Tweeminutendebat Drugsbeleid (CD 12/3) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D19360, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-22 09:22, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-21 16:50: Tweeminutendebat Drugsbeleid (CD 12/3) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Drugsbeleid
Drugsbeleid
Aan de orde is het tweeminutendebat Drugsbeleid (CD d.d.
12/03).
De voorzitter:
Ik stel voor dat we meteen doorgaan met het tweeminutendebat
Drugsbeleid. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid en de
minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van harte welkom in vak
K. Ik geef het woord aan mevrouw Faber, als eerste spreker van de zijde
van de Kamer.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ten eerste natuurlijk: welkom aan de minister
van Justitie. Ik hoop dat het nog een beetje gezellig is in het kabinet.
Maar goed, laat ik beginnen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de overheid het gebruik van drugs normaliseert met
onder andere het experiment gesloten coffeeshopketen;
verzoekt de regering niet langer het gebruik van drugs te
normaliseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 560 (24077) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Defensie wil afstappen van het zerotolerancebeleid,
wat inhoudt dat werknemers in het geval van drugsgebruik een tweede kans
verdienen;
overwegende dat het drugsgebruik nooit genormaliseerd mag worden en al
helemaal niet binnen publieke organisaties;
verzoekt de regering binnen Defensie een zerotolerancebeleid te voeren
inzake drugs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 561 (24077) (#2).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Het woord is aan de heer Van den Brink namens
de fractie van het CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Meneer de voorzitter. De CDA-fractie heeft als ambitie om de komende
jaren een bijdrage te leveren aan de denormalisering van drugsgebruik.
In dat kader hebben we in het commissiedebat gevraagd om te komen tot
meer lokale drugspreventieplannen. De minister van Volksgezondheid heeft
in dat debat toegezegd gemeenten te stimuleren om tot lokale
drugspreventieplannen te komen. Ik ben daar blij mee en vraag vandaag
aanvullend daarop of de minister wil monitoren hoeveel gemeenten
inmiddels zo'n plan hebben en of ze ons de komende jaren op de hoogte
wil houden van het aantal gemeenten die dergelijke plannen gebruiken,
zodat we kunnen zien of dat stimuleringsbeleid werkt.
Meneer de voorzitter. De overtuiging dat we drugsgebruik minder normaal
moeten maken en actief moeten ontmoedigen, is in de afgelopen tijd
alleen maar gegroeid. Dagelijks lezen we de berichten over schade die
drugs aanrichten. Daarom dien ik in het kader van denormalisering van
drugs graag de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het afpakken van crimineel verdiend vermogen een
effectief middel is om drugscriminaliteit te bestrijden en om
drugscriminelen hard te raken in hun portemonnee;
constaterende dat de Nederlandse ontnemingswetgeving toestaat dat de
kosten die zijn gemaakt door drugscriminelen voor het plegen van
strafbare feiten, afgetrokken kunnen worden van het geld dat de
crimineel met het delict heeft verdiend;
constaterende dat in andere landen een strengere benadering wordt
gehanteerd, waarbij het volledige crimineel verdiend vermogen kan worden
ontnomen;
overwegende dat het onuitlegbaar is dat drugscriminelen kosten kunnen
aftrekken die samenhangen met criminele activiteiten, en dat dit
denormalisering van drugscriminaliteit juist tegengaat;
verzoekt de regering te waarborgen dat bij de ontneming van crimineel
verdiend vermogen geen aftrek van kosten die samenhangen met strafbare
feiten mogelijk is, en indien nodig met voorstellen tot wetswijziging te
komen;
verzoekt de regering de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tijs van den Brink,
Martens-America, Mutluer, Bikker, Diederik van Dijk en Schilder.
Zij krijgt nr. 562 (24077) (#3).
Dank u wel, meneer Van den Brink. Het woord is aan mevrouw Bikker namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een drietal moties naar aanleiding van
het goede commissiedebat dat wij hebben gehad.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het gebruik van cannabis in de publieke ruimte bijdraagt
aan normalisering van drugsgebruik, leidt tot stank en andere vormen van
overlast en bovendien gepaard gaat met gezondheidsrisico's voor
gebruiker en omstanders;
verzoekt de regering een blowverbod in de publieke ruimte uit te werken
en tẹ implementeren, en de Kamer over de voortgang hiervan te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 563 (24077) (#4).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige coffeeshopbeleid bijdraagt aan
wiettoerisme, met overlast, ondermijning en extra druk op
handhaving;
overwegende dat een ingezetenencriterium waarbij alleen mensen die in
Nederland zijn ingeschreven toegang hebben tot een coffeeshop, kan
helpen om dit tegen te gaan;
verzoekt de regering een einde te maken aan wiettoerisme door een
landelijk ingezetenencriterium voor de toegang tot coffeeshops in te
voeren en dit effectief te handhaven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Schilder en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 564 (24077) (#5).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer met de motie-Bikker c.s. (36800-VI, nr. 116)
de regering heeft verzocht de campagne over de gevolgen van drugsgebruik
voort te zetten;
overwegende dat jongeren en studenten een belangrijke doelgroep vormen
binnen het drugsgebruik en dat effectieve preventie vraagt om een aanpak
die aansluit bij hun leefwereld;
verzoekt de regering bij de verdere uitwerking van de antidrugscampagne
actief studenten te betrekken, bijvoorbeeld het initiatief van de
Landelijke Kamer van Verenigingen, Lieve Mark, TIME OUT en Waar Trek Jij
De Lijn?,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Tijs van den Brink en
Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 565 (24077) (#6).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bikker. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk
voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het drugsgebruik onder studenten in studentenhuizen
zorgwekkend hoog is, waaronder het gebruik van cocaïne;
overwegende dat studentenorganisaties in samenwerking met verschillende
ministeries een plan ontwikkelen om huisoudsten te trainen met het oog
op bewustwording over normering en het aanpakken van groepsdruk;
verzoekt de regering voldoende middelen ter beschikking te stellen om de
training van huisoudsten door studentenverenigingen te kunnen
uitvoeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en
Bikker.
Zij krijgt nr. 566 (24077) (#7).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter. Excuus, deze motie is medeondertekend door collega
Bikker. Ik moest even een spelfout verbeteren, want ik zie dat ik
"huidoudsten" heb geschreven, maar het gaat over "huisoudsten".
De voorzitter:
Dank u wel. Het kan maar beter goed genoteerd zijn. Het woord is aan
mevrouw Mutluer voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de
Arbeid.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. De aanpak van drugscriminaliteit heeft uiteraard de
brede steun in deze Kamer, maar juist het afpakken van crimineel
vermogen blijft achter. Ik zie ook tot mijn spijt dat de ambitie is
verlaagd. Daarmee zijn criminelen in mijn beleving nog altijd de
lachende derden. Dat is echt een teken van falen. Daarom moeten we naast
repressie ook inzetten op oplossingen die het verdienmodel raken. Daarom
zijn we ook voor het wietexperiment en ondersteunen we de motie die
zojuist door de heer Van den Brink is opgelezen. Tegelijkertijd hebben
we ook oog voor de medische realiteit, want onder strikte voorwaarden
kunnen middelen een rol spelen bij de behandeling van PTSS, een
aandoening die relatief vaak voorkomt bij mensen in geüniformeerde
beroepen voor wie de bestaande behandelingen niet altijd werken. Ik weet
dat er een onderzoek loopt naar de MDMA-therapie en dat de
staatscommissie adviseert om deze mogelijk te maken. Wij willen
versnelling en praktijkervaring hieromtrent, zeker als het gaat om
uitbehandelde brandweerlieden, politieagenten of militairen. Daarom
hebben wij deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Staatscommissie MDMA adviseert om MDMA-ondersteunde
therapie bij posttraumatische stressstoornis (PTSS) mogelijk te
maken;
overwegende dat PTSS relatief vaak voorkomt onder mensen in
geüniformeerde beroepen en bestaande behandelingen niet altijd effectief
zijn;
constaterende dat onderzoek naar de toepassing van MDMA-therapie gaande
is;
verzoekt de regering om binnen afzienbare tijd, teneinde ook het lopend
onderzoek te dienen, een pilot te starten met MDMA-ondersteunde therapie
voor mensen met ernstige PTSS uit geüniformeerde beroepen, onder strikte
medische voorwaarden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Sneller.
Zij krijgt nr. 567 (24077) (#8).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Deze motie heb ik mede-ingediend met mijn collega Sneller, die zich hier
net als ik al langere tijd zorgen om maakt. Ik hoop op steun van de
Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Sneller namens D66, als laatste
spreker aan de zijde van de Kamer.
De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. "Iedereen is positief", was de kop van De Telegraaf.
"Het wietexperiment lijkt een succes te worden", schrijft Trouw. En
"Zaanse proef met legale wiet slaat aan", schrijft Noordhollands
Dagblad. Dat was na een jaar wietexperiment de afdronk in de media.
Gelukkig gaan we, hopelijk, ook na de zomer gewoon op basis van de
onderzoeksresultaten verder praten. Mijn verzoek aan de minister van
Justitie is om te kijken of wij een inschatting kunnen maken van hoeveel
geld er nou niet in de zakken van criminelen is verdwenen dankzij het
wietexperiment.
Dan heb ik één motie. Die probeert het debat eigenlijk naar een
strategisch niveau te tillen. We hebben het nu steeds alleen over
tactische successen; ik noemde dat in het commissiedebat. Er wordt zo
veel cocaïne in beslag genomen, door de Rotterdamse haven bijvoorbeeld,
maar is dat nou een teken dat we de wedstrijd tegen de drugscriminelen
aan het winnen zijn of is het juist een teken dat we die aan het
verliezen zijn? Daarom heb ik deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij onderzoeken naar drugsbeleid indicatoren en
effecten op het gebied van enerzijds veiligheid en anderzijds gezondheid
gescheiden worden;
van mening dat effectief drugsbeleid betrekking heeft op het bevorderen
van zowel veiligheid als gezondheid en daarbij aanstuurt op strategische
vooruitgang in plaats van kortetermijnsuccessen;
verzoekt de regering een gecombineerde beleidslogica voor effectief
drugsbeleid uit te werken, zodat indicatoren kunnen worden vastgesteld
voor strategische vooruitgang op het gebied van zowel veiligheid als
gezondheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Sneller.
Zij krijgt nr. 568 (24077) (#9).
De heer Sneller (D66):
Dank u wel. Dan wil ik het nog even hebben over de meer medische kant en
de therapeutische toepassing van psychedelica. Ik zou het heel mooi
vinden als we daarop een stap vooruit kunnen zetten, met name ook voor
al die veteranen en anderen met PTSS die onbehandelbaar blijken. We zien
wat er gebeurt in andere landen, zoals in Australië en Duitsland met het
"compassionate use"-programma. We zien ook wat Trump deze week weer
heeft aangekondigd over onderzoek naar psilocybine en de middelen die
hij daarvoor ter beschikking stelt. Wij kunnen die stap ook
zetten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan heeft de heer Van den Brink geen interruptie, maar nog
een opmerking voor de Handelingen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mijn motie is ook nog ondersteund door mevrouw Schilder van de Groep
Markuszower.
De voorzitter:
Ja, we hebben het genoteerd. Ik schors voor zes minuten, voor de
voorbereiding van de beantwoording door het kabinet.
De vergadering wordt van 17.00 uur tot 17.06 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Er is één vraag aan mij gesteld, door de heer
Van den Brink, over de gemeentelijke plannen. Hij vroeg of ik wil laten
weten hoeveel van die gezamenlijke plannen er zijn en of ik de Kamer
daarover ook wil blijven informeren. Ik zal voor de zomer een eerste
beeld geven en ik zal daarna de ontwikkelingen blijven schetsen.
Voorzitter. Dan kom ik bij de moties.
De motie op stuk nr. 560 is van mevrouw Faber. Deze motie moet ik
ontraden. Ja, het kabinet zet in op het denormaliseren, maar de
overweging, waarin de link wordt gelegd met het experiment, deelt het
kabinet niet. Vandaar ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 560 is ontraden.
Minister Hermans:
Voorzitter. Over de motie op stuk nr. 561 heeft de minister van Defensie
afgelopen week Kamervragen beantwoord. Dit ziet echt op het terrein van
Defensie, dus ik stel voor dat ik de minister van Defensie vraag hier
via een kort briefje een appreciatie van naar de Kamer te sturen. Maar
ik vind het wel zo netjes om dat echt even aan de collega te vragen.
De voorzitter:
Ik geef ruimte voor één vervolgvraag dan wel opmerking.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vraag het de regering en de regering spreekt met één mond.
Minister Hermans:
Zeker.
Mevrouw Faber (PVV):
Dus wat dat betreft kunt u daar gewoon uw oordeel over geven.
Minister Hermans:
Zeker. De regering spreekt met één mond. De regering heeft ook
verantwoordelijkheden op beleidsterreinen. Ik vind het wel zo netjes om
mijn collega van het ministerie van Defensie te vragen om hierop in te
gaan, ook naar aanleiding van de schriftelijke vragen die zij vorige
week namens het kabinet beantwoord heeft.
De voorzitter:
Ik neem dan aan dat het kabinet dat voor de stemmingen aan de Kamer doet
toekomen.
Minister Hermans:
Zeker, voorzitter. Zeker.
De voorzitter:
Ja. Dank u wel.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 563. De motie op stuk
nr. 562 neemt de minister van Justitie voor zijn rekening. Dan ga ik
naar de motie op stuk nr. 563 van mevrouw Bikker, over een blowverbod.
Op basis van de APV kunnen gemeenten al een blowverbod instellen in de
openbare ruimte om overlast tegen te gaan. Een groot deel van de
gemeenten heeft ook al zo'n verbod ingesteld. Ik zie daarom op dit
moment niet de toegevoegde waarde om dat landelijk te regelen. Daarom
ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 563 is ontraden.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 565 van mevrouw Bikker, over de uitwerking van de
campagne, geef ik oordeel Kamer, ook onder verwijzing naar het debat
daarover.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 565 krijgt oordeel Kamer.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 566 over de huisoudsten. Daar hebben we het ook
in het debat over gehad. Er vindt op dit moment, samen met de collega's
van OCW en JenV, overleg plaats met studentenorganisaties. Daarbij
kijken we ook naar het trainen van huisoudsten. Er is een aantal
studenteninitiatieven dat ook werkt aan een subsidieaanvraag hiervoor
bij het ministerie van VWS. We hebben daarvoor beperkte middelen
beschikbaar. Die aanvraag zullen wij beoordelen. In dat licht kan ik
deze motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 566 krijgt oordeel Kamer.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 567 van mevrouw Mutluer en de heer
Sneller over MDMA. Het onderzoek van de Staatscommissie is duidelijk en
heeft ook gezegd dat we vervolgonderzoek zouden moeten doen en zouden
moeten kijken hoe we MDMA voor die posttraumatische stoornissen kunnen
inzetten of inbedden in een therapie, moet ik eigenlijk zeggen. De
resultaten of de conclusies van de Staatscommissie zijn veelbelovend,
maar vragen ons ook wel dit zorgvuldig te doen. De motie vraagt mij om
nu alvast een pilot te starten, vooruitlopend op een onderzoek om het in
te bedden in een therapie. Dat staat wat mij betreft op gespannen voet
met de aanbeveling van de Staatscommissie die we verder wel uitvoeren
aangaande dat vervolgonderzoek. Dus hoewel ik het een veelbelovend
principe vind, moet ik deze motie in die context ontraden. Dat is de
motie op stuk nr. 567.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Wat mij betreft kan het naast elkaar staan. Hoelang duurt dat onderzoek
nog?
Minister Hermans:
Dat onderzoek start in 2027. De looptijd van het onderzoek zou ik moeten
nagaan. Ik denk dat dat wel even nodig heeft. Zoals ik zei, is het niet
zomaar het toedienen van een medicijn. Het moet echt onderdeel worden
van een therapie, van een behandeling. Dat zei mevrouw Mutluer overigens
in haar bijdrage zelf ook. Dat vraagt echt wel zorgvuldigheid.
De voorzitter:
Eén vraag van meneer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Deze pilot is juist een vorm van een onderzoek, wat mij betreft. Er is
meer nodig, ook volgens de Staatscommissie, dan alleen maar het
onderzoek dat nu door ZonMw wordt gefinancierd. Misschien dat ik dan op
een andere manier, niet in de appreciatiesfeer, mag vragen of de
minister hier uitgebreider op terug kan komen in de brief die is
toegezegd voor de zomer, want het is juist nadrukkelijk bedoeld als
onderzoek.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik heb in het debat inderdaad een brief toegezegd. Wat ik
kan doen is daarin uitgebreider ingaan op: wat is nu exact het onderzoek
dat ZonMw doet, wat is de looptijd daarvan en hoe is het werken met een
pilot of hoe zijn onderzoeken in de praktijk onderdeel daarvan of zou je
dat daar onderdeel van kunnen c.q. moeten maken? Laat me even de exacte
woorden daarvoor op een later moment ook in de brief opnemen. Maar in de
brief die ik al heb toegezegd, zal ik er in deze context op ingaan.
De voorzitter:
Ja.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik weet niet of de motie wordt aangehouden, maar in deze
vorm moet ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Ja, we noteren "ontraden", maar u hebt een toezegging gedaan over de
informatie.
Minister Hermans:
Voorzitter. Tot slot de motie op stuk nr. 568 van de heer Sneller. Deze
motie geef ik oordeel Kamer. Later dit jaar — dat zal het najaar worden
— zullen de minister van JenV en ik de Kamer nader informeren over een
aantal afspraken zoals gemaakt in het regeerakkoord, het
coalitieakkoord. Dat zullen we indachtig deze motie doen, dus ik kan de
motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Heeft mevrouw Mutluer nog een vraag over de motie op stuk nr. 567?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik weet dat ik geen interruptie heb, maar ik wil u helpen, voorzitter.
Door de toezegging die net is gedaan, wacht ik met collega Sneller de
brief af. Tot dan houden we de motie aan. Als de brief ons niet bevalt,
zullen we de motie alsnog in stemming brengen.
Minister Hermans:
Daar had ik geen spoor van twijfel over.
De voorzitter:
Dan wordt de motie aangehouden; dit leek toch wel een beetje op een
interruptie.
Op verzoek van mevrouw Mutluer stel ik voor haar motie (24077, nr.
567) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Ik kijk nog heel even naar de minister voor de motie op stuk nr. 561. Er
komt nog een appreciatie in de richting van mevrouw Faber, maar we
hebben ook nu wel een appreciatie nodig. Is de motie ontijdig? Hoe zou
de minister de motie willen kwalificeren?
Minister Hermans:
Dan zeg ik "ontijdig", maar dat doet niet helemaal recht aan de motie en
aan het feit dat mevrouw Faber ook een inhoudelijke appreciatie
verdient. Mijn verzoek was nou juist of ik mijn collega mag vragen om
een brief te sturen.
De voorzitter:
Gezien het beoordelingskader waarmee wij werken, constateer ik dat
"ontijdig" dan slaat op het feit dat deze motie eigenlijk bij een andere
bewindspersoon zou moeten worden ingediend. Maar u komt vóór de
stemmingen nog met een herziene appreciatie vanuit uw collega van
Defensie. Die kan eventueel leiden tot een ander oordeel, bijvoorbeeld
oordeel Kamer of anderszins.
Minister Hermans:
Zeker. Als we het fenomeen "ontijdig" in dit debat zo mogen toepassen,
dan is dat goed.
De voorzitter:
We moeten het soms een beetje creatief met elkaar zien te rooien. Dank u
wel. Het woord is aan de minister van Justitie en Veiligheid.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Ik zal een tweetal moties appreciëren.
De eerste is de motie op stuk nr. 562, van de heer Van den Brink. Dat is
een hele lange motie met een heleboel overwegingen en een vrij
gecompliceerd verzoek, dat wel heel sympathiek klinkt, namelijk:
criminelen moeten niet hun criminele kosten kunnen aftrekken van datgene
wat van hen wordt afgepakt. Ik wil 'm oordeel Kamer geven met de
interpretatie dat ik wil gaan onderzoeken op welke punten dat nog niet
het geval is. Ik zeg dat aan de hand van één voorbeeld. Als iemand
bijvoorbeeld €5.000 heeft geïnvesteerd in lampen, een afzuiginstallatie
en noem het maar op en uiteindelijk €20.000 winst maakt met die
installatie, dan wordt die installatie nu verbeurdverklaard. Die is hij
dus kwijt. Die €20.000 wordt in beslag genomen en die €5.000 kan niet
worden afgetrokken van die €20.000. In een heleboel gevallen is dit al
hoe de ontnemingsmaatregel werkt. Ik wil echter graag voor u uitzoeken
waar dat niet het geval is en of we daar nog wat aan zouden kunnen doen.
Het is een lange appreciatie, maar daarmee: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik zie een duim van de heer Van den Brink, dus de motie op stuk nr. 562
krijgt met die interpretatie oordeel Kamer. De motie op stuk nr.
564.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 564, van mevrouw Bikker, gaat over het
ingezetenencriterium. Er is een landelijk ingezetenencriterium. Alleen,
de handhaving is echt aan het lokaal gezag. In 79% van de
coffeeshopgemeenten is dat vertaald in lokaal beleid en wordt daarop
gehandhaafd, maar ik kan voor de resterende 21% niks anders doen dan in
gesprek gaan met die gemeenten, want uiteindelijk ga ik niet over de
lokale handhaving en blijft er de ruimte voor gemeenten om daar zelf
invulling aan te geven. Deze motie moet ik dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 564 is ontraden. Eén vervolgvraag van mevrouw
Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Is de minister het niet met mij eens dat het juist ook in het kader van
het denormaliseren, zoals dat net is uitgesproken door de minister van
Volksgezondheid, heel goed zou zijn om landelijk normerend te zijn op
dit punt? Moeten we niet voorkomen dat een hoofdstad een geheel eigen
koers vaart?
Minister Van Weel:
U doelt op een bepaalde gemeente binnen die 21%. Ook daar wil ik graag
het gesprek mee aangaan, maar ik kan niet treden in de lokale
handhaving. Dat strekt echt te ver, want dat zou dan verder uitgaan naar
alle beleidsterreinen. Het normeren doe ik bij dezen. Daar ziet het
landelijk criterium wat mij betreft ook op.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording? Dat is het
geval. Dan dank ik de beide bewindspersonen voor de beantwoording in dit
debat. We zijn aan het einde gekomen van het tweeminutendebat
Drugsbeleid.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de ingediende moties zal op 12 mei worden gestemd, dus na het
reces. Ik schors een heel enkel ogenblik, waarna we verder zullen gaan
met het debat over het rapport van de Taskforce Antisemitisme, "Gevangen
in Vrijheden". De vergadering is een kort ogenblik geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.