[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Jaarverslag Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025

Jaarverslag en slotwet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025

Jaarverslag

Nummer: 2026D19132, datum: 2026-05-20, bijgewerkt: 2026-05-27 16:46, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36945-XIV-1).

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36945 XIV-1 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025.

Onderdeel van zaak 2026Z08522:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025‒2026
36 945XIV Jaarverslag en Slotwet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en Diergezondheidsfonds (F) 2025
Nr. 1

Jaarverslag van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en Diergezondheidsfonds (F) 2025

Ontvangen 20 mei 2026

Gerealiseerde uitgaven en ontvangsten

Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 3.756,9 mln.

Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 272,9 mln.

A. Algemeen

1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, het departementale jaarverslag van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan, alsmede het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het fonds Diergezondheidsfonds over het jaar 2025.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur decharge te verlenen over het in het jaar 2025 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  1. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;
  2. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;
  3. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;
  4. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;
  5. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2025;
  2. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;
  3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;
  4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2025, alsmede over de saldibalans over 2025 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

J.van Essen

1 Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

2 Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

1. Opbouw Jaarverslag

Dit jaarverslag bevat het beleidsverslag, een jaarrekening, het jaarverslag van het Diergezondheidsfonds (DGF) en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2025 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en het DGF.

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de LVVN-begroting 2025. Dit vindt plaats langs de volgende thema's:

  1. Integrale aanpak stikstof, water, klimaat en natuur
  2. Een toekomstbestendig voedselsysteem
  3. Voedselzekerheid
  4. Toekomstbestendige landbouw en visserij: goed verdienen met goed voedsel
  5. Robuuste natuur
  6. Vitaal landelijk gebied
  7. Klimaatopgave Landbouw en Landgebruik
  8. Europese en internationale inzet
  9. Kennis en innovatie
  10. Uitvoering en toezicht

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2025 en zijn conform de Rijksbegrotingsvoorschriften opgesteld. Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar.

De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van LVVN. Het jaarverslag van het DGF bevat een separate bedrijfsvoeringsparagraaf.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat inzake het agentschap NVWA, de jaarverantwoording van het agentschap NVWA, de saldibalans en de WNT-verantwoording.

Het jaarverslag van het DGF bestaat uit een beleidsverslag (inclusief een bedrijfsvoeringsparagraaf) en een jaarrekening (verantwoordingsstaat DGF en een saldibalans). De apparaatsuitgaven voor de uitvoering van het DGF zijn deels opgenomen bij het moederdepartement (beleidsartikel 21).

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Toezichtrelaties en Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), Afgerond evaluatie- en overig onderzoek, Indicatoren en kengetallen, Externe inhuur, Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer, Rapportage Burgercorrespondentie 2025 en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrenzen toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2025 zijn de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

< 50 1 2
=> 50 en < 200 2 4
=> 200 < 1000 5 10
=> 1000 10 20

3. Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2026 en de Regeling agentschappen. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agentschappen het baten-lastenstelsel.

4. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (indicatoren en kengetallen). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2026 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Van een aantal indicatoren zijn de realisatiegegevens over 2025 nog niet bekend. In die gevallen is de meest recente realisatie opgenomen en is dit in de toelichting benoemd.

5. Groeiparagraaf

Voor het opstellen van het departementaal jaarverslag gelden de rijksbegrotingsvoorschriften van de Minister van Financiën. In de Re-geling rijksbegrotingsvoorschriften 2026 is een aantal wijzigingen doorgevoerd die doorwerken in dit jaarverslag:

  1. De verdiepingsbijlage en het overzicht moties en toezegging worden niet meer opgenomen in de departementale begrotings- en verantwoordingsstukken. Deze bijlagen zijn daarom komen te vervallen. De overzichtsbijlagen voor Caribisch Nederland, Nationaal Groeifonds en het Klimaatfonds zijn gecentraliseerd, daarmee zijn ook deze bijlagen vervallen.
  2. Het focusonderwerp van het Financieel Jaarverslag Rijk 2025 is op verzoek van de Tweede Kamer ‘Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld’. Aan het eind van het beleidsverslag is daartoe een risicoparagraaf toegevoegd.

6. Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Als onderdeel van het Europees Semester komt de Raad jaarlijks met landspecifieke aanbevelingen voor alle EU-lidstaten, drie daarvan hebben betrekking op het ministerie van LVVN:

  1. De Commissie heeft in 2025 de landspecifieke aanbeveling aan Nederland gedaan Nederland is opgeroepen om de verslechtering van de waterkwaliteit aan te pakken en om structurele maatregelen te nemen om overmatige stikstofdepositie terug te dringen. De Ministeriële Commissie Economie & Natuurherstel (MCEN) heeft het afgelopen jaar maatregelenpakketten opgesteld, die inzetten op stikstofemissiereductie en natuurherstel (Kamerstuk 35334, nr. 362 en Kamerstuk 35334, nr. 413). Hierbij wordt onder andere ingezet op de ontwikkeling van bedrijfsspecifieke emissienormen, innovatie, aanvullende natuurherstelmaatregelen, een vrijwillige beëindigingsregeling voor de landbouw en een extensiveringsregeling voor de landbouw. Ook wordt ingezet op agrarisch natuurbeheer en natuurmonitoring. Ook wordt ingezet op gebiedsgerichte inzet met een maatwerkaanpak in de Veluwe en de Peel, en een gebiedsgerichte aanpak (economische) regio’s. Tot slot ondersteunt het kabinet boeren via de investeringsmaatregel ‘Investeringsfonds Duurzame Landbouw’ (IDL) bij het financieren van investeringen die worden gedaan bij de omschakeling naar een integraal duurzame bedrijfsvoering. In het beleidsverslag ('beleidsprioriteiten') wordt hierop ingegaan.
  2. De Commissie heeft daarnaast de aanbeveling gedaan de effectieve implementatie van het herstel- en veerkrachtplan (HVP), inclusief het REPowerEU-hoofdstuk, te verzekeren. Binnen het HVP geeft het ministerie van LVVN uitvoering aan het Programma Natuur. De Saneringsregeling Varkenshouderijen is reeds afgerond en verantwoord. In het beleidsverslag ('beleidsprioriteiten') wordt op het HVP teruggekomen.

B. Beleidsverslag

3. Beleidsprioriteiten

Samen werken aan toekomstbestendige landbouw, voedsel, natuur en landelijk gebied

Inleiding

De turbulente geopolitieke tijden waarin we leven vragen van ons allen een groot vermogen tot aanpassing en innovatie om te kunnen blijven voldoen aan de sterk wisselende omstandigheden waarmee we worden geconfronteerd. Zo neemt het strategisch belang van voedsel en voedselzekerheid toe. In de eerste voedselrede, gehouden in de Week van ons voedsel (oktober 2025), onderstreepte voormalig Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp in dit verband overtuigend het strategisch belang van voedselzekerheid, dat net zo fundamenteel voor onze veiligheid is als energie en defensie, omdat schaarste – en zeker ook voedselschaarste - de grootste bedreiging voor stabiliteit in de wereld is.

Het jaar 2025 stond voor het ministerie van LVVN in het teken van het vormgeven van een integrale aanpak van de grote maatschappelijke opgaven op het gebied van stikstof, water, klimaat en natuur. De uitdagingen voor de landbouwsector, de visserij en het beheer van natuur en landschap zijn onverminderd groot, ook in juridische zin. Daarbij is duidelijk dat deze opgaven alleen kunnen worden opgelost als LVVN samen optrekt met andere overheden, ondernemers, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Daarom hebben we gewerkt aan perspectief voor boeren, tuinders en vissers. Dit perspectief is des te meer gewenst omdat ondernemers ook te maken hebben met een veelheid aan uitdagingen waarmee zij op bedrijfsniveau geconfronteerd worden, zoals nieuwe technologische ontwikkelingen, knelpunten op de arbeidsmarkt, schommelde marktprijzen. Dit gebeurde onder meer door het stimuleren van innovatie, kennisdeling, experimenteerlocaties, bodemmetingen, het vaststellen van de daadwerkelijke staat van de natuur en het kijken naar alle drukfactoren, het versterken van agrarisch natuurbeheer, extensiveringsregelingen, het faciliteren van een vrijwillige beëindigingsregeling voor boeren die willen stoppen en het Visserij Ontwikkelplan.

Het herstel van natuur en biodiversiteit bleef in 2025 prioriteit voor LVVN. Met de Agenda Natuurinclusief, de Landelijke Bossenstrategie en de inzet op robuuste natuurgebieden hebben we gewerkt aan een natuurinclusieve samenleving. Daarnaast zijn we gestart met de voorbereidingen voor de implementatie van de Europese Natuurherstelverordening en zijn stappen gezet in de aanpak van invasieve exoten en de omgang met de wolf. Ook hebben we aandacht besteed aan klimaatadaptatie, onder meer via het Actieprogramma Klimaatadaptatie Landbouw en het Actieprogramma Klimaatadaptatie Natuur.

In 2025 heeft LVVN gewerkt aan concrete oplossingen voor de stikstofproblematiek, het herstel van natuur en biodiversiteit, en de verduurzaming van de voedselketen. De Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) heeft hierin een centrale rol gespeeld. Na de rechterlijke uitspraken van eind 2024 en begin 2025 is langs vier sporen gewerkt aan een oplossing. Deze aanpak heeft geleid tot een startpakket met maatregelen, een regionale maatwerkaanpak, en een versterkte samenwerking met medeoverheden en sectoren.

Om deze opgaven effectief en in samenhang op te pakken, heeft LVVN in 2025 nadrukkelijk in samenwerking geïnvesteerd, zowel op nationaal als op Europees niveau. Met provincies, gemeenten, waterschappen en andere betrokkenen hebben we gewerkt aan gebiedsgerichte oplossingen, zoals in de Peel, de Veluwe en het Groene Hart. Op Europees niveau is ingezet op dossiers als de toepassing van pulsvisserij, mestbeleid (derogatie en Renure) en de toelating van nieuwe genomische technieken.

Integrale aanpak stikstof, water, klimaat en natuur

Het kabinet heeft in februari 2025 de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) ingesteld, om in aanvulling op het al ingezette beleid tot een samenhangende aanpak te komen om vergunningverlening weer op gang te brengen, de natuur te herstellen en daarmee Nederland van het stikstofslot te halen. Directe aanleiding hiervoor waren de ingrijpende uitspraken van de Raad van State over intern salderen in december 2024 en van de rechtbank Den Haag in januari 2025 in de bodemprocedure van Greenpeace rond het verminderen van stikstofbelasting op de natuur. De MCEN heeft langs vier sporen gewerkt aan een oplossing: 1) het herzien van het huidige vergunningenstelsel; 2) een maatregelenpakket gericht op een geborgde daling van stikstofuitstoot en op natuurbehoud en -herstel; 3) aandacht voor de maatschappelijke en sociaaleconomische impact van de Raad van State-uitspraak en 4) de inzet van het kabinet op Europees niveau.

Vanuit de MCEN is gestart met het actieprogramma vergunningverlening om te werken aan concrete oplossingen binnen en buiten de kaders van het huidige systeem. In dit programma heeft het kabinet onder meer aangekondigd een rekenkundige ondergrens te willen invoeren. Ook is gewerkt aan mogelijkheden om verduurzamingsprojecten gemakkelijker uit te voeren, bijvoorbeeld door middel van de algemene maatregel van bestuur ‘Vergunningvrije Verduurzamingsactiviteiten’. Het kabinet heeft gewerkt aan een vervanging van de huidige omgevingswaarden door een wettelijk programma met sectorale emissiedoelen. Dit is ter consultatie ingediend bij de Raad van State; eind december 2025 heeft de Raad van State het advies gepubliceerd.

Het kabinet heeft besloten tot een startpakket met maatregelen ten behoeve van stikstofreductie en natuurherstel van € 2,2 miljard incidenteel en € 213 miljoen structureel. Het kabinet is tot overeenstemming gekomen over de wijze van borging (in de landbouw bijvoorbeeld via bindende bedrijfsspecifieke emissiedoelen), en over emissiedoelen voor 2035 per sector (ter vervanging van de huidige omgevingswaarden) waar de maatregelen toe moeten leiden.

Het maatregelenpakket bestaat onder andere uit een vrijwillige beëindigingsregeling voor boeren die willen stoppen. Voor blijvende boeren is een extensiveringsregeling en extra stimulering van agrarisch natuurbeheer aangekondigd. Er zijn middelen vrijgemaakt voor investeringen in natuurherstel en om de uitvoering van doelsturing mogelijk te maken.

Het kabinet heeft in 2025 een regionale maatwerkaanpak aangekondigd om in de Peel en de Veluwe te werken aan stikstofreductie, natuurherstel en toekomstperspectief. In deze twee regio’s is in 2025 een start gemaakt met concrete invulling van de maatregelen, zoveel mogelijk gericht op de zones rondom natuurgebieden. De eerste afspraken over de samenwerking zijn eind 2025 afgerond. Bij de verdere uitwerking van de aanpak heeft het kabinet ook aandacht voor de sociaaleconomische vitaliteit van de gebieden. Daarnaast heeft het kabinet een aanpak in drie (economische) regio’s aangekondigd: de Rotterdamse Haven, de Brainportregio en het Groene Hart. In deze regio’s is het Rijk in 2025 samen met medeoverheden gestart met de uitwerking om tot een integrale aanpak te komen die economische activiteiten weer mogelijk maakt. Met deze aanpak worden ook in deze regio’s stappen gezet om Nederland blijvend van het slot te krijgen.

Een toekomstbestendig voedselsysteem

In 2025 zijn stappen gezet in het verder reduceren van voedselverspilling. De meest recente cijfers laten zien dat er tot nu toe een daling van 17% is bereikt. Dit draagt ook bij aan de weerbaarheid van het voedselsysteem.

Diverse monitors, rapporten en onderzoeken zijn aan de Kamer aangeboden over het voedselbeleid (Kamerstuk 31 532, nr. 300). De actualisatie van de keurmerkwijzer is afgerond; met dit nieuwe inzicht kan de consument geïnformeerde keuzes maken voor voedselproducten. In 2025 zijn de eerste stappen gezet om te werken aan een meer overkoepelende ketenaanpak en afspraken te maken met ketenpartijen over hun bijdragen aan opgaven. Gezien de demissionaire status van het kabinet is het aan een nieuw kabinet om verdere keuzes te maken wat betreft de ketenaanpak, ook in relatie tot de voedselstrategie.

In het regeerprogramma is aangekondigd dat het kabinet in 2025 een nationale voedselstrategie zou presenteren. Het afgelopen jaar is ambtelijk gewerkt aan bouwstenen hiervoor. Het is aan een nieuw kabinet om definitieve keuzes te maken ten aanzien van een nationale voedselstrategie en de invulling daarvan.

Voedselzekerheid

LVVN is verantwoordelijk voor het verzorgen van adequate toegang tot voldoende, veilig en gezond voedsel onder alle omstandigheden. Mede in het licht van toenemende geopolitieke spanningen, zet LVVN zich in voor een weerbare voedselvoorzieningsketen die bestand is tegen verstoringen. Hierop anticiperend is in een Kamerbrief uiteengezet wat weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen inhoudt en welke opgaves er liggen om te zorgen voor een weerbare maatschappij (Kamerstuk 30821, nr. 249). Het borgen van voedselvoorziening is binnen deze inzet een prioritair aandachtsgebied.

Het ministerie van LVVN is samen met publieke en private stakeholders gestart met de ontwikkeling van het Landelijke Crisisplan Voedselzekerheid, waarin afspraken en plannen worden vastgelegd om met de gevolgen van een voedselzekerheidscrisis om te gaan. Om het (digitale) weerbaarheidsniveau van onder andere de levensmiddelenindustrie te versterken, zijn in samenwerking met betrokken departementen de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten en de Cyberbeveiligingswet aan de Kamer aangeboden. In aanvulling daarop bracht LVVN eind 2025 de Regeling Cyberbeveiliging Levensmiddelensector in consultatie. Bovendien werkt het ministerie van LVVN aan het onderbrengen van voedselvoorziening binnen de nationale vitale infrastructuur en neemt het stappen richting formele aanwijzing van vitale aanbieders binnen de keten. Daarnaast is een onderzoek gestart naar handelingsopties om de leveringszekerheid te borgen van strategische landbouw- en voedselproducten waarvoor een importafhankelijkheid geldt. In het bijzonder wordt gekeken naar de kosten en baten van strategische voorraden.

Voedselzekerheid is een wereldwijde uitdaging: dagelijks lijden 735 miljoen mensen honger, met name in Azië en Afrika. Nederland levert met zijn landbouwsector, uitgangsmaterialen, kennis en technologie een belangrijke bijdrage aan het vergroten van de mondiale voedselzekerheid, met name op het gebied van het verhogen en efficiënter maken van de productie van voedsel en het verbeteren van de beschikbaarheid van voedsel. Nederland sluit met zijn inzet aan bij FAO-analyses die voedselzekerheid beschouwen als onderdeel van bredere stabiliteits- en vredesvraagstukken.

Ook werken we aan het terugdringen van emissies uit de landbouw, zodat bijvoorbeeld de broeikasgassen van de landbouw verder afnemen en daardoor tegelijk ook de gevolgen van klimaatverandering (hitte en droogte, overstromingen) voor voedselproductie beperkt worden. De nadruk ligt ook steeds meer op klimaatadaptatie, zodat voedselsystemen beter bestand zijn tegen toenemende hitte, droogte en extreme weersomstandigheden. Met het meerjarig financieren van het ‘Netherlands Food Partnership’ (NFP) werkt LVVN samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken aan het verbeteren van klimaatbestendige voedselsystemen in lage- en middeninkomens landen.

Toekomstbestendige landbouw en visserij: goed verdienen met goed voedsel

Voor het kabinet is toekomstperspectief voor de landbouw erg belangrijk, met name voor jonge boeren. Daarom heeft LVVN in 2025 voor de tweede keer het instrument Vestigingssteun jonge landbouwers opengesteld, als onderdeel van het Nationaal Strategisch Plan (NSP, onderdeel van het GLB) (Kamerstuk 28625, nr. 166). Deze regeling helpt jonge ondernemers een stevigere start te maken. We hebben gezien dat de animo hiervoor hoog is, met 777 aanmeldingen in 2025.Ter stimulering van generatievernieuwing vanuit het GLB, is in 2025 ook voor het eerst een module van de EIP-regeling Samenwerken aan innovatie EIP opengesteld, specifiek gericht op het aantrekken van jongeren om agrarisch ondernemer te worden. Het leverde 7 aanvragen op, 4 aanvragen zijn goedgekeurd.

Om generatievernieuwing in de landbouwsector te stimuleren ondersteunt LVVN verder het meerjarige programma ‘Voor de volgende generatie’, waarin de overheid (LVVN), agrarische organisaties (NAJK, LTO), adviespartijen (VLB, VAB) en onderwijsinstellingen (AERES, InHolland, Universiteit Utrecht) hun krachten hebben gebundeld voor meer succesvolle duurzame bedrijfsovernames. Daarnaast heeft LVVN budget beschikbaar gesteld aan het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA, onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), om te investeren in kennisontwikkeling en praktijkonderzoek op dit thema.

In 2025 is goede voortgang gemaakt in het toewerken naar bedrijfsgerichte doelsturing: het integraal en bedrijfsgericht sturen op doelen vanuit de overheid en/of de markt, waarbij het voor de agrarisch ondernemer duidelijk is welke prestaties hij of zij moet leveren op het eigen bedrijf en er ruimte bestaat voor ondernemerskeuzes. Om doelsturing mogelijk te maken is er door het KPI (Kritische Prestatie Indicator)-kennisconsortium verder gewerkt aan de ontwikkeling van de integrale KPI-kernsets voor de melkveehouderij en akkerbouw. Het project dat is opgestart om te komen tot een dataecosysteem agro (DESA) is inmiddels op stoom gekomen en wordt in publiek-private samenwerking opgepakt. Ook zijn de acties van de actieagenda stoffenbalans opgepakt en is in samenwerking met sectorpartijen een project opgezet om met behulp van nitraat-residumetingen te werken aan de verbetering van de waterkwaliteit. Tevens zijn de uitgangspunten gepresenteerd waarop de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat zullen worden gebaseerd.

Vanuit het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) ondersteunt het kabinet boeren bij het financieren van investeringen die worden gedaan bij de omschakeling naar een integraal duurzame bedrijfsvoering. In 2025 zijn 88 aanvragen ontvangen en 54 aanvragen goedgekeurd. Via het IDL kunnen boeren daarbij voor tot 60% (jonge boeren tot 70%) van de verduurzamingsinvesteringen financiering krijgen tegen gunstige voorwaarden. Aanvragen zijn afkomstig uit verschillende landbouwsectoren. Het merendeel van de investeringen vindt plaats in de melkveehouderij en gaat gepaard met minimaal een gelijk aandeel aan private cofinanciering, zodat de overheidsgaranties een hefboom creëren voor het aantrekken van privaat kapitaal.

Voor veel landbouwbedrijven vormen nevenactiviteiten een steeds grotere inkomstenbron. Met de publicatie van beleidsondersteunend onderzoek over multifunctionele landbouw (‘Kijk op multifunctionele landbouw’) is in beeld gebracht dat de multifunctionele landbouw blijft groeien en van meerwaarde is voor de agrarische sector. In het afgelopen jaar is verder gewerkt aan de herziening van de pachtregelgeving. Dit heeft geleid tot een wetsvoorstel tot wijziging van titel 7.5 van het Burgerlijk Wetboek, dat in december in internetconsultatie is gegaan.

De ACM heeft met de WUR voor enkele producten onderzoek gedaan naar margeverdeling in de keten en vergoedingen voor duurzaamheidsinspanningen. Daarnaast houdt de ACM toezicht op naleving van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Met de publicatie van de beleidsondersteunende (BO) onderzoeken naar een duurzame inkoopverplichting en over duurzaamheidsafspraken in de keten is input verkregen voor de beleidsontwikkeling op de ketenaanpak verduurzaming landbouw. Daarnaast heeft LVVN financieel bijgedragen aan de NWO SIA call naar praktijkgericht onderzoek door een consortium van HBO-onderwijsinstellingen met als onderwerp de opschaling van true pricing. Met de inzet van het LVVN Attaché Netwerk (LAN) is in 2025 gewerkt aan het openen en het behoud van markttoegang voor dierlijke en plantaardige producten, waaronder uitgangsmateriaal, vlees en zuivel. Dit is ook belangrijk voor het bevorderen van voedselzekerheid. Voor EU-handelsakkoorden had Nederland inbreng met aandacht voor vraagstukken op het gebied van klimaat, milieu, natuur, dierenwelzijn en bevordering van het gelijke speelveld.

Ten aanzien van het mestbeleid is in 2025 uitvoering gegeven aan het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de derogatiebeschikking 2022-2025. Dit betreft onder andere handhaving en monitoring ten aanzien van mestvrije bufferstroken, de aanwijzing van met nutriënten verontreinigde gebieden, de verlaging van de mestproductieplafonds, de stimulering van inzaai van vanggewassen en de versterkte handhavingsstrategie (VHS). De verlaging van de mestproductieplafonds heeft ertoe geleid dat (tijdelijk) afroompercentages bij verhandeling van fosfaat- en dierrechten verhoogd moesten worden. De effecten zijn gedurende 2025 gemonitord. Na een weging van het kabinet, zijn de afroompercentages voor pluimvee- en varkensrechten begin december 2025 op nul gezet. Tegelijkertijd is in 2025 een 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (8e AP) voorbereid voor de periode 2026-2029, dat eind 2025 door het kabinet niet is vastgesteld.

Door de afbouw van de derogatie zal de druk op de mestmarkt de komende jaren verder toenemen. Het kabinet heeft afgelopen jaar een nieuwe derogatie aangevraagd bij de Europese Commissie. Op 22 december heeft de Europese Commissie hierop afwijzend gereageerd. Daarnaast is ingezet op de aanpak van de mestmarkt, waarbij met name de verwerking en export van dierlijke mest is bevorderd. In september 2025 heeft een positieve stemming over de toelating van Renure door de lidstaten in het Brusselse Nitraatcomité plaatsgevonden. Naar verwachting kan na definitieve vaststelling van de regelgeving, productie en gebruik van Renure zo spoedig mogelijk starten.

Ook in 2025 is ingezet op het verminderen van risico’s en gebruik van chemisch- synthetische gewasbeschermingsmiddelen, via de sporen toelating, toepassing en toezicht. In 2025 was er veel maatschappelijke en politieke belangstelling voor de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betrof onder meer het gebruik van PFAS houdende gewasbeschermingsmiddelen en van azolen fungiciden (Kamerstuk 32793, nr. 875). Diverse rechterlijke uitspraken in relatie tot lelieteelt zorgden daarnaast voor onzekerheid over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van Natura-2000 gebieden en over de daarbij aan te houden afstand tussen agrarische percelen en omwonenden. LVVN heeft daarom ingezet op verduidelijking van provinciaal natuurbeleid in overleg met onder meer provincies (Kamerstuk 27858, nr. 710). Dit geldt ook voor het doorzetten en starten van onderzoek naar gezondheidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen, zoals een verkenning van een wetenschappelijk onderbouwd model voor de inrichting van een spuitvrije zone.

Daarnaast is in 2025 het praktijkprogramma plantgezondheid afgerond onder het uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Dit programma heeft als doel te bestendigen dat in 2030 de gestelde beleidsdoelen worden behaald: planten en teeltsystemen zijn weerbaar, (er zijn) nagenoeg geen emissies naar het milieu en nagenoeg geen residuen op producten en landbouw en natuur zijn met elkaar verbonden. Hiermee wil het kabinet bijdragen aan de maatschappelijke opgaven rond het verbeteren van de waterkwaliteit (behalen doelen KRW) en de bescherming van de volksgezondheid.

Met betrokken partijen,1is in 2025 het convenant ‘Stappen naar een dierwaardige veehouderij’ afgesloten. Met dit convenant zetten we koers naar verdere verbetering van dierenwelzijn, zonder het onmogelijke te vragen. In samenhang met dit convenant is een algemene maatregel van bestuur dierwaardige veehouderij in internetconsultatie gegaan. De verwerking van de vele reacties (meer dan 7.000) is volop gaande en loopt nog door in het eerste kwartaal 2026.

In het kader van een voorstel van de Europese Commissie tot herziening van de Transportverordening (EG 1/2005) zijn in 2025 onderhandelingen op Europees niveau gevoerd over het vervoer van dieren over lange afstanden. De onderhandelingen over deze verordening lopen nog.

In 2025 zijn de maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep verder uitgewerkt. Er is een pilot gestart met vaccinatie van een commercieel legpluimveebedrijf als vervolgstap richting een grootschalige vaccinatiecampagne tegen vogelgriep. Ook is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid verder uitgevoerd. Dit actieplan loopt nog tot en met 2026 en is gericht op de preventie en detectie van zoönosen en de respons daarop (Kamerstuk 25 295, nr. 1935).

In 2025 is ook verder gewerkt aan het maken van beleid voor de veterinaire beroepsgroep zodat kwalitatief goede zorg voor dieren beschikbaar en toegankelijk blijft en diereigenaren daarbij voldoende informatie en keuzevrijheid hebben. In 2025 heeft de veterinaire beroepsgroep de handen ineengeslagen en is de oprichting van een federatie aangekondigd. Dit is een belangrijke stap die van harte ondersteund wordt richting de versterking van de veterinaire beroepsgroep.

In december 2024 het onderzoeksrapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO-III)’ opgeleverd (Kamerstuk 28 973, nr. 259). Het kabinet heeft naar aanleiding van dit rapport advies van de Gezondheidsraad gevraagd voor verdere duiding van het beschreven gezondheidseffect ten behoeve van een vervolgaanpak. Dit advies is eind 2025 ontvangen (Kamerstuk 28 973, nr. 287).

Voor de klimaatopgave glastuinbouw zijn de afspraken in het Convenant energietransitie 2022- 2030 leidend met een samenhangend pakket van normering, beprijzing en stimulering. Ten tijde van de Voorjaarsbesluitvorming Pakket Groene Groei 2025 is het principebesluit genomen om de glastuinbouwsector onder ETS2 (emissiehandelssysteem) te brengen en voor glastuinbouw de bijmengverplichting groen gas te laten gelden, mits bedrijfsspecifieke compensatie kan worden geboden tot het niveau van de in het convenant afgesproken individuele CO2-heffing. Onderdeel van dit pakket is dat in april 2026 geëvalueerd wordt of de uitgewerkte compensatie redelijk en tijdig is. Als de voorgestelde compensatie niet uitgevoerd kan worden, komt er een alternatieve vorm van compensatie voor de sector en als er geen alternatief kan worden gevonden dat voldoende bedrijfsspecifieke compensatie biedt, zullen de afspraken worden heroverwogen. Met de uitwerking van de motie-Grinwis (36 725 XXIII, nr. 9) wordt de economische impact in beeld gebracht. Om de randvoorwaarden richting klimaatneutrale glastuinbouw op orde te brengen is in het najaar van 2025 het Actieplan randvoorwaarden aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 32627, nr. 72).

Het biologische areaal is eind 2024 gegroeid naar 5%. Sterkere groei is nodig om de ambitie die in het actieplan‘Groei van biologische productie en consumptie’ is gesteld om van 4% biologisch areaal in 2022 te groeien naar 15% in 2030, waar te kunnen maken. Samen met de sector zijn in 2025 daarom plannen uitgewerkt en uitgevoerd om biologische productie en consumptie verder te stimuleren. Eerdere maatregelen en activiteiten zijn in het afgelopen jaar doorgezet of herhaald, zoals de meerjarige landelijke Consumentencampagne, de deelname aan Biofach (grootste beurs op het gebied van biologische voeding van Europa) en de uitvoering van de ‘LVVN Kennisagenda Biologische productie en consumptie’. Een belangrijke nieuwe ontwikkeling is de aankondiging van de ‘subsidieregeling Vergroten afzet van biologische landbouwproducten (Vabiola)’. De aanstelling van kwartiermakers leidde in verschillende provincies tot de oprichting van bioregio’s, en verder is er een toolkit ontwikkeld voor supermarkten met uitleg over het biologische keurmerk en is in het Categorieplan Consumptieve Dienstverlening afgesproken dat wordt toegewerkt naar een aanbod van 25% biologische producten in de catering van de rijksoverheid. Met de afronding van het biologische importprogramma is eind 2025 de herinrichting van de biologische importcontroles grotendeels afgerond.

LVVN heeft zich er de afgelopen jaren voor ingezet om het gebruik van Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) in de plantenveredeling praktisch mogelijk te maken. Dankzij deze inzet is in 2025 een principeakkoord bereikt voor een NGT-verordening.

Om de voedselproductie uit zee voor de toekomst zeker te stellen, heeft LVVN ook in 2025 bijgedragen aan de transitie naar een toekomstbestendige Nederlandse visserij. Hiertoe is samen met betrokkenen uit de sector, de keten, de wetenschap, NGO’s en medeoverheden gewerkt aan het opstellen van de uitvoeringsagenda van de visie ‘Voedsel uit zee en grote wateren’. De uitvoeringsagenda zal acties van al deze partijen bevatten. Daarnaast is in 2025 via verschillende subsidies en onderzoeksprogramma’s, zoals via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), onderzoek uitgezet ter ondersteuning van de doorontwikkeling van de visserij en schelpdierkweek naar een economisch, ecologisch en sociaal duurzamere sector.

Voor het bevorderen van innovatie gericht op de transitie van de visserijsector heeft LVVN in 2025 op meerdere terreinen acties ondernomen. In Europa is ingezet op het verlagen van de administratieve- en handhavingslasten voortkomend uit EU-wetgeving en op het ondersteunen van innovaties in de visserij. De voordelen van pulsvisserij zijn in diverse Europese gremia onder de aandacht gebracht. Daarnaast zijn er onder het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) subsidieregelingen voor de visserij, aquacultuur en keten opengesteld om innovaties te stimuleren. Tevens is een nationale innovatieregeling voor de visserij opengesteld.

In het kader van het toekomstbestendig maken van de garnalenvisserij is eind 2025 een vrijwillige saneringsregeling opengesteld, waar veel belangstelling voor is. Deze regeling maakt deel uit van een pakket maatregelen in het kader van de toekomstvisie voor de garnalenvisserij die erop gericht is de sector toekomstbestendig te maken en te behouden voor Nederland.

Robuuste natuur

Nederland werkt op verschillende manieren aan robuuste natuur en biodiversiteit, onder andere door uitvoering te geven aan Europese natuurwet- en regelgeving, zoals de Natuurherstelverordening, de Vogel- en Habitatrichtlijnen, de Kaderrichtlijn Water, de Exotenverordening en de Kaderrichtlijn Marien. Het kabinet maakt daarnaast werk van agrarisch natuurbeheer, onder andere door de subsidieregeling voor Agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit te breiden met een langjarig investeringspakket voor agrarische ondernemers. Ook ontwikkelt het kabinet de ecoregeling en de samenwerkingsregeling voor veenweidegebieden. Beide komen voort uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Daarnaast zijn het Programma Natuur, het Natuurpact, de Bossenstrategie, de Programmatische Aanpak Grote Wateren en Programma Noordzee belangrijke pijlers van het natuurherstelbeleid. Ook buiten natuurgebieden wordt er gewerkt aan het behouden van onze biodiversiteit, bijvoorbeeld door de Visie op voedsel uit zee en grote wateren, het Programma Gezonde Leefomgeving, het Nationaal Programma Circulaire Economie en de publiek-private samenwerking vanuit de Agenda Natuurinclusief 2.0.

Met de Agenda Natuurinclusief werd dit jaar door een groeiend collectief van organisaties gewerkt aan een natuurinclusieve samenleving. Van losse initiatieven en verkenningen is toegewerkt naar opschaling van natuurinclusief ontwikkelen op alle terreinen. Een positief oordeel op Agenda Natuurinclusief 2.0 in 2024 door het Rijk, leidde in 2025 tot een bestuurlijke verkenning met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). Deze verkenning brengt in kaart hoe overheden, afzonderlijk en gezamenlijk, beleid en uitvoering kunnen afstemmen om de kansen voor een natuurinclusieve samenleving beter te benutten en te versterken. Het Rijk apprecieert nu de resultaten van die verkenning.

De voortgang van natuurherstel via Programma Natuur is gerapporteerd in de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33576, nr. 472). Eind 2024 hadden de provincies circa 39% van de afgesproken natuurherstelmaatregelen in de eerste fase (2021-2026) afgerond; eind 2023 was dit nog 25%. Daarnaast is een flink deel van de maatregelen inmiddels in uitvoering gegaan. De herstelmaatregelen hebben vooral betrekking op het verbeteren van de kwaliteit en verbetering van de hydrologie.

In de Kamerbrief van juli 2025 Uitwerking Agrarisch natuurbeheer (Kamerbrief 33 576, nr. 460) is uitgewerkt welke uitbreiding en versterking aan het agrarisch natuurbeheer wordt gegeven met de startmiddelen. Het kabinet heeft prioriteit gegeven aan inzet van de startmiddelen in kerngebieden voor de grutto en gebieden in en rond Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Door de middelen voortkomend uit de motie-Grinwis en de startmiddelen, zijn vergoedingen voor ANLb geactualiseerd en zijn uitvoeringsorganisaties als Boerennatuur/collectieven, RVO en BIJ12 versterkt. In de Kamerbrief (33 576, nr. 87) van juli 2025 is bevestigd dat middelen meerjarig beschikbaar komen voor provincies voor openstelling van het ANLb. Voor kennisontwikkeling in de praktijk zijn de eerste pilots in 2025 van start gegaan.

Met de Landelijke Bossenstrategie werkt LVVN samen met provincies aan de realisatie van 37.400 hectare nieuw bos in 2030, het revitaliseren van bestaand bos en het aanleggen van agroforestry en landschapselementen. In totaal is er tot en met 2024 3.010 hectare bos gerealiseerd (8% van de totale bosuitbreidingsopgave). Hoewel daarmee een versnelling zichtbaar is ten opzichte van eerdere jaren, wordt om de klimaatdoelen binnen bereik te houden extra ingezet op het revitaliseren van bestaande bossen. Hiervoor zijn in 2025 middelen aan de provincies beschikbaar gesteld. Daarnaast is dit jaar een tweede financiële impuls gegeven aan het herstel en de aanleg van landschapselementen via het Aanvalsplan Landschap en op gronden van Staatsbosbeheer. Hiermee wordt naar schatting 350 hectare landschapselementen gerealiseerd.

Om provincies, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Defensie op weg te helpen bij het herijken van Natura 2000-gebieden, heeft het kabinet dit voorjaar een beleidskader doelwijziging gepubliceerd (Beleidskader Doelwijziging | natura 2000).Voortouwnemers hebben dit najaar enkele casussen ingediend, waar een wijziging kan leiden tot een netto betere bescherming van de natuur met minder kosten. Ook heeft het kabinet gewerkt aan het actualiseren van landelijke doelen voor de soorten en habitats uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR). Daarnaast heeft Nederland gereageerd op het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie ten aanzien van de grutto. Als onderdeel daarvan is de grutto als beschermde vogel toegevoegd aan 25 Natura 2000-gebieden.

In 2025 is Nederland gestart met de voorbereidingen voor de implementatie van de Natuurherstelverordening (NHV), onderdeel van de Europese Biodiversiteitsstrategie. Europese lidstaten moeten uiterlijk 1 september 2026 een concept-Natuurplan2indienen bij de Europese Commissie (EC) om hier invulling aan te geven. Hierin wordt nauw samengewerkt met onder andere de ministeries van VRO, IenW, KGG en Defensie, en de koepels IPO, VNG en UvW. Daarnaast is in 2025 een serie van brede stakeholderbijeenkomsten georganiseerd, om het maatschappelijk middenveld te informeren over, en te betrekken bij de totstandkoming van het Natuurplan.

De NHV vereist aanvullende structurele natuurmonitoring. Om dit voor te bereiden zijn er in 2025 meerdere onderzoeken uitgezet, onder anderen ten aanzien van marine ecosystemen, bossen en bestuivers. Deze monitoring is aanvullend op de bestaande natuurmonitoring. In 2025 heeft het kabinet hiervoor ingezet op een verbetering van de natuurmonitoring. In het Verbeterprogramma VHR Monitoring is gewerkt aan de ontwikkeling van betere en meer uniforme monitoring van maatregelen, omgevingscondities, soorten en habitattypen. Ook zijn er pilots voor bodemmonitoring uitgevoerd. Daarnaast is De Nationale Databank Flora en Fauna publiek opengesteld.

Het kabinet heeft in 2025 het Nationaal Biodiversiteit Strategie- en Actieplan (NBSAP) afgerond, met de Kamer gedeeld (Kamerbrief 26 407, nr. 155), en ingestuurd aan het secretariaat van het VN Biodiversiteitverdrag. Het Biodiversiteitsplan laat zien hoe Nederland bijdraagt aan de internationale biodiversiteitsdoelen. Internationaal zijn er 23 actiedoelen voor 2030 overeengekomen, die bijdragen aan het bereiken van biodiversiteitsherstel in 2050. Het gaat hier om brede opgaves, die laten zien dat het herstel van biodiversiteit niet alleen gaat over natuurbeheer.

In 2025 heeft de staatssecretaris van LVVN uitvoering gegeven aan activiteiten uit de Landelijke Aanpak Wolven. In dit jaar is het Landelijk Informatiepunt Wolven van start gegaan, een website met feitelijke en actuele informatie over wolven in Nederland. Daarnaast zijn in 2025 de eerste middelen overgemaakt naar de provincies ten behoeve van veebeschermingsinitiatieven. Ook heeft Wageningen University & Research in opdracht van de staatssecretaris het rapport «Gunstige referentiewaarden voor de wolf in Nederland» gepubliceerd.

In goede samenwerking met faunabeheerders is een traject in gang gezet om te komen tot een stelselwijziging jacht en faunabeheer. Aanleiding daarvoor is een aantal ontwikkelingen, waaronder een ongunstige staat van instandhouding van jachtsoorten, een uitspraak van de Raad van State over de landelijke vergunningvrije gevallen en oplopende kosten voor tegemoetkomingen in faunaschade. De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer in 2025 (Kamerbrief 33 576, nr. 459) geïnformeerd over de voortgang van de stelselwijziging. Vervolgens heeft de Tweede Kamer een motie (nr. 33576-455) aangenomen die oproept het stelsel door een externe partij te laten evalueren en gedurende de evaluatie geen onomkeerbare stappen te zetten. In afstemming met provincies en met input van de verschillende stakeholders is een uitvraag voor een evaluatie opgesteld. De evaluatie beslaat het gehele stelsel, van beleid tot uitvoering, met daarbij speciale aandacht voor het effect op dierenwelzijn, de financiële aspecten en de uitvoerbaarheid. Gezien de uit de hand lopende schade voor verschillende provincies is ook besloten de gans uit de stelselherziening te halen en met meer spoed hiermee aan de gang te gaan.

In 2025 is gewerkt aan het Landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De Kamer is hierover enkele keren geïnformeerd (Kamerbrief 33 576, nr. 443, Kamerbrief 33 576, nr. 451 en Kamerbrief 33 576, nr. 467). Het aanvalsplan bouwt voort op de Contouren van het Landelijk aanvalsplan invasieve exoten (Kamerstuk 26 407, nr. 154), waarover in april 2025 een technische briefing is gehouden met de vaste Kamercommissie voor LVVN. Met de provincies zijn landelijke afspraken gemaakt over de inzet van de provincies op invasieve exoten. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan. In de laatste maanden van 2025 heeft op bestuurlijk niveau succesvol besluitvorming plaatsgevonden met de betrokken overheden en is het aanvalsplan vastgesteld in de laatste ministerraad van 2025.

Binnen het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeft (OBUR) draagt het ministerie van LVVN bij aan onderzoeken, pilots en innovaties om tot een beheersingsaanpak van deze soort te komen. Met het ministerie van IenW, het IPO en de UvW is intensieve afstemming geweest over de verantwoordelijkheidsverdeling en bijbehorende financiering van beheersmaatregelen van uitheemse rivierkreeften.

Voor de grote wateren lag het accent op de voortzetting van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). In het najaar van 2025 is de doorlaat in het dijktraject Lauwersmeer – Vierhuizergat feestelijk geopend. Waterveiligheid en natuurversterking via de PAGW zijn daarmee gecombineerd. Ook is de pilot Buitendijkse slibsedimentatie Eems-Dollard gerealiseerd. Tevens is de samenwerkingsovereenkomst voor het Platform IJsselmeergebied ondertekend. Hierin zijn natuur, ecologie en biodiversiteit benoemd als belangrijke kernwaarde. In de Zuidwestelijke Delta hebben LVVN en IenW ingestemd met de préverkenning naar Vis en Vogels, evenals voor de pilot Ontwikkeling van integrale gebiedsconcepten in de Welzinge en Schorerpolder. Voor de Grote Rivieren is in het kader van PAGW en Ruimte voor de Rivier 2.0, het programma Integraal Riviermanagement ondertekend en gestart. De PAGW préverkenningen Biesbosch Rijn- Maasmonding en de Gemeenschappelijke Maas zijn afgerond.

LVVN is verantwoordelijk voor de trilaterale Waddenzee-samenwerking met Duitsland en Denemarken. In oktober 2025 is de 16e editie van het trilaterale International Scientific Wadden Sea Symposium georganiseerd in Groningen. De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over het Unesco State of Conservation-rapport Waddenzee Werelderfgoed (Kamerstuk 32 725, nr. 6; 32725, nr. 7 en 33 576, nr. 467). Tevens is de Tweede Kamer geïnformeerd over de evaluatie van de Beheerautoriteit Waddenzee (Kamerstuk 29 684, nr. 279). Ook is er samen met de Beheerautoriteit geïnvesteerd in de natuur via middelen van de Restopgave Natuur Waddenzee en het Ecologisch Impulspakket Waddenzee (Kamerstuk 33 576, nr. 403), om de natuur- en landschapswaarden die de Waddenzee tot een uniek ecologisch systeem maken te herstellen.

In 2025 heeft LVVN zich ingezet voor herstel van het marien ecosysteem om te komen tot robuuste Noordzeenatuur. Zo is samen met de relevante stakeholders bodembescherming in het beschermde Natura 2000-gebied Doggersbank gerealiseerd via Europese regelgeving. Ook is er met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gewerkt aan de totstandkoming van Mariene Strategie deel 1. Dit houdt de beoordeling van de milieutoestand van het mariene milieu en de milieudoelen in, om te komen tot een goede milieutoestand van het mariene milieu (zodat voldaan wordt aan de verplichting van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie).

Ook in het Caribisch gebied zijn stappen gezet in het natuurbeleid. Zo is de eerste fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan (NMBP) Caribisch Nederland (2020-2030) eind 2025 afgesloten. De evaluatie van deze fase is samen met de Staat van de Natuur Caribisch Nederland op 8 juli 2025 aan de Kamer aangeboden (Kamerbrief 26 407, nr. 461). Hieruit blijkt dat fase 1 een solide basis heeft gelegd, dat er zichtbare verbeteringen zijn in natuur- en milieubeheer, maar dat de staat van instandhouding van de natuur nog steeds ongunstig is. De aanbevelingen van de evaluatie zijn dit jaar in samenwerking met de eilanden uitgewerkt. Met behulp van lokale expertise zijn benodigde middelen voor de tweede fase van het NMBP geïnventariseerd. Er zijn drie scenario’s ontwikkeld waarin de doelstellingen in toenemende mate kunnen worden gehaald. Door het nieuwe kabinet (of tijdens de kabinetsformatie) zal besloten worden met welke ambitie het NMBP zal worden uitgevoerd.

Vitaal landelijk gebied

Het kabinet heeft in 2025 gewerkt aan de grote opgaven in het landelijk gebied. Dat gebeurt op uitvoeringsgerichte wijze, met de kracht van de regio's en agrarische ondernemers om ons platteland leefbaar te houden, en binnen de schaarse ruimte die er in Nederland is.

Het kabinet heeft in 2025 de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN) verder uitgewerkt en onderdelen ervan in uitvoering gebracht (Kamerbrief 35 334, nummer 415). Allereerst heeft het kabinet in de Ontwerp-Nota Ruimte richtinggevende ruimtelijke keuzes voor landbouw en natuur opgenomen, onder meer voor de gebieden met bijzondere opgaven. Hiermee geeft het kabinet verdere richting aan medeoverheden en ondernemers voor onder andere de overgangszones rondom Natura 2000-gebieden, veenweiden, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden.

Daarnaast is het kabinet, samen met de medeoverheden, gestart met de extra rijksinzet voor gebieden en boerenerven. Het doel van deze aanpak is om, met focus op de gebieden met de grootste opgaven, de uitvoering te versnellen en te versterken. LVVN levert, samen met I&W, inzet in vijf clustergebieden: Veluwe, Peel, Noordwest-Overijssel, Groene Hart en Hart van het Noorden. In het najaar zijn de eerste resultaten behaald mede dankzij de inzet van zes Rijksuitvoeringsorganisaties in het fysieke domein (samengebracht in het Rijksuitvoeringsnetwerk Landelijk Gebied). In deze gebieden werkt LVVN, onder regie van de provincies, ook aan versnelde uitvoering van de provinciale versnellings- en koplopermaatregelen die bijdragen aan de realisatie van de natuur-, water- en klimaatopgaven.

LVVN zet stappen in het verbeteren van beleid door meer aandacht te besteden aan de uitvoering. Het kabinet benadrukt het belang om te werken vanuit de praktijk op het erf en in het gebied, waarbij de boer zelf aan het roer staat. In 2025 heeft het kabinet de inzet van ondernemersgerichte ondersteuning verder gebracht om bij te dragen aan de beweging richting toekomstbestendige bedrijfsvoering.

De inzet van zaakbegeleiders en de maatwerkaanpak hebben we verbreed, en de inzet van de ondernemingsplan-aanpak verder ontwikkeld. Deze zijn onderdeel van de hierboven beschreven extra rijksinzet voor gebieden. Zo ondersteunen we agrarische ondernemers, juist in de gebieden waar zij voor de grootste opgaven staan.

LVVN heeft als ‘Rijkstrekker’ van drie NOVEX-gebieden in 2025 samen met de gebiedspartners en medeoverheden verder gewerkt aan de Regionale Investeringsagenda's (RIA's). De RIA Arnhem-Nijmegen-Foodvalley is in voorbereiding, de RIA Groene Hart is eind 2025 vastgesteld en begin 2025 is gestart met de uitvoering van de RIA De Peel.

Voor de realisatie van doelen in het landelijk gebied en de toekomst van de landbouw is grondmobiliteit een sleutelfactor. In 2025 heeft de Nationale Grondbank (NGB) van LVVN op verzoek van provincies meerdere aankooptrajecten afgerond en opgestart, dit betreft zowel alleen grond als agrarische bedrijfslocaties met grond. Aankopen door de NGB zijn op basis van vrijwilligheid en tegen marktconforme prijzen.

Het legaliseren van PAS-meldingen blijft onverminderd prioriteit van LVVN. In 2025 is een zestal PAS-melders gelegaliseerd waardoor het totaal aantal PAS-melders met een onherroepelijke vergunning uitkomt op veertien. Om aan alle PAS-melders een oplossing te kunnen bieden is in 2025 het Wetvoorstel Maatwerkaanpak PAS-melders door de Tweede Kamer aangenomen en aangeboden aan de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel heeft als doel om de wettelijke termijn van het legalisatieprogramma met drie jaar te verlengen tot 2028 en de aanpak te verbreden naar meer verschillende type oplossingen waarmee de activiteiten van PAS-melders legaal worden gemaakt.

Voor een toekomstbestendig landelijk gebied is het noodzakelijk om niet alleen oog te hebben voor fysieke, maar ook voor sociaaleconomische opgaven (brede welvaart). LVVN werkt daarom samen met het ministerie van BZK aan de regiodeals en het Nationale Programma Vitale Regio’s. Hiermee zet het kabinet in op het versterken van de vitaliteit van de regio, bijvoorbeeld door het vergroten van de brede welvaart.

Klimaatopgave Landbouw en Landgebruik

De Klimaat- en Energieverkenning van 2025 laat zien dat de emissies die vrijkomen in de processen van de veehouderij (methaan, lachgas) licht zijn gedaald door een iets kleinere veestapel, maar dat de kans erg klein is dat de klimaatdoelen voor landbouw (excl. glastuinbouw) en landgebruik voor 2030 gehaald worden. Voor de klimaatopgave van de landbouw en landgebruik zijn er meekoppelkansen met het MCEN-pakket dat het kabinet in 2025 heeft gepresenteerd, waaronder de middelen voor een vrijwillige extensiveringsregeling en voor een vrijwillige beëindigingsregeling in het startpakket van april 2025. Tevens zijn er stappen gezet voor de verdere ontwikkeling van bedrijfsgerichte doelsturing, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen voor klimaat en stikstof. Zoals eerder vermeld zijn er daarnaast besluiten genomen over maatregelen om de emissies in de glastuinbouw te verlagen.

In 2025 heeft LVVN binnen de Actieprogramma’s voor klimaatadaptatie in de landbouw en natuur stappen gezet om agrarische ondernemers en terreinbeheerders te ondersteunen bij de uitdagingen waar zij voor staan door de gevolgen van een veranderend klimaat, zoals verzilting en langere perioden van droogte of overvloedige neerslag. De inzet is gericht op preventieve, adaptieve maatregelen, alsook de Brede weersverzekering voor resterende schade. Daarvoor zijn dit jaar onder andere enkele nieuwe kennisproducten en tools opgeleverd, waaronder de storymap klimaatkwetsbare landbouwgebieden en de kennisagenda verzilting en zoute landbouw, en is bijgedragen aan de ontwikkeling van de Nationale klimaatadaptatiestrategie gericht op 2050.

Dwarsdoorsnijdende thema’s

Europese en internationale inzet

Het kabinet heeft zich ook in 2025 actief opgesteld om in de EU de Nederlandse inzet op diverse LVVN-dossiers verder te brengen. De minister en staatssecretaris hebben daarover regelmatig gesprekken gevoerd met de relevante Eurocommissarissen en ambtsgenoten van lidstaten. Zoals hiervoor vermeld, is op het mestdossier een belangrijke stap gezet met de positieve stemming in het nitraatcomité over Renure. Ook is mede dankzij de Nederlandse inzet een voorlopig akkoord bereikt over het voorstel voor een Verordening voor Nieuwe Genomische Technieken.

Het kabinet wil bij de nationale implementatie van Europese regelgeving nationale koppen zoveel mogelijk voorkomen. Van «een nationale kop» is sprake als Nederlandse regelgeving nadelige gevolgen heeft voor het Nederlandse bedrijfsleven en die verder gaat dan waartoe een EU-richtlijn verplicht, die precies dezelfde materie regelt. Als onderdeel van de aanpak voor het verlagen van regeldruk bij (agrarische) ondernemers hebben de minister en staatssecretaris zich er daarom ook in 2025 voor ingezet om zulke nationale koppen te verminderen.

Op 4 juni 2025 heeft de Europese Commissie, in het kader van het Europees Semester, gevraagd de aanbevelingen uit het Herstel- Veerkrachtplan snel te implementeren én verdere inspanningen te leveren op het gebied van duurzame landbouw. Het Herstel- en Veerkrachtplan is een uitwerking van de in 2021 ingestelde Europese Herstel- en Veerkrachtfaciliteit en van de maatregelen uit 2023 om de EU minder afhankelijk te maken van Russisch gas (REPowerEU). LVVN voert dit plan uit via het Programma Natuur en de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (SRV). De SRV is inmiddels succesvol afgerond en in 2025 heeft de uitbetaling plaatsgevonden. Programma Natuur zal onderdeel zijn van zowel het vierde als het vijfde betaalverzoek, welke beide gepland staan in 2026.

Kennis en innovatie

Kennis en innovatie vormen een onmisbaar spoor om onze maatschappelijke doelen te halen. Daarom heeft LVVN ook het afgelopen jaar fors ingezet op het ontwikkelen van kennis, het verspreiden van ideeën en oplossingen, de ontwikkeling van mensen als dragers voor de vernieuwing, en in het realiseren van (technologische en sociale) innovatie in de praktijk. Door te investeren in een solide kennisbasis en die actief te benutten, versterken we het beleid en ondersteunen we de ontwikkeling van een duurzame en veerkrachtige landbouw, visserij en natuurbeheer. Tegelijk helpen we zo om knelpunten bij bedrijven op te lossen en maatschappelijke doelen dichterbij te brengen. In 2025 is een nieuw meerjarig programma bij Wageningen Research van start gegaan om de kennisbasis in het groene domein verder te versterken.

Als onderdeel van de Kennis- en Innovatieagenda Landbouw, Water en Voedsel heeft LVVN in 2025 geïnvesteerd in de doorontwikkeling van robots, weerbare teeltsystemen en andere innovaties, bijvoorbeeld vanuit het nieuwe ‘Innovatieprogramma robots naar de boerenpraktijk’. Daarmee is het bewustzijn over de mogelijkheden van robotisering en digitalisering in de sectoren vergroot. Ook heeft LVVN in 2025 extra onderzoeksactiviteiten opgestart met als doel gewassen en teeltsystemen beter bestand te maken tegen hoge temperaturen, ziekten en plagen.

Binnen de KIA LWV is verder geïnvesteerd in innovaties en kennis over duurzamere visserijmethoden om de visserijsector te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een meer sociaal, economisch en ecologisch duurzame sector, zowel in het zoete als het zoute water. Deze investeringen worden ook gedaan in kennis van het aquatische en terrestrische ecosysteem om de basis beter te beschermen en te herstellen. Dit laatste is ook van belang voor de onderbouwing voor het nationale natuurherstelplan dat wordt ontwikkeld.

Binnen het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) is een systematiek ontwikkeld voor doelvoorschriftenvergunningen, waarbij op stalniveau de ammoniakemissie continu wordt gemeten met sensoren. Bij deze vergunningen is de veehouder vrij in hoe het emissieplafond behaald wordt: behalve met technische stalmaatregelen kan dit ook met managementmaatregelen. Vanuit het NKS ondersteunen we deze vergunningen met technische-, data- en juridische kennis. Dit is gebeurd bij de totstandkoming, maar zal ook het geval zijn wanneer deze vergunningen bij de Rechtbank zullen voorliggen. Of deze manier van vergunningverlening standhoudt zal blijken bij de eerste uitspraken.

In 2025 zijn de eerste drie experimenteerlocaties geselecteerd via de subsidieregeling experimenteerlocaties. Op deze locaties werken agrarische ondernemers en kennisinstellingen aan het ontwikkelen van kennis en innovaties voor een toekomstbestendige landbouw. Daarnaast is het Nationale Platform Experimenteerlocaties gestart waar de kennis uit de experimenteerlocaties wordt gedeeld. Via vier modules van de Subsidieregeling samenwerken aan innovatie (EIP-regeling) zijn landbouwinnovaties gestimuleerd, evenals de overdracht en verspreiding van kennis over praktijkgerichte innovaties in de agrarische sector.

Het Nationaal Groeifonds Project Holomicrobioom is een initiatief van ruim 40 private en 14 publieke partners, dat eind 2025 van start is gegaan. Het onderzoek richt zich op het in kaart brengen van interacties binnen en tussen microbiomen van mens, dier, plant, bodem en water. De uitkomsten zijn van grote waarde voor vernieuwende interventies in bijvoorbeeld de diervoederindustrie en bodem- en waterbeheer.

In vervolg op de kabinetsreactie op het SER-advies ‘Werken aan veranderkracht’ (Kamerstuk 36600-XIV, nr. 85) heeft LVVN in 2025 afspraken gemaakt voor een nieuwe fase van het Groenpact.3De onderwijsinstellingen, werkgevers en werknemers in de groene sectoren en de overheid gaan hierin samenwerken aan een toekomstbestendig voedselsysteem, sterke natuur en een vitaal platteland. De focus ligt daarbij op het aantrekken en behouden van vakmensen, het meenemen van de sector in technologische ontwikkelingen en betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Het voedseleducatieprogramma Jong Leren Eten heeft in 2025 samen met vele partners gewerkt aan voedseleducatie in met name de kinderopvang en het primaire onderwijs. Het programma is verlengd tot en met 2028. Daarnaast is het programma DuurzaamDoor afgerond en is de basis gelegd voor een nieuwe aanpak om met sociale innovatie vernieuwingen te stimuleren.

Uitvoering en toezicht

Voor uitvoering en toezicht werken we samen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De staatssecretaris van LVVN is verantwoordelijk voor de NVWA en opdrachtgever van de RVO.

De NVWA houdt toezicht om de publieke belangen op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid, voedselveiligheid, plantgezondheid en natuur en milieu te borgen. Dit toezicht is risicogericht en zorgt er daarbij voor dat aan (inter)nationale wettelijke verplichtingen wordt voldaan. De regelgeving waarop de NVWA toezicht houdt bestaat hoofdzakelijk uit middelvoorschriften. De overgang naar doelsturing, op basis van nog te formuleren eindresultaten, zal gevolgen hebben voor het toezicht. De NVWA bereidt zich samen met LVVN hierop voor. De NVWA innoveert om het toezicht doeltreffender en met meer impact uit te voeren.

De NVWA heeft de afgelopen jaren een stevige organisatieontwikkeling doorgemaakt. Ondanks de krappe arbeidsmarkt zijn nieuwe medewerkers aangenomen. Sinds 1 januari 2025 zijn ruim 300 medewerkers van Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector B.V. (KDS) die werkzaam zijn in slachthuizen, ondergebracht bij de directie Slachttoezicht.

RVO en NVWA kunnen hun huidige taken uitvoeren binnen de beschikbare middelen. Wanneer taken worden uitgebreid of nieuwe taken worden toegevoegd, zijn keuzes noodzakelijk: meer budget of het verminderen van bestaande taken. LVVN heeft hiervoor voor RVO een systematiek van portfoliomanagement ingevoerd, zodat het opdrachtenportfolio gericht kan worden aangescherpt. Voor de NVWA is portfoliomanagement nog in ontwikkeling.

3.1 Realisatie periodieke rapportages

BD Land- en tuinbouw 21, 24 X1 0 0 0 0 0 0 2019Z25391&did=2019D52259">Beleidsdoorlichting agrobeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal
BD Natuur 22, 24 0 0 X2 0 0 0 0 2021Z21801&did=2021D46475">Beleidsdoorlichting Natuur en biodiversiteit | Tweede Kamer der Staten-Generaal
PR Kennis en innovatie 23 0 0 0 0 0 0 X 2025Z13629&did=2025D30891">Periodieke rapportage innovatiebeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal
  1. De periodieke rapportage land- en tuinbouw is in 2025 uitgevoerd, oplevering van het rapport wordt begin 2026 verwacht.
  2. Na de vorige doorlichting is Visserij een zelfstandig beleidsthema geworden en niet langer onderdeel van het thema Natuur.

Voor het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link. Voor de realisatie van andereonderzoeken, zie bijlage 3 van dit jaarverslag: «Afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

3.2 Overzicht van risicoregelingen

Art. Omschrijving 2024 2025 2025 2025 2025
21 Borgstelling MKB- Landbouwkredieten 231.302 13.344 45.156 199.491 120.000
22 Garantie voor natuurgebieden en landschappen 223.060 0 18.657 204.403 204.403
22 Klimaatfonds groenfonds garantie 41.616 0 6.213 35.403 56.000 1.552
Totaal 495.978 13.344 70.026 439.297 260.403
Art. Omschrijving 2024 2024 2025 2025
21 Borgstelling MKB- Landbouwkredieten 210 737 0 616
22 Garantie voor natuurgebieden en landschappen 0 0 0 0
22 Klimaatfonds groenfonds garantie 0 199 0 274
Totaal 210 936 0
Datum 31-12-2023 31-12-2024 31-12-2025
Artikel 21 Land- en tuinbouw Wageningen Research 13.954 11.154 8.354 tot en met 2027
Artikel 21 Land- en tuinbouw Wageningen Research 6.458 5.501 4.544 tot en met 2029
Artikel 21 Land- en tuinbouw Wageningen Research 1.454 1.267 1.080 tot en met 2030
21.866 17.922 13.978

3.3 Openbaarheidsparagraaf

Dit is de openbaarheidsparagraaf bij het jaarverslag van 2025 van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de bijbehorende concernonderdelen.4 Met deze openbaarheidsparagraaf laten we zien welke activiteiten zijn uitgevoerd op het gebied van openbaarmaking en informatiehuishouding. Zo maken we de omslag naar een meer open departement. De ministeries EZ, KGG en LVVN werken vanuit een gezamenlijke bedrijfsvoering aan deze opgave.

Openbaarmaking

Openbaar maken van overheidsinformatie vraagt continu aandacht en dialoog. Hoe verbeteren we onze interne processen om te voldoen aan wetgeving en recht te doen aan de doelstelling van die wetgeving? Hoe kan Artificiële Intelligentie (AI) ons op een verantwoorde manier helpen? Welke invloed heeft de geopolitieke context op wat we openbaar maken? En hoe gaan we om met zeer omvangrijke en complexe Woo-verzoeken? Om goed invulling te geven aan deze vraagstukken zijn in 2025 de onderstaande activiteiten uitgevoerd en resultaten behaald.

  1. Besluit tot centrale directie openbaarheid. Voor de kerndepartementen is het besluit genomen om een centrale directie op te richten voor strategie, beleid en uitvoering rondom openbaarmaking. De werkzaamheden van het huidige programma zullen hierin opgaan na de afronding van de programmafase Open Overheid.
  2. Passieve openbaarmaking. Voor het versnellen van het Woo-proces is gewerkt aan een werkwijze voor centraal zoeken van informatie, de implementatie van nieuwe laktooling, het verbeteren van processtappen, de inzet van een extern bureau en het opleiden van medewerkers. Tevens is gewerkt aan het verantwoord inzetten van AI om het Woo-proces te versnellen. Ook is er een beslishulp voor de voorinzage onder geheimhouding ontwikkeld en een succesvolle pilot gedraaid om de betrokkenheid van het management bij Woo-verzoeken te verbeteren. In 2025 is de procedure voor het uitvragen van zienswijze bij het openbaar maken van emissiegegevens aangepast. Dit heeft onder andere geleid tot Woo-verzoeken over dit proces, twee bemiddelingen van het ACOI en juridische processen.
  3. Verplicht actieve openbaarmaking informatiecategorieën. De focus voor verplicht actieve openbaarmaking lag op de voorbereiding van het openbaar maken van de volgende tranche informatiecategorieën (tranche 2). Onder deze tranche vallen bijvoorbeeld de openbaarmaking van Woo-verzoeken en -besluiten, adviezen en jaarverslagen. Onderdeel van de voorbereiding is het inregelen van technische randvoorwaarden conform Woo publicatie-eisen en het beschikbaar stellen van hulpmiddelen voor medewerkers. Zo zorgen we dat deze informatiecategorieën straks goed vindbaar, doorzoekbaar en raadpleegbaar zijn op open.overheid.nl. Parallel is gewerkt aan de voorbereiding van tranche 3 en 4 door de hierbij behorende publicatieprocessen door te lichten.
  4. Inspanningsverplichting actieve openbaarmaking. Om in de toekomst meer en gerichter informatie proactief openbaar te maken, zijn een richtlijn en afwegingskader in de praktijk getoetst bij verschillende dossiers. De praktijkervaring bij het dossier Kernenergie (KGG) heeft bijvoorbeeld meer inzicht gegeven in de proceskant van het publiceren. Aanvullend wordt periodiek de maatschappelijke informatiebehoefte in kaart gebracht. Dit dient als basis om gerichter informatie actief openbaar te maken.
  5. Beslisnota’s. Naar aanleiding van het onderzoek van Centerdata over de ervaringen rondom de openbaarmaking van beslisnota’s is op het departement het verdiepende gesprek gevoerd over hoe meer uniformiteit kan worden aangebracht in de werkwijze en de transparantie kan worden vergroot. Dit gesprek wordt voortgezet in 2026, waarbij de uitkomsten hiervan worden meegenomen in de interdepartementale dialoog en aanstaande kabinetsreactie.
  6. Opleidingsplan. Het ontwerp van het opleidingsplan openbaarmaking is opgeleverd en getoetst. Het doel hiervan was om kennis en vaardigheden van beleidsmedewerkers te versterken met betrekking tot de Woo. De belangrijkste uitkomst: de praktijkgerichte training, de Woo-Express, vergroot het kennisniveau en handelingsvermogen van beleidsmedewerkers. Ook werkt integratie van openbaarmaking in bestaande trainingen goed en biedt vernieuwde onboarding kansen voor structurele borging. Deze activiteiten worden daarom structureel ingebed in de organisatie.
  7. Datalek metadata. Begin april 2025 is er een Rijksbreed datalek ontdekt waar dit ministerie ook door geraakt is. In de metagegevens van documenten die actief openbaar worden gemaakt waren persoonsgegevens te vinden. Inmiddels is dit datalek gedicht door reeds gepubliceerde documenten te schonen van metagegevens. Bij nieuw te publiceren documenten worden metagegevens handmatig ontdaan van persoonsgegevens in afwachting op een structurele Rijksbrede oplossing.

Informatiehuishouding

Het op orde zijn van de informatiehuishouding (IHH) is een belangrijke randvoorwaarde voor het goed functioneren van het ministerie. De roep om verbetering van de informatiehuishouding blijft groot, net zoals de welwillendheid om hier stappen in te zetten. Hiervoor is in 2025 gewerkt aan de volgende activiteiten en zijn onderstaande resultaten behaald:

  1. Groeiplan IHH. Het Groeiplan IHH geeft voor de kerndepartementen een praktische invulling aan de actielijnen uit het generieke actieplan ‘Open op orde’. De implementatie van de projecten uit het groeiplan ondersteunt de ambitie van de kerndepartementen om eind 2026 op een volwassenheidsscore van 3,0 uit te komen. Dit volwassenheidsniveau betekent dat de organisatie inzicht, overzicht en grip heeft op informatie en dat medewerkers weten wat hun verantwoordelijkheid is ten aanzien van die informatie.
  2. Informatieprofessionals. Voor het versterken van de rol en vaardigheden van (informatie)professionals is dit jaar het opleidingsplan ‘Goed omgaan met Informatie’ ontwikkeld en met de bijbehorende leerinterventies getoetst. Implementatie van dit opleidingstraject volgt in 2026, zodat alle medewerkers weten waarom en hoe ze documenten moeten opslaan. Wegens groot succes zijn in 2025 de archiefdagen en opruimdagen gecontinueerd.
  3. Volume en aard van informatie. Met behulp van informatiebeheerplannen werken we aan overzicht waar informatie te vinden is, wie toegang heeft en hoe informatie wordt beheerd. Bij de kerndepartementen hebben directies hun informatiebeheerplannen en bijbehorende verbeterplannen conform planning opgeleverd. Op basis hiervan is een top 9 van meest voorkomende verbeterpunten opgesteld zoals het kennisniveau van medewerkers over IHH en het hebben van werkafspraken binnen directies. Deze verbeterpunten vormen belangrijke input voor de prioritering op IHH in het nieuwe jaar.
  4. Informatiesystemen. Om ervoor te zorgen dat ICT-systemen zoveel mogelijk de organisatie en werkprocessen ondersteunen, is een richtlijn opgeleverd en DUTO-check uitgevoerd in samenwerking met het Nationaal Archief (duurzame toegankelijkheid van informatie). Tevens is er een toolkit opgeleverd om bij (nieuwe) processen eerder rekening te houden met de informatieketen en de waarde van informatie die openbaar gemaakt moet worden. De werking van het systeem SIRIS is sterk verbeterd door de uitgevoerde upgrade. Aansluitend zijn verdere verbeteringen doorgevoerd.
  5. Bestuur en naleving. Op dit onderdeel is gewerkt aan de vernieuwing van de Regeling Informatiebeheer. Dit is de juridische grondslag van de visie en inrichting van de IHH-organisatie ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige informatiehuishouding. Ook is er een handreiking ontwikkeld voor een kwaliteitssysteem. Deze handreiking wordt uitgewerkt tot een kader voor het hele concern. Andere activiteiten waren de start van het platform informatiehuishouding en het vaststellen en publiceren van hotspots op de website van het Nationaal Archief. Een hotspot is een onderwerp met veel maatschappelijke impact en aandacht, waarvan de informatie eeuwig wordt bewaard. Verdere implementatie van de Regeling Informatiebeheer en inrichting van de IHH-organisatie en kwaliteitssysteem volgen in 2026.
  6. N-meting. Op basis van de jaarlijkse n-meting (in 2025 de 4-meting) is het volwassenheidsniveau van de IHH gemeten voor kerndepartementen en concernonderdelen. De gemiddelde score van het concern was voor 2025 een 2,40. Daarmee is er een verbetering ten opzichte van de score 2,27 uit 2024, maar blijkt ook dat er nog belangrijke verbeterstappen moeten worden gezet.

Overkoepelende activiteiten

  1. Netwerk informatiehuishouding, openbaarmaking en transparantie. In het najaar heeft de vierde editie van de Week van de Transparantie plaatsgevonden. Met een divers programma is ingezet op zowel bewustwording, inhoudelijke verdieping en waardering voor professionals op IHH en openbaarmaking. De week maakt onderdeel uit van verschillende communicatie- en netwerkactiviteiten gedurende het jaar. Zo zijn er de maandelijkse ‘Denk, deel en doe mee’-bijeenkomsten voor kennisuitwisseling en het versterken van samenwerking. Aan de orde kwamen de nieuwe ambtseed en de ontwikkeling van AI-tool voor een effectief Woo-proces.
  2. Werkbijeenkomst concernonderdelen. Tijdens de fysieke werkbijeenkomst met alle concernonderdelen is door middel van workshops en sprekers extra geïnvesteerd in de samenwerking en kennisuitwisseling tussen de kerndepartement en concernonderdelen.
  3. Rondetafelgesprek journalisten. In het voorjaar is er opnieuw een rondetafelgesprek georganiseerd met journalisten. Dit zorgde aan beide kanten voor meer bewustwording, begrip en verbeterpunten. De resultaten van dit gesprek nemen we mee als waardevolle input voor het verder verbeteren van de Woo-processen binnen het ministerie.

Financiële toelichting

Bovenstaande activiteiten worden deels gefinancierd uit de gelden die beschikbaar zijn gesteld voor de acties die volgen uit de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (vanaf 2021) en Woo-gelden (vanaf 2022) en deels uit eigen middelen van het departement. Het totaalbudget wordt gestuurd en verantwoord vanuit een integrale visie op beide thema’s en voor de drie departementen EZ, LVVN en KGG.

De POK- en Woo-gelden zijn meerjarig toegekend door het ministerie van BZK. In 2025 was er vanuit POK- en Woo-gelden een totaalbudget van ruim € 24,3 mln. (integraal voor EZ, KGG en LVVN). Van dit budget was al eerder voor 2025 € 7,3 mln. toegekend aan concernonderdelen. Deze toekenningen zijn meerjarig doorgevoerd voor de planperiode t/m 2026.

In 2025 zijn de gelden conform budget besteed. Daarbij zijn er onderlinge verschuivingen tussen de verschillende budgetposten. Belangrijkste oorzaken hiervoor zijn dat enkele kosten lager zijn uitgevallen dan voorzien en dat een aantal projecten is opgeschoven in de tijd. Aan de andere kant zijn er ook extra initiatieven uitgevoerd en is op sommige trajecten juist versneld (met name binnen en tussen de concernonderdelen). Hierdoor is de totale realisatie conform budget.

3.4 Onderuitputting

Lbv-regelingen (Landelijke beëindigingsregelingen veehouderijlocaties) 483,4 10,2%
Apparaat 22,8 0,5%
Subsidieregeling brongerichte verduurzaming 19,9 0,4%
Grondbank 18,3 0,4%
Verplaatsingsregeling 17,4 0,4%
Overige onderuitputting 35,4 0,7%
Totaal 597,2 12,6%
  1. De onderuitputting betreft de som van onderuitputting bij 2e suppletoire begroting en slotwet.

Toelichting:

Lbv-regelingen

De voornaamste reden voor de hoge onderuitputting is dat veel ondernemers toch hebben besloten om zich terug te trekken. De systematiek van de regeling maakt dat de tweede deelbetaling 60% van de totale subsidiesom omvat. Doordat van een grote groep aanvragen de deadline voor de tweede deelbetaling in november/december 2025 lag, wordt een groot deel in 2026 uitbetaald in plaats van in 2025. In eerdere prognoses was er sprake van dat de ondernemers in 2025 zouden worden uitbetaald. Het feit dat dit niet is gebeurd, heeft geleid tot onderuitputting.

Apparaat

Er is sprake van een totale onderuitputting van € 22,8 mln. op het apparaatsbudget. Deze onderuitputting ontstaat voornamelijk op personeels- en personeelsgerelateerde budgetten. Zo werden vacatures minder snel vervuld dan verwacht. Wegens taakstellingen op het ambtenarenapparaat lopen de personeelsbudgetten af. De verwachting is dat de onderuitputting op het apparaatsbudget hierdoor zal afnemen in de komende jaren.

Subsidieregeling brongerichte verduurzaming (Sbv)

Er was € 60 mln. gereserveerd voor de openstelling van de Sbv regeling. Door weinig interesse is er voor € 15 mln. aan budget ingeschreven. Het eerste deel is al afgeboekt bij de 1e suppletoire begroting. Het tweede deel is als onderuitputting blijven staan op de begroting omdat er niet tijdig een ritme beschikbaar was voor het uitbetalen van deze regeling. Hierdoor was het niet meer mogelijk om ook deze middelen bij de 1e suppletoire begroting af te boeken.

Nationale Grondbank (NGB)

Door marktontwikkelingen en vertraging in uitvoering hebben minder trajecten tot aankoop geleid dan vooraf was verwacht. In de komende jaren zal de NGB grondaankopen blijven doen. Hier zullen middelen voor beschikbaar blijven.

Verplaatsingsregeling

De verplaatsingsregeling is lastig te ramen omdat de regeling nog openstaat tot en met medio 2027. De eerste module is inmiddels afgerond. Dat betekent dat er ongeveer honderd bedrijven hebben laten onderzoeken of verplaatsen voor hun bedrijf een optie is. Er kunnen zich nog steeds bedrijven aanmelden om te verplaatsen, waardoor er altijd budget klaar moet staan voor als er een aanvraag binnenkomt.

3.5 Focusonderwerp: Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld

Het focusonderwerp is dit jaar het thema ‘Risico’s voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld’. Daarbij heeft de Kamer verzocht om in de jaarverslagen 2025 in te gaan op ten minste drie concrete, budgettair omvangrijke en/of strategisch belangrijke (beleids)programma’s of overheidsactiviteiten die uit de verantwoording 2025 als hoog risico voor de goede inning en besteding van belasting- en premiegeld naar voren komen. Hieronder wordt ingegaan op 3 risico’s op het (beleids)terrein van LVVN.

  1. Onzekerheid kasritme en- uitputting beëindigingsregelingen
  2. Mestplafonds dreigen overschreden te worden
  3. Reorganisatie, risico impact op behalen beleidsdoelen

Onzekerheid kasritme en- uitputting beëindigingsregelingen

Beleidsdoel

Verduurzaming van de veehouderij en is stikstofdepositie te vermindering door de beëindiging van veehouderijlocaties.

LVVN voert beëindigingsregelingen uit (te weten de Lbv, de Lbv-plus, en de Lbv kleinere sectoren) voor veehouders die vrijwillig willen stoppen. Ondernemers doen vrijwillig mee aan deze regelingen; nadat zij een overeenkomst met het subsidiebedrag hebben ondertekend, kunnen ze zich alsnog later terugtrekken. Dit gebeurt ook daadwerkelijk, wat ertoe leidt tot dat er onderuitputting optreedt in een begrotingsjaar en financiële verplichtingen doorschuiven. Terugtrekking door ondernemers leidt ook tot lager geprognotiseerd doelbereik van deze regelingen. O.a. de stikstofuitstoot zal hierdoor minder afnemen dan waar ex ante rekening mee gehouden wordt. Verder blijkt dat overgebleven aanvragers die wel mee willen doen er langer over doen hun verzoek tot 2e deelbetaling in te dienen. Daarnaast zijn er ook de nodige uitstelverzoeken op die 2e deelbetaling zijn ingediend. Vertraagde indiening door ondernemers leidt ook tot langzamer geprognosticeerd doelbereik van deze regelingen. Onder andere de stikstofuitstoot zal hierdoor minder snel afnemen dan waar ex ante rekening mee gehouden wordt. Realiteit van hoe de regeling (termijnen en uitbetalingen van de voorschotten) is gemaakt, zorgt automatisch ook voor de grotere mate van onzekerheid wanneer precies de betalingen komen.

Maatregelen

In 2025 zijn extra financiële voortgangsrapportages opgevraagd bij RVO en is de financiële sturing verder aangescherpt. De RVO is continu bezig met het verder verfijnen van de prognoses. Het doel van deze intensivering is de betrouwbaarheid van de kasreeksen in de begroting te verhogen. Voor de financiële problematiek van over de jaargrens schuivende verplichtingen zijn aanvullende afspraken gemaakt in het kabinet. Hierdoor is het budgettaire risico verminderd.

Mestplafonds dreigen overschreden te worden

Beleidsdoel

Uitvoering geven aan de derogatiebeschikking 2022-2025 Nitraatrichtlijn.

Mestproductieplafonds dreigen overschreden te worden, daarmee wordt niet voldaan aan de voorwaarden van de Europese Commissie (EC) in de derogatiebeschikking 2022-2025. Dit heeft het risico dat de EC een inbreukprocedure begint.

Maatregelen

In de Kamerbrief over de aanpak mestmarkt (Kamerstuk 33 037, nr. 559) zijn maatregelen opgenomen om de mestproductie te verminderen via vrijwillige beëindigingsregelingen en het afromen van productierechten. Hier wordt ook in 2025 aan gewerkt, via afroming van fosfaatrechten en de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr). Overige mitigerende maatregelen zijn afhankelijk van een nieuw kabinet.

Reorganisatie, risico impact op behalen beleidsdoelen

Beleidsdoel

Diverse beleidsdoelen op het gebied van landbouw, natuur (klimaat, water, stikstof) en het landelijk gebied

In het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof is afgesproken om € 1 mld. structureel te bezuinigen op de apparaatsuitgaven van de ministeries. Voor LVVN betekent dit een oplopende taakstelling oplopend tot 14,3% structureel op het Kerndepartement LVVN vanaf 2029. Dit heeft geleid tot een reorganisatie bij LVVN, enerzijds om invulling te geven aan de taakstelling en anderzijds om een duurzame organisatie te creëren, gebaseerd op de taken van het ministerie. De organisatie wordt zo ingericht dat deze beter in staat is om succesvol beleid te ontwikkelen voor de complexe maatschappelijke opgaven waar LVVN voor staat: toekomstbestendig voedselsysteem, robuuste natuur en een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied. De doorlooptijd van de reorganisatie en de krimpopgave hebben echter impact op de organisatie en dit kan op korte termijn een risico vormen voor het behalen van de beleidsdoelen.

Maatregelen

Intern is er doorlopend aandacht voor de reorganisatie. Daarnaast wordt er gestuurd op heldere keuzes in taken om het invullen van de taakstelling mogelijk te maken.

Procestoelichting

Risicomanagement is sterk in ontwikkeling binnen LVVN en wordt verankerd in de interne sturingscyclus. Voor het opstellen van deze risicoparagraaf is gebruik gemaakt van interne analyses en de analyses van de Algemene Rekenkamer (o.a. uit de begrotingsbrieven over 2025 en 2026). De gekozen risico’s hebben een stempel gedrukt op het begrotingsjaar 2025 dat in het teken stond van mitigerende maatregelen op deze terreinen.

4. Beleidsartikelen

Artikel 21 Land- en tuinbouw

A. Algemene doelstelling

De Minister van LVVN streeft naar een weerbaar, veerkrachtig en veilig functionerend land- en tuinbouw- en voedselsysteem, dat internationaal concurrerend is, met aandacht voor dierenwelzijn, waarbinnen zorgvuldig wordt omgegaan met natuurlijke hulpbronnen en waar opbrengsten en reststromen zo efficiënt en hoogwaardig mogelijk worden (her)benut.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het zorgdragen voor een in ecologisch, maatschappelijk en economisch opzicht verantwoord functionerende land- en tuinbouw en voedselsector. Hiertoe stelt de Minister regels op en creëert hij voorwaarden die het mogelijk maken om vermijdbaar verbruik van grondstoffen terug te dringen en om de natuurlijke leefomgeving en de natuurlijke hulpbronnen (waaronder dierenwelzijn) te verbeteren.

De Minister is (mede)verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  1. Het versterken van de sociaaleconomische positie van de agrarische ondernemer als pijler onder een toekomstbestendige sector.
  2. Het stimuleren van de waardering van voedsel en de productiewijze en herkomst ervan.
  3. Het versterken van kringlopen in de land- en tuinbouw en het bevorderen van circulariteit.
  4. Het stimuleren van verduurzaming van de (dierlijke) productie en de consumptie van dierlijke en plantaardige producten door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.
  5. Het stimuleren van de verbetering van het dierenwelzijn.
  6. Het breder toepassen van geïntegreerde gewasbescherming door agrarische ondernemers, onder meer door het stimuleren van innovaties, niet-chemische maatregelen en het gebruik van laagrisico middelen.
  7. Het borgen en verbeteren van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn, duurzaam bodembeheer en klimaatvriendelijk energiebeheer en -gebruik in de land- en tuinbouw.
  8. Het stimuleren van groene economische groei en het bevorderen van transparantie en ketenverantwoordelijkheid in de Nederlandse agro- en voedselketens.
  9. Het door de sterke internationale positie van Nederland in agro en food verduurzamen van het mondiale voedselsysteem.
  10. Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening, voedselzekerheid en voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau, evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouwbeleid.
  11. Het bieden van zekerheden aan agrarische bedrijven om leningen af te kunnen sluiten bij de bank.
  12. Het (mede)financieren van ontwikkelingen gericht op verdere verduurzaming van de land- en tuinbouw en veehouderij.
  13. Het borgen van diervoederveiligheid en tegelijkertijd bij te dragen aan (een verdere) verduurzaming van diervoeders.

Regisseren

  1. Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid van hun producten en productiewijze. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van LVVN verantwoordelijk voor is.
  2. De coördinatie en het beheer van het Diergezondheidsfonds.
  3. Het stellen van regelgeving op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, gewasbescherming, plantveredeling, biologische landbouw en voedselveiligheid.
  4. Het voeren van regie op de nationale inzet in EU-verband en op bi- en multilaterale samenwerkingen rond land- en tuinbouw en voedselkwaliteit.

C. Beleidsconclusies

Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste gerealiseerde beleidsresultaten in 2025.

Biologische productie en consumptie

In het Actieplan ‘groei van biologische productie en consumptie’ (Kamerstuk 30 252, nr. 78) is de ambitie opgenomen om het biologisch areaal te laten groeien van 4% in 2022 naar 15% in 2030. In 2024 was het biologische areaal gegroeid naar 91.527 hectare, oftewel 5,1% van het totale landbouwareaal in Nederland (Bron: Skal Biocontrole/CBS). Een jaar eerder was dit 4,8%. Cijfers over 2025 zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar. In 2025 is verder gewerkt aan de implementatie van het actieplan.

Energietransitie glastuinbouw

De diverse instrumenten binnen het programma Kas als Energiebron geven structureel steun aan steeds energiezuiniger produceren van voedsel en gewassen. Gedurende de openstelling van de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI) zijn 21 aanvragen binnengekomen, voor in totaal € 21,0 mln. Dit laat zien dat de glastuinbouwsector nog steeds volop innoveert en zich inzet voor de doelen in het convenant. Voor de subsidieregeling Energie-efficiëntie Glastuinbouw (EG) zijn 225 aanvragen binnengekomen voor in totaal € 24,8 mln. Dit is minder dan andere jaren, mede als gevolg van vertraging bij de actualisatie van de regeling striktere voorwaarden en het feit dat er relatief veel aanvragen waren in voorgaande openstellingen, waardoor de omslag naar energiezuiniger LED verlichting grotendeels al gemaakt is.

Voor de klimaatopgave glastuinbouw zijn de afspraken in het Convenant energietransitie 2022-2030 leidend met een samenhangend pakket van normering, beprijzing en stimulering. De nieuwe individuele CO2-heffing glastuinbouw borgt het restemissiedoel van 4,3 Mton CO2-equivalenten in 2030. Ten tijde van de voorjaarsbesluitvorming klimaat 2025 is het principebesluit genomen om de glastuinbouwsector onder ETS2 te brengen en voor glastuinbouw de bijmengverplichting groen gas te laten gelden, mits een redelijke en tijdige compensatie kan worden geboden tot het niveau van de in het convenant afgesproken individuele CO2-heffing. Door middel van de Subsidie Warmte-infrastructuur Glastuinbouw (SWiG) is in 2025 een bedrag van € 89,4 mln. beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van warmtenetten in de glastuinbouw. Er is meer budget aangevraagd dan beschikbaar was en daarmee is de toegang tot duurzame warmte maximaal gestimuleerd. Het is belangrijk om de randvoorwaarden voldoende beschikbare warmte, elektriciteit en CO2 voor de plantengroei, op het transitiepad richting klimaatneutrale glastuinbouw in 2040 op orde te krijgen. Daartoe is in het najaar van 2025 het actieplan randvoorwaarden aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstuk 32 627, nr. 72).

Mestbeleid

In 2025 is gewerkt aan de implementatie van de laatste onderdelen uit het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de derogatiebeschikking 2022-2025. Ook is een routekaart opgesteld in het kader van grondgebondenheid met bijbehorende uitgevoerde onderzoeken (Kamerstuk 35334, nr. 415). Na een weging van het kabinet op basis van monitoring, zijn de afroompercentages voor pluimvee- en varkensrechten eind 2025 op nul gezet. In 2025 is daarnaast gewerkt aan het opstellen van een 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (8e AP). Dit 8e AP is door het kabinet niet vastgesteld (Kamerstuk 33037, nr. 635).

Vanwege de hoge druk op de mestmarkt en de hoge mestafzetkosten wordt het voor boeren moeilijker om mest af te voeren. Om de druk op de mestmarkt te verlichten, is in 2024 een aanpak mestmarkt opgesteld (Kamerstuk 33 037, nr. 559). De aanpak is in 2025 doorgezet, waarbij onder andere de export van dierlijke mest is bevorderd, onder andere via exportmissies naar Frankrijk, Duitsland en Polen. De publiek-private samenstelling van de exportmissie onder leiding van een aangestelde missieleider heeft haar toegevoegde waarde laten zien aan de bezochte regio’s. Dit biedt tevens kansen om dit verder uit te bouwen. In 2025 werd ook de regeling opengesteld voor behoud grasland om bedrijven te stimuleren derogatie aan te vragen en daarmee het areaal grasland te behouden (Stcrt. 2024, 5150). Ook heeft Nederland in 2025 een nieuwe derogatie aangevraagd bij de Europese Commissie. Op 22 december 2025 heeft de Europese Commissie hierop afwijzend gereageerd (Kamerstuk 33 037, nr. 637).

Voorts heeft het kabinet ingezet op Europese toelating van het gebruik van hoogwaardige producten uit dierlijke mest als kunstmestvervangers (Renure), waartoe de Europese Commissie in 2024 een voorstel in procedure heeft gebracht. In september 2025 heeft een positieve stemming over de toelating van Renure door de lidstaten in het Brusselse Nitraatcomité plaatsgevonden. Naar verwachting kan na definitieve vaststelling van de regelgeving in 2026 daardoor productie en gebruik van Renure zo spoedig mogelijk in 2026 starten.

Waardering voor voedsel

In 2025 is invulling gegeven aan de bestaande ambities van ons voedselbeleid. Belangrijk hierin is de inzet op halvering van voedselverspilling in 2030 ten opzichte van 2015. Om in te zetten op minder voedselverspilling geeft de stichting Samen Tegen Voedselverspilling (STV) uitvoering aan deze inzet met een focus op de Nederlandse voedselketen. In 2025 is samen met aangesloten stakeholders en STV de zevende Verspillingsvrije Week gerealiseerd. De Monitor Voedselverspilling Update 2009-2023 laat zien dat er tot nu toe een daling van 17% ten opzichte van 2015 is bereikt. Vooral sinds 2020 is een duidelijke daling zichtbaar.

Met subsidie van LVVN heeft het Voedingscentrum in 2025 ondersteuning geboden aan zowel voedselaanbieders als consumenten. Zo kunnen voedselaanbieders de voedselomgeving zodanig inrichten dat deze een gezonde en duurzamere voedselconsumptie stimuleert. Consumenten worden zo voorgelicht en handelingsperspectief geboden over volhoudbare voedselkeuzes. Om inzicht te krijgen in de ideeën van burgers over hoe we in Nederland kunnen komen tot een betere balans in dierlijke en plantaardige eiwitten in ons voedselpatroon heeft van einde 2024 tot begin 2025 een burgerpanel plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn in februari 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 31 352, nr. 296). De resultaten laten zien dat burgers openstaan voor een verandering in hun eetgedrag, maar hierbij wel ondersteund willen worden door passende maatregelen.

Verduurzaming van ons voedselsysteem kan enkel met inzicht: om hierin stappen te zetten heeft het RIVM voor 400 voedingsmiddelen de milieubelasting berekend en zijn in samenwerking met relevante partijen en sectoren uit het Nederlandse voedselsysteem belangrijke stappen gezet om vorm te geven aan (ook internationaal) een breed gedragen methodiek. Om transparant te zijn over de inspanningen van supermarkten richting een toekomstbestendig voedselsysteem is met de retail het Dashboard Duurzaamheid Supermarkten doorontwikkeld (Kamerstuk 31 532, nr. 290).

Klimaatadaptatie

In 2025 is verder gewerkt aan de uitvoering van het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw, waardoor ondernemers in de land- en tuinbouw beter kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering. Naast de opgeleverde kennisproducten, zijn ook het NWO-SIA-project ‘Van Crisismanagement naar Risicomanagement in de agrarische sector’ en de klimaatstresstesttool voor boeren bedrijven afgerond. Ook zijn er nieuwe kennisprojecten gestart, zoals het WUR-project Leveringszekerheid voor een klimaatrobuuste AGF-keten (aardappelen, groente, fruit). Verder hebben WUR en LVVN samen met betrokken partijen scenario's uitgewerkt voor klimaatadaptieve landbouw in 2050.

LVVN heeft in 2025 met behulp van het Actieprogramma klimaatadaptatie natuur gewerkt aan klimaatadaptatie van en met natuur door middel van kennisontwikkeling, een community of practice en het organiseren van bijeenkomsten om kennis en ervaringen te delen met doelgroepen.

De actieprogramma's zijn gezamenlijk een tweejarige samenwerking aangegaan met financiële instellingen om te komen tot een actie-agenda voor klimaatadaptieve landbouw en natuur.

Stimuleren biobased teelt

De ministeries van VRO, LVVN, IenW en KGG voeren gezamenlijk beleid gericht op het mogelijk maken van meer biobased bouwen. In 2025 is de pilot afgerond waarmee boeren werden gestimuleerd om vezelgewassen te telen, bedoeld om te worden verwerkt tot biobased bouwmateriaal. Biobased bouwen leidt tot langdurige opslag van CO2 in gebouwen. Op basis van een positieve evaluatie is besloten de stimulering van vezelteelten meerjarig voort te zetten, door inrichting van een stimuleringsfonds uitgevoerd door het Nationaal Groenfonds in opdracht van LVVN. Via dit stimuleringsfonds worden telers, maar ook verwerkers van vezelgewassen ondersteund bij de opschaling van biobased bouwen.

Nationaal Programma Landbouwbodems

Binnen het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) is in 2025 verder gewerkt aan de randvoorwaarden voor het realiseren van de doelstellingen om in 2030 alle landbouwbodems in Nederland duurzaam te beheren en vanaf 2030 jaarlijks 0,5 Mton CO2-equivalenten extra in minerale landbouwbodems vast te leggen, conform de afspraak uit het Klimaatakkoord.

Op Europees niveau is de Richtlijn bodemmonitoring en veerkracht in 2025 aangenomen. Deze richtlijn zal de komende jaren een belangrijk nieuw kader vormen voor de doelstellingen in het NPL. Vrijwel alle aandachtspunten uit het BNC-fiche zijn gerealiseerd.

Verder is ingezet op kennisverspreiding over bodem en klimaatadaptatie door Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW), het opleiden van boeren, bodemadviseurs en erfbetreders, en praktijkgericht bodemonderzoek door hogescholen. Tijdens de Nationale Bodemtop werden meer dan 350 deelnemers verbonden en geïnspireerd op het thema klimaatadaptatie. Tot slot is de Green Deal Eiwitrijke Gewassen (Bean Deal) afgerond (Kamerstuk 30 252, nr. 211).

Evaluatie van de Borgstelling MKB Landbouwkredieten

Naar aanleiding van de evaluatie van de Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL) (Kamerstuk 32 637, nr. 666) is deze borgstellingsregeling in 2025 verlengd en vereenvoudigd. Hierbij is het maximale borgstellingskrediet behouden en is de BL met de sectoren visserij en aquacultuur als doelgroep uitgebreid tot Borgstellingskrediet voor de Landbouw en Visserij (BLV). Deze BLV is opgenomen in de openstellingsregeling per 1-1-2026.

Sociaal economische positie boeren

Versterken positie boer in de keten

De Wet Oneerlijke Handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (OHP), met als doel het versterken van de onderhandelingspositie van boeren, tuinders en vissers tegenover grotere en geconcentreerde marktpartijen, is positief geëvalueerd. De evaluatie beoordeelt de Wet OHP als doeltreffend, ondanks het bestaan van terughoudendheid bij agrariërs om melding te doen van oneerlijke handelspraktijken. Geconcludeerd wordt dat de Wet OHP een normerende en preventieve werking heeft. De doelmatigheid van de Wet OHP is nog moeilijk te beoordelen doordat er nog weinig uitspraken zijn geweest. Toch wordt ook de doelmatigheid vooralsnog als goed beoordeeld. (Kamerstuk 35 642 nr. 7).

Investeringsfonds Duurzame Landbouw

Het Investeringsfonds Duurzame Landbouw ondersteunt LVVN boeren die willen omschakelen naar een stikstofarmere, meer extensieve en duurzamere vormen van bedrijfsvoering. In 2025 heeft het Nationaal Groenfonds € 15,4 mln. aan leningen verstrekt. Met de leningen uit het fonds is in totaal € 68,3 mln. aan duurzame investeringen door boeren gedaan, waarvan € 52,9 mln. is gefinancierd uit private cofinanciering.

Herziening Pachtregelgeving

In 2025 is gewerkt aan de herziening van de pachtregelgeving. Dit heeft geleid tot een wetsvoorstel tot wijziging van titel 7.5 in Burgerlijk Wetboek, dat in december in internetconsultatie is gegaan (Kamerstuk 27 924 nr.102). Ook is bijgedragen aan de herziening van de pachtwet, zodat deze duurzaam bodembeheer-maatregelen stimuleert.

Generatievernieuwing

Om generatievernieuwing in de landbouwsector te stimuleren ondersteunt LVVN het meerjarige programma ‘Voor de volgende generatie’, waarin de overheid (LVVN), agrarische organisaties (NAJK, LTO), adviespartijen (VLB, VAB) en onderwijsinstellingen (AERES, InHolland, Universiteit Utrecht) hun krachten hebben gebundeld voor meer succesvolle duurzame bedrijfsovernames. De minister heeft het online platform Bedrijfsovernamewijzer.nl gelanceerd met een meerjarige bijdrage van € 4,4 mln. Daarnaast heeft LVVN €1,2 mln. beschikbaar gesteld aan het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA, onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), om te investeren in kennisontwikkeling en praktijkonderzoek op dit thema (Kamerstuk 30 252 nr. 210).

Kwaliteitsaanduidingen

In 2025 is verder gewerkt aan kwaliteitsaanduidingen vanwege de implementatie van de Europese Verordening betreffende geografische aanduidingen (Vo 2024/1143). Over het wetsvoorstel tot wijziging de Landbouwkwaliteitswet heeft de Afdeling advisering van de Raad van State in december een positief advies met ‘dictum B’ gegeven.

Weerbare voedselvoorzieningsketen

Mede in het licht van toenemende geopolitieke spanningen, zet LVVN zich in voor een weerbare voedselvoorzieningsketen die bestand is tegen verstoringen en draagt zo bij aan het versterken van weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen (Kamerstuk 30821 nr. 249 & Kamerstuk 30821, nr. 304). Een deel van de levensmiddelenindustrie valt onder de reikwijdte van de aanstaande Cyberbeveiligingswet en Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten. LVVN voerde gesprekken met sectorpartijen in de hele keten voor de implementatie ervan en werkte aan het opstellen van een Landelijk Crisis Plan Voedselzekerheid. Tot slot werkte LVVN in Europees verband samen met internationale partners aan het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorziening, waaronder het terugdringen van strategische afhankelijkheden.

Duurzame veehouderij

Alle subsidieaanvragen voor de Sbv-investeringsmodule binnen de aanpak piekbelasting zijn door RVO beoordeeld. In totaal is ruim 12 miljoen euro subsidie verleend. De Sbv als instrument is, conform de vervaltermijn uit de Comptabiliteitswet, sinds mei 2025 vervallen. Daarnaast is een beleidsevaluatie uitgevoerd voor de voorgaande openstellingen van de Sbv (zowel innovatie- als investeringsmodule). De conclusies en aanbevelingen van de evaluatie zijn terug te vinden in Kamerstuk 28973, nr. 281. Het convenant ‘Regieorgaan Versnellen innovatie emissiereductie duurzame veehouderij’ 2024-2026 is in uitvoering. Binnen het Regieorgaan werken veel partijen samen aan zowel de versnelling van innovatie gericht op emissiereductie als aan een regelgevings- en toetsingssysteem voor doelsturing op emissies met een borgingssystematiek onder andere op basis van sensor- en datasystemen.

Diergezondheid en dierenwelzijn

Diergezondheid

Sinds oktober 2025 zijn opnieuw, na enkele rustige jaren, vele uitbraken met vogelgriep-virus vastgesteld bij pluimvee. Ook werden weer veel besmette dode wilde vogels gevonden. De pilot, onderdeel van het stappenplan om te komen tot een grootschalige vaccinatiecampagne is in 2025 gestart. Deze loopt nog door de komende jaren. In 2025 heeft de veterinaire beroepsgroep een federatie in oprichting aangekondigd, wat een belangrijke stap is in de versterking van deze beroepsgroep. De Gezondheidsraad heeft eind 2025 een advies opgeleverd over het onderzoeksrapport «Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO-III)».

Dierwaardige veehouderij

In 2025 heeft de internetconsultatie plaatsgevonden van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij. De vele (ruim 7.200) reacties worden verwerkt. Parallel hieraan is onder leiding van een onafhankelijke voorzitter het convenant ‘stappen naar een dierwaardige veehouderij’ met veehouderijsectoren, Dierenbescherming, Caring Farmers, markt- en ketenpartijen en LVVN afgesloten.

Dierenwelzijn

LVVN heeft in 2025 diverse bijdragen geleverd ter bevordering van het welzijn van landbouwhuisdieren. Zo is ondersteuning geleverd aan het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren. In de nog lopende onderhandelingen over de herziening van de Europese transportverordening (EG 1/2005) is onder andere ingezet op een beperking van de maximumtransportduur. Er is verder gewerkt aan het ontwikkelen van een benchmarksystematiek voor de zorg van jonge dieren door de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteiten en aan de aanpak van stalbranden, die onder andere heeft geleid tot het Denkraam ‘Basis voor brandveiligheid voor veestallen’, een hulpmiddel om de brandveiligheid in een stal inzichtelijk te maken. Ook is een roadmap om het doden van eendagshaantjes uit te faseren vastgesteld.

Voorlichting over het aanschaffen en houden van huisdieren is belangrijk, zodat mensen een weloverwogen keuze kunnen maken. In 2025 is de campagne «zo schattig dat het pijn doet» gelanceerd. Het is daarnaast belangrijk dat eenieder deskundige en betrouwbare informatie over het aanschaffen en houden van huisdieren kan vinden. LVVN heeft in 2025 het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren ondersteund waar deze informatie te vinden is. Dieren mogen niet lijden onder hun uiterlijk. Dat is de reden dat er een houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten is ingevoerd. Als er sprake is van welzijnsverstoringen van hobby- en gezelschapsdieren, moet er worden opgetreden. Daarom heeft de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn toezicht gehouden in opdracht van LVVN. Ook zijn in 2025 de dierenambulances ondersteund om een basisopleiding te ontwikkelen, omdat het belangrijk is dat alle dierenambulances hetzelfde kwaliteitsniveau hebben.

Beëindigingsregelingen Lbv-plus, Lbv, Lbv kleinere sectoren, de Sem en de MGB

In 2025 is verdere uitvoering gegeven aan de verschillende regelingen om tot stikstofreductie te komen en ondernemers de mogelijkheid te bieden hun veehouderijlocatie te beëindigen. Voor de Lbv regelingen zijn bij elkaar bijna 1700 aanvragen gedaan, hiervan zijn er nog ruim 1000 actief dan wel afgerond, dat wil zeggen dat deze veehouders hun veehouderij beëindigd hebben of het proces van beëindiging van hun locatie doorlopen. Een deel van de veehouders die zich hadden aangemeld, heeft zich teruggetrokken uit de regeling waardoor er budget is vrijgevallen. Daarnaast is in 2025 € 627 mln. aan budget voor de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) beschikbaar gekomen in het Startpakket Nederland van het slot van de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN). De Sem ligt op dit moment in het kader van de pre-notificatieprocedure voor bij de Europese Commissie. Na goedkeuring door de Europese Commissie wordt de Sem zo snel als mogelijk gepubliceerd en opengesteld. In 2025 zijn de provincies gestart met opstellen en openstellen van eigen provinciale subsidieregelingen onder de SPUK MGB, ten behoeve van het op vrijwillige basis geheel of gedeeltelijk laten beëindigen van veehouderijlocaties.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Art. Verplichtingen 489.627 611.112 461.642 2.831.791 951.360 967.875 ‒ 16.515
Uitgaven 561.423 586.815 242.544 942.957 1.500.108 2.342.326 ‒ 842.218
21.0 Land- en tuinbouw 561.423 586.815 242.544 942.957 1.500.108 2.342.326 ‒ 842.218
Subsidies (regelingen) 490.697 311.302 155.884 806.717 1.216.647 2.084.504 ‒ 867.857
Sociaal economische positie boeren 148.253 113.550 34.365 156.695 102.958 44.992 57.966
Duurzame veehouderij 240.662 118.974 32.201 465.795 868.367 1.768.694 ‒ 900.327
Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen 90.334 68.437 51.197 84.415 65.853 119.770 ‒ 53.917
Mestbeleid 1.710 861 25.329 88.688 166.252 137.509 28.743
Diergezondheid en dierenwelzijn 3.976 3.525 3.746 4.197 5.080 4.600 480
Voedselzekerheid en internationale agrarische samenwerking 940 873 685 324 294 1.539 ‒ 1.245
Integraal voedselbeleid 4.822 5.082 8.361 6.603 7.391 7.400 ‒ 9
Doelsturing 0 0 0 0 452 0 452
Leningen 9.000 12.000 10.000 27.296 41.200 40.000 1.200
Lening Investeringsfonds Duurzame Landbouw 9.000 12.000 10.000 27.296 40.000 40.000 0
Overige leningen 0 0 0 0 1.200 0 1.200
Garanties 6.859 46.509 861 210 0 1.805 ‒ 1.805
Bijdrage borgstellingsreserve 5.756 45.020 0 0 0 0 0
Verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit 1.103 1.489 861 210 0 1.805 ‒ 1.805
Opdrachten 17.107 12.945 20.087 22.569 30.972 58.493 ‒ 27.521
Sociaal economische positie boeren 430 385 697 911 971 19.832 ‒ 18.861
Duurzame veehouderij 0 0 80 253 493 4.853 ‒ 4.360
Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen 0 18 0 0 0 0 0
Mestbeleid 0 0 0 0 56 15.300 ‒ 15.244
Diergezondheid en dierenwelzijn 8.007 9.244 14.957 15.887 18.988 12.897 6.091
Voedselzekerheid en internationale agrarische samenwerking 3.111 2.723 2.561 3.987 9.367 3.755 5.612
Integraal voedselbeleid 5.559 575 1.792 1.531 1.097 1.856 ‒ 759
Bijdrage aan ZBO's/RWT's 15.383 13.223 13.590 21.261 17.417 17.437 ‒ 20
College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden 3.577 3.226 3.418 4.597 4.497 1.828 2.669
Centrale Commissie Dierproeven 0 0 0 40 0 2.522 ‒ 2.522
Medebewind/voormalige productschappen 647 562 540 513 249 187 62
Raad voor de Plantenrassen 1.019 1.110 790 1.832 1.282 1.503 ‒ 221
Keuringsdiensten 10.140 8.325 8.842 14.279 11.389 11.397 ‒ 8
Bijdrage aan medeoverheden 0 121.470 6.580 0 137.787 110.417 27.370
Specifieke uitkeringen 0 121.470 6.580 0 137.787 110.417 27.370
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties 10.850 9.688 11.986 11.166 10.626 11.012 ‒ 386
FAO en overige contributies 10.850 9.688 11.986 11.166 10.626 11.012 ‒ 386
Storting/onttrekking begrotingsreserve 3.364 2.507 10.987 41.207 32.821 6.127 26.694
Storting begrotingsreserve landbouw 2.082 0 4.827 1.428 4.988 0 4.988
Storting begrotingsreserve apurement 1.282 2.507 2.500 35.500 23.585 2.500 21.085
Storting begrotingsreserve borgstelling 0 0 3.660 4.279 4.248 3.627 621
Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken 8.163 57.171 12.569 12.531 12.638 12.531 107
Diergezondheidsfonds 8.163 57.171 12.569 12.531 12.638 12.531 107
Ontvangsten 81.413 103.826 80.449 136.838 110.875 31.193 79.682
Art. Ontvangsten 81.413 103.826 80.449 136.838 110.875 31.193 79.682
21.0 Land- en tuinbouw 81.413 103.826 80.449 136.838 110.875 31.193 79.682
Ontvangsten 81.413 103.826 80.449 136.838 110.875 31.193 79.682
Sociaal economische positie boeren 1.078 916 205 390 260 245 15
Agroketens 26.766 7.438 13.201 11.574 13.875 2.013 11.862
Agrarische innovatie en overig 394 10 223 265 33.950 0 33.950
Mestbeleid 7.852 3.118 7.639 8.347 7.277 7.209 68
Garanties 1.827 1.157 694 737 616 1.800 ‒ 1.184
Weerbare planten en teeltsystemen 902 71 4.877 1.276 4 0 4
Diergezondheid en dierenwelzijn 12.516 12.893 14.910 16.736 17.623 11.600 6.023
Voedselzekerheid en internationale agrarische samenwerking 2.738 42.692 1.723 7.132 10.695 6.026 4.669
Onttrekkingen begrotingsreserves 25.180 33.891 34.126 87.685 23.585 0 23.585
ZBO's/RWT's 2.160 1.640 2.851 2.696 2.990 2.300 690

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

De gerealiseerde verplichtingen in 2025 vielen € 16,5 mln. lager uit dan oorspronkelijk geraamd. Dit is een saldo van meerdere ophogingen en verlagingen, waarvan de grootste hieronder zijn toegelicht.

De grootste afwijkingen komen voort uit de moeilijk te ramen uitgaven en verplichtingen van de Lbv (verlaging € 61,2 mln.), Lbv+ (ophoging € 156,3 mln.) en Lbv-kleine sectoren (ophoging € 80,0 mln.), zoals onder het kopje ‘Subsidies’ verder is toegelicht.

Daarnaast is het verplichtingenbudget opgehoogd vanwege het verhoogde subsidieplafond voor de regeling Behoud grasland bij afbouw derogatie (€ 53,4 mln.).

De verlaging van de totale verplichtingenstand komt, naast de Lbv en enkele kleinere veranderingen, doordat minder garanties zijn verstrekt dan het LVVN-garantieplafond toelaat (verlaging € 106,9 mln.) en er minder aanvragen dan verwacht zijn ingediend voor de Sbv-regeling (verlaging € 79,2 mln.).

Uitgaven

Subsidies

Sociaal economische positie boeren

In 2025 was het gerealiseerde bedrag € 58,0 mln. hoger dan begroot. Voor het grootste deel (€ 25,0 mln.) komt dit door een verhoging van het uitgavenbudgte voor de compensatie van nertsenhouders. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft uitspraak gedaan in rechtszaken aangespannen door nertsenhouders over de hoogte van de vergoeding n.a.v. het vervroegd verbod op de pelsdierhouderij voor het sluiten van deze bedrijven wegens Covid-19. Het vervroegde verbod is ingegaan op 8 januari 2021. Het financieel nadeel van de pelsdierhouders is in 2021 en 2022 financieel gecompenseerd. Het CBb heeft onder andere bepaald dat de overheid de hoogte van deze vergoedingen niet had mogen verlagen voor het normaal maatschappelijke risico en geen korting voor leegstand in de beleidsregel had mogen opnemen.

Ook is € 20,8 mln. aan het budget toegevoegd uit de begrotingsreserve Apurement. Deze middelen waren bestemd voor een terugbetaling aan de Europese Commissie (EC). De terugvordering door de EC had betrekking op uitbetaalde EU-subsidies in de jaren 2009 tot en met 2012 aan de producentenorganisatie FresQ en betroffen een tweede tranche nadat in 2024 reeds een deel was terugbetaald.

Daarnaast betreft het voor € 15,2 mln. een nationale aanvulling van de regeling vestigingssteun jonge boeren, die in 2024 niet tot uitbetaling kwam en in 2025 alsnog werd uitbetaald, en een kasschuif om de aanvullende eindejaarsmarge op deze regeling in het juiste kasritme te zetten.

Duurzame Veehouderij

Op het subsidiebudget Duurzame Veehouderij zijn € 900,3 mln. lagere uitgaven gerealiseerd. Dit heeft met name te maken met de lastig te ramen uitgaven van de Lbv en Lbv+. De betalingstermijnen van deze middelen lopen over de jaargrens. Dit komt mede doordat middelen in drie fases worden uitgekeerd, namelijk 20% ‒ 60% ‒ 20%. Deelnemers dienen eerst aan bepaalde voorwaarden te voldoen alvorens de middelen kunnen worden uitgekeerd. Op basis van prognoses is er in het voorjaar € 360 mln. geschoven naar 2026 en 2027. Veel deadlines van ondernemers lagen in het laatste kwartaal van 2025. Betalingen bleken echter laat in het jaar toch over de jaargrens heen plaats te vinden. Daarnaast hebben ondernemers zich gedurende 2025 terugetrokken uit de regeling. In totaal heeft dit geleid tot € 489 mln. aan onderuitputting. Verder is er subsidiebudget voor de subsidie brongerichte aanpak emissies vrijgevallen (sbv, € 64,0 mln.) doordat er minder aanvragen waren dan verwacht. Bij de landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen is in 2025 22,7 mln. niet meer tot besteding gekomen, deze regeling staat echter staat nog open voor aanmeldingen in 2026.

Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen

Op het subsidiebudget voor Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen is in 2025 € 53,9 mln. minder gerealiseerd dan geraamd in de ontwerpbegroting 2025. Dit heeft met name te maken met het doorschuiven van middelen voor de subsidieregelingen Energie-efficiëntie glastuinbouw (EG) en Warmte-infrastructuur glastuinbouw (SWiG) doordat uitbetalingen op openstellingen in 2025 meer gaan plaatsvinden in latere jaren. Het restant bestaat uit overhevelingen naar andere begrotingsartikelen voor bijvoorbeeld uitvoeringskosten door RVO (artikel 24) en het uitzetten van onderzoek (artikel 23).

Mestbeleid

In 2025 is voor Mestbeleid € 28,7 mln. meer gerealiseerd dan geraamd. Dit komt met name door een ophoging van het subsidieplafond voor de regeling Behoud grasland bij afbouw derogatie (€ 56,5 mln.). Deze ophoging vond plaats als gevolg van de verhoging van de (Europese) de-minimis-grens. Tegelijkertijd is op onderdelen minder dan geraamd gerealiseerd. Dit komt onder andere doordat in 2025 veel capaciteit in werd gezet voor het 8e Actieplan Nitraatrichtlijn (8e AP), waardoor niet alle geplande uitgaven voor het 7e AP in 2025 konden worden gerealiseerd (€ 7,0 mln.). Verder wordt een deel van openstelling 2025 van de Regeling hoogwaardige mestverwerking pas in 2026 en 2027 uitbetaald (€ 2,2 mln.). Tenslotte zijn uitvoeringskosten van de NVWA en RVO voor het versterken van het toezicht op de mestregelgeving door de Taskforce Mestmarkt geschoven naar artikel 24 van de LVVN-begroting (€ 3,4 mln.) en is er € 7,5 mln. naar 2026 doorgeschoven vanwege een latere openstelling voor de subsidieregeling voor hygiënisatie-installaties en korrelinstallaties.

Opdrachten

Sociaal economische positie boeren

In 2025 is op dit opdrachtenbudget € 18,9 mln. minder gerealiseerd dan begroot. Voor € 10,0 mln. komt dit door een verplaatsing van budget voor de stimulering van biobased teelt naar het begrotingsonderdeel Leningen. Daarnaast is € 5,7 mln. naar latere jaren geschoven door vertraging in de uitbetaling van meerdere opdrachten en is een deel van het budget naar andere begrotingsartikelen verplaatst voor bijvoorbeeld onderzoek (artikel 23) of uitvoering (artikel 24).

Mestbeleid

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie is € -15,2 mln. Dit wordt volledig veroorzaakt door een verschuiving van middelen naar artikel 24 van de LVVN-begroting ten behoeve van de uitvoering door NVWA voor onder andere het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het realtime en digitaal Vervoersbewijs dierlijke mest (rVDM).

Bijdrage aan medeoverheden

Specifieke uitkeringen

De gerealiseerde bijdrage aan medeoverheden via specifieke uitkeringen is € 27,4 mln. hoger dan vastgesteld in de begroting. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een verschuiving van middelen voor de Maatregel Gerichte Beëindiging. Dit betreft budget dat vanuit 2026 naar 2025 is gehaald vanwege de urgentie van vermindering van stikstofemissie. Deze middelen zijn in het najaar 2025 beschikbaar gemaakt voor provincies om veehouderijondernemingen financieel schadeloos te stellen als deze gedeeltelijk of volledig worden gesloten en deze in prioritaire gebieden liggen.

Storting/onttrekking begrotingsreserve

Storting begrotingsreserve apurement

De begrotingsreserve Apurement is eind 2025 voor € 21,1 mln. aangevuld uit onderuitputting elders op de LVVN begroting. Aanvulling tot op het niveau van begin 2025 (ongeveer € 60 mln.) was wenselijk vanwege onttrekkingen aan de reserve van ongeveer € 20,8 mln. voor retourbetalingen aan de EU voortvloeiend uit de afwikkeling van de non-conformiteitsprocedure over de casus FresQ. Door de storting is de reserve Apurement op niveau voor mogelijke procedures in de toekomst.

Ontvangsten

Agroketens

De realisatie van de ontvangsten op Agroketens was € 11,9 mln. hoger dan vastgesteld. Dit komt door terugontvangsten op subsidieregelingen die vooraf niet te ramen waren. Het grootste deel hiervan betreft de terugontvangst op voorschotten van de Energie-efficiëntie glastuinbouw (EG) regeling (€ 5,0 mln.).

Agrarische innovatie en overig

Er is € 34,0 mln. aan ontvangsten binnengekomen die niet waren begroot. Dit zijn de eerste terugbetalingen van ondernemers die meededen aan de Lbv/ Lbv+ en uiteindelijk na hun eerste deelbetaling zich terug hebben getrokken uit de regeling.

Onttrekkingen begrotingsreserves

Het betreft een onttrekking uit de begrotingsreserve Apurement van € 23,6 mln. die conform begrotingsregels als ontvangst op de begroting wordt ingeboekt. Het grootste deel van deze middelen (€ 20,8 mln.) is bestemd voor retourbetalingen aan de EU zoals hierboven toegelicht.

Toelichting op de begrotingsreserves

Stand 1/1/2025 12.849
+ Storting 4.988
- Onttrekking 0
Stand per 31/12/2025 17.837

Toelichting:

De begrotingsreserve Landbouw is bestemd voor uitgaven op het gebied van landbouwbeleid. De reserve wordt voornamelijk gebruikt om fluctuaties op enkele subsidieregelingen op te vangen.

Er vindt een storting plaatst in de landbouwreserve van € 5,0 mln. als het gevolg van terugontvangen subsidievoorschotten in het kader van de Energie-efficiëntie glastuinbouw (EG) regeling, die in latere jaren alsnog worden uitgegeven.

Stand 1/1/2025 61.123
+ Storting 23.585
- Onttrekking 23.585
Stand per 31/12/2025 61.123

Toelichting:

De begrotingsreserve Apurement is bedoeld om financiële correcties opgelegd door de Europese Commissie met betrekking tot het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid op te vangen.

De omvang van de correcties bedraagt € 23,6 mln. De storting in 2025 bedraagt tevens € 23,6 mln. Deze bestaat uit een reguliere jaarlijkse storting van € 2,5 mln., de bijdragen van de provincies voor 2025 van € 1,0 mln., en een storting van € 20,1 mln.

Stand 1/1/2025 49.091
+ Storting 4.248
- Onttrekking 0
Stand per 31/12/2025 53.339

Toelichting:

De begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen die voortvloeien uit garantstellingen aan banken waarmee investeringen in de landbouw worden gefaciliteerd. Doordat de ontvangen provisies en de jaarlijkse vaste storting in 2025 hoger waren dan de verliesdeclaraties, wordt € 4,2 mln. in de reserve gestort.

Stand 1/1/2025 6.285
+ Storting 0
- Onttrekking 6.285
Stand per 31/12/2025 0

Toelichting:

In 2025 is de begrotingsreserve Jonge Boeren opgeheven, daarom zijn de resterende middelen (€ 6,3 mln.) onttrokken.

Artikel 22 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken

A. Algemene doelstelling

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) streeft naar een sterke en veerkrachtige natuur, een duurzame en economisch rendabele visserijsector en draagt via gebiedsgericht werken bij aan het versterken van de brede welvaart.

B. Rol en verantwoordelijkheid

  1. De Minister is verantwoordelijk voor het beschermen, versterken en duurzaam benutten van de natuur en biodiversiteit, mede in relatie tot de klimaat-, en stikstofdoelstellingen, in nationaal, EU- en mondiaal verband. Voor de natuurkwaliteit van de Rijkswateren en voor de internationale samenwerking op natuurgebied treedt de Minister als eerstverantwoordelijke op.
  2. De Minister is verantwoordelijk voor het versterken van de positie van de Nederlandse visserijketen en het bevorderen van duurzaamheid, transparantie en ketenverantwoordelijkheid in de Nederlandse visserijketen.
  3. De Minister is medeverantwoordelijk voor gebiedsgericht werken, waarbij de LVVN-opgaven in onderlinge samenhang met andere maatschappelijke en regionale opgaven optimaal worden opgepakt om te komen tot een optimale versterking van de brede welvaart.
  4. De Minister voert de regie over de aanpak van regionale knelpunten, in overleg met de Minister van BZK.
  5. De Minister is het aanspreekpunt voor wat betreft de betrokkenheid van het Rijk bij bodemdaling in het landelijke gebied in relatie tot landbouw, natuur en biodiversiteit en de vitaliteit van het platteland in bredere zin en voor landbouw als onderdeel van het Klimaatakkoord.

De Minister is (mede)verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  1. Het stimuleren en versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij het beschermen, versterken en duurzaam benutten van natuur en biodiversiteit, op zowel nationaal als internationaal niveau.
  2. Het bevorderen van behoud en versterken van biodiversiteit in het agrarisch gebied en binnen agroketens.
  3. Het ondersteunen van het versterken van de positie van de nationale parken.
  4. Het stimuleren van de inzet van de Nederlandse bos-, natuur- en houtsector in het energie- en klimaatbeleid en het bevorderen van de duurzame bijdrage van bos en natuur aan de groene grondstoffenvoorziening.
  5. Het stimuleren van maatschappelijke initiatieven in lijn met de LVVN-visie, Nederland Natuurpositief, het Programma Natuur en het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland.
  6. Het bevorderen van een duurzame, innovatieve en rendabele visserij- en aquacultuursector binnen de kaders van het Gemeenschappelijk visserijbeleid (Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds 2021-2027 (EMVAF).

Regisseren

  1. Het inzetten, samen met medeoverheden en bedrijfsleven, op de totstandkoming van afspraken over het versterken van biodiversiteit, aansluitend op de afspraken uit de EU-Biodiversiteitsstrategie en het mondiale biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD).
  2. Het voeren van regie op de aanpak van regionale knelpunten en de inzet van de Regio envelop, in overleg met de Minister van BZK, met als doel om de brede welvaart in de regio’s in Nederland te versterken.

Uitvoeren

  1. Het met provincies nakomen van afspraken die gemaakt zijn in het Natuurpact en samen met provincies en IenW/RWS monitoren van de toestand van de natuur en biodiversiteit en benutting van natuur op land en in het water.
  2. Het samen met de provincies opstellen van het gezamenlijke Programma Natuur, waarmee onder andere invulling wordt gegeven aan het ambitiedocument Nederland Natuurpositief en aan de langjarige financiële impuls in het natuurbeleid als gevolg van de stikstofaanpak.
  3. Het onderhouden en handhaven van onder andere de Wet natuurbescherming en de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming Caribisch Nederland.
  4. Het voorbereiden en uitvoeren van internationale en in EU-verband gemaakte afspraken over de internationale handel in bedreigde dier- en plantsoorten.
  5. De implementatie van het Europese exotenbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beheer van invasieve exoten.
  6. Het doen uitvoeren van regelingen en programma’s, zoals de natuuronderdelen van de Mariene Strategie waaronder het Noordzeeakkoord en het Programma Noordzee 2022-2027 en het beheer van Kroondomeinen
  7. Het samen met provincies uitwerken en uitvoeren van de bossenstrategie.
  8. Staatsbosbeheer in staat stellen om, in samenhang met haar maatschappelijke omgeving, uitvoering te kunnen geven aan haar (kern)taken, zoals bedoeld in de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer en het Convenant LVVN/Staatsbosbeheer (2014).

C. Beleidsconclusies

Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste gerealiseerde beleidsresultaten in 2025. 

MCEN

Naar aanleiding van gerechtelijke uitspraken is in 2025 een Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel (MCEN) opgericht om vergunningverlening weer op gang te brengen. De MCEN heeft onder andere stappen gezet richting de invoering van een rekenkundige ondergrens, om zo ruimte te bieden aan maatschappelijke ontwikkelingen en een bijdrage te leveren aan een oplossing voor veel PAS-melders. Deze werkzaamheden zijn beschreven in het beleidsverslag. Ook heeft de MCEN in april een startpakket ontwikkeld bestaande uit diverse maatregelen om te komen tot een structurele stikstofreductie.

PAS-melders

In 2025 is een zestal PAS-melders gelegaliseerd waardoor het totaal aantal PAS-melders met een onherroepelijke vergunning uitkomt op veertien. Om aan alle PAS-melders een oplossing te kunnen bieden is in 2025 het Wetsvoorstel Maatwerkaanpak PAS-melders door de Tweede Kamer aangenomen en aangeboden aan de Eerste Kamer.

KDW

In 2025 heeft het kabinet een wetsvoorstel gepresenteerd om de huidige omgevingswaarden gebaseerd op de kritische depositiewaarden (KDW) te vervangen door een wettelijk programma van maatregelen met emissiedoelen per sector. Eind december heeft de Raad van State haar advies (dictum C) uitgebracht op het wetsvoorstel.

Nationale Grondbank

De Nationale Grondbank (NGB) voor het landelijk gebied is sinds begin 2023 operationeel en zorgt voor verbeterde grondmobiliteit in aanvulling op de inzet van provinciale grondbanken. Hier draagt LVVN bij aan beschikbaarheid van landbouwgrond voor (jonge) boeren (o.a. via ruil van grond, verplaatsing en omvorming) en de opgaven natuur, water en klimaat. In 2025 is er voor 17 casussen (circa 703 ha) opdracht verleend aan het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) om het aankooptraject te starten, hebben 9 casussen (359 ha) geleid tot aankoop en zijn nu in (tijdelijk) beheer. Ook zijn er 14 casussen gestopt waarbij de aankoop niet gelukt is. Momenteel zijn er, inclusief aangekocht, totaal 20 casussen (circa 937 ha) in uitvoering bij het RVB.

Zaakbegeleiding

In 2025 is verder gewerkt met de inzet van zaakbegeleiders om een vast contactpersoon te bieden vanuit de overheid die bij de ondernemer aan de keukentafel meedenkt over de toekomst van het bedrijf. De zaakbegeleider heeft brede agrarische expertise, luistert, informeert over beschikbare instrumenten en brengt agrarisch ondernemers in contact met medeoverheden (en waar nodig binnen een gebiedsproces). De zaakbegeleiders vervullen een cruciale rol om de beweging aan te jagen en sneller stappen te zetten naar een toekomstbestendig agrarisch bedrijf. In het kader van de Aanpak Piekbelasting zijn er ongeveer 1.000 dossiers in beheer bij de zaakbegeleiders. In 2025 is de inzet van zaakbegeleiders onder andere verbreed naar PAS-melders en binnen de ‘extra rijksinzet voor gebieden en boerenerven’ om ondernemers juist in de gebieden met de grootste opgaven te ondersteunen.

Pilot ondernemingsplan

In 2025 is de pilot van de aanpak gestart met 33 ondernemers in de Veluwe en de Peel. Het doel van de aanpak is ondernemers die willen verduurzamen die mogelijkheid te geven en hun ook toekomstperspectief voor hun te bedrijf te bieden. De ondernemers stellen voor hun bedrijf een plan op passend bij opgaven in het gebied. Deze plannen zijn vervolgens door onafhankelijke deskundigen beoordeeld op het gebied van onder andere stikstof, natuur, bodem, water, klimaat, omgeving en dierenwelzijn. Er zijn 24 ondernemingsplannen als toekomstbestendig beoordeeld door onafhankelijke deskundigen. De ondernemers gaan nu werken aan het realiseren van hun plan waarbij de vier overheden vervolgstappen zetten met vergunningverlening en subsidies om de realisatie van de plannen mogelijk te maken. In 2025 is de evaluatie van de aanpak naar de Kamer verstuurd (Kamerstukken II 2025-2056 35334, nr. 415). Daarmee is gestart met het verder doorontwikkelen van de aanpak met focus op de 5 clustergebieden met de grootste opgaven als onderdeel van de ‘extra rijksinzet voor gebieden en boerenerven’ Veluwe, de Peel, Groene Hart, Hart van het Noorden en Noord-West Overijssel.

Versnellings- en koplopermaatregelen

In 2025 is door de medeoverheden verder gewerkt aan de uitvoering van de provinciale versnellingsmaatregelen (2022) en koplopermaatregelen (2024). Daarnaast zijn in 2025 extra middelen vrijgemaakt voor Noord-Holland, Flevoland en Zeeland. Voor circa € 32 mln. zijn de middelen bestemd voor de landbouw ten behoeve van o.a. extensivering van grond, agrarisch natuur en landschapsbeheer en managementmaatregelen. Deze provincies hebben circa € 7 mln. ontvangen ten behoeve van maatregelen (o.a. aanpassen waterpeil) gericht op de waterdoelen. Ten behoeve van de natuur is circa € 6 mln. beschikbaar gesteld (o.a. nieuwe natuur en bos). Dit met als doel om de uitvoeringskracht te versterken en de realisatie van de natuur-, water- en klimaatdoelen te versnellen. De provincies hebben in het voorjaar 2025 gerapporteerd over de voortgang van de maatregelen waarover de Kamer is geïnformeerd (Kamerstukken II 2025-2026 36800 XIV, nr. 11). In 2025 heeft het kabinet naar aanleiding van de voortgang gekeken naar vervolgstappen voor door provincies ervaren knelpunten. Het gaat bij deze knelpunten onder meer om complexe vergunningverleningstrajecten, staatssteunprocedures, beperkte uitvoeringscapaciteit en veranderende beleidskaders. Voortdurende inzet van overheden en gebiedspartners blijft noodzakelijk voor verdere stappen richting de realisatie van de doelen. Met de in 2025 gestarte ‘extra rijksinzet voor gebieden en boerenerven’ ondersteunt het Rijk met focus op de 5 clustergebieden met de grootste opgaven (Veluwe, Peel, Noordwest-Overijssel, Groene Hart en Hart van het Noorden) bij het verder brengen en versnellen van de uitvoering onder regie van de provincies.

Agrarisch Natuurbeheer

In 2025 is binnen het agrarisch natuurbeheer voorbereidend werk verricht om vanaf 2026 uitvoering te kunnen geven aan de Kamerbrief Uitwerking agrarisch natuurbeheer (2025Z14291&did=2025D32499">Kamerstukken 33 576, nr. 460) en de daaraan verbonden structurele middelen van € 200 miljoen per jaar. Het gaat o.a. om de uitbreiding van het aantal hectaren Agrarisch Natuur & Landschapsbeheer (ANLb) naar 195.000 ha in 2030. Het voorbereidende werk is mogelijk gemaakt met de middelen uit het Amendement Grinwis, waardoor in 2025 € 50 miljoen beschikbaar is gesteld. Deze middelen zijn ingezet voor het actualiseren van de ANLb-tarieven, het verstrekken van subsidies aan uitvoeringsorganisaties zoals BoerenNatuur en de agrarische collectieven ter voorbereiding op de verwachte groei, en het versterken van de uitvoeringscapaciteit bij RVO, provincies en BIJ12. Daarnaast is geïnvesteerd in kennisontwikkeling, onder andere door het opstarten van verschillende onderzoeken, zoals de pilot grutto headstarting, en door de uitvoering van de eerste tranche van de pilot Noord-Nederland.

Natuurmonitoring

In 2025 is met succes de Nationale Databank Flora en Fauna voor publiek opengesteld. Ook zijn de 6-jaarlijkse nationale rapportages voor de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn volgens planning ingediend. In 2025 is ingezet op een intensivering van het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM). Er is volgens planning gewerkt aan een centrale database voor de registratie van natuurmaatregelen, welke in 2025 is gebruikt voor de rapportage voor de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Ook is volgens planning de Handreiking Monitoring Omgevingscondities 3.0. opgeleverd, met verbeteringen afkomstig van voortouwnemers die ervaring hebben opgedaan met het werken met de eerdere versie. Daarnaast is in een pilotproject in drie Natura 2000 gebieden een efficiënte manier van bodemmonitoring getoetst. Tot slot zijn uniforme maatlatten ontwikkeld en getest voor de beoordeling van de kwaliteit van 21 habitattypen, en heeft onderzoek naar het verbeteren van de monitoring van vlinders, libellen, amfibieën en zoetwatervissen plaatsgevonden. Hoewel het VVM grotendeels volgens planning heeft kunnen verlopen, is de beschikbare capaciteit van ecologen een aandachtspunt. Hierdoor heeft het ontwikkelen van een uniforme methodiek voor het in kaart brengen van leefgebieden van soorten in 2025 vertraging opgelopen.

Landelijke aanpak wolven

In 2025 is samen met provincies uitvoering gegeven aan de Landelijke Aanpak Wolven (LAW) (Kamerstuk 33576, nr. 405). De landelijke aanpak heeft tot doel om wolvenaanvallen op mensen, huisdieren en vee beter te voorkomen en om in die gevallen dat desondanks toch aanvallen plaatsvinden, effectief te kunnen optreden. De aanpak heeft ook tot doel het beheersen van de toenemende maatschappelijk onrust en het toewerken naar kaders die passend zijn voor Nederland als klein en dichtbevolkt land. Er is een productieve samenwerking met provincies opgezet die diverse resultaten heeft opgeleverd. Op 20 november 2025 is het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) geopend. Dit informatiepunt bevat publieksinformatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven, via website, e-mail en telefoon. Daarnaast is er vanuit LVVN financiering beschikbaar gesteld voor provinciale initiatieven voor vee bescherming. De provincies hebben in september 2025 de eerste financiële middelen ontvangen voor het uitvoeren van initiatieven die bijdragen aan het verkleinen van de risico’s van aanvallen op gehouden dieren door wolven. Ten slotte werd in 2024 de beschermde status van de wolf onder het Verdrag van Bern verlaagd van strikt beschermd naar beschermd. In navolging hiervan heeft LVVN zich in 2025 ingezet voor het verlagen van de beschermde status van de wolf onder de Habitatrichtlijn. Het Europees Parlement heeft op 8 mei ingestemd met deze aanpassing van de Habitatrichtlijn, waarna deze per 14 juli 2025 in werking is getreden. Parallel aan dit proces heeft LVVN een concept regelgeving opgesteld om de verlaging van beschermde status in Nederlandse regelgeving vast te leggen. Deze conceptregelgeving is in Q2 2025 in behandeling gebracht.

Europese Natuurherstelverordening

In 2024 is de Europese Natuurherstelverordening (NHV) aangenomen en sindsdien moet in Nederland uitvoering worden gegeven aan aanvullende en striktere verplichtingen tot het beschermen en herstellen van ecosystemen die nu beschermd worden op grond van de Vogel- Habitatrichtlijn (VHR) en de Kaderrichtlijn Marien. Daarnaast bevat de NHV kwantitatieve hersteldoelstellingen voor 2030, 2040 en 2050 en een verslechteringsverbod voor natuur buiten de Natura 2000-gebieden. Het ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor het opstellen van het Natuurplan (de Europese Commissie noemt dit een Nationaal Herstelplan) dat uiterlijk op 1 september 2026 bij de Europese Commissie moet worden ingediend. Het Natuurplan dient concrete herstelmaatregelen te bevatten voor de periode tot 2030, met een strategische doorkijk naar 2050. In 2025 is er een programmaplan opgesteld (Kamerstuk 33576, nr. 465) dat een zorgvuldige en tijdige implementatie van het Natuurplan in Nederland beschrijft. De NHV vereist aanvullende Natuurmonitoring. In 2025 zijn afspraken gemaakt en onderzoeken uitgezet in samenwerking met kennisinstituten en medeoverheden om de natuurmonitoring uit te breiden en in lijn te brengen met de vereisten van de NHV (Kamerstuk 33576, nr. 440).

Innoveren in visserijtechnieken

In 2025 is gewerkt aan de subsidieregeling ‘innoveren in visserijtechnieken’. Om de richting van deze subsidieregeling te bepalen is bij het Visserij Innovatie Netwerk een enquête uitgezet. Hieruit is gebleken dat potentiële gebruikers de meeste behoefte hadden aan een innovatieregeling die geënt was op vangst- en visserijtechnieken. Deze thema’s komen hierom nadrukkelijk terug in de subsidieregeling. Op 1 september 2025 is deze module opengesteld (2025Z13493&did=2025D30516">Kamerstuk 29 675, nr. 234). De subsidieregeling had een budget van € 1,5 mln. en zag op kleine innovatieve projecten tot een maximum van € 150.000.

Saneringsregeling garnalenvisserij

De saneringsregeling garnalenvisserij is ontwikkeld om de garnalenvisserij in balans te brengen door enerzijds een goed verdienmodel voor de garnalenvloot te bereiken en anderzijds de druk op de natuur te verlichten door de visserijdruk te verlagen. In juli 2025 is de saneringsregeling gepubliceerd in de Staatscourant, na goedkeuring door de Europese Commissie (Kamerstuk 29675, nr. 235). De saneringsregeling is voor € 40 mln. opengesteld van 3 november 2025 t/m 2 februari 2026. In 2025 zijn er 50 aanvragen voor de subsidie ontvangen, waarvan er 35 zijn verleend voor een totaalbedrag van € 20,0 mln. Bij het opstellen van de saneringsregeling werden tussen de 40 en 50 aanvragen beoogd. De doelstelling voor het aantal deelnemers aan de saneringsregeling is daarmee wat betreft het aantal aanvragen behaald. Over het uiteindelijke aantal subsidieverleningen en subsidievaststellingen kan nog geen uitspraak worden gedaan mede omdat de openstelling doorloopt in 2026. Ook kunnen aanvragers besluiten om hun aanvraag alsnog in te trekken.

Visserij Ontwikkel Plan

In 2025 zijn de gemeenten en provincies van start gegaan met de uitvoering van het Visserij Ontwikkel Plan (VOP) naar aanleiding van de in 2025 uitgekeerde SPUK. De eerste monitoringsgesprekken hebben ook eind 2025 plaatsgevonden. De uitkomst van deze gesprekken heeft geleid tot diverse acties die in 2026 zullen worden ondernomen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Art. Verplichtingen 987.454 758.961 330.352 3.640.197 452.612 680.673 ‒ 228.061
Uitgaven 572.684 583.999 899.800 1.797.260 884.330 1.159.875 ‒ 275.545
22.0 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken 572.684 583.999 899.800 1.797.260 884.330 1.159.875 ‒ 275.545
Subsidies (regelingen) 26.369 42.758 201.115 89.088 95.289 192.275 ‒ 96.986
Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit 5.988 5.841 6.600 10.101 9.091 5.297 3.794
Natuur en Biodiversiteit op land 10.271 23.303 38.602 43.017 49.729 152.776 ‒ 103.047
Beheer Kroondomeinen 775 775 867 746 745 803 ‒ 58
Duurzame visserij 4.166 8.144 148.067 19.291 18.613 16.417 2.196
Overige stelsel activiteiten 5.169 4.695 5.579 8.579 13.617 14.882 ‒ 1.265
Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren 0 0 1.400 7.354 3.494 2.100 1.394
Leningen 23.509 22.922 22.262 21.829 20.814 22.145 ‒ 1.331
Leningen rente en aflossing 23.509 22.922 22.262 21.829 20.814 22.145 ‒ 1.331
Garanties 324 350 0 0 0 0 0
Garantie Klimaatfonds 324 350 0 0 0 0 0
(Schade)vergoeding 0 0 0 0 124 2.000 ‒ 1.876
Vermaatschappelijking natuur en biodiversiteit 0 0 0 0 124 2.000 ‒ 1.876
Opdrachten 22.895 47.124 36.610 37.591 36.961 193.482 ‒ 156.521
Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit 2.132 4.762 2.325 3.032 3.680 18.251 ‒ 14.571
Natuur en Biodiversiteit op land 1.396 28.274 17.590 19.319 15.955 65.281 ‒ 49.326
Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren 11.927 6.585 7.465 5.621 9.331 44.311 ‒ 34.980
Duurzame visserij 449 570 1.374 1.871 1.645 59.020 ‒ 57.375
Internationale Samenwerking 1.932 2.103 2.674 2.994 3.094 3.113 ‒ 19
Klimaatimpuls Natuur en Biodiversiteit 4.865 4.538 5.182 4.754 3.192 3.506 ‒ 314
Regio Deals 194 292 0 0 64 0 64
Bijdrage aan agentschappen 8.995 13.399 13.553 15.855 42.498 85.367 ‒ 42.869
Rijkswaterstaat 8.995 13.399 12.891 14.623 14.250 16.808 ‒ 2.558
Rijksvastgoedbedrijf 0 0 0 457 28.038 68.559 ‒ 40.521
Overige agentschappen 0 0 662 775 210 0 210
Bijdrage aan ZBO's/RWT's 29.865 29.649 31.977 35.128 37.231 32.294 4.937
Staatsbosbeheer 29.865 29.649 31.077 33.082 35.877 32.294 3.583
Overige ZBO's 0 0 900 2.046 1.354 0 1.354
Bijdrage aan medeoverheden 455.597 424.988 592.055 1.592.348 637.656 630.471 7.185
Caribisch Nederland 4.065 3.212 2.708 1.087 1.546 1.651 ‒ 105
Specifieke uitkering 335.015 421.776 589.347 1.591.261 636.110 628.820 7.290
Regio deals 116.517 0 0 0 0 0 0
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties 1.740 1.535 1.822 1.765 1.457 1.841 ‒ 384
Internationale Samenwerking 1.740 1.535 1.822 1.765 1.457 1.841 ‒ 384
Storting/onttrekking begrotingsreserve 3.390 1.274 406 3.656 12.300 0 12.300
Storting begrotingsreserve visserij 3.390 1.274 0 3.457 12.300 0 12.300
Storting begrotingsreserve natuur 0 0 406 199 0 0 0
Ontvangsten 537.821 52.889 61.971 67.853 89.355 31.486 57.869
Art. Ontvangsten 537.821 52.889 61.971 67.853 89.355 31.486 57.869
22.0 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken 537.821 52.889 61.971 67.853 89.355 31.486 57.869
Ontvangsten 537.821 52.889 61.971 67.853 89.355 31.486 57.869
Landinrichtingsrente 28.441 26.429 22.868 22.515 19.984 19.641 343
Verkoop gronden 12.159 8.804 1.045 0 5.889 1.000 4.889
Overige ontvangsten natuur 3.894 11.600 12.767 35.017 34.242 2.089 32.153
Duurzame visserij 7.690 6.056 23.518 8.286 28.200 8.756 19.444
Onttrekkingen begrotingsreserves 485.637 0 1.773 2.035 1.040 0 1.040

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

De verplichtingen vallen in totaal € 228,1 mln. lager uit dan voorzien. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door dezelfde verklaringen zoals omschreven onder de uitgavenbudgetten. Het verschil tussen het vastgestelde verplichtingen- en dat van het kasbudget bedraagt € 47,4 mln. Dit wordt verklaard door een groot aantal verplichtingenmutaties die op artikel 22 hebben plaatsgevonden. De grootste hiervan betreft een ophoging van het verplichtingenbudget voor de Regeling provinciale maatregelen landelijke gebied (RPML) ter waarde van € 45,5 mln. Het aangaan van deze verplichting stond gepland voor 2024, maar is uiteindelijk pas in 2025 aangegaan. Daarnaast konden diverse verplichtingen in het kader van de uitbreiding van het Agrarisch Natuurbeheer (€ 13,0 mln.) sneller worden vastgelegd dan verwacht.

Uitgaven

Subsidies

Natuur en Biodiversiteit op land

De gerealiseerde uitgaven op het subsidiebudget «Natuur en Biodiversiteit op land» komen € 103,0 mln. lager uit dan geraamd op de vastgestelde begroting. Dit betreft een saldo van meerdere mutaties, waarvan de grootste hieronder worden toegelicht. Ten eerste betreft dit € 30,0 mln. aan verschillende overhevelingen naar het Provinciefonds voor het Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Hiermee worden voornamelijk de kosten voor de herijking van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer gedekt. Daarnaast hebben er diverse kasschuiven plaatsgevonden van in totaal € 28,9 mln. om de kasritmes van de regeling «Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-overgangsgebieden» te laten aansluiten bij de geplande uitbetalingen van de subsidieregeling. Verder wordt het verschil veroorzaakt doordat € 24,0 mln. voor het budget dat is gereserveerd voor het realiseren van maatwerkoplossingen voor piekbelasters is verplaatst naar latere jaren omdat maatwerkcasussen om diverse redenen een langere looptijd hebben dan voorzien. Tevens heeft er een kasschuif plaatsgevonden van € 15,0 mln. voor het ANB. Vanwege vertraging in de besluitvorming zijn de middelen naar 2027 verplaatst. Ook heeft er een kasschuif plaatsgevonden van € 7,7 mln. om de middelen voor de Natuurherstelverordening naar 2027 te schuiven. Door capaciteitsgebrek bij medeoverheden kon in 2025 niet aan alle additionele monitoringsvereisten uitvoering gegeven worden. Tot slot is er € 4,0 mln. overgeheveld naar het Gemeentefonds voor een maatwerkcasus in de gemeente Nederweert. Deze middelen zijn bedoeld om de milieubelasting in de betreffende gemeente terug te dringen door de beëindiging van een varkenshouderij.

Opdrachten

Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit

De gerealiseerde uitgaven op het opdrachtenbudget Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit komen € 14,6 mln. lager uit ten opzichte van de vastgestelde begroting 2025. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat er € 6,9 mln. Is overgeheveld naar artikel 23 voor de RIVM-opdracht voor de uitvoering en ontwikkeling van Aerius. Daarnaast is er in het kader van Nationale parken € 2,2 mln. overgeheveld naar het Provinciefonds en is € 1,3 mln. overgeheveld naar «Vermaatschappelijk Natuur en Biodiversiteit» onder het subsidiebudget voor de uitfinanciering van de regeling ondersteuning nationale parken. Ook is een deel van de projecten voor onderzoek, data en monitoring (€ 1,3 mln.) niet doorgegaan vanwege vetraging.

Natuur en Biodiversiteit op land

De gerealiseerde uitgaven op het opdrachtenbudget «Natuur en Biodiversiteit op land» komen € 49,3 mln. lager uit dan geraamd op de vastgestelde begroting. Dit betreft een saldo van een groot aantal mutaties. De grootste worden hieronder toegelicht. Er is voor de zaakbegeleiders € 12,0 mln doorgeschoven naar latere jaren gezien de regelingen waarbij de zaakbegeleiders ondersteunen een langere uitvoeringsperiode hebben dan verwacht. Daarnaast wordt dit verschil voor in totaal € 10,0 mln. veroorzaakt door een groot aantal mutaties in het kader van Programma Natuur. Hiervan wordt € 3,0 mln. verantwoord onder de categorie subsidies en ca. € 2,5 mln. is overgeheveld naar artikel 23. Vervolgens is er € 2,2 mln. afgeboekt in de Slotwet 2025, en heeft er een kasschuif plaatsgevonden van € 1,0 mln. In het kader van natuurbrandpreventie is in totaal € 8,8 mln. overgeheveld naar het provincie- en gemeentefonds. Ook is er € 7,7 mln. naar de RVO overgeheveld voor ondersteuning bij het versterken van de uitvoeringskracht in het landelijk gebied. Deze middelen worden verantwoord op de daarvoor bestemde beleidsinstrumenten. Daarnaast is van het budget voor ondernemingsplannen € 3,7 mln. verschoven naar latere jaren. Dit wordt veroorzaakt doordat door de complexe vergunningverlening van dit moment er in de uitvoering van de ondernemingsplannen vertraging ontstaan is. Aanvullend is er op het budget voor inhuur en ondersteuning van zaakbegeleiders € 2,0 mln. minder gerealiseerd doordat de vraag naar zaakbegeleiders lager is dan voorzien.

Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

De gerealiseerde uitgaven op het opdrachtenbudget «Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren» zijn € 35,0 mln. lager dan geraamd op de vastgestelde begroting. Dit komt met name door een tweetal kasschuiven voor het Programma Natuurversterking Noordzee en de Natuurcompensatie Voordelta, respectievelijk € 16,5 mln. en € 10,2 mln. Wegens vertraging in de besluitvorming zijn middelen naar latere jaren geschoven. Voor verschillende programma's die door RVO worden uitgevoerd is € 1,6 mln. overgeheveld naar de bijdrage aan RVO op artikel 24. Het restant wordt veroorzaakt door een groot aantal overhevelingen naar andere onderdelen van de LVVN-begroting voor opdrachten voor diverse onderzoeken.

Duurzame visserij

De gerealiseerde uitgaven op het opdrachtenbudget «Duurzame visserij» komen € 57,4 mln. lager uit dan geraamd op de vastgestelde begroting. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door een technische overheveling binnen artikel 22 naar «bijdrage aan medeoverheden» van € 30,3 mln. ten behoeve van de Specifieke uitkering Visserij Ontwikkelplan (VOP). Het VOP kent twee doelen: het behouden en ontwikkelen van toekomstbestendige landzijdige visclusters voor een kleinere, duurzamere en meer diverse aanvoersector, en het ontplooien van andere sociaal economische activiteiten die qua karakter aansluiten bij de identiteit en bijdragen aan het behoud van het sociaal-cultureel erfgoed en de werkgelegenheid van de betreffende visserijgemeenschappen. Verder is € 6,9 mln. aan onderuitputting op Wind op Zee middelen overgeheveld naar het Klimaatfonds. Daarnaast is een bedrag van € 2,2 mln. voor het Noordzeeakkoord en Visserij Vrije Zones doorgeschoven naar latere jaren. Ook is er € 2,4 mln. overgeheveld naar artikel 24 voor diverse opdrachten aan de NVWA voor de bestuurlijke boetes en de Controle Verordening. Voor de opdracht aan de RVO is € 1,9 mln. naar artikel 24 overgeheveld. Dit betreft voornamelijk de uitvoeringskosten van subsidieregelingen en het Visserij Innovatie Netwerk (VIN). Het restant van het verschil wordt verklaard door diverse overhevelingen naar andere onderdelen van de LVVN-begroting voor opdrachten voor diverse onderzoeken.

Bijdrage aan Agentschappen

Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

De gerealiseerde uitgaven op het budget voor aankopen en uitvoeringskosten van de Nationale Grondbank komen € 40,5 mln. lager uit dan geraamd op de vastgestelde begroting. Dit komt hoofdzakelijk door een kasschuif van € 37,0 mln. naar 2027 voor de aankoop van gronden door de Nationale Grondbank (NGB). Door vertraging in de uitvoering worden de aankopen van de NGB die voorzien waren in 2025, in latere jaren afgerond.

Ontvangsten

Overige ontvangsten natuur

De gerealiseerde ontvangsten op het ontvangstenbudget «Overige ontvangsten natuur» vallen € 32,2 mln. hoger uit dan voorzien op de vastgestelde begroting. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de terugontvangen middelen voor de Maatregel Gerichte Aankoop-1- regeling. Omdat het een specifieke uitkering betreft zijn niet-bestede middelen terugbetaald aan het ministerie van LVVN.

Duurzame visserij

De gerealiseerde ontvangsten op het budget «Duurzame visserij» komen € 19,4 mln. hoger uit dan geraamd in de vastgestelde begroting. Dit verschil wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door extra ontvangsten uit het Europese Visserijfonds EMFAF vanwege uitgekeerde declaraties.

Toelichting op de begrotingsreserves

Stand 1/1/2025 31.694
+ Storting 12.300
- Onttrekking 1.040
Stand per 31/12/2025 42.954

Toelichting:

De begrotingsreserve Visserij is bestemd voor uitgaven en ontvangsten met betrekking op het Europese Visserijfonds (EMFAF). Hiermee blijven cofinancieringsmiddelen beschikbaar voor latere jaren. Er is een onttrekking gedaan uit de visserijreserve van € 1,0 mln. ten behoeve van EMFAF-opdrachten. Daarnaast vindt er een storting plaats van € 12,3 mln. Dit betreft met name middelen vanuit datacollectie vanuit de Wettelijke onderzoekstaken Visserij.

Artikel 23 Kennis en innovatie

A. Algemene doelstelling

De Minister van LVVN streeft naar een goed functioneerde kennis-, innovatie- en onderzoeksinfrastructuur op het terrein van land- en tuinbouw, visserij, voedsel, natuur en landelijk gebied, die bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen voor land- en tuinbouw, visserij en natuur.

B. Rol en verantwoordelijkheid

  1. De Minister is medeverantwoordelijk voor de instandhouding van een groene kennis- en onderzoeksinfrastructuur ten behoeve van het landbouw-, natuur- en voedseldomein.
  2. De Minister is verantwoordelijk voor de inzet en verspreiding van kennis en innovatie gericht op de verdere verduurzaming van de land- en tuinbouw en visserij en het voedselsysteem, inclusief het sluiten van kringlopen en het benutten van reststromen, met respect voor de biodiversiteit en natuurlijke ecosystemen.
  3. De Minister is als penvoerder verantwoordelijk voor de inhoudelijke programmering van Wageningen Research op basis van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek.
  4. De Minister is als vakminister medeverantwoordelijk, met de Minister van OCW, voor de invulling en de inzet van het groen onderwijs ten behoeve van de maatschappelijke opgaven op het terrein van landbouw, voedsel, water en klimaat.

De Minister is (mede)verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  1. Het bevorderen van kennisontwikkeling, kennisbenutting en kennisverspreiding, nieuwe technologieën (zoals ICT) en educatie voor de bijdrage aan de maatschappelijke opgaven op het terrein van verduurzaming landbouw en visserij, voedsel, behoud en versterking biodiversiteit en natuur, klimaat, water en de economische concurrentiekracht van de Nederlandse agro- en tuinbouwsector.
  2. Het bevorderen van publiek-private samenwerking gericht op het opstellen en (laten) uitvoeren van meerjarige missiegedreven innovatieprogramma’s voor Landbouw, Water en Voedsel.
  3. Het bevorderen van de inzet van kennis en innovatie binnen het domein van Landbouw, Water en Voedsel, in het bijzonder in de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen op basis van een meerjarige kennis- en innovatieagenda (KIA), een kennis- en innovatieconvenant (KIC) en aanspraak te doen op het GLB.
  4. Het bevorderen van onderwijs, educatie en kennisverspreiding ten behoeve van de maatschappelijke opgaven.
  5. Het stimuleren van internationale samenwerkingsprogramma’s voor onderzoek gericht op de maatschappelijke opgaven op het terrein van landbouw, voedsel, water, milieu en klimaat.
  6. Het stimuleren van het ontwikkelen van praktijkkennis voor structureel natuurherstel en beheer via het kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN).
  7. Het stimuleren van startups en bottom-up projecten bij het ontwikkelen van innovatieve manieren van werken bij het oplossen van maatschappelijke opgaven op het terrein van landbouw, voedsel, natuur, biodiversiteit, water, klimaat en landelijk gebied.

Financieren

  1. Het financieren van de kennisbasis van Wageningen Research, op basis van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek.

Regisseren

  1. Regievoering op de subsidieverlening aan Wageningen Research en de opdrachtverlening RIVM voor het groene domein.
  1. Het regisseren van meerjarige missiegedreven programmering van kennis en innovatie met stakeholders ten behoeve van de maatschappelijke opgaven op het terrein van landbouw, voedsel, tuinbouw, natuur, biodiversiteit en klimaat.

Uitvoeren

  1. Het uitvoering geven aan het Groenpact, samen met het groene onderwijs, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven.
  2. Het uitvoeren van interventies voor kennis en innovatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid ten behoeve van het verspreiden van kennis, het bevorderen van doorontwikkeling van praktijkgerichte innovaties in de landbouw en het versterken van het agrarisch kennis- en innovatiesysteem (AKIS).
  3. De uitvoering van wettelijke onderzoekstaken door Wageningen Research gericht op genetische bronnen, voedselveiligheid, besmettelijke dierziekten, economische informatievoorziening, natuur en milieu en visserij.

C. Beleidsconclusies

LVVN heeft ook het afgelopen jaar fors ingezet op het ontwikkelen van kennis, het verspreiden van ideeën en oplossingen, de ontwikkeling van mensen als dragers voor de vernieuwing, en in het realiseren van (technologische en sociale) innovatie in de praktijk. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste gerealiseerde beleidsresultaten in 2025.

Kennisontwikkeling, -verspreiding en innovatie

Kennisbasis

Binnen het nieuwe meerjarige kennisbasisprogramma Wageningen Research zijn in 2025 5 programma's gestart die nieuwe kennis, instrumenten en modellen gaan opleveren voor toekomstige marktbehoeften en opkomende maatschappelijke vraagstukken.

OBN Natuurkennis

In 2025 is begonnen aan een nieuwe zesjarige samenwerkingsperiode voor het OBN Natuurkennis door de Vereniging voor Bos- en Natuureigenaren (VBNE), BIJ12 en het Ministerie van LVVN. In dit eerste jaar van de nieuwe samenwerkingsperiode zijn vier nieuwe OBN-onderzoeken geselecteerd, onder andere over het herstel van beekmondingen en een duurzame toekomst voor begrazing in aanwezigheid van de wolf. Ook zijn vijf onderzoeksrapporten van de vorige samenwerkingsperiode opgeleverd met betrekking tot uiteenlopende natuuronderwerpen, zoals het beheer van graslandnatuurtypen en Basiskwaliteit Natuur in akkerbouwgebieden. De rapporten bevatten concrete adviezen voor beheerders en beleidsmakers om natuur te herstellen in natuurgebieden en het landelijk gebied op verschillende schaalniveaus. Kennis en adviezen uit de onderzoeksrapporten zijn op verschillende manieren gedeeld met de doelgroepen. Denk hierbij aan Raad en daad rapporten, veldwerkplaatsen, maandelijkse webinars, brochures en diverse kennisdagen. Voor de tweede keer is het tweejaarlijkse Natuurcongres georganiseerd door het OBN Natuurkennis in samenwerking met het Programma Natuur. Dit succesvolle congres is door 600 deelnemers bezocht met achtergronden in beleid, natuurbeheer en wetenschap. Het congres betrof een dag vol ontmoetingen, inspiratie en kennisuitwisseling in meer dan 30 deelsessies.

Missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid

Onder het missiegedreven innovatiebeleid werken ministeries, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties èn het bedrijfsleven van de topsectoren Agri & Food, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen, en Water & Maritiem samen aan de uitvoering van de kennis- en innovatieagenda Landbouw, Water en Voedsel (KIA-LWV). Binnen deze agenda wordt gewerkt aan zes missies op het gebied van natuur, land- en tuinbouw, gebiedsinrichting en water, voedsel, de Noordzee en de veilige delta. De missies worden ondersteund door een sleuteltechnologieprogramma. Voor deze opgaven wordt zowel fundamenteel als toegepast onderzoek uitgezet en er is aandacht voor kennisdeling. In het PPS (Publiek-Private samenwerking) programma zijn in 2025 84 publiek-private samenwerkingsprojecten gehonoreerd die 4-5 jaar lopen en 25 projecten om bestaande kennis uit onderzoek te vertalen naar de praktijk (Kennis Op Maat) en de opstart van innovatieve internationale samenwerkingsverbanden te stimuleren (Seed Money Projecten). In 2025 is tevens gewerkt aan 10 route- en kansenkaarten die inzichtelijk maken welke stappen in ontwikkeling, verspreiding, opschaling of marktcreatie gezet moeten worden om doelen te bereiken. Resultaten uit projecten worden ontsloten naar ondernemers in het Midden- en Kleinbedrijf (MKB), zoals bijvoorbeeld via het instrument Kennis op Maat, gebruikt in vervolgprojecten, of gecommercialiseerd binnen bedrijven. De interesse van bedrijven om publiek-privaat samen te werken aan onderzoek en innovatie is groot op onderwerpen als plantaardige productie, veehouderij en sleuteltechnologieën, maar liet in 2025 wel een afname zien ten opzichte van voorgaande jaren. Van de topsectoren is in 2025 afscheid genomen. Activiteiten zijn deels stopgezet en deels voortgezet door de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s).

Nationaal Kennisprogramma Stikstof

Het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) vormt de noodzakelijke basis voor het meten en berekenen van het stikstofbeleid. De uitkomsten van het NKS worden gebruikt voor o.a.: AERIUS updates, het bepalen van de voortgang doelen van de wet stikstofreductie en natuurherstel (Wsn), verplichte rapportages over actuele ammoniak-, NOx, N2O emissies voor de EU NEC richtlijn, het UN Göteborg protocol, de UN Klimaat overeenkomst en de Klimaat en energieverkenning.

Via het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) lopen verschillende onderzoeken om de meet- en rekensystematiek te verbeteren. Dit is een continu proces dat structureel leidt tot verbetering van de methodiek. Uw Kamer is conform motie 36277-40 van het lid van Campen c.s. op 11 maart 2025 geïnformeerd over de voortgang van het Nationaal Kennisprogramma Stikstof in 2024 (Kamerstuk 35 334, nr. 354). Een aantal onderzoeken heeft geleid tot aanpassingen en verbeteringen van de stikstofmodellen, hierover is uw Kamer op 19 september 2025 geïnformeerd en wordt u nader over geïnformeerd in de volgende voortgangsrapportage.

Daarnaast is in samenwerking met provincies het onderzoeksprogramma Onderzoeksprogramma Regionale Omgevingsmetingen Stikstof gestart voor fijnmazige en gebiedsspecifieke monitoring van stikstof. In het eerste kwartaal van 2026 volgt een uitgebreide voortgangsrapportage over 2025.

Bedrijfsgerichte doelsturing

Om doelsturing mogelijk te maken is er in 2025 door het kennisconsortium van Wageningen Universiteit en Boerenverstand verder gewerkt aan de ontwikkeling van de integrale KPI-kernset met Kritische Prestatie Indicatoren voor de melkveehouderij en akkerbouw. Het project om te komen tot een dataecosysteem agro (DESA) is inmiddels op stoom gekomen en wordt in publiek-private samenwerking opgepakt. Daarnaast is in samenwerking met sectorpartijen een project opgezet om met behulp van nitraat-residumetingen te werken aan de verbetering van de waterkwaliteit. Ook zijn enkele acties van de actieagenda stoffenbalans opgepakt. Zo is in 2025 de haalbaarheidsstudie voor berekeningsvarianten voor melkvee en akkerbouw gestart. De verschillende acties verlopen volgens planning.

Kennisoverdracht naar het boerenerf

In 2025 is de Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie (SABE) opnieuw opengesteld voor projectsubsidies en kennisvouchers. De SABE richt zich op kringlooplandbouw en de verdere omschakeling naar toekomstbestendige landbouw waaronder ook stikstofreductie. Er zijn tientallen aanvragen gedaan voor projectsubsidies. Denk hierbij aan praktijkleernetwerken om kennis te delen en demonstratiebedrijven gericht op het inspireren van collega-agrariërs. De toekenning van de projecten die door de selectieprocedure komen zal begin 2026 plaatsvinden. Verder zijn er meer dan 4000 kennisvouchers toegekend voor hetzij onafhankelijk agrarisch advies of voor het opstellen van een toekomstbestendig bedrijfsplan door een erkende bedrijfsadviseur. Hieruit blijkt dat de regeling voorziet in een behoefte en bijdraagt aan versnelling van kennisoverdracht naar het boerenerf.

Ook zijn in 2025 drie nieuwe regionale knooppunten van start gegaan om agrarische ondernemers te begeleiden in de keuzes omtrent het sociaal-economisch toekomstperspectief (SEB) in het landelijk gebied. Dit zijn knooppunten in Zeeland, Zuid-Holland en Gelderland. Eerder (2024) waren al zeven knooppunten van start gegaan in verschillende provincies die in 2025 ook volledig operationeel zijn geworden. Ook zijn de eerste individuele trajecten (meer dan 500) gestart bij deze knooppunten om agrarische ondernemers actief te ondersteunen en dit aantal groeit nog steeds.

Praktijkpilots Europese Innovatiepartnerschappen (EIP)

In 2025 zijn vier modules van de subsidieregeling Samenwerken aan innovatie EIP (EIP-regeling) opengesteld voor het aanvragen van subsidie voor het uitvoeren van innovatieve praktijkpilots in de land- en tuinbouw door samenwerkingsverbanden. Opengestelde modules zijn: EIP Generatievernieuwing (€0,5 mln.), EIP Dierenwelzijn-verminderen staartcouperen varkenshouderij (€1,8 mln.), EIP Algemeen (€ 6,3 mln.) en EIP Digitalisering en robotisering (€10,5 mln.). In totaal zijn er 283 aanvragen ingediend.

Budgetten van de EIP-regeling zijn afkomstig uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het Actieprogramma Digitalisering en uit het innovatieprogramma Robots naar de boerenpraktijk.

In dit tweede jaar waarin de EIP-regeling opengesteld is, is een toename zichtbaar in het aantal aanvragen en in de kwaliteit van de aanvragen. Ook verschijnen regelmatig artikelen in vakbladen over EIP-projecten. Hieruit blijkt dat één van de belangrijkste beleidsdoelen behaald wordt, namelijk het ontwikkelen en verspreiden van kennis over praktijkgerichte innovaties in de agrarische sector.

Experimenteerlocaties

In 2025 zijn drie experimenteerlocaties gestart met subsidie uit de subsidieregeling experimenteerlocaties (SREL). Dit zijn Fieldlab Groene Hart, Boerderij van de Toekomst Zuidoostelijk Zandgebied en Experimenteerlocatie Oost Nederland. Daarnaast is ook het nationale platform experimenteerlocaties gestart waar inmiddels 14 experimenteerlocaties (met of zonder subsidie uit de SREL) samenwerken om kennis en expertise te delen.

Digitalisering en Robotisering

In 2025 zijn de voorbereidingen gestart voor het Innovatieprogramma ‘Robots naar de boerenpraktijk’. Binnen dit programma hebben agrarische ondernemers onder begeleiding ervaring opgedaan met robots op hun eigen bedrijf. Dit kon op individuele basis of in een studiegroep. Betrokken sectoren waren onder andere de glastuinbouw, melkveehouderij, bloembollenteelt, akkerbouw, vollegrondsgroententeelten en fruitteelt. Via de Digitale Synergiedagen, open velddagen, velddemonstraties en media-coverage is gewerkt aan bewustwording in de sector van de mogelijkheden van robotisering en digitalisering. Samenwerking wordt gestimuleerd met de openstelling van de EIP-regeling-module Digitalisering en Robotisering.

Met de onderwijssector worden verschillende initiatieven opgezet rond robotisering. Een hiervan is samenwerking met NWO voor een call voor lectoraten met als thema Robotica in de land- en (glas)tuinbouw: impact op werk, beroepsidentiteit en leren. Tenslotte is een bijdrage geleverd aan innovatiemissies naar Duitsland en België.

Nationaal Groeifonds

De inzet door LVVN op het Nationaal Groeifonds (NGF) (rondes 1 tot en met 3) heeft geleid tot vijf omvangrijke, langjarige en integrale kennis- en innovatieprogramma’s die potentieel zichtbaar kunnen gaan bijdragen aan het realiseren van de LVVN-beleidsdoelstellingen. In 2025 zijn alle NGF programma's in uitvoering genomen:

  1. CropXR: veredelingsmethoden die gebruikmaken van AI en datawetenschappen;
  2. Cellulaire Agricultuur: celkweek en precisiefermentatie voor kweekvlees en zuivel;
  3. ReGeNL: omschakeling van 1.000 boeren naar regeneratieve landbouwpraktijken;
  4. Ombion: voorheen CPBT, proefdiervrije biomedische translatie;
  5. Holomicrobioom: het op grote schaal in kaart brengen van interacties tussen micro-organismen met focus op het voedselsysteem.

Hiermee is een start gemaakt met het bijgedragen aan het bevorderen van kennisontwikkeling, kennisbenutting en kennisverspreiding, nieuwe technologieën (ICT) en educatie voor de bijdrage aan de maatschappelijke opgaven op het terrein van verduurzaming landbouw en visserij, voedsel, behoud en versterking biodiversiteit en natuur, klimaat, water en de economische concurrentiekracht van de Nederlandse agro- en tuinbouwsector.

Binnen CropXR omvatte de voortgang van het programma onder meer de aanzet tot op AI-gebaseerde modellen voor plantengroei en stressreacties, grootschalige experimenten aan aardappel om te bepalen wat de rol is van het bodemmicroben op weerbaarheid, en de publicatie van een multidisciplinaire academische minor op het gebied van veredeling van klimaatresistente gewassen.

Bij Cellulaire Agricultuur zijn voor het eerst modules op dit gebied in bestaande WO- en HBO-opleidingen gegeven waar veel belangstelling voor was. Ook is er een nieuw nationaal kader vastgesteld dat het voor het eerst in de EU mogelijk maakt om — onder strikte, gecontroleerde voorwaarden — proeverijen te organiseren met producten die via precisie- of biomassa-fermentatie zijn gemaakt (naar voorbeeld van proeverijen van kweekvlees en –vis). Dit is van groot belang voor het programma Cellulaire Agricultuur dat hier nauw bij betrokken was.

Bij ReGeNL is o.a. een solide systemen voor proces- en datamanagement gebouwd en regeneratieve praktijken kregen steeds duidelijker vorm. Inmiddels werken 162 boeren via ReGeNL aan hun bedrijfsontwikkelplan, lopen er zeven innovatietrajecten en zijn de eerste ketensamenwerkingen gestart. 60 boeren die al jaren regeneratief werken, nemen deel aan het monitoringprogramma. Er was de groeiende betrokkenheid vanuit de keten, er sloten veel nieuwe organisaties aan in het netwerk. Het programma telt nu meer dan 60 partners.

Het Centrum Proefdiervrije Biomedische Translatie (CPBT) is op 7 juli 2025 officieel gelanceerd. Tijdens dat startmoment is de naam van het groeifondsproject omgedoopt tot Ombion. Inmiddels heeft het eerste bezoek van de NGF-adviescommissie plaatsgevonden. Tijdens dat bezoek werd onder meer gedeeld dat op 2 december 2025 een Memorandum of Understanding van 8 groeifondsen (o.a. met Oncode Accelerator, HealthRI, Holomicrobioom) zou worden ondertekenend. Inmiddels is ook het contract getekend voor de huur van kantoren en laboratoria in het Life Sciences Incubator-gebouw op Utrecht Science Park.

Met het gereedkomen van de subsidiebeschikking is een formele start gemaakt met Holomicrobioom.

Kennisverspreiding en groen onderwijs

In 2025 is Groenpact (periode 2021-2025) onafhankelijk geëvalueerd. Het evaluatierapport en het Groenpact Kompas geven een goed beeld van de waarde van dit samenwerkingsverband. In vervolg op de kabinetsreactie op het SER-advies ‘Werken aan veranderkracht’ (Kamerstuk 36600-XIV. nr. 85) zijn nieuwe afspraken gemaakt met betrokken partijen voor een nieuwe fase van Groenpact vanaf 2026. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant Groen van Onschatbare Waarde 2026-2025 (Staatscourant 2025, nr. 32493) met bijbehorende werkagenda Groenpact 4e fase 2026-2029.

Het programma Jong Leren Eten heeft in 2025 samen met vele partners gewerkt aan het borgen van voedseleducatie in met name de kinderopvang en het primaire onderwijs en de ondersteuning van educatiematerialen voor o.a. boerderijeducatie, schooltuinen en voor projectgericht onderwijs (challenges) voor jongeren. Aandacht, samenwerking en educatieve programma’s zijn echter nog niet structureel geborgd bij zowel de onderwijsorganisaties als de ondersteunende partijen. De opgebouwde netwerken zijn nog kwetsbaar. Het programma is daarom verlengd tot en met 2028.

Het programma DuurzaamDoor is in 2025 afgerond. De laatste programmaperiode (2021-2025) heeft een keur aan kennis opgeleverd, netwerk in beweging gebracht en partijen in de samenleving ondersteund, op verschillende maatschappelijke transities. De lessen uit dit programma zijn input voor de aanpak sociale innovatie die in 2026 van start gaat.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Art. Verplichtingen 265.621 449.055 400.719 478.775 390.075 227.395 162.680
Uitgaven 244.170 253.210 303.881 348.224 389.917 407.083 ‒ 17.166
23.0 Kennis en innovatie 244.170 253.210 303.881 348.224 389.917 407.083 ‒ 17.166
Subsidies (regelingen) 127.407 133.007 168.837 188.616 220.359 249.249 ‒ 28.890
Beleidsondersteunend onderzoek 54.086 50.725 72.586 75.473 70.280 37.737 32.543
Missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid 57.077 58.579 59.259 47.638 47.000 58.637 ‒ 11.637
Kennisverspreiding en groen onderwijs 16.244 23.703 36.992 65.505 103.079 152.875 ‒ 49.796
Opdrachten 9.570 12.296 14.119 15.925 16.087 11.859 4.228
Kennisontwikkeling en innovatie 9.570 12.296 14.119 15.925 16.087 11.859 4.228
Bijdrage aan agentschappen 12.455 11.697 17.317 15.851 19.087 9.928 9.159
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 12.455 11.697 17.317 15.851 19.087 9.928 9.159
Bijdrage aan ZBO's/RWT's 94.738 96.210 103.608 127.832 134.384 136.047 ‒ 1.663
Wageningen Research 94.738 96.210 103.608 127.832 134.384 136.047 ‒ 1.663
Ontvangsten 12.240 11.643 9.875 21.075 16.012 7.474 8.538
Art. Ontvangsten 12.240 11.643 9.875 21.075 16.012 7.474 8.538
23.0 Kennis en innovatie 12.240 11.643 9.875 21.075 16.012 7.474 8.538
Ontvangsten 12.240 11.643 9.875 21.075 16.012 7.474 8.538
Kennisontwikkeling en innovatie 12.240 11.643 9.875 21.075 16.012 7.474 8.538

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

De verplichtingen zijn € 162,7 mln. hoger dan begroot. Het verplichtingenbudget op dit beleidsartikel is verhoogd. Dit betreft het inzetten van onbenutte verplichtingenruimte in 2024 van Nationale Groeifonds-projecten: Holomicrobioom (€ 15,3 mln.), Proefdiervrije Biomedische Translatie (CPBT) (€ 54,9 mln.) en RE-GE-NL (€ 56,8 mln.). Verder is er in 2025 een verplichtingenschuif Wettelijke Onderzoekstaken (WOT) voedselveiligheid beleid doorgevoerd van € 28,0 mln. ten laste van 2027 en 2028 om de nieuwe meerjarige uitvoeringsovereenkomst 2026 tot en met 2028 te kunnen verplichten. De overige € 7,7 mln. is het gevolg van kleinere technische mutaties.

Uitgaven

Subsidies

Beleidsondersteunend onderzoek

De realisatie van de uitgaven beleidsondersteunend onderzoek valt in 2025 € 32,5 mln. hoger uit doordat er meer subsidie is verstrekt aan Wageningen Research (WR) voor uitvoering van beleidsondersteunend onderzoek dan oorspronkelijk begroot. Het ging hierbij om nieuw en doorlopend onderzoek onder andere ten behoeve van onderzoek voor Topsectoren (€ 11,6 mln.), een onderzoek integrale aanpak veehouderij (€ 5,5 mln.), een bijdrage voor een onderzoek naar ‘kas als energie bron’ (€ 2,1 mln.) en een tweede project ‘kas als energie bron’ (€ 1,7 mln.) Het restant voor de overige circa € 11,6 mln. kan worden verklaard door de som van verschillende kleinere mutaties. Er heeft daartoe een reeks budgetoverhevelingen plaatsgevonden van andere artikelen naar artikel 23.

Missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid

Voor Missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid vallen de uitgaven in 2025 met € 11,6 mln. lager uit. Er is € 11,6 mln. Overgeheveld naar de WR. Daar is dit budget ingezet voor beleidsondersteunend onderzoek gericht op topsectoren en -innovatiebeleid. Deze onderzoeken gericht op kringlooplandbouw, klimaatneutraal landbouw en voedselproductie, gewaardeerd, gezond en veilig voedsel, duurzame en veilige Noordzee, oceanen en binnenwateren. Thema's van onderzoeken, die meer gericht zijn op Missiegedreven topsectoren zijn: Veerkrachtige natuur en vitale bodem, duurzame land- en tuinbouw, vitaal landelijk gebied in een klimaatbestendig Nederland.

Kennisverspreiding en groen onderwijs

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie is ‒ € 49,8 mln. Het betreft veel, met name kleinere, mutaties waarvan de grootste hieronder worden toegelicht. Voor de Nationaal Groeifonds-projecten Holomicrobioom en RE-GE-NL wordt respectievelijk € 13,3 mln. en € 10,4 mln. doorgeschoven naar later jaren als gevolg van vertraging in het verstrekken van beschikkingen. Bij RE-GE-NL geldt dat de selectie van deelnemers langer heeft geduurd dan initieel voorzien, bij het project Holomicrobioom duurt de opstartfase langer dan gepland. Voor het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS), voorheen Meten en Berekenen, wordt € 7,5 mln. doorgeschoven naar 2026 om de continuïteit van het programma te waarborgen. De overige € 18,6 mln wordt veroorzaakt door diverse kleinere posten waarop vertraging is of kosten lager zijn uitgevallen.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

De realisatie valt € 9,2 mln. hoger uit dan geraamd. Dit budget is toegevoegd vanuit andere artikelen aan het budget voor RIVM voor lopende opdrachten zoals AERIUS en onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen. De budget ophoging heeft daarmee een technisch karakter.

Ontvangsten

Kennisontwikkeling en innovatie

De ontvangst is € 8,5 mln. hoger dan begroot. Vanuit Wageningen heeft er een restitutie plaatsgevonden over 2022 en 2023 van € 4,7 mln. Verder is er een ontvangst van € 3,8 mln. voor de exploitatie HCU vanuit de sector.

Artikel 24 Uitvoering en toezicht

A. Algemene doelstelling

De Minister van LVVN streeft naar een doeltreffende uitvoering van het agro-, visserij- en natuurbeleid en een effectief en efficiënt stelsel voor handhaving en toezicht op deze beleidsterreinen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van het agro-, visserij- en natuurbeleid (onder meer de uitvoering van het GLB) en belegt deze uitvoering jaarlijks bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De uitvoering van de handhaving en het toezicht binnen deze domeinen is ondergebracht bij de NVWA, waarvoor de Minister niet alleen opdrachtgever is, maar ook de eigenaarsrol vervult.

De Minister is (mede)verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  1. Het versterken van de internationale positie van het Nederlandse agro-, visserij- en natuurdomein via het Landbouwradennetwerk.

Uitvoeren

  1. Het doen uitvoeren van een effectief beleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese regelgeving.
  2. Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.
  3. Het uitoefenen van toezicht en het handhaven van de regelgeving op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, natuur en voedselveiligheid (primaire productie en slachterijfase).
  4. Het uitvoeren van het Gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid en het zorgdragen voor een rechtmatige financiering aan agrarische ondernemers.
  5. Het uitvoeren van het klimaat en stikstof beleid op het terrein van landbouw, visserij en natuur.
  6. Het doen uitvoeren van de in de Wet natuurbescherming vastgelegde rijkstaken.

C. Beleidsconclusies

Het toezicht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is opgebouwd uit een breed palet aan taken uit wetgeving van LVVN en VWS. De NVWA richt zijn beschikbare personele capaciteit op de risico's die voor de samenleving het grootst zijn en op zaken waar de NVWA het meest effect kan hebben. Net als in de jaren ervoor is in 2025 over de inzet van uren per publiek belang en de financiering afstemming geweest tussen LVVN, VWS en de NVWA om het jaarplan van de NVWA te kunnen opstellen en door het jaar desgewenst te kunnen aanpassen. Vanuit zijn rol als onafhankelijk toezichthouder kan de NVWA altijd keuzes maken waar toezicht het hardst nodig is, als er risico's worden gezien die maatschappelijk zo urgent zijn dat de NVWA het als toezichthouder moet agenderen.

Kengetallen NVWA

De onderstaande urenverdeling per publiek belang en binnen de opdracht van LVVN aan de NVWA is afkomstig uit de NVWA jaarverantwoording 2024 en geeft inzicht in wat daadwerkelijk gerealiseerd is. Ten opzichte van 2023 is in de verdeling slechts sprake van kleine accentverschillen. Vergelijkbare informatie over de realisatie 2025 zal terug te vinden zijn in de jaarverantwoording 2025 van de NVWA. In de agentschapsparagraaf in dit jaarverslag (hoofdstuk 9) zijn doelmatigheidsindicatoren over de NVWA opgenomen.

Figuur 1 Gerealiseerde uren 2024 per publiek belang

Figuur 2 Gerealiseerde uren 2024 LVVN

Kengetallen RVO

Het is het streven van de RVO om bij te dragen aan een duurzame welvaart. Om dat mogelijk te maken werkt de RVO mee aan de overgang naar een duurzaam landbouw- en voedselsysteem en ondersteunt daarvoor ondernemers en organisaties bij verduurzaming, innovatie en internationalisatie. Daartoe werkt de RVO nauw samen met het ministerie van LVVN als één van zijn opdrachtgevers op basis van een jaarlijks bijgesteld werkpakket. Voor een optimale uitvoering en goede dienstverlening is het noodzakelijk om gezamenlijk te streven naar een meerjarig, toereikend en stabiel werkpakket. Doeltreffendheid en effectiviteit van het opdrachtenpakket zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. Het teruglopen van het aandeel lumpsum bekostigde opdrachten heeft om die reden ook in 2025 in afstemming tussen LVVN en RVO onverminderde aandacht gekregen. De kengetallen hieronder geven een indicatie van de doeltreffendheid en effectiviteit. Deze kengetallen worden meegenomen in de beoordeling van bestaande regelingen en instrumenten. Wanneer die niet langer (of minder) doelmatig en doeltreffend zijn voor de gezamenlijke beleidsopgaven, worden deze afgebouwd.

Indicator Toelichting 2021 2022 2023 2024 2025 Gemiddelde laatste 3 jaar
% lumpsum = 80% Indicator zegt iets over de doeltreffendheid van het opdrachtenpakket LVVN. De norm voor het aandeel lumpsumopdrachten binnen de totale opdracht voor het lopende jaar is 80%. Een hoog percentage lumpsum impliceert een grote zekerheid in de beheersing van de kosten in combinatie met de realisatie van de gewenste doelen. 74% 61% 46% 47% 44% 46%
% doorgeschoven werk = < 5 % Doorgeschoven werk van vorig jaar in kaart brengen en afzetten tegen het totaal uitgevoerde werk uitgedrukt in euro's. Het gaat hier om alle opdrachten incl. meerwerk. 4% 5% 4% 6% 5%
% meerwerk = <12% Indicator zegt iets over de effectiviteit van het opdrachtenpakket. Hoe meer meerwerk, hoe moeilijker planbaar het opdrachtenpakket waardoor de doeltreffendheid afneemt. 16% 6% 12% 5% 5% 7%
KTO LVVN cijfer Klanttevredenheid over de uitvoering van LVVN opdrachten door RVO. 6,8 7 7 6,6 7 6,9
OTO LVVN 2-jaarlijks Opdrachttevredenheidsonderzoek (OTO) van RVO die peilt in hoeverre de verschillende opdrachtgevers van RVO tevreden zijn met de samenwerking die zij met RVO hebben. Vanuit LVVN is deze indicator een waardevol peilmoment om te bezien in hoeverre LVVN als opdrachtgever tevreden is over de samenwerking die zij hebben met RVO om de uitvoering van beleid van voldoende kwaliteit te laten zijn. 7,6 7,2 7,2

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Art. Verplichtingen 482.027 517.794 604.994 698.837 728.382 614.466 113.916
Uitgaven 482.027 517.794 604.994 698.837 728.382 614.466 113.916
24.0 Uitvoering en toezicht 482.027 517.794 604.994 698.837 728.382 614.466 113.916
Bijdrage aan agentschappen 482.027 517.794 604.994 698.837 728.382 614.466 113.916
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit 248.287 262.110 293.421 354.312 367.474 316.775 50.699
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 233.740 255.684 311.573 344.525 360.908 297.691 63.217
Ontvangsten 7.055 12.348 14.758 5.283 48.896 0 48.896
Art. Ontvangsten 7.055 12.348 14.758 5.283 48.896 0 48.896
24.0 Uitvoering en toezicht 7.055 12.348 14.758 5.283 48.896 0 48.896
Ontvangsten 7.055 12.348 14.758 5.283 48.896 0 48.896
Agentschappen en overig 7.055 12.348 14.758 5.283 48.896 0 48.896

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

De verplichtingen zijn in 2025 € 113,9 mln. hoger uitgevallen voor artikel 24. Dit komt door wijzigingen in de jaarplannen met opdrachten van LVVN aan de NVWA en de RVO. Deze wijzigingen leiden tot hogere uitgaven (die in totaliteit gelijk zijn aan de omvang van de verplichtingen). Deze worden hieronder nader toegelicht.

Uitgaven

Bijdrage aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De bijdrage aan de NVWA is in 2025 € 50,7 mln. hoger uitgevallen dan oorspronkelijk begroot. De hogere uitgaven vloeien voort uit toevoegingen van beleidsbudget aan artikel 24 voor dekking van de uitvoeringskosten van de NVWA voor extra werkzaamheden, maar ook door het ontvangen van € 14,4 mln. aan loon- en prijscompensatie voor het opvangen van inflatoire effecten. De meest omvangrijke toevoegingen waren € 15,2 mln. voor werkzaamheden in het kader van het 8e actieprogramma Mest en het project realtime Vervoersbewijs Dierlijke Mest (rVDM), € 11,2 mln. die beschikbaar werd gesteld voor demping van de tarieven van de NVWA die in rekening worden gebracht voor werkzaamheden in de roodvleesslachthuizen, € 6,9 mln voor uitvoeringskosten NVWA gerelateerd aan Wettelijke Onderzoekstaken (WOT) en € 2,0 mln voor toezicht NVWA op uitvoering van de CER en NIS2-richtlijnen.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De bijdrage aan de RVO is in 2025 € 63,2 mln. hoger uitgevallen dan begroot. Voor een deel wordt dit verklaard door ophoging van het beschikbare budget met Loon- en prijs ontwikkeling (LPO) ter compensatie van loon- en prijsstijgingen ter hoogte van € 13,0 mln. Voor het overige gaat het om extra compensatie vanuit beschikbare budgetten op de beleidsartikelen voor groei of wijziging van lopende opdrachten in het jaarplan 2025 of toevoeging van nieuwe opdrachten. Als meest omvangrijke zijn te noemen: € 11,5 mln. voor uitvoeringskosten van de landelijke beëindigingsregelingen Lbv, Lbv-plus, Lbv kleine sectoren, de verplaatsingsregeling Lvpp en de Subsidiemodule brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv); € 4,3 mln. voor in beslag genomen goederen (IBG); € 3,9 mln. ter ondersteuning van het Programma bedrijfsgerichte doelsturing; € 3,9 mln. voor de Uitvoering Aanpak Piekbelasting en € 2,6 mln. voor de uitvoering van het Agrarisch Natuurbeheer (ANb).

Ontvangsten

Agentschappen en overig

De gerealiseerde ontvangsten op artikel 24 zijn altijd hoger dan geraamd in de begroting. In de begroting worden namelijk geen ontvangsten geraamd. Dit komt door de aard van de mogelijke ontvangsten, die kunnen bestaan uit een teruggave van te veel ontvangen voorschot uit opdrachten uit het voorgaande jaar na vaststelling van de jaarrekening over het voorgaande jaar of uit een mogelijke afdracht door de NVWA en RVO van een surplus aan eigen vermogen, vastgesteld op basis van de regeling agentschappen en de vastgestelde jaarrekening over het voorgaande jaar. In 2025 is van de NVWA € 25,4 mln ontvangen, € 11,6 mln. uit afrekening over de opdracht 2024 en € 13,8 mln. uit afdracht surplus eigen vermogen. De ontvangst van de RVO bedroeg € 23,5 mln. afkomstig uit de afrekening over de opdracht 2024.

5. Niet-beleidsartikelen

Artikel 50 Apparaat

Art. Verplichtingen 153.244 173.640 226.244 256.677 254.139 245.242 8.897
Uitgaven 153.244 173.640 226.244 256.677 254.139 245.242 8.897
50.0 Apparaat 153.244 173.640 226.244 256.677 254.139 245.242 8.897
Personele uitgaven 111.682 127.599 169.547 196.179 196.940 196.062 878
Eigen personeel 101.894 118.557 148.417 172.422 178.262 182.778 ‒ 4.516
Externe inhuur 7.918 7.133 18.429 21.146 15.714 11.031 4.683
Overige personele uitgaven 1.870 1.909 2.701 2.611 2.964 2.253 711
Materiële uitgaven 41.562 46.041 56.697 60.498 57.199 49.180 8.019
ICT 510 531 500 503 0 0 0
Bijdrage aan SSO's (exclusief DICTU) 16.078 12.929 15.165 22.208 6.808 9.002 ‒ 2.194
SSO DICTU 21.531 23.735 30.086 26.739 25.264 19.728 5.536
Overige materiële uitgaven 3.443 8.846 10.946 11.048 25.127 20.450 4.677
Ontvangsten 2.488 1.700 3.613 4.018 7.743 4.144 3.599

Toelichting op de verplichtingen en uitgaven

Materiële uitgaven

SSO DICTU

De gerealiseerde uitgaven op SSO DICTU komen € 5,5 mln. hoger uit dan geraamd op de vastgestelde begroting. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door toevoeging van middelen voor het project Oracle Fusion en de beheerkosten voor staatsgeheime werkplekken. Daarnaast zijn er middelen toegevoegd voor de voortzetting van het project DADEL (data en analysediensten) en is er budget toegevoegd voor investeringen in kunstmatige intelligentie (AI).

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven inclusief agentschappen en ZBO's

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie 153.244 173.640 226.244 256.677 254.139 245.242 8.897
Kerndepartement 153.244 173.640 226.244 256.677 254.139 245.242 8.897
Totaal apparaatskosten Agentschappen 413.528 456.888 540.318 584.251 558.074 591.782 ‒ 33.708
Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) 413.528 456.888 540.318 481.9051 558.074 591.782 ‒ 33.708
Totaal apparaatskosten ZBO's en RWT's 550.587 649.347 716.351 801.606 466.646 304.305 ‒ 162.341
Staatsbosbeheer 86.669 146.750 158.422 173.362 292.2892 126.100 166.189
College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb) 18.309 18.558 20.463 20.610 22.730 23.111 ‒ 381
Wageningen Research 307.703 333.108 381.839 436.252
Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD) 9.180 9.955 10.859 10.564
Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) 19.411 24.257 25.584
Stichting Controleorgaan voor Kwaliteitszaken (COKZ) 6.914 7.246 8.436 8.231 11.3932 8.279 3.114
Kwaliteits Controle Bureau (KCB) 23.285 26.549 24.307 25.600 23.712 25.321 ‒ 1.609
Stichting Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) 31.840 35.873 38.541 39.528 41.777 42.020 ‒ 243
GD BV 38.260 35.458 34.684 35.360 57.486 58.049 ‒ 563
Rendac B.V. 37.616
Stichting Skal 9.016 11.593 13.216 14.483 17.259 21.425 ‒ 4.166
  1. In 2025 heeft een stelselwijziging plaatsgevonden in de presentatie en rubricering van de jaarrekening van de NVWA. In deze tabel is het realisatiecijfer 2024 opgenomen zoals in de jaarverantwoording agentschap 2025 is opgenomen. Dit wijkt daarmee af van de cijfers zoals gepubliceerd in Jaarverslag 2024.
  2. Kosten van uitbesteding zijn in eerdere jaren ten onrechte niet aangemerkt als apparaatskosten.

Artikel 51 Nog onverdeeld

Art. Verplichtingen 0 0 0 0 0 5.120 ‒ 5.120
Uitgaven 0 0 0 0 0 5.120 ‒ 5.120
51.0 Nog onverdeeld 0 0 0 0 0 5.120 ‒ 5.120
Nog onverdeeld 0 0 0 0 0 5.120 ‒ 5.120
Nog te verdelen 0 0 0 0 0 5.120 ‒ 5.120
Ontvangsten 0 0 0 0 0 0 0

Toelichting

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel van waaruit overheveling naar andere onderdelen binnen de begroting hebben plaatsgevonden. De realisatie op dit artikel wijkt met € 5,1 mln. af van de vastgestelde begroting 2025. Het artikel onverdeeld wordt met name gebruikt om de loon- en prijsbijstelling te verdelen. Deze middelen zijn overgeheveld naar de betreffende beleidsartikelen. Een deel van de middelen is niet gerealiseerd, dat betreft € 3,5 mln.

6. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Inleiding

In de bedrijfsvoeringparagraaf (BVP) wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering. De informatie opgenomen in de BVP is tot stand gekomen vanuit het departementale management control systeem en informatie uit audits van de Auditdienst Rijk (ADR). Deze paragraaf omvat drie elementen: 1. Rapportage voor zes verplichte onderdelen: (a) rechtmatigheid, (b) totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie, (c) begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering, (d) misbruik en oneigenlijk gebruik, (e) overige aspecten van de bedrijfsvoering en (f) fraude- en corruptierisico’s; 2. Rijksbrede bedrijfsvoeringonderwerpen en 3. Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering.

1. Rapportage voor verplichte onderdelen

a. Rechtmatigheid

Vanuit de bij het Ministerie van LVVN bekende informatie zijn de onderstaande fouten en onzekerheden in de rechtmatigheid van de verantwoordingsinformatie te rapporteren.

Totaalniveau artikelen verplichtingen 2.776.568 55.531 24.877 16.135 41.011 *1
Artikel 22 verplichtingen 452.612 25.000 16.946 16.000 32.946 7,3%
  1. *Aangezien voor het totaalniveau aan verplichtingen het bedrag in kolom 6 + basisonnauwkeurigheid + nauwkeurigheidsverval de tolerantiegrens overschrijdt, maar het bedrag in kolom 6 niet, wordt op basis van de Rijksbegrotingsvoorschriften in kolom 7 géén percentage vermeld.

De overschrijding op de verplichtingen van artikel 22 komen met name voort uit geëxtrapoleerde fouten en onzekerheden uit de steekproef van de Auditdienst Rijk (€ 32,0 mln). De fouten hebben betrekking op het niet naleven van verschillende aspecten in de voorschriften bij het aangaan van inkoopverplichtingen. Bij de onzekerheden gaat het om het niet kunnen aantonen dat voldaan is aan een voorwaarde voor subsidieverlening bij de Tijdelijke subsidieregeling sanering garnalenvisserij.

De overige fouten ten aanzien van de verplichtingen hebben betrekking op inkopen.

b. Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden.

c. Begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering

Opvolging aanbevelingen Algemene Rekenkamer
De Algemene Rekenkamer (AR) heeft in haar verantwoordingsonderzoek 2024 LNV geconcludeerd dat het jaarverslag LNV 2024 aan de gestelde eisen voldoet, met uitzondering van een onvolkomenheid in de bedrijfsvoering. Dit betreft het autorisatiebeheer van het financieel systeem Oracle EBS.

EZ is als eigenaar en beheerder verantwoordelijk voor Oracle EBS. De AR adviseert LVVN om toezicht te houden op de aanpak door EZ van de nog resterende verbeterpunten. LVVN heeft dit toezicht onder meer uitgeoefend door periodieke bespreking van de voortgang in diverse overlegfora. Nog niet alle verbeterpunten zijn opgelost.

Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer
Het Ministerie van LVVN verantwoordt zich met de bijlage «Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer» over de rechtmatigheid en het functioneren van de beheer- en controlesystemen voor de inzet van middelen uit de Europese Fondsen. Wat betreft het Gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) heeft de ADR over zowel het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) als het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) geen goedkeurend auditoordeel afgegeven. Dit als gevolg van overschrijding van de maximaal toegestane foutenmarge binnen verschillende uitgavenpopulaties en omdat de ADR van mening is dat de interne beheersing gedeeltelijk niet goed is ingericht. De ADR oordeelt dat - voor zowel ELGF als ELFPO - de wijze waarop onder het Nationaal Strategisch Plan (NSP) invulling is gegeven aan het interne controlesysteem een risico met zich meebrengt voor EU-gelden.

De invulling van het controle- en sanctiesysteem onder het NSP wordt gebaseerd op het Nederlandse Raamwerk voor Uitvoering van Subsidies (RUS) en het Uniform Subsidie Kader (USK). Onder het New Delivery Model in het GLB is het opzetten van efficiënte beheers- en controlesystemen, inclusief het richten van controles op de hoogste foutenrisico’s, een vereiste uit de Unieverordening. Door middel van deze systemen dienen de financiële belangen van de Unie te worden gewaarborgd. De invulling hiervan op basis van RUS en USK wijkt af van de toegepaste systematiek onder de GLB periode vóór 2023, waar andere EU-conformiteitsnormen golden.

d. Misbruik en oneigenlijk gebruik

Het ministerie van LVVN beschikt over een toereikend beleid om de risico’s van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) van subsidies door begunstigden (externe fraude) zo veel mogelijk te beperken. Bestaande maatregelen om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies door begunstigden te bestrijden zijn onder andere: de tijdige opstelling van risicoanalyses met beheersmaatregelen (zoals administratieve controles en controles ter plaatse), een departementale registratie van misbruik, het in voorkomende gevallen opvragen van accountantsproducten bij subsidieverantwoordingen, een reviewbeleid ten aanzien van deze accountantsproducten en het via de fraudecoördinator van RVO melden van vermoedens van fraude bij het (E)OM.

e. Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Er zijn geen bijzonderheden.

f. Fraude- en corruptierisico’s

In 2025 zijn geen materiële interne fraudes en/of corrupties aan het licht getreden die in de bedrijfsvoeringsparagraaf moeten worden vermeld.

LVVN geeft veel aandacht aan het voorkomen en opsporen van interne fraude en/of corruptie. Zo beschikt LVVN over een vastgesteld integriteitsbeleid, een Beveiligingsautoriteit (BVA) zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit BVA-stelsel Rijksdienst 2021 en een BVA-team. Het BVA-team geeft advies, houdt toezicht op de integrale beveiliging en laat analyses en audits uitvoeren. Met periodieke managementverificaties en het toepassen van controle technische functiescheiding en verbijzonderde interne controle bij financiële transacties wordt het risico van interne fraude, en daarmee onbetrouwbare informatievoorziening vanuit de administraties, voldoende beheerst. Eventuele signalen van mogelijke fraude worden altijd opgevolgd voor nader onderzoek. Door een jaarlijkse managementverklaring bevestigen hoofden van dienst dat geconstateerde interne fraudes en/of corruptie zijn gemeld bij de directeur FEZ, de SG en de ADR.

De BR heeft in 2023 ingestemd met de nota Frauderisicoanalyse EZK en LNV. Deze nota bevat op hoofdlijnen een beschrijving van de meest voorkomende frauderisico’s met bestaande maatregelen om die risico’s te beheersen. Uit de jaarlijkse interne uitvraag van frauderisico’s bij DG’s zijn in 2025 geen nieuwe frauderisico’s naar voren gekomen.

Het frauderisicomanagement is opgenomen in de handreiking financieel en materieel beheer EZ, KGG en LVVN en is voor het laatst in november 2025 geactualiseerd. Medewerkers kunnen ook, al dan niet bewust, betrokken raken bij diverse vormen van fraude. Om die reden is het van belang dat medewerkers bij belangrijke beslissingen in teamverband werken, bij inkopen gebruik maken van het inkoopplein, bij het verstrekken van subsidies gebruik maken van geautomatiseerde systemen en bij het registreren van verlof en werkkosten gebruik maken van P-Direkt. De medewerkers zijn via voorlichting bekend met het departementale integriteitsbeleid inclusief een procedure voor het melden van integriteitsschendingen en regels om belangenverstrengeling te voorkomen. De verwachting is verder dat in 2026 een aantal instrumenten en bewustwordingsactiviteiten kan worden aangeboden voor het voorkomen en signaleren van ondermijning. Daarbij wordt het rijksbrede programma op dit onderwerp gevolgd.

2. Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Herstel- en Veerkrachtplan
In de zomer van 2020 besloten de EU-lidstaten tot een aanpak om te herstellen van de coronacrisis. In februari 2021 is daarom de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit opgericht. Dit is een tijdelijk middel waarmee de EU subsidies en leningen aan EU-landen kan geven om te investeren in hervorming. EU-lidstaten moeten een Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) opstellen, waarin staat naar welke hervormingen en investeringen het geld gaat. De EU heeft het Nederlands HVP in oktober 2022 goedgekeurd.

LVVN heeft twee maatregelen in het HVP-programma t.w. Saneringsregeling Varkenshouderijen (Srv) en Programma Natuur. De Srv maakte deel uit van het tweede betaalverzoek en is succesvol afgerond. Programma Natuur wordt meegenomen in de laatste twee betaalverzoeken in 2026.

Beheer NGF-projecten
Over de Nationaal Groeifonds (NGF) projecten die in 2025 in uitvoering waren namens LVVN zijn geen afwijkingen in het financieel beheer te melden.

Evaluatie Audit Committee
De evaluatie van het Audit Committee LVVN, die in 2025 was voorzien, is uitgesteld vanwege de Rijksbrede evaluatie van de Regeling audit committees van het Rijk. In 2026 zal LVVN besluiten op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de uitkomsten uit de evaluatie van de regeling.

3. Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Reorganisatie
De BR is in 2023 gestart met het organisatieontwikkelingstraject LNV in Beweging. Het einddoel van dit traject is: LVVN als koersvaste, betrouwbare en professionele organisatie, die in staat is vanuit een stevig fundament mee te bewegen met politieke en maatschappelijke ontwikkelingen en waar mensen met plezier werken. Naast dit al lopende organisatieontwikkelingstraject legde het Hoofdlijnenakkoord 2024-2028 andere accenten op het beleid van LVVN. Daarnaast staat de organisatie voor een taakstelling op de apparaatskosten. Deze veranderingen samen hebben de BR doen besluiten de organisatiestructuur aan te passen en een reorganisatie in gang te zetten.

Het reorganisatieproces verloopt in twee stappen. De eerste stap, het vaststellen van de nieuwe topstructuur, is afgerond. De tweede stap is de uitwerking van deze topstructuur in directies met kerntaken, de manier van werken, governance en de (kern)waarden en functies. Dit wordt vastgelegd in een voorgenomen organisatiebesluit ((V)OB). De verwachting is dat medio 2026 een VOB ter advisering wordt voorgelegd aan de ondernemingsraad kerndepartement.

Risicomanagement
Om risicomanagement bij LVVN verder te ontwikkelen treedt een DG op als ambassadeur voor risicomanagement. Daarnaast zijn in 2025 meerdere DG’s, directies, teams en programma’s - onder leiding van de riskfacilitator - aan de slag gegaan met risicodialoogsessies. Deze sessies zijn breed binnen LVVN ingezet om het risicobewustzijn als een olievlek binnen LVVN (en de partners) te verspreiden en te laten groeien.

Medio 2024 heeft LVVN besloten de Planning & Control-cyclus tijdelijk te stoppen. Gedurende 2025 is gewerkt aan de vormgeving van een nieuwe cyclus waarbij de nadruk komt te liggen op risicomanagement. Deze nieuwe cyclus is per 2026 ingevoerd. Ten aanzien van de bedrijfsvoeringsaspecten is om die reden in 2025 gewerkt met het tijdelijke instrument MICO (Management In Control Overzicht).

Verduurzaming in de bedrijfsvoering
LVVN en EZ/KGG publiceren jaarlijks het gezamenlijke verslag over de duurzaamheid van de eigen organisaties. Het duurzaamheidsverslag geeft inzicht in de verduurzaming van de eigen bedrijfsvoering en ketenverduurzaming bij beide ministeries, hun diensten en agentschappen. In mei 2025 is het duurzaamheidsverslag 2024 gepubliceerd. De verwachting is dat het duurzaamheidsverslag 2025 in mei 2026 wordt gepubliceerd. Bij het opstellen van het duurzaamheidsverslag worden de rapportagestandaarden van het Global Reporting Initiative (GRI) in beschouwing genomen.

C. Jaarrekening

7. Departementale verantwoordingsstaat

Totaal 2.740.771 4.774.112 74.297 2.776.568 3.756.876 272.881 35.797 ‒ 1.017.236 198.584
Beleidsartikelen
21 Land- en tuinbouw 967.875 2.342.326 31.193 951.360 1.500.108 110.875 ‒ 16.515 ‒ 842.218 79.682
22 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken 680.673 1.159.875 31.486 452.612 884.330 89.355 ‒ 228.061 ‒ 275.545 57.869
23 Kennis en innovatie 227.395 407.083 7.474 390.075 389.917 16.012 162.680 ‒ 17.166 8.538
24 Uitvoering en toezicht 614.466 614.466 0 728.382 728.382 48.896 113.916 113.916 48.896
Niet-beleidsartikelen
50 Apparaat 245.242 245.242 4.144 254.139 254.139 7.743 8.897 8.897 3.599
51 Nog onverdeeld 5.120 5.120 0 0 0 0 ‒ 5.120 ‒ 5.120 0

8. Samenvattende verantwoordingsstaat agentschap

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
Totale baten 678.652 674.029 ‒ 4.623 642.185
Totale lasten 678.652 644.580 ‒ 34.072 620.395
Saldo van baten en lasten 0 29.449 29.449 21.790
Totale kapitaaluitgaven 19.583 24.189 4.606 10.251
Totale kapitaalontvangsten 11.750 1.631 ‒ 10.119 12.668
  1. Stand inclusief amendementen, moties, NvW en iSB

9. Jaarverantwoording van het baten-lastenagentschap NVWA per 31 december 2025

Baten
- Omzet 659.161 643.090 ‒ 16.071 601.277
waarvan omzet moederdepartement 327.593 337.666 10.073 300.353
waarvan omzet overige departementen 163.568 155.779 ‒ 7.789 149.284
waarvan omzet derden 168.000 149.645 ‒ 18.355 151.640
Rentebaten 3200 3.928 728 3.716
Vrijval voorzieningen 0 0 0 115
Bijzondere baten 16.291 27.011 10.720 37.077
Totaal baten 678.652 674.029 ‒ 4.623 642.185
Lasten
Apparaatskosten 591.782 558.074 ‒ 33.708 481.905
- Personele kosten 442.664 429.256 ‒ 13.408 371.701
waarvan eigen personeel 396.458 380.746 ‒ 15.712 330.970
waarvan inhuur externen 28.052 33.044 4.992 28.355
waarvan overige personele kosten 18.154 15.466 ‒ 2.688 12.376
- Materiële kosten 149.118 128.818 ‒ 20.300 110.204
waarvan apparaat ICT 4.870 5.080 210 4.842
waarvan bijdrage aan SSO's 90.000 77.385 ‒ 12.615 68.209
waarvan overige materiële kosten 54.248 46.353 ‒ 7.895 37.153
Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten 75.985 73.281 ‒ 2.704 102.346
Rentelasten 409 343 ‒ 66 318
Afschrijvingskosten 6.440 5.882 ‒ 558 8.829
- Materieel 2.412 1.940 ‒ 472 1.839
waarvan apparaat ICT 256 210 ‒ 46 189
waarvan overige materiële afschrijvingskosten 2.156 1.730 ‒ 426 1.650
- Immaterieel 4.028 3.942 ‒ 86 6.990
Overige lasten 4.036 7.000 2.964 26.997
waarvan dotaties voorzieningen 511 2.192 1.681 3.468
waarvan bijzondere lasten 3.525 4.808 1.283 23.529
Totaal lasten 678.652 644.580 ‒ 34.072 620.395
Saldo van baten en lasten 0 29.449 29.449 21.790
Toevoeging/onttrekking:
Pok/Wau 0 0 0 0
Exploitatiereserve 0 29.449 29.449 21.790
Saldo van baten en lasten 0 29.449 29.449 21.790

Toelichting

Het onverdeeld resultaat over het boekjaar bedraagt een winst van € 29,4 mln.

Conform Regeling Agentschappen artikel 11, lid 8 wordt dit onverdeeld resultaat, na vaststelling van de jaarrekening, in zijn geheel toegevoegd aan de exploitatiereserve van het baten-lastenagentschap.

Het eigen vermogen van een baten-lastenagentschap is gebonden aan een maximumomvang van 5% van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar (artikel 11, lid 3) en is gebonden aan een minimumomvang van nihil (artikel 11, lid 4). Indien er volgens de jaarrekening sprake is van een overschrijding van de in artikel 11 onder lid 3 en 4 genoemde grenzen, dient deze uiterlijk bij de eerste suppletoire begrotingswet te zijn hersteld. Een surplus aan eigen vermogen wordt bij de eerste suppletoire begrotingswet uitgekeerd aan de eigenaar.

Stelselwijziging


In het verslagjaar heeft een stelselwijziging plaatsgevonden in de presentatie en rubricering van de jaarrekening van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Deze wijziging vloeit voort uit aangepaste Rijksbegrotingsvoorschriften 2026 en heeft geleid tot een gewijzigde indeling van de staat van baten en lasten en de balans. Ten behoeve van een consistente en vergelijkbare weergave zijn de vergelijkende cijfers over het voorgaande boekjaar met terugwerkende kracht aangepast. Hierdoor kunnen de gepresenteerde realisatiecijfers over 2024 en begrotingscijfers 2025 afwijken van de cijfers zoals gepubliceerd en opgenomen in het Jaarverslag 2025.

De belangrijkste wijzigingen betreffen:

  1. een gewijzigde rubricering van de materiële vaste activa;
  2. een gewijzigde presentatie van de voorraden;
  3. een gewijzigde rubricering van vorderingen en schulden;
  4. een gewijzigde rubricering van de omzet in de staat van baten en lasten;
  5. een gewijzigde rubricering van de materiële kosten.
Splitsing Kosten uitbesteed werk en andere externe kosten Onderdeel van:
Overige materiële kosten
Splitsing Machines en installaties Onderdeel van:
Andere vaste bedrijfsmiddelen Installaties, inventarissen en overig
Splitsing onderhanden projecten debetzijde Voorraden Onderdeel van:
Onderhanden projecten Voorraden en onderhanden projecten
Splitsing onderhanden projecten creditzijde Onderhanden projecten Onderdeel van:
Overlopende passiva Overige schulden en overlopende passiva
Hernoemen Vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald op materiële vaste activa Projecten in uitvoering

De stelselwijziging betreft uitsluitend een presentatie- en classificatiewijziging. Er is geen sprake van gewijzigde waarderingsgrondslagen. De wijziging heeft derhalve geen effect op het resultaat of het eigen vermogen.

Toelichting op de baten

Omzet

Per 1 januari 2025 is de nieuwe Regeling Agentschappen ingegaan. De nieuwe regeling geeft de mogelijkheid voor bekostiging op basis van output en/of input. Voor de uitvoering van het jaar 2025 wordt daarom naast het exploitatieoverzicht ook toelichting gegeven in de nieuwe categorieën van baten.

NVWA hanteert de output bekostigingsmethodiek. Dit houdt in dat er afspraken zijn gemaakt tussen partijen benoemd in artikel 6 van de agentschapsregeling, over een tarief per geleverde prestatie (dit kan een product of dienst zijn). De hoogte van de uiteindelijke bekostiging is afhankelijk van het daadwerkelijke aantal geleverde prestaties.

Toezicht 444.457 443.205 ‒ 1.252 406.610
Retribueerbare werkzaamheden 168.000 147.733 ‒ 20.267 149.210
Overig 46.704 52.152 5.448 45.457
Totaal omzet 659.161 643.090 ‒ 16.071 601.277

Deze tabel is gebaseerd op het begrotingsmodel 2025 (model 1.35).

Omzet moederdepartement

In totaal is de omzet Toezicht € 34,5 mln. hoger dan in 2024. Dit wordt zowel veroorzaakt door een hogere kostprijs als door een stijging van het aantal in rekening gebrachte uren.

De omzetcategorie «Overig» omvat werkzaamheden voor LVVN die worden uitbesteed aan derden. De omzet van 2025 ligt hoger ten opzichte van 2024. Dit komt enerzijds door nieuwe onderwerpen en anderzijds door hogere tarieven van de uitvoerende partijen.

In totaal is de omzet Toezicht € 4,5 mln. hoger dan in 2024. De kostprijs Toezicht steeg weliswaar harder, maar bij VWS daalde het aantal in rekening gebrachte uren.

De omzetcategorie «Overig» omvat werkzaamheden die worden uitbesteed aan derden (met name werkzaamheden voor VWS). De omzet van 2025 ligt hoger ten opzichte van 2024. Dit komt enerzijds door nieuwe onderwerpen en anderzijds door hogere tarieven van de uitvoerende partijen.

Toezicht 309.471 317.414 7.943 282.890
Overig 18.122 20.252 2.130 17.463
Omzet moederdepartement 327.593 337.666 10.073 300.353

Omzet overige departementen

De omzetstijging bij VWS is een gevolg van de hogere kostprijs Toezicht. Het aantal in rekening gebrachte uren daalde ten opzichte van 2024.

De omzetstijging bij DGF wordt met name verklaard door een stijging van het aantal gevallen van vogelgriep en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden. Daarnaast speelt ook hier de hogere kostprijs een rol.

Toezicht 134.986 125.791 ‒ 9.195 121.290
Overig 28.582 29.988 1.406 27.994
Omzet overige departementen 163.568 155.779 ‒ 7.789 149.284

Omzet derden

De omzet voor derden is iets lager dan in 2024. Enerzijds is de omzet gestegen door hogere tarieven voor de officiële assistenten en voor de inzet van dierenartsen (totaal effect is ongeveer € 5,8 mln.). Daartegenover staat een verlaging van de omzet uit retribueerbare werkzaamheden als gevolg van de nacalculatie van de tarieven die in 2024 en 2025 bij derden in rekening zijn gebracht, waaruit is gebleken dat over deze jaren een positief resultaat is gerealiseerd dat wordt verrekend met derden (– € 8,3 mln.). Deze positieve resultaten worden via een verlaging van de retributietarieven in latere jaren verrekend met het bedrijfsleven. Het bedrag dat betrekking heeft op 2024 is al verrekend in de retributietarieven voor 2026; het definitieve bedrag met betrekking tot 2025 wordt verwerkt in de retributietarieven voor 2027. In 2026 wordt de systematiek van de nacalculatie bekeken en verkennen we mogelijke en eenvoudig realiseerbare verbeteringen.

Rentebaten

De rentebaten betreft de ontvangen rente op de uitstaande middelen op de rekening-courant bij het Ministerie van Financiën. De ontvangen rentebaten zijn in 2025 gestegen vanwege het hogere saldo aan liquide middelen op de rekening-courant.

Bijzondere baten

De bijzondere baten bestaan uit tariefdemping (€ 23 mln.), BTW compensatie en een overige post. De post «Tariefdemping» is met € 10,3 mln. gestegen ten opzichte van 2024. Deze stijging komt met name door een eenmalige compensatie van de post mortem tarieven van de voormalige officiële assistenten die zijn overgenomen van KDS per 1 januari 2025.

De post «BTW compensatie» betreft de jaarlijks compensatie die de NVWA ontvangt, ter hoogte van de geboekte BTW van de facturen van KDS (keuringsassistenten) en de practitioners (zelfstandige dierenartsen), zodat deze BTW niet via de kostprijs in de tarieven komt. De daling van € 6,1 mln. is het gevolg van deze overdracht van de post mortem keuringen van KDS naar de NVWA. Vanaf 2020 wordt de BTW compensatie verantwoord onder bijzondere baten en de geboekte BTW onder bijzondere lasten.

De overige bijzondere baten hebben hoofdzakelijk betrekking op de overgedragen RVU (Regeling voor Vervroegde Uittreding) voorziening vanuit KDS.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De totale personele kosten liggen € 57,6 mln. hoger dan in 2024. De kosten voor eigen personeel (Lonen en salarissen, Pensioenlasten en Overige sociale lasten) zijn met € 49,8 mln. toegenomen ten opzichte van 2024. Dit komt hoofdzakelijk door de groei van de gemiddelde ambtelijke bezetting met 475 fte. De groei in de bezetting wordt voornamelijk verklaard door de aansluiting van KDS bij de NVWA per 1 januari 2025, waardoor de bezetting met circa 300 fte is toegenomen. De resterende stijging komt door de uitbreiding van het takenpakket waarvoor veel nieuwe medewerkers zijn geworven in 2025. Daarnaast zijn de kosten voor eigen personeel hoger dan in 2024 doordat de nieuwe cao, die op 1 juli 2024 is ingevoerd, een impact heeft gehad op een heel jaar in plaats van een half jaar. De kosten voor inhuur zijn met € 4,7 mln. gestegen ten opzichte van 2024, maar met 7,7% nog steeds ruim onder de Roemer-norm van 10%. De stijging van de opleidings- en scholingskosten van € 0,5 mln. en de andere personele kosten van € 2,6 mln. zijn te relateren aan de stijging van de ambtelijke bezetting ten opzichte van 2024.

Personeelsbestand

De totale gemiddelde ambtelijke bezetting in 2025 was 3.692 fte, inclusief 3 fte met een bijzondere status zoals Van Werk Naar Werk (VWNW) en Herplaatsingskandidaten (HPK).
Er is bij de NVWA geen sprake van functionarissen (eigen personeel of externe inhuur) die vallen onder de WNT (Wet Normering Topinkomens informatieplicht).

Pensioenregeling

Verplichtingen in verband met bijdragen aan pensioenregelingen worden als last in de staat van baten en lasten opgenomen in de periode waarover de bijdragen zijn verschuldigd. De pensioenregeling van de medewerkers van de NVWA is ondergebracht bij het Pensioenfonds ABP. Deze regeling betreft een toegezegde pensioenregeling. In het geval van een tekort bij het Pensioenfonds ABP heeft de NVWA echter geen verplichting tot het doen van aanvullende bijdragen, anders dan het betalen van hogere toekomstige premies. Op grond van RJ 271 wordt de pensioenregeling in het jaarverslag verwerkt als een toegezegde bijdrageregeling. Ten aanzien van eventuele overschotten of tekorten in het Pensioenfonds ABP, die van invloed zijn op de in de toekomst door de NVWA te betalen premies, is op dit moment geen informatie beschikbaar. Voor pensioen opgebouwd t/m 2003 geldt de eindloonregeling. Pensioenopbouw vanaf 2004 vindt plaats op basis van de middelloonregeling. De dekkingsgraad op 31 december 2025 bedraagt 123,5% (bron: website ABP).

Materiële kosten

De totale materiële kosten liggen € 18,6 mln. hoger dan in 2024. De bijdrage aan SSO’s is in vergelijking met 2024 gestegen met € 9,2 mln. Dit komt voornamelijk door de stijging van de DICTU-kosten ten opzichte van 2024. Deze stijging wordt vooral veroorzaakt door de stijging van de dienstverlening als gevolg van de groei van de organisatie en door prijsstijgingen. Deze groei van de organisatie zorgt ook voor een groot deel van de stijging van de overige materiële kosten met € 9,2 mln. ten opzichte van 2024. Dit komt onder meer door de stijging van kosten voor dienstauto’s, mobiele telefoons en dienstkleding voor in totaal € 7,0 mln. Diverse overige kleine verschillen zorgen voor de rest van de groei (€ 2,2 mln.).

Rentelasten

De rentelasten over de leningen bij het Ministerie van Financiën zijn in 2025 gelijk aan de rentelasten over 2024. De overige rentelasten betreft terugbetaalde wettelijke rente.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten voor de materiële vaste activa zijn lager dan begroot maar liggen wel in lijn met de afschrijvingskosten over 2024. De belangrijkste component binnen de materiële afschrijvingskosten betreft de categorie machines en installaties.

Overige lasten

De dotatie overige voorzieningen betreft een dotatie van € 1,7 mln. in het kader van de RVU-regeling (Regeling Vervroegde Uittreding). De dotatie voorziening (schade-)claims betreft 2 claims (€ 0,5 mln).

Bijzondere lasten

De post «BTW facturen KDS en practitioners» is toegelicht bij de Bijzondere baten (post «BTW compensatie»). De post «Overige bijzondere lasten» heeft hoofdzakelijk betrekking op de terugbetaling van onjuist in rekening gebrachte tarieven voor fytosanitaire certificaten in 2023 en 2024.

Saldo van baten en lasten


De totale baten van de NVWA bedroegen in 2025 € 674,0 mln. De totale lasten bedroegen in 2025 € 644,6 mln. Het jaar is daarom afgesloten met een positief resultaat van afgerond € 29,4 mln. (ten opzichte van een positief resultaat in 2024 van € 21,8 mln.). Hieronder volgt een verantwoording van het resultaat, inclusief een vergelijking met de begroting van 2025 en een analyse van de realisatie in 2025 ten opzichte van 2024.

Het positieve resultaat in 2025 wordt vooral veroorzaakt doordat de kosten lager zijn uitgekomen dan oorspronkelijk was begroot. Een belangrijk aandeel hierin heeft de lagere bezetting ten opzichte van de begroting onder andere als gevolg van de krapte op de arbeidsmarkt. Dit heeft geleid tot lagere personele kosten voor in totaal € 13 mln. Vanwege de lagere bezetting is er € 5 mln. meer uitgegeven aan externe inhuur. De NVWA blijft met 7,7% ruim binnen de Roemer-norm voor externe inhuur van 10%. De materiële kosten zijn in totaal € 20 mln. lager dan begroot. Dit hangt deels samen met de lagere bezetting waardoor kosten voor opleidingen, onboarding, dienstauto’s, dienstkleding en mobiele telefonie lager zijn uitgekomen dan begroot. Een ander deel wordt veroorzaakt door een hoog kostenbewustzijn en door succesvol sturen op kostenbesparingen. De baten zijn € 5 mln. lager uitgekomen dan begroot. Hierin zitten diverse mee- en tegenvallers. De omzet van het moederdepartement is, ondanks dat een lagere realisatie van 97,3% van de geplande jaarplanuren, hoger uitgekomen dan begroot door diverse meerwerkopdrachten. Bij de overige departementen is juist een lagere omzet te zien doordat vanwege een ontoereikend financieel kader is besloten tot een verkleining van het opdrachtenpakket. De omzet voor derden is vooral lager dan begroot doordat besloten is tot een demping van de tarieven voor de PM keuring door officiële assistenten in roodvlees slachthuizen van € 11 mln. De vergoeding daarvoor vanuit het moederdepartement is ook de oorzaak voor de hogere bijzondere baten in 2025.

Ten opzichte van de realisatie van 2024 zijn de totale baten in 2025 met € 32 mln. gestegen. Dit bestaat uit de stijging van de omzet met een bedrag van € 42 mln. Deze stijging van de omzet met € 42 mln. komt vooral door mutaties van het takenpakket (per saldo een stijging) voor het moederdepartement en de overige departementen en de gestegen kostprijs als gevolg van de impact van de nieuwe cao Rijk die op 1 juli is ingegaan. Daar staat tegenover dat de bijzondere baten ten opzichte van 2024 met € 10 mln. zijn gedaald. Dit komt doordat de eenmalige bijdrage die in 2025 is ontvangen voor de demping van de tarieven voor de PM Keuring door officiële assistenten in roodvlees slachthuizen lager was dan de eenmalige bijdrage die in 2024 is ontvangen van de opdrachtgevers ter dekking van de kosten die gemaakt moesten worden als gevolg van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

In 2025 is een eenmalige bijdrage ontvangen voor de demping van de tarieven voor de PM keuring door officiële assistenten in roodvlees slachthuizen. De totale lasten zijn ten opzichte van 2024 gestegen met € 24 mln. De personele kosten zijn gestegen door de groei van de organisatie, deels door groei van het takenpakket en deels door de inhuizing van KDS, en als gevolg van de nieuwe cao Rijk die in juli 2024 is ingegaan. De groei van de organisatie en de nieuwe cao Rijk zijn ook de grootste oorzaak voor de gestegen materiële kosten. Doordat de medewerkers van KDS per 1 januari 2025 in dienst zijn gekomen bij de NVWA zijn de kosten van het uitbesteed werk gedaald ten opzichte van 2024. De bijzondere lasten zijn gedaald doordat in 2024 eenmalige kosten zijn gemaakt als gevolg van de eerdergenoemde uitspraak van het CBb.

Het resultaat wordt, conform de Regeling Agentschappen, ten gunste van het Eigen Vermogen gebracht.

Activa
Vaste activa 13.653 17.396
Immateriële vaste activa 5.328 9.309
Materiële vaste activa 8.325 8.087
waarvan grond en gebouwen 2.832 2.534
waarvan machines en installaties 4.286 3.898
waarvan andere vaste bedrijfsmiddelen 1.207 1.655
Vlottende activa 177.670 146.016
Voorraden 2.151 2.482
waarvan grond- en hulpstoffen 2.151 2.482
Vorderingen 33.573 32.186
waarvan debiteuren 16.627 16.437
waarvan overige vorderingen 161 133
waarvan oplopende activa 16.785 15.616
Liquide middelen 141.946 111.348
Totaal activa: 191.323 163.412
Passiva
Eigen Vermogen 55.170 39.440
Exploitatiereserve 25.721 17.650
Onverdeeld resultaat 29.449 21.790
Voorzieningen 3.063 2.421
Langlopende schulden 7.768 11.171
Leningen bij het Ministerie van Financiën 7.768 11.171
Kortlopende schulden 125.322 110.380
Crediteuren 9.062 6.251
Belastingen en premies sociale lasten 245 15
Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën 4.609 7.906
Overige schulden 9.252 13.782
Overlopende passiva 102.154 82.426
Totaal passiva: 191.323 163.412

Toelichting op de balans

2025 2024
Immateriële vaste activa 5.328 9.309
Totaal immateriële vaste activa 5.328 9.309

Immateriële vaste activa

In 2025 zijn geen nieuwe investeringen gedaan in «Software», «ICT-systemen» en «ICT-systemen in ontwikkeling». In de categorie «ICT-systemen» zijn twee projecten geactiveerd voor in totaal € 0,9 mln., namelijk de Basisvoorziening Monsteranalyse NRC (LIMS) (€ 0,3 mln.) en het project IV ICT Monstername (€ 0,6 mln.).

Verder zijn naar aanleiding van de impairment test in 2025 enkele licenties in de categorie «Software» en drie maatwerksystemen in de categorie «ICT-systemen» buiten gebruik gesteld. De oorspronkelijke aanschafwaarde van deze activa items bedroeg € 0,6 mln. in de categorie «Software» en € 0,7 mln. in de categorie «ICT-systemen». De resterende boekwaarde op het moment van buitengebruikstelling was nihil. Daarnaast bevat de IMVA 31 systemen die operationeel zijn maar wel al volledig zijn afgeschreven, met een oorspronkelijke boekwaarde van € 43,8 miljoen.

In de categorie «ICT-systemen in ontwikkeling» zijn drie facturen uit de beginbalans alsnog als kosten verantwoord. Gezamenlijk heeft dit in 2025 geleid tot een kleine desinvestering.

De afschrijvingen in 2025 bedragen € 0,2 mln. voor de categorie «Software» en € 3,7 mln. voor categorie «ICT-systemen». Dit betreffen reguliere afschrijvingen. Er hebben in 2025 geen versnelde afschrijvingen plaatsgevonden.

Laboratorium materialen 350 439
Overige voorraden 1.801 2.043
Transitorische posten voorraad 0 0
Totaal voorraden en onderhanden projecten 2.151 2.482

Voorraden

Op de laboratoriumlocaties Groningen en Wageningen en in het centrale magazijn te Veenendaal zijn voorraden aanwezig. De waarde van de aanwezige voorraad ligt in lijn met vorig jaar.

2025 2024
Moederdepartement LVVN 890 8
Ministerie van EZK 9 0
Ministerie van IenW 2 124
Ministerie van JenV 124 0
Ministerie van VWS 389 0
RDI 23 10
Derden 16.866 17.360
Dubieuze debiteuren 633 983
Totaal debiteuren 18.936 18.485
Voorziening dubieuze debiteuren ‒ 2.309 ‒ 2.048
Totaal debiteuren 16.627 16.437

Debiteuren

De post «Moederdepartement LVVN» omvat omzet Diergezondheidsfonds (€ 0,5 mln.) en de doorbelasting van aan bedrijven terugbetaalde boetebedragen (met wettelijke rente) naar aanleiding van gegrond verklaard bezwaar. De post «Ministerie van VWS» betreft de doorbelasting van terugbetaalde boetebedragen. De post «Ministerie van JenV» betreft een detachering. De post «Derden» betreft de debiteuren buiten de kring van de rijksoverheid en is iets lager ten opzichte van vorig jaar.

Per jaareinde wordt per debiteur beoordeeld in hoeverre de voorziening toereikend is ter compen­satie van oninbare facturen. Indien de opgebouwde voorziening hoger is dan de benodigde voorziening, wordt het surplus van de opgebouwde voorziening afgeboekt. Indien de opgebouwde voorziening lager is dan de benodigde voorziening, wordt het tekort gedoteerd aan de voorziening. De betaaltermijn van de NVWA-facturen bedraagt 42 dagen.

De voorziening dubieuze debiteuren is iets hoger dan in 2024 (toename van € 0,3 mln.). Deze toename wordt verklaard door de jaarlijkse dotatie (€ 0,7 mln.), een aanvullende dotatie in verband met de kredietwaardigheid van één debiteur (€ 0,7 mln.), een afname vanwege de definitief buiten invordering geplaatste posten (€ 0,7 mln.) en een vrijval van de voorziening (€ 0,4 mln.).

Voorschotten 161 133
Totaal nog te ontvangen 161 133

Overige vorderingen

De «Voorschotten» betreffen voornamelijk verstrekte voorschotten aan personeel.

Moederdepartement LVVN 1742 94
Ministerie van EZ 0 975
Ministerie van Financiën 3.928 3.716
Ministerie van IenW 8 1
Ministerie van JenV 0 71
Ministerie van VWS 17 5
DPC 0 0
RVB 50 6
RVO 0 2
Derden 11.040 10.746
Totaal nog te ontvangen 16.785 15.616

Overlopende activa

De «Nog te factureren omzet» bestaat voor € 8,2 mln. uit nog te factureren omzet derden (inclusief € 0,5 mln. omzet Provincies). De «Vorderingen op het moederdepartement» bestaan voor € 1,6 mln. uit omzet Diergezondheidsfonds en voor € 0,1 mln. uit salariscompensatie WFSR die nog niet zijn doorbelast aan LVVN. De «Vooruitbetaalde kosten» bestaan voor € 0,9 mln. uit doorschuif van subsidiebedragen WFSR, voor € 0,6 mln uit bewaarkosten inzake het beschikbaar houden van informatie in verband met de invoeging van KDS, voor € 0,5 mln. uit vooruitbetaald uitbesteed onderzoek, voor € 0,5 mln. uit vooruitbetaalde licenties en overige ICT kosten, voor € 0,3 mln. uit diverse vooruitbetaalde onderhoudscontracten en voor € 0,2 mln. uit overige vooruitbetaalde facturen. De «Nog te ontvangen bedragen overig» bestaan voor € 3,9 mln. uit nog te ontvangen rente van het Ministerie van Financiën.

Bij de post «Nog te factureren omzet» is voor € 1,0 mln. sprake van een looptijd van langer dan 1 jaar. Bij de post «Vooruitbetaalde kosten» is voor € 0,9 mln. sprake van een looptijd van langer dan 1 jaar.

2025 2024
Kas 1 0
Bank 0 ‒ 9
Rekening-courant Ministerie van Financiën 141.945 111.357
Totaal liquide middelen 141.946 111.348
1 Eigen vermogen per 01/01 39.440 11.156 9.812
2 Saldo van baten en lasten 29.449 21.790 ‒ 9.465
3 Directe mutaties in het eigen vermogen:
‒ 3a Uitkering aan moederdepartement ‒ 13.819 0 0
‒ 3b Bijdrage moederdepartement ter versterking eigen vermogen 100 6.494 10.809
4 Eigen vermogen per 31/12 55.170 39.440 11.156
Omzet 643.090 601.277 513.399
Vermogensplafond (5% van gemiddeld 3 jaar) 29.296 25.621 22.361

Vermogensontwikkeling

De uitkering aan het moederdepartement betreft het surplus aan eigen vermogen (€ 13,8 mln.) over 2024 dat is uitgekeerd aan de eigenaar. De bijdrage van het moederdepartement is bestemd voor de implementatie van het vermogensdossier (€ 0,1 mln.).

Het onverdeeld resultaat is in 2025 € 29,4 mln. Het positieve resultaat wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve en het eigen vermogen wordt daarmee € 55,1 mln. Het eigen vermogen van de NVWA mag maximaal € 29,3 mln. bedragen. Dit betekent een surplus over 2025 van circa € 25,8 mln. dat bij de eerste suppletoire begrotingswet wordt uitgekeerd aan de eigenaar.

Boekwaarde op 1 januari 2421 200
Dotaties 2.192 3.468
Onttrekkingen ‒ 1.550 ‒ 1.132
Vrijval 0 ‒ 115
Boekwaarde op 31 december 3.063 2.421

Voorzieningen

Binnen de voorzieningen zijn twee categorieën voorzieningen opgenomen. Enerzijds de voorziening (schade-)claims en anderzijds de overige voorzieningen.

De categorie overige voorzieningen is opgenomen voor de kosten die de NVWA in de jaren 2025 tot en met 2028 maakt voor medewerkers die gebruikmaken van de RVU-regeling (Regeling Vervroegde Uittreding). De betreffende medewerkers stoppen maximaal 3 jaar voor hun AOW-datum met werken. De dotatie heeft betrekking op het geactualiseerde overzicht met medewerkers die gebruikmaken van de RVU-regeling per 31 december 2025. De onttrekking betreft de te betalen kosten voor 2025.

De categorie voorziening (schade-)claims is gebaseerd op een schatting van de uitstroom van middelen per ingediende claim en mede gebaseerd op ervaringen van voorgaande jaren. Eind 2025 waren er in totaal 58 claims in behandeling. Van deze claims zijn 2 claims opgenomen in de voorziening voor een bedrag van € 0.5 mln. omdat de afdeling Juridische Zaken inschat dat deze claims tot een uitstroom van middelen zullen leiden. Zie onderdeel «Overige informatie» voor aanvullende informatie met betrekking tot claims.

2025 2024
Ministerie van BZK 105 0
Ministerie van Financiën 0 1
DICTU 3101 284
DJI 58 87
DPC 361 0
O&P Rijk 60 15
RBL 13 0
Rijksorganisatie ODI 0 2
RIVM 347 0
RVB 274 758
RVO 79 0
RWS 15 0
SSC-ICT 124 0
Derden 4.525 5.104
Totaal crediteuren 9.062 6.251

Crediteuren

De post «Ministerie van BZK» heeft betrekking op een detachering. De post «DICTU» heeft betrekking op de ICT dienstverlening. De post «DJI» betreft projectkosten voor het Masterplan Herman Gortercomplex. De post «DPC» betreft werving en selectiekosten. De posten "O&P Rijk", «RBL» en «SSC-ICT» betreffen de facturatie van diverse dienstverlening afgenomen door de NVWA, waaronder medische werkplekonderzoeken, assessments en beveiliging. De post «RIVM» heeft betrekking op Handhavingsonderzoek Tabakswet 2025. De post «RVB» betreft hoofdzakelijk kosten voor de locatie Wageningen, waaronder kosten voor de sloop van het Academiegebouw en coördinatie werkzaamheden voor de verbouwing, en daarnaast kosten voor onderhoud gebouwen en installaties op verschillende locaties en structurele servicekosten. De post «RVO» heeft betrekking op kosten voor de nieuwsapp SWEN. De post «RWS» heeft betrekking op servicekosten huisvesting. Het totaal van de post crediteuren is sterk toegenomen ten opzichte van vorig jaar. Deze stijging zit voornamelijk in de post «DICTU» wat enerzijds verklaard wordt door een grote afname bij de post «DICTU» onder de overlopende passiva.

2025 2024
Moederdepartement LVVN 6.999 12.952
Ministerie van BZK 23 23
Ministerie van EZ 13 0
Ministerie van VWS 1645 363
Derden 572 444
Totaal nog te betalen 9.252 13.782

Overige schulden

De post «Moederdepartement LVVN» betreft de doorschuif en/of het verrekenen van bedragen voor PxQ (uren) budgetten (€ 3,5 mln.), Extern Geoormerkte Budgetten (€ 2,1 mln.), solidariteitsbijdrage (€ 0,6 mln.), EURL projecten (€ 0,5 mln.), bijdrage kosten CBb actie (€ 0,2 mln.) en kostenbesluiten (€ 0,1 mln.). De post «Ministerie van BZK» betreft een voorschot voor een project van eCertNL. De post «EZ» betreft het te verrekenen bedrag voor een Extern Geoormerkt Budget. De post «Ministerie van VWS» betreft de doorschuif en het verrekenen van bedragen voor Extern Geoormerkte Budgetten. De post «Derden» betreft het beschikbare saldo voor het platform BOD, het samenwerkingsverband van een viertal bijzondere opsporingsdiensten waarvoor de NVWA als kassier fungeert.

Van het totale saldo «Overige schulden» is voor € 0,6 mln. sprake van een looptijd van langer dan 1 jaar.

2025 2024
Moederdepartement LVVN 2.050 1.513
Ministerie van Defensie 0 5
Ministerie van Financiën 8 10
Ministerie van JenV 0 23
DICTU 975 2.374
DJI 130 0
DPC 128 10
IND 53 0
O&P Rijk 51 107
RIVM 58 0
RSO 5 0
RVB 398 376
RVO 0 150
Derden 98.298 77.858
Totaal nog te betalen 102.154 82.426

Overlopende passiva

De post «Moederdepartement LVVN» betreft RVU kosten (€ 1,5 mln.) en nog te verrekenen inzet van schepen voor Sanitaire bemonstering schelpdieren (€ 0,5 mln.). Het bedrag voor de post «Ministerie van Financiën» betreft nog te betalen rentekosten. Het bedrag voor de post «DICTU» (€ 1,0 mln.) bestaat uit nog te betalen bedragen voor de ICT dienstverlening. De post «DJI» (€ 0,1 mln.) betreft nog te betalen kosten voor facilitaire dienstverlening. De post «DPC» (€ 0,1 mln.) heeft betrekking op nog te betalen bedragen voor een LinkedIn campagne. Het bedrag voor de post «IND» (€ 0,1 mln.) betreft nog te betalen huurkosten. De post «O&P Rijk» (€ 0,1 mln.) bestaat uit nog te betalen kosten voor afgenomen dienstverlening, waaronder assessments en arbeidsdeskundige onderzoeken. De post «RIVM» (€ 0,1 mln.) betreft nog te betalen uitbesteed onderzoek. De post «RSO» heeft betrekking op nog te betalen schoonmaakdiensten. Het bedrag voor de post «RVB» (€ 0,4 mln.) bestaat uit nog te betalen kosten in verband met de sloop van het Academiegebouw in Wageningen.

In de post «Derden» is een bedrag van € 8,3 mln. verantwoord ter demping van de retributietarieven voor de jaren 2026 en 2027, voortvloeiend uit de nacalculatie over de boekjaren 2024 en 2025. Verder bestaat de post «Derden» voor € 78,1 mln. uit nog te betalen bedragen aan medewerkers (saldo verlofuren), een reservering (€ 4,7 mln.) voor e-CertNL (zie extra toelichting hieronder) en € 12,5 mln. aan overige nog te betalen bedragen. Van deze € 12,5 mln. betreffen de grootste posten Dustin Netherlands (€ 1,1 mln.), De Staffing Groep Nederland (€ 0,7 mln.), Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed van Landbouwgewassen (€ 0,6 mln.) en FlexVet (€ 0,4 mln.). Het totaal van de overlopende passiva is met € 19,7 mln. toegenomen ten opzichte van vorig jaar, wat hoofdzakelijk te wijten is aan de toename van het saldo verlofuren met € 16,0 mln. Het totaal van de post «DICTU» is sterk afgenomen, wat verklaard wordt door een grote toename bij de post «DICTU» onder crediteuren.

e-CertNL

De post «Derden» omvat een reservering van € 4,7 mln. voor e-CertNL.
e-CertNL vormt een set van applicaties ten behoeve van de uitgifte van exportcertificaten. Tot en met 2023 werd e-CertNL beheerd door de NVWA binnen een samenwerkingsverband van de NVWA en het bedrijfsleven. Met ingang van 2024 is de NVWA volledig eigenaar van e-CertNL. Alle financiële en bestuurlijke afspraken zijn aangepast op basis van dit vertrekpunt en deze zijn in 2024 geïmplementeerd. Hoewel hierdoor de afstemming met het bedrijfsleven anders is vormgegeven, blijft samenwerking met alle betrokken partijen in de keten aan een efficiënte set van applicaties voor de uitgifte van exportcertificaten het uitgangspunt.

Het tarief dat doorbelast wordt voor het uitgeven van certificaten door
e-CertNL bestaat uit een dekking voor het beheer en onderhoud (personeelskosten NVWA, kosten DICTU en overige kosten) en een reservering voor specifieke wijzigingsverzoeken voor de verschillende sectoren. Onder andere vanwege de groei van het aantal verstrekte certificaten in de loop der jaren en het beperkte aantal wijzigingsverzoeken was de opgebouwde reservering per ultimo 2023 gestegen naar € 8,6 mln. Middels een verlaging van de tarieven vanaf 2024 wordt de balanspositie in vier jaar afgebouwd naar nul. Op basis van het aantal verstrekte certificaten keer de afbouwcomponent in het tarief is de reservering in 2025 afgebouwd met een bedrag van € 2,0 mln. (afbouw 2024 € 1,9 mln.).

Looptijd

Van het totale saldo «Overlopende passiva» heeft € 74,6 mln. een looptijd van langer dan 1 jaar. Hiervan betreft € 66,1 mln. het IKB spaarverlof, waarvoor het niet mogelijk is om een betrouwbare inschatting van de looptijd te maken, omdat deze verlofsoort onbeperkt geldig is. Op het moment dat veel medewerkers in dezelfde periode hun IKB spaarverlof willen gaan inzetten, zal de organisatie mogelijk extra personeel moeten inhuren om het reguliere werk doorgang te kunnen laten vinden.

De overige € 8,5 mln. heeft betrekking op het verantwoorde bedrag ter demping van de retributietarieven 2027 (€ 5,2 mln.), reserves van e-CertNL (€ 2,8 mln.) en ontvangen voorschotten voor projecten (€ 0,5 mln.).

Overige informatie

Huisvestingskosten/huurovereenkomsten 10.572 6.537
Operational lease 40.853 38.321
Totaal niet in de balans opgenomen verplichtingen 51.425 44.858

Niet in de balans opgenomen verplichtingen

Het gaat hier om meerjarige verplichtingen waarbij prestatie en tegenprestatie nog moeten worden geleverd. De post «Huisvestingskosten/huurovereenkomsten» bestaat uit panden die hetzij via het Rijksvastgoedbedrijf of rechtstreeks door de NVWA worden gehuurd van de private sector. De verplichting is gestegen ten opzichte van 2024, vanwege de ingebruikname van het nieuwe steunpunt in Almelo en de verlenging van het huurcontract in Veenendaal.

De post «Operational lease» betreft de verplichtingen aan de leasemaatschappij met betrekking tot het wagenpark van de NVWA. Het wagenpark wordt op full operational leasebasis ingezet. De verplichtingen zijn gestegen ten opzichte van 2024, omdat er in 2025 meer dienstauto’s zijn ingezet (+86). Bovendien worden sinds 2023 de dienstauto’s ingezet tegen een gemiddelde looptijd van vijf jaar in plaats van vier jaar. De gemiddelde looptijd is verlengd omdat de nieuwe auto’s allemaal elektrische auto’s zijn.

Tot slot maakt de NVWA gebruik van de rijksbrede raamovereenkomst voor operational lease, zijn er geen bijzondere bepalingen van toepassing en is er in 2025 afgerond € 17,9 mln. aan leasekosten betaald.

De looptijd van de niet in de balans opgenomen verplichtingen is als volgt:

≤ 1 jaar 15.569 14.374
> 1 jaar t/m ≤ 5 jaar 35.856 30.484
Totaal niet in de balans opgenomen verplichtingen 51.425 44.858

De financiële omvang van de verplichtingen inzake arbeidsongeschikte medewerkers, stichting Sociaal Fonds NVWA en jubilea medewerkers kunnen niet met voldoende mate van zekerheid worden bepaald en zijn daarom niet opgenomen in bovenstaande tabel.

Totaal ontvangsten operationele kasstroom (+) 678.652 669.832 ‒ 8.820
Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-) ‒ 671.701 ‒ 616.676 55.025
Totaal operationele kasstroom 6.951 53.156 46.205
Totaal investeringen (-/-) ‒ 11.750 ‒ 2.270 9.480
Totaal boekwaarde desinvesteringen (+) 131 131
Totaal investeringskasstroom ‒ 11.750 ‒ 2.139 9.611
Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-) ‒ 13.819 ‒ 13.819
Eenmalige storting door moederdepartement (+) 100 100
Aflossingen op leningen (-/-) ‒ 7.833 ‒ 8.100 ‒ 267
Beroep op leenfaciliteit (+) 11.750 1.400 ‒ 10.350
Totaal financieringskasstroom 3.917 ‒ 20.419 ‒ 24.336
Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen 65.348 141.946 76.598

Algemene grondslagen


De geldmiddelen in het kasstroomoverzicht worden gevormd door de rekening-courant met het Ministerie van Financiën (Rijkshoofdboekhouding) en uit het kasgeld van de NVWA. Ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest zijn opgenomen onder de operationele kasstroom.

Toelichting op kasstromen

Rekening-courant RHB

Het saldo op de rekening-courant RHB per 1 januari 2025 bedroeg € 111,3 mln.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom is per saldo € 46,2 mln. hoger dan begroot.

De ontvangsten in de operationele kasstroom betreffen de door de NVWA gerealiseerde omzet (moederdepartement, overige departementen en derden, totaal € 643,1 mln.), de rentebaten (€ 3,9 mln.), de bijzondere baten (€ 27 mln.) en mutaties in de balans (- € 4,2 mln.).

De uitgaven in de operationele kasstroom betreffen de reguliere lasten (apparaatskosten, rentelasten en overige lasten, totaal € 636,7 mln.) en mutaties in de balans (afgerond € -22 mln.).

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom is € 9,5 mln. lager dan begroot.

De investeringen bestaan uit investeringen in materiële vaste activa (onder andere verbouwingen, laboratoriumapparatuur, overige hardware en inventarissen afgerond € 2,2 mln.).

De desinvesteringen (€ 0,1 mln.) betreft een kleine correctie van investeringsuitgaven voor immateriële vaste activa en daarnaast de buitengebruikstellingen van inventaris en transportmiddelen.

Financieringskasstroom

De financieringskasstroom valt € 24,3 mln. lager uit dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de terugbetaling aan het moederdepartement van het surplus aan eigen vermogen (€ 13,8 mln.). Daarnaast heeft er een directe toevoeging aan het eigen vermogen (€ 0,1 mln.) plaatsgevonden, werd er meer afgelost op de lopende leningen (€ 0,3 mln.) en werden er minder leningen bij het Ministerie van Financiën afgeroepen dan oorspronkelijk begroot (€ 10,3 mln.).

Liquiditeitspositie

De liquiditeitspositie van de NVWA bedraagt € 141,9 mln. per 31 december 2025.

Gemiddelde kostprijs (€ / uur)
Handhaven + Keuren 121,17 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Toezicht (nieuw per 2023) n.v.t. 125,52 144,65 152,32 146,78
Index 2012 = € 94,07 = 100 128,8 133,43 153,76 161,92 156,03
Omzet per productgroep (€ mln.)1
Handhaven 271,6 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Keuren certificering op afstand 12 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Keuren import 21,8 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Keuren export, slachthuizen en overige activiteiten 94,6 n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Toezicht (overheid) n.v.t. 350 404,2 445,1 444,5
Overige producten (derden) n.v.t. 104,3 126,7 149,7 168
FTE
Aantal FTE (excl. externe inhuur)2 2.831 3.162 3.217 3.692 3.914
Verhouding FTE direct/indirect (excl. externe inhuur) 2.182/649 2.482/680 2.541/676 2.917/775 3.092/822
Salariskosten per FTE 89.152 93.121 102.882 103.123 101.291
Saldo van baten en lasten
Saldo van baten en lasten als % van de totale baten ‒ 1,43% ‒ 1,73% 3,39% 4,96% 0,00%
Kwaliteit
Afhandelsnelheid informatieverzoeken, klachten en meldingen3 80% 87% 85% 86,6% 90%
Tijdig betaalde facturen (< 30 dagen)4 95% 93% 97% 97,3% 95%
  1. 1 Met ingang van 2025 is de indeling van de productgroepen gewijzigd. De omzet (exclusief Extern Geoormerkte Budgetten) moederdepartement en de overige departementen valt onder het product «Toezicht». De omzet derden bestaat uit een groot aantal producten, die in dit overzicht zijn samengevoegd onder «Overige producten» (alleen de pxq omzet derden wordt hier gerapporteerd).
  2. 2 Betreft de gemiddelde bezetting. De gerealiseerde gemiddelde bezetting over 2024 is inclusief 3 FTE medewerkers met een bijzondere status, zoals van-werk-naar-werk medewerkers.
  3. 3 De realisatie 2025 en 2024 betreft een gewogen gemiddelde van het aantal vragen, klachten en meldingen dat binnen de gestelde afhandelingstermijn is voltooid.
  4. 4 Het percentage tijdig betaalde facturen is verbeterd ten opzichte van eerdere jaren en ligt de percentage 0,3% hoger ten opzichte van het voorgaand jaar.

10. Saldibalans

  1. Rijkshoofdboekhouding

Toelichting op de saldibalans

Algemeen

De balansposten zijn bepaald en gewaardeerd overeenkomstig de geldende voorschriften van de Comptabiliteitswet. Indien van de geldende voorschriften is afgeweken is dit nader toegelicht.

Alle bedragen zijn opgenomen in duizenden euro's tenzij anders vermeld. In de tabel van de saldibalans zijn de bedragen overeenkomstig de voorschriften naar boven afgerond. In de tabellen van de toelichting zijn de bedragen op de standaard wijze afgerond en opgeteld. Door de verschillende wijze van afronden kan de som van de overige tabellen afwijken van de bedragen van de tabel van de saldibalans.

Saldibalanspost 8, kas-transverschillen, is niet van toepassing voor het Ministerie van LVVN.

De uitgaven over 2025 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van LVVN (hoofdstuk XIV) onderdeel uitgaven, artikelen 21 t/m 24 en 50.

De ontvangsten over 2025 zijn gespecificeerd in het jaarverslag van LVVN (hoofdstuk XIV) onderdeel uitgaven, artikelen 21 t/m 24 en 50.

De post liquide middelen is opgebouwd uit de saldi van banken.

De post liquide middelen bestaat uit de aanwezige banksaldi bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de uitvoering van de regeling Borgstellingskrediet voor de Landbouw.

Op de rekening-courant Rijkshoofdboekhouding is de financiële verhouding tussen LVVN en de Rijksschatkist van het Ministerie van Financiën geadministreerd.

Het bedrag op de saldibalans is overeenkomstig de saldo opgave per 31 december 2025 van het Ministerie van Financiën.

Een begrotingsreserve is een meerjarige budgettaire voorziening binnen de begroting die LVVN aanhoudt op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën. De reserve blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren.

LVVN maakt gebruik van de mogelijkheid om begrotingsreserves aan te houden. In het jaarverslag is bij de betreffende begrotingsartikelen informatie opgenomen over toevoegingen aan en onttrekkingen uit de begrotingsreserves aangevuld met relevante feiten en of ontwikkelingen.

Landbouw 12.849 4.988 0 17.837 21
Borgstellingsfaciliteit 49.091 4.248 0 53.339 21
Apurement 61.123 23.585 23.585 61.123 21
Risicovoorziening jonge boeren 6.285 0 6.285 0 21
Visserij 31.694 12.300 1.040 42.954 22
Natuur 1.278 0 0 1.278 22
Totaal 162.321 45.121 30.910 176.532
Onder de vorderingen buiten begrotingsverband zijn bedragen opgenomen die nog van derden moeten worden ontvangen.
Vordering EU uitgaven ELGF 372.073
Vordering EU uitgaven ELFPO (POP3) 55.597
Vordering EU uitgaven ELFPO (NSP) 54.515
Vordering op provincies inzake POP (NSP) 28.381
Vorderingen op overige opdrachtgevers RVO 23.955
Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur 16.884
Overige vorderingen 9.363
Totaal 560.769

Vordering EU uitgaven ELGF

De gelden die LVVN voor het Europese fonds ELGF voorfinanciert betreffen de declaraties van de maanden november (16/10 ‒ 30/11) en december. De gedeclareerde bedragen van deze maanden zijn in 2026 ontvangen. De onderstaande tabel is een weergave van de uitgaven en ontvangsten binnen het programma ELGF over de jaren 2024 en 2025. Deze uitgaven en ontvangsten zijn nog niet vastgesteld door de Europese Commissie.

Te veel ontvangen ELGF voorgaand dienstjaar ‒ 78
ELGF boekjaar 2025, in 2024 gerealiseerde uitgaven 433.066
Vordering 31 december 2024 432.988
ELGF boekjaar 2025, in 2025 gerealiseerde uitgaven 297.951
Ontvangsten uit ELGF boekjaar 2025 ‒ 708.332
Afrekeningen 2024 ‒ 22.581
Te weinig ontvangen ELGF boekjaar 2025 26
ELGF boekjaar 2026, in 2025 gerealiseerde uitgaven 372.047
Vordering 31 december 2025 372.073

De jaaraangifte is hoger vastgesteld dan de maandelijkse gedeclareerde bedragen. Naar verwachting zal de Europese Commissie de jaaraangifte 2025 in 2026 definitief vaststellen. Het te weinig ontvangen bedrag wordt uitgekeerd na de goedkeuring van de jaarrekening 2026.

* Het boekjaar voor het ELGF loopt van 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025. Een deel van de verantwoording 2026 van het ELGF is verantwoord in deze saldibalans (16 oktober 2025 tot en met 31 december 2025).

Vordering EU uitgaven ELFPO (POP3)

De gelden die LVVN voor het Europese fonds ELFPO voorfinanciert inzake het Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 betreffen de declaraties van de maanden november (16/10 ‒ 30/11) en december. Het gedeclareerde bedrag van deze maanden wordt in 2026 ontvangen. De navolgende tabel geeft inzicht in de totaalbedragen van uitgaven en ontvangsten met betrekking tot het ELFPO van de jaren waarvan de jaaraangiften nog niet door de Europese Commissie zijn vastgesteld.

Te veel ontvangen ELFPO voorgaand dienstjaar ‒ 141
ELFPO boekjaar 2025, in 2024 gerealiseerde uitgaven 18.328
Vordering 31 december 2024 18.187
ELFPO boekjaar 2025, in 2025 gerealiseerde uitgaven 103.868
Ontvangsten uit ELFPO boekjaar 2025 ‒ 121.529
Afrekeningen 2024 ‒ 665
Te veel ontvangen ELFPO boekjaar 2025 ‒ 138
ELFPO boekjaar 2026, in 2025 gerealiseerde uitgaven 55.735
Vordering 31 december 2025 55.597

De jaaraangifte is lager vastgesteld dan de maandelijkse gedeclareerde bedragen. Naar verwachting zal de Europese Commissie de jaaraangifte 2025 in 2026 definitief vaststellen en het te veel ontvangen bedrag verrekenen.

* Het boekjaar van ELFPO loopt van 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025. Een deel van de verantwoording 2026 van ELFPO is verantwoord in deze saldibalans (16 oktober 2025 tot en met 31 december 2025).

Vordering EU uitgaven ELFPO (NSP)

De gelden die LVVN voor het Europese fonds ELFPO voorfinanciert inzake het Nationaal Strategisch Plan (2023-2027) betreffen de declaraties van de maanden november (16/10 ‒ 30/11) en december. De gedeclareerde bedragen van deze maanden zijn in 2026 ontvangen. De onderstaande tabel is een weergave van de uitgaven en ontvangsten binnen ELFPO over de jaren 2024 en 2025. Deze uitgaven en ontvangsten zijn nog niet vastgesteld door de Europese Commissie.

Te weinig ontvangen ELFPO voorgaand dienstjaar 25
ELFPO boekjaar 2025, in 2024 gerealiseerde uitgaven 35.652
Vordering 31 december 2024 35.677
ELFPO boekjaar 2025, in 2025 gerealiseerde uitgaven 123.206
Ontvangsten uit ELFPO boekjaar 2025 ‒ 149.664
Afrekeningen 2024 ‒ 9.219
Te weinig/veel ontvangen ELFPO boekjaar 2025 0
ELFPO boekjaar 2026, in 2025 gerealiseerde uitgaven 54.515
Vordering 31 december 2025 54.515

De jaaraangifte is vastgesteld op het totaal van de maandelijkse gedeclareerde bedragen. Naar verwachting zal de Europese Commissie de jaaraangifte 2025 in 2026 definitief vaststellen.

* Het boekjaar van ELFPO loopt van 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025. Een deel van de verantwoording 2026 van ELFPO is verantwoord in deze saldibalans (16 oktober 2025 tot en met 31 december 2025).

Vorderingen op provincies inzake POP (NSP)

De provincies zijn betrokken bij de uitvoering van de projecten en regelingen van het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) inzake het Nationaal Strategisch Plan (NSP). Het gaat hier om uitgaven die door RVO zijn gerealiseerd waarvan de provincies een deel van de financiering voor hun rekening nemen volgens het afgesloten convenant voor de uitvoering. De gerealiseerde uitgaven worden per kwartaal door RVO bij de provincies in rekening gebracht.

Vorderingen op overige opdrachtgevers RVO

RVO voert opdrachten uit voor derden. De opdrachten worden verstrekt door publieke en Europese organisaties. Het openstaande bedrag zal RVO in rekening brengen bij de betreffende opdrachtgevers.

Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur

Deze uitgaven hebben betrekking op de uitvoering van projecten en regelingen van de programma’s van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur.

Onder de schulden buiten begrotingsverband zijn de bedragen opgenomen die nog ten gunste van derden moeten worden gebracht.
ELFPO werkkapitaal POP NSP 32.490
ELFPO werkkapitaal POP3 24.759
Waarborgsommen RVO 20.019
Vereffeningsorganisatie Product- en Bedrijfschappen 7.025
Vrijgevallen gelden voormalige Product- en Bedrijfschappen 6.304
Overige schulden 956
Totaal 91.551

ELFPO werkkapitaal POP NSP

Voor het plattelandsontwikkelingsprogramma NSP van 2023-2027 heeft de Europese Commissie werkkapitaal aan LVVN beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het programma overeenkomstig art. 31 van verordening (EU) Nr. 2116/2021. Bij de afsluiting van het programma ELFPO NSP zal deze voorfinanciering door de commissie worden verrekend.

ELFPO werkkapitaal POP3

Betreft werkkapitaal dat door de Europese Commissie beschikbaar is gesteld voor de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 overeenkomstig verordening (EU) Nr. 1306/2013. Bij de afsluiting van POP3 zal deze voorfinanciering door de commissie worden verrekend.

Waarborgsommen RVO

RVO ontvangt per bank gelden van het bedrijfsleven als zekerheidsstelling voor in- en uitvoercertificaten. Als aan de voorwaarden van de regeling inzake certificaten is voldaan dan betaalt RVO op verzoek van de belanghebbende de bedragen terug.

Vereffening Product- en Bedrijfschappen

Per 1 januari 2015 is de vereffening van de Product- en Bedrijfschappen onder verantwoordelijkheid van EZ gebracht. Voor de uitvoering van de vereffeningstaken is de vereffeningsorganisatie PBO opgericht. Op 1 januari 2019 werd de minister van LVVN verantwoordelijk voor de laatste fase van de vereffening van de vermogens van de schappen. In verband met de beëindiging van de vereffeningsorganisatie heeft LVVN per 1 januari 2021 deze taken overgenomen. De vereffeningsorganisatie heeft de gelden uit de vereffing naar LVVN gestort. Het bedrag bestaat onder andere uit een voorziening sociaal plan en de reserves voor het nog niet vereffende Productschap Tuinbouw.

Vrijgevallen gelden vereffening voormalige Product- en Bedrijfschappen

De minister van LVVN draagt er zorg voor dat deze saldi een bestemming krijgen die ten nutte komt van het deel van het bedrijfsleven dat betrokken was bij de vereffende schappen.

Rechten onstaan doordat op grond van wettelijke regelingen, in de toekomst aanspraak bestaat op gelden van derden.
De vorderingen hebben betrekking op te ontvangen bedragen voor de begroting van LVVN.
Direct opeisbare vorderingen 72.920
Op termijn opeisbare vorderingen 258.400
Geconditioneerde vorderingen 98.943
Totaal 430.264
Vorderingen inzake beleid 68.621
Vorderingen NVWA door CJIB te innen 3.404
Diversen 896
Totaal 72.920

Vorderingen inzake uitvoering beleid

LVVN heeft vorderingen opgelegd voortkomend uit subsidie vaststellingen van diverse regelingen.

Vorderingen NVWA door CJIB te innen

Het betreft de door het CJIB te innen bedragen op grond van de door de NVWA opgelegde boetes en dwangsommen van onder andere de Wet dieren (GWD), de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (WGB), de Wet Natuurbescherming (WNB) en de Plantgezondheidswet (PGW).

Landinrichtingsrente 125.562
Stichting Groenfonds 100.927
Vorderingen inzake uitvoering beleid 15.554
Lening Stichting Wageningen Research (DLO) 13.977
Bureau Beheer Landbouwgronden 2.380
Totaal 258.400

Landinrichtingsrente

Het gaat hier om door grondeigenaren te betalen landinrichtingsrente die voortkomt uit afgesloten landinrichtingsprojecten. De inning van de verschuldigde landinrichtingsrente vindt plaats door de Belastingdienst. Naar verwachting zal in 2043 de laatste afwikkeling van deze regeling plaatsvinden.

Stichting Groenfonds

Inzake het versterken van het investeringsvermogen van de Stichting Groenfonds heeft LVVN middelen ter beschikking gesteld (€ 4,2mln.). Voor het Investeringsfonds Duurzame Landbouw is een lening verstrekt (€ 96,7 mln.).

Vorderingen inzake uitvoering beleid

RVO heeft vorderingen voortkomend uit subsidie vaststellingen van diverse regelingen, waarvoor een betalingsregeling is afgesproken.

Lening Stichting Wageningen Research (DLO)

Naar aanleiding van de verzelfstandiging van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek en de oprichting van de Stichting DLO zijn er vanaf 1999 onder andere leningen verstrekt voor financiering van de werving van roerende en onroerende zaken door de Stichting en de integratie van het praktijkonderzoek en het IAC ILRI.

Bureau Beheer Landbouwgronden

Het Bureau Beheer Landbouwgronden beschikt over financiële middelen die in voorgaande jaren door LVVN zijn verstrekt. Een deel van deze middelen is bestemd voor het afwikkelen door BBL van een tweetal projecten. Het resterende deel is het aandeel van LVVN in het eigen vermogen van BBL. Overige financiële verplichtingen en/of afwikkelingen zullen onder verantwoordelijkheid van LVVN plaatsvinden.

Gestelde zekerheden 94.738
Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL) 4.206
Totaal 98.943

Gestelde zekerheden

Dit betreffen zekerheden die bij de uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU worden gevraagd. De uitvoering hiervan vindt plaats bij RVO.

Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL)

Op basis van de regeling Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL) verstrekken deelnemende banken krediet aan land- en tuinbouwondernemers onder garantie (borgstelling) van de Staat. Op het moment dat de bank de garantie aanspreekt betaalt RVO de claim uit aan de bank. Hierdoor ontstaat er voor RVO een vordering op de onderneming die wordt opgenomen in de debiteurenadministratie. De bank heeft conform de regeling een volgplicht. Wanneer een ondernemer een voorstel tot afkoop bij de bank indient legt de bank dit ter beoordeling voor aan RVO. Na instemming van RVO zorgt de bank voor afwikkeling van de overeengekomen regeling en maakt het aan RVO toekomende bedrag over.

De schulden hebben betrekking op bedragen die ten gunste van de begroting van LVVN zijn ontvangen.
Voorschotten zijn bedragen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op later definitief vast te stellen of af te rekenen bedragen.
21. Land- en tuinbouw 75.828 113.904 46.220 455.833 1.250.556 1.942.340
22. Natuur, visserij en gebiedsgericht werken 586.720 467.185 634.222 1.667.803 839.453 4.195.383
23. Kennis en innovatie 7.893 6.316 76.450 296.052 379.727 766.437
Buiten begrotingsverband 0 824 928 3.966 45.841 51.558
Totaal 670.441 588.228 757.819 2.423.654 2.515.577 6.955.718
Beginstand 1 januari 2025 5.215.906
Verstrekte voorschotten 2.531.391
Eindafgerekende voorschotten ‒ 791.579
Eindstand 31 december 2025 6.955.718
De garantieverplichtingen zijn voorwaardelijke financiële verplichtingen. Deze verplichtingen komen op een later moment tot uitbetaling als bij de werderpartij die de garantie heeft ontvangen zich bepaalde omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld een bepaald risico of een onzekere gebeurtenis.
21. Land- en tuinbouw 233.188 13.062 44.873 0 201.377
22. Natuur, visserij en gebiedsgericht werken 264.675 0 24.870 0 239.806
Totaal 497.864 13.062 69.743 0 441.183

Het saldo op «bijstellingen -/-« heeft betrekking op negatieve correcties van aangegane verplichtingen uit voorgaande jaren. Bijstellingen op verplichtingen aangegaan in dit verslaggevingsjaar zijn in mindering gebracht op het saldo «in 2025 aangegaan».

Het gaat hier om financiële verplichtingen ten opzichte van een wederpartij die op een later moment tot betaling zal leiden. Indien de wederpartij alle gestelde voorwaarden nakomt zal de verplichting volledig tot betaling komen.
21. Land- en tuinbouw 2.261.625 938.298 239.184 1.500.109 1.460.631
22. Natuur, visserij en gebiedsgericht werken 1.963.188 452.610 20.684 884.330 1.510.784
23. Kennis en innovatie 641.661 390.073 1.958 389.916 639.860
24. Uitvoering en toezicht 0 728.382 0 728.382 0
50. Apparaat LVVN 0 254.140 0 254.140 0
Buiten begrotingsverband 140.224 757.679 32.972 742.537 122.394
Totaal 5.006.700 3.521.182 294.799 4.499.414 3.733.668

Voor het verantwoorden van de verplichtingen van apparaatsuitgaven op artikel 50 in bovenstaande tabel wordt het principe verplichtingen is gelijk aan kas toegepast. Het verplichtingensaldo wordt gelijk gesteld aan het uitgavensaldo waardoor er per saldo op 31 december geen openstaande verplichtingen worden verantwoord.

Het saldo op «bijstellingen -/- « heeft betrekking op negatieve correcties van aangegane verplichtingen uit voorgaande jaren. Bijstellingen op verplichtingen aangegaan in dit verslaggevingsjaar zijn in mindering gebracht op het saldo «in 2025 aangegaan».

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten

In het «Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025–2029» zijn plafondbedragen afgesproken tot waaraan een sector bijdraagt aan de preventie- en bestrijdingskosten van dierziekten. Voor de verplichting die LVVN heeft in het kader van het convenant is een bedrag op de begroting gereserveerd. De werkelijke verplichting kan hoger uitvallen indien zich voor de einddatum van het convenant dierziekte crisissen gaan voordoen. LVVN heeft zich verplicht voor de kosten die uitgaan boven de met de sectoren overeengekomen plafondbedragen. Ook de kosten van de preventie- en bestrijdingskosten van dierziekten bij diersoorten die niet bijdragen aan het diergezondheidsfonds vallen over het algemeen onder de verplichtingen van LVVN.

Alliantie-afspraken natuurversterking Noordzee

Het Rijk, vertegenwoordigd door LVVN, het Nederlandse waterbouw- (en offshore-) gerelateerde bedrijfsleven en diverse Nederlandse NGO’s zijn overeengekomen om samen een versterkingsprogramma te starten voor de Noordzee-ecologie «Natuurversterking Noordzee». Het betreft een pionierend initiatief gericht op het verbeteren van het algehele ecosysteem van de Nederlandse Noordzee. Vanaf 2030 moeten positieve, meetbare effecten van de natuurversterkende maatregelen zichtbaar zijn. Om dit te kunnen realiseren is de bestuurlijke toezegging gedaan van €150 miljoen uit het klimaatfonds, welke op de begroting van LVVN is gereserveerd. Inmiddels is er voor een bedrag van €50 miljoen juridische verplichtingen gedaan.

Convenant Regieorgaan versnellen innovatie duurzame veehouderij

Eind 2023 sloten 25 deelnemende partijen een convenant met de titel «Regieorgaan versnellen innovatie emissiereductie duurzame veehouderij». Het Regieorgaan werkt zowel aan versnelling van innovatie als aan een systeem met doelsturing en bedrijfsspecifiek meten van emissies. Uitvoering van het convenant draagt bij aan versterking van de landbouw in combinatie met veel andere inspanningen. LVVN heeft zich verplicht tot het medefinancieren van het projectbureau, taakgroepen en praktijkpilots. De exacte invulling van de publiek-private financiering van de praktijkpilots wordt momenteel verkend met betrokken partijen, daarom zijn nog geen specifieke bedragen voor LVVN te noemen.

Niet uit de saldibalans blijkende financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures

Op dit moment zijn op de beleidsterreinen Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geen rechtszaken aanhangig bij het ministerie van LVVN met een substantieel geclaimd bedrag van EUR 25 miljoen of hoger.

11. WNT-verantwoording 2025 Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften is het voor onze ministers verplicht om voor de jaarlijkse verantwoording in het kader van de Wet normering topinkomens (WNT) van de onder hen ressorterende ministeries en colleges, zoals bedoeld in de Comptabiliteitswet, gebruik te maken van model 3.70.

De WNT bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke (en semi- publieke) sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financiële jaarverslag. De publicatieplicht geldt eveneens voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (externe inhuur). Daarnaast moet van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het individueel toepasselijk drempelbedrag te boven gaat. Niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vallen buiten de reikwijdte van de wet. Ten aanzien van hen geldt de publicatieplicht dus niet. Wie bij de Rijksoverheid als topfunctionaris wordt aangemerkt, wordt omschreven art 1.1, onder b van de Wet Normering Topinkomens. De kabinetten van de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten vallen echter niet onder de WNT (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31926, nr. 3, p.39).

De gegevens van de leden van de Top Management Groep worden opgenomen in het jaarverslag van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Het geldende normenkader is te vinden via www.topinkomens.nl, daarbij gaat het onder meer om: de Wet normering topinkomens (WNT), het Uitvoeringsbesluit WNT, de Uitvoeringsregeling WNT, de Regeling Controleprotocol WNT 2025 en de Beleidsregels WNT 2025. Hier kan men ook terecht voor de antwoorden op veelgestelde vragen en een overzicht van de geldende bezoldigingsmaxima. Het algemeen bezoldigingsmaximum zoals dat is opgenomen in art. 2.3 van de WNT bedraagt in 2025 € 246.000.

Naam instelling Naam topfunctionaris Functie(s) (+ tussen haakjes gegevens van 2024) Datum aanvang functievervulling in 2025 (+ tussen haakjesa gegevens van 2024) Datum einde functievervulling in 2025 (+ tussen haakjes gegevens van 2024) Dienstverband in fte (+ tussen haakjes omvang in 2024) Op externe inhuur-basis (nee; <= 12 kalender-mnd; >12 kalender-mnd) Beloning plus onkostenvergoedingen (belast) (+ tussen haakjes bedrag in 2024) Voorzieningen t.b.v. beloningen betaalbaar op termijn (+ tussen haakjes bedrag in 2024) Totale bezoldiging in 2025 (+ tussen haakjes bedrag in 2024) Individueel toepasselijk bezoldigingsmaximum (+ tussen haakjes bedrag 2024) Motivering en bedrag (indien overschrijding)
Centrale Commissie Dierproeven H.J Ormel voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-9-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,220 (0,220) nee 31.735 (10.578) 31.735 (10.578) 54.120 (17.078)
Centrale Commissie Dierproeven Valk, J. van der lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,170 (0,170) nee 22.514 (21.879) 22.514(21.879) 41.820 (39.610)
Centrale Commissie Dierproeven Veld, M. ter lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 1-11-2025 (31-12-2024) 0,170 (0,170) nee 18.762 (22.956) 18.762 (22.956) 32.972 (39.610)
Centrale Commissie Dierproeven Nordquist, R.E. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,170 (0,170) nee 22.514 (21.585) 22.514 (21.585) 41.820 (39.610)
Centrale Commissie Dierproeven Maeckelberghe, E.M.L. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,170 (0,170) nee 22.514 (21.585) 22.514 (21.585) 41.820 (39.610)
Centrale Commissie Dierproeven Berlo, D. van lid (-) 1-1-2025 (-) 31-12-2025 (-) 0,170 (-) nee 20.638 (-) 20.638 (-) 41.820 (-)
Centrale Commissie Dierproeven Sommers, M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,170 (0,170) nee 22.514 (22.155) 22.514 (22.155) 41.820 (39.610)
Grondkamer Zuid Michielsen, F.G.M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 11.009 (17.839) 11.009 (17.839) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid Hout, J.A.F. van den lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 12.453 (8.287) 12.453 (8.287) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid Drummen, D.P.M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 9.797 (11.515) 9.797 (11.515) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid Helvoort, P. van lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 9.478 (15.865) 9.478 (15.865) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid Kakkenberg, M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 8.989 (13.301) 8.989 (13.301) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid Boer, A. de voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,292 (0,292) nee 34.966 (33.970) 5.794 (5.190) 40.760 (39.160) 71.832 (67.570)
Grondkamer Zuid West Eijk, P.J. van der lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 1-6-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 5.707 (4.550) 5.707 (4.550) 7.124 (16.310)
Grondkamer Zuid West Habben Jansen, C. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 9.437 (6.750) 9.437 (6.750) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid West Kubber, F. de lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 8.080 (7.910) 8.080 (7.910) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid West Oostdam, J.J.H. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 8.383 (10.633) 8.383 (10.633) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid West Koning, P.C. de lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 8.576 (10.389) 8.576 (10.389) 17.220 (16.310)
Grondkamer Zuid West Lampert, J. lid (lid) 1-1-2025 (1-6-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 9.696 (4.750) 9.696 (4.750) 17.220 (9.536)
Grondkamer Zuid West Lende-Mulder Smit, E.K. van der voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,292 (0,292) nee 34.966 (33.970) 5.794 (5.190) 40.760 (39.160) 71.832 (67.570)
Grondkamer Oost Aalberts, W.J. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 12.916 (11.891) 12.916 (11.891) 17.220 (16.310)
Grondkamer Oost Bouman, H.B. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 11.964 (13.670) 11.964 (13.670) 17.220 (16.310)
Grondkamer Oost Doeschot, B.E.G. ten ** lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024)
Grondkamer Oost Geene, A.R.G.C. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 11.004 (9.342) 11.004 (9.342) 17.220 (16.310)
Grondkamer Oost Louter, A.J. voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,292 (0,292) nee 34.966 (33.970) 5.794 (5.190) 40.760 (39.160) 71.832 (67.570)
Grondkamer Oost Hendricksen, R. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 10.604 (12.206) 10.604 (12.206) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Berg, R. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 4.697 (6.389) 4.697 (6.389) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Burgsteden, A.G. van lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 7.682 (8.575) 7.682 (8.575) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Idsardi, J. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 9.191 (8.355) 9.191 (8.355) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Keurentjes, F.A.M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 5.252 (7.110) 5.252 (7.110) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Kraak, D. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 5.656 (6.300) 5.656 (6.300) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Panman, R.G. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 11.610 (7.250) 11.610 (7.250) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noord Idzenga, H.J. voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,292 (0,292) nee 34.966 (33.970) 5.794 (5.190) 40.760 (39.160) 71.832 (67.570)
Grondkamer Noordwest Bakker, R. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 8.470 (7.850) 8.470 (7.850) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noordwest Giesen, S.H. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 14.879 (13.301) 14.879 (13.301) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noordwest Knook, N.G. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 10.599 (8.650) 10.599 (8.650) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noordwest Wassenaar, N.C. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 6.105 (7.450) 6.105 (7.450) 17.220 (16.310)
Grondkamer Noordwest Kapteijn, S.H.M. lid (lid) 1-1-2025 (1-6-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 10.882 (-) 10.882 (-) 17.220 (-)
Grondkamer Noordwest Ernst, P.H. lid (lid) 1-1-2025 (1-6-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 8.320 (6.250) 8.320 (6.250) 17.220 (9.536)
Grondkamer Noordwest Peper, G.A.M. voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,292 (0,292) nee 34.966 (33.970) 5.794 (5.190) 40.760 (39.160) 71.832 (67.570)
Kamer voor de binnenvisserij Hoetmer, R. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 3.484 (2.900) 3.484 (2.900) 17.220 (16.310)
Kamer voor de binnenvisserij Leliveld, C.C.L. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 2.727 (4.650) 2.727 (4.650) 17.220 (16.310)
Kamer voor de binnenvisserij Lok, S. ** lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024)
Kamer voor de binnenvisserij Michielsen, A.F.M. ** lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024)
Kamer voor de binnenvisserij Galiën, O.A. van der lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 2.272 (2.400) 2.272 (2.400) 17.220 (16.310)
Kamer voor de binnenvisserij Veldman, O.P. ** lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024)
Kamer voor de binnenvisserij Wit, A. de ** lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024)
Kamer voor de binnenvisserij Janssen, J.M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 3.434 (4.200) 3.434 (4.200) 17.220 (16.310)
Kamer voor de binnenvisserij Doesburg, C. ** lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024)
Kamer voor de binnenvisserij Lammerts, R. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,070 (0,070) nee 2.424 (4.300) 2.424 (4.300) 17.220 (16.310)
Kamer voor de binnenvisserij Wignand, S.D.G. voorzitter (voorzitter) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,292 (0,292) nee 34.966(33.970) 5.794 (5.190) 40.760(39.160) 71.832 (67.570)
Grondkamers & Kamer voor de binnenvisserij Bosselaar, J.W. secretaris (secretaris) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 1 (1) nee 96.651 (94.415) 15.428 (13.710) 112.079 (108.125) 246.000 (233.000)
Grondkamers & Kamer voor de binnenvisserij Mul, A. secretaris (secretaris) 1-1-2025 (1-1-2024) 1-4-2025 (31-12-2024) 1 (1) nee 24,943 (94.569) 3.857(13.710) 28.800 (108.279) 60.658 (233.000)
Grondkamers & Kamer voor de binnenvisserij Beumer, E.D. secretaris (-) 1-11-2025 (-) 31-12-2025 (-) 1 (-) nee 14.200 (-) 2.148 (-) 16.348 (-) 41.112 (-)
Raad voor Plantenrassen Groenewoud, C.J.A. secretaris (secretaris) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 1 (1) nee 108.230 (101.647) 17.142 (16.012) 125.372 (117.659) 246.000 (233.000)
Raad voor Plantenrassen Harmsma, H.** voorzitter (voorzitter)
Raad voor Plantenrassen Bartelink, H.H.** lid (lid)
Raad voor Plantenrassen Hoogendijk, A.N.** lid (lid)
Raad voor Plantenrassen Meijerink, G.A.A.M. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,036 (0,100) nee 2.527 (2.800) 2.527 (2.800) 8.856 (23.300)
Raad voor Plantenrassen Pinxterhuis, B. ** lid (lid)
Raad voor Plantenrassen Willems, A.J.H.** lid (lid)
Raad voor Plantenrassen Ettekoven, C. van lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,036 (0,100) nee 2.527 (2.263) 2.527 (2.263) 8.856 (23.300)
Raad voor Plantenrassen Peleman, J.D. lid (lid) 1-1-2025 (1-1-2024) 31-12-2025 (31-12-2024) 0,036 (0,100) nee 2.527 (2.691) 2.527 (2.691) 8.856 (23.300)
Raad voor Plantenrassen Kooman-Gersmann, M.** lid (lid)
Raad voor Plantenrassen Scholten, O.E.** lid (lid)
Raad voor Plantenrassen Keijzer, P.** lid (lid)

** Betreft topfunctionarissen met een bezoldiging van € 2.100 of minder.

Er zijn geen topfunctionarissen die hun werkzaamheden als topfunctionaris hebben neergelegd, maar die op grond van hun voormalige functie nog 4 jaar worden aangemerkt als topfunctionaris. Er zijn geen uitkeringen geweest wegens beëindiging dienstverband aan topfunctionarissen met of zonder dienstbetrekking alsmede degenen die op grond van hun voormalige functie nog 4 jaar als topfunctionaris worden aangemerkt. Er zijn in 2025 geen leidinggevende topfunctionarissen die op grond van de WNT in verband met de cumulatie van dienstbetrekkingen dienen te worden gerapporteerd. Naast de hierboven vermelde topfunctionarissen zijn er geen overige functionarissen die in 2025 een bezoldiging boven het toepasselijke WNT-maximum hebben ontvangen.

D. Jaarverslag Diergezondheidsfonds (F)

12. Beleidsverslag Diergezondheidsfonds

Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

Algemene doelstelling

Bewaking en bestrijding van specifieke dierziekten.

Uitbraken van besmettelijke dierziekten kunnen een grote impact op de Nederlandse samenleving hebben als geheel en op de agrarische sector in het bijzonder. Voor dierziekten die zich in potentie snel verspreiden gelden speciale maatregelen die grotendeels in Europese regelgeving zijn voorgeschreven. Bij een aantal van deze dierziekten bevat de Europese regelgeving een plicht tot bestrijding. Daarnaast kan sprake zijn van een plicht tot het doen van onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een dierziekte via het monitoren van dieren.

Het Diergezondheidsfonds (DGF) is een begrotingsfonds waaruit de kosten worden betaald die verband houden met de bestrijding, bewaking en preventie van besmettelijke dierziekten en zoönosen. Het fonds wordt gevoed door jaarlijkse bijdragen vanuit de begroting van LVVN, heffingen bij de sector op grond van de Wet dieren en de middelen die de Europese Unie ter beschikking stelt in verband met het weren en bestrijden van besmettelijke dierziekten.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van LVVN is verantwoordelijk voor:

  1. Het bestrijden van dierziekten die op basis van (Europese) wetgeving verplicht moeten worden bestreden en indirect verantwoordelijk – houders van dieren zijn zelf primair verantwoordelijk – voor welzijnsaspecten bij de bestrijding.
  2. Het tijdig signaleren en afhandelen van verdenkingen en besmettingen door onderzoek en monitoring/bewaking van bepaalde dierziekten.
  3. Effectieve en doelmatige crisisorganisatie bij dierziektenuitbraken.

Na een uitbraak van een besmettelijke dierziekte waarbij de crisisorganisatie is opgeschaald naar de crisisfase vindt telkens een evaluatie plaats op alle onderdelen van bestrijdingsmaatregelen, welzijnsmaatregelen en de crisisorganisatie.

Beleidsconclusies

Beleidsconclusies op het terrein van het diergezondheid worden opgenomen onder artikel 21 Land- en Tuinbouw. Ook de evaluatie van het beleid dat aan de basis ligt van het Diergezondheidsfonds (DGF), is weergegeven in de evaluatiebijlage onder artikel 21.

Ontvangsten DGF

De ontvangsten van het DGF bestaan uit bijdragen van veehouders (de diergezondheidsheffing), bijdragen van het ministerie van LVVN en de EU. Deze ontvangsten zijn afgestemd op de uitgaven uit het DGF. In het Convenant Financiering bestrijding besmettelijke dierziekten (2025-2029) zijn afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van het DGF tussen betrokken sectoren en de overheid. In grote lijnen betekenen die afspraken dat uit deze diergezondheidsheffingen 100% van de bestrijdingskosten bij veehouders gefinancierd worden. De overheid draagt 100% van bestrijdingskosten voor dieren in dierentuinen en huishoudens, de kosten van toezicht en opsporing door de NVWA, kosten voor douane en handhaving van de openbare orde. De jaarlijkse kosten voor bewaking dierziekten, basismonitoring, crisisparaatheid worden in principe 50/50 gefinancierd door overheid en sector. Uitzonderingen daarop zijn ziekten waarvoor de sector zelf een monitoringsprogramma heeft geïnitieerd en die volledig door de sector worden gedragen. De kosten voor de Autoriteit Diergeneesmiddelen worden betaald door de veehouders via het DGF. De bijdrage van de dierenartsen aan de Autoriteit Diergeneesmiddelen verloopt niet via het DGF. De kosten voor incidentele uitgaven (verdenkingen en bestrijding) worden betaald door de betreffende sectoren. De totale sectorbijdrage is gemaximeerd. Boven deze zogenoemde plafondbedragen draagt de overheid de resterende kosten. De hoogte van de plafondbedragen is vastgelegd in het convenant en in het Besluit diergezondheid.

Uitgaven Diergezondsheidsfonds

Rundveesector 90.000 7.995 9% 45.000 1.113 2%
Varkenssector 85.000 3.580 4% 61.700 36 0%
Schapensector 8.900 1.095 12% 1.900 152 8%
Geitensector 9.700 1.004 10% 2.500 75 3%
Pluimveesector 130.000 17.451 13% 97.800 11.906 12%
Totaal 323.600 31.125 10% 208.900 13.282 6%

De gerealiseerde uitgaven over de periode 2025-2029 zijn nog binnen de plafondbedragen.

  1. Resterend plafond totale kosten per 31-12-2025: € 292,5 mln.
  2. Resterend plafond bestrijdingskosten per 31-12-2025: € 195,6 mln.

Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel zijn de realisaties 2021 tot en met 2025 weergegeven en is de realisatie 2025 afgezet tegen de vastgestelde begroting 2025. Dit geeft het volgende beeld:

2021 2022 2023 2024 2025 2025 2025
Verplichtingen 61.786 83.513 41.984 33.766 50.442 36.389 14.053
Uitgaven 48.323 83.409 44.490 34.921 42.953 36.389 6.564
Programma-uitgaven 48.323 83.409 44.490 34.921 42.953 36.389 6.564
Opdrachten 48.323 26.037 22.372 13.532 6.286 14.529 ‒ 8.243
Bewaking van dierziekten 22.253 4.944 6.159 754 249 4.407 ‒ 4.158
Crisisparaatheid 5.159 2.680 7.787 ‒ 5.107
Bestrijding van dierziekten 23.546 21.093 13.353 6.189 2.447 1.175 1.272
Overig 2.524 2.860 1.430 910 1.160 ‒ 250
Subsidies 15.863 1.152 424 541 447 94
Bewaking van dierziekten (subsidies) 14.655 796 106 106
Overig (subsidies) 1.208 356 424 435 447 ‒ 12
(Schade) vergoedingen 41.509 4.023 1.640 8.934 2.000 6.934
Bestrijding van Dierziekten / (schade) vergoedingen 41.509 4.023 1.640 8.934 2.000 6.934
Bijdragen aan ZBO’s / RWT’s 16.943 19.325 27.192 19.413 7.779
Bewaking van dierziekten 15.925 18.396 19.276 17.493 1.783
Crisisparaatheid 4.363 4.363
Bestrijding van dierziekten 2.662 862 1.800
Overig 1.018 929 891 1.058 ‒ 167
Ontvangsten 89.510 114.594 72.163 58.050 80.672 54.437 26.235
Waarvan
Ontvangsten LVVN 8.163 57.171 12.569 12.531 12.638 12.638
Ontvangsten sector 24.214 14.774 15.344 16.641 22.982 33.167 ‒ 10.185
Ontvangsten EU 2.156 1.371 3.434 932 15.152 1.209 13.943
Overige ontvangsten 273 1.455 1.455
Bijdrage sector crisisreserve 5.764 91 9.631 5.316 7.423 ‒ 2.107
Saldo van afgesloten rekeningen 49.213 41.187 31.185 27.673 23.129 23.129

Toelichting tabel budgettaire gevolgen

Met ingang van de najaarsnota 2023 zijn de uitgaven Gezondheidsdienst voor Dieren met betrekking tot bewaking van dierziekten (monitoring) niet meer opgenomen onder bewaking dierziekten (opdrachten) maar verantwoord onder Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s. Met ingang van het jaarverslag van 2024 zijn ook de uitgaven van de Universiteit Wageningen voor wat betreft de bewaking dierziekten verantwoord onder Bijdrage aan ZBO/RWT’s.

Saldo Diergezondsheidsfonds

Het saldo van het Diergezondheidsfonds bestaat deels uit de wettelijk vastgelegde crisisreserves van de varkens-, schapen-, geiten- en pluimveesector. Deze crisisreserves zijn een beoogde buffer per sector om in geval van een dierziekte-uitbraak voldoende kapitaal in het DGF te hebben om eerste uitgaven mee te kunnen doen. Daarnaast kan elke sector, en ook LVVN, een positief/negatief saldo hebben in het DGF ten gevolge van hogere/lagere uitgaven/inkomsten dan begroot. Verder bestaat het saldo uit werkkapitaal waaruit de lopende uitgaven voor bewaking, crisisparaatheid, verdenkingen en bestrijding worden gefinancierd. Via het saldo kunnen genoemde gelden jaar op jaar worden meegenomen. Het beginsaldo van het nieuwe jaar is de resultante van het beginsaldo van het afgelopen jaar en het saldo van specifieke uitgaven en ontvangsten in dat afgelopen jaar. Jaarlijks wordt hiertoe bij voorjaarsnota het eindsaldo van het voorgaande jaar toegevoegd aan het lopende begrotingsjaar. Bij voorjaarsnota 2025 is het eindsaldo van 2024 ad € 23,1 mln. toegevoegd aan de post ontvangsten saldo DGF.

Crisisreserves

In de Wet Dieren is vastgelegd dat er in het DGF een reserve moet worden aangelegd. De hoogte van deze crisisreserve is vastgelegd in het Besluit Diergezondheid. De crisisreserve wordt aangesproken voor kosten van verdenking en bestrijding voor zover die niet zijn meegenomen in de begroting. De crisisreserve is sectorspecifiek en wordt niet gebruikt voor betaling van tekorten in andere sectoren. De crisisreserve voor de rundveesector wordt beheerd door vereniging ZuivelNL en de Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK). De crisisreserve voor de ziekte van Aujeszky werd tot en met 2024 beheerd door de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV), maar is eind 2025 ondergebracht in het DGF. De crisisreserve van de pluimveesector zou in 2025 weer worden aangevuld tot de beoogde € 7,4 mln. maar dit is door de vele vogelgriepuitbraken in de laatste maanden van 2025 ook direct uitgegeven.

Sector Beoogde crisisreserve Crisisreserve op 31-12-2025
Runderen 1.800 Niet opgenomen in DGF
Varkens 7.400 7.400
Pluimvee 7.423
Schapen 49 49
Geiten 49 49
Totaal crisisreserves 16.721 7.498

Toelichting op de uitgaven

1. Bewaking van dierziekten

Streefwaarden

Behoud van de huidige, officieel door de EU en door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) verleende, status vrij te zijn van een aantal dierziekten.

Beleidsinstrumenten

Monitoring: de EU en de WOAH verlenen onder voorwaarden aan lidstaten officiële erkenningen voor het vrij zijn van besmettelijke dierziekten. Deze erkende statussen «vrij van dierziekten» of «verwaarloosbaar risico» worden bewaakt door laboratoriumonderzoek op basis van monitoringsprogramma’s. Naast deze monitoring op basis van internationale regelgeving, heeft Nederland ook een nationale monitoring zoals op de zoönose Q-koorts. Deelname aan monitoring is verplicht voor alle professionele dierhouders.

Basismonitoring: de basismonitoring kent een vrijwillige basis en wordt uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren. Dit programma is bedoeld om niet-endemische, nieuwe, onbekende of opkomende ziekten tijdig op te sporen en trends in de diergezondheid te volgen. Het programma bestaat onder andere uit laboratoriumonderzoek, postmortaal onderzoek, een telefonische helpdesk, bedrijfsbezoek en monitoring van data uit slachthuizen.

Tevens is er een bewakingsprogramma voor ziekten bij in het wild levende dieren. Zo wordt een deel van de gedode wilde zwijnen onderzocht op klassieke varkenspest (KVP), Afrikaanse varkenspest (AVP) en Ziekte van Aujeszky (ZvA) en worden wilde vogels onderzocht op vogelgriep.

1. Bewaking van dierziekten

Basismonitoring (incl. effectiviteits-onderzoek) 10.653 10.651 ‒ 2
Brucellose (rund) 1.224 1.067 ‒ 157
BSE (rund) 3.780 2.449 ‒ 1.331
Leukose (rund) 400 460 60
Blauwtong (rund, schaap, geit) 187 173 ‒ 14
Brucella melitensis (schaap, geit) 464 474 10
TSE (schaap, geit) 376 128 ‒ 248
Q-koorts (schaap, geit) 822 778 ‒ 44
KVP / AVP (varkens, wilde zwijnen) 891 591 ‒ 300
AI Bedrijfsmatig (pluimvee) 130 154 24
AI hobbypluimvee en wilde/dode vogels 103 ‒ 103
Zoönotische Salmonella (pluimvee) 511 314 ‒ 197
Programma AI serologie, NCD, Mycoplasma en niet-zoönotische Salmonella (pluimvee) 1.334 1.353 19
Diagnostiek AI serologie (pluimvee) 1.025 1.040 15
Totaal bewaking van dierziekten 21.900 19.632 ‒ 2.268

De realisatie van bewaking dierziekten is in lijn met de begroting. Een deel van de facturen van de BSE monitoring worden in 2026 voldaan, daarom vallen de uitgaven 2025 lager uit.

2. Crisisparaatheid

Om in tijden van een crisis direct te kunnen reageren, heeft het ministerie van LVVN waakvlamcontracten afgesloten met bedrijven die apparatuur en mensen kunnen leveren die nodig zijn bij de bestrijding. Tevens zijn er vaccins op voorraad om de gevoelige dieren op nabijgelegen bedrijven van een besmet bedrijf te kunnen vaccineren tegen mond en klauwzeer (MKZ), klassieke varkenspest (KVP) en ziekte van Aujeszky (ZvA) (voorzieningen vaccinatie). Ook worden de kosten voor een calamiteitenreserve bij de destructor betaald uit het DGF.

De uitgaven crisisparaatheid en bestrijding van dierziekten zijn als volgt te specificeren:

Waakvlamcontracten 855 1.068 213
Crisiscapaciteit Rendac 1.431 1.335 ‒ 96
Vaccinbanken MKZ, KVP en ZvA 2.435 1.906 ‒ 529
Sectordeel High Containment Unit 3.066 2.734 ‒ 332
Totaal crisisparaatheid 7.787 7.043 ‒ 744

In 2025 is het exploitatietekort van de HCU lager uitgevallen dan begroot. Dit is een meevaller die ook voor 2026 wordt voorzien. Voor de vaccinbanken zijn de uitgaven lager dan begroot, maar dit heeft te maken met het betalingsritme. In 2025 is gebruik gemaakt van de MKZ-vaccinbank. Naar aanleiding van een MKZ-uitbraak in Duitsland is een bestelling geplaatst om 100.000 doses uit te leveren en in Nederland op voorraad te leggen (Kamerstuk 27 622, nr 151). Bij de MKZ-uitbraak later dat jaar in Slowakije en Hongarije heeft Nederland gehoor gegeven aan een hulpvraag vanuit de Slowaakse autoriteiten en 50.000 van deze doses gedoneerd aan Slowakije om in te zetten bij de bestrijding. De kosten van de donatie zijn gefinancierd vanuit het Diergezondheidsfonds en voor rekening van LVVN (Kamerstuk 27 622, nr 154).

3. Bestrijding van dierziekten

Streefwaarden

Zo snel en effectief mogelijk bestrijden van dierziekten.

Meldings- en aangifteplicht

In de Regeling diergezondheid zijn ziekten aangewezen die aangifteplichtig zijn. Als een veehouder of dierenarts dieren verdenkt van een aangifteplichtige ziekte, moet hij dit direct melden bij de NVWA. Ook een positieve test vanuit de bewaking moet direct worden gemeld bij de NVWA.

Verdenking en bestrijding

Nadat de NVWA een verdenking heeft ontvangen, gaat een deskundigenteam naar het betreffende bedrijf voor inspectie en monstername. Het monster wordt in het laboratorium van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) onderzocht. Deze High Containment Unit (HCU) is zodanig ontworpen dat ziekteverwekkers niet kunnen ontsnappen naar de buitenwereld.

Zodra een verdenking wordt bevestigd, start de bestrijding van deze ziekte. Door snel en accuraat in te grijpen wordt de kans dat de ziekte zich verder verspreid verkleind. Bij bepaalde ziekten worden de dieren op besmette bedrijven gedood en gedestrueerd. Het bedrijf wordt aansluitend gereinigd en ontsmet. Ook worden buurt- en contactbedrijven onderzocht. Om verspreiding te voorkomen worden dieren op deze bedrijven soms preventief gedood of gevaccineerd. Bestrijding vindt plaats volgens Europese bestrijdingsrichtlijnen welke verder zijn uitgewerkt in draaiboeken van de NVWA en het ministerie van LVVN. De bestrijding wordt aangestuurd vanuit het ministerie. De NVWA en de Welzijnscommissie Dierziekten zien toe op dierenwelzijn tijdens de bestrijding van dierziekten. In de post bestrijding zijn zowel de kosten die nodig zijn om de ziekte te bestrijden opgenomen, als ook een tegemoetkoming in de schade aan de houder van de dieren.

De posten verdenking en bestrijding vallen onder het plafond voor bestrijdingskosten.

Verdenkingen:
AI 410 934 524
Salmonella 103 ‒ 5 ‒ 108
Overige verdenkingen 662 1.919 1.257
Subtotaal Verdenkingen 1.175 2.848 1.673
Bestrijding:
Salmonella 2.000 1.118 ‒ 882
HPAI 862 9.999 9.137
Overige ziekten 78 78
Subtotaal Bestrijding 2.862 11.195 8.333
Totaal 4.037 14.043 10.006

In 2025 zijn de uitgaven voor verdenkingen hoger uitgevallen dan begroot. Deze stijging is voornamelijk het gevolg van de vele verdenkingsdiagnostiek voor blauwtong (BTV-3) in 2024, waarvoor in 2025 nog facturen zijn betaald. Daarnaast zijn er in 2025 naar aanleiding van de MKZ-uitbraken in Duitsland, Slowakije en Hongarije, en de uitbraken van Lumpy Skin Disease (LSD) in Frankrijk en Italië, bedrijven in Nederland gescreend die vanuit de getroffen regio’s recentelijk dieren hadden aangevoerd. De bestrijdingsuitgaven zijn in 2025 aanzienlijk hoger dan begroot, als gevolg van de HPAI-crisis. De uitgaven voor bestrijding zijn € 9,1 miljoen hoger dan begroot door de vele vogelgriepuitbraken in de laatste maanden van 2025. In totaal zijn in 2025 37 locaties met meer dan 50 stuks pluimvee en/of gehouden vogels de dieren besmet verklaard en zijn hier maatregelen genomen ter bestrijding. Van de uitbraken aan het eind van 2025 zullen ook in de eerste maanden van 2026 nog aanvullende facturen volgen.

4. Overig

Onder de post Overig vallen de uitgaven voor de Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa), de uitvoeringskosten van RVO, praktijkonderzoek van de Universiteit Utrecht naar de insleeproutes van HPAI op besmette bedrijven, praktijkonderzoek van de Gezondheidsdienst voor Dieren naar de kliniek bij blauwtongbesmette bedrijven, en de uitvoering door de Gezondheidsdienst voor Dieren met betrekking tot de helpdesk voor de paardensector en voorzitterschap in verschillende commissies. De uitgaven voor de SDa bedroegen in 2025 € 0,4 mln. De uitvoeringskosten voor RVO Heffingen zijn voor 2024 geraamd op circa € 1,1 mln. Hoewel de realisatie in lijn is met de begroting, moet de afrekening van de uitvoeringskosten nog plaatsvinden. Betaling vindt daarom plaats in 2026.

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten in het Diergezondheidsfonds bedroegen in 2025 € 57,5 mln. en zijn als volgt te specificeren:

Ontvangsten m.b.t. uitgaven 7.152 3.173 730 640 11.286 22.981
Crisisreserve 5.316 5.316
Bijdrage LVVN 12.638 12.638
Subtotaal 7.152 3.173 730 640 16.602 12.638 40.935
Toegerekende EU ontvangsten 131 783 14.238 15.152
Overige ontvangsten 180 1.009 5 61 201 1.456
Subtotaal 311 1.009 5 844 14.439 16.609
Totaal ontvangen in 2025 7.463 4.182 730 645 17.446 27.077 57.544

De begroting van het Diergezondheidsfonds wordt grotendeels door LVVN en de sectoren gedekt. Hiervoor betalen veehouders een diergezondheidsheffing per dier of ei, een bedrag dat is vastgelegd in het Besluit diergezondheid. De heffing bestaat uit een dekking ten behoeve van de reguliere uitgaven (ontvangsten met betrekking tot uitgaven), eventueel aangevuld met een bijdrage aan de crisisreserve en een verrekening van tekorten/overschotten uit voorgaande jaren welke zijn voorgeschoten door het rijk.

De ontvangsten uit de diergezondheidsheffing waren in 2025 in lijn met de begroting.

Voor een aantal monitorings- en bestrijdingsprogramma’s ontvangt het DGF een bijdrage vanuit de Europese Unie. In 2025 hebben de toegerekende EU ontvangsten betrekking op het BSE/TSE monitoringsprogramma (rund, schaap en geit), het salmonella programma en het monitoringsprogramma AI (beiden pluimvee) dit is een bedrag van € 1,1 mln. In 2025 is € 14,1 miljoen ontvangen van de EU inzake de dekking van bestrijdingskosten HPAI 2021, 2022 en 2023. Aangezien het bestrijdingsplafond van de pluimveesector in het convenant 2020-2024 met € 40,9 mln. is overschreden komen deze middelen ten goede aan het saldo van LVVN in het DGF.

De overige ontvangsten worden gevormd door inkomsten vanuit de eierverwerkende industrie: in geval van een salmonella besmetting bij een vermeerderaar worden de aanwezige eieren in opdracht van de NVWA afgevoerd, verhit en verwerkt. Daarnaast is er bij controles een factuur voor de BSE/TSE monitoring gecorrigeerd.

Daarnaast is een bedrag van € 1,0 mln. ontvangen vanuit de Stichting DGF Varkenssector. Deze stichting is in het verslagjaar geliquideerd, waarbij de resterende reserves zijn geschonken aan de varkenssector via het DGF. Dit bedrag wordt opgeteld bij het saldo van de varkenssector in het DGF en kan, aangezien de varkenssector haar beoogde crisisreserve in het DGF ook gevuld heeft, in komende jaren ingezet worden om de tarieven voor de varkenssector te beperken.

Toezicht en opsporing door de NVWA

Onderstaand overzicht geeft het aantal dierziekten verdenkingen weer die gemeld zijn bij het Nederlands Veterinair Incident- en Crisiscentrum (NVIC) van de NVWA. In de kolom Totaal staan het totaal aantal meldingen. De NVWA kan besluiten dat er naar aanleiding van de melding geen verdere actie nodig is (kolom Geen actie). In de kolommen Positief, Negatief en Volgt staan het aantal casussen waarbij laboratoriumonderzoek is gedaan en waarbij de ziekte is aangetoond (Positief), niet is aangetoond (Negatief) of waarbij de uitslag bij het samenstellen van dit verslag nog niet bekend was (Volgt). De kosten van dit onderzoek zijn opgenomen als verdenkingen in de tabel Realisatie bestrijding van dierziekten.

Afrikaanse Varkenspest / Klassieke Varkens Pest (Commercieel) 6 Varken 0 6 0 0
Afrikaanse Varkenspest / Klassieke Varkens Pest (Wildlife) 5 Wild Zwijn 0 5 0 0
Aujeszky 1 Varken 0 1 0 0
Aviaire Influenza (Commercieel/Poultry) 81 Eend/Kalkoen/Kip 31 50 0 0
Aviaire Influenza (Hobby/Captive <50) 43 Eend/Kalkoen/Kip/Vogels 3 5 0 35
Aviaire Influenza (Hobby/Captive >50) 7 Eend/Flamingo/Kip 6 1 0 1
Aviaire Influenza (Wild) 429 Vogels Wild 426 3 0 0
Aviaire Influenza (Zoogdier) 47 Das/Hond/Kat/Marter/Vos/Zeehond 9 37 0 1
Bluetongue 330 Geit/Rund/Schaap 308 20 0 0
Brucellose Abortus Bang 10 Rund 0 10 0 0
Brucellose Canis 7 Hond 1 2 0 4
Brucellose Melitensis 10 Schaap 0 10 0 0
Brucellose Ovis 1 Schaap 0 1 0 0
Brucellose Suis 27 Hond 0 27 0 0
Epizootische Haemorrhagische Ziekte 9 Rund 0 9 0 0
Leucose 23 Rund 0 23 0 0
Lumpy Skin Disease 19 Rund 0 19 0 0
Miltvuur 2 Rund 0 2 0 0
Mond- en Klauwzeer 141 Rund/Schaap/Varken 0 141 0 0
Mycoplasma mycoides 1 Rund 0 1 0 0
Newcastle Disease 4 Duif 4 0 0 0
PRRS 6 Varken 4 2 0 0
Psittacose Dier 7 Vogels 7 0 0 0
Q-Koorts Dier 1 Rendier 1 0 0 0
Q-Koorts Tankmelk 1 Geit 0 1 0 0
Rabies Vleermuis Geen Contact Humaan 6 Vleermuis 5 1 0 0
Rabies Zoogdier Geen Contact Humaan 17 Das/Hond/Kat/Vos 0 17 0 0
Salmonella Zoönotisch Pluimvee (Leg) 65 Kip 56 2 0 7
Salmonella Zoönotisch Pluimvee (Opfok Leg) 9 Kip 2 2 0 5
Salmonella Zoönotisch Pluimvee (Opfok/Vermeerdering) 11 Kip 11 0 0 0
Salmonella Zoönotisch Pluimvee (Overig) 1 Kip 0 0 0 1
Salmonella Zoönotisch Pluimvee (Vlees) 230 Kip/Kalkoen 212 0 0 21
Tuberculose (Rund/Schaap) 13 Rund 0 13 0 0
Tularemie 5 Bever/Haas 2 3 0 0
1.575 1.088 414 0 75
Campylobacter 2 Rund 2 0 0 0
Chlamydia abortus 1 Geit 0 0 0 1
Chlamydia Felis 2 Kat 0 0 0 2
Hantavirus 1 Knaagdier 0 0 0 1
Koepokken 1 Kat 0 0 0 1
Leptospirose 4 Hond/Rund/Vos 2 0 0 2
Listeriose 4 Geit/Rund/Schaap 4 0 0 0
Psittacose Humaan 45 Vogels 9 4 0 32
Q-Koorts Humaan 1 Schaap 0 0 0 1
Rabies Vleermuis Contact Humaan 16 Vleermuis 2 13 0 1
Rabies Zoogdier Contact Humaan 11 Hond/Kat/Vos 0 9 0 2
Salmonellose 54 Rund/Paard 54 0 0 0
STEC 1 Geit 1 0 0 0
Toxoplasmose 2 Aap/Geit 0 0 0 2
West Nile Virus (Zoogdier) 1 Zoogdier 0 0 0 1
Yersiniose 2 Rund 2 0 0 0
Zoonosen bronopsporing 1 Rund 0 0 0 1
149 76 26 0 47
Contagious Equine Metritis 1 Paard 1 0 0 0
Dourine 3 Paard 0 3 0 0
Equine Infectieuze Anemie 4 Paard 1 3 0 0
Equine Virale Arteritis 90 Paard 89 1 0 0
Trypanosoma evansi (Surra) 1 Paard 0 1 0 0
West Nile Virus (Paard) 13 Paard 4 9 0 0
112 95 17 0 0
Koi Herpes Virus 2 Vis 1 1 0 0
2 1 1 0 0
Botulisme 2 Eend 0 0 0 2
Brucellose Ceti 1 Walvis 0 1 0 0
Tuberculose (Overig) 14 Aap,Bruinvis,Geit,Kameel,Kat,Leeuw,Nijlpaard,Olifant en Wild zwijn 0 14 0 0
17 0 15 0 2
Hoogstede 1 0 0 0 1
Idsegahuizum I 5 0 5 0 0
Idsegahuizum II 2 0 2 0 0
Sint-Gilles Waas (BE) 0 0 0 0 0
Sint-Gilles Waas II (BE) 0 0 0 0 0
Putten 14 0 14 0 0
Gasseltenijveenschemond 7 0 7 0 0
Dodewaard 8 0 8 0 0
Rees (DE) 0 0 0 0 0
Hummelo 1 0 1 0 0
Ravels (BE) 0 0 0 0 0
Toldijk (Gld) 1 0 1 0 0
Steenderen (Gld) 0 0 0 0 0
Emmeloord 2 0 2 0 0
Drogeham I 5 0 5 0 0
De Steeg 0 0 0 0 0
Swifterbant 1 0 1 0 0
Bennekom 24 0 19 0 5
Assendelft 1 0 1 0 0
Drogeham II 4 0 4 0 0
Opende 3 0 3 0 0
Terschuur 14 0 14 0 0
Geldern (DE) 0 0 0 0 0
Goch (DE) 0 0 0 0 0
Kevelaer (DE) 0 0 0 0 0
Dilsen-Stokkern (BE) 0 0 0 0 0
Terhole 1 0 1 0 0
Kleve_I (DE) 0 0 0 0 0
Streefkerk 1 0 1 0 0
Kinrooi (BE) 4 0 4 0 0
Pelt (BE) 0 0 0 0 0
Holwierde 4 0 3 0 1
Terschuur II 19 0 17 0 2
Goch II (DE) 0 0 0 0 0
Helden 2 0 2 0 0
Tienray 13 0 12 0 1
Bornerbroek 5 0 4 0 1
Nijmegen 1 0 1 0 0
Kleve_II (DE) 0 0 0 0 0
Zeewolde 7 0 6 0 1
Kleve_III (DE) 0 0 0 0 0
Hierden 3 0 3 0 0
Nijkerk Gld 6 0 4 0 2
Weert 10 0 10 0 0
Dalen 2 0 2 0 0
Ermelo 5 0 5 0 0
Uitwijk 4 0 4 0 0
Kleve_IV (DE) 1 0 1 0 0
Ysselsteyn_I 13 0 11 0 2
Veulen 4 0 3 0 1
Ysselsteyn_II 1 0 1 0 0
Deurne 6 0 4 0 2
Ysselsteyn_III 5 0 4 0 1
210 0 190 0 20
Totaal Casussen (incl. Tabel HPAI poultry) 2.065 1.260 663 0 144

13. Bedrijfsvoeringsparagraaf Diergezondheidsfonds

In de bedrijfsvoeringparagraaf (BVP) wordt verslag gedaan van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering. De informatie opgenomen in de BVP is tot stand gekomen vanuit het departementale management control systeem en informatie uit audits van de Auditdienst Rijk (ADR). Deze bedrijfsvoeringparagraaf omvat drie onderdelen:

  1. Uitzonderingsrapportage voor: (a) rechtmatigheid, (b) totstandkoming niet-financiële verantwoordinginformatie, (c) begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering, (d) misbruik en oneigenlijk gebruik, (e) overige aspecten van de bedrijfsvoering en (f) fraude- en corruptierisico's.
  2. Rijksbrede bedrijfsvoeringonderwerpen
  3. Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering.

1. Uitzonderingsrapportage

a. Rechtmatigheid

Vanuit de bij DGF bekende informatie zijn er geen fouten in de rechtmatigheid van de verantwoordingsinformatie die gerapporteerd moeten worden.

b. Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Vanuit de bij DGF bekende informatie zijn er geen tekortkomingen in de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie die gerapporteerd moeten worden.

c. Begrotingsbeheer, financieel beheer en materiële bedrijfsvoering

Voor dit onderdeel wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf van het moederdepartement.

d. Misbruik en oneigenlijk gebruik

De kans op misbruik en oneigenlijk gebruik zijn bij het DGF zeer gering. Er zijn over 2025 geen bijzonderheden te melden voor het DGF.

e. Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Voor dit onderdeel wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf van het moederdepartement.

f. Fraude en corruptierisico’s

Er zijn binnen het DGF beheersmaatregelen genomen om het risico op fraude of corruptie tegen te gaan. Er zijn over 2025 geen bijzonderheden te melden voor het DGF.

2. Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Voor deze paragraaf wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf van het moederdepartement.

3. Belangrijkste ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Voor deze paragraaf wordt verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf van het moederdepartement.

14. Jaarrekening Diergezondheidsfonds

Omschrijving Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten Verplichtingen Uitgaven Ontvangsten
Art 1. Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijns-problemen 36.389 36.389 54.437 50.442 42.953 57.543 14.053 6.564 3.106
Subtotaal 36.389 36.389 54.437 50.442 42.953 57.543 14.053 6.564 3.106
Voordelig eindsaldo t/m 2024 (Incl. crisisreserve) 23.129 23.129
Subtotaal 36.389 36.389 54.437 50.442 42.953 80.672 14.053 6.564 26.235
Opgebouwde crisisreserve t/m 2025 ‒ 7.498 ‒ 7.498
Voordelig eindsaldo t/m 2025 ‒ 30.221 ‒ 30.221
Totaal 36.389 36.389 54.437 50.442 42.953 42.953 14.053 6.564 ‒ 11.484

Toelichting

Ultimo 2025 bedraagt het fondssaldo van het DGF € 30,2 mln. Ten opzichte van 2024 is dit een toename van € 14,6 mln. Deze stijging is het gevolg van een positief exploitatieresultaat, waarbij de ontvangsten € 14,6 mln. hoger waren dan de uitgaven. Dit positieve resultaat is voornamelijk toe te schrijven aan de in 2025 ontvangen EU-cofinanciering voor de HPAI-uitbraken in 2021, 2022 en 2023.

15. Saldibalans Diergezondheidsfonds

Bedragen x € 1.000 31-12-2025 31-12-2024 31-12-2025 31-12-2024
Intra-comptabele posten
1) Uitgaven ten laste van de begroting 42.954 34.921 2) Ontvangsten ten gunste van de begroting 57.543 30.377
2a. Saldo uitgaven / middelen voorgaande dienstjaren 23.129 27.673
2b. Correctie saldo
uitgaven / middelen voorgaande dienstjaren
3) Liquide middelen
4) Rekening courant Rijkshoofdboekhouding 37.707 23.129 4a) Rekening courant Rijkshoofdboek-houding
5) Rekening courant RHB Begrotingsreserve 5a) Begrotingsreserves
6) Vorderingen buiten begrotingsverband 13 7) Schulden buiten begrotingsverband 2
8) Kas-transverschillen
Subtotaal intra-comptabel 80.674 58.050 Subtotaal intra-comptabel 80.674 58.050
Extra-comptabele posten
9) Openstaande rechten 9a) Tegenrekening openstaande rechten
10) Vorderingen 12.460 843 10a) Tegenrekening vorderingen 12.460 843
11a) Tegenrekeningschulden 11) Schulden
12) Voorschotten 38.748 31.471 12a) Tegenrekening voorschotten 38.748 31.471
13a) Tegenrekening garantieverplichtingen 13) Garantieverplichtingen
14a) Tegenrekening andere verplichtingen 14.557 8.940 14) Andere verplichtingen 14.557 8.940
15) Deelnemingen 15a) Tegenrekening deelnemingen
Subtotaal extra-comptabel 65.765 41.254 Subtotaal extra-comptabel 65.765 41.254
Totaal 146.439 99.304 Totaal 146.439 99.304

Toelichting op de saldibalans

Balanspost 1 - Uitgaven ten laste van de begroting

De op deze post verantwoorde uitgaven sluiten aan op de uitgaven zoals opgenomen in de verantwoordingsstaat, onderdeel uitgaven en verplichtingen, over het jaar 2025.

Balanspost 2 - Ontvangsten ten gunste van de begroting

De op deze post verantwoorde inkomsten bevatten de inkomsten overgenomen in de verantwoordingsstaat, onderdeel ontvangsten, over het jaar 2025.

Balanspost 2a - Saldo uitgaven / middelen voorgaande dienstjaren

Deze post komt overeen met het voordelig eindsaldo 2024.

Balanspost 4 - Rekening–courant Rijkshoofdboekhouding

Deze post geeft het tegoed weer dat het DGF heeft bij het Ministerie van Financiën. Het saldo RHB sluit aan op de saldobiljet RHB.

Balanspost 6 - Vorderingen buiten begrotingsverband

Deze post betreft intercompany vorderingen van het DGF op het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en het ministerie van Economische Zaken (EZ).

Ultimo 2025 zijn binnen de kasadministratie van LVVN en EZ ontvangsten gerealiseerd die toekomen aan het DGF. Deze bedragen zijn door RVO administratief verwerkt in de financiële administratie van het DGF en als opbrengst verantwoord. De feitelijke kasoverboeking heeft per balansdatum nog niet plaatsgevonden en wordt in 2026 geëffectueerd.

De post vertegenwoordigt daarmee het nog te ontvangen kasbedrag uit hoofde van reeds verwerkte opbrengsten.

Balanspost 7 - Schulden buiten begrotingsverband

Deze post betreft per 31 december 2025 aanwezige kassaldi die tijdelijk op tussenrekeningen zijn verantwoord en niet toekomen aan het DGF.

Het betreft met name bedragen op rekeningen voor overige schulden, betalingen onderweg en afrondingsverschillen. Deze bedragen hebben een tijdelijk karakter en worden begin 2026 afgewikkeld. Ten onrechte of onverschuldigd ontvangen bedragen worden terugbetaald aan de betreffende betalers. Afrondingsverschillen worden afgedragen aan RVO Apparaat.

De post heeft derhalve een kortlopend en administratief karakter.

Balanspost 9 en 9a – Openstaande rechten en Tegenrekening openstaande rechten

Het DGF beschikt ultimo boekjaar niet over onvoorwaardelijke rechten die op de balans kunnen worden opgenomen. De voorwaardelijke rechten worden daarom hieronder afzonderlijk toegelicht.

Niet uit de balans blijkende bestuurlijke rechten

De maximale bijdrage (plafondbedrag) is contractueel vastgelegd in het Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025–2029 en vertegenwoordigt voor het DGF de maximaal te ontvangen dekking van de sectoren. Per sector geldt een totaalplafond, waarbinnen een afzonderlijk deelplafond voor bestrijdingskosten is opgenomen. Het beschikbare plafond wordt jaarlijks verminderd met de aan de sector toegerekende uitgaven. Het saldo ultimo boekjaar betreft het resterende bedrag dat op de sectoren kan worden verhaald.

De resterende niet uit de balans blijkende rechten per 31 december 2025 zijn als volgt:

  1. Totaalplafond convenant 2025–2029: € 323,6 mln.
  2. Toegerekende uitgaven: -/- € 31,1 mln.
  3. Resterend plafond totaal: € 292,5 mln.
  1. Deelplafond bestrijdingskosten: € 208,9 mln.
  2. Toegerekende uitgaven bestrijdingskosten: -/- € 13,3 mln.
  3. Resterend plafond bestrijdingskosten: € 195,6 mln.

In het huidige convenant wordt geen indexatie toegepast.

Balanspost 10 en 10a - Vorderingen en Tegenrekeningen vorderingen

Deze posten betreffen de per 31 december 2025 openstaande vorderingen van het Diergezondheidsfonds (DGF).

De vorderingen hebben met name betrekking op een nog te ontvangen bijdrage van de Europese Commissie inzake de bestrijding van HPAI in de uitbraakjaren 2021–2022. De totale toegekende bijdrage bedraagt € 23,0 mln., waarvan 60% reeds is ontvangen. Het resterende deel (40%), zijnde € 9,2 mln., staat per balansdatum nog open. Daarnaast zijn in deze post de aan de pluimveesector opgelegde heffingen over de maanden september en oktober 2025 opgenomen. Deze heffingen zijn op 16 december 2025 gefactureerd, waarvan per 31 december 2025 nog € 3,0 mln. openstaat.

De openstaande vorderingen zijn als volgt gespecificeerd:

  1. Europese Commissie (HPAI 2021–2022): € 9,2 mln.
  2. Pluimveeheffingen september–oktober 2025: € 3,0 mln.
  3. Heffingsvorderingen ouder dan 1 jaar: € 0,1 mln.
  4. Overige heffingsvorderingen jonger dan 1 jaar: € 0,1 mln.
  5. Totaal openstaand per 31 december 2025: € 12,5 mln.

Balanspost 12 en 12a - Voorschotten en Tegenrekening voorschotten

Deze posten betreffen de door het DGF verstrekte voorschotten waarvoor per balansdatum nog geen definitieve afrekening heeft plaatsgevonden. Onderstaand overzicht geeft de mutaties in de voorschotten gedurende het boekjaar 2025 weer:

Mutaties voorschotten 2025:

  1. Stand per 1 januari 2025: € 31,5 mln.
  2. Verstrekte voorschotten: € 25,0 mln.
  3. Afgewikkelde voorschotten: € 17,8 mln.
  4. Stand per 31 december 2025: € 38,7 mln.

De openstaande voorschotten per 31 december 2025 zijn als volgt te specificeren:

  1. Ouder dan 1 jaar: € 16,0 mln.
  2. Jonger dan 1 jaar: € 22,7 mln.

Balanspost 13 en 13a – Garantieverplichtingen en Tegenrekening garantieverplichtingen

Gedurende de convenantperiode 2020–2024 zijn deze balansposten gehanteerd ter weergave van de maximale bijdrage van de sectoren aan het DGF over de resterende convenantperiode. Met ingang van de convenantperiode 2025–2029 wordt dit recht niet langer als balanspost verantwoord, maar opgenomen onder de niet uit de balans blijkende rechten, aangezien sprake is van een voorwaardelijk vorderingsrecht.

Balanspost 14 en 14a - Andere verplichtingen en Tegenrekening andere verplichtingen

Deze posten betreffen de per balansdatum aangegane, maar nog niet tot betaling gekomen, verplichtingen van het DGF. Onderstaand overzicht geeft de mutaties in de verplichtingen gedurende het boekjaar 2025 weer:

Afwikkeling verplichtingen in 2025:

  1. Openstaande verplichtingen per 1 januari 2025: € 8,9 mln.
  2. Aangegane verplichtingen: € 50,4 mln.
  3. Betalingen (uitgaven): -/- € 42,9 mln.
  4. Intrekkingen: -/- € 1,8 mln.
  5. Openstaande verplichtingen per 31 december 2025: € 14,6 mln.

Stelselwijziging garantieverplichtingen

Met ingang van boekjaar 2025 is de post garantieverplichtingen niet meer verantwoord op de saldibalans maar opgenomen in het jaarverslag. Deze post geeft aan hoeveel het DGF maximaal in rekening kan brengen bij de sectoren ter dekking van de uitgaven in de periode 2025-2029. Deze zogenaamde plafondbedragen zijn vastgelegd in het convenant 2025-2029. De reden dat deze post niet meer op de saldibalans is opgenomen is dat er feitelijk geen sprake is van een garantieverplichting van het DGF maar van toekomstige ontvangsten waarvan de omvang afhankelijk is van de uitgaven die gedekt moeten worden door de heffingen.

Niet uit de balans blijkende bestuurlijke verplichtingen

De belangrijkste activiteiten van het DGF worden uitgevoerd onder de wettelijke taak. Deze wettelijke taken zijn in beginsel eeuwigdurende verplichtingen die voor een belangrijk deel worden uitgevoerd door de Royal Gezondheidsdienst Dieren, Universiteit Wageningen en Rendac. De totale jaarlijkse verplichting van deze wettelijke taken bedraagt circa € 30,0 mln. per jaar.

E. Bijlagen

Bijlage 1: Toezichtrelaties rwt's en zbo's

Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) nvt nvt
Raad voor Plantenrassen 1.503 1.282
Centrale Commissie voor Dierproeven (CCD) 2.522 0
College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb) 1.828 4.497
Staatsbosbeheer 32.294 35.877
Wageningen Research 136.047 134.384
Kwaliteits Controle Bureau (KCB) 800 1.844
Stichting Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) 439 250
Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) 0 0
Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD) 0 0
Stichting Skal 9.725 8.729
Stichting Controleorgaan voor Kwaliteitszaken (COKZ) 433 566
Bureau Beheer Landbouwgronden nvt nvt nvt nvt
Rendac BV nvt nvt nvt nvt
Stichting Groene Erkenningen nvt nvt 0 54 (IW)
Grondkamers nvt nvt nvt nvt
Kamer voor de Binnenvisserij nvt nvt nvt nvt
  1. De begrote bedragen zijn conform de bedragen in de budgettaire tabellen bij de beleidsartikelen. De begrote bedragen in bijlage 1 ZBO's en RWT's bij de Ontwerpbegroting 2025 zijn abusievelijk verkeerd weergegeven.

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

Doelstelling: Versterken concurrentiekracht duurzame agroketens
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Tussenevaluatie vermogensversterkende kredieten Ex durante 2024 Afgerond Artikel 21, 24 2024Z05630&did=2024D13015">Kamerstuk 30252, nr. 166
Landbouwvrijstelling Ex durante 2024 Afgerond Artikel 21, 24 2024Z04676&did=2024D10897">Kamerstuk 36418, nr. 137
Brede weersverzekering Ex durante/fiscaal 2024 Afgerond Artikel 21, 24 2024Z12404&did=2024D29973">Kamerstuk 36410-XIV, nr. 102
Wet oneerlijke handelspraktijken Ex post 2025 Afgerond Artikel 21, 24 2025D31188&did=2025D31188">Kamerstuk 35642, nr.7
Borgstelling MKB-Landbouwkredieten Ex post 2025 Afgerond Artikel 21, 24 2025Z03013&did=2025D06868">Kamerstuk 32637, nr. 666
MEI/EG regelingen glastuinbouw Ex post 2025 In uitvoering1 Artikel 21, 24
Doelstelling: Borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Actieplan voedselveiligheid Ex post 2022 Afgerond Artikel 21, 24 Kamerstuk 26991, nr. 581
Voedselagenda Ex post 2022 Afgerond Artikel 21, 24 2022Z05998&did=2022D12292">Kamerstuk 31532, nr. 271
NVWA Agentschapsdoorlichting 2024 Afgerond Artikel 21, 24 Kamerstuk 33835, nr. 233
Doelstelling: Verduurzaming productie en consumptie
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Nationaal programma landbouwbodems Ex durante 2022 Afgerond Artikel 21, 24 2022Z05703&did=2022D11657">Kamerstuk 35925-XIV, nr. 100
Investeringsfonds duurzame landbouw Ex ante 2022 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z12953&did=2023D30896">Kamerstuk 30252, nr. 125
College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden Ex post 2022 Afgerond Artikel 21, 24 2022Z24085&did=2022D51826">Kamerstuk 27858, nr. 601
Subsidieregeling sanering varkenshouderijen Ex post 2023 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z12741&did=2023D30420">Kamerstuk 28973, nr. 253
Wet gewasbescherming en biociden Ex post 2025 Afgerond Artikel 21, 24 2026Z01675&did=2026D03995">Kamerstuk 35756, nr. 29
Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) Ex post 2025 Afgerond Artikel 21, 24 2025Z16367&did=2025D37858">Kamerstuk 28973, nr. 281
Tussentijdse evaluatie Integraal Aanpakken Ex durante 2025 In uitvoering2 Artikel 21, 24
Doelstelling: Bevorderen plantgezondheid
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Handhavingsinstrumentarium Keuringsdiensten binnen de Zaaizaad en plantgoedwet Ex post 2022 Afgerond Artikel 21, 24 2022Z24081&did=2022D51816">Kamerstuk 36200-XIV, nr. 116
Plantaardige en biologische keuringsdiensten (NAK, Naktuinbouw, BKD, KCB, SKAL) Ex post 2023 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z20964&did=2023D51452">Kamerstuk 25268, nr. 221
Raad voor Plantenrassen Ex post 2023 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z20964&did=2023D51452">Kamerstuk 25268, nr. 221
Staat van plantgezondheid Brede analyse 2024 Afgerond Artikel 21, 24 2024Z07938&did=2024D18383">Kamerstuk 27858, nr. 653
Skal biocontrole Ex post 2024 Afgerond Artikel 21, 24 2025Z03746&did=2025D08549">Kamerstuk 25268, nr. 234
Doelstelling: Bevorderen diergezondheid
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Evaluatie van de vogelgriepuitbraken in het seizoen 2020/2021/2022 Ex post 2023 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z06970&did=2023D16424">Kamerstuk 29683, nr. 274
Doelstelling: Bevorderen dierenwelzijn
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Nationaal comité advies dierproevenbeleid Ex post 2022 Afgerond Artikel 21, 24 2022Z07575&did=2022D15330">Kamerstuk 32336, nr. 124
Stelselevaluatie vergunningsproces voor proefdieronderzoek Ex post 2023 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z01355&did=2023D03184">Kamerstuk 32336, nr. 143
Effecten van de bestuurlijke boete Wet dieren in de praktijk Ex post 2023 Afgerond Artikel 21, 24 2023Z09364&did=2023D22452">Kamerstuk 28286, nr. 1294
Overige onderzoeken (onder andere fiscale regelingen)
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Brede evaluatie van het verlaagde btw-tarief (incl. sierteelt) Fiscaal 2023 Afgerond N.v.t. 2023Z06374&did=2023D15146">Kamerstuk 32140, nr. 151
Brede evaluatie fiscale regelingen Bos/Natuur/Cultuur Fiscaal 2025 In uitvoering2 N.v.t.
  1. De evaluatie wordt momenteel uitgevoerd en in 2026 met de Kamer gedeeld.
  2. De evaluatie is zo goed als afgerond en wordt begin 2026 met de Kamer gedeeld.

Toelichting: in 2025 afgeronde evaluaties

Wet oneerlijke handelspraktijken

In 2025 heeft onderzoeksbureau Ecorys de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (hierna: Wet OHP) geëvalueerd. De evaluatie had als doel inzicht te geven in de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wet OHP sinds de inwerkingtreding van de Wet in 2021. Uit de evaluatie is naar voren gekomen dat de Wet OHP doeltreffend en doelmatig is, met een normerende en preventieve werking. Het is voor leveranciers en afnemers in de keten duidelijker dan voorheen wat wel en wat niet is toegestaan en contractwijzigingen zijn waargenomen na invoering van de Wet. Aandachtspunt is de bekendheid van de wet en de terughoudendheid van partijen om zich te melden omdat ze verwachten dat het doen van een melding de relatie met een afnemer schaadt en omzet kan kosten. Geadviseerd wordt verder om het instrument te continueren en geen aanpassingen te doen aan de lijst van overtredingen en de uitvoeringsstructuur met de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Geschillencommissie in stand te houden.

Borgstelling MKB-Landbouwkredieten

In opdracht van het ministerie van LVVN evalueerde Ecorys in samenwerking met Wageningen Economic Research de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Borgstelling MKB-landbouwkredieten (BL). Het rapport werd opgeleverd in december 2024 en is op 18 februari 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden. De onderzoekers concluderen dat de doeltreffendheid van BL de laatste jaren afneemt, omdat zekerhedentekort zelden het knelpunt vormt bij kredietverstrekking. Tevens blijken de modules onder de BL met specifieke doelen minder doeltreffend dan verwacht, met uitzondering van de module BL-Corona. Met betrekking tot de doelmatigheid concluderen de onderzoekers dat de BL een zeer efficiënt instrument is omdat banken een groot deel van de afhandeling doen. Naast deze hoofdconclusies van het onderzoek doen de onderzoekers nog een aantal aanbevelingen. Zo wordt aanbevolen om geen modules meer onder de BL in te zetten. Naar aanleiding van de evaluatie is de borgstellingsregeling per 1 januari 2026 vereenvoudigd. Hierbij is het maximale borgstellingskrediet behouden en is de BL met de sectoren visserij en aquacultuur als doelgroep uitgebreid tot Borgstelling MKB Landbouw- en Visserijkredieten (BLV).

Wet gewasbescherming en biociden

In 2025 evalueerde Bureau Kwink de doeltreffendheid en effecten van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), zoals voorgeschreven in artikel 138 van de wet. De evaluatie richtte zich op toezicht, (de hoogte van) bestuurlijke boetes, algemeen verbindend verklaring, beleidsontwikkeling en de complexiteit van de regelgeving. De onderzoekers beoordelen de Wgb als voldoende doeltreffend, maar signaleren uitdagingen zoals versnippering van toezichtstaken over meerdere instanties en lage naleving van regels door professionele gebruikers. De minister en staatssecretaris concluderen op basis van de evaluatie dat er geen aanleiding is voor aanpassingen van de Wgb, maar dat de aanbevelingen voor verbetering opvolging behoeven. Zo wordt, om het toezicht op de naleving te verbeteren, ingezet op betere samenwerking tussen toezichthouders. Ook wordt door de NVWA met een brede aanpak van acties ingezet op verhoging van de naleving. Om kennisontwikkeling en toepassing van geïntegreerde gewasbescherming te versnellen, wordt door LVVN onder andere ingezet op het ontwikkelen van een benchmarkingssysteem voor telers en adviseurs. Daarnaast zal LVVN de Europese Commissie om verduidelijking vragen over het reclameverbod voor online aanprijzing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, vooral bij onduidelijke claims. Ten slotte zet LVVN samen met IenW er voortvarend op in om de waterkwaliteit te verbeteren.

Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen

In 2025 heeft Dialogic in samenwerking met CLM een evaluatie uitgevoerd naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregeling Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). Onder de Sbv vallen twee modules; de investerings- en innovatiemodule. De investeringsmodule werd beoordeeld als doeltreffend en doelmatig, waarbij de doelmatigheid lastig valt te kwantificeren. De innovatiemodule kon niet worden beoordeeld op doeltreffendheid en doelmatigheid, dit kwam omdat er te weinig afgeronde projecten waren ten tijde van de evaluatie. De Sbv werd beschouwd als een relatief uniek instrument gezien het zowel innovatie- als investeringsprojecten stimuleert en er ook een samenhang zit tussen beide modules. In de evaluatie worden een aantal aanbevelingen gedaan, deze worden zo goed mogelijk meegenomen in toekomstige beleidsvorming.

Doelstelling: Zorgen voor de instandhouding van biodiversiteit
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Nationale parken Ex post 2022 Afgerond Artikel 22, 24 2022Z13977&did=2022D28854">Kamerstuk 33576, nr. 320
Evaluatie implementatie exotenverordening Ex post 2022 Afgerond Artikel 22, 24 2022Z19588&did=2022D41953">Kamerstuk 33576, nr. 325
Natuurpact Lerende evaluatie 2023 Afgerond Artikel 22, 24 2024Z00899&did=2024D02135">Kamerstuk 33576, nr. 364
WOT Natuur en Milieu Ex post 2023 Afgerond Artikel 22, 24 2023Z12740&did=2023D30411">Kamerstuk 36200-XIV, nr. 125
Staatsbosbeheer Ex post 2023 Afgerond Artikel 22, 24 2023Z16447&did=2023D40071">Kamerstuk 29659, nr. 158
Voortgangsrapportage Natuur Ex post 2024 Afgerond Artikel 22, 24 2024Z21994&did=2024D51878">Kamerstuk 33576, nr. 416
Beheerautoriteit Waddenzee Ex durante 2024 Afgerond Artikel 22, 24 2025Z01824&did=2025D04191">Kamerstuk 29684, nr. 279
Evaluatie Houtopstanden Ex post 2024 Afgerond Artikel 22, 24 2024Z12685&did=2024D30923">Kamerstuk 33576, nr. 389
Aanpak Natuurlijk kapitaal Ex post 2025 Afgerond Artikel 22, 24 2025Z18614&did=2025D43253">Kamerstuk 33576, nr. 467
Ecologische evaluatie Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Ex post 2025 Afgerond Artikel 22, 24 2025Z05527&did=2025D12721">Kamerstuk 33576, nr. 420
Natuurbeleids- en koraal actieplan Caribisch Nederland 2020–2030 Lerende evaluatie 2025 Afgerond Artikel 22, 24 2025Z14411&did=2025D32943">Kamerstuk 33576, nr. 461
Natuurschoonwet Ex post 2025 In uitvoering1 Artikel 22, 24
Doelstelling: De regie voeren over de instandhouding van de kwaliteit van het landelijk gebied en een vitale regio
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Tussenevaluatie RTLG Ex durante 2024 Afgerond Artikel 21, 22 Rapport tussenevaluatie RTLG
Ex ante evaluatie NPLG Ex ante 2024 Afgerond Artikel 21, 22 2024Z02914&did=2024D06693">Kamerstuk 34682, nr. 187
Overige onderzoeken (onder andere fiscale regelingen)
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Brede evaluatie fiscale regelingen Bos/Natuur/Cultuur Fiscaal 2025 In uitvoering2 N.v.t.
  1. De evaluatie wordt momenteel uitgevoerd en in 2026 met de Kamer gedeeld.
  2. De evaluatie is zo goed als afgerond en wordt begin 2026 met de Kamer gedeeld.

Toelichting: in 2025 afgeronde evaluaties

Aanpak Natuurlijk Kapitaal

In 2025 evalueerde SEO Economisch Onderzoek en NewForesight het begrotingsinstrument Natuurlijk kapitaal en Vergroenen Financiële Sector voor de periode 2017-2023. Het doel van dit instrument is om de impact, afhankelijkheden en risico’s rondom biodiversiteitsverlies en ecosysteemdiensten zichtbaar te maken en een plek te geven in de besluitvorming en verantwoording van bedrijven, financiële instellingen en overheden. In de evaluatie is dit instrument is beoordeeld als overwegend doeltreffend en doelmatig. De onderzoekers concluderen dat structurele verankering van natuur in besluitvorming en bedrijfsvoering nog beperkt plaatsvindt en om dit verder te brengen zijn onder andere beleidskaders, standaardisering en economische prikkels nodig. Geadviseerd wordt om de activiteiten voort te zetten en de inzet hierop te versterken door middel van het opzetten van een integraal programma met monitoring en samenwerking met andere ministeries.

Ecologische evaluatie Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

In 2025 is de ecologische evaluatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) opgeleverd. Uit de evaluatie blijkt dat er sprake is van een positieve relatie tussen het aandeel van een gebied dat uit zware ANLb-beheerpakketten bestaat en de trends van daar in voorkomende weide- en akkervogels: hoe groter het gebiedsaandeel zware beheerpakketten, hoe positiever de trends van de weide- en akkervogels. Voorbeelden van zware beheerpakketten zijn o.a. plasdras, kruidenrijk grasland, uitgesteld maaien. De ecologische evaluatie constateert tegelijkertijd dat het benodigde gemiddelde aandeel aaneengesloten zwaar beheer in een gebied om te zorgen voor een stabiele trend van weidevogels, nog te laag is. Daarom wordt momenteel in gebieden met ANLb gemiddeld genomen de afname van weide- en akkervogels (slechts) afgeremd ten opzichte van nog snellere afnames in gebieden zonder ANLb.

Natuurbeleids- en koraal actieplan Caribisch Nederland 2020-2030

In 2025 is het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP CN 2020-2030) tussentijds geëvalueerd door adviesbureau TwynstraGudde. In de evaluatie is de voortgang, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid van het beleid in de periode 2020–2024 onderzocht. De evaluatie laat zien dat belangrijke stappen zijn gezet op het gebied van natuurbeheer, koraalherstel, waterkwaliteit en kennisontwikkeling, maar dat de doeltreffendheid van het beleid wordt beperkt door structurele knelpunten in financiering, capaciteit en governance. Met name de beperkte uitvoeringscapaciteit op de eilanden en de versnippering van verantwoordelijkheden belemmeren een effectieve implementatie, terwijl structurele monitoring en data-uitwisseling onvoldoende zijn ingericht. Geadviseerd wordt om te investeren in structurele financiering, versterking van lokale uitvoeringsorganisaties en verbetering van de bestuurlijke samenwerking. Deze aanbevelingen vormen de basis voor bijsturing van het beleid in fase 2 (2025-2030).

Doelstelling: Streven naar een duurzame en economisch rendabele visserijsector
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Evaluatie WOT Visserij onderzoek Ex durante 2023 Afgerond Artikel 22, 23 2023Z12740&did=2023D30411">Kamerstuk 36200-XIV, nr. 125
Eindevaluatie EFMZV Ex post 2024 Afgerond Artikel 22, 24 2024Z21610&did=2024D51004">Kamerstuk 29675, nr. 1689
Noordzeeakkoord Ex durante 2024 Afgerond Artikel 22, 24 Evaluatie Noordzeeakkoord en Transitiefonds
Beheerautoriteit Waddenzee Ex durante 2024 Afgerond Artikel 22, 24 2025Z01824&did=2025D04191">Kamerstuk 29684, nr. 279
Visserij Innovatie Netwerk Ex durante 2024 Afgerond Artikel 22, 24 2024Z11365&did=2024D27167">Kamerstuk 29675, nr. 230
Evaluatie EMFAF Ex durante 2025 Afgerond Artikel 22, 24 2025Z11024&did=2025D25221">Kamerstuk 29675, nr. 1706
Review Visserij Ontwikkel Plan Ex post 2025 In uitvoering1 Artikel 22, 24
Brexit Adjustment Reserve Ex post 2025 In uitvoering2 Artikel 22, 24
  1. Dit betreft een interne evaluatie en wordt niet met de Kamer gedeeld.
  2. De evaluatie wordt momenteel uitgevoerd en in 2026 met de Kamer gedeeld.

Toelichting: in 2025 afgeronde evaluaties

Evaluatie EMFAF

In 2025 heeft Technopolis Group een baseline evaluatie van het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) uitgevoerd. Deze evaluatie is onderdeel van het EMFAF-evaluatieplan en een verplichting van het fonds. De evaluatie is een baseline en ziet op de start van het fonds en de eerste resultaten van het EMFAF. Het doel van de evaluatie is het van input voorzien hoe de verdere looptijd van het fonds zo optimaal mogelijk kan worden ingezet. De onderzoekers kwamen met een viertal aanbevelingen die worden opgepakt om de rest van de looptijd van het fonds nog beter te benutten. Gekeken is naar de beoogde inzet van het fonds en gesproken is met verscheidene betrokkenen van het fonds. Verder is er ook een KPI-lijst opgesteld zodat de baseline als optimale start voor volgende evaluaties gebruikt kan worden.

Doelstelling: Borgen en benutten van een kwalitatief hoogwaardige kennis- en onderzoeksinfrastructuur
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
Tussenevaluatie DuurzaamDoor Ex durante 2023 Afgerond Artikel 23 2023Z12754&did=2023D30441">Kamerstuk 31532, nr. 281
Tussenevaluatie Jong Leren Eten Ex durante 2023 Afgerond Artikel 23 2023Z12754&did=2023D30441">Kamerstuk 31532, nr. 281
Regeling Agrarische bedrijfsadvisering en educatie (SABE) Ex durante 2024 Afgerond Artikel 21, 23 2024Z15038&did=2024D36640">Kamerstuk 30252, nr. 173
Kennisprogramma Klimaat Ex post 2025 In uitvoering1 Artikel 23
Thematische evaluatie kansengelijkheid Ex ante 2025 In uitvoering1 Artikel 23
Doelstelling: Realiseren van (rand)voorwaarden voor effectief beleid
Titel Onderzoek Type onderzoek Afronding Status Begrotingsartikel(en) Vindplaats onderzoek
WOT Visserijonderzoek Ex post 2023 Afgerond Artikel 22, 23 2023Z12740&did=2023D30411">Kamerstuk 36200-XIV, nr. 125
WOT Natuur en Milieu Ex post 2023 Afgerond Artikel 22, 23 2023Z12740&did=2023D30411">Kamerstuk 36200-XIV, nr. 125
WOT Voedselveiligheid beleid Ex post 2025 In uitvoering1 Artikel 21, 23
  1. De evaluatie wordt momenteel uitgevoerd en in 2026 met de Kamer gedeeld.

Bijlage 3: Indicatoren en kengetallen

Inleiding

Dit overzicht gaat in op diverse indicatoren en kengetallen. Deze zijn gecategoriseerd in de herkenbare thema's van de Strategische Evaluatie Agenda (zie begroting XIV Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en F Diergezondheidsfonds Rijksbegroting 2025 bijlage 6). Dit komt de samenhang tussen monitoring en evaluatieonderzoek ten goede. Indicatoren en kengetallen zijn meetbare grootheden die een belangrijke signalerende functie hebben. Kengetallen bieden met name belangrijke contextuele informatie. Indicatoren zijn vaker concreet gebonden aan de inzet van een beleidsmaatregel of doelen van beleid. Scores op indicatoren kunnen daarom aanleiding zijn om beleid bij te sturen. Om echter de daadwerkelijke effecten van het gevoerde beleid op de «scores» uit de indicatoren vast te kunnen stellen is nader evaluatieonderzoek nodig. De recent afgeronde evaluatieonderzoeken staan opgenomen in bijlage 2 Afgerond evaluatie- en overig onderzoek.

Doelstelling: Versterken concurrentiekracht duurzame agroketens

Land 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 (raming)
Duitsland 22.688 23.579 24.496 26.100 29.300 29.500 31.000 34.000
België 10.254 10.779 10.708 12.300 14.500 15.000 15.800 16.900
Verenigd Koninkrijk 8.591 8.658 8.524 8.400 9.300 9.400 9.400 9.800
Frankrijk 7.665 7.726 7.571 8.700 10.100 10.700 10.600 11.400
China 2.400 3.100 3.800 3.700 4.300 3.200 2.900 3.000
Overige landen 38.798 40.781 40.640 45.200 54.300 55.200 57.200 62.400
Totaal landen 90.396 94.623 95.739 104.400 121.800 123.000 126.900 137.500
Jaartal 2010 2015 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 (raming)
Aantal land- en tuinbouwbedrijven 72.324 63.910 53.233 52.695 52.110 50.975 50.634 49.900 49.459
Gemiddelde inkomen per onbetaalde aje in de primaire sector (€) 41.400 46.800 71.400 52.100 83.500 113.600 119.000 118.000 129.000
Aantal landbouwbedrijven met verbrede landbouw activiteiten 22.000 24.434
Jaartal 2010 2015 2018 2019 2020 2021 2022 2023
Toegevoegde waarde van het agrocomplex (mld. €) 45 49 54 56 55,8 57,7 66 77
Waarvan gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen (%) 64% 61% 57% 59% 57% 58% 61% 59%
Werkgelegenheid in het agrocomplex 545.000 529.000 570.000 573.000 583.000 600.000 605.000 621.000
Waarvan gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen (%) 68% 67% 66% 67% 63% 63% 64% 62%
Kengetal bedrijfshoofd 2004 2008 2012 2016 2020 2023
Aantal bedrijven met een bedrijfshoofd van ≥ 55 jaar 46.414 39.839 39.508 33.202 34.136 27.970
Waarvan zonder opvolging (%) 64% 72% 66% 62% 60% 57%

Toelichting

1. Tabel Export van agrarische producten uit Nederland

Bovenstaande tabel toont de belangrijkste exportlanden (in waarde) van Nederland met betrekking tot agrarische producten en de totale (agrarische) exportwaarde van Nederland.

2. Tabel Kengetallen land- en tuinbouw bedrijven

Aantal land- en tuinbouwbedrijven

Dit kengetal geeft het aantal land- en tuinbouw bedrijven weer dat actief is in Nederland. Deze gegevens worden verzameld in de Landbouwtelling en gepubliceerd door het CBS. De landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet.

Gemiddelde inkomen per onbetaalde aje in de primaire sector (€)

Dit kengetal geeft het gemiddelde inkomen uit bedrijf in de primaire landen tuinbouwsector weer in euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje). Deze gegevens worden verzameld door Wageningen Social & Economic Research via het Bedrijveninformatienet (BIN).

Wageningen Social & Economic Research berekent het agrarisch inkomen per onbetaalde aje. Agrarisch ondernemers en hun gezinsleden verrichten in de meeste sectoren nog het merendeel van de arbeid zelf, maar krijgen meestal geen salaris. Een arbeidskracht die in een jaar 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als één aje. Wie minder werkt, telt voor minder dan één aje. Wageningen Social & Economic Research deelt het inkomen uit bedrijf in deze situatie door het aantal onbetaalde aje. Op deze manier zijn de inkomens van verschillende bedrijfstypen beter met elkaar te vergelijken. Daarmee is het resultaat dus gekoppeld aan de hoeveelheid input.

Aantal landbouwbedrijven met verbrede landbouw activiteiten

Dit kengetal geeft het aantal land- en tuinbouwbedrijven weer dat een of meer verbredingsactiviteiten als aanvullende inkomstenbron heeft. De gegevens voor dit kengetal komen uit de landbouwtelling en worden gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet. De verbredingscijfers op basis van de Landbouwtelling kunnen een onvolledig beeld geven, onder andere omdat steeds meer ondernemers hun bedrijven (als gevolg van bv. wetgeving, fiscale voordelen, of risicospreiding) splitsen in meerdere zelfstandige bedrijven met eigen rechtsvorm en boekhouding. Deze bedrijven komen mogelijk niet in beeld via de Landbouwtelling.

Onder verbredingsactiviteiten wordt verstaan: Verkoop aan huis, stalling van goederen of dieren, agrotoerisme, verwerking van landbouwproducten, zorglandbouw, aquacultuur, loonwerk voor derden, agrarisch natuur- en landschapsbeheer, agrarische kinderopvang, boerderij educatie en energieproductie (levering aan derden).

3. Tabel Kengetallen toegevoegde waarde agrocomplex

Toegevoegde waarde van het agrocomplex

Het agrocomplex bestaat uit het geheel van directe en indirecte activiteiten rond de agrarische sector die als een samenhangende keten kan worden gezien. Dit bestaat uit de agrarische sector - opgebouwd uit de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij – plus de toeleverende partijen van goederen en diensten zoals veevoer, kunstmest, energie, machines, stallen, kassen, veterinaire en zakelijke diensten enerzijds en de verwerking, handel en distributie anderzijds.

Dit kengetal geeft de toegevoegde waarde van dit gehele complex weer in miljarden euro’s. Een deel van de activiteiten van het totale agrocomplex hangt samen met de verwerking van geïmporteerde agrarische grondstoffen, zoals cacao, granen, soja en tabak. De rest is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Bij dit kengetal is ook aangegeven welk percentage van de toegevoegde waarde is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Deze gegevens zijn gebaseerd op data van Wageningen Social & Economic Research.

Werkgelegenheid in het agrocomplex

Het agrocomplex bestaat uit het geheel van directe en indirecte activiteiten rond de agrarische sector die als een samenhangende keten kan worden gezien. Dit bestaat uit de agrarische sector - opgebouwd uit de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij – plus de toeleverende partijen van goederen en diensten zoals veevoer, kunstmest, energie, machines, stallen, kassen, veterinaire en zakelijke diensten enerzijds en de verwerking, handel en distributie anderzijds.

Dit kengetal geeft de werkgelegenheid in dit gehele complex weer in het aantal arbeidsjaren. Een deel van de activiteiten van het totale agrocomplex hangt samen met de verwerking van geïmporteerde agrarische grondstoffen, zoals cacao, granen, soja en tabak. De rest is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Bij dit kengetal is ook aangegeven welk percentage van de werkgelegenheid is gebaseerd op binnenlandse agrogrondstoffen. Deze gegevens zijn gebaseerd op data van Wageningen Social & Economic Research.

4. Tabel Kengetallen bedrijfshoofd

Aantal bedrijven met een bedrijfshoofd van ≥ 55 jaar

Dit kengetal laat het aantal bedrijven zien dat een bedrijfshoofd heeft van 55 jaar of ouder. Ook wordt weergegeven welk percentage van deze bedrijven al een opvolger heeft. Deze gegevens worden verzameld in de Landbouwtelling en gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet. Er zijn momenteel geen cijfers beschikbaar over 2024 en 2025.

Doelstelling: Borgen van voedselveiligheid en voedselkwaliteit

Indicator Referentiewaarde Peildatum Raming 2023 Realisatie 2023 Raming 2024 Realisatie 2024 Raming 2025 Realisatie 2025 Streef-waarde
Nalevingsniveau HACCP-verplichting 80% 9-Apr 94% 87% 90% 92% 92% 96% 100%
Kengetal 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Mate van vertrouwen consumenten in voedsel Geen meting 3,2 3,2 Geen meting 3,34 Geen meting 3,36 Geen meting 3,27

Toelichting

1. Tabel Controle vereisten HACCP

Voldoen controlevereisten HACCP

Het betreft het percentage van het totale aantal gecontroleerde bedrijven met een wettelijk verplicht Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP)-systeem uit het eerste deel van de vleesketen (slachthuizen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen) dat aan alle controle-items voor HACCP voldoet. Voor de berekening van het nalevingspercentage HACCP (Hazard Analysis and Critical Control Points) is uitgegaan van de resultaten die tijdens volledige audits bij slachthuizen, wildbewerkingsinrichtingen, uitsnijderijen en koel- vrieshuizen zijn beoordeeld door auditoren van de NVWA. Koelvrieshuizen en uitsnijderijen worden standaard minder vaak ge-audit dan slachthuizen. In dit cijfer wordt hier geen rekening mee gehouden.

De berekening van de HACCP indicator is alleen te vergelijken met 2024 en niet met de jaren daarvoor. Dit omdat de auditlijst veranderd is en vanaf 2024 in het geheel op de nieuwe wijze is ingevuld. In de oude lijsten werden er heel veel vragen meegenomen in de berekening van het getal. Nu zijn al die losstaande vragen samengevoegd tot één vraag ('Wat is de totale beoordeling van HACCP / Hygiëne code'). Het percentage in 2024 en 2025 valt dus anders uit omdat er veel minder vragen worden meegenomen en 1 afwijking al zorgt voor een groot verschil in percentage.

Voor 2025 is het op deze wijze berekende nalevingspercentage voor HACCP uitgekomen op 96,3%. Voor 2024 was dit 92,1%. Het percentage ernstige overtredingen is in 2025 gedaald t.o.v. 2024.

2. Tabel Vertrouwen consument

Vertrouwen consument in veiligheid voedsel

De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Deze meting vindt om de 2 jaar plaats. In 2024 is geen onderzoek uitgevoerd. De meest recente meting is in 2025 uitgevoerd. De NVWA Consumentenmonitor 2025 laat zien dat het vertrouwen in het systeem van voedselveiligheid behoorlijk stabiel is. Dit vertrouwen wordt uitgedrukt in het kengetal: de representatie van de antwoorden op 1 algemene vraag: 'Ik maak mij zorgen over de veiligheid van voedingsmiddelen'. Het kengetal wordt berekend door de schaal = 6 – [gemiddelde score op deze negatief gestelde vraag]. Het kengetal bedroeg in 2023 3,36 en in 2025 3,27, en toont dus een daling van 0,09. Daarmee zijn we een lichte daling in het vertrouwen in voedselveiligheid. Hier zien we effecten van de gebeurtenissen rondom terugroepacties, PFAS in eieren en blauwe bessen.

Doelstelling: Vergroten maatschappelijke waardering van landbouw en voedsel

Kengetal 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 Meest recente jaar
Voedselverspilling (kiloton) min: 1.814 max: 2.509 min: 1.649 max: 2.568 min: 1.514 max: 2.380 2.811 2.510 2.350 2.271 2023
2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 Meest recente jaar Streefwaarde
Afgeleide voedselverspilling in kiloton (absoluut) 2.162 2.109 1.947 2.811 (nieuwe methode) 2.510 2.350 2.271 2023 1.081 (2030)
Afgeleide voedselverspilling in % (relatief) 100 98 90 t.o.v. omgerekende cijfers: 103 92 86 83 2023 50
2020 2021 2022 2023 2024
Totale consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel (x € 1.000.000.0000) 8,5 9,5 10,8 12,6 14,3
Marktaandeel van bestedingen aan duurzaam voedsel in de totale bestedingen aan voedsel 17% 19% 18% 19% 21%
Toename bestedingen van consumenten aan duurzaam voedsel ten opzichte van het voorgaande jaar 7% 12% 13% 14% 4%

Toelichting

1. Tabel Voedselverspilling

Voedselverspilling (kiloton)

Er is sprake van voedselverspilling als voedsel dat voor menselijke consumptie bedoeld is, hier niet voor wordt gebruikt. De Monitor voedselverspilling geeft de omvang van voedselresten in Nederland weer, gebaseerd op openbare cijfers. De totale hoeveelheid reststromen wordt uitgesplitst naar de bestemmingen voedselbank, veevoer, vergisten, composteren, verbranden en storten/lozen. Per hoofd van de bevolking bedroeg de voedselverspilling in 2023 127 kilogram, in totaal 2.271 kiloton. Dit is lager dan het voorgaande jaar, in 2022 was dat 2.350 kiloton. 

De omvang van de voedselverspilling is vanwege de vergelijkbaarheid per hoofd van de bevolking omgerekend naar de omvang volgens de voormalige definitie (2020 en eerder): in 2023 is dat 99-116; 2022 is dat 99-117 kilogram; in 2021 is dat 94-116 kilogram; in 2020 is dat 97-123 kilogram; in 2019 was dit 88-136 kilogram per hoofd van de bevolking. Vanuit de voormalige Nederlandse definitie is de voedselverspilling in 2023 nagenoeg gelijk aan het voorgaande jaar.

2. Tabel Afgeleide voedselverspilling

Afgeleide voedselverspilling in kiloton

Nederland heeft zich gecommitteerd aan het realiseren van het Duurzame Ontwikkelingsdoel 12.3 van de Verenigde Naties (SDG 12.3). SDG 12.3 stelt dat in 2030 t.o.v. 2015 de hoeveelheid voedselverspilling gehalveerd dient te zijn. In de Monitor voedselverspilling werd tot en met 2019 de omvang van de voedselverspilling in Nederland niet als een absoluut getal weergegeven, maar aangeduid met een bandbreedte. De omvang van de voedselverspilling bedraagt tenminste de ondergrens van de bandbreedte (minimum) en ten hoogste de bovengrens van de bandbreedte (maximum). Hoewel het niet correct is om te stellen dat het ‘midden’ van de bandbreedte de hoeveelheid voedselverspilling aangeeft, was deze afgeleide voedselverspilling wel een indicatie van de ontwikkeling.

3. Tabel Kengetallen bestedingen duurzaam voedsel

De bovenstaande cijfers uit de Monitor Duurzaam Voedsel geven een overzicht van de consumentenbestedingen aan duurzaam voedsel. Duurzaam voedsel wordt in deze monitor gedefinieerd als voedsel waarbij tijdens de productie en verwerking meer rekening is gehouden met milieu, dierenwelzijn en/of sociale aspecten dan wettelijk verplicht is. Het gaat om de in Nederland geconsumeerde producten in de belangrijkste afzetkanalen voor duurzaam voedsel: supermarkten, foodservice en speciaalzaken voor duurzame voeding in Nederland. De gegevens zijn gebaseerd op de omzet van producten die zijn voorzien van een duurzaamheidskeurmerk met onafhankelijke controle. De voedingsmiddelen kunnen daarmee door consumenten op één of meer aspecten als duurzaam worden herkend.

Voor elk jaar wordt berekend hoeveel er meer of minder is uitgegeven aan duurzaam voedsel dan het jaar ervoor. Omdat de rekenmethode elk jaar een beetje verandert en er soms correcties worden gedaan, wordt het cijfer van het vorige jaar steeds opnieuw berekend. Het cijfer waartegen de uitgave van dit jaar wordt afgezet kan dus afwijken van het cijfer van het vorige jaar zoals dat in deze tabel staat.

Doelstelling: Verduurzaming productie en consumptie (d.m.v. kringlooplandbouw)

2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 (prognose)
Landelijk 489,7 489,4 471 467,1 463,5 448,9 433,7
Melkvee 279,9 286,5 273 269,2 273,8 265,2 257,3
Varkens 93,7 91,8 88,9 88,6 81,7 80,1 75,2
Pluimvee 56 54,7 54,3 53,9 52,6 48,5 47,3
Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg fosfaat (bron: CBS)
2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 (prognose)
Landelijk 155,5 150,7 148 150,4 147,5 146,7 141,6
Melkvee 75,5 73,6 74,2 77,2 75,6 76,7 74,6
Varkens 36,8 36,7 34,5 34,4 32,8 32,3 30,3
Pluimvee 25,1 24,1 23,2 22,5 23 20,6 20,1
Bodemsoort 2012-2015 2016-2019 2020-2023 2024 Streefwaarde
Löss 72 75 83 631 gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond
Zand 54 48 66 32 gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond
Klei 23 30 35 17 gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond
Veen 9 8 11 5 gemiddeld <of=50 mg Nitraat/l uitspoeling uit wortelzone onder landbouwgrond
  1. Dit gemiddelde was op het moment van publicatie van de Jaarrapportage nog niet definitief en daarom nog niet gepubliceerd.
Indicator 2019 2020 2021 2022 2023 2024 Meest recente jaar Streefwaarde 2030
Totale CO2-emissie glastuinbouw 7,9 Mton 7,5 Mton 8,2 Mton 4,9 Mton 5,1 Mton 5,2 Mton 2024 4,3 Mton
2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 Referentiewaarde Streefwaarde 2027 Streefwaarde 2030
3,80% 4,10% 4,30% 4,40% 4,80% 5,10% 5,70% 4,10% 6,50% 15%

Toelichting

1. Tabel Productie van dierlijke mest

Productie van dierlijke mest uitgedrukt in miljoen kg stikstof en fosfaat

Om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te beschermen zijn er sinds 2006 maxima gesteld aan de hoeveelheid mest, uitgedrukt in stikstof en fosfaat, die de Nederlandse veehouderij mag produceren. Deze zogenoemde mestproductieplafonds waren tot aan 2022 gelijk aan de gerealiseerde mestproductie in 2002. Vanwege de derogatiebeschikking 2022-2025 is in 2022 eerst het landelijke mestproductieplafond aangepast en gelijkgesteld aan de gerealiseerde mestproductie in 2020; in 2024 zijn ook de sectorale mestproductieplafonds gelijkgesteld aan de gerealiseerde mestproductie in 2020. Met de wijziging van de Meststoffenwet die op 1 januari 2025 inwerking is getreden, is conform de derogatiebeschikking 2022-2025 het landelijke mestproductieplafond verder verlaagd en zijn de sectorale mestproductieplafonds hiermee in lijn gebracht (Staatsblad 2024, 369).

De hoeveelheid geproduceerde mest is een indicator voor de mate waarin de Nederlandse veehouderij geopereerd heeft binnen de milieutechnische grenzen die gesteld zijn. De excretie voor 2025 betreft een prognose op basis van de CBS-monitor Fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest, derde kwartaal 2025.

2. Tabel Gemiddelde nitraatconcentratie

Gemiddelde nitraatconcentratie per liter in uitspoelend water onder landbouwbedrijven

Het mestbeleid betreft de implementatie van de EU-Nitraatrichtlijn, gericht op het terugdringen van uit- en afspoeling van nutriënten uit de landbouw tot op of onder het niveau van 50mg nitraat per liter, om verontreiniging van grond- en oppervlaktewater te verminderen en te voorkomen. Hiertoe wijst elke lidstaat nitraatgevoelige zones in haar grondgebied aan. Nederland heeft ervoor gekozen het gehele grondgebied als nitraatgevoelige zone aan te wijzen. Elke lidstaat dient per vier jaar een actieprogramma te ontwikkelen voor de nitraatgevoelige zones. Dit actieprogramma moet leiden tot een nutriëntenuitspoeling op of onder het genoemde niveau. Het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn loopt sinds 2022. Effecten van maatregelen genomen in een actieprogramma zijn na ongeveer vijf jaar zichtbaar in de waterkwaliteit.

Daarnaast draag het Nederlandse mestbeleid ook bij aan het bereiken van de doelen van de Kaderrichtlijn Water van chemisch schoon en ecologisch gezond water, voor wat betreft nutriënten afkomstig uit de landbouw.

Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) monitort de nitraatuitspoeling op landbouwbedrijven en de effecten van veranderingen in de landbouwpraktijk om de nitraatuitspoeling te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht.

3. Tabel Broeikasgasemissie glastuinbouw

Totale CO2-emissie glastuinbouw

Dit jaarverslag rapporteert de CO2-emissiecijfers uit de jaarlijkse Energiemonitor Glastuinbouw van Wageningen Economic Research (WEcR). De Klimaat en Energieverkenning (KEV) rapporteert de totale broeikasgasemissie van de glastuinbouwsector. Deze broeikasgasemissie bestaat uit CO2 en methaanemissie en zijn te vinden in de bijlage van de KEV. In de Wet milieubeheer is vastgelegd dat de KEV- cijfers worden gebruikt voor wettelijke rapportages.

4. Tabel Aandeel biologisch landbouwareaal

In 2025 bedroeg het biologisch landbouwareaal in Nederland volgens de cijfers van Skal Biocontrole 102.538 hectare. Dit was 5,70% van het totale Nederlandse landbouwareaal van 1,8 miljoen hectare. De tabel geeft de ontwikkeling van het biologische landbouwareaal over de afgelopen jaren weer.

Doelstelling: Bevorderen plantgezondheid

Aantal projecten toolbox kwekersrecht
Raming 2024 Realisatie 2024 Raming 2025 Realisatie 2025 Raming 2026
10 tot 15 projecten 14 projecten 16 projecten 12 projecten 11 tot 12 projecten

Toelichting

Het kwekersrecht stimuleert bedrijven om nieuwe plantenrassen met verbeterde eigenschappen te ontwikkelen. Verbeterde plantenrassen zijn van groot belang om de landbouw duurzamer te maken (meer productiviteit, minder chemische middelen).

Nederland is actief via het PVP Development Program (PVP-toolbox) waarin Nederlandse kennis en ervaringen met het ontwikkelen, implementeren en ondersteunen van kwekersrecht wordt gedeeld met landen die kwekersrecht willen implementeren of verder ontwikkelen. De projecten lopen uiteen van het geven van voorlichting, het trainen van technici of beleidsmakers tot het ontvangen van delegaties om laten zien hoe we een en ander hebben georganiseerd. Waar mogelijk en nuttig worden activiteiten online georganiseerd. Jaarlijks komen via o.a. landbouwattache’s voorstellen voor projecten binnen. Deze worden door een internationale stuurgroep beoordeeld en geprioriteerd. Voor de Toolbox Kwekersrecht was in 2025 een bedrag van € 230.000 beschikbaar. In 2025 zijn met dit budget 12 projecten uitgevoerd. De projecten liepen uiteen van het ondersteunen van landen bij de implementatie van hun kwekersrecht-regelgeving, het trainen van specialisten en overdragen van technische kennis, het met derde landen organiseren van seminars om kennis en bewustwording van het belang van een goed kwekersrecht-systeem te verhogen en het ondersteunen van een IT-systeem dat internationale uitwisseling van kwekersrecht-informatie faciliteert. Betrokken landen waren in 2025 Argentinie, Armenie, Nigeria, Egypte, Guatemala, Ghana, Kazachstan, Peru, Vietnam en Taiwan. Het aantal gerealiseerde projecten bleef iets achter bij de planning omdat de kosten door inflatie zijn toegenomen terwijl het budget constant bleef.

Doelstelling: Bevorderen diergezondheid

Indicator Referentie-waarde Peildatum Realisatie 2024 Realisatie 2025 Streefwaarde
Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij Antibiotica verkoop in 2009 2009 75,5% Volgt in SDa rapportage 2026 70% reductie (ten opzichte van 2009)

Toelichting

De bovenstaande indicator betreft de reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij ten opzichte van 2009. De sectorspecifieke reductiedoelstellingen van 2019 (Kamerstuk 29 683, nr. 247) zijn grotendeels behaald en de gerealiseerde reductie in 2024 was 75,5%. Het streven is om antibioticumgebruik verder te reduceren door middel van sectorspecifieke reductiedoelstellingen en een reductie van hooggebruikende bedrijven (zie ook Kamerstuk 29 683, nr. 317 en het Nationaal Actieplan AMR).

Doelstelling: Zorgen voor de instandhouding van biodiversiteit

Realisatie 2018 Realisatie 2019 Realisatie 2020 Realisatie 2021 Realisatie 2022 Realisatie 2023 Realisatie 2024
69.989 ha 76.943 ha 83.968 ha 88.795 ha 90.168 ha 101.355 ha 103.991 ha

Toelichting

Via het integreren van natuurbeheer in de agrarische bedrijfsvoering verbetert de kwaliteit van het ecosysteem, neemt de druk op het milieu af en ontstaan meer broed-, foerageer- en schuilplekken voor specifieke soorten. Om deze ontwikkeling te stimuleren en te ondersteunen zetten provincies en LVVN een scala aan instrumenten in, waaronder het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). De oppervlakte uitgevoerd beheer in 2024 (betaald in 2025) bedraagt 104.000 ha.

Via het ANLb sluiten provincies contracten af met agrarische collectieven met afspraken over de omvang en uitvoering van de verschillende beheerpakketten, gericht op de leefgebieden «open grasland», «open akkerland», «groene en blauwe dooradering», «water» en «klimaat». Het kengetal geeft weer op hoeveel agrarisch areaal de ecologische randvoorwaarden voor behoud van (dier)soorten worden verbeterd. Het kengetal geeft nog geen indicatie over de ontwikkeling van de populatie van de betreffende diersoorten. Dit hangt van meer factoren af.

Startpunt 2021 Realisatie Streefdoel 2030
Areaal bos in Nederland 363.801 ha 3.010 ha uitbreiding 37.400 ha uitbreiding

Toelichting

Met de Landelijke Bossenstrategie werkt LVVN samen met provincies aan de realisatie van 37.400 hectare nieuw bos in 2030, het revitaliseren van bestaand bos en het aanleggen van agroforestry en landschapselementen.

In totaal is er tot en met 2024 binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.010 hectare bos gerealiseerd (8% van de totale bosuitbreidingsopgave). Hoewel daarmee een versnelling zichtbaar is ten opzichte van eerdere jaren, wordt om de klimaatdoelen binnen bereik te houden extra ingezet op het revitaliseren van bestaande bossen.

Hiervoor is in 2025 € 1,6 miljoen aan de provincies beschikbaar gesteld. Daarnaast is dit jaar een tweede impuls gegeven aan het herstel en aanleg van landschapselementen via het Aanvalsplan Landschap (€ 7,0 miljoen) en op gronden van Staatsbosbeheer (€ 1,25 miljoen). Hiermee wordt naar schatting 350 hectare landschapselementen gerealiseerd.

Figuur 3 Bosareaal in Nederland

Toelichting

De Nederlandse Bos Inventarisatie (NBI) rapporteert elke 5 jaar over de staat van het Nederlandse bos. In juni 2022 is de meest recente NBI verschenen en die rapporteert over de periode 2017-2021. In 2021 bedroeg de oppervlakte bos 363.801 hectare.5 Het oppervlakte bos in 2021 is beperkt gedaald ten opzichte van het bosareaal in 2017. Net als in de voorgaande periode is het areaal bos teruggelopen doordat bos verdwenen is voor andere natuurtypen en er tijdelijke bossen op agrarische grond zijn teruggezet naar landbouwareaal. Rijk en provincies hebben in de landelijke Bossenstrategie uit 2020 een ambitie gesteld om het areaal bos in Nederland met 10% te vergroten (37.400 hectare) tot en met 2030. De voortgangsrapportage natuur (VRN) rapporteert jaarlijks over de voortgang van de Bossenstrategie. Tussen 2020 en 2024 is in totaal 3.010 ha nieuw bos gerealiseerd (Kamerstuk 33576, nr. 472). Het tempo van realisatie ligt daarmee nog ver achter op het doelbereik.

Figuur 4 Condities voor doelbereik Vogel- en Habitatrichtlijn landnatuur

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving clo.nl/nl1606

* Het planpotentieel is het te verwachten effect in 2030 als het vastgesteld en concreet uitgewerkte voorgenomen beleid (Natuurpact, Uitvoeringsprogramma Natuur en regeling Versneld natuurherstel; Van Bussel & Hinsberg, 2024) volledig, zonder vertraging en ecologisch optimaal wordt uitgevoerd. Daarbij is dus geen rekening gehouden met de te lage realisatiesnelheid waarover in de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33576, nr. 472) is gerapporteerd. In deze inschatting van het planpotentieel is rekening gehouden met de nieuwe inzichten over stikstofgevoeligheid.

Toelichting

Om de potentiële effecten van het beleid te laten zien, gebruikt het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) de indicator ‘Condities voor het doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) van landnatuur’ (clo.nl/nl1606). Deze indicator wordt modelmatig berekend door het effect in te schatten van de stikstofdepositie, grondwaterstand, zuurgraad van de bodem en ruimtelijke condities (omvang en inrichting Natuurnetwerk Nederland) op de mogelijkheden voor duurzame instandhouding van VHR-soorten.

Het getal van 50% condities op orde voor VHR-doelbereik in 2024 betekent dat er naar schatting voor 50% van de VHR-soorten op land een duurzame instandhouding bereikt kan worden op basis van de bekeken condities. De berekende condities zijn in de periode 2015-2024 voorzichtig verbeterd.

Analyses met het model geven geen feitelijke veranderingen in de natuur buiten weer (het is geen monitoring), maar geven slechts een inschatting of VHR-soorten naar verwachting landelijk gezien duurzaam kunnen voorkomen op basis van de (eveneens ingeschatte) ruimte- en milieucondities. De indicator wordt daarom gebruikt om een landelijk beeld te schetsen in hoeverre voorgenomen beleidsmaatregelen de condities kunnen verbeteren bij optimale uitvoering van beleid, en hoe groot het gat naar 100% condities op orde dan nog is. De indicator wordt niet gebruikt bij vergunningverlening of om de lokale staat van de natuur aan af te meten. Het model omvat een beperkt aantal soorten (broedvogels, vaatplanten, dagvlinders) en niet alle beschermde VHR-soorten en habitattypen.

Recente wetenschappelijke inzichten over de gevoeligheid van de natuur voor stikstof laten wel zien dat eerdere schattingen te positief zijn geweest.

In deze modelberekening zijn actuele (meet)gegevens van het RIVM en de provincies gebruikt over stikstofdepositie, natuurinrichting en -uitbreiding. Actuele bodem- en grondwatercondities konden niet worden gebruikt door onvoldoende monitoring op dit vlak. De toename in condities voor VHR-doelbereik sinds 2015 komt vooral voort uit de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland door aankoop en inrichting van nieuwe natuur.

De indicator wordt door het PBL tweejaarlijks berekend in het kader van de evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN).

Figuur 5 Fauna van land en zoetwater/moeras

Bron: NEM (Soortenorganisaties, CBS) clo.nl/nl1569

Figuur 6 Bos, open natuur, agrarisch en stedelijk gebied

Bron: NEM (Soortenorganisaties, CBS) clo.nl/nl1162, clo.nl/nl1586, clo.nl/nl1580, clo.nl/nl1585

Toelichting

Sinds 1990 is de populatieomvang van zoetwater- en moerassoorten sterk toegenomen. Dit is mede een gevolg van een sterk verbeterde waterkwaliteit, met name dankzij verbeterde rioolwaterzuiveringen en afname van meststoffen in het water. Ook zijn er natuurherstelmaatregelen genomen en is de oppervlakte moeras uitgebreid. Tenslotte zijn er relatief veel soorten die profiteren van de klimaatverandering en flink in aantal of verspreiding zijn toegenomen. Dit heeft ook een keerzijde: soorten die gevoelig zijn voor droogte of hittestress namen de laatste jaren juist af.

Voor de afname van de populatieomvang van landsoorten is onder meer een aantal soorten van open natuurgebieden (heide, duinen, schrale graslanden) verantwoordelijk. De hoge stikstofdepositie speelt bij die afname een belangrijke rol, naast verdroging, verminderde dynamiek en versnippering van leefgebieden. Soorten van het agrarisch gebied zijn gemiddeld aanzienlijk afgenomen, zoals grutto en kievit. De soorten blijven de afgelopen twaalf jaar dalen. Een waaier aan oorzaken is hiervoor verantwoordelijk, waaronder intensivering van het agrarisch gebruik. Bossoorten daarentegen zijn gemiddeld juist iets toegenomen sinds 2000. Dit heeft vooral te maken met het ouder en gevarieerder worden van de bossen. De trend van vogelsoorten in stedelijk gebied daalt licht. De daling betreft vooral soorten van parken, struwelen en open groen. Watervogels en de slechtvalk gaan juist vooruit.

Doelstelling: Streven naar een duurzame en economisch rendabele visserijsector

Omschrijving Basis- of Referentiewaarde en jaar Huidige waarde en jaar Streefwaarde en jaar
Het percentage duurzaam bevist, van de door Nederlandse vissers gericht beviste bestanden. Basiswaarde 2023 per vlootsegment: Pelagisch: 1,15 Grootschalige boomkor: 0,53 De laatst bekende waarde is van 2023 1 (of lager)

Toelichting

Voor het beoordelen of de Nederlandse vissersvloot afhankelijk is van overbeviste visbestanden en/of een biologisch risico vormt voor uitgeputte visbestanden wordt gebruik gemaakt van de duurzame oogst indicator. Indien deze indicator onder of gelijk is aan 1 is de oogst van het bestand in balans.

Doelstelling: Borgen en benutten van een kwalitatief hoogwaardige kennis- en innovatie- en onderzoeksinfrastructuur

Indicator Referentie-waarde Peildatum Raming 2024 Realisatie 2024 Raming 2025 Realisatie 2025 Streef-waarde Planning
Klanttevredenheid 8,6 2020 8,5 8,7 8,5 8,9 8 2020
Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties 93% 2020 >90% 93% >90% 95% >80% 2020
Indicator Referentie-waarde Peildatum Realisatie 2020 Realisatie 2021 Realisatie 2022 Realisatie 2023 Streef-waarde Planning
Percentage innoverende agrarische bedrijven 8% 2017 8,90% 5,30% 9,10% 9,80% 10% 2025
Indicator Referentie-waarde Peildatum Realisatie 2021 Realisatie 2022 Raming 2023 Realisatie 2023 Raming 2024 Realisatie 2024 Raming 2025 Streef-waarde Planning
Aandeel technologische landbouwgoederen in de totale landbouwexport 9.5% 2019 9,30% 9,80% 8,84% 8.78% 8,71% 8,78% 9,24% 12% 2021
Indicator Referentie-waarde Peildatum Realisatie 2020 Realisatie 2021 Realisatie 2022 Realisatie 2023 Streefwaarde Planning
Verhouding duurzame / totale investeringen 25% 2017 18% 27% 29% 25% 30% 2025

Toelichting

1. Tabel Klanttevredenheid en kennisbenutting

Klanttevredenheid uitgevoerd onderzoek WR en 2. Kennisbenutting uitgevoerd onderzoek WR

In 2015 zijn alle TO2-instituten (waaronder Wageningen Research (WR)) overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klant tevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel tonen de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor het onderzoek dat WR uitvoert.

2. Tabel Innoverende agrarische bedrijven

Percentage innoverende agrarische bedrijven

Dit geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).

3. Tabel Technologische landbouwgoederen

Aandeel technologische landbouwgoederen in de totale landbouwexport

Deze indicator geeft het technologisch aandeel (kennis en innovatie omgezet in goederen/diensten in de vorm van oa. Kassen- en machinebouw) van de aan de landbouw gerelateerde goederen weer in de totale landbouwexport van alle goederen.

4. Tabel Verhouding duurzame / totale investeringen

Verhouding duurzame / totale investeringen

Deze indicator drukt het bedrag aan duurzame investeringen uit ten opzichte van het bedrag van de totale investeringen in de landbouw.

5. Resultaten missiegedreven innovatie voor landbouw, water en voedsel

Monitoring van de Kennis- en Innovatie Agenda (KIA) van Landbouw, Water en Voedsel

De monitoring van het missiegedreven innovatiebeleid is nog in ontwikkeling en richt zich op de uitvoering en voortgang van de innovatieprogramma’s, en hanteert daarvoor indicatoren voor input, activiteiten en output. Een directe bijdrage van de programma’s aan het behalen van de missiedoelen kan met deze indicatoren nog niet kwantitatief worden vastgesteld. De huidige monitoring is bedoeld voor inzicht in, en verantwoording voor, investeringen in innovatie en kennisontwikkeling, de bereikte partijen, de concrete resultaten (publicaties, workshops, patenten etc.) en eventuele vervolgstappen. De resultaten van 2025 komen in het vierde kwartaal van 2026 beschikbaar.

Bijlage 4: Inhuur externen

Personele uitgaven € 592.817
B. Inhuur deskundigen (x € 1.000) Realisatie 2025
1. Interimmanagement € 1.066
2. Organisatie- en Formatieadvies € 390
3. Beleidsadvies € 3.570
4. Communicatieadvisering € 1.302
Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4) € 6.329
5. Juridisch Advies € 2.568
6. Advisering opdrachtgevers automatisering € 27.250
7. Accountancy, financiën en AO € 1.584
(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7) € 31.402
8 Uitzendkrachten (formatie en piek) € 3.892
Ondersteuning bedrijfsvoering (8) € 3.892
Totaal inhuur externen € 41.622
C. Percentage externe inhuur**) 2025
Inhuurpercentage 6,69%

Toelichting

Het kabinet hanteert, naar aanleiding van de motie Roemer, een norm voor externe inhuur van 10% van de personeelskosten. Het inhuurpercentage voor LVVN (kerndepartement) komt uit op 6,2% over 2025. Dit is een daling ten opzichte van 2024 toen het percentage uitkwam op 10,9%. De inhuur van de NVWA is 6,9%. Hiermee blijven zowel LVVN (kerndepartement) als de NVWA onder de norm van 10% voor externe inhuur. Het inhuurpercentage van de totale personeelskosten van het ministerie is 6,7% (kerndepartement en NVWA). Dit is een daling van 2,5% ten opzichte van 2024.

Bijlage 5: Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer: Europese Landbouwfondsen

Op basis van de ter beschikking staande informatie en met inachtneming van hetgeen in de toelichting vermeld, wordt geconstateerd dat inzake het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) over het begrotingsjaar 2025:

  1. de uitgaven die ter vergoeding bij de Europese Commissie zijn ingediend over het begrotingsjaar 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025, bedragen € 1.012.076.972,40 (ELGF € 731.017.423,04 en ELFPO € 281.059.549,36);
  2. de door Nederland opgezette systemen en daarin vervatte maatregelen voor het beheer en de controle van de gelden voldoen aan de accreditatie eisen;
  3. door het betaalorgaan materieel een getrouwe financiële verantwoording is afgegeven. Evenwel heeft de certificerende audit voor zowel ELGF als voor ELFPO geleid tot een afkeurende verklaring wegens grote foutpercentages bij verschillende uitgavenpopulaties en omdat de ADR van mening is dat de interne beheersing gedeeltelijk niet goed is ingericht.

Toelichting

Verklaring betaalorgaan

Het betaalorgaan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft, bij de over het begrotingsjaar 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025 bij de Europese Commissie ingediende rekeningen, verklaard met betrekking tot de subsidieregelingen uit het GLB 2014-2022 dat:

- de jaardeclaratie een waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig beeld geeft van uitgaven en ontvangsten.

- de betalingen wettig en regelmatig zijn

Met betrekking tot de interventies onder het NSP dat, met inachtneming van de gemaakte opmerking mbt. afwijkingen voor de interventie ECO:

- de governance-systemen naar behoren functioneren;

- rapportage van de indicatorgegevens in relatie tot het NSP interventietype van goede kwaliteit en betrouwbaarheid is,

- de in de jaardeclaratie opgenomen uitgaven zijn gebruikt voor het beoogde doel.

Rapportage certificerende instantie

De ADR heeft, in de functie van certificerende instantie, geoordeeld dat;

  1. op basis van het ontbreken van een goedkeurende auditverklaring, de bij de Europese Commissie ingediende rekeningen voor het begrotingsjaar 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025 in materieel opzicht een onvoldoende waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig beeld geven van de ELGF. De ADR kiest hiervoor vanwege het restrisico binnen de ECO-regeling en omdat ze de invulling van het monitorings- en controlesysteem als ontoereikend acht.
  2. op basis van het ontbreken van een goedkeurende auditverklaring, de bij de Europese Commissie ingediende rekeningen voor het begrotingsjaar 16 oktober 2024 tot en met 15 oktober 2025 in materieel opzicht een onvoldoende waarheidsgetrouw, volledig en nauwkeurig beeld geven van de aan de ELFPO in rekening gebrachte totale netto-uitgaven. Voor zowel de betalingen onder POP3-programma als interventies onder het NSP zijn substantiële fouten gevonden, boven het toegestane foutpercentage van 2%.
  3. de totstandkoming van het jaarlijkse prestatieverslag wordt als niet goed navolgbaar gekwalificeerd. Zowel met betrekking tot de GBCS als NGBCS interventies zijn potentiële ernstige tekortkomingen in de werking van de governancesystemen geconstateerd.

De ADR oordeelt dat - voor zowel ELGF als ELFPO - de wijze waarop onder het NSP invulling is gegeven aan het internecontrolesysteem een risico met zich meebrengt voor EU-gelden.

Bekende lopende onderzoeken en/of correctievoorstellen door de Europese Commissie, Europese Rekenkamer en OLAF

Voor het ELFPO en/of ELGF was eind 2025 sprake van de volgende lopende onderzoeken en procedures vanuit de EC:

  1. EC audits: ELFPO niet- GBCS investeringen (mei 2024); ELGF en ELFPO GBCS (juni 2024); ELGF niet-GBCS schoolregelingen (oktober 2024); ELGF niet-GBCS operationele programma’s SIGF (december 2024), ELFPO niet- GBCS (oktober 2025).

Afhandeling van ingediende rekeningen en resultaten van onderzoeken

Voor wat betreft de lopende onderzoeken bepaalt de Europese Commissie uiteindelijk de EU-conformiteit van de nationale implementatie en uitvoering van EU-regelgeving. De Europese Commissie kan financiële correcties opleggen als zij concludeert dat EU-regelgeving niet op de juiste wijze door de lidstaat is geïnterpreteerd en/of uitgevoerd. Het antifraude-DG van de Europese Commissie (OLAF) kan onderzoeken starten naar vermoedens van onregelmatigheden, waaronder vermoeden van fraude met EU-subsidies.

GLB Pijler 1: Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De EU-steun voor het GLB pijler 1 bestaat uit gelden voor rechtstreekse betalingen en markt- en prijsmaatregelen. De steun voor markt- en prijsmaatregelen fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden. De maatregelen binnen het ELGF van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn als volgt onderverdeeld:

Basisinkomenssteun voor duurzaamheid BIS). In het Europees boekjaar 2025 zijn de betalingen gedaan op aanvragen ingediend in 2024. Voor de basissteun is € 362,0 mln. gedeclareerd bij de Europese Commissie.

Regelingen voor klimaat en milieu (ECO). In 2025 is € 140,2 mln. gedeclareerd bij de Europese Commissie voor regelingen op het gebied van klimaat en milieu.

Aanvullende Herverdelende Inkomenssteun voor duurzaamheid (AHI). In 2025 is € 58,0 mln. gedeclareerd bij de Europese Commissie voor aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid.

Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers (AIJL). Voor aanvullende inkomenssteun voor jonge boeren is een gedeelte van het budget voor rechtstreekse betalingen beschikbaar. In 2025 is bij de Europese Commissie € 7,4 mln. gedeclareerd voor deze aanvullende inkomenssteun aan jonge boeren.

Markt- en prijsbeleid. In 2025 bestond de reguliere steun uit operationele programma’s groente en fruit, en bijenteelt en afzetbevordering.

De declaratie voor interventies onder NSP uit de Sectorale interventies Groenten en Fruit en Bijenteelt beliep een bedrag van €159,1 mln.

Voor afzetbevordering is € 7,9 mln. uitgegeven. Het betrof hier uitgaven in het kader van schoolfruit, schoolmelk en promotieprogramma’s.

GLB Pijler 2: Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

De jaardeclaratie ELFPO 2025 bestaat deels uit NSP declaraties over de periode 2023-2027 en deels uit declaraties uit de programmaperiode 2014-2020 (Subsidieregelingen POP3), het gaat daarbij om de volgende maatregelen:

Agrarisch natuurbeheer. ANLb uitgaven in het begrotingsjaar 2025: € 64,3 mln onder NSP. Het gaat hier om uitgaven op grond van beheersovereenkomsten agrarisch natuurbeheer afgesloten op basis van provinciale regelingen (ANLb – Subsidieregeling agrarisch natuur- en landschapsbeheer). Naast deze jaardeclaratie vindt er ook cofinanciering via de provincies plaats.

Behoud zeldzame Landbouw Huisdierrassen. Dit betreft een rijksregeling van het ministerie van LVVN. Het gaat hier om een bedrag van € 2,5 mln. in 2025.

De Brede Weersverzekering. Dit betreft een rijksregeling met cofinanciering door het ministerie van LVVN. Uitgaven in het begrotingsjaar 2025 bedroegen € 11,8 mln. onder NSP.

Vestigingssteun Jonge Landbouwers. Dit betreft een rijksregeling met cofinanciering door het ministerie van LVVN. Uitgaven in het begrotingsjaar 2025 bedroegen € 18,5 mln. onder NSP.

Investeringsinterventies onder NSP. Het gaat hier om een bedrag van € 2,9 mln. plus € 15,5 mln. aan voorschotbetalingen.

Samenwerkingsinterventies onder NSP. Het gaat hier om een bedrag van € 1,4 mln. plus € 38,1 mln. aan voorschotbetalingen.

Kennisinterventies onder NSP. Het gaat hier om een bedrag van € 2,6 mln. waarvan 2,4 mln. in de vorm van vouchers.

Technische Bijstand. Maatregel 20, in de jaardeclaratie 2025 opgenomen bedrag betreffende de oude periode 2014-2020: € 2,4 mln. Onder het NSP is daarnaast € 1,4 mln. vergoed. De bedragen komen via een forfaitair percentage tot stand.

Subsidieregelingen POP3; uitgaven in het begrotingsjaar 2025:

  1. De maatregelen 01, Kennisoverdracht en voorlichtingsacties: €1,7 mln.;
  2. Maatregel 04, Investeringsregelingen: € 94,5 mln.
  3. Maatregel 16, Samenwerking: € 16,7 mln.
  4. Maatregel 19, LEADER: € 6,9 mln.

Bijlage 6: Verantwoording EU-middelen in gedeeld beheer: Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Het hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds wordt eveneens ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

Het EFMZV-instrumentarium, zoals opgenomen in het in februari 2015 goedgekeurde Operationeel Programma, is gericht op 3 hoofdthema’s:

  1. Invoering van de aanlandplicht;
  2. Verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur;
  3. Verbetering van de rendementen in de visserij- en aquacultuurketen.

Financieel overzicht EFMZV

De toenmalig Minister van EZ heeft voor de uitvoering van het GVB een Operationeel programma vastgesteld voor de periode 2014-2020. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50/50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 75% uit het EFMZV, de resterende 25% is nationale cofinanciering.

EFMZV middelen 13,9 14,1 14,2 14,5 14,8 14,9 15,1 101,5

Tot en met 2024 is er een bedrag van circa € 98.131.765 uitgegeven aan Europese middelen. In deze periode is circa € 97.774.304 aan EFMZV-middelen bij de Europese Commissie gedeclareerd. De voor Nederland beschikbaar gestelde middelen zijn tot en met 31 juli 2025 te declareren. Door gebruik te maken van de begrotingsreserve visserij blijven ook de Rijksmiddelen waarvoor nog geen uitgaven zijn gedaan, beschikbaar voor nationale cofinanciering.

EMFAF 2021-2027

Met het Europese Visserijfonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) voert Nederland het Europees Geïntegreerd Maritiem Beleid (GMB) en het Gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) uit. Het fonds loopt van 2021 tot en met 2027. Het EMFAF-programma is bedoeld voor de (middel)lange termijn en maakt middelen vrij om de uitdagingen voor deze periode aan te gaan. De hoofddoelen van het Nederlandse programma zijn:

  1. – Het verder verduurzamen van de visserijvloot door innovatie;
  2. – Rendementsverbetering en verduurzaming van de aquacultuurproductie en de verwerkende keten;
  3. – Een bijdrage leveren aan natuuronderzoek- en behoud;
  4. – Ervoor zorgen dat Nederland haar verplichtingen uit het GVB op het gebied van datacollectie en controle- en handhaving nakomt.

Het programma is in december 2022 goedgekeurd.

In december 2024 is de eerste declaratie voor het EMFAF ingediend. Dit betekent dat in 2026 de eerste audits zullen plaatsvinden over het boekjaar 2024/2025.

Investeringen in Mosselzaadinvanginstallaties (MZI)

Deze maatregel is in 2021 opengesteld om bedrijven te steunen die op mosselzaad vissen en willen investeren in de koop, bouw en plaatsing van een MZI. Beslissing op de aanvraag en uitbetaling van de subsidie konden pas plaatsvinden na goedkeuring van het programma. Het budget voor deze subsidie is tussentijds opgehoogd naar € 2.000.000,00. Er is in totaal een bedrag van € 2.139.106,00 verleend en € 1.715.660,00 uitbetaald aan de begunstigden. Er is een bedrag van € 1.633.551 gedeclareerd bij de EC.

Investeringen in SCR-katalysatoren

Deze investeringsregeling is in 2023 opengesteld om garnalenvissers te ondersteunen bij de investering in een stikstof verlagende SCR-katalysator voor hun vaartuig. Het beschikbare budget was € 10.600.000,00 waarvan in totaal een bedrag van € 6.440.803,00 was verleend en € 1.993.692,00 uitbetaald aan de begunstigden. Er is een bedrag van € 1.968.691 gedeclareerd bij de EC. Overheidsopdrachten milieueffecten en ecosystemen

Deze maatregel is in 2023 opengesteld. Deze projecten dragen bij aan de bescherming en het herstel van aquatische ecosystemen. Ook verminderen de project negatieve effecten en/of zorgen voor positieve effecten op dit milieu. Er is in totaal een bedrag van € 570.000 verleend. De uitbetaling aan de begunstigden moet nog van start gaan.

Innovatieve projecten in de visserij

Deze maatregel is in 2024 opengesteld om bedrijven te steunen in investeringen in innovatieve projecten in de visserij. De subsidie is gericht op nieuwe producten, processen of uitrusting die zullen zorgen voor een duurzame visserij en meer veiligheid aan boord. Het beschikbare budget was € 6.600.000 waarvan in totaal een bedrag van € 2.303.936 was verleend. De uitbetaling aan de begunstigden moet nog van start gaan.

Innovatieve projecten in de aquacultuur

Deze maatregel is in 2024 opengesteld om bedrijven te steunen in investeringen in innovatieve projecten in de aquacultuur. De subsidie is gericht op nieuwe technische innovaties en marktinnovaties die zullen zorgen voor een duurzame sector. Het beschikbare budget was € 3.300.000 waarvan in totaal een bedrag van € 3.000.000 was verleend. De uitbetaling aan de begunstigden moet nog van start gaan.

Financieel overzicht EMFAF

Ook bij het EMFAF is de verdeling van de tussen overheid en begunstigden in de meeste gevallen maximaal 50/50. In enkele gevallen is het aandeel van de overheid lager. Bij overheidsopdrachten kan dit juist weer hoger zijn. 70% van de overheidsfinanciering zal uit het EMFAF komen, de resterende 30% is nationale cofinanciering. De totale omvang van het EMFAF (nationale deel en EU-deel) bedraagt € 139,9 mln. Op hoofdlijnen worden de middelen op de volgende onderdelen ingezet:

  1. Economisch, sociaal en milieuvriendelijk versterken van duurzame visserij;
  2. Het verbeteren van de energie-efficiëntie en het verminderen van de CO2-uitstoot door vervanging of modernisering van de motoren van vissersvaartuigen;
  3. Het bevorderen van de aanpassing van de vangstcapaciteit aan de vangstmogelijkheden in geval van definitieve stopzetting van visserijactiviteiten en het bijdragen tot een billijke levensstandaard in geval van tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten;
  4. Het bevorderen van efficiënte controles en dataverzameling in de visserij voor kennisgedreven beleidsbepaling;
  5. Bijdragen aan de bescherming en herstellen van het aquatisch ecosysteem;
  6. Het bevorderen van duurzame aquacultuuractiviteiten, met name versterking van het concurrentievermogen van de aquacultuurproductie, terwijl ervoor wordt gezorgd dat de activiteiten op de lange termijn ecologisch duurzaam zijn;
  7. Het promoten van marketing, kwaliteit en toegevoegde waarde van visserij- en aquacultuurproducten, evenals de verwerking van deze producten;
  8. Het versterken van duurzaam zee- en oceaanmanagement door de bevordering van maritieme kennis, maritiem toezicht en/of kustwachtsamenwerking.

Bijlage 7: Rapportage Burgercorrespondentie 2025

Inleiding

Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur rapporteert hierbij over de correspondentie van het kerndepartement, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met burgers voor het kalenderjaar 2025.

Onder de term «burgerbrief» wordt volgens de definitie van de Nationale ombudsman verstaan: elk schriftelijk stuk dat een overheidsinstantie van een burger ontvangt. Het medium (brief, fax e-mail of online meldformulier) maakt daarbij niet uit. Ook het begrip burger is breed. Hieronder worden niet alleen individuele burgers begrepen, maar ook groepen en organisaties. Specifiek betreft het bezwaarschriften, klaagschriften en overige brieven & e-mails. Deze laatsten voor zover zij worden afgehandeld door het kerndepartement. Ook via Rijksoverheid.nl (verzorgd door het Ministerie van Algemene Zaken) zijn er vele contacten met burgers over de LVVN-beleidsterreinen.

Aantallen

a. Bezwaarschriften (als bedoeld in de Awb) 5.400 5.037
b. Klaagschriften 235 246
c. Overige brieven en e-mails (Kerndepartement) 950 723
c.1 Overige brieven en e-mails (NVWA) 43.550 43.705
d. Woo-verzoeken (RVO en NVWA) 560 599

A Bezwaarschriften

Het kerndepartement, RVO en NVWA ontvingen in 2025 de volgende aantallen bezwaarschriften:

2024 2025 2024 2025
Kerndepartement LVVN 20 19 41% 33%
RVO 4.560 4.205 90% 67%
NVWA 820 813 75% 62%

Toelichting:

Kerndepartement:

WJZ behandelt voor LVVN alleen Woo-bezwaren. Een aantal Woo-bezwaren was zeer omvangrijk. Na de gehouden hoorzittingen bleek in een aantal gevallen dat een nadere zoekslag noodzakelijk was, dit kost tijd. Een zorgvuldige behandeling van bezwaren is van groot belang; het voorkomt ook het instellen van beroep. Daarbij moet worden opgemerkt dat WJZ ook bezwaren/beroepen behandelt voor EZ en KGG (niet alleen Woo). De druk op de bezwaarafdeling is groot.

RVO:

De bezwaarschriften tonen een zeer divers beeld. Voor het GLB en Vestigingssteun jonge landbouwers werden meer bezwaren ontvangen, voor I&R, TTR en met name VIR juist minder bezwaren. Per saldo ontving RVO in 2025 355 minder bezwaren dan in 2024. Het percentage bezwaren dat binnen de wettelijke termijn is afgehandeld, lag aanzienlijk lager dan in 2024. De belangrijkste oorzaak is gelegen bij de opdracht GLB waar 58% van de bezwaren tijdig kon worden afgehandeld. Door het grote aantal GLB-bezwaren had dat een grote impact op het totaalcijfer.

NVWA:

In de opgave over 2025 zijn alle bezwaarschriften vermeld die zijn ontvangen. In 2025 zijn 921 zaken uitgestroomd. De bezwaarschriften zijn voor het overgrote deel ingediend door bedrijven. Individuele burgers maken weinig bezwaar tegen de NVWA besluiten omdat zij veelal geen geadresseerde van het besluit zijn. Vergeleken met 2024 is het aantal bezwaarschriften iets gedaald. Het tijdigheidspercentage is flink gedaald omdat in september 2025 een dip is ontstaan door het afdoen van bijna 200 aangehouden zaken die ruim over de termijn waren. Dit was ingegeven door een procedure bij het CBb waarbij de NVWA op de uitspraak heeft moeten wachten.

B Klaagschriften

Het kerndepartement, RVO en NVWA ontvingen in 2025 de volgende aantallen klaagschriften:

2024 2025 2024 2025
Kerndepartement LVVN 2 1 50%
RVO 87 117 96% 82%
NVWA 146 128 77% 65%

Kerndepartement:

Percentages van de behandelingstermijn zijn niet ingevuld omdat hier vanwege de beperkte omvang van het aantal klachten een zeer scheef beeld door kan ontstaan. Bij klachten wordt altijd zoveel mogelijk geprobeerd om, in overleg met klager, eerst de informele weg te volgen, wat van invloed is op de behandelingstermijn.

RVO:

Er was een stijging in het aantal klaagschriften ten opzichte van 2024. Dit komt enerzijds door een regeling binnen het GLB waarbij initieel door technische problemen veel ondernemers niet direct een aanvraag konden doen. Daarnaast zijn de vertragingen in het kunnen afhandelen van WOO-verzoeken binnen het agro domein weer een oorzaak van extra klachten.

NVWA:

Het aantal klaagschriften 2025 voor de NVWA is voorlopig. Het aantal afgehandelde klaagschriften binnen de verdaagde wettelijke termijn kan hoger worden, omdat er 19 klaagschriften nog open staan en binnen deze termijn zijn. Na afhandeling van de nog openstaande klachten in 2024, zijn uiteindelijk 86% van de klachten in 2024 afgehandeld binnen de (verdaagde) termijn (in tegenstelling tot 77% gerapporteerd in jaarverslag 2024). Er zijn in december 2025 meer klachten binnengekomen dan in december 2024, waardoor de verwachting is dat het percentage afgehandelde klachten binnen de termijn over 2025 uiteindelijk nog zal stijgen.

C. Overige brieven en e-mails

Het kerndepartement, RVO en NVWA ontvingen in 2025 de volgende aantallen overige brieven en e-mails:6

2024 2025 2024 2025
Kerndepartement LVVN 950 723 77% 90%
RVO 1.532 1.258 96% 88%
NVWA 41.068 42.447 86% 87%

Toelichting:

Kerndepartement:

Het aantal ontvangen overige brieven en e-mails is gedaald met 24% ten opzichte van 2024. Het percentage tijdig afgehandeld is gestegen met 13%.

RVO en NVWA:

RVO en NVWA ontvangen als uitvoerende en handhavende dienst elke dag vele berichten, zowel schriftelijk als telefonisch, van zowel burgers als bedrijven. Van al deze binnengekomen berichten worden de eerstelijns zaken, dit zijn o.a. de mails, brieven en online meldformulieren die via het klantcontactcentrum binnenkomen, geregistreerd.

De NVWA ontving in 2025 30.175 burgermeldingen. Dit zijn meldingen van burgers die op het toezichtgebied van de NVWA liggen. Het aantal burgermeldingen zijn exclusief de wettelijk verplichte meldingen. De burgermeldingen komen zowel schriftelijk binnen, als telefonisch. Ook heeft de NVWA 12.272 schriftelijke vragen en overige berichten bij het Klantcontactcentrum geregistreerd. Een percentage van 82,5% van de burgermeldingen is op tijd behandeld. De monitoring op de doorlooptijden van de vragen laat zien dat 97% op tijd is behandeld. Deze aantallen zijn exclusief de (reguliere) netwerkcontacten en andere schriftelijke contacten die er zijn tussen externen en andere afdelingen binnen de NVWA.

D. Woo-verzoeken

RVO en NVWA ontvingen in 2025 de volgende aantallen Wob- en Woo-verzoeken:

2024 2025 2024 2025 2024 2025
RVO 267 290 47% 64% 30 37
NVWA 293 309 33% 38% 51 66

Toelichting:

RVO:

Er zijn 299 Woo-verzoeken afgehandeld waarvan 191 binnen de termijn.

NVWA:

Ook in 2025 is er sprake van stijging van het aantal Woo-verzoeken. De NVWA heeft het afgelopen jaar 296 Woo-verzoeken afgehandeld. Op 31 december 2025 was het aantal openstaande Woo-verzoeken 81. Het percentage afgehandelde Woo verzoeken binnen de (verdaagde) wettelijke termijn van de in 2025 ontvangen en afgehandelde Woo-verzoeken is 38%. Het aantal ingebrekestellingen is het afgelopen jaar toegenomen. Hierop zijn allerlei acties gezet en is het de NVWA inmiddels gelukt om het aantal ingebrekestellingen terug te brengen naar 12 (peildatum 16 januari 2026).

In 2025 heeft de NVWA € 55.900 aan dwangsommen verbeurd. Het afgelopen jaar was er sprake van een toename van omvangrijke dossiers en meerwerk door uitgebreide zienswijzeprocedures. De NVWA is in 2024 gestart met de pilot ‘geen vovo bij bezwaar’, die inhoudt dat derde-belanghebbenden die bezwaar maken tegen openbaarmaking, geen voorlopige voorziening hoeven aan te vragen. Deze pilot was aanvankelijk voor verzoeken met meer dan 50 derde-belanghebbenden en is in 2025 uitgebreid naar alle Woo-verzoeken. In 2026 wordt de focus gelegd op efficiënt omgaan met omvangrijke Woo-verzoeken en het oriënteren op AI-tools om het Woo-proces effectiever in te richten.

Lijst van afkortingen

ABD Algemene Bestuursdienst
AC Audit Committee
ACM Autoriteit Consument en Markt
ACOI Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding
ADR Auditdienst Rijk
AI Aviaire Influenza
ALS Amyotrofe laterale sclerose
AMVB Algemene Maatregel van Bestuur
ANEVEI Algemene Nederlandse Vereniging van Eierhandelaren en Eiproductfabrikanten
ANLb Agrarisch natuur en landschapsbeheer
AO Algemeen Overleg
AP KAL Actieprogramma Klimaatadaptatie KAL
APR Annual Performance Review
AR Algemene Rekenkamer
AVG Algemene Verordening Gegevensbescherming
AVP Afrikaanse Varkenspest
BAR Brexit Adjustment Reserve
BAW Beheerautoriteit Waddenzee
BBL Bureau Beheer Landbouwgronden
BEC Beleidskwaliteit en -Evaluatiecommissie
BES Bonaire, Sint Eustatius, Saba
BHO(S) Buitenlandse Handel en Ontwikkelingsamenwerking
BIN Bedrijven Informatie Netwerk
BKD Bloembollenkeuringsdienst
BL Borgstelling MKB Landbouwkredieten
BMKB Borgstelling MKB Kredieten
BNC Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen
BNP Bruto Nationaal Product
BPF Bioprocess Pilot Facility
BR Bestuursraad
BSE Bovine Spongiforum Encephalopathy
BT Blauwtong
BVA Beveiligingsautoriteit
BVP Bedrijfsvoeringparagraaf
BVT flex Business case voor flexibele ondersteuning toezicht
BZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CA Cellulaire Agricultuur
CBb College van Beroep voor het bedrijfsleven
CBD Convention on Biological Diversity
CBL Centraal Bureau Levensmiddelenhandel
CBPP Contagieuze Bovine Pleuropneumonie
CBS Centraal Bureau voor Statistiek
CBW Cyberbeveiligingswet
CCAMLR Convention for the Conservation of Antarctic Marine Living Resources
CCD Centrale Commissie Dierproeven
CD Commissiedebat
CDM Commissie van Deskundigen Meststoffenwet
CGN Centrum voor Genetische Bronnen Nederland
CIBBRiNA Coordinated Development and Implementation of Best Practice in Bycatch Reduction in the North Atlanctic, Baltic and Mediterranean regions
CIO Chief Innovation Officer
CITES Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna
CJIB Centraal Jusititieel Incassobureau
COBK Centrale Organisatie Broedeieren Kuikens
COKZ Controle Orgaan Kwaliteits Zaken
COV Centrale Organisatie voor de Vleessector
CPBT Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie
CTGB College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en biociden
CW Comptabiliteitswet
DAW Deltaplan Agrarisch Waterbeheer
DD DuurzaamDoor
DESA Dataecosysteem Agro
DG Directoraat-Generaal
DGF Diergezondheidsfonds
DICTU Dienst ICT Uitvoering
DJI Dienst Justitiele Inrichtingen
DLO Dienst Landbouwkundig Onderzoek
DNB De Nederlandse Bank
DPC Dienst Publiek en Communicatie
EA Ecologische Autoriteit
EC Europese Commissie
EFMZV Europees Fonds voor Maritieme Zaken
EFSA Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid
EG Energie-efficiëntie glastuinbouw (voorheen EHG)
EHS Ecologische Hoofdstructuur
EIP Europees Innovatieprogramma
EK Eerste Kamer der Staten-Generaal
ELFPO Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling
ELGF Europees Landbouwgarantiefonds
EMFAF European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund
EMVAF Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds
ERK Europese Rekenkamer
ESTEC European Space Research and Technology Centre
EU Europese Unie
EZ Ministerie van Economische Zaken
EZK Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
FAO Food and Agriculture Organization of the United Nations
FEZ Directie Financieel Economische Zaken
FIFO Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames
FLEGT Forest Law Enforcement, Governance and Trade
FNLI Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie
FTE Fulltime-equivalent
GBCS Geïntegreerd beheers- en controlesysteem
GD Gezondheidsdienst voor Dieren
GGD Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst
GKN Groen Kennisnet
GL Garantieregeling Landbouw
GLB Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
GMB Europees Geïntegreerd Maritiem Beleid
GMI Garantstelling Marktintroductie Innovaties
GMO Gemeenschappelijke Marktordening
GRI Global Reporting Initiative
GVB Gemeenschappelijk Visserijbeleid
GWD Gezondsheids-en welzijnswet voor dieren
HACCP Hazard Analysis and Critical Control Points
HBO Hoger Beroeps Onderwijs
HCU High Containment Unit
HGIS Homogene Groep Internationale Samenwerking
HPAI Hoogpathogene vogelgriep
HSKT Herziening stelsel Keuren en Toezicht
HVP Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan
IAM Identity & Access Management
IBG Inbeslaggenomen goederen
IBP Interbestuurlijk Programma
ICT Informatie- en communicatietechnologie
IDL Investeringsfonds Duurzame Landbouw
IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
IHH Informatiehuishouding
IKB Individueel Keuzebudget
IMVA Immateriële vaste activa
ISB Incidentele Suppletoire Begroting
IUC Inkoop Uitvoering Centrum
IUCN International Union for Conservation of Nature and Natural Resources
IV Informatievoorziening
JLE Jong Leren Eten
JPI Joint Programming Initiatives
KAL Klimaatadaptatie Landbouw
KCB Kwaliteits-Controle-Bureau
KD Kerndepartement
KDS Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector
KDW Kritische Depositiewaarde
KEV Klimaat en Energieverkenning
KGG Ministerie van Klimaat en Groene Groei
KIA Kennis- en Innovatie Agenda
KIC Kennis- en Innovatieconvenant
KRM Kaderrichtlijn Mariene Strategie
KRW Kaderrichtlijn Water
KTO Klanttevredenheidsonderzoek
KVP Klassieke Varkenspest
LAN Landbouwraden Netwerk
LAW Landelijke Aanpak Wolf
LBI Louis Bolk Instituut
Lbv Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties
Lbv kleinere sectoren Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren
Lbv-plus Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting
LEI Landbouw-Economisch Instituut
LETLG Lerende Evaluatie Transitie Landelijk Gebied
LICG Landelijk informatiecentrum gezelschapdieren
LID Landelijke inspectiedienst dierenbescherming
LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (het huidige Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
LTO Nederland Land- en Tuinbouworganisatie Nederland
LTP Lange-Termijn-Programma
LVR Landbouw- en Visserijraad
LVV Landbouw, veeteelt en visserij
LVVN Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
Lvvp Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
LWV Landbouw, water, voedsel
MBO Middelbaar beroepsonderwijs
MC Monitorcommissie
MCEN Ministeriële Commissie Economie & Natuurherstel
MEI Marktintroductie energie-innovaties
MFIN Minister van Financiën
MFK Meerjarig Financieel Kader
MFL Multifunctionele Landbouw
MGA Maatregel Gerichte Aankoop
MGB Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging veehouderlocaties
MKB Midden- en kleinbedrijf
MKZ Mond-en-klauwzeer
MLNV Minister voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
MMIP Meerjarige Missiegedreven Innovatie Programma
MNENS Minister voor Natuur en Stikstof
MVWS Minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
MZI Mosselzaadinvanginstallaties
NAJK Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt
NAK Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen
NAM Nederlandse Aardolie Maatschappij
NBI Nederlandse Bos Inventarisatie
NCD Newcastle Disease
NDFF Nationale Databank Flora en Fauna
NEM Netwerk Ecologische Monitoring
NES Nationale Eiwitstrategie
NFP Netherlands Food Partnership
NGB Nationale Grondbank
NGF Nationaal Groeifonds
NGO Niet-gouvernementele organisatie
NGTs Nieuwe Genomische Technieken
NHV Europese Natuurherstelverordening
NIPO Nederlands Instituut voor Publieke Opinie
NKS Nationaal Kennisprogramma Stikstof
NNBW Nationaal Netwerk Brede Welvaart
NNN Natuurnetwerk Nederland
NOBV Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen
NOF Veenweide
NOVI Nationale Omgevingsvisie
NPL Nationaal Programma Landbouwbodems
NPLG Nationaal Programma Landelijk Gebied
NPPL Nationale Proeftuin Precisielandbouw
NSP Nationaal Strategisch Plan
NVIC Nederlands Veterinair Incident- en Crisiscentrum
NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
NWO Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
OBN Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit
OBUR Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeft
OCR Official Controls Regulation
OCW Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
ODI Rijksorganisatie voor Ontwikkeling, Digitalisering en Innovatie
OESO Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OIE Office international des Épizooties
OLAF antifraude-DG van de Europese Commissie
OM Openbaar Ministerie
OTO Opdrachttevredenheidsonderzoeken
OVB Overdrachtsbelasting
OVK Ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven
PAGW Programmatische Aanpak Grote Wateren
PAS Programma Aanpak Stikstof
PBL Planbureau voor de Leefomgeving
PBO Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
PGW Plantgezondsheidswet
PIA Programma Internationale Agroketens
PIT Programma Informatiehuishouding van de Toekomst
PLOOI Platform Open Overheidsinformatie
POK Parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslagen
POP Plattelandsontwikkelingsprogramma
POV Producentenorganisatie Varkenshouderij
PPLG Provinciale Programma’s Landelijk Gebied
PPS Publiek-private samenwerking
PRRS Porcine reproductive and respiratory syndrome virus
PSAN Provinciale Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer
PVP Plant Variety Protection
RBL Rijksorganisatie Beveiliging en logistiek
RBV Rijksbegrotingsvoorschriften
RDA Raad voor de Dieraangelegenheden
RDI Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, voorheen Agentschap Telecom
RENURE REcovered Nitrogen from manURE
RHB Rijkshoofdboekhouding
RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RSO Rijksschoonmaakorganisatie
RVB Rijksvastgoedbedrijf
rVDM Real-time Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen
RVO Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
RVU Regeling Vervroegde Uittreding
RWS Rijkswaterstaat
RWT Rechtspersonen met een Wettelijke taak
SABE Subsidiemodule agrarische bedrijfsadvisering en educatie
SBK Stichting Brancheorganisatie Kalversector
SBO Strategisch Belangrijke Onderzoeksprogramma's
Sbv Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen
Sda Stichting Diergeneesmiddelen Autoriteit
SDG Sustainable Development Goal
SEA Strategische Evaluatie Agenda
SEB Programma Schoon en Emissieloos Bouwen
SEB Sociaal Economische Begeleiding
SEIA Sociaal Economische Impact Analyse
Sem Subsidieregeling extensivering melkveehouderij
SER Sociaal Economische Raad
SG Secretaris-Generaal
SKAL Skal Biocontrole, voorheen Stichting Keur Alternatief voorgebrachte Landbouwproducten
SLVVN Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
SNL Subsidieregeling Natuur en Landschapsbeheer
SPUK Specifieke Uitkering
SSC Shares Service Center-ICT
SSO Shared Service Organisatie
SSRS Stikstofregistratiesysteem (Rijksbank)
STV Samen Tegen Voedselverspilling
SVD Swine Vesicular Disease (Blaasjesziekte)
SWIG Subsidie Warmte-infrastructuur Glastuinbouw
TK Tweede Kamer der Staten-Generaal
TMD Tweeminutendebat
TNO De Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek
TO2 Toegepast Onderszoek Organisaties
TPI Transitie Proefdiervrije Innovaties
TSE Transmissible Spongiform Encephalopathies
TWT Tijdelijke Wet Transitiefonds landelijk gebied en natuur
UAPB Uitvoering Aanpak Piekbelasters
UBR Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk
UNESCO United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization
UvW Unie van Waterschappen
VAMIL Regeling Vervroegde Afschrijving Milieu-investeringen
VAO Verslag algemeen (commissie)overleg
VBNE Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren
VGI Voedings- en genotmiddelenindustrie
VHR Vogel- en Habitatrichtlijn
VHS Versterkte Handhavingsstrategie
VKO Vereenvoudigde Kosten Opties
VN Verenigde Naties
VNG Vereniging Nederlandse Gemeenten
VOP Visserij Ontwikkel Plan
VRN Voortgangsrapportage Natuur
VRO Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
VSO Verslag schriftelijk overleg
VVK Vermogens Versterkend Krediet
VVM Verbeterprogramma VHR Monitoring
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WBVR Wageningen Bioveterinary Research
WEcR Wageningen Economic Research
WFBR Wageningen Food & Biobased Research
WFSR Wageningen Food Safety Research
WGB Wet Gewasbeschermingsmiddelen en biociden
WGO Wetgevend Overleg
WJZ Directie Wetgeving en Juridische Zaken
WNB Wet Natuurbescherming
WNT Wet Normering Topinkomens
WOAH World Organisation for Animal Health
WOT Wettelijke onderzoekstaken
WR Wageningen Research
WRR Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
WSER Wageningen Social & Economic Research
WUR Wageningen University & Research
ZBO Zelfstandig Bestuursorgaan
ZvA Ziekte van Aujeszky

  1. __Algemene Nederlandse Vereniging van Eierhandelaren en Eiproductfabrikanten (ANEVEI), Caring Farmers, Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV), Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), Centrale Organisatie Broedeieren Kuikens (COBK), Dierenbescherming, Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), LTO – vakgroep Pluimvee, Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) en ZuivelNL.↩︎

  2. __Met de benaming ‘Natuurplan’ wordt verwezen naar het ‘Nationaal Herstelplan’ zoals beschreven in hoofdstuk III van de natuurherstelverordening: verordening (EU) 2024/1234 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2024 betreffende natuurherstel.↩︎

  3. __Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant Groen van Onschatbare Waarde 2026-2025 (Staatscourant 2025, nr. 32493) met bijbehorende werkagenda Groenpact 4e fase 2026-2029. ↩︎

  4. __De volgende concernonderdelen schrijven een eigen openbaarheidsparagraaf bij hun jaarverslag: College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en Staatsbosbeheer (SBB).↩︎

  5. __Referentie: IPO en LVVN (2024), Elfde Voortgangsrapportage Natuur, Den Haag↩︎

  6. __Naast de 12.272 schriftelijke vragen, heeft de NVWA ook 24.090 telefonische vragen ontvangen. Deze rapportage gaat over schriftelijke correspondentie en daarom zijn de telefonische vragen niet meegenomen in het totaal.↩︎