Vragenuur (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D19357, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-22 09:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-21 14:00: Vragenuur (Vragenuur), TK
Preview document (🔗 origineel)
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig
artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen De Hoop
Vragen van het lid De Hoop aan de minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht
"Kabinet wil huurwet versoepelen: hogere huren worden toch weer
mogelijk".
De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Daarvoor geef ik als eerste het
woord aan de heer De Hoop voor zijn vragen aan de minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Hij spreekt namens de fractie
van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik heet de minister van harte
welkom in vak K. Het woord is aan de heer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Een woning is voor gewone mensen onbetaalbaar geworden. Het
was de belofte van dit nieuwe kabinet om dat op te lossen, met ook een
nieuwe minister op Wonen. We waren allemaal ontzettend benieuwd naar
haar plannen. Die zijn er nu, maar tot mijn verbazing kiest het rechtse
minderheidskabinet ervoor om exact dezelfde maatregelen als die van het
vorige kabinet, het PVV-kabinet, voort te zetten: het versoepelen van de
Wet betaalbare huur. Dat zorgt ervoor dat gewone mensen veel meer huur
moeten gaan betalen en dat pandjesbazen flink gaan profiteren. Mijn
eerste vraag aan de minister is waar dit plan vandaan komt en bij welke
partij dit in het verkiezingsprogramma stond.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik denk dat het belangrijkste op dit hele vraagstuk is dat er geen
gouden oplossing is te vinden om het goed te doen voor de huurder en de
verhuurder. In de Wet betaalbare huur, waar ik ook gewoon voor sta en
waarover we met elkaar hebben afgesproken dat die in juli 2027 wordt
geëvalueerd, spreken we nu van een hele gerichte maatregel die is
gericht op iets wat eigenlijk niet zou moeten gebeuren. Dat is dat de
voorraad van middenhuurwoningen kleiner wordt en dat we het risico lopen
dat mensen straks geen toegang meer hebben tot een middenhuurwoning, die
bedoeld is voor mensen met een middeninkomen, omdat die huizen er gewoon
niet meer zijn. De reden om nu een hele gerichte aanpassing aan de Wet
betaalbare huur te doen, is enkel en alleen voorkomen dat er straks voor
mensen met een middenhuurinkomen helemaal geen huis meer is om te kunnen
huren.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
De minister geeft geen antwoord op mijn vraag, maar ik kan het antwoord
wel geven: het plan stond niet in het verkiezingsprogramma van D66,
overigens wel in dat van de VVD, net als het verruimen van de
hypotheekrenteaftrek in plaats van het verlagen ervan en net als het
afschaffen van vaste huurcontracten. Dat zijn allemaal zekerheden waar
de Kamer de afgelopen jaren als een leeuw voor heeft moeten vechten. Ik
moet toch zeggen: die worden door deze minister in twee maanden bij het
grofvuil gezet. Ik vind dat heel erg bezwaarlijk. Toen het vorige
kabinet exact deze maatregelen voorstelde, werden ze weggestemd door een
meerderheid van de Kamer, ook door het CDA en ook door D66, maar er was
één partij die het ontzettend graag wilde: de VVD. Waarom kopieert de
minister nu precies deze plannen van het vorige kabinet, het
PVV-kabinet, en waarom heeft ze zelf geen enkel ander idee
toegevoegd?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat we gedaan hebben en wat ik gedaan heb, is het coalitieakkoord
volgen, waarin gewoon staat dat we de Wet betaalbare huur gaan
optimaliseren, simpelweg omdat mensen met een middeninkomen toegang
moeten blijven houden tot een middenhuurwoning. Wat betreft de vraag of
ik daar dan zelf geen aanvullende ideeën over heb: ik heb de Kamer
gisteren een Kamerbrief gestuurd met daarin de plannen voor de taskforce
en wat we daarbij gaan doen. Dat is een breed pakket. Daaruit komt in
december een actieplan. Daar zitten die ideeën in. Nogmaals, er is geen
oplossing waarbij je het voor iedereen in het hele woondomein goed doet.
Je zult dus heel gericht voor iedereen iets moeten doen, zonder dat je
ervoor zorgt dat er mensen zijn die geen dak meer boven hun hoofd kunnen
hebben.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
De minister heeft zelf geen enkel ander idee toegevoegd aan de
maatregelen voor de Wet betaalbare huur. Ook het uitponden was al
bekend; bij de invoering van de wet wist de Kamer dat. Er was een
bewuste keuze gemaakt om huurders toch te beschermen. Ik zou de minister
dus toch willen vragen waarom ze er niet eerst voor kiest om de wet te
evalueren.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat hier een rol speelt, is dat er wel maatregelen zijn toegevoegd. De
nieuwbouwopslag is eraan toegevoegd. Ik wacht op de evaluatie in 2027.
Ik sta ook voor deze wet. Tegelijkertijd zie ik ongewenste effecten van
de wet door het uitponden en de hoeveelheid woningen die daardoor niet
meer beschikbaar zijn voor mensen met een middeninkomen. Dat is de reden
waarom ik er nu voor kies om heel gericht iets te doen, zodat er huizen
beschikbaar blijven voor mensen met een middeninkomen die op zoek zijn
naar een huis in het middensegment.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Hoeveel huizen komen er dan extra beschikbaar door deze maatregel?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dit gaat om het voorkomen dat nog meer verhuurders ervoor kiezen de
woningen te verkopen. Verkoop is natuurlijk goed voor de volgende groep
mensen die daardoor hun starterswoning kunnen kopen, maar gaat ten koste
van de groep die met een middenhuursalaris een middenhuurwoning
zoekt.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat is wederom geen antwoord op mijn vraag over een maatregel waar de
minister blijkbaar heel veel vertrouwen in heeft. Ik vraag de minister
wat een middenhuurwoning nu kost binnen het WWS.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ken het puntenaantal: 184 punten in het WWS. Maar ik durf het
precieze bedrag nu niet te zeggen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit heel pijnlijk. Het puntenaantal is 186 punten en het bedrag
is €1.228,07. Hoeveel duurder zouden deze woningen volgens de minister
worden door de maatregelen van dit kabinet?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat is afhankelijk van de maatregel. Er zijn maatregelen waardoor de
huurprijs €30 per maand omhooggaat en er zijn maatregelen die kunnen
leiden tot een stijging met €70 per maand. Dat zijn natuurlijk grote
bedragen; dat realiseer ik me terdege. Het is een afweging die we moeten
maken tussen geen beschikbare woningen versus de huur omhoog doen voor
een aantal woningen binnen dit segment.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het pijnlijk om te constateren, maar ook dit antwoord klopt
niet. Met deze aanpassing kan die huurprijs in bijvoorbeeld de grote
steden door de WOZ-waarde oplopen tot meer dan €1.300 per jaar. Deze
minister heeft zelf nog niet eens door wat de consequenties zijn voor
hele gewone mensen, voor hele gewone mensen die de rekening nu al niet
kunnen betalen, van de maatregel die zij treft. In dezelfde week waarin
dit kabinet maatregelen aankondigt om de bestaanszekerheid van mensen te
waarborgen en in een tijd van een oliecrisis weet de minister niet eens
wat de consequenties zijn van de maatregelen en hoeveel extra geld die
mensen gaan kosten. Ze kan niet eens benoemen hoeveel punten een woning
in de middenhuur is en wat de huur daarvan is. Dat is €1.228,07. Hoeveel
van hun netto-inkomen zijn jongeren tot en met 35 jaar kwijt aan die
€1.228,07, denkt de minister?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben het met de heer De Hoop eens dat het belangrijk is dat we zorgen
dat huizen betaalbaar blijven. Ik ben het ook met u eens dat het
woningwaarderingsstelsel ons daar houvast bij geeft en dat dat maximum
van 186 punten een belangrijk element is om daarin betrouwbaar en
transparant te kunnen zijn. Het klopt wat u zegt; het wordt duurder.
Zoals ik zei leidt het ene element tot €30 in de maand meer en het
andere tot €70 in de maand meer. Met de WOZ zal het inderdaad meer zijn
dan deze bedragen. Tegelijkertijd is het uitgangspunt hierbij dat er
middenhuurwoningen beschikbaar moeten blijven. Dat is volgens mij het
allerbelangrijkste, want als er geen middenhuurwoningen beschikbaar
zijn, dan hebben mensen geen dak boven hun hoofd. Volgens mij is dat nog
veel zorgelijker.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik concludeer dat deze minister of geen enkel idee heeft wat de
consequenties zijn van de maatregelen die zij wil treffen, of heel
bewust de keuze maakt om pandjesbazen te laten prevaleren boven mensen
die in die dure huurwoningen zitten. Ik weet eerlijk gezegd niet wat ik
erger zou vinden. Dat doen, in een tijd waarin de prijzen zo stijgen
door de crisis dat mensen de boodschappen al bijna niet meer kunnen
betalen, en terwijl het kabinet nota bene gisteren nog met een
crisispakket kwam om ervoor te zorgen dat mensen hopelijk de komende
tijd de maanden nog door kunnen komen, is niet alleen onnavolgbaar, maar
ook onrechtvaardig. Dan begrijp je niet hoe groot de zorgen van mensen
zijn. Als de minister hier niet eens kan vertellen hoe het WWS in elkaar
zit en hoe hoog die huren worden, dan hoop ik dat deze minister heel
goed te rade gaat of dit nu wel een verstandig idee is.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik hoor de heer De Hoop goed. Ik ben het geheel met hem eens dat het
ongelofelijk ingewikkeld is om het op de woningmarkt zoals die nu is
voor alle partijen goed te doen. Dit gaat met name om een hele gerichte
actie om iets te stoppen wat aan de hand is, namelijk het uitponden ván.
We hebben verhuurders die in de meeste gevallen vol eer en geweten
huizen verhuren in het middensegment, soms zelfs voor minder dan wat ze
ervoor zouden kunnen krijgen als ze dat in de particuliere sector zouden
doen. We hebben daar het een en ander voor ingeregeld. Ik doe nu een
heel gericht voorstel om daar een aanpassing in aan te brengen. Die moet
ertoe leiden dat er woningen beschikbaar blijven voor het
middenhuursegment.
Mevrouw Beckerman (SP):
De minister wil de wooncrisis oplossen met precies die maatregelen die
de wooncrisis hebben veroorzaakt, namelijk nog meer markt. Eerst was het
minister Stef Blok die met hoge huren en flexibele huurcontracten de
woningmarkt op kwam, en nu is het deze minister: een Blok-alike. Hoe
denkt de minister de wooncrisis te gaan oplossen met maatregelen die de
huidige wooncrisis juist veroorzaakt hebben?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nogmaals, ik geloof niet in een gouden oplossing voor de hele woonmarkt.
Ik begrijp de wens om het nu te hebben over de Wet betaalbare huur en
wat die moet doen in het kader van de zorg voor alle mensen die huren,
maar de markt is groter dan dat. We hebben ook verhuurders nodig. We
hebben corporaties nodig. We hebben zo ongelofelijk veel nodig van dat
hele segment om te komen tot oplossingen voor al die categorieën mensen
die op zoek zijn naar een woning. Het gaat hier over de Wet betaalbare
huur. Ik doe een hele gerichte aanpassing aan deze wet, waarbij ik zeg:
op deze manier kunnen we ervoor zorgen dat er überhaupt nog huizen zijn
voor het middenhuursegment. Ze moeten ook bijgebouwd worden — dat ben ik
helemaal met u eens — maar daar kunnen deze mensen niet op wachten.
Mevrouw Beckerman (SP):
De markt faalt. Zo simpel is het. De vastgoedlobby heeft u misschien
wijsgemaakt dat nog hogere huren de oplossing zijn, maar die kunnen
mensen niet betalen. We zien al die ministers kiezen voor óf meer markt
óf een onsje markt minder, terwijl de echte oplossing uitblijft. De
echte oplossing is namelijk dit niet aan de markt over te laten. Is deze
oplossing überhaupt in beeld bij de minister? Ik doel dan op de
oplossing om te zorgen dat er meer woningen zijn voor middeninkomens en
dat eens een keer niet aan de markt over te laten.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De oplossing die we voor ogen hebben, is dat er 100.000 huizen per jaar
bij moeten. Om dat te realiseren hebben we met elkaar gesproken over de
Wet versterking regie volkshuisvesting. Daar zitten allerlei maatregelen
in waarmee we gaan reguleren dat er voldoende huizen komen voor de
verschillende categorieën. Ik denk dat dat iets is waar we met volle
vaart en vol vertrouwen achteraan moeten gaan, zodat de woningen die
gebouwd worden een oplossing vormen voor het vraagstuk dat er ligt. Het
heeft in mijn beleving geen zin om alleen maar te kijken naar wie hier
rijker of armer van wordt. Uiteindelijk gaat het erom dat we ervoor
moeten zorgen dat de mensen met een middeninkomen een middenhuurwoning
kunnen krijgen, zodat ze hun leven daarin kunnen voortzetten.
De heer Van Leijen (D66):
We hebben veel meer middenhuurwoningen nodig, anders vist de
politieagent, de verpleegkundige of de onderwijzer continu achter het
net. Dus ik denk dat het goed is dat er nu gelijk maatregelen genomen
worden die ervoor zorgen dat die middenhuur een boost krijgt. Mijn
fractie denkt wel dat naast de Wet betaalbare huur er nog wel heel veel
meer nodig is om die boost echt te realiseren. Dus mijn vraag aan de
minister is welke maatregelen zij concreet de komende maanden gaat nemen
om te zorgen dat er meer middenhuurwoningen bij komen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat we in ieder geval gaan doen — los van wat we in de taskforcebrief
hebben geschreven, op weg naar september, over wanneer er een actieplan
moet liggen waarin we ook iets met fiscaliteit gaan doen — is de
verruiming van de staatssteun voor het bouwen van middenhuur in lijn met
DAEB benutten. Dat gaan we uitwerken in de Woningwet. Vervolgens gaan we
ook kijken naar het investeringsklimaat voor marktpartijen als het gaat
om fiscaliteit.
De voorzitter:
Uw tweede vraag, meneer Van Leijen.
De heer Van Leijen (D66):
Ik denk ook dat woningcorporaties in die middenhuur een enorme rol te
spelen hebben. Het is mooi dat die ruimte er komt en dat die door de
minister benut gaat worden. Kan ze daar wat specifieker over zijn?
Hoeveel extra woningen komen erbij als woningcorporaties aan middenhuur
kunnen gaan doen, als dat DAEB wordt?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat zou moeten leiden tot 5.000 woningen per jaar.
De heer Mooiman (PVV):
Allereerst is het natuurlijk belangrijk dat de huren zo betaalbaar
mogelijk blijven. Tegelijkertijd is het ook belangrijk dat er woningen
zijn die betaalbaar zijn, zodat mensen ook daadwerkelijk ergens
terechtkunnen. Maar goed, om juist die bijsturing in een eventuele
wetswijziging, of hoe je het wil noemen, plaats te laten vinden, hadden
we ook met elkaar afgesproken om die Wet betaalbare huur te gaan
evalueren. Tegelijkertijd zien we dat de minister daarop vooruitlopend
met allerlei voorstellen komt. Dan vind ik het toch wel lastig dat de
minister geen antwoord heeft op de vraag hoeveel woningen er dan bij
komen met de wijzigingen en de voorstellen die de minister nu doet. In
hoeverre gaat dit voor mensen tot hogere huren leiden? Ik zou daar toch
van de minister wel een antwoord op willen hebben.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begrijp de vraag en het is ook een terechte vraag, maar dit gaat
nadrukkelijk niet over iets terugkrijgen wat al weg is. De huizen die
verkocht zijn, zijn verkocht. Dit gaat over het stoppen van het verder
uitponden van de huizen. Ik kan u niet aangeven hoeveel mensen dat dan
niet gaan doen. Wat ik u wel kan aangeven is dat het door deze
maatregelen minder aantrekkelijk wordt om dat te doen en het juist
aantrekkelijker wordt om te blijven verhuren, met het oog op
beschikbaarheid van huizen voor mensen met een middeninkomen in de
middenhuur.
De heer Mooiman (PVV):
Dat begrijp ik. Toch lijkt mij dat de minister voordat ze deze keuzes
maakte, wel inzichtelijk heeft wat de effecten van de keuzes zijn. Hoe
gaan we er uiteindelijk voor zorgen dat er voldoende betaalbare
huurwoningen zijn en wat betekent dat voor mensen voor de huurprijs? Die
effecten moet de minister toch duidelijk hebben? Je kan toch geen beleid
maken zonder dat je dat scherp hebt?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
We hebben de effecten inzichtelijk als het gaat over de vraag tot welke
huurstijging deze gerichte maatregelen uiteindelijk leiden. Deze
gerichte maatregelen gaan over het stoppen van iets wat disproportioneel
aan de hand was, namelijk het uitponden van woningen in het
middenhuursegment. Natuurlijk moeten we bekijken wat daar verder de
consequenties van zijn. We hebben ook de evaluatie; die wordt in juli
volgend jaar opgeleverd. Daar gaan we dan met u over in gesprek. Deze
specifieke handeling is echt gericht op het stoppen van het uitponden,
zodat er huurwoningen beschikbaar blijven voor mensen met een
middeninkomen. Dat staat voor mij voorop. Het feit dat ik dit doe en dat
ik hiervoor heb gekozen, moet leiden tot minder uitponden en meer
beschikbaarheid zodat mensen met een middeninkomen überhaupt een huis
kunnen huren.
De heer Nobel (VVD):
Allereerst denk ik dat het ontzettend goed is dat dit kabinet de eerste
stappen heeft gezet om de negatieve effecten van de Wet betaalbare huur
tegen te gaan. Complimenten daarvoor. Tegelijkertijd hoor ik de minister
zeggen dat we ervoor moeten zorgen dat het uitponden stopt. Er is een
uitvraag gedaan onder verhuurders of zij denken dat ze met deze
maatregelen nog steeds in het middenhuursegment zullen blijven verhuren.
Daaruit blijkt dat slechts 6% voornemens is dat te doen. Denkt de
minister dat deze maatregelen, deze eerste stap, met betrekking tot de
Wet betaalbare huur afdoende zijn?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nee, dat denk ik niet. Ik denk dat het een eerste stap is. Ik heb die
onderzoeken ook gelezen. Ik heb de reacties natuurlijk ook gelezen. Ik
heb de percentages van het vertrouwen dat dit genoeg gaat zijn ook
gezien. Ik ben me ervan bewust dat dit op zichzelf niet genoeg is om het
hele tij te keren. Maar ik heb er alle vertrouwen in dat het genoeg is
om nu een dempende werking op het uitponden te hebben. Daarnaast heeft u
in de Kamerbrief van de taskforce kunnen lezen dat we fiscaliteit echt
op de agenda van de taskforce gaan zetten en dat we in september met een
actieplan komen waarin we die fiscaliteit meenemen als onderdeel van de
hele sector.
De heer Nobel (VVD):
Ik denk dat het ontzettend verstandig is om ook naar de fiscaliteit te
kijken, want daarin moet ontzettend veel gebeuren, maar ik hoorde de
minister zojuist ook zeggen: ik wacht tot de evaluatie; ik denk dat dit
afdoende is om het effect van het uitponden nu te dempen. Dat denkt de
VVD in ieder geval niet. Dat blijkt ook uit de uitvraag die is gedaan
bij verhuurders. Het goede nieuws is dat vijf op de zes verhuurders
zegt: wij willen wel blijven verhuren, maar dan zal de minister echt
meer stappen moeten zetten dan zij nu van plan is, ook wat betreft de
Wet betaalbare huur. Mijn vraag aan de minister is dus: wanneer komt zij
met vervolgstappen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De evaluatie is volgend jaar juli afgerond. Dan komt die uw kant op. Dat
is het eerstvolgende moment.
Mevrouw Steen (CDA):
Dank aan het kabinet voor het sturen van deze twee uitvoerige brieven,
waarin een aantal maatregelen zijn opgenomen. Ik denk dat wij allemaal
weten dat voor zowel de betaalbaarheid als de beschikbaarheid van
middenhuurwoningen het versnellen van de bouw van woningen uiteindelijk
de allerhoogste prioriteit heeft. Ik heb gelezen dat de minister daar
wat over heeft opgeschreven. Mijn vraag is: gaat parallel plannen nou in
elke gemeente uitgerold worden en kan dat dan ook digitaal? Dat is
namelijk wat je uiteindelijk wilt: sneller huizen bouwen met ambtenaren
die daar tijd voor hebben.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel voor uw vraag. Het antwoord is ja. Zoals ik in de
taskforcebrief heb geschreven, zit de grootste tijdwinst in het proces
tussen het ontwerp en de vergunningen. Daar zit nu ongeveer acht jaar
tussen. Dat moeten we terugbrengen naar vier jaar. Dat kan alleen door
digitalisering en door gebruik te maken van AI. Ik ben gisteren in
Almelo geweest. Ook Groningen zat daarbij aan tafel. Daar hebben mensen
laten zien hoe zij dat doen en hoe zij tijd gaan winnen door
tegelijkertijd te plannen in plaats van achter elkaar te plannen. Dit
zijn allemaal initiatieven die gemeentes vooral met elkaar moeten delen
om ervoor te zorgen dat die versnelling er komt. Op de vraag hoe we
gemeentes daar dan bij gaan helpen, zeg ik het volgende. In dezelfde
brief stond dat we een pool van tussen de 200 en 220 medewerkers gaan
samenstellen. Die gaan dat dus niet voor iedere individuele gemeente
doen; de bedoeling is dat zij er met elkaar voor gaan zorgen dat het
lerende effect heel snel leidt tot versnelling, dus terug van acht naar
vier jaar.
Mevrouw Steen (CDA):
Voor die flexpool heeft het CDA natuurlijk al jarenlang gepleit, dus we
zijn blij dat die er nou eindelijk komt. Kan de minister aangeven
wanneer zij iets naar de Kamer terug kan laten komen? Wanneer zien we
dat het ook daadwerkelijk effect heeft?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daar kom ik in september met het actieplan op terug. Dan kan ik, denk
ik, het beste in een commissiedebat terugkoppelen waar we staan.
De heer Russcher (FVD):
We hebben in de afgelopen periode gezien dat de Wet betaalbare huur
ervoor gezorgd heeft dat bijna de complete middenhuur verdwenen is. De
minister komt nu met een kleine ingreep. Ze gaf net al aan dat ze denkt
dat die wellicht niet afdoende is en dat we moeten wachten tot de
evaluatie van volgend jaar juli. Wat Forum voor Democratie betreft gaat
de Wet betaalbare huur nu al door de shredder en stoppen we daarmee,
zodat er weer woningen beschikbaar komen in het middenhuursegment. Mijn
vraag aan de minister is welke tweede set aan maatregelen zij nodig acht
om de situatie op de huurmarkt te verbeteren.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik wacht verder de evaluatie over de Wet betaalbare huur af, die in juli
volgend jaar aan uw Kamer wordt gestuurd. In de tussentijd gaan we
vooral aan de slag met de elementen die ik in de taskforcebrief heb
opgenomen. Daarin staat ook een heel deel over wat we met fiscaliteit
willen doen. Daar ga ik me op richten.
De heer Russcher (FVD):
De heer Nobel van de VVD gaf net ook al aan dat maar 6% van de
verhuurders deze maatregelen voldoende acht om te blijven verhuren. Dan
kunnen we toch niet gaan wachten tot volgend jaar juli om deze situatie
op te lossen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik denk dat we met deze sector vooral het gesprek moeten voeren dat wij
nodig hebben dat zij dat wel blijven doen. We moeten in gesprek blijven
over de manier waarop we de fiscaliteit kunnen verbeteren om dit toch
mogelijk te maken.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik sta me toch wel een beetje te ergeren. Opgewarmde prak van de
ambtsvoorganger van deze minister, onze collega Keijzer, wordt hier
verkocht als een soort panacee waarmee de uitponding van allerlei
huurwoningen zou gaan stoppen. Het zijn marginale wijzigingen.
Tegelijkertijd weten we heel goed dat we niet hoeven te wachten op een
evaluatie om er in de tussentijd wat aan te doen, namelijk door allerlei
regels in box 3 te veranderen, zoals de leegwaarderatio en regels met
betrekking tot de inbrengwaarde in dat nieuwe box 3-stelsel.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Wat gaat de minister tussen nu en die evaluatie al doen om niet alleen
in gesprek te gaan? Want we weten drommels goed wat er verbeterd moet
worden in box 3. Met welke voorstellen gaat ze daadwerkelijk komen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel voor die vraag. Er moet een heleboel gebeuren op het gebied
van fiscaliteit, voor de hele bouwsector en om de opgave van 100.000
woningen voor elkaar te krijgen. Dat lukt alleen als we hier breder naar
kijken, niet alleen gekoppeld aan de Wet betaalbare huur, vandaar mijn
bredere brief vanuit de taskforce en vandaar ook mijn belofte dat ik in
september met een actieplan kom waarin ook de lijn fiscaliteit is
geborgd.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De minister komt woningcorporaties tegemoet en komt de verhuurders
tegemoet, maar wat doet ze nu voor de huurders? We hoorden net van
meneer De Hoop dat je op jaarbasis ruim €1.300 meer huur moet gaan
betalen. Niet iedereen kan dat betalen. Wat doet de minister nu voor de
huurders?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat is een terechte vraag. Wat we proberen te doen voor de huurders, is
het volgende. Dit geldt niet voor alle middenhuurwoningen. Niet van alle
middenhuurwoningen gaat de huur €1.300 omhoog. Dat is afhankelijk van
het woningwaardestelsel en waar die WOZ-cap op zit. Dat is met name van
toepassing in grote steden en dan met name in Amsterdam. Voor de
huurders zorgen we er in ieder geval voor dat de delen die leiden tot
een huurverhoging niet in één keer toegevoegd worden aan de verhoging
van de huur, maar dat dat in een stappenplan gaat, behalve op de WOZ,
die inderdaad mee omhooggaat. We moeten daar met elkaar over in gesprek,
zodat niemand hierdoor onder water belandt.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik heb het idee dat pandjesbazen een betere lobby hebben bij de minister
dan huurders. Ik zou eigenlijk wel aan de minister willen vragen of zij
aan de verpleegkundige en de politieagent die al die dure woningen
moeten huren, wat net gezegd is, kan uitleggen hoe zij daartegen
aankijkt.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat ik het allerbelangrijkste vind, is dat de verpleger, de
politieagent, de militair en al die anderen in staat zijn om ergens een
woning te huren. Daarvoor moet er voorraad zijn en moet die voorraad
verhuurd worden door iemand. Dat kan door een corporatie zijn, maar dat
kan ook door particulieren zijn. We moeten de mensen niet tegenover
elkaar zetten, want er zijn ook een heleboel mensen die hun hart echt op
de goede plek hebben zitten en huizen verhuren omdat ze ergens aan
willen bijdragen. Het belangrijkste in dit hele narratief is de
beschikbaarheid van woningen voor mensen die daar aanspraak op willen
maken, zoals u zegt. Maar dan moeten die huizen er wel zijn en hebben we
wel mensen nodig die willen blijven verhuren.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik zie een minister die heel veel vertrouwen heeft in de plannen die ze
voorstelt, die vooral uit het kopieerapparaat van het vorige kabinet
komen, maar niet kan schetsen wat het nou oplevert, hoeveel woningen het
nou oplevert. Ik zou nog één keer voor de minister willen schetsen wat
de consequenties zijn. Voor 25.000 woningen in de grote steden wordt de
huur veel duurder, voor 10.000 monumentale woningen. Voor tienduizenden
studenten verdwijnt hun vaste contract mogelijk. Wil de minister nog één
keer heel goed overwegen of het toch niet verstandig is dat er een
evaluatie komt voordat deze wet uitgevoerd wordt, omdat ze zelf
blijkbaar de consequenties ook nog niet helemaal scherp heeft?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben van mening dat wij ervoor moeten zorgen dat er voldoende
middenhuurwoningen zijn voor mensen met een middeninkomen. Daar ligt
onze verantwoordelijkheid.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Lohman
Vragen van het lid Lohman aan de minister van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het bericht
"Waterschap gaat strijd aan met rivierkreeft en legt rekening bij
Rijk".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Lohman voor zijn vragen aan de minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, die ik van harte
welkom heet in vak K. De heer Lohman stelt zijn vraag namens de fractie
van het CDA. U heeft het woord.
De heer Lohman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het verbaast me eigenlijk dat de rivierkreeft
weer in het nieuws is, want de problematiek rondom rivierkreeften is al
jaren bekend. Inmiddels is er een ecologische ramp ontstaan. Het lukt
ons maar niet om die onder controle te krijgen.
Mijn eerste vraag aan de minister in dit kader is: hoe beoordeelt de
minister de impact van de Amerikaanse rivierkreeft op biodiversiteits-
en waterkwaliteitsdoeleinden, zoals de KRW?
De voorzitter:
De minister.
Minister Van Essen:
Voorzitter. Ik ben het met de heer Lohman eens dat de uitheemse
rivierkreeft een groot probleem vormt voor onze Nederlandse wateren. Die
rivierkreeften planten zich snel voort en vreten alles wat in het water
leeft. Zo vormen ze een probleem, zowel voor de waterschappen als voor
IenW, als je het hebt over waterkwaliteit, en voor LVVN, als het gaat om
natuur en biodiversiteit. Vanuit die verantwoordelijkheden wil ik ook
graag met die partijen samenwerken om "het rode gevaar", zoals sommigen
deze noemen, te bestrijden. Ik moet eigenlijk zeggen: beheersen.
De heer Lohman (CDA):
De minister geeft zelf in het artikel van NOS aan dat uitroeien
eigenlijk niet meer lukt. Beheer en bevissen zijn dus de enige
oplossing. Wat zijn volgens de minister de belemmeringen voor het
opschalen van de visserij? Wat kan de minister wellicht doen om deze weg
te nemen?
Minister Van Essen:
Wat belangrijk is, is dat we ruimhartig zijn — dat is de RVO ook — in
het verlenen van ontheffingen aan waterschappen, zodat zij met hun eigen
medewerkers de rivierkreeft weg kunnen vangen. De staatssecretaris
bereidt ook een wijziging van regelgeving voor, zodat waterschappen
zonder ontheffingen die selectieve vistuigen mogen gebruiken. Het
streven is om dat op 1 januari 2027 in werking te hebben. Momenteel
loopt er ook een onderzoek naar selectieve vistuigen die aanvullend
kunnen worden toegestaan. Hierdoor wordt op termijn de gereedschapskist
van waterschappen steeds verder gevuld om rivierkreeften te kunnen
wegvissen. Dat is belangrijk.
De heer Lohman (CDA):
Dat lijkt me een mooie ontwikkeling, want het is een totaal absurde
situatie dat de supermarkt hier vol ligt met de staartjes van precies
dezelfde rode rivierkreeft, maar dan gekweekt en geïmporteerd vanuit
China. En dat terwijl ze hier letterlijk de sloot uit komen lopen. Dat
schreef culinair journalist Joël Broekaert al in 2022. De rekening voor
beheer wordt als een hete aardappel heen en weer geschoven, terwijl er
wel degelijk een businesscase te maken is waardoor niet alle kosten
terechtkomen bij de belastingbetaler. Het probleem is dat er geen goede,
stabiele, georganiseerde en rendabele keten is. Die is ook moeilijk op
te bouwen als de aanvoer onzeker is en het beleid versnipperd
blijft.
In dat kader heb ik nog een vraag voor de minister. Is hij bekend met
het onderzoek van Wageningen University & Research, ook uit 2022,
waaruit blijkt dat er wel degelijk kansen zijn voor het opschalen van
een rivierkreeftenketen?
Minister Van Essen:
Ik ben bekend met het onderzoek van de WUR dat net werd aangehaald. In
het kader van de uitvoeringsagenda visserij ligt dit bij de
staatssecretaris om verder op te pakken. Dat doet hij ook. In algemene
zin — dat is wel goed om te zeggen — wordt dit soort onderzoeken altijd
betrokken bij de beleidsvorming van LVVN.
De heer Lohman (CDA):
Dan haal ik nog een keer Joël Broekaert aan: "Rivierkreeftjes zijn net
als hun zoutwaterneven aangenaam zoet. De structuur van het vlees is,
mits niet te lang gekookt, lekker verend knapperig bij het kauwen. Je
kan er dus een heerlijke bisque van trekken." Dat zal ook wel moeten,
want een essentieel probleem is dat alleen de grote rivierkreeften op
dit moment aftrek vinden. We moeten dus een oplossing vinden voor de
kleintjes.
Ik heb nog een vraag voor de minister: is hij bekend met het Zeeuwse
bedrijf Crustalicious?
Minister Van Essen:
Het begin van de vraag klinkt heel smakelijk. Ik ben bekend met dat
bedrijf. We werken met al dat soort stakeholders samen, ook aan de
uitvoeringsagenda visserij, die ik al noemde. In dat kader lopen al
gesprekken met de visserijsector, maar zeker ook met de verwerkende
partijen. Er is ook al een bezoek gebracht aan dit bedrijf namens LVVN.
Er wordt ook gezocht naar concrete mogelijkheden om de afzetmarkt verder
te vergroten, want dat is ook een probleem voor de rivierkreeft.
De heer Lohman (CDA):
Ik ben blij om dat te horen. Het bedrijf heeft inderdaad een machine
ontwikkeld om ook de kleine rivierkreeftjes te kunnen verwerken tot een
smakelijke, eiwitrijke massa. Die machine heeft een output van 500 kilo
per uur. Dat zet wat meer zoden aan de dijk dan alleen het verwerken van
de grote vissen.
U raakt inderdaad een belangrijk punt aan: er zijn gesprekken geweest.
Ik begrijp dat er ook gesprekken zijn geweest tussen provincie,
waterschappen en dit bedrijf. Mijn laatste informatie is dat dat wel een
beetje stokt. Mijn laatste twee vragen aan de minister zijn dus de
volgende. Kan het Rijk meer regie nemen in het opzetten van de
businesscase, zodat uiteindelijk niet de belastingbetaler voor de kosten
opdraait, maar dat een deel daarvan — het zal niet alles zijn — ook via
de verkoop betaald wordt? Welke rol ziet de minister voor zichzelf en
voor het Rijk om een goed functionerende keten te faciliteren?
Minister Van Essen:
Wat ik voor mezelf zie, is met name de impact van deze rivierkreeft op
de kwetsbare natuur en biodiversiteit. Zoals gezegd, komt de
staatssecretaris met een uitvoeringsagenda visserij, waarin ook de
vragen van de heer Lohman verder vormgegeven kunnen worden. Volgens mij
heeft u waardevolle suggesties gedaan, met een mooi Nederlands bedrijf
dat hier een oplossing kan bieden. Ik wil uw suggesties dus graag
meenemen, niet alleen naar mijn collega, maar ook naar de gesprekken die
ik heb met de Unie van Waterschappen en met IenW. We willen namelijk
graag voor de zomer nog met een brief komen in het kader van de
rivierkreeft. Het is dus tweeledig: het debat Visserij dat u 16 juni
heeft, zo heb ik mij laten informeren, maar ook mijn eigen gesprekken in
het kader van die kwetsbare natuur.
De heer Lohman (CDA):
Ter afronding. Ik hoop inderdaad dat er een smakelijke oplossing
gevonden kan worden, waarbij de rekening niet enkel bij de burger komt
te liggen. Ik wil nog benoemen dat dezelfde ketenproblematiek ook bij
andere kleinschalige vormen van visserij speelt. Wellicht kunnen we deze
rivierkreeftjescrisis dus aangrijpen als kans om hier ook strategisch
over na te denken.
Minister Van Essen:
Ik wil de heer Lohman danken voor de suggesties. Zoals gezegd, neem ik
deze graag mee naar de twee genoemde plekken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er zijn veel grotere crisissen in Nederland op dit moment, maar de
problematiek met de rivierkreeften is aanzienlijk. De vorige
staatssecretaris, Jean Rummenie, heeft zich heel erg ingezet voor het
wijzigen van de wet- en regelgeving rond het aanpassen van vistuigen
voor de rivierkreeft. In januari is daarover een consultatie geweest. Nu
hebben we een nieuw kabinet, van VVD, D66 en CDA, maar duidelijkheid
blijft uit. Mijn vraag aan de minister is: wanneer komt het kabinet nou
met de verwerking en uitkomsten van de consultatie die al is geweest? Er
moet namelijk zo snel mogelijk duidelijkheid komen, zodat vissers en
waterschappen hiermee aan de slag kunnen.
Minister Van Essen:
Het klopt wat mevrouw Van der Plas zegt: die consultatie is geweest. Dat
moet ook opleveren dat we dit vraagstuk beter beet kunnen pakken. Ik heb
zojuist al toegezegd met een Kamerbrief te komen over dit vraagstuk,
zowel het natuurvraagstuk als wat hier wordt meegegeven. Daarin zal ik
mevrouw Van der Plas hopelijk duidelijkheid bieden.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Ik
stel voor dat we ook recepten met elkaar gaan uitwisselen naar
aanleiding van de vragen van de heer Lohman.
Vragen Vellinga-Beemsterboer
Vragen van het lid Vellinga-Beemsterboer aan de
minister van Infrastructuur en Waterstaat over het bericht
"Start droogteseizoen: lage grondwaterstanden en eerste beperkingen op
watergebruik".
De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Vellinga-Beemsterboer voor haar vragen
namens de fractie van D66 aan de minister van Infrastructuur en
Waterstaat, die er nog niet is. Maar hij is ongetwijfeld aanstonds, dus
laten we even een kort ogenblik wachten en schorsen. Zodra de minister
plaatsneemt in vak K, krijgt mevrouw Vellinga-Beemsterboer het woord. De
vergadering is heel kort geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Dat ging heel snel. Het woord is aan mevrouw
Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Water is de basis van alles wat we doen. We
drinken het, we verbouwen er ons voedsel mee en onze natuur kan er niet
zonder. En toch merken we steeds vaker dat er tekorten zijn, zoals in de
zomer. Van de afgelopen acht jaar waren er vijf lentes en zomers te
droog. Dat zorgt voor grote problemen: droge akkers en tuinen, lage
waterstanden en een verbod op sproeien. Het is nu pas half april en
zelfs nu merken we de watertekorten al op veel plekken in het land. Dat
raakt mensen thuis, dat raakt boeren en dat raakt bedrijven. We mogen
dus niet afwachten, maar we moeten vooruitkijken, innoveren, besparen en
voorkomen dat er tekorten ontstaan. We weten namelijk dat het anders
kan. Nederland is hét waterland. Wij zijn kampioen watermanagement en we
zijn al decennialang koploper als het gaat om innovaties op het gebied
van water. Ook het droogteseizoen kunnen wij het hoofd bieden. Dat
vraagt om keuzes, maar vooral ook om tempo en actie.
Ik heb drie blokjes vragen voor de minister. Ik begin met deze. Wat doet
de minister nu om het dreigende tekort aan water te voorkomen? Zijn er
scenario's uitgewerkt en ligt er een plan klaar? Wat doet de minister
als er toch grote watertekorten ontstaan? Hoe zorgt hij ervoor dat
mensen nooit zonder water komen te zitten?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Karremans:
Dank u wel, voorzitter. Twee weken geleden stond ik hier nog vanwege
kerosinetekorten en nu om watertekorten; het kan verkeren, zou ik bijna
willen zeggen. Het is niet … Het is wel een ontzettend belangrijk
onderwerp. Ik wilde natuurlijk zeggen: het is niet een minder belangrijk
onderwerp dan de kerosine.
Ten aanzien van de schaarste met betrekking tot water is het natuurlijk
belangrijk om schaarste zo veel mogelijk te voorkomen. Daartoe beginnen
we in juni weer een campagne richting mensen om zo min mogelijk
drinkwater te gebruiken. We werken daarbij nauw samen met de
waterschappen om te kijken wat we hierop kunnen doen. Alle overheden en
alle watergebruikers hebben daar een rol in. Om beter voorbereid te zijn
op droge periodes zijn we nu bezig met het Nationaal Water Programma,
waarin een samenhangend pakket zit met beleidsinstrumenten, waaronder
het optimaliseren van de nationale waterverdeling en het instellen van
grondwateronttrekkingsplafonds, juist om schaarste te voorkomen. Er komt
ook een voorkeursvolgorde in het geval dat er schaarste ontstaat.
Overigens is die er voor een deel al, want in geval van extreme droogte
en daarmee dus schaarste aan water komt de Landelijke
Coördinatiecommissie Waterverdeling bij elkaar. Zij kijken dan hoe het
water het beste kan worden verdeeld zodat in ieder geval alle vitale
functies in Nederland die afhankelijk zijn van water, door kunnen
blijven gaan.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik ben blij om te horen dat de minister het ook een belangrijk onderwerp
vindt en iedereen bij elkaar brengt om dit samen het hoofd te bieden. Ik
wil ook even vooruitkijken. Er zijn heel veel grote woningbouwplannen
voor gebieden waar het drinkwater nu al onder druk staat, zoals Utrecht
en Den Haag. De minister zit ook in de Taskforce Wonen. Hoe gaat hij
ervoor zorgen dat de beschikbaarheid van drinkwater en waterbesparing
vanaf het begin worden meegenomen in deze plannen, zodat we niet nu
bouwen en straks tegen waterproblemen aanlopen?
Minister Karremans:
Dat is een hele goede vraag, waarvoor ook de drinkwaterbedrijven
aandacht vragen, zeker de drinkwaterbedrijven die het beheer hebben over
drinkwater op zandgronden. Daar is het nog ingewikkelder dan in
bijvoorbeeld veengebieden. Daarover is heel veel contact en overleg
tussen overheden. Het is ook aan de regionale en lokale overheden om
daar in een vroeg stadium contact over te hebben met de
drinkwaterbedrijven en er afspraken over te maken. Ik zie ook dat dat
gebeurt. Maar het is wel van ontzettend groot belang dat dat blijft
gebeuren, want drinkwater is vanzelfsprekend van groot belang voor de
woningbouw in Nederland.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
De minister zei daarnet al: we moeten hier eigenlijk samen de schouders
onder zetten. Voor veel bedrijven zijn watertekorten nu al een groot
probleem. In sommige steden en dorpen zijn er bedrijven die niet
aangesloten kunnen worden op het waternet, omdat de levering simpelweg
niet gegarandeerd kan worden. Kan de minister concreet toelichten wat er
nu gedaan wordt om te zorgen dat dit soort bedrijven niet vastlopen? Kan
hij ook uitweiden over hoe er dan wordt gekeken naar grootverbruikers
zoals industrie en landbouw? Wat verwacht hij nu van hen, ook in de
komende periode, en welke afspraken worden er gemaakt?
Minister Karremans:
Er is een verdringingsreeks en die is ook wettelijk opgenomen. Zoals ik
net al even zei, beginnen we zo om te zorgen dat vitale functies in dit
land door kunnen blijven gaan. Denk dan bijvoorbeeld aan veendijken: als
die droog komen te staan, vormen ze een direct gevaar voor de
waterveiligheid in Nederland. Vervolgens zijn het de nutsvoorzieningen,
dus de drinkwater- en energievoorziening, die als eerste aan de beurt
komen. Daarna komt de kleinschalige hoogwaardige landbouw en daarna de
overige behoeften zoals scheepvaart, grootschalige landbouw en
recreatie. In die wettelijke volgorde wordt dat afgewerkt. Wat de
commissie in geval van schaarste doet, is bekijken wat de prognoses zijn
en wat het probleem is. Langs die volgorde wordt dan bepaald waar het
water naartoe gaat. Zo proberen we dat in gevallen van schaarste op een
goede manier te doen.
Zoals ik aan het begin al zei, proberen we schaarste natuurlijk altijd
te voorkomen. Daarvoor is meer nodig dan we nu doen. Door
klimaatverandering is er gewoon ook minder beschikbaarheid en zijn er
langere, grotere en hevigere droge periodes. Daar werken we ook aan,
onder andere met de nationale adaptatiestrategie die nu in ontwikkeling
is.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik ben blij dat de minister ook aangeeft dat de urgentie heel groot is
en dat het heel goed is dat we dit met elkaar oppakken. Gisteren nog
stond er een hele grote groep maatschappelijke partners op: gemeentes,
provincies, waterbedrijven, banken. Zij roepen allemaal op om in actie
te komen en om meer te doen om met name het aanbod van drinkwater te
vergroten en de vraag te temperen. Wat ons betreft mag water niet het
volgende slot op Nederland worden. Dat dreigt nu wel te gebeuren, dus
ook ik roep de minister hier op om heel goed te kijken naar wat de
partners meebrengen en daadkrachtig aan de slag te gaan. We weten dat
het droogteseizoen eraan komt. Dit is wat ons betreft het moment om te
handelen, dus versnel de boel, maak duidelijke afspraken met
grootverbruikers en help mensen om water vast te houden. Volgens mij
kunnen wij dit samen voor elkaar krijgen.
Minister Karremans:
Helemaal mee eens. Het is een beetje gek om dit zo vlak voor Koningsdag
te zeggen, maar laten we vooral hopen dat het weer gaat regenen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De voedselproductie. Een van onze eerste levensbehoeften, naast water en
zuurstof, is voedsel. Als we een van die drie dingen niet hebben, gaan
we dood. Het is natuurlijk heel erg belangrijk om watergebruik voor de
voedselproductie te hebben. Heeft de minister dit goed in het vizier? Er
schijnt een zoetwateropslag te liggen onder de olietank in de Botlek,
van 500 hectare groot, met gefilterd water. Dat is schoner dan de Maas
en misschien zelfs dan het water uit de kraan zelf. Is de minister
bereid om te onderzoeken of deze 500 hectare zoetwateropslag eventueel
gebruikt kan worden?
Minister Karremans:
Ik neem aan dat mevrouw Van der Plas dan bedoelt: om die voor de
landbouw in te zetten? Daar ga ik maar van even uit.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Niet zozeer voor de … Ja, ook voor de landbouw, maar om die in te
zetten omdat er droogte is.
De voorzitter:
Nee, nee, nee, mevrouw Van der Plas. Twee vragen! Twee vragen, mevrouw
Van der Plas! Minister, nooit vragen terugstellen! Dat is altijd
gevaarlijk.
Minister Karremans:
Nee, nee, maar ik wil de vraag natuurlijk goed beantwoorden.
De voorzitter:
Gaat uw gang. Gaat uw gang.
Minister Karremans:
Dat is natuurlijk het punt hier. Daar moet ik naar kijken. Ik weet niet
welke kwaliteit dat water heeft. Het meest schone water is natuurlijk
niet per se nodig voor de besproeiing van akkerbouw. Daar worden
natuurlijk andere vormen van water voor gebruikt. Ik weet dus niet of
dat nou de beste bestemming is om daarvoor te kiezen.
Ten aanzien van die verdringingsreeks: die is wettelijk vastgesteld. Ik
denk dat mevrouw Van der Plas het ook met mij eens dat allereerst
waterveiligheid het allerbelangrijkst is en vervolgens energie en daarna
drinkwatervoorziening. Vervolgens komt ook al hoogwaardige landbouw in
het vizier. Die zit bijvoorbeeld voor de scheepvaart in deze
verdringingsreeks. Dat is altijd het lastige met schaarste: je moet
kiezen wat eerst en wat daarna. Maar goed, het wil ook niet zeggen dat
de voedselvoorziening in één keer stil komt te vallen. Dat is natuurlijk
ook niet het geval. Daar kijkt die commissie ook naar. Die weegt dat
allemaal mee. Ze leggen de verdeling langs deze lat. Zij komen daarbij
onafhankelijk tot een besluit.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Goed dat de minister begint over die verdringingsreeks, de volgorde
waarin schaarse watervoorraden verdeeld gaan worden. Maar om dat te
kunnen doen, moet je natuurlijk ook eerst weten waar er precies water
opgepompt wordt. Er zijn nog een heleboel vergunningsvrije putten,
waarvan we helemaal geen idee hebben dat ze überhaupt geslagen worden en
ook niet hoeveel water eruit gehaald gaat worden. Is er niet gewoon
wetgeving nodig om dat te allen tijde vergunningsplichtig te maken,
zodat dat inzicht er wel komt?
Minister Karremans:
We zijn bezig met dat Nationaal Water Programma, dat mevrouw Bromet
noemde. Daar zit dit in. Zo krijgen we veel beter zicht op de
onttrekking die nu buiten het zicht plaatsvindt. Waar nodig maken we de
mensen die dat doen meldingsplichtig. Daar werken we aan, en we hopen
dat zo snel mogelijk richting de Kamer te brengen.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het vragenuur. Ik schors de
vergadering tot 15.00 uur, waarna we gaan stemmen.
De vergadering wordt van 14.46 uur tot 15.00 uur geschorst.