de uitvoering van de Tijdelijke wet.
De uitvoeringspraktijk heeft uitgewezen dat negatieve filtering niet de meest effectieve manier is om download- en streamingsverkeer te reduceren. Dit kan beter plaatsvinden door middel van positieve filtering. Dat wil zeggen dat de gegevens niet van tevoren al worden weggefilterd, maar dat de filtering later in het proces plaatsvindt. Uitsluitend de gegevens die naar verwachting van waarde kunnen zijn voor de onderzoeken van de diensten worden opgeslagen en beschikbaar gesteld voor het inlichtingenproces voor verdere analyse en verwerking. Verdere verwerking betekent gegevensverwerking anders dan verzameling of verwerving van gegevens, een proces dat aan de verdere verwerking voorafgaat. De gegevens die daarbij evident en daarmee nadrukkelijk geen waarde hebben voor onderzoeken van de diensten, worden niet opgeslagen maar vernietigd. Bij deze methode wordt echter wel het verkeer dat in eerste instantie eruitziet als download- en streamingsverkeer onderkend. In het geval van negatieve filtering gebeurt dat niet en gaan gegevens met potentiële inlichtingenwaarde gelijk verloren voor het inlichtingenproces. Dat zorgt voor verminderd zicht op dreigingen voor de nationale veiligheid die niet vallen onder de Tijdelijke wet, zoals jihadistisch terrorisme, hetgeen onwenselijk is en niet strookt met het belang van effectieve operationele uitvoering door de diensten.
De CTIVD en TIB concluderen desgevraagd in hun bijdrage gericht aan de Eerste Kamer geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen wijziging. 8 Ook onderschrijft de CTIVD dat download- en streamingsverkeer wel degelijk relevante inlichtingen kan bevatten.
Wat betreft de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie over het vereiste gerichtheidscriterium onder de Wiv 2017 onderstrepen wij dat voor de invulling ervan bij bulkinterceptie sprake is van een ketenbevoegdheid. In die keten worden meerdere stappen doorlopen, voordat deze gegevens beschikbaar worden gesteld aan het inlichtingenproces. Het gaat dan om de stappen verkennen, verwerven, verrichten van identificatieonderzoek en vervolgens selectie. De diensten maken aan de voorkant al keuzes en prioriteren dusdanig om zoveel mogelijk bij internationaal, en derhalve niet nationaal, gegevensverkeer te komen. Verworven gegevens, waarvan geen indicatie bestaat dat zij van waarde kunnen zijn voor onderzoeken van de diensten, worden niet verder verwerkt. Immers, deze gegevens worden door de positieve filtering niet opgeslagen en daardoor vernietigd. Dit soort gegevens komt dus niet terecht in het inlichtingenproces. Gegevens worden alleen tijdens de positieve filtering opgeslagen, indien de diensten een indicatie hebben dat er relevante gegevens in kunnen zitten. Vervolgens worden deze gegevens enkel betrokken in het inlichtingenproces, als zij toe te schrijven zijn aan kenmerken van organisaties en personen waar de diensten onderzoek naar verrichten in het belang van de bescherming tegen gekende en ongekende dreigingen voor de nationale veiligheid. Door voorgaande werkwijze wordt voor de toepassing van positieve filtering concrete invulling gegeven aan het vereiste gerichtheidscriterium. Toepassing van negatieve filtering leidt er niet toe dat er meer sprake is van het voldoen aan het gerichtheidsvereiste dan toepassing van positieve filtering.
De toetsing en het toezicht op inzet van bulkinterceptie is als volgt ingericht. De TIB toetst voorafgaand aan het mogen inzetten van bulkinterceptie door de diensten de rechtmatigheid van de door ons daartoe verleende toestemming. Indien de TIB van oordeel is dat de toestemming niet rechtmatig is verleend, vervalt onze toestemming van rechtswege en mag de bevoegdheid niet worden ingezet. Daarnaast houdt de CTIVD toezicht op de rechtmatigheid van al het handelen van de diensten, en daarmee ook de verwerving en verdere verwerking van gegevens verkregen onder meer door middel van de inzet van bulkinterceptie. De voorgenomen wijziging van de uitvoeringspraktijk ten aanzien van de filtering van download- en streamingsverkeer verkregen door de inzet van bulkinterceptie onder de Wiv 2017 brengt hierin geen verandering. Voor onderzoeken die vallen onder de Wiv 2017 geldt op grond van die wet een bewaartermijn van één jaar voor gegevens die verworven zijn door de inzet van bulkinterceptie. Ook dat wijzigt niet met de voorgenomen wijziging in de uitvoeringspraktijk.
In onze brief aan uw Kamer over de invoeringstoets van de Tijdelijke wet hebben we kenbaar gemaakt dat de beoogde voorgenomen wijziging in de uitvoeringspraktijk ten aanzien van het verwervingssystemenregime voor download- en streamingsdiensten onder de Wiv 2017 niet zal worden doorgevoerd, alvorens uw Kamer de mogelijkheid heeft gehad hierover in een debat over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te spreken. Wij merken op dat de voorgenomen wijziging van de uitvoeringspraktijk past binnen de huidige wet- en regelgeving. Wat betreft de door de fracties van de leden van VVD en JA21 gevraagde urgentie, is het zo spoedig als mogelijk kunnen doorvoeren van de voorgenomen wijziging ons welgelegen. Het knelpunt is dan direct weggenomen en de diensten kunnen dan effectiever inlichtingen uit download- en streamingsverkeer benutten voor hun taakoefening, die ook ziet op onderzoeken anders dan naar statelijke actoren die een offensief cyberprogramma hebben gericht tegen Nederland of Nederlandse belangen. Wij waarderen het dat de CDA-fractie in haar inbreng al heeft aangegeven zich daarom goed te kunnen vinden in de voorgestelde maatregel. Zoals hiervoor aangegeven zijn de TIB en CTIVD dezelfde mening toegedaan.
Het is aan uw Kamer om te bepalen op welke wijze, mondeling al dan niet schriftelijk, hieraan gevolg kan worden gegeven.
Met de beoogde wijziging wordt vooruitgelopen op de herziening van de Wiv 2017, waarbij op dit onderdeel niet kan worden gewacht. Voor de lange termijn zijn we van mening dat ook onder de herziene Wiv 2017 het noodzakelijk zal blijven om uit te gaan van positieve filtering van potentieel relevant download- en streamingsverkeer. Dit zal dan ook onderdeel zijn van het wetsvoorstel voor de herziening van de Wiv 2017.
Bevoegdheid tot geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptie
De leden van de VVD-fractie achten het, gezien de toenemende onrust in de wereld, van belang dat de diensten zo snel mogelijk in staat zijn om te starten met het uitvoeren van de bevoegdheid van het doen van geautomatiseerde data-analyse op metadata uit onderzoeksopdrachtgerichte interceptie. Deze leden vinden het zorgelijk dat dit nog niet geregeld is en vragen voorts of de minister inzicht kan geven op welke manier hij zich inzet om het inzetten van deze bevoegdheid snel mogelijk te maken.
Voorts vragen de leden van de JA21-fractie in hoeverre artikel 50 van de Wiv 2017 in de praktijk vragen heeft opgeroepen bij het toezicht door de CTIVD. In het bijzonder vragen zij of er situaties zijn geweest waarin het gebruik van bepaalde bevoegdheden mogelijk veiligheidsrisico’s opleverde of waarbij de toepassing van de wet niet volledig operationeel bleek. Kan de minister tevens toelichten of er discussie is geweest over de toepassing van artikel 8 van de wet en op welke termijn deze eventuele interpretatievraagstukken zijn opgelost?
Evenals de leden van de VVD-fractie vinden wij het zorgelijk dat de diensten de bevoegdheid van het doen van geautomatiseerde data-analyse op metadata uit onderzoeksopdrachtgerichte interceptie, ook wel bulkinterceptie genoemd, niet kunnen inzetten. Immers, de diensten kunnen hierdoor minder effectief gekende en ongekende dreigingen voor de bescherming van de nationale veiligheid onderkennen. Dit heeft te maken met het verschil van inzicht tussen de TIB en CTIVD enerzijds en de beide diensten anderzijds over de grondslag van de toepassingen van deze bevoegdheid.
Wij hechten eraan dat op korte termijn duidelijkheid komt over dit verschil van inzicht. Daarom vinden hierover op dit moment gesprekken plaats tussen deze partijen. Indien dit niet leidt tot een overeenkomst van inzicht, dan is uiteindelijk de geëigende weg om op grond van de Tijdelijke wet beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak tegen een eventueel bindend onrechtmatigheidsoordeel van de TIB of CTIVD op dit punt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan dan duidelijkheid geven over de wetsinterpretatie. Voor de lange termijn achten wij het aangewezen dat de wetgever bij de herziening van de Wiv 2017 de nodige duidelijkheid geeft in de wettekst, toelichting en verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel.
Gegevensverstrekking door AIVD en MIVD aan buitenlandse diensten
De leden van de D66-fractie vragen om daarbij expliciet in te gaan op de twee bevindingen van de CTIVD ten aanzien van de gegevensverstrekking aan buitenlandse diensten. Die schrijft onder andere “Nationale toezichthouders kunnen vanwege hun nationale toezichtmandaat niet onderzoeken wat er in andere landen met verstrekte gegevens gebeurt of hoe door buitenlandse diensten bevoegdheden worden ingezet en gegevens worden verzameld. Toezichthouders mogen hierover niet met elkaar communiceren. Hierdoor bestaat een (internationaal) toezichtgat dat bij de formulering van de nieuwe wet aandacht behoeft.” Deze leden vragen of de minister de conclusie dat hiermee een gat in het toezicht bestaat erkent. Zij ondersteunen de wens om vaker met onze internationale partners samen te werken op het gebied van inlichtingen en veiligheid. In het coalitieakkoord zijn hier ook goede afspraken over gemaakt. Dit kan echter niet betekenen dat gegevens van Nederlandse burgers, verzameld door Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, door andere landen gemonitord kunnen worden, zonder dat daar enige vorm van toezicht op plaatsvindt. Op welke manier gaat de minister dit punt adresseren bij het verder verstevigen van de Europese inlichtingensamenwerking zoals voorgenomen in het coalitieakkoord? Welke mogelijkheden ziet de minister om dit vorm te geven?
De leden van de VVD-fractie lezen in de brief van de CTIVD met betrekking tot de invoeringstoets van 5 december 2025 dat de CTIVD van mening is dat bij de mogelijkheid om gegevens die zijn verkregen in de verkennende fase van onderzoeksopdrachtgerichte interceptie te delen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten een bindend oordeel van de CTIVD gekoppeld zou moeten zijn, omdat dit volgens de CTIVD anders niet in lijn zou zijn met andere bevoegdheden in de Tijdelijke wet. Welke risico’s voorziet de minister bij zo’n bindend oordeel? Ook deze lezen in dezelfde brief dat de CTIVD mogelijkheden ter verbreding van informatie-uitwisseling en toezichtsamenwerking tussen toezichthouders uit andere landen en de CTIVD aanbeveelt. Kan de minister ook op deze aanbeveling van de CTIVD in gaan?
Met de fractie van D66 zijn we van mening dat Europese samenwerking tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten van cruciaal belang is en, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord, verder dient te worden versterkt. Immers, in het huidige tijdsgewricht neemt de noodzaak tot samenwerking verder toe. Dat is gelegen in de exponentiële groei van informatie door verdergaande digitalisering en het in toenemende mate grensoverschrijdende karakter van eveneens toenemende, diverse dreigingen tegen onze nationale veiligheid en die van onze bondgenoten.
Hierbij onderstrepen wij, net als de fractie van D66, dat het samenwerken met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten verstrekkend van aard kan zijn en daarom vraagt om zorgvuldigheid en daarbij passende waarborgen. In de Wiv 2017 is hierin reeds voorzien in de vorm van de geïntroduceerde wegingssystematiek, die voorschrijft dat de AIVD en de MIVD voorafgaand aan het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst wegen wat de aard en intensiteit van de beoogde samenwerkingsrelatie kan zijn. Deze weging geschiedt op basis van de volgende wettelijke criteria: de democratische inbedding van de dienst in het desbetreffende land; de eerbiediging van de mensenrechten door het desbetreffende land; de professionaliteit en betrouwbaarheid van de desbetreffende dienst; de wettelijke bevoegdheden en mogelijkheden van de dienst in het desbetreffende land; en het door de desbetreffende dienst geboden niveau van gegevensbescherming. Ook wordt de wenselijkheid in het kader van internationale verplichtingen en de mate waarin de samenwerkingsrelatie de taakuitvoering van de dienst bevordert, betrokken bij deze weging. De CTIVD houdt hier toezicht op.9
Wanneer in de wegingsnotitie risico’s zijn geconstateerd, is het de taak van de diensten deze risico’s te bezien in het kader van de noodzaak van de beoogde samenwerking en de mogelijkheid om de geconstateerde risico’s te mitigeren. Op basis van deze weging wordt besloten of de AIVD of de MIVD een samenwerkingsrelatie kunnen aangaan en, zo ja, wat de aard en intensiteit van de beoogde samenwerking kan zijn. Een samenwerkingsrelatie met een inlichtingen- en veiligheidsdienst van een ander land mag voorts pas worden aangegaan, indien daartoe door of namens ons toestemming is verleend. Het hoofd van de dienst draagt er zorg voor dat de aard en intensiteit van de samenwerkingsrelatie opnieuw wordt gewogen, indien omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Daarnaast houdt de CTIVD toezicht op de rechtmatigheid van al het handelen van de diensten, en daarmee ook op de naleving door de AIVD en de MIVD van de voorwaarden en waarborgen die de Wiv 2017 voorschrijft op het gebied van internationale samenwerking. Verschillende toezichtsrapporten op dit thema illustreren deze toezichtspraktijk.10
Net als voor de AIVD en de MIVD gelden voor de CTIVD, als nationale toezichthouder op deze diensten, de kaders van de Wiv 2017. Voor buitenlandse diensten en hun nationale toezichthouder geldt dat ook zij binnen hun eigen nationale wettelijke kaders moeten opereren. Wij herkennen dan ook niet het gepercipieerde toezichtgat. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld11, kan de CTIVD reeds samenwerken met buitenlandse toezichthouders op het terrein van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bijvoorbeeld op het gebied van rechtsvergelijkend onderzoek, werkmethoden of bespreking van openbare toezichtsrapporten en jaarverslagen. De CTIVD vervult hierin een voortrekkersrol die wij van harte ondersteunen. Het uitwisselen van operationele en staatsgeheime gegevens tussen de CTIVD en buitenlandse toezichthouders is echter uitgesloten. Een buitenlandse toezichthouder is immers niet bevoegd om kennis te nemen van deze informatie. Informatie-uitwisseling tussen toezichthouders valt bovendien buiten de reikwijdte van de ministeriële verantwoordelijkheid die wij hebben voor de samenwerking van de AIVD en de MIVD met buitenlandse diensten en de uitwisseling van staatsgeheime gegevens in dat kader. Wij zien op dit moment geen aanleiding om dit standpunt te herzien.
Ook de Evaluatiecommissie Wiv 2017 benadrukt in haar rapport het belang van internationale samenwerking door de diensten. 12 Zij concludeert dat de introductie van de wegingsnotities disciplinerend heeft gewerkt; het heeft de bewustwording bij de diensten van de eventuele risico’s van internationale samenwerking vergroot. Nederland lijkt internationaal voorop te lopen door het gebruik van deze wegingsnotities. De Evaluatiecommissie beschouwt het als een belangrijke waarborg bij internationale samenwerking. Zij beveelt onder meer aan om samenwerking in structurele multilaterale samenwerkingsverbanden waarbij persoonsgegevens worden verstrekt te voorzien van een expliciete wettelijke grondslag en daarover overzichtsnotities op te stellen.
Verder kunnen wij ons niet vinden in de mening van de CTIVD dat bindend toezicht gekoppeld zou moeten worden aan de mogelijkheid om gegevens die zijn verkregen in de verkennende fase van bulkinterceptie te delen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het is van belang dat dergelijke geïntercepteerde gegevens technisch worden onderzocht, zodat de verworven gegevens kunnen worden gestructureerd, geanalyseerd en geduid. In het kader van dit technisch onderzoek is het soms noodzakelijk ondersteuning te krijgen van een buitenlandse dienst. Hierbij worden de voor dat technisch onderzoek benodigde gegevens aan de desbetreffende dienst verstrekt. Het risico van bindend toezicht bij deze verstrekking is dat het de diensten onnodig zou beknotten in hun operationele slagkracht en wendbaarheid om effectief gekende en ongekende dreigingen voor de bescherming van de nationale veiligheid te kunnen onderkennen. Belangrijk hierbij is dat voor de inzet van deze specifieke bevoegdheid in de Tijdelijke wet reeds is voorzien in voldoende passende waarborgen. Zo kan deze bevoegdheid uitsluitend worden ingezet ter vaststelling van de gegevensstromen waarop een uiteindelijk verzoek tot bulkinterceptie betrekking dient te hebben. Verder vindt deze verstrekking plaats met het expliciete verbod deze gegevens te gebruiken voor inlichtingendoeleinden. De AIVD en de MIVD zijn immers ook zelf gebonden aan deze waarborg bij de uitoefening van deze bevoegdheid. Daarnaast zijn onverkort de eerdergenoemde voorwaarden en waarborgen uit de Wiv 2017 over internationale samenwerking met buitenlandse diensten van toepassing. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden verstrekt aan een buitenlandse dienst. Ook toetst de TIB voorafgaand aan de beoogde inzet op de verkenning ten behoeve van alsook op het uiteindelijke verzoek tot bulkinterceptie de rechtmatigheid ervan. Voorts is in het geval de verstrekking aan een buitenlandse dienst ongeëvalueerde gegevens betreft de volgende extra waarborg in de Tijdelijke wet ingebouwd: de verstrekking, mag, behoudens dringende en gewichtige reden, niet eerder plaatsvinden dan vijf dagen nadat de CTIVD over de door ons verleende toestemming is geïnformeerd. Omdat de diensten deze bevoegdheid nog niet konden inzetten, heeft de CTIVD geen gebruik gemaakt van deze additionele toezichtsmodaliteit.
Bindend toezicht Tijdelijke wet
Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de CTIVD niet overgegaan is tot het geven van een bindend onrechtmatigheidsoordeel over de toepassing van bevoegdheden op grond van de Tijdelijke wet door de diensten. In de brief van de CTIVD gaat deze toezichthouder daar nader op in. Deze leden menen dat het vervangen van de rechtmatigheidstoets vooraf door de TIB met betrekking tot de inzet van bevoegdheden in de Tijdelijke wet door bindend toezicht door de CTIVD van groot belang is bij het toezicht op de diensten en voor de balans ten opzichte van de in de Tijdelijke wet beoogde versnelling en wendbaarheid van de diensten. Deelt de minister deze mening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet de minister dit in het licht van het feit dat de CTIVD nog geen gebruik heeft gemaakt van dat bindend toezicht? Deze leden lezen wel dat er in een beperkt aantal gevallen een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de diensten en de CTIVD over het bindend toezicht. Wat was de reden voor die gesprekken en wat was de aard daarvan? Naar zij aannemen is het niet aan de diensten zelf om invloed uit te oefenen over het al dan niet inzetten van de bindende bevoegdheid van de CTIVD. Is de minister het daarmee eens? Zo nee, waarom niet?
De leden van de JA21-fractie vragen of er gevallen zijn geweest waarin de CTIVD heeft geoordeeld dat bevoegdheden onder deze Tijdelijke wet onrechtmatig, disproportioneel of onzorgvuldig zijn ingezet. Indien dat het geval is, kan de minister toelichten om hoeveel gevallen het gaat en welke lessen daaruit zijn getrokken voor de verdere toepassing van de wet?
Binnen het kader van de Tijdelijke wet is het verplaatsen van de rechtmatigheidstoets vooraf door de TIB met betrekking tot de inzet van bevoegdheden naar bindend toezicht tijdens en achteraf door de CTIVD van belang voor de balans tussen toezicht op de diensten en de mogelijkheden die de Tijdelijke wet biedt. De diensten hebben evenwel de verschillende bevoegdheden onder de Tijdelijke wet waarop bindend toezicht ziet niet of slechts in beperkte mate kunnen uitvoeren gedurende de periode van de verrichte invoeringstoets. Dat dit niet volledig kon, is gelegen in de huisvestingsproblematiek bij de CTIVD, waarover uw Kamer eerder is geïnformeerd.13 Zoals ook toegelicht door de CTIVD in haar bijdrage bij onze brief van 19 december 202514, is zij sinds 1 oktober 2025 klaar voor een volledige toepassing van de Tijdelijke wet, met uitzondering van het toepassen van geautomatiseerde data-analyse op bulkinterceptiedata.
Daar waar de bevoegdheden onder de Tijdelijke wet waarop bindend toezicht ziet wel door de diensten konden worden uitgevoerd, is de CTIVD, zoals zij zelf ook heeft bevestigd in eerdergenoemde bijdrage, niet overgegaan tot de inzet van een bindend onrechtmatigheidsoordeel. Wij zijn het eens met de leden van de Groen-Links-PvdA-fractie dat het nadrukkelijk aan de CTIVD zelf is om als onafhankelijk toezichthouder een oordeel te vormen omtrent het al dan niet rechtmatig handelen van de diensten. In het beperkt aantal gevallen waarin een gesprek over het bindend toezicht op het handelen van de diensten onder de Tijdelijke wet heeft plaatsgevonden tussen de CTIVD en de diensten, ging het over het beantwoorden van verduidelijkingsvragen van de CTIVD met betrekking tot de toepassing van bevoegdheden door de diensten.
Randvoorwaarden werkzaamheden toezichthouder
De leden van de VVD-fractie lezen dat de CTIVD in haar brief van 5 december 2025 wijst op het belang van het realiseren van belangrijke randvoorwaardelijke zaken bij de toezichthouder, zoals budget, huisvesting, ICT en personele capaciteit. Deze leden vragen de minister of aan deze randvoorwaarden nu zijn voldaan
Daarnaast vragen de leden van de JA21-fractie hoe wordt gewaarborgd dat het toezicht door de CTIVD over voldoende capaciteit beschikt om de uitgebreidere bevoegdheden uit de Tijdelijke wet effectief te controleren. Is de capaciteit van de CTIVD aangepast sinds de invoering van deze wet en acht de minister deze capaciteit toereikend voor de komende jaren?
In aanloop naar de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet is er zowel met de TIB als de CTIVD gesproken over de benodigde extra capaciteit, zowel juridisch als ondersteunend van aard. Met de TIB en de afdeling toezicht van de CTIVD is afgesproken de formaties uit te breiden. Zo heeft de TIB 3fte en de afdeling toezicht van de CTIVD 10 fte toegevoegd. Ook na de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet zijn de gesprekken met beide instanties voortgezet. Op dit moment zijn randvoorwaarden, zoals budget, tijdelijke huisvesting, ICT en personele capaciteit, geregeld. Indien de werkvoorraad bij de TIB en de afdeling toezicht van de CTIVD, ondanks de capaciteitsuitbreiding, te groot blijkt te zijn, dan zal dit aanleiding zijn voor een gesprek om in samenspraak tot een oplossing te komen. Dit is ook het geval voor andere belangrijke randvoorwaarden. Mocht het functioneren van beide instanties in het geding zijn, dan zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.
Herziening Wiv 2017
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Tijdelijke wet vier jaar na inwerkingtreding vervalt. Deze leden vragen om een stand van zaken van de herziening van de Wiv 2017. Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
De leden van de JA21-fractie hebben gevraagd of de minister kan aangeven op welke termijn een bredere evaluatie van de Wiv 2017 en de Tijdelijke wet wordt verwacht? Daarnaast vragen deze leden hoe de minister kijkt naar de door de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) gevraagde verdere samenwerking en informatievoorziening richting de Kamer. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de Kamer haar controlerende rol effectief kan blijven vervullen bij de inzet van deze bevoegdheden?
De beoogde inwerkingtredingsdatum van de herziening van de Wiv 2017, die tot doel heeft een nieuwe en versterkte Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten tot stand te brengen, is uiterlijk 1 juli 2028. Dit is de datum dat de Tijdelijke wet van rechtswege vervalt. De planning is erop gericht het wetvoorstel dit jaar in openbare internetconsultatie te geven en vervolgens aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor advies voor te leggen. Het streven is het wetvoorstel in de eerste helft van 2027 bij uw Kamer in te dienen.
Met de leden van de JA21-fractie zijn wij van mening dat uw Kamer haar belangrijke, controlerende rol, nu en in de toekomst, effectief moet kunnen blijven vervullen. Tijdens de openbare en niet-openbare debatten met uw Kamer wordt verantwoording afgelegd over het handelen van de diensten. Zoals aangegeven in het openbare jaarverslag over 2024 van de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD)15 evalueert zij of de informatievoorziening voldoet aan haar behoefte.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de stukken omtrent de invoeringstoets met interesse gelezen en hebben momenteel geen aanvullende vragen.
Wij danken de leden van de PVV-fractie voor hun getoonde interesse op dit belangrijke onderwerp van de taakuitoefening van de diensten ten behoeve van het beschermen van onze nationale veiligheid.
Hoogachtend,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Pieter Heerma
De Minister van Defensie,
Dilan Yeşilgöz-Zegerius
Kamerstukken II 2025/26, 36263, nr. 46.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36263, nr. 46, bijlagen ‘brief TIB m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d. 11 december 2025’ en ‘brief CTIVD m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d. 5 december 2025’ en.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36263, nr. 45, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1115.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36263, nr. 46, bijlage ‘brief CTIVD m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d. 5 december 2025’.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 36 263, nr. 44.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36263, nr. 46, bijlage ‘brief TIB m.b.t. Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d. 11 december 2025’.↩︎
Kamerstukken I 2023/24, 36263, E.↩︎
Kamerstuk I 2025/26, 36263, Q, bijlage ‘brief van 25 februari 2026 van de TIB en CTIVD over vragen van de Eerste Kamer’.↩︎
Zie CTIVD, Toezichtsrapport 60 ‘De wegingsnotities van de AIVD en de MIVD voor de internationale samenwerking met de Counter Terrorism Group- en sigint-partners’, 21 december 2018.↩︎
Zie voorgaande voetnoot alsook de CTIVD-toezichtrapporten nrs. 22a (2009), 22b (2009), 65 (2019) en 73 (2021).↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 36455 (R2188), nr. 3.↩︎
Kamerstukken II 2020/21, 34588, nr. 88, p. 104. bijlage.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36263, nr. 45, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1115.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36263, nr. 46, bijlage ‘brief CTIVD Invoeringstoets Tijdelijke wet d.d. 5 december 2025’.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 36754, nr. 1.↩︎