[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Debat over het rapport van de taskforce Antisemitisme ‘Gevangen in vrijheden’ (ongecorrigeerd)

Stenogram

Nummer: 2026D19361, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-22 09:23, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden"

Rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden"

Aan de orde is het debat over het rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden".

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over het rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden". Ik heet van harte welkom de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Ik geef het woord aan de heer Boon als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Dat is hij namens de PVV. Maar eerst heeft hij een punt van orde.

De heer Boon (PVV):
Ik wil graag een verzoek doen, voorzitter. Afgelopen donderdag is onze Kamer ruw verstoord door antisemitische uitingen vanaf de publieke tribune. Onze bodes en de aanwezige politie hebben mensen die zich vrij agressief opstelden moeten wegdragen. Ik hoop dat u namens de Kamer deze bodes en de politieagenten iets van een bloemetje kan aanbieden.

De voorzitter:
Vanzelfsprekend hebben wij onze grote waardering uitgesproken voor hun werk. Door het goede optreden en ingrijpen van de beveiligingsorganisatie kon het debat snel worden hervat, zodat we alsnog een goed debat met elkaar hebben gevoerd. Laat ik daaraan toevoegen dat ik hoop dat we ook vanavond op dezelfde wijze een rustig en goed debat met elkaar kunnen voeren.

Meneer Boon, u heeft het woord.

De heer Boon (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Precies 80 jaar nadat Anne Frank en haar familie werden verraden, opgepakt en afgevoerd, werd in Amsterdam haar standbeeld beklad, puur omdat ze Joods was. Tijdens de opening van het Holocaustmuseum in Amsterdam werden Holocaustoverlevende Rudie Cortissos en zijn achterkleindochter uitgescholden voor "kankerjoden". 86 jaar na de Kristallnacht zagen we in Amsterdam iets wat we nooit meer voor mogelijk hielden: een georganiseerde Jodenjacht. In chatgroepen werd gezegd: wij zijn de nieuwe Marokkaanse generatie; wij zullen jullie vernietigen. Joden werden opgejaagd, bespuugd en mishandeld. Ze moesten vluchten. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog moesten ze weer onderduiken in onze eigen hoofdstad. Op de Dam stond de Amsterdamse fietsenmaker El Houmani te schreeuwen dat het jammer was dat de Holocaust niet is afgemaakt. In Rotterdam riep de huisarts Mohammad Latif op tot geweld tegen Joden. Hij noemde hen "kindermoordenaars", "vrouwenverkrachters" en "terrorismeaanhangers". Bij een islamitische demonstratie in Rotterdam op paaszondag werd wéér massaal opgeroepen tot geweld tegen Joden. Vorige maand werd een aanslag gepleegd op een joodse school, daarna een aanslag op een synagoge. Gewoon hier, in Nederland.

Dit zijn de onvermijdelijke gevolgen van decennialange massa-immigratie en islamisering van Nederland. De giftige Jodenhaat die uit de Koran en de Hadith komt, sijpelt steeds dieper door in onze samenleving. We horen het dagelijks op straat, in demonstraties en op scholen. "O moslim, er is een Jood achter mij. Kom en dood hem." Of: "Khaybar, Khaybar, o Joden, het leger van Mohammed zal terugkeren." Dit is de import van eeuwenoude islamitische Jodenhaat in Nederland.

De voorzitter:
We beperken het aantal interrupties niet, maar ik stel wel voor om ze in maximaal drie keer te doen en ze kort en bondig te houden. Mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb maar één vraag. Wie heeft volgens de heer Boon mijn familie vermoord, de familie Bromet?

De heer Boon (PVV):
Wij hebben een pikzwarte bladzijde van antisemitisme in het Westen. Dat zal niemand ontkennen. Dat ben ik helemaal met mevrouw Bromet eens. Die bladzijde is pikzwart, maar dat betekent niet dat we een nieuwe pikzwarte bladzijde aan onze toekomst moeten toevoegen. Daarom sta ik hier. Het Westen heeft geleerd. We hebben hele grote fouten gemaakt, verschrikkelijk, maar neem die lessen mee en laten we niet nieuwe bladzijdes toevoegen met islamitisch antisemitisme.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
We moeten daarvan leren. Antisemitisme is overal en bij iedereen. Dit één specifieke bevolkingsgroep in de schoenen schuiven, zoals de heer Boon doet en zijn partij hier altijd doet, is precies hetzelfde als wat er voor de oorlog gebeurde met de Joden.

De heer Boon (PVV):
Ik werp dat heel ver van me. Ik werp dit echt ver van me. Ik wil niets liever dan Jodenhaat bestrijden, dus laten we die niet importeren. Ik kan heel veel voorbeelden noemen. Ik heb een boek vol met voorbeelden, met teksten en verzen uit de Koran en de Hadith, maar we zien het ook dagelijks op straat. We zien het in andere landen, maar erger nog, we zien wat er gebeurt in wijken die volledig geïslamiseerd zijn. Joodse mensen kunnen daar niet meer veilig over straat. Een keppeltje kan in bepaalde wijken niet meer. In Urk kan het wel. Bij mij in Tholen kan het wel. In Steenbergen kan het wel. Waarom kan het niet in die geïslamiseerde wijken? Dat is niet vanwege de haat van de PVV. Dat is vanwege de haat van de islam richting het jodendom. Dat kunnen we niet leuk vinden, maar het is wel de waarheid. Daar sta ik hier voor.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Laat ik vooropstellen dat het schandalig is dat de PVV antisemitisme gebruikt als een stok om een hele bevolkingsgroep mee te slaan, namelijk de moslimgemeenschap. Het is schandalig, maar dat zijn we van de PVV gewend. Daarom gaat mijn vraag hier niet over. Mijn vraag gaat over het volgende. Uw partijleider, zeg ik via de voorzitter, laat regelmatig zien dat hij rechts-extremistische groepen steunt in Europa. Hij was bij de CPAC, waar antisemitische leiders verhalen hielden, bijvoorbeeld de partijleider van de FPÖ.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Die heeft campagne gevoerd om volkskanselier te worden. Dat is precies hoe Hitler zich noemde toen hij aan de macht wilde komen. Deze mensen van de FPÖ zingen naziliederen. Heeft u uw partijleider al opgeroepen om afstand te nemen van deze antisemitische praktijken die plaatsvinden in partijen als de FPÖ en de AfD?

De heer Boon (PVV):
Hoe durft de Partij voor de Dieren dit te doen? Die partij … Nou, ik ga geen jij-bakken maken, want mensen kunnen zelf wel opzoeken wat de Partij voor de Dieren allemaal heeft uitgehaald. Maar als er één man is in dit huis die al jarenlang knokt tegen antisemitisme, met zijn hele partij, is het wel Geert Wilders. Ik laat hem niet vuilmaken, wat u probeert te doen. Ik werp dat verre van me. Want die man durft ervoor op te komen. Die durft op te staan. Die man moet nu heel zijn leven bewaakt worden, omdat hij ook opstaat tegen islamitisch antisemitisme. Dan gaat u hem hier in de hoek wegzetten? Nee, dat pik ik niet, zeker niet van een partij zoals de Partij voor de Dieren. Echt …

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Als de partijleider van de PVV echt tegen antisemitisme zou zijn, dan zou hij opstaan en zou hij zich ook durven uitspreken tegen rechts-extremistisch antisemitisme. En dat doet hij niet. Dus mijn vraag aan de heer Boon is: vindt hij het niet hypocriet om antisemitisme te benoemen en een hele bevolkingsgroep, namelijk moslims, weg te zetten als antisemitisch, als stok om mee te slaan, terwijl die bevolkingsgroep ernstig wordt gediscrimineerd? Vindt hij het niet hypocriet dat hij tegelijkertijd helemaal wegblijft van het antisemitisme van rechts-extremistische bewegingen? Wilders drinkt daar nota bene koffie mee. Hij staat ermee op een conferentie. Vindt de heer Boon dat niet hypocriet?

De heer Boon (PVV):
Voorzitter, ik zou eigenlijk via u aan de mevrouw van de Partij van de Dieren willen vragen: wat zit er voor wortel in uw oren? Hoe kan het dat u niks hoort? Als één iemand zich continu uitspreekt tegen antisemitisme, van links en van rechts, is het toch de heer Wilders. Dus waar haalt u al die onzin vandaan? Het spijt me zeer. U heeft het over een groep die gediscrimineerd wordt. Zullen we in Nederland eens door een paar wijken gaan lopen? Dan mag u een hoofddoek opdoen. Dan gebeurt u helemaal niks. Zullen we dan door een aantal wijken gaan lopen, waarbij ik een keppeltje opdoe? Dan moet ik gaan rennen voor mijn leven. Sorry hoor, maar er is één groep die gediscrimineerd wordt. Dat hebben we gezien in alle cijfers. Dat zijn de Joden, het Jodendom, in Nederland. Die worden gediscrimineerd. Gaat u nu zeggen dat anderen gediscrimineerd worden en dat die het slachtoffer zijn? Het zal best, maar er is één groep in Nederland die overmatig en structureel gediscrimineerd wordt en die moet onderduiken. In Amsterdam worden hun kunstwerken beklad en zitten hun kinderen op scholen die beter beveiligd worden dan gevangenissen. Dat gaat om de Joden in Nederland. Dus zullen we wel even rechthouden waar we hiervoor staan? Op de rest van de onzin reageer ik niet eens.

De voorzitter:
Ik wijs de leden erop dat we via de voorzitter spreken.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik hoor geen oordeel. Ik concludeer dat de PVV niet durft te benoemen dat er ook rechts-extremistisch antisemitisme is, dat dat groeiende is en dat dat gevaarlijk is. Ik constateer dus dat het antisemitisme alleen maar wordt gebruikt als instrument tegen moslims in Nederland. En dat is onacceptabel.

De heer Boon (PVV):
Ik wil hier even op reageren en dan mag mevrouw me aankijken: ik veroordeel alle vormen van antisemitisme, van rechts, van extreemchristelijk, van maakt mij niet uit. Ik veroordeel alle vormen en mijn partij ook. Laat dat nou helder zijn. Ga nou niet proberen ons in hokjes te stoppen, want dat lukt u niet. Dit staat al jaren in ons partijprogramma. We willen een snoeiharde aanpak van antisemitisme, van alle kanten, maar we moeten ook eerlijk zijn over wat het probleem in Nederland is. Wat is nu het probleem in Nederland? Gaat u eens met iemand met een keppeltje op door de Schilderswijk lopen. Die man is zijn leven niet veilig. Dat heeft één oorzaak: de islam.

De heer El Abassi (DENK):
Ik kan wel antwoord geven op de vraag wat het probleem is in Nederland. Het probleem is dat straten vol aan het siegheilen zijn, dat straten vol de Hitlergroet doen, dat straten vol met Hitlerkleding rondlopen, dat straten vol met hakenkruizen rondlopen, dat mensen in dit huis met NSB-vlaggen rondlopen, dat ze NSB-vlaggen op hun kamer hebben hangen. Dat deze mensen durven te wijzen naar anderen, terwijl ze zelf antisemitisch bezig zijn, en altijd al zijn geweest, terwijl ze racistisch zijn.

De voorzitter:
Uw vraag?

De heer El Abassi (DENK):
Ziet de PVV dit niet, of doen ze alsof ze dit niet zien?

De heer Boon (PVV):
Het spijt me, maar ik heb in Nederland geen straat gezien vol met vlaggen met hakenkruizen en mensen in SS-uniformen die over straat marcheren. Die heb ik niet gezien. In films heb ik het misschien weleens gezien, maar in Nederland heb ik het niet gezien. Ik zie wel bij bepaalde demonstraties, vooral islamitische demonstraties, dat er Hamaslogo's worden gebruikt, dat er vlaggen van terroristische organisaties worden gebruikt die puur antisemitisch zijn en dat er uitspraken worden gedaan als "Khaybar, Khaybar" of "from the river to the sea". Die Jodenhaat zie ik wel. Die zie ik ook zeker toenemen. Als al dat andere er is in Nederland, moeten we er zeker tegen optreden. Ik nodig u uit om mij eens door zo'n wijk heen te rijden, want ik ken het niet.

De heer El Abassi (DENK):
U weet dat ik dit gewoon lekker ga toevoegen aan de video die straks online komt. We zien hakenkruizen bij demonstraties waar uw leider aan het schreeuwen en scanderen is, waar mensen "Heil Hitler" roepen, waar mensen met NSB-vlaggen rondlopen. De PVV is hier heel selectief in. De PVV kiest demonstraties uit, komt met voorbeelden uit Amsterdam, heeft het over Marokkanen, over islamisering en over de Koran, maar noemt geen andere heilige boeken. U bent daar heel selectief in, zeg ik via de voorzitter. U wilt het niet zien; dat is wat ik probeer aan te geven. Terwijl uw achterban …

De voorzitter:
"De achterban van de heer Boon."

De heer El Abassi (DENK):
… zeg ik via de voorzitter, aan het scanderen is, met hakenkruizen en NSB-vlaggen rondloopt, wilt u dat niet zien, kijkt u daaroverheen en wijst u naar anderen, terwijl drie, vier vingers naar uzelf wijzen.

De heer Boon (PVV):
Ik heb nog nooit, behalve in het museum, een vlag met een hakenkruis gezien. Ik wil u één ding beloven. Als wij met de PVV ooit bij een demonstratie zijn en er komt iemand met een vlag of een band met een hakenkruis, ben ik degene die die man een schop onder zijn kont geeft en bij de politie aflevert. Dat kunt u van mij aannemen. Ik heb die mensen nog nooit gezien, dus als u mij die bewijzen geeft … Laat ze mij alsjeblieft zien, want ik heb het nog nooit meegemaakt. De PVV neemt daar de verst mogelijke afstand van.

De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.

De heer Boon (PVV):
Nog één korte reactie hierop. Dat ik die mensen nog nooit gezien heb, laat wel zien hoe klein dit probleem waarschijnlijk is. Ik heb in Amsterdam wel Hamasaanhangers en mensen met vlaggen van terroristische organisaties gezien. Die zag ik niet één keer, maar die zie ik wekelijks voorbijkomen in Amsterdam. Dus zou dat probleem niet iets groter zijn? Durft u daar ook afstand van te nemen? Uw partijleider roept namelijk nog steeds "from the river to the sea", een oproep tot geweld tegen Joden wereldwijd. Deze Kamer heeft uitgesproken dat dat een oproep tot geweld is, en uw fractievoorzitter …

De voorzitter:
"De fractievoorzitter van de heer El Abassi."

De heer Boon (PVV):
Dat klopt. De fractievoorzitter van de heer El Abassi roept dat nog steeds. Het staat zelfs letterlijk in uw partijprogramma. Dat is een oproep tot geweld tegen Joden. Zullen we niet eerst dat probleem aanpakken?

De heer El Abassi (DENK):
Inderdaad, zeg ik als het gaat over die leus, de liefdevolle leus die opkomt voor de rechten van de Palestijnen. Daar vindt een genocide plaats, wat de PVV prima vindt, omdat het ook over moslims gaat. Daar zullen wij voor blijven opkomen, en heel veel mensen met ons. Die groep is gelukkig enorm groot. De PVV weigert te kijken naar mensen binnen haar eigen achterban, naar mensen die met Hitlergroeten rondlopen, scanderend door Den Haag lopen, rechtsextremisten, hier voor het Tweede Kamergebouw. Nogmaals, het gaat om mensen die overal hakenkruizen kladden op moskeeën …

De voorzitter:
Uw vraag?

De heer El Abassi (DENK):
… op islamitische instellingen en op joodse instellingen. De PVV weigert dat te zien en heeft het alleen maar over een andere groep. Dat is precies de agenda van de PVV. Daarmee laten ze zien dat ze hier niet staan voor de Joodse gemeenschap, maar gewoon judeonationalisme toepassen in dit huis. Iedereen ziet dat.

De heer Boon (PVV):
Blijkbaar is er aan de linkerkant toch iets mis met het gehoor, want volgens mij heb ik daar nu wel zestien keer afstand van genomen. Ik wil het nog wel zeventien, achttien, negentien keer doen als meneer El Abassi dan misschien wel luistert. Maar blijkbaar is dat heel erg moeilijk voor de heer El Abassi. Er wordt hier gewoon tussen neus en lippen door gezegd dat "from the river to the sea" een liefdevolle leus is, terwijl deze Kamer heeft uitgesproken dat dit een oproep is tot geweld tegen Joden wereldwijd. Geweld tegen Joden wereldwijd wordt hier door een partij lief verklaard. Dat is toch walgelijk? Dit is dus het antisemitisme waar wij tegen strijden. Als dit zelfs in ons parlement zit, blijkt dat we nog een hoop werk te doen hebben.

De voorzitter:
Ik wil die leus hier zowel expliciet als impliciet niet horen. De Kamer heeft zich hier namelijk tegen uitgesproken. We voeren het debat op basis van het geagendeerde onderwerp, zowel impliciet als expliciet, zeg ik ook tegen de heer El Abassi.

Mevrouw Nanninga (JA21):
JA21 twijfelt er geen seconde aan dat de PVV aan onze zijde staat als het gaat om het bestrijden van Jodenhaat. Ook wij zien toenemende islamisering als een belangrijke factor wat betreft Jodenhaat in Nederland. Het is niet de enige oorzaak, maar wel een belangrijke factor. Dan heb ik een vraag aan de heer Boon. Wat ik nou zo jammer vind, is het volgende. Met die asielwetten lag er een kans om die islamisering weer een klein beetje in te dammen, en dan pleegt de PVV politiek hooliganisme in de Eerste Kamer. Daarmee maakt de PVV het onmogelijk dat die asielwetten van Faber worden aangenomen. Ik vind dat zo jammer. Waarom is dat nou gedaan? Waarom zijn het nou mooie woorden, maar geen daden om de islamisering een beetje in te dammen?

De heer Boon (PVV):
Volgens mij hebben we hier een misverstand. De PVV heeft vandaag namelijk voor twee asielwetten gestemd. Hoe kun je tegen een wet zijn als je voorstemt? Ik begrijp het niet, maar misschien kunt u het uitleggen.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Nou houdt meneer Boon zich van de domme. Hij weet natuurlijk heel goed dat ik bedoel dat door het afwijzen van de novelle, dus van de afzwakking van die wetten, de wet onverteerbaar werd, waarna die is tegengehouden. Er is gewoon een politieke stunt uitgehaald door de PVV; dat moet meneer Boon nu ook even toegeven. Maar het leidt er wel toe dat de islamisering niet zo effectief een halt wordt toegeroepen als had gekund als die wetten wel waren aangenomen. Het hing op die novelle waar de PVV tegen heeft gestemd. Ik vind het jammer, want ik ben het eens met de heer Boon op dit punt. Waarom gebeurt dat nou toch weer met de PVV?

De heer Boon (PVV):
In tegenstelling tot JA21 stemmen wij niet voor slappe hap. Wij willen gewoon de echte instroom stoppen. De wetten van mevrouw Faber waren er perfect voor geschikt. Daarom hebben wij ook met alle overtuiging voor de wetten van mevrouw Faber gestemd. Helaas heeft één wet het niet gehaald. Dan moet u niet bij de PVV zijn, die juist voor de wet gestemd heeft; u moet bij degenen zijn die tegen de wet hebben gestemd.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Geloof mij, daar vinden wij als JA21 ook echt iets van. Dat gaat ook echt nog wel aan de orde komen. Nogmaals, wij scharen ons achter deze mooie woorden. Er wordt in daden gewoon weinig bereikt door dit soort politieke spelletjes. Het was een afzwakking van die wetten — dat ben ik echt met meneer Boon eens — maar was dan even pragmatisch. Daar hadden Joden in Nederland wel iets meer aan gehad. Dan waren die wetten er nu gewoon doorheen gekomen. De mensen die tegen hebben gestemd, moeten zich inderdaad kapot schamen.

De heer Boon (PVV):
Die laatste mening delen wij.

De voorzitter:
U vervolgt.

De heer Boon (PVV):
Dank u, voorzitter. Dit is de import van eeuwenoude islamitische Jodenhaat naar Nederland. Dit lossen we niet op met een dialoogsessie. Dit lossen we niet op met een bezoek aan een museum. Dit lossen we wel op door te de-islamiseren, want in elk land waar de islam dominant wordt, verdwijnen de Joden. Dat is het eerlijke verhaal, dat alleen de PVV durft te vertellen.

We moeten daarom de moed hebben om echt in te grijpen, met een snoeiharde aanpak van antisemitisme. Bij een onherroepelijke veroordeling voor antisemitische misdrijven moet de Nederlandse nationaliteit van mensen met een dubbele nationaliteit direct worden ingetrokken. Daarna moeten zij zonder pardon worden uitgezet. De PVV wil dat er veel sneller en harder wordt opgetreden tegen antisemitische demonstraties. Stel leuzen zoals "from the river to the sea" en "globalize the intifada" expliciet strafbaar, want "from the river to the sea" is geen onschuldige protestleus, maar een oproep tot geweld; dat heeft deze Kamer nota bene zelf uitgesproken. Daarom moet de politie direct ingrijpen, demonstraties beëindigen en daders aanhouden. Want nú kunnen we nog kiezen. We kunnen kiezen voor een vrij en veilig Nederland, waar Joden onbevreesd over straat kunnen, waar ze hun kinderen zonder angst naar school kunnen sturen. Of laten we toe dat de islam onze Joden verdrijft en ons land overneemt, en onze superieure westerse beschaving kapotmaakt met de barbaarse woestijnwetten van de sharia?

Voorzitter. Ik ga afsluiten. De PVV kiest voor Nederland. De PVV kiest voor de harde confrontatie. Laat de Joden niet opnieuw in de steek. Niet nu, maar nooit meer.

Voorzitter, tot zover.

De heer Bamenga (D66):
Ik zal een poging wagen om het terug te brengen naar de inhoud, de aanpak van antisemitisme. Er is een brandbrief van herdenkingscentra, die ook aangeven dat er steeds meer nepbeelden via AI zijn over de Holocaust. Dat is natuurlijk heel erg slecht, zeker het als het gaat om het aanpakken van de voedingsbodem voor antisemitisme. Nu een vraag aan de PVV. Zou de PVV een voorstel van D66 steunen op het moment dat wij zeggen dat dit zo hard mogelijk aangepakt moet worden?

De heer Boon (PVV):
Als ik het goed heb, is de bagatellisering van de Holocaust al strafbaar of kan die bestraft worden. Ik weet niet of we dit daaronder kunnen scharen, maar ik wil er zeker over nadenken.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boon. Dan is het woord aan mevrouw Nanninga voor haar inbreng namens JA21 in de eerste termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Bezetten, intimideren, cancelen, campussen totaal vernielen. Dat is wat anders dan demonstreren. Mensen aanspreken op hun land van herkomst of op hun Joodse achtergrond. Dat is wat anders dan demonstreren. Oproepen tot jihad en intifada. Ook dat is geen demonstreren. De giftige kalifaatstrijders van Samidoun omarmen is geen demonstreren. Pers de camera uit de handen slaan en het werken beletten is geen demonstreren. Politiemensen met bijtende vloeistof in de ogen spuiten is ook al geen demonstreren. Toch heb ik al deze dingen met eigen ogen waargenomen bij de gewelddadige bezettingen van de campussen in Amsterdam, waar ik meermalen ben geweest om te zien hoever we het in ons land laten komen met dit huiveringwekkende knokploegengedrag. Bezettingen die door media en laffe universiteitsbestuurders "demonstraties" worden genoemd. Bezettingen ook van stations, liefst op beladen data zoals 7 oktober, om een bepaalde bevolkingsgroep in het nauw te drijven en angst aan te jagen.

Voorzitter. Als openbare en voor veel Nederlanders niet te vermijden plekken als stations de speeltuin worden van radicaal gif, zonder enig paal en perk aan wat daar zoal gezegd en gedaan wordt, sterker nog, als zelfs mensen uit dit huis zich onder hen begeven, dan houdt het demonstratierecht op, omdat het anderen in hun vrijheid en veiligheid beperkt. Aan onze universiteiten, waar de ideeën worden gerijpt die onze samenleving moeten gaan vormgeven in de toekomst, zijn de lafheid en de rot zo diep ingevreten dat mensen die zich schuldig maken aan bovengenoemd gedrag, niet een aangifte en vervolging aan de broek krijgen. O neen. Zij mogen gemaskerd en wel, zonder een woord Nederlands te spreken, met de rector komen praten in Amsterdam. Zij krijgen van de rector van de Uni Maastricht, thans hier in ons midden als minister, een kantoor aangeboden op de campus. Hun eisen worden gedwee ingewilligd. Geen haan kraait naar banden met Iraanse universiteiten, maar die met universiteiten uit Israël, een baken van democratisch licht in een verder aardedonker Midden-Oosten, liggen continu onder de loep, omdat zowel universiteitsbesturen als de gemeentelijke driehoeken bukken, buigen en de-escaleren in plaats van optreden. En de Joden en de Israëli? Die hebben pech. Die moeten maar even inschikken. Die moeten de davidster onder hun trui stoppen en de kipa niet meer op doen. Wie een Joods klinkende achternaam heeft — Meijer, Cohen, Levi, Baumgarten — kiest steeds vaker voor een neutrale naam, bijvoorbeeld van moederskant.

Voorzitter. Er leven amper nog Joden in Nederland en nog minder Israëli. Deze groep is niet zielig en ook niet homogeen. Dé Joodse Nederlander bestaat niet. Wat ze helaas wel allemaal gemeen hebben, met dank aan amper optreden tegen bovenstaand gedrag, dat niets met demonstreren te maken heeft, is dat hun veiligheid, waardigheid en vrijheid in het geding zijn. Ik vraag deze ministers nu op te treden, wat ik in de tweede termijn zal bekrachtigen met moties voor een concrete aanpak. Stop dit. Stop dit nu. Stop de bloeddorstige kreten op onze stations en campussen. Stop collectief schuld toewijzen aan Joden en Israëli. Stop dit beklemmende, steeds verder dichttrekkende net rond Joodse medeburgers. Ik wil harde afspraken horen. Ik wil lik-op-stukbeleid. Ik wil dat er bij bezetting en vernieling altijd aangifte wordt gedaan door universiteiten, die altijd wordt opgevolgd. Ik wil dat het de-escaleren stopt, want waar we dit gedrag de-escaleren, escaleert het de andere kant op, namelijk richting de Joden.

Voorzitter, afrondend. Ik heb een paar vragen. Waar gaat de €350.000 voor antisemitismebestrijding naartoe? Waarom is de subsidie van het succesvolle lesprogramma Na de Oorlog geschrapt? Draai dat terug. Kan de rode driehoek niet worden toegevoegd aan de wet tegen terreurverheerlijking? Het is een Hamassymbool. Kan er worden opgetreden als een demonstratie ontaardt in een sit-in of een bezetting van een campus of station?

Voorzitter. Joden en Israëli hoeven niets te doen om vrij en veilig in ons midden te leven. Ze hoeven er ook niets voor te laten. Ze hebben er gewoon een onvervreemdbaar recht op. Als wij dit recht voor een kleine minderheid niet weten te waarborgen, is niemand meer vrij en veilig.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Boon.

De heer Boon (PVV):
Ik heb een vraag. We hebben de aflopen jaren meerdere universiteitsbestuurders gezien die na 7 oktober eigenlijk niets hebben gedaan. Ze onderhandelen met gemaskerde mensen, hebben alleen maar begrip en voeren dialoogsessies. Wat zijn de ideeën van JA21 over keihard afrekenen met dit soort bestuurders?

Mevrouw Nanninga (JA21):
Om te beginnen — daar ga ik ook een motie over indienen in de tweede termijn — moeten aangifte en vervolging altijd volgen op dit soort incidenten, niet tegen de bestuurders maar tegen de bezetters. Nu is de smoes van de driehoek maar al te vaak: de universiteit heeft geen aangifte gedaan, dus daar kunnen we niks tegen doen. Daarnaast leeft ook de wens om bestuurders te leren om met dit soort gedrag om te gaan, en om dat in een assessmenttraject op te nemen. Het is treurig dat het moet, maar als we het aan universiteiten overlaten, blijft het pappen en nathouden en de-escaleren. Het moet helaas onderdeel zijn van je capaciteiten om met dit soort gedrag om te gaan. Daar moeten bestuurders op geselecteerd worden.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Nanninga. Dan is het woord aan mevrouw Bikker, die spreekt namens de ChristenUnie in eerste termijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Het rapport Gevangen in vrijheden, van de Taskforce Antisemitismebestrijding, laat zien hoe ernstig de situatie is voor Joodse Nederlanders, niet alleen in het hoger onderwijs, maar in de volle breedte van onze samenleving. Joodse instellingen leven al jarenlang in een permanente staat van waakzaamheid. Denk aan synagogen, scholen en verenigingen. Jood zijn in Nederland betekent beveiligen, alert zijn en hopen dat het niet misgaat. Er is eigenlijk maar één conclusie mogelijk: antisemitisme is een gif dat diep en diep is doorgedrongen in onze samenleving. De recente aanslagen in Rotterdam en Amsterdam onderstrepen dat dit geen abstract probleem is. Dit gaat niet over gevoelens, maar over reëel en concreet gevaar. Voor veel Joodse Nederlanders is dat de dagelijkse werkelijkheid. Juist daarom is het schrijnend dat Joodse instellingen nog steeds grotendeels zelf opdraaien voor hun beveiligingskosten. Dat is geld dat niet naar onderwijs of het gemeenschapsleven gaat, maar naar hekken, camera's en bewakers. Het is een fundamenteel verkeerde omdraaiing van verantwoordelijkheden. Veiligheid is geen gunst en ook geen luxegoed; veiligheid is een kerntaak van de overheid. Deze dreiging is niet door Joodse instellingen veroorzaakt. Zij zijn doelwit om wie ze zijn. Beveiliging moet daarom geen privékwestie zijn, maar een publieke verantwoordelijkheid.

De overheid erkent dit principe terecht bij de beveiliging van politici, rechters en journalisten, omdat daarover wordt gezegd: democratische kernwaarden mogen er niet van afhangen of je genoeg geld hebt om die te betalen. Maar die redenering zou ook hiervoor te voeren kunnen zijn. Vrijheid van godsdienst, vereniging en onderwijs mogen toch niet afhankelijk zijn van de fondsenwerving binnen een minderheidsgemeenschap? Vrijheid van godsdienst achter zelfbetaalde hekken is geen echte vrijheid. Is de minister het met die stelling eens? Welke concrete stappen wil hij zetten om Joodse instellingen daadwerkelijk tegemoet te komen in de organisatie en kosten van hun beveiliging?

Voorzitter. Ik heb het al vaker gezegd, maar antisemitisme is gewoonweg onacceptabel. Dat heeft dit parlement dan ook vastgelegd in wetgeving. Met de strafverzwaringsgrond voor antisemitische misdrijven heeft de Kamer duidelijk uitgesproken dat antisemitisme geen gewoon delict is, maar een aantasting van de rechtsstaat. Mijn vraag aan de minister is welke eerste inzichten er zijn nu deze wet van kracht is. Ziet hij dat het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht de strafverzwaring toepassen? Zijn er knelpunten? Normstelling moet duidelijk worden in de praktijk.

Het strafrecht alleen is niet genoeg, want bescherming achteraf vervangt nooit bescherming vooraf. Antisemitisme bestrijd je ook met onderwijs, met herinnering. Daarom zijn de signalen dat het Nationaal Holocaustmuseum nog onvoldoende wordt bezocht, gewoonweg zorgelijk. Herdenken is geen vrijblijvende activiteit, maar een maatschappelijke opdracht. De Kamer heeft eerder terecht uitgesproken dat Holocausteducatie essentieel is. Laat ik helder zijn: een school die de Holocaust niet volwaardig behandelt of overslaat in een klas vanwege gedoe, levert prutsonderwijs, onvolkomen onderwijs. Het is namelijk essentieel dat onze kinderen leren wat er gebeurd is en hoe wij als mensen met elkaar omgaan. Dit gaat over burgerschap, integratie en het beschermen van onze democratische rechtsorde. Is de minister bereid om het Holocaustonderwijs steviger te verankeren en bezoeken aan het Holocaustmuseum actiever te stimuleren?

Voorzitter, ik rond af. Het gaat ook om grenzen in het hier en nu. De aangekondigde komst van een artiest die zich herhaaldelijk antisemitisch heeft geuit, meneer Kanye West, veroorzaakt grote onrust. Zowel Polen, Engeland als Zwitserland zeggen: wij laten deze man niet optreden. Waarom lukt het andere landen wel om hier een duidelijke grens te trekken? Is het kabinet bereid om dat voorbeeld te volgen? Zo niet, waarom niet? Een antisemiet moet toch niet op onze podia staan?

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Boon (PVV):
Ik wil mevrouw Bikker van de ChristenUnie het volgende vragen. In Maastricht heeft een antisemitische groepering, Free Palestine Maastricht, gewoon een kantoor gekregen van de voormalige bestuurder daar. Vanuit daar verspreiden zij antisemitische propaganda en ondernemen zij antisemitische acties. Hoe denkt u over bestuurders die dit soort actiegroepen een podium geven en zelfs in een gebouw een lokaal geven?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben niet bekend met deze groepering en deze acties. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ik vind dat er sprake van strafrecht en normering moet zijn als een groepering zich daadwerkelijk antisemitisch uit. Vanzelfsprekend moet daar door welk bestuur dan ook geen ruimte voor worden gegeven. Maar ik heb me niet verdiept in de organisatie die collega Boon noemt.

De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, mevrouw Bikker, voor uw verhaal. U heeft duidelijk gesproken over hoe belangrijk Holocaustonderwijs is. In het kader daarvan is het volgende ook belangrijk, ook richting de toekomst. We zien steeds meer AI-beelden, nepbeelden, die de gebeurtenissen bagatelliseren. Dat is ernstig. Ik maak me daar heel veel zorgen over. Daar zal ik de ministers ook over bevragen.

De voorzitter:
Uw vraag?

De heer Bamenga (D66):
Ik zal wellicht ook met een voorstel komen. Hoe kijkt mevrouw Bikker hiertegen aan?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor deze terechte en goede vraag. Ik heb daar ook met zorg kennis van genomen. Ik denk dat het dan juist extra belangrijk is dat we schoolkinderen laten zien wat er echt gebeurd is, zodat zij zelf die spiegel hebben en zien hoe dat was. Eerder heeft collega Diederik van Dijk goede voorstellen gedaan om ervoor te zorgen dat schoolklassen dat Holocaustmuseum bezoeken. Ik ben wel benieuwd hoe het staat met de uitvoering daarvan, maar ik vind ook dat er keihard gehandhaafd moet worden op AI. Niet alleen degenen die de beelden verspreiden, maar ook techbedrijven hebben hierin een verantwoordelijkheid. Die hoeven niet naar de lucht te kijken, want het komt niet vanzelf online. Ook daar zijn mogelijkheden om in te grijpen. Dat lijkt me uitermate verstandig. Ik ben dus benieuwd naar de plannen van collega Bamenga, maar ik ben het met hem eens dat het aangepakt moet worden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er zijn scholen die zeggen: wij gaan geen lessen geven over de Holocaust en de Jodenvervolging, want dat roept heel veel weerstand op, onder anderen bij ouders, maar ook bij leerlingen. Wat vindt mevrouw Bikker dat we daaraan moeten doen? Hierover hoort op school namelijk gewoon les gegeven te worden.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zo is dat; hier moet les over gegeven worden. Ik vind ook dat dat stevig in het curriculum, het lesprogramma, van scholen moet staan. Eigenlijk vind ik dat als je hier geen les over hebt gehad, of je bent de klas uit gegaan, of je hebt de leraar tegengesproken en hebt het niet tot je genomen, dat je dan geen diploma verdient van een Nederlandse onderwijsinstelling. Dat vind ik als ik even heel principieel voor mezelf kijk. Alleen, ik heb in wet- en regelgeving gekeken hoe je dat kunt vormgeven en ik vind dat enorm ingewikkeld. Wel vind ik dat schoolbesturen hier veel meer leiderschap kunnen tonen. Dat was natuurlijk het goede in het rapport van meneer Jaap Smit en zijn kompanen in de taskforce — overigens dank ik hen zeer. Zij beginnen eigenlijk telkens opnieuw met: "Leiderschap, leiderschap, leiderschap. Spreek je duidelijk en publiekelijk uit tegen het overschrijden van morele grenzen." Ieder schoolbestuur heeft ouders op het matje te roepen als kinderen lesstof weigeren en de les verstieren, waardoor docenten het niet aandurven om les te geven. Een scholengemeenschap is namelijk geen knip voor de neus waard als ze dit zou skippen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar ben ik het hartgrondig mee eens, maar het zijn juist de ouders die op scholen aangeven dat ze dat niet willen. Dat zie je in het rapport van de taskforce. We hebben ook de afgelopen week, voorafgaand aan dit debat, gesproken met de heer Verdoner. Hij geeft bijvoorbeeld aan dat als het dan over de Holocaust of over de Jodenvervolging moet gaan, er dan altijd iets bij gezocht wordt. Er wordt dan gezegd: "We gaan het daarover hebben, maar dan moeten we het ook hebben over allerlei andere dingen. We moeten daar een schurend debat over kunnen voeren." Maar antisemitisme is gewoon antisemitisme. Je moet het gewoon over antisemitisme hebben, zonder er van alles en nog wat bij te halen. Is mevrouw Bikker het daarmee eens?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja. Ik denk dat ik dat vanmorgen ook duidelijk heb gemaakt met collega Ellian in onze geplaatste opinie.

De heer El Abassi (DENK):
Mevrouw Bikker geeft terecht aan dat Kanye West verschrikkelijke uitlatingen heeft gedaan over de Joodse gemeenschap. Ik heb mevrouw Bikker nog niet gehoord over het feit dat Kanye West zijn excuses heeft aangeboden via een brief en gezegd heeft dat zijn uitlatingen te maken hadden met een ziekte. Als we dat meenemen, wat vindt mevrouw Bikker dan nu van het toelaten van dit soort personen hier in Nederland?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Sowieso vind ik dat als iemand spreekt over zijn bipolariteit dat iets kwetsbaars is, waar je voorzichtig mee moet omgaan. Maar iemand die een miljoenenpubliek heeft en vorig jaar nog T-shirts verkocht met swastika's erop en liedteksten zong met "Heil Hitler" en dus aan naziverheerlijking doet voor miljoenen volgers, zo iemand moet de gevolgen maar ervaren. Dan is het heel goed dat die meneer zegt "ik heb spijt". Ga dat laten zien in het land waar je woont en laat het daar de Joodse gemeenschap vooral merken, ook verder in je uitingen. Dan kan er altijd, zeg ik dan maar, een moment komen van genade bij de ChristenUnie. Maar dit is niet het moment. Als je een jaar geleden nog deze rare, afgrijselijke teksten de ether in slingerde, met een groot bereik onder ontzettend veel jongeren, dan vind ik dat wij in Europa, en zeker in de landen waar de bladzijden het zwartst zijn, en dat is helaas in Nederland zo ... Ik kan geen landen verzinnen in Europa waar zo veel mensen van de Joodse gemeenschap zijn weggevoerd. Dat geeft een extra verantwoordelijkheid. Ik weet heel goed dat het voor de minister lastig is, want ik heb de regelgeving ook binnenstebuiten gekeerd, maar het begint met een morele oproep. Je ziet dat dat effect kan hebben. Ik weet heel goed dat het voor een privé-instelling zoals GelreDome ingewikkeld is om zo iemand te weren, maar we zien dat voetbalclub FC Basel het ook aankan. Dus ik zou zeggen: kom op, laat zien wat je moreel kompas is.

De heer El Abassi (DENK):
Ik vind dat een goede: een moreel kompas. Hier is inderdaad sprake van naziverheerlijking, maar dan zou ik mevrouw Bikker ook het volgende willen vragen. Als mensen hier in dit huis uitlatingen hebben gedaan als "gas geven als je een Jood ziet", "old habits die hard", "Heil Hitler roepen is op zichzelf ook volkomen ongevaarlijk", "Mein Kampf: je leest zes bladzijden, en je hebt meteen zin om Joden te vergassen" ...

De voorzitter:
Uw vraag?

De heer El Abassi (DENK):
Wat vindt mevrouw Bikker ervan dat mensen in dit huis dit soort uitingen doen, mensen die zonet achter de katheder hebben gestaan?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb me altijd duidelijk uitgesproken als collega's teksten uitslaan, ook hier, die antisemitisch zijn of die haat verspreidend zijn. Ik hoor dat de heer El Abassi nu collega's citeert waarvoor het lastig is om zich nu in het debat te mengen. Die hebben daar later ook uitspraken over gedaan. Ik ben altijd helder geweest: voor antisemitisme is geen plaats. Als mensen dat als columnist of in welke uiting dan ook doen en er is een kans op een misverstand, denk ik: neem die kans dan niet. Maar dat is hoe ik in elkaar zit en waar ik duidelijk over ben. Niet voor niets heb ik me ingezet, samen met collega Timmermans destijds, voor de strafverzwaringsgrond van antisemitisme voor het geval dat er daadwerkelijk antisemitisme is, zodat ook heel duidelijk is — ik ben blij dat die Kamerbreed gesteund is — dat er in zo'n geval een daadwerkelijke straf moet volgen en dat we het niet straffeloos laten passeren. Als ik dan het gif zie dat onze samenleving doordrenkt en als we dit rapport nemen, waarin staat hoe Joodse studenten niet meer over het station durven gaan, niet meer een universiteit of hogeschool binnen durven gaan, dan vind ik dat dat nu het allermeest op onze weg ligt om aan te pakken en dan zou ook mijn vraag aan de minister zijn waar we over vier jaar staan. Gaan we dit verder laten gebeuren of gaan we het nu echt een halt toeroepen? Wat mij betreft gaan we het echt een halt toeroepen.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer El Abassi (DENK):
Inderdaad, er zomaar straffeloos vanaf komen, vind ik ook te gemakkelijk. Daarom stel ik deze vraag ook, want ik ben van plan om een motie te schrijven waarin we ons uitspreken over mensen in dit huis. Ik vraag me dan af of we ook mevrouw Bikker aan onze zijde hebben als we een motie indienen waarin we keihard uithalen naar dit soort mensen die dit doen. We willen namelijk wel Kanye West verbieden om hier naar Nederland te komen, maar tegelijkertijd hebben we hier mensen die aan de macht zijn en aan de knoppen draaien die dit soort verschrikkelijke uitspraken doen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ga er volledig van uit dat de voorzitter het Reglement van Orde handhaaft op het moment dat iemand dat nu hier zou zeggen. Ik heb dat nu hier niet gehoord. Ik ga er ook van uit dat als collega El Abassi dit zegt, hij met mij optrekt in het tegengaan van die rappers die allerlei onzin uitkramen. Maar hier in dit huis, in deze Kamer — dat is mijn laatste punt, voorzitter — is er, hoe gruwelijk het ook is, natuurlijk een uitsluitingsgrond qua strafvervolging. Daarom spreken we elkaar aan en hadden we net een discussie over de beroemde leus waar ik een grote hekel aan heb, want daarvan heeft de Kamer ook gezegd dat die hier niet uitgesproken mag worden. Zo zijn we onderling normerend.

De heer Ellian (VVD):
Zoals gewoonlijk vind ik dat u strak voorzit, voorzitter. Ik vind dat als een collega over een andere collega "dit soort mensen" zegt, het wel een beetje buiten onze omgangsvormen gaat. De heer El Abassi kan gewoon zeggen: er is een collega hier die uitlatingen heeft gedaan en daar vind ik iets van. Maar als we "dit soort mensen" zeggen en op die manier gaan praten, zou dat niet goed zijn.

De voorzitter:
Ik waardeer het altijd, meneer Ellian, hoe u meedenkt met het voeren van de orde, maar ik wijs erop dat ik hier zit en u deelneemt aan het debat. Ik geef alle ruimte aan individuele volksvertegenwoordigers en deelnemers aan het debat om als zij die behoefte voelen naar voren te lopen en daarop te reageren. In dit geval wordt daar geen gebruik van gemaakt. Dat mag ook.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb grote waardering voor de woorden van mevrouw Bikker over hoe zij strijdt tegen antisemitisme. Ik deel die compleet. Ik begrijp dan alleen niet waarom de fractie van de ChristenUnie zo terughoudend is met het nemen van maatregelen om iets te doen aan de gigantische instroom van asielzoekers. We weten allemaal dat die voor een groot gedeelte uit islamitische landen komen. We weten ook allemaal uit internationaal onderzoek dat in die landen antisemitisme vaak onderdeel is van de discussie en bijvoorbeeld de opvoeding.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor de vraag, want dan kan ik meteen een misverstand wegnemen. De ChristenUnie is zeer voor effectief asielbeleid, dat er ook voor zorgt dat er minder mensen binnenkomen die hier niet horen te zijn. Daarom hebben we bijvoorbeeld dat Europese Migratiepact gesteund; vorige week was dat, geloof ik, in stemming hier. Ik ben toe aan beleid dat wel werkt. Ik heb gezien in '23 hoe het kabinet viel, terwijl we ook al op dat moment die Europese wetgeving veel meer hadden kunnen invoeren en nu al verder hadden kunnen zijn. Ik heb gezien hoe het kabinet in '25 viel omdat de PVV wegrende. Al die tijd hebben we het hier over allerlei nog meer strenge wetgeving. De kern ligt in de Europese afspraken, in het handhaven van die buitengrenzen en in het op tijd terugsturen van mensen die hier niet horen te zijn.

Het tweede punt. Ik denk dat mevrouw Keijzer op zou knappen als ze de integratieparagraaf uit het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie zou lezen, want daarin zijn wij glashelder: mensen verhuizen hier niet alleen fysiek heen als ze hier mogen zijn, maar zij hebben ook onze Nederlandse normen en waarden te onderschrijven. Daar hoort bij dat wij als vrouwen gerespecteerd worden in plaats van als onderdanig behandeld worden. Omdat dit debat over antisemitisme gaat, hoort daar zeker bij dat in dit land, met deze geschiedenis hier, mensen die van elders komen die geschiedenis hebben te onderschrijven en ook hebben te weten dat de Joodse gemeenschap hier veilig moet zijn en niet achter hekken moet leven. Dus ik dank mevrouw Faber … Eh, mevrouw Faber niet, maar mevrouw Keijzer. Excuus, ik moest aan de regering-Schoof denken en dan wordt het zo één beeld. Maar zo was het totaal niet bedoeld. Ik dank mevrouw Keijzer voor haar vraag, want dan kan ik dat misverstand wegwerken. Ik ben voor een effectief werkend asielbeleid. Ik ben niet voor het straffen van hulpverleners die een kop soep geven. Dat ging hier mis een aantal maanden geleden. Gelukkig ligt er nu een migratiepact, waar dit kabinet mee aan de slag kan. Kunnen ze er alsjeblieft mee aan de slag in plaats van dat ze elkaar nu alsnog weer de tent uit gaan vechten?

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ook over de integratie woorden die ik deel. Dat nog los van het feit dat het leven helaas niet zo maakbaar is als de ChristenUnie vaak denkt dat het is. We moeten hier geen migratiedebat van maken. Maar dat wat er in de Europese wetgeving zit, zit een-op-een in de twee wetten waarvan er in ieder geval één gesneuveld is. De fractie van de ChristenUnie zou wat mij betreft wat meer moeten proberen om te voorkomen dat hier steeds maar weer mensen naartoe komen die het antisemitisme, maar ook trouwens de manier waarop ze omgaan met vrouwen, op een totaal andere manier meekrijgen dan wij hier gebruikelijk en gewenst vinden. Hoezeer ik ook de prachtige woorden die mevrouw Bikker spreekt over antisemitisme deel, ben ik gewoon teleurgesteld dat de fractie van de ChristenUnie elke keer weer een reden of een moment heeft waarop het niet nu met deze asielbeperkende wetten moet.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nu gaan we wel de fase van onzin in, want ik leg net uit dat wij het Europees Migratiepact hebben gesteund omdat het werkend asielbeleid is. Ik heb het altijd gesteund en er zelfs … Ik heb hier gezeten voor een initiatiefwet om antisemitisme met een strafverzwarende grond aan te pakken. Waarom? Omdat ik wil dat niemand hier in Nederland, of diegene nou Nederlander is, hier als toerist rondrent of op welke grond dan ook, die het onze Joodse gemeenschap lastig maakt, straffeloos wegkomt. Ik vind het echt een gotspe als ik dan voor de voeten geworpen krijg dat het aan de ChristenUnie zou liggen. Dat slaat nergens op. Wel ligt het aan een kabinet dat buitelt van ophef naar ophef in plaats van aanpak naar aanpak. Ik zal altijd maatregelen steunen die effectief zijn. Als het gaat om de strafbaarstelling illegaliteit — daar willen we het nu vandaag niet over hebben — maken we een andere afweging, ook vanwege de veiligheid en ook vanwege de lessen uit de afgelopen jaren. Maar nooit en te nimmer zal dat gaan over de integratie. Daar ben ik streng in en daar zal ik streng in blijven.

De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mevrouw Keijzer … Nee, voorzitter, afrondend. Dank u wel. Mevrouw Keijzer zegt er geen migratiedebat van te willen maken, maar vervolgens stelt ze wel telkens migratievragen. Ze moet me dus niet verwijten dat ik daarop inga. Ik denk ook niet dat het zo maakbaar is als collega Keijzer zegt, namelijk dat alleen een wet ons land verandert, ongeacht welke asielwet dan ook. Ik denk wel dat we met elkaar werk hebben te maken van het terugsturen van mensen die misdaden begaan. Daar kunnen we elkaar denk ik in vinden.

De voorzitter:
Afrondend. Kort en bondig, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, voorzitter. Maar met de keuzes die de ChristenUnie maakt, is het helaas wel dweilen met de kraan open.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nou gaan we wéér. Ik geef duidelijk aan dat als er al eerder voor zou zijn gekozen om dat Migratiepact uit te voeren in plaats van allerlei eigen wetten — mevrouw Keijzer zegt zelf dat daar ook heel veel in zit van wat er in die noodwet en de tweestatuswet zit — we meteen aan de slag zouden zijn gegaan met wat daadwerkelijk wél werkt. Daar knappen de mensen van op. Dan sturen we mensen terug, dan reizen mensen niet meer heel Europa door. Dat zou heel goed zijn.

Maar terug naar het antisemitisme in onze tijd, voorzitter. Ja, ik heb dat bij sommige religieuze gemeenschappen gezien. Ik heb in het christendom, in het verre verleden, teruggekeken. Maarten Luther sprak zich antisemitisch uit en daar heeft het christendom zich rekenschap van te geven, elke dag opnieuw. Ik zie dat nu gebeuren in islamitische kring. Dan hebben wij ons daar als Nederlandse samenleving over uit te spreken. Ik zie het ook gebeuren in extreemrechtse kring. Laten we niet doen alsof er maar één groep is; helaas is dat niet het geval, zou ik zeggen, want dat zou het veel eenvoudiger maken. Bij al die groepen waar het gebeurt, vind ik dat onze overheid dit soort daden niet straffeloos kan laten, maar ik vind dat we hebben te staan voor onze gedeelde normen en waarden. Laten we dat samen uitspreken in plaats van elkaar de maat te nemen; we staan hierbij hopelijk allebei voor een werkend asielbeleid.

Voorzitter, ik rond af. We gedenken bijna 4 en 5 mei, een kostbaar moment in onze geschiedenis, waarop we teruggaan naar de verschrikkingen die er geweest zijn; ook weten we wat voor land we willen zijn. Dan zeggen we: dit mag nooit meer gebeuren. Als we dat echt menen, is het de hoogste tijd om daarnaar te handelen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng namens de BBB in de eerste termijn. Ik zou de leden er echt allen op willen wijzen dat we het bij het onderwerp van het debat houden en er inderdaad geen asiel- en migratiedebat van maken, want ook dat mag in dit huis, maar dan moeten we dat echt bij een andere gelegenheid doen, want dat is niet het onderwerp dat vandaag geagendeerd staat. Het woord is aan mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Het antisemitisme, oftewel de Jodenhaat, in Nederland neemt al jaren weer toe. Het collectieve geheugen van veel mensen is kennelijk flink aangetast, want nog maar ruim 80 jaar geleden werden miljoenen Joden in de concentratiekampen gemarteld en vermoord, vergast. En waarom? Omdat ze Joods waren. In propvolle veewagens maakten vaders, moeders, kinderen, opa's, oma's en zelfs baby's een helse rit om vaak bij aankomst in Auschwitz of in andere kampen rechtstreeks naar de gaskamers te worden gedreven. Gebeurde dit van de ene op de andere dag? Nee. Hier gingen vele jaren van antisemitisme en Jodenvervolging aan vooraf. Het begon met het uitschelden van Joden, het weigeren van Joden in winkels, theaters en scholen, het oproepen om niets meer van Joden te kopen, het uitsluiten van Joden, het mishandelen van Joden, het spotten met Joodse kenmerken, het de schuld geven van Joden van alle ellende in de wereld, het bekladden van huizen en winkels van Joden, en brandstichting op Joodse doelen. Wat klinkt dit me bekend in de oren, want nu, 80 à 90 jaar later, gebeurt dit allemaal weer opnieuw. Alsof dat nog niet erg genoeg is, zien veel mensen de parallellen niet of bagatelliseren ze het, want dan komt er een "ja, maar". Er is geen "ja, maar" bij antisemitisme! Antisemitisme is antisemitisme. Jodenhaat is Jodenhaat. Punt. Daar horen we allemaal tegen op te staan.

Voorzitter. In heel 2024 heeft het Openbaar Ministerie in 80 zaken mensen vervolgd voor antisemitische discriminatie. Dat is 37% van alle discriminatiezaken, terwijl de Joodse Nederlanders nog geen half procent van onze bevolking vormen. Antisemitisme woekert als een onkruid door Nederland. Voor de Tweede Wereldoorlog woonden er 140.000 Joden in Nederland en nu wonen er nog maar zo'n 50.000 in Nederland. Daarom moeten we antisemitisme ook bestrijden. Er zijn 100.000 Nederlandse Joden vermoord in de Tweede Wereldoorlog, alleen maar omdat ze Joods waren. Er is in ons land geen vergelijkbare vervolging geweest van welke bevolkingsgroep dan ook. Het rapport Gevangen in vrijheden van de taskforce laat precies zien wat er gebeurt. Op alle universiteiten en hogescholen zijn incidenten, honderden acties. Sinds 2023 gingen tientallen protesten gepaard met ernstig geweld tussen politie en demonstranten. Universiteiten noemen het "onacceptabel" dat Joodse studenten en docenten zich niet veilig voelen of niet veilig zijn op universiteiten. Onacceptabel! Dat moet dan gevolgen hebben, zou je zeggen, maar wat doen de universiteiten? Ze hebben een dialoogmaker aangesteld om met elkaar schurende debatten te voeren. Ja, echt! Hou hiermee op! Waarom moet een Joodse student of een Joodse docent zich in een schurend debat verantwoorden voor het Joods zijn? Het is één grote slappe hap op de universiteiten. Ga weg met "een schurend debat"! Zorg ervoor dat Joden veilig zijn! Hoe gaan we daar nou eindelijk eens een keer voor zorgen, vraag ik de ministers.

Voorzitter. Het valt mij op dat in het rapport van de taskforce zogenaamde dilemma's van schoolbestuurders worden geschetst. Moet je een spandoek met "Get rid of zionist scum" weghalen omdat dat onaanvaardbaar is of laat je dat hangen uit angst voor escalatie of omdat het juridisch misschien niet kan worden verwijderd? Dit soort teksten is onversneden antisemitisme. Keiharde Jodenhaat! Waarom grijpt het kabinet nog steeds niet in als dit soort drek, dit soort drek, op universiteiten wordt uitgebraakt? Volgens de taskforce is de bestuurlijke ruimte er namelijk wél, maar wordt die niet altijd gebruikt. Wat gaat het kabinet hieraan doen?

Voorzitter, ik rond af. Joden durven zich niet eens meer te laten zien op straat, laat staan op de universiteiten; letterlijk en figuurlijk niet. Als ze het al durven, dragen ze geen keppeltje of een andere uiting van hun Joods zijn. Het is toch schandalig? Ja, het recht op demonstratie is er, maar waar is het recht van Joden om zich veilig te voelen? Waar is het recht van een Joods kind om veilig naar school te gaan?

Voorzitter. Ik zeg tot slot: er is geen "ja, maar" bij Jodenhaat, nooit.

De voorzitter:
Dank u wel.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u.

De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Lammers voor haar inbreng namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Een aanslag op een synagoge, een aanslag op een joodse school, een Jodenjacht in Amsterdam, openlijke haatdemonstraties vol Jodenhaat op stations, campusbezettingen en universiteiten waar Joodse studenten zich zeer onveilig voelen: dat is Nederland anno 2026. Antisemitisme heeft een nieuw jasje aangetrokken, maar het is hetzelfde oude dodelijke gif. Het noemt zich tegenwoordig "antizionisme", "anti-Israël" of "mensenrechtenactivisme". Maar als je het recht van Israël om te bestaan ontkent, Joden collectief verantwoordelijk houdt voor alles wat er in de wereld gebeurt, Joodse studenten intimideert en Joodse instellingen tot doelwit maakt, dan heeft dat niets, maar dan ook niets, te maken met politiek. Dan is dat puur antisemitisme. Universiteiten, ooit bakens van vrijheid, zijn verworden tot broedplaatsen van antisemitisme.

Voorzitter. Het rapport van de Taskforce Antisemitisme komt opnieuw met een lijst van maatregelen, maar ik zeg u: antisemitisme groeit niet door een gebrek aan regels. Het groeit door een gebrek aan ruggengraat, door bestuurders die bewust wegkijken, bagatelliseren en hun verantwoordelijkheid ontlopen, en door politici die niet durven te zeggen waar de Jodenhaat vandaan komt of een aanslag op een joodse school afdoen met een "emotiegesprek". Nederland importeert al jaren antisemitisme. We halen mensen binnen uit landen waar Jodenhaat diep verankerd is in de cultuur, in de religie, in het onderwijs en in de media. In het Midden-Oosten worden nog altijd Mein Kampfedities verkocht. De IDF vond een Arabisch exemplaar in Hamasschuilplaatsen en zelfs in kinderkamers. De grootste groep die tegenwoordig naar het azc in Ter Apel komt, is de groep Palestijnen. 70% van hen steunde de massamoorden van 7 oktober. Dat is de haatcultuur die wij binnenhalen. We zijn een miljoen Ruttevluchtelingen verder en we doen alsof dit ons overkomt. Hoe naïef is het kabinet? We zijn kampioen in wegkijken. Dat is dezelfde houding die de Holocaust doorgang heeft laten vinden. In zo'n klimaat gaan woorden onvermijdelijk over in daden, want waarom ook niet? De prijs om anti-Joods te zijn is in Nederland laag, veel te laag.

Ministers, er moet hard worden opgetreden. Studenten die terrorisme verheerlijken of een universiteit bezetten of aan gort slaan, krijgen een campusverbod en verliezen hun studievisum. Universiteitsbestuurders die Joden niet beschermen worden aangepakt. De minister geeft de raad van toezicht een aanwijzing en zij worden ontslagen. Antisemitische demonstraties worden direct verboden en met harde hand beëindigd, en er komt een verbod op demonstraties op stations.

De voorzitter:
Kunt u afronden?

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ja, ik ben er bijna. Graag een reactie van beide ministers.

Voorzitter. Antisemitisme begint bij de Joden, maar het blijft daar nooit bij. De christenen zijn de volgenden. Wat wij hier in Nederland moeten doen, is het antisemitisme uitroeien, niet alleen om de Joden te beschermen, maar ook om onze maatschappij te beschermen tegen verder verval. Want wie de Joden niet eens kan beschermen, is geen beschaving.

Dank u wel.

De heer El Abassi (DENK):
Ik hoor mevrouw Lammers ook kritiek hebben op het antizionisme. Ik zou mevrouw Lammers iets willen vragen. Zionisme is het gedachtegoed waardoor de Palestijnen worden verdreven uit hun staat. Die gebieden worden overgenomen. We zien al dat die gebieden steeds kleiner worden voor de Palestijnen. Hoe kan je tegen antizionisme zijn? Hoe kan je voor het zionisme zijn?

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Zoals ik al zei, heeft Israël het recht van bestaan. Als je dat ontkent, ontken je dus eigenlijk dat Joden een plek hebben om te leven.

De heer El Abassi (DENK):
Dat is niet wat ik vroeg. Mevrouw Lammers heeft het over het bestaansrecht van Israël. Ik heb het over het recht om mensen te verdrijven uit hun land. Dat recht bestaat volgens mij niet, maar dat gebeurt nu wel in dat land, vanuit het zionistische gedachtegoed. Dat weet mevrouw Lammers toch wel? Wat is haar mening over het feit dat Palestijnen vanuit een zionistisch gedachtegoed uit hun gebieden worden verdreven, in strijd met het internationaal recht?

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik blijf bij mijn antwoord. Israël heeft het recht om te bestaan. Als je dat niet erkent en je Joden voor alles verantwoordelijk houdt, draag je niet bij aan het terugdringen van antisemitisme.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer El Abassi (DENK):
Ik merk dat mevrouw Lammers er niks van snapt. De Palestijnen zijn semieten. Ik merk dat deze Palestijnen vanuit uw oude partij zijn uitgemaakt voor nepvolk. En ik merk dat u vanuit uw huidige partij het verdrijven van Palestijnen goedkeurt. Er wordt gewezen naar anderen met betrekking tot antisemitisme, maar het is eigenlijk uw partij die hier antisemitisme verkondigt.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik ga daar niet op reageren.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn inbreng in eerste termijn namens de VVD.

De heer Ellian (VVD):
Voorzitter, dank. Geen lange inleiding of mooie woorden van mij, want waar we zo lang voor waarschuwden, is nu de realiteit. De geest is uit de fles en antisemitisme viert hoogtij. Op dit moment is de realiteit aan de keukentafel bij Joodse mensen of Joodse gezinnen de vraag: blijven we of gaan we? "Gaan we?" betekent dan: gaan we naar Israël? Het cynische en haast superverdrietige daaraan is dat veel Joodse Nederlanders helemaal niet noodzakelijk pro-Netanyahu of pro die regering zijn. Toch geloven zij dat ze daar veiliger zijn dan in Nederland, en geloven zij niet meer dat Nederland de veiligheid van de Joodse gemeenschap kan waarborgen.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat wel begrijp. Er is maar één groep die altijd als collectief wordt aangesproken, en dat is de Joodse gemeenschap. Zoals de columnist Bart Nijman mooi schreef: "De Turkse bakker of het Chinese restaurant wordt nooit aangesproken, maar welke groep in Nederland wel altijd? De Joodse gemeenschap." Kennelijk staat het regelgevende kader, waar wij over gaan, dat dus oogluikend toe. Hoe kan het namelijk dat gesubsidieerde instellingen, met name overigens in onze hoofdstad, bewust Joodse artiesten weigeren? Ik hoorde deze week nog een voorbeeld van twee organisatoren. De vraag was of ze een Joodse artiest uit de line-up wilden halen. Dat is onderscheid maken. Wat gaat de minister van Onderwijs en Cultuur daaraan doen? Dat vraag ik via u, voorzitter.

Maar dit geldt ook voor universiteiten. De universiteiten zeggen massaal samenwerkingen op met Israëlische universiteiten. Joodse studenten zijn vogelvrij, Joodse medewerkers ook. Maar samenwerken met het ministerie van Volksgezondheid in Iran is kennelijk goed. Daar wordt niemand op aangesproken. Ik vraag de minister van Onderwijs om een reactie. Met name vraag ik haar ook om het volgende. De Joodse docenten, de wetenschappelijk medewerkers, voelen zich nog steeds vogelvrij. Zij zeggen: als wij moeten klagen, moeten we klagen bij diezelfde universiteit en dan kom je meteen in een verstoorde arbeidsrelatie terecht. Zij geven aan dat niemand voor hen opkomt. Wat gaat deze minister daaraan doen, zeker gelet op haar achtergrond als voorzitter en ook als wetenschapper?

Voorzitter. Als ik een stap maak naar de concrete veiligheid van de Joodse gemeenschap, dan is de dreiging vanuit het islamitische regime van Iran een gegeven. Ik wil de minister van JenV dus vragen geen discussies meer te voeren over dreigingsanalyses. De Joodse gemeenschap is wereldwijd een concreet doelwit van terrorisme. Bedenkt u zich eens het volgende. Hoe normaal is het dat als je bij elkaar wil komen of een feestje wil vieren, je eerst moet nadenken over het regelen van de beveiliging en dat je daar nota bene dan ook zelf voor moet betalen? Nergens anders zouden we dat normaal vinden. Dus ik wil de minister vragen: wat kunnen we doen om deze last van het moeten regelen van de beveiliging te verminderen? De Joodse gemeenschap draagt ook al de last van het onveilig zijn. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister van JenV.

Voorzitter. De onveiligheid wordt natuurlijk ook gevoed door mensen die hier demonstreren, misschien soms met goede bedoelingen, maar eerlijk gezegd soms ook niet. Demonstreren is mooi, maar ik zie de afgelopen weken de vlag van het Iraanse regime naast pro-Palestinavlaggen. Wat zeggen die mensen dan? Dan zeg je dus dat je voor een sjiitisch kalifaat bent, gebaseerd op de sharia, met als uitgangspunt de vernietiging van Israël en de Joden. Hoe kan het dat die vlag nog steeds in de Nederlandse straten te zien is? Laat er geen misverstand over bestaan: de VVD zal zich ervoor inspannen om dit onmogelijk te maken, want dit moet niet kunnen en dit draagt bij aan de onveiligheid van die gemeenschap, die overigens 0,01% van Nederland beslaat.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Diederik van Dijk. Hij stond als eerste op.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank aan de heer Ellian voor zijn ook heel geladen woorden. Ik vrees dat hij gelijk heeft. Mijn vraag gaat over de universiteiten. De veiligheid van Joodse studenten en docenten wordt onvoldoende geborgd, zegt de heer Ellian. Tegelijkertijd heeft de taskforce geconstateerd dat de wetgeving eigenlijk prima op orde is en dat de gereedschapskist vol genoeg zit. Wat zegt dat? Wat betekent het dat die veiligheid toch niet gegarandeerd wordt, terwijl de gereedschapskist er ligt?

De heer Ellian (VVD):
Laat ik beginnen met aangeven dat ik de taskforce ook vanaf deze plek dank voor zijn grondige werk. Ik weet dat de taskforce vele gesprekken heeft gevoerd. Er ligt een duidelijk rapport dat goed inzichtelijk maakt hoe het systeem werkt. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat bestuurlijke moed vraagt van universiteitsbestuurders. Als ik die Joodse medewerkers spreek, dan zeggen ze dat ze vogelvrij zijn en dat men hen niet verdedigt. De Joodse studenten zeggen hetzelfde. Er zit een piepklein beetje verbetering in hun situatie, begrijp ik, maar aan het einde van de dag komen de universiteiten niet voor deze groep op. Het is natuurlijk een vraag aan de minister van Onderwijs. Daarom had ik het ook over haar vorige rol. Het begint er denk ik mee dat zij daadkracht uitstraalt en ook tegen de universiteitsbesturen zegt: ik reken erop dat u uw Joodse medewerker veilig houdt, net als de Joodse student.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie. We hebben de geschreven reactie van de universiteiten gezien. Ze zeggen dat ze de aanbevelingen overnemen en hard aan de gang gaan. Maar stel nou dat we over een halfjaar constateren dat het er niet van is gekomen. Welke consequenties zou dat dan moeten hebben?

De heer Ellian (VVD):
De heer Van Dijk weet dat je vanaf deze plek nooit moet antwoorden op als-danvragen. Ik kan niet in de toekomst kijken. Ik constateer dat er een rapport ligt en dat het probleem megagroot is. Ik constateer ook dat vele collega's hier ervan uitgaan dat deze minister hier echt werk van maakt. Ik hoop eigenlijk dat de dag een keertje aanbreekt dat we dit gesprek niet met elkaar hoeven te hebben. Laat ik er niet op vooruitlopen, maar dit is superbelangrijk voor de VVD-fractie.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik heb met veel instemming en interesse geluisterd naar de heer Ellian en ben het eigenlijk met ieder woord eens. Ik heb nog wel een verhelderende vraag over de aanpak hiervan. Zou het bij bijvoorbeeld zo'n campusbezetting niet raadzaam zijn om ervoor te zorgen dat universiteiten standaard aangifte doen van zoiets? Wat is daarover het oordeel van de VVD?

De heer Ellian (VVD):
Die campusbezetting en de rellen aan de UvA ... Hoe kan het — ik hoop dat de minister van JenV goed luistert, want ik weet dat hij dit belangrijk vindt — dat er Arabischsprekende mannen zijn met een keffiyeh die geen Nederlander zijn en geen student? Je kunt gevoeglijk aannemen dat dat buitenlandse invloeden zijn; deze woorden zijn voor mijn rekening. De universiteiten, maar ook de driehoek, moeten daar scherp op zijn. Er moet absoluut aangifte gedaan worden, want daarmee start je het strafrechtelijk proces. Dat is namelijk het enige antwoord op intimideren en rellen, want dit kun je geen demonstratie meer noemen.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik bevestig deze waarneming. Ik heb dat met eigen ogen gezien, onder meer op Roeterseiland en bij de Oudemanhuispoort in Amsterdam. Ik heb ook gezien dat de vlag van Samidoun daar openlijk was. Dat is een nare club die het kalifaat nastreeft. Ook waren er inderdaad gemaskerde mensen die Arabisch en geen Nederlands spraken. Er waren ook politiemensen die in hun eigen taal met hen in gesprek gingen. Ik vroeg: waarom doet u dat? Toen was het antwoord: nou, dan houden we in ieder geval een beetje zicht erop. Ik snap dat ergens nog wel, maar ik vind het ook levensgevaarlijk. Ik ben benieuwd hoe de VVD-fractie daarnaar kijkt. Is dat nou het accommoderen van de aanwezigheid en het gedrag of iets waar je toch echt niet in mee zou moeten gaan? Dat gesprek tussen een Nederlandse agent en een gemaskerde infiltrant ontgaat mij namelijk als Nederlandse burger.

De heer Ellian (VVD):
Ik was niet ter plaatse zoals mevrouw Nanninga. Ik constateer dat dit geen demonstreren meer is. Ik vraag me in alle oprechtheid ook af of die demonstraties nog gaan over wat je emotioneel vindt over bijvoorbeeld het welzijn van de Palestijnen of dat ze een hele andere intentie hebben. Het bezetten en vernielen van een gebouw is nooit een vorm van je mening uiten. Ik zie de beelden nog voor me van bakstenen en dingen die gegooid werden. Ik zou willen dat er stevig was opgetreden. Ik herinner me dat het vrij lang duurde voordat er contact werd gelegd met de politie. Goed, ik wil niet die hele casus analyseren, maar dit hoort niet. Wij moeten met elkaar uitstralen: dat gaan we niet doen; als u dat wel doet, dan is het strafrecht het antwoord. Dat geldt ook voor het gezag.

De heer Boon (PVV):
Dat is een mooie tekst van de heer Ellian. Ik ben het helemaal met hem eens dat bestuurders moeten ingrijpen. Dan hebben we de vorige bestuurder van de Universiteit Maastricht. Die gaf Free Palestine Maastricht een kantoor. Dat is gewoon een antisemitische organisatie die meerdere keren echt opgeroepen heeft tot geweld, bijvoorbeeld met "kill all zionists". Ze hebben lofzangen gehouden op het terroristische en antisemitische regime in Jemen. Ze riepen op tot een intifada. Die vorige bestuurder heeft niet ingegrepen. Die heeft het antisemitisme op de Universiteit Maastricht zelfs gefaciliteerd. Vindt u dat deze minister van Onderwijs de huidige bestuurder van de Universiteit Maastricht moet oproepen om het kantoor van de antisemitische groep Free Palestine Maastricht direct te sluiten?

De heer Ellian (VVD):
Ik begin veel met constateringen, want ik denk dat het met elkaar scherp hebben van de feiten — die feiten zijn vrij bedroevend — helpt om vervolgens het antwoord te vinden op de vraag: wat moeten we doen? Ik constateer dat dat kantoor er is. Ik constateer dat ik zowel Joodse studenten als Joodse medewerkers heb gesproken die zich enorm onveilig hebben gevoeld en voelen. Dan constateer ik: daar moet iemand wat aan doen. Als niemand daar wat aan doet, dan zijn die studenten en medewerkers dus vogelvrij verklaard. Deze minister heeft een rol als bewindspersoon namens de regering. Ik ga ervan uit dat zij, ongeacht of het haar vorige werkplek is of niet, daar bovenop zit en dat het voor haar geen probleem zou moeten zijn om, indien nodig, een stevig gesprek met die bestuurders te voeren. Sterker nog, het kan een voordeel zijn dat deze minister kan zeggen: ik weet dat het lastig is, maar zo gaan we het doen. Daarmee bedoel ik zorgen voor een veilige omgeving voor de Joodse studenten en medewerkers.

De heer Boon (PVV):
Een gesprek is leuk en daar ben ik ook helemaal voorstander van, maar als dat kantoor openblijft, hoe kan er dan in hemelsnaam ooit een veilige plek voor die medewerkers en studenten zijn? Dat kantoor moet gewoon dicht. We kunnen wel allemaal gesprekken en dialogen hebben, maar dat kantoor moet gewoon dicht. Staat de VVD aan de zijde dat het kantoor van Free Palestine Maastricht eigenlijk morgen dicht moet?

De heer Ellian (VVD):
Op zich ben ik het eens met de essentie van wat de heer Boon zegt. Alleen, ik vind ook dat ik een beetje moet bewaken dat we nu niet per universiteit ... Ik vind: alle universiteiten in Nederland, waar dan ook, moeten niet willekeurig samenwerkingen opzeggen met Israëlische partners; die moeten een veilig klimaat garanderen voor Joodse medewerkers en docenten. De acties die daarbij nodig zijn, moeten ondernomen worden. Na jaren een toename van antisemitisme mag ik toch hopen dat deze minister daar namens dit kabinet ook echt wat aan gaat doen en paal en perk stelt aan degenen die die onveiligheid creëren.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Maar — hoe was het ook weer? — resultaten uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst. Hoe gaat dat er dan uitzien? Ik heb hier de reactie van de voorzitter van de Vereniging van Universiteiten voor me liggen, namelijk: "Wij staan pal achter hen." Universiteiten moeten voor iedereen een veilige plek zijn, maar als je over de afgelopen twee jaar terugkijkt, zie je het tegenovergestelde.

De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Keijzer?

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wat is er nodig om ervoor te zorgen dat deze minister … Het is lastig, want nog niet zo heel lang geleden was ze de baas van een universiteit, waar ze er ook een zooitje van maakte.

De heer Ellian (VVD):
Kijk, ik heb in de beantwoording richting de collega's een paar dingen gezegd. De universiteiten moeten bestuurlijke daadkracht tonen. Ik zie wat mevrouw Keijzer ook ziet. Dat was behoorlijk afwezig de afgelopen twee jaar. Dan heeft de minister de rol om hen daarop te wijzen en te zeggen: goh, wij verwachten iets anders van u. Joodse medewerkers, docenten en wetenschappelijk medewerkers, zitten natuurlijk in alle gevallen met de gebakken peren. Zij kunnen met hun onveiligheid naar de uni gaan. Dat is hun werkgever. In de regel is het antwoord: "Ja, maar het is toch een beetje ingewikkeld. Je bent Joods en pro-Israël." Maar het is wel hun werkgever. Het is een arbeidsrelatie. Ik denk dat het zou helpen als zij naar een onafhankelijke plek toe kunnen, die vervolgens de universiteit kan aanspreken en kan zeggen: u wordt geacht in actie te komen, ook op basis van wat er in het rapport staat. Want de Joodse docenten kunnen nu eigenlijk nergens naartoe. Kijk, als het allemaal niet werkt … Ik wil niet alle hoop opgeven. Maar laten we beginnen met wachten op het antwoord van de minister. Ik hoop dat zij dit tot chefsache voor zichzelf maakt.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat vind ik een mooie vraag aan de minister: voelt zij dit als chefsache? Haar staat van dienst tot nu toe geeft mij weinig vertrouwen. Het gaat niet alleen om deze universiteit en het gaat niet alleen om Joden, want als jij als niet-Israëlische staatsburger het woord wilde voeren op een universiteit en niet aan de kant van de Pali-demonstranten stond, werd jou het spreken ook onmogelijk gemaakt. Dus welke termijn legt de VVD-fractie dan neer voor deze minister, ook om ervoor te zorgen dat er iets verandert aan de universiteiten?

De heer Ellian (VVD):
Eigenlijk gisteren. Het is natuurlijk volstrekt abominabel dat wij dit hier bespreken, terwijl de medewerkers en de studenten al jaren … Sommigen die ik gesproken heb — volgens mij was het bij hen allemaal — zeiden met tranen in hun ogen: "Maar wie verdedigt ons? Dat moet toch de universiteit zijn, want dat is een plek voor iedereen." Dus liever gisteren dan vandaag. Laten we even kijken of dit chefsache is voor deze minister. Dat mag ik aannemen. Anders kunnen wij het overigens vanuit de Kamer chefsache maken. Dit moet snel veranderen. Het moet niet zo zijn dat ik, als ik over zes maanden met deze medewerkers spreek, het antwoord krijg dat er nog niks is gebeurd. Dit moet rapido. Ik ben een fan van dat woord. Iedereen die mij kent, weet dat ik graag "rapido" gebruik. Dat betekent: snel.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is dus niet over zes maanden. Dus ik stel mij zo voor dat we met elkaar afwachten wat de minister te melden heeft. Niet alleen woorden, maar daden.

De heer Ellian (VVD):
Ja. Mevrouw Keijzer en ondergetekende zijn het eens, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):
U bedankt, voorzitter.

De voorzitter:
Het woord is aan de heer Van den Brink, voor zijn inbreng namens het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Meneer de voorzitter. Iedereen heeft het weleens: een liedje in zijn of haar hoofd. Waar het vandaan komt, weet je vaak niet. Hoe je het weer weg krijgt trouwens ook niet. Ik had het de afgelopen weken met een liedje van Herman van Veen, oorspronkelijk van Jacques Brel: Een vriend zien huilen kan ik niet. Collega's zullen het misschien kennen. Het betreft één specifieke zin uit dat lied. "Geen moed genoeg om Jood te zijn", zingt Herman van Veen. Het zinnetje schoot me te binnen tijdens de voorbereiding op dit debat, tijdens het lezen van stukken en tijdens het voeren van gesprekken met mensen uit de Joodse gemeenschap. "Geen moed genoeg om Jood te zijn": het schoot me te binnen en het liet me niet meer los.

Het is namelijk dieptreurig maar waar: er is vandaag in ons land moed nodig om Jood te zijn. Er is moed nodig om met een keppel op door sommige wijken van ons land te lopen, want word je niet bespuugd of beschimpt? Er is moed nodig om je kind naar Joodse les te brengen, want is dat eigenlijk wel veilig als er 's nachts explosieven aan de deur van een school zijn aangebracht? Er is moed nodig om op de universiteit openlijk Joods te zijn. Voor je het weet, word je gepest of geïntimideerd.

Voorzitter. De Joodse gemeenschap in ons land loopt gevaar. Dat is niet alleen het probleem van de Joodse gemeenschap, maar van de hele samenleving. Als antisemitisme kan aarden, is de aarde rot. Wij zijn met z'n allen die aarde, dus wij hebben met z'n allen een probleem. We kunnen vandaag natuurlijk naar het kabinet kijken en vragen wat het kabinet doet om de veiligheid van Joden te waarborgen, maar dat hebben we al zo vaak gevraagd. Het kabinet doet gelukkig veel. Volgens mij is het kabinet vandaag het probleem niet, al heb ik straks nog wel een aantal vragen.

Meneer de voorzitter. Het probleem zit in onszelf. Dat was zo voor en in de Tweede Wereldoorlog, toen Jodenhaat welig tierde in het door het christendom gestempelde Europa, en het is vandaag de dag nog steeds zo. Want dat er moed nodig is om Joods te zijn, komt ook door het gebrek aan moed van ons niet-Joden. Als er in een appgroep van een politieke jongerenorganisatie antisemitische opmerkingen worden gemaakt, durf jij er dan wat van te zeggen? Als jij geloofsgenoten antisemitische statements hoort maken, kom je dan in actie? Als een Joodse organisatie jouw zaal wil huren, heb je dan de moed om dat gewoon te doen en te gaan staan voor de veiligheid? Als je als burgemeester kunt vermoeden dat in jouw stad Joden belaagd gaan worden, bijvoorbeeld bij de opening van een museum, heb je dan de moed om de gevoelens van de Joodse gemeenschap zwaar te laten wegen en de demonstratie misschien toch een stukje te verplaatsen? En als er bij jouw fonds een aanvraag binnenkomt voor een bijdrage aan de vernieuwing van een herinneringskamp, kijk je dan even de andere kant op, omdat zo'n bijdrage nu misschien niet zo lekker valt, of zeg je: juist nu moeten we niet vergeten?

Het heeft er alle schijn van dat onze samenleving een terugtrekkende beweging maakt. We kijken te vaak de andere kant op als Joden in de problemen dreigen te komen. Het is hoog tijd dat we ons niet terugtrekken, maar juist een stap vooruitzetten, een stap naast, voor en achter de Joodse gemeenschap. En dat kan. Jaap Smit van de al genoemde taskforce zegt het heel duidelijk in zijn rapport: met de regels is niet zo veel mis. Er is voor bestuurders van universiteiten, voor eigenaren van stations, maar ook voor burgemeesters genoeg ruimte om op te komen voor de sociale veiligheid van Joden. Maar dan moet je die ruimte wel benutten. Dan moet je moed hebben.

Meneer de voorzitter. Ik heb toch een paar vragen aan de regering. Hoe staat het met het onderzoek naar de aanslagen op een synagoge in Rotterdam en een Joodse school in Amsterdam? Klopt het dat het hier niet zozeer gaat om antisemitische aanslagen, maar om aanslagen met een terroristisch motief? Zo ja, wat betekent dat voor de aanpak? Zou u alstublieft de strijd tegen online antisemitisme willen intensiveren? Op sommige socialemedia-accounts is antisemitisme nooit ver weg; na twee kliks walmt het je tegemoet. Daar moet wat de CDA-fractie betreft echt veel strakker op gehandhaafd worden. Daar zal ik straks een motie over indienen.

Meneer de voorzitter. Geen moed genoeg om Jood te zijn. In sommige tijden is er extra moed nodig. Dit is zo'n tijd, een tijd voor Joden om Jood te zijn en voor ons als samenleving om voor ze op te komen.

Ik dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Dan geef ik het woord aan mevrouw … O, ik zie dat mevrouw Keijzer nog een interruptie heeft.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Het was een mooi betoog, zoals ik de heer Van den Brink ook ken, over wat we zelf kunnen doen. Hoe kijkt hij terug op de uitspraak van Bontenbal tijdens de campagne van vorig jaar, waarin hij zei dat het CDA altijd het Joodse volk wilde helpen, maar van gedachten is veranderd? Voedde hij daarmee niet een sentiment in de samenleving tegen Joden?

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben ervan overtuigd dat het CDA en de heer Bontenbal allebei staan voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap. Dat is tot op de dag van vandaag zo en dat zal ook zo blijven.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is een strakke tekst, maar is daar ook over gesproken binnen het CDA? Op zijn uitspraak over homoseksualiteit is hij wel teruggekomen tijdens de campagne, maar op deze uitspraak, waarin hij zei dat CDA altijd het Joodse volk wilde helpen maar van gedachten is veranderd, is hij niet teruggekomen. Wat zou het CDA in reflectie op die uitspraak kunnen doen om niet alleen nu achter het spreekgestoelte achter het Joodse volk te staan en wat ze op dit moment meemaken, maar ook terug te komen op wat er toen gezegd is?

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dit debat is voorbereid samen met de heer Bontenbal. Hij heeft deze bijdrage gelezen en hij staat er volledig achter. Hij steunt alle Joden in Nederland van harte.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Hier heb je dus niet zo veel aan.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Het lijkt me belangrijk.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, heel belangrijk, maar ik hoor geen enkele reflectie op wat er toen gezegd is en op de impact die dat had op de Joodse gemeenschap.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik kan herhalen wat ik net al zei: ik ben er zeer van overtuigd dat de heer Bontenbal, en met hem het hele CDA en de hele CDA-fractie, de Joodse gemeenschap in Nederland steunt.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bromet … O, er is nog een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is mooi om te horen dat het CDA de Joodse bevolking steunt. Maar wat we hier in de Kamer ook zien, is dat het CDA steeds vaker meestemt met moties voor bijvoorbeeld het opschorten van het handelsdeel van het associatieakkoord met Israël. Dat is echt opvallend, want ik heb het CDA nooit zo gekend. Ik heb wel gezien dat daar de afgelopen maanden een draai in is gemaakt. Beseft de heer Van den Brink wat die draai doet met Joodse mensen in Nederland?

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Het debat over het Midden-Oosten was vorige week. Ik denk dat de Joodse gemeenschap in Nederland het ook heel fijn vindt als we het Midden-Oosten en ons eigen land een beetje uit elkaar houden. Heel veel gebeurtenissen op de universiteiten komen voort uit de gebeurtenissen daar. Het zou mij een lief ding waard zijn — daarom hebben we ook verschillende woordvoerders op deze terreinen — om dat uit elkaar te houden. Wij hebben het hier vandaag over de veiligheid van de Joodse gemeenschap in Nederland. Daar staan wij voor. Ik wil ook best met u over het buitenland praten, maar liever op een ander moment.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, maar dit heeft alles met elkaar te maken. Inmiddels hebben we in dit huis meer debatten over het buitenland, over het Midden-Oosten, Gaza en noem alles maar op, dan over ons eigen land. Dit heeft alles met elkaar te maken. Tijdens dat soort debatten worden namelijk ook allerlei soorten moties ingediend, bijvoorbeeld over het boycotten van producten uit Israël. Nogmaals, de afgelopen maanden is mij opgevallen dat het CDA steeds vaker meestemt met dat soort getinte moties, terwijl wij van Joden in Nederland horen — dat zal het CDA vast ook horen — dat zij zich daar ook wel ongemakkelijk bij voelen. Ze zien dit namelijk ook als anti-Joods. Het haakt wel in elkaar. Mijn vraag is: hoe kijkt de heer Van den Brink ernaar dat er binnen de Joodse gemeenschap ook zo over gedacht wordt? Zij voelen zich wel onveilig.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil het heel graag uit elkaar houden. De Joodse gemeenschap hier kan op onze steun rekenen. De daden van de regering van Israël zijn in een ander debat aan de orde geweest en daar hebben we onze opvattingen over. Juist als je dat gaat vermengen, loop je het risico dat Joden hier in Nederland worden aangesproken op de daden van de Israëlische regering. Dat willen wij heel graag voorkomen. Joden mogen hier gewoon zijn en leven zonder elke dag verantwoording te moeten afleggen over wat de regering in Israël doet. Daarom houden wij dat zo veel mogelijk uit elkaar.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, tot slot. Kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan mijn volgende vraag aan de heer Van den Brink. Bij mevrouw Bikker en in mijn inbreng gaf ik ook al aan dat er op universiteiten wordt gesproken over hoe Joden zich veilig kunnen voelen en over het instellen van een dialoogmakelaar, waarna er schurende debatten worden georganiseerd, waarin Joodse studenten en docenten zich eigenlijk ook een beetje moeten gaan verantwoorden voor het feit dat ze Joods zijn of dat ze de staat Israël steunen.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Stel dat ik een motie indien waarin ik, even plat gezegd, stel: dat gaan we niet doen. Steunt het CDA dan zo'n motie om daar gewoon mee te stoppen en Joden zich veilig te laten voelen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben het helemaal met u eens dat Joden zich veilig moeten voelen. Ik zou heel graag de universiteiten zelf willen oproepen om na te denken over hoe ze die veiligheid formuleren. Jaap Smit zegt in zijn rapport: "Ze hebben middelen genoeg. Ze kunnen die veiligheid garanderen. Doe het dan ook. Toon moed." Ik vind niet dat ik hier vanaf deze plek moet bedenken hoe dat precies moet; dat moet daar vooral zelf bedacht worden. Misschien kunnen debatten daarbij helpen. Ik heb heel veel debatten geleid in het verleden. Soms leidt dat tot iets. Dat is niet altijd zo; dat geef ik onmiddellijk toe. Maar ik zou het niet hiervandaan willen verbieden of zo.

De heer Boon (PVV):
Meneer Van den Brink had hele mooie woorden over moed tonen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik wil dan graag kijken naar voorbeelden. Welke voorbeelden van bestuurders kunnen wij nu aanhalen voor andere bestuurders? Kunt u sinds 7 oktober een voorbeeld geven van een bestuurder die echt moed heeft getoond en is opgestaan tegen antisemitisme?

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb het rapport van Jaap Smit gelezen. Hij zegt dat er een steile leercurve is bij de meeste universiteiten in Nederland, dat veel universiteiten in het begin hebben zitten zoeken naar hoe ze dit nou goed kunnen doen en dat ze hun vorm in de loop van de tijd steeds meer gevonden hebben. Ze zijn er nog niet. Dat blijkt ook uit het rapport. Veel Joodse studenten voelen zich onveilig, dus is er ook nog ruimte voor groei.

De heer Boon (PVV):
Ik deel die conclusie van de heer Smit niet. Ik merk namelijk — dat blijkt ook uit andere onderzoeken — dat Joodse studenten en medewerkers zich nog steeds megaonveilig voelen. Er zit nul verbetering in. Die steile leercurve zie ik dus niet. Kunt u uitleggen waar u die wel ziet? Of heeft u het alleen gelezen in het rapport? Kunt u echt voorbeelden noemen van bestuurders die wel moed getoond hebben en nu wel opstaan tegen antisemitisme?

De voorzitter:
U spreekt tegen de heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ga hier geen namen noemen van mensen die het goed hebben gedaan. Ik heb een oproep gedaan aan de samenleving om zelf te gaan staan op het moment dat het in je omgeving speelt. Dat wens ik ook de bestuurders van de universiteiten toe. Sta op en spreek je uit voor de Joodse gemeenschap en tegen onveilige situaties.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Dan is het woord aan mevrouw Bromet voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik zag op tegen dit debat en het valt me tot nu toe niet mee, moet ik zeggen.

Antisemitisme is overal, bijvoorbeeld bij de inhuldiging van landskampioen PSV, waar antisemitische liederen worden gezongen. Het versterkt het onveiligheidsgevoel van de Nederlandse Joden. Hun identiteit wordt publiekelijk tot op het bot gekrenkt en ik kan daar met mijn verstand niet bij.

GroenLinks-PvdA dankt de taskforce voor de inzet voor een veiligere leefomgeving voor Joden. De commissie heeft een scherp oog voor de complexe omstandigheden waaronder burgemeesters, universiteitsbesturen en de NS en ProRail tegelijkertijd het recht om te demonstreren tegen wat het regime-Netanyahu doet, maar ook de veiligheid en de waardigheid van Joden, studenten, medewerkers en voorbijgangers moeten garanderen. In het vorige debat zei ik het ook al: onze demonstratievrijheid biedt ruimte om de misdaden van het regime-Netanyahu aan de kaak te stellen, mits het bestaansrecht van de staat Israël binnen de tweestatenoplossing niet ter discussie wordt gesteld en individuele Joden nooit persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor de misdaden. Meneer Van den Brink zei dat net ook al heel mooi.

Omgekeerd begrijp ik — ik heb zelf ook familie in Israël wonen — dat het bestaan van de staat Israël voor veel Joden een diep emotionele betekenis heeft. Eerlijk gezegd word ik best wanhopig van de opleving van onversneden antisemitisme en discriminatie, des te meer omdat die verband houdt met mondiale ontwikkelingen, waarop weinigen in Nederland invloed hebben. Juist onder die omstandigheden moeten we de verbinding met elkaar zoeken. Deze week heeft het initiatief Deel de Duif, een groep enthousiaste Joodse en moslimjongeren die op scholen het gesprek zoeken over antisemitisme en moslimhaat, een jongerenprijs gekregen. Ik wil ze daarmee feliciteren. GroenLinks-PvdA gelooft namelijk wel in de dialoog. Wij denken dat het de enige oplossing is. Wie antisemitisme en discriminatie echt wil stoppen, moet inzetten op preventie, op scholen, op sportvelden, op internetfora, waar dan ook. Dat vergt een lange adem en langlopende projecten. Ik vraag de minister van OCW welke doelen zij stelt en hoe ze deze wil gaan bereiken.

Ook repressief strafrechtelijk ingrijpen is onmisbaar, als reactie op daders en als signaal naar de samenleving. Ik las in de recent gepubliceerde discriminatiecijfers dat het aantal misdrijven waarbij een discriminatoir aspect is geregistreerd, is toegenomen; dat is vreselijk. Ik hoop van harte dat de minister van JenV mij kan verzekeren dat dit onder andere een effect is van de initiatiefwet die GroenLinks-PvdA samen met de ChristenUnie succesvol door het parlement heeft geloodst, de wet op de hatecrimes.

De recente aanslagen bewijzen dat beveiliging van Joodse symbolen en gebouwen belangrijker is dan ooit. Uit de media begrijp ik dat deze aanslagen — noem ze rustig "terrorisme"; iemand voor mij zei dat net ook al — vermoedelijk vanuit het buitenland zijn georganiseerd. Hetzelfde geldt voor de campusprotesten die uit de hand liepen. Er liepen raddraaiers bij die vermoedelijk geen enkele binding met de universiteit hadden. Ook mijn fractie vindt dat burgemeesters, universiteitsbesturen, de NS en ook de KNVB en individuele voetbalclubs snel aan de slag moeten om antisemitisme en discriminatie beter te voorkomen en te bestrijden. We schieten er echt niks mee op als uit angst voor negatieve resultaten besloten wordt om af te zien van een jaarlijks onderzoek naar onveiligheidsgevoelens op de universiteit. Om problemen aan te pakken moet je ze wel eerst in kaart gebracht hebben. Omgekeerd moet het kabinet echter ook boter bij de vis leveren. Om te weten wat er speelt, zijn de NCTV-dreigingsanalyses onontbeerlijk. Om te de-escaleren en in te grijpen als het uit de hand loopt, moet politie-ingrijpen verzekerd zijn. Kan de minister van JenV precies aangeven waarop concreet gerekend kan worden door de burgemeesters? Krijgt een burgemeester gevraagd en ongevraagd relevante NCTV-informatie? Wordt de politie-inzet gegarandeerd als het nodig lijkt en blijft de beveiliging van Joodse scholen en synagogen door de Koninklijke Marechaussee op peil?

De voorzitter:
Kunt u afronden?

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dit debat is een van de vele manieren om onze solidariteit met de Joden in Nederland te benadrukken. Joden en Nederland zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Joods leven moet worden gekoesterd, beschermd en uitgedragen. Wij zien uit naar de initiatieven die hierop worden genomen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):
Ik weet niet of het goed hoorde. Ik hoorde mevrouw Bromet — ik dank haar uiteraard voor haar betoog — over de beveiliging van Joodse instellingen zeggen dat er de-escalerend moet kunnen worden opgetreden. Dat lijkt me een misverstand, want er is een terroristische dreiging op die instellingen. Er valt niks te de-escaleren. De dader moet uitgeschakeld worden. Is mevrouw Bromet ...

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan de minister is of de informatie die bij de NCTV voorhanden is, wordt gedeeld met de desbetreffende burgemeesters die hiermee te maken hebben en of de marechaussee-inzet op peil blijft, zodat die niet overgenomen moet worden door schaarse politie-inzet, die ook op andere terreinen nodig is. Ik ben benieuwd naar de antwoorden van de minister daarop.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik ga een zin uitspreken die u mij niet vaak zal horen uitspreken, maar ik vond dit eigenlijk een heel sterk betoog van GroenLinks-PvdA. Ik ga er geen gewoonte van maken. Maar ik heb, als we dan toch zo goed bezig zijn met elkaar, wel de vraag of GroenLinks-PvdA, bij monde van mevrouw Bromet, uit wil spreken dat een demonstratie ophoudt een demonstratie te zijn zodra er sprake is van een bezetting of een sit-in, en dat ingrijpen dan dus geoorloofd is?

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Het demonstratierecht is een groot goed. Er zijn een heleboel mensen in Nederland die zich zorgen maken over bepaalde ontwikkelingen in de wereld en die in actie willen komen. Daar zijn die demonstraties voor. Dat juich ik ook heel erg toe. Daar waar het overgaat in vernielingen of rellen, moet worden opgetreden. Maar ik zou er ook voor willen waken dat het demonstratierecht uitgehold wordt onder het mom van antisemitisme, want dat recht vinden wij gewoon ontzettend belangrijk.

Mevrouw Nanninga (JA21):
We zijn er bijna! We liggen zo dicht bij elkaar. Ook dit ben ik geheel met mevrouw Bromet eens. Je mag over alles demonstreren, absoluut. Maar mijn vraag was als volgt, heel concreet. Ik had het niet over rellen en vernielen, want over die grens zijn we het allemaal met elkaar eens, denk ik. Stel dat een demonstratie ontaardt in een sit-in of een bezetting. Dat hoeft niet per se gepaard te gaan met rellen of vernielen. Kan GroenLinks-PvdA dan met mij meegaan in de gedachte dat het voor studenten of reizigers intimiderend is en agressief overkomt, en dat er dan moet worden ingegrepen?

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Nou, nee, want het is een hellend vlak. Ik kan mij heel goed herinneren dat ik op 7 oktober een weekendje in Maastricht was. De ochtend nadat de slachtpartij in Israël had plaatsgevonden, demonstreerden mensen tegen de verschrikkingen waar de Palestijnen onder lijden. Ik vond die timing voor mezelf ongemakkelijk, maar ik zou nooit zeggen: jullie hebben het recht niet om vandaag, op deze datum, op te komen voor een volk dat ook lijdt onder verschrikkelijke onderdrukkingen. Dat is ook precies waar ik moeite mee heb in dit debat. Als je opkomt voor een volk, een bevolkingsgroep of een groep mensen, hoe kan je dan de schuld daarvan aan een andere groep geven? Dat vind ik echt … Mevrouw Nanninga zegt: we zijn er bijna; we staan heel dicht bij elkaar. Nou, ik voel dat eerlijk gezegd helemaal niet bij mevrouw Nanninga.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik voel het ook niet meer. Jammer is dat. We waren er bijna! Nogmaals, ik ontken nu voor de tweede keer dat ik heb gezegd dat je niet mag demonstreren. Dat mag, ook op een ongelukkig tijdstip en ook voor een zaak waar ik het persoonlijk niet mee eens ben. De vraag was heel concreet, en mevrouw Bromet ontwijkt die. Stel dat een demonstratie, waar ik helemaal voor ben, wat we met elkaar eens zijn, ontaardt in een sit-in of een bezetting. Dat is nog geen geweld, nog geen vernieling en nog geen rel. Kan GroenLinks-PvdA, bij monde van mevrouw Bromet, toegeven dat het op scholen en stations voor Joodse en Israëlische burgers buitengewoon bedreigend en onveilig is en dat er in dat specifieke geval moet worden ingegrepen, ja of nee? Trek niet mijn opmerking over demonstratierecht in twijfel, want daar staan wij pal achter.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik kan me voorstellen — dat probeerde ik net ook al duidelijk te maken — dat je iets ervaart als heel bedreigend. Maar vanwege het feit dat er een sit-in gehouden wordt, zou ik niet in zijn algemeenheid willen zeggen: ik ben tegen sit-ins en bezettingen. Soms is dat onderdeel van het demonstratierecht. Ik ga daar vanuit de Tweede Kamer ook geen oordeel over geven. Dat oordeel is aan het bevoegd gezag ter plaatse.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bromet. Dan is het woord aan de heer Bamenga voor zijn inbreng namens D66 in eerste termijn. Gaat uw gang.

De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. De afgelopen dagen en weken heb ik met veel mensen uit de Joodse gemeenschap gesproken. Mij is verteld: een toekomst zonder verleden is leeg. Kijkend naar de Joodse geschiedenis in Nederland is dat allesbehalve een voetnoot. Het is een van de fundamenten van ons land, opgebouwd over eeuwen. Mij is ook verteld: een rijk verleden zonder toekomst is tragisch. Dat is precies waar we vandaag voor staan. Want als Joodse Nederlanders zich hier niet meer veilig voelen, als zij hun identiteit moeten verbergen, dan hebben wij als samenleving gefaald. Daarom sta ik hier. Omdat de Joodse geschiedenis in Nederland niet alleen herdacht moet worden, maar ook omdat het Joods leven en de toekomst ervan actief beschermd moeten worden — zichtbaar, veilig en als blijvend onderdeel van onze samenleving.

Voorzitter. Ik wil van het kabinet vier dingen vragen. Allereerst vraag ik het om alert te blijven op de voedingsbodem van antisemitisme. Inmiddels verdienen mensen geld met het fabriceren van AI-beelden van de Holocaust. We hebben nog nauwelijks zicht op de gevolgen, maar ik maak me grote zorgen over toenemende twijfels over de Holocaust. Deelt het kabinet de mening dat het bizar is dat AI- en socialemediabedrijven dit toestaan? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om in te grijpen?

Voorzitter. Dan veiligheid. Het kabinet schrijft dat er bij het veiligheidsfonds dubbel zo veel geld is aangevraagd als er beschikbaar was. 25 aanvragen zijn afgewezen. Kan de minister toelichten met welke reden dit is gebeurd? Was dat het krappe budget? Moeten we niet concluderen dat het budget misschien te beperkt is?

Dan specifiek de sociale veiligheid in het hoger onderwijs. Een signaal dat ik veel hoor, is: er zijn wel huisregels, maar bestuurders missen soms handelingsperspectief. Wat kan de minister doen ter ondersteuning, om te zorgen dat de huisregels gehandhaafd worden?

Voorzitter. Dan het versterken van het Joods leven. Kan het kabinet toezeggen dat mijn motie over het huidige Joods leven aandacht geven in het onderwijs, deel wordt van het nationale plan dat het kabinet gaat opstellen?

De heer Boon (PVV):
Ik wil de heer Bamenga vragen: wat als de huisregels zichtbaar en aantoonbaar niet worden nageleefd door de bestuurder? Is D66 er ook voorstander van dat de minister dan eventueel ingrijpt?

De heer Bamenga (D66):
Ik gebruik heel specifiek het woord "ondersteunen", want ik denk niet dat de minister of de onderwijsbestuurders er anders in staan. Ik denk dat ze allebei willen handhaven, maar soms zie je dus dat handelingsperspectief ontbreekt, dat moed ontbreekt. Volgens mij hebben verschillende sprekers zich hier ook over uitgelaten. Daarom vind ik dat we met z'n allen moeten kijken — ik bedoel dan de minister, de driehoek en ook de bestuurders — hoe de huisregels die er al zijn, veel beter kunnen worden gehandhaafd.

De heer Boon (PVV):
Ik wil niet te veel in de casus duiken, maar bijvoorbeeld in Nijmegen was een hoogleraar continu antisemitische propaganda aan het verspreiden. Die heeft met rellen meegedaan. Die heeft van alles gedaan. We hebben zijn naam hier in de Tweede Kamer meerdere keren uitsproken. We hebben oproepen gedaan bij de bestuurder daar, maar die weigerde eigenlijk in te grijpen. De vorige minister heeft met het bestuur in Nijmegen een gesprek gevoerd, en toen is er pas ingegrepen. Vindt u dat de minister, zodra de huisregels zichtbaar en aantoonbaar niet worden nageleefd, sneller moet ingrijpen?

De heer Bamenga (D66):
Ik vind dat het heel erg belangrijk is dat iedere student vrijuit zichzelf kan zijn, maar ook dat iedere student op een veilige manier naar school kan. Ik denk dat wij met z'n allen de verantwoordelijkheid hebben om daarvoor te zorgen. Dat betekent dat iedereen een rol heeft. De minister heeft daarin een rol te spelen, de driehoek heeft daarin een rol te spelen en de bestuurders hebben daarin een rol te spelen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit zijn toch buitengewoon slappe teksten? De vertegenwoordiger van de PVV stelt een concrete vraag over iets wat ik me trouwens prima kan voorstellen: als je de huisregels al niet handhaaft, wat doe je dan feitelijk tegen de chaos op de universiteiten? Als er dan een concrete vraag gesteld wordt, komt de heer Bamenga niet verder dan "ik vind dat iedereen veilig moet zijn". Hoe ziet de heer Bamenga dan dat dat voor elkaar komt?

De heer Bamenga (D66):
Ik kom met allerlei voorstellen als het gaat om de veiligheid van de Joodse studenten. Overigens wordt hier continu gesproken over een veiligheidsfonds. Volgens mij was dat ook een voorstel vanuit D66; de motie-Jetten heeft dat mogelijk gemaakt. Ik heb een heel rijtje aan voorstellen. Maar tot nu toe heb ik eigenlijk heel weinig gehoord vanuit mevrouw Keijzer over het daadwerkelijk aanpakken van antisemitisme. Mevrouw Keijzer haalt allerlei zaken erbij, zoals asiel. Ze noemt allerlei onderwerpen die vandaag niet aan de orde zijn. Maar als het echt gaat om het aanpakken van antisemitisme, dan hoor ik mevrouw Keijzer niet. Dat maakt mij ontzettend kwaad, want het gaat om iets wat heel erg belangrijk is voor ons allemaal hier in Nederland. We zouden hiervoor moeten staan. We zouden hier moeten staan voor de Joodse mensen in Nederland.

Afgelopen weekend ben ik meegegaan naar Amsterdam, om te kijken wat er allemaal nodig is voor de beveiliging van Joodse instellingen, zoals synagogen en scholen. Dat heeft me ontzettend geraakt. Dat heeft me ook laten zien hoe belangrijk het is dat we met effectieve maatregelen komen. Dit kabinet neemt 57 maatregelen. Dan nog zien we dat die nog niet het effect hebben dat ze moeten hebben. Wij moeten er met z'n allen voor zorgen dat we met maatregelen komen. We hebben geen tijd voor afleidingen; dat is wat mevrouw Keijzer hier doet. We moeten aanpakken.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Cool, zeggen mijn kinderen dan na zo'n geëmotioneerd betoog. Oké, heel concreet: de Wet op het hoger onderwijs heeft een artikel waarmee de minister aanwijzingen kan geven aan de raad van toezicht van een universiteit. Steunt de heer Bamenga mij in een voorstel om dit van haar te vragen op het moment dat zich weer die treurniswekkende chaos op de universiteiten voordoet zoals we die de afgelopen twee jaar gezien hebben? Is dat concreet genoeg, vraag ik de heer Bamenga. Zegt hij dan "ja"?

De heer Bamenga (D66):
Als mevrouw Keijzer eindelijk een voorstel heeft dat inhoudelijk gaat over antisemitisme, dan zal ik dat bekijken.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, je komt niet weg met "dan zal ik dat bekijken". Na zo'n betoog heb je nog maar één keus. Dan zeg je: ja, ik ga mijn minister vragen om daadwerkelijk iets te doen aan het antisemitisme op de universiteiten. Zegt de heer Bamenga dan nu wel "ja"?

De heer Bamenga (D66):
Volgens mij heb ik zojuist ook aangegeven dat ik nog geen constructief voorstel vanuit mevrouw Keijzer heb gezien. Als dat er komt, dan zal ik daar zeker positief naar kijken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het echt een gotspe dat u mensen hier de maat neemt, in dit geval mevrouw Keijzer maar ook anderen, door te zeggen dat ze niets doen tegen antisemitisme. Het spijt me erg. Mevrouw Keijzer en wij, de BBB, maar ook de PVV en andere partijen, zijn hier heel veel mee bezig geweest, zelfs ook binnen het kabinet.

De voorzitter:
Wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Bamenga zegt dit terwijl ik gewoon motie na motie heb ingediend om antisemitisme te bestrijden. Denk bijvoorbeeld aan het intrekken van subsidies voor instellingen die Joodse artiesten of sprekers weigeren, of organisaties die zich schuldig maken aan antisemitische uitingen. Denk aan het dichtdraaien van de geldkraan ...

De voorzitter:
Wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
... voor instellingen die Joden gewoon weigeren. Daar stemt D66 gewoon consequent tegen. Terwijl het gewoon kan; we hebben een antidiscriminatiebepaling. Dat kan gewoon.

De heer Bamenga (D66):
Mevrouw Van der Plas kwam aan met "mensen de maat nemen". Volgens mij heb ik de naam van mevrouw Van der Plas niet genoemd, maar kennelijk voelde zij zich wel aangesproken. Ik heb het niet over mevrouw Van der Plas gehad. Volgens mij hebben wij al allerlei maatregelen genomen. Onder andere samen met mevrouw Van der Plas hebben we ook educatieve maatregelen genomen. Maar denk bijvoorbeeld ook aan het wettelijk verankeren van de NCAB; dat is natuurlijk heel erg belangrijk. Dat zijn allemaal maatregelen die we genomen hebben. Dat hebben we ook samen met mevrouw Van der Plas gedaan, dus ik wil niet doen alsof het hier over mevrouw Van der Plas of de BBB gaat. Wat betreft haar specifieke vraag hierover: ik heb al aangegeven dat wij naar alle constructieve voorstellen kijken die voorbijkomen. De voorstellen waarvan wij denken dat die inderdaad effectief zijn om dat aan te pakken, zullen wij zeker steunen. Andere voorstellen die wij niet constructief vinden, zullen we helaas niet steunen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is zo'n vaag antwoord. "Goede voorstellen steunen we. Slechte voorstellen steunen we niet." In de tijd van de formatie hebben wij ook gezegd: kom maar op met je voorstellen. Als BBB hebben wij gewoon voorstellen gedaan, bijvoorbeeld om subsidies in te trekken van organisaties die zich schuldig maken aan antisemitische uitingen. Die motie heeft het toen gehaald, maar niet dankzij D66.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
D66 was daar gewoon op tegen. Ook was D66 tegen het dichtdraaien van de geldkraan voor culturele instellingen, theaters of welke organisaties dan ook die Joodse sprekers weren. Draai gewoon de geldkraan dicht. Dat kan, maar D66 stemt daar consequent tegen. Dat is juist een signaal dat je moet afgeven om mensen duidelijk te maken dat antisemitisme gewoon onacceptabel is.

De heer Bamenga (D66):
Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat wij normeren. Als er instellingen zijn die zich strafbaar en antisemitisch gedragen, moet je zeker normeren en kijken op welke manier je kunt handhaven, zodat dit gewoon niet meer gebeurt.

De voorzitter:
Afrondend. Kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het gaat niet alleen om mensen die dat doen, maar ook om instellingen die dat faciliteren, zoals de universiteiten. Wat voor drek hebben we daar de afgelopen twee jaar, sinds 7 oktober 2023, niet van gehoord? We hebben gehoord dat Joodse mensen, Joodse docenten en Joodse studenten zich niet meer veilig voelden. De universiteiten faciliteren het gewoon. Ze gingen heel lafjes met die mensen in gesprek en zeiden: "You are not welcome here. You must go." Ik hoor het ze nog zo zeggen. Het wordt gewoon gefaciliteerd. Daar moeten we toch wat aan doen? Daar is de heer Bamenga het dan toch ook mee eens?

De heer Bamenga (D66):
Volgens mij gaat mijn hele betoog over daadwerkelijk ingrijpen daar waar het fout gaat, daar waar bestuurders handelingsverlegenheid ervaren. We moeten dan wel ervoor zorgen dat zij op een moedige manier besluiten kunnen nemen. We moeten er ook voor zorgen dat die huisregels, die iedere instelling daadwerkelijk heeft, ook gehandhaafd worden. Ik denk dat dat gewoon belangrijk is. Ik vind ook wel dat wij de bestuurders daarin kunnen helpen. We moeten niet meteen doen alsof zij dit niet willen. We moeten vooral kijken — dat haal ik uit het rapport dat is geschreven — op welke manier wij ze kunnen steunen om het juiste te doen voor de Joodse gemeenschap.

De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.

De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. We moeten ons ook inzetten voor een samenleving die weerbaar is. Waarom wil het kabinet zijn aanpak pas volgend jaar evalueren? Ik mis daar een stukje urgentie. Waarom niet voortdurend evalueren en bijsturen? Weerbaarheid vraagt ook van ons dat we hard normeren, hoe vanzelfsprekend dat ook lijkt. Ik vraag ook beide ministers dat expliciet te doen. Want dat de fractie van FVD hier niet is, vind ik zeer ongelukkig. Ik maak me grote zorgen over de antisemitische uitingen van FVD-partijleden, waarvan de partijleiding weigert afstand te nemen. Ik vind dat FVD het aan de samenleving verschuldigd is zich daartegen uit te spreken.

Voorzitter, tot slot. In 1940 stond een Leidse hoogleraar rechten, Rudolph Cleveringa, voor zijn studenten. Zijn Joodse collega's waren door de bezetter gedwongen ontslagen. In een inmiddels beroemde speech sprak hij zich uit tegen het antisemitisme van de bezetter. Hij sprak daar de woorden: "In overeenstemming met Nederlandse tradities verklaart de Grondwet iedere Nederlander tot elke landsbediening benoembaar en stelt zij hem, onafhankelijk van zijn godsdienst, in het genot van dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten".

Voorzitter. Laten we vanuit die gedachte om de Joodse gemeenschap heen staan. Laten we ons altijd blijven uitspreken tegen antisemitisme. En laten we daar ook altijd naar blijven handelen, zodat Joods leven in Nederland normaal wordt.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Ellian (VVD):
Ik heb even gewacht en goed geluisterd naar het betoog van de heer Bamenga. Hij maakt zich duidelijk zorgen om de veiligheid van de Joodse gemeenschap. Maar wat ik niet goed met elkaar kan rijmen, is het betoog van de heer Bamenga en het stemgedrag, maar ook de uitingen van D66, als het gaat om het Iraanse regime. Want het is dát regime, het islamitische regime, dat Joden wereldwijd terroriseert. De dreiging richting de Joodse gemeenschap is immens vanwege dat regime. Dus waarom zulke zware woorden hier en als het gaat om je uitspreken richting dat regime een slappe hap?

De heer Bamenga (D66):
Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat wij een weerbare samenleving met z'n allen bereiken, wat ik ook heb aangegeven. Daarbij past dus ook dat wij op een goede manier leren omgaan met alles wat er om ons heen gebeurt. Op het moment dat het Iraanse regime, waar de heer Ellian het over heeft, of wie dan ook onze Joodse gemeenschap of de mensen in het land bedreigt, dan moeten wij daar pal voor staan en ervoor zorgen dat deze mensen op geen enkele manier bedreigd worden. Dat wil ik even teruggeven aan de heer Ellian.

De heer Ellian (VVD):
Dank voor het antwoord. Het probleem is dus dat zolang dit regime er is de dreiging naar de Joodse gemeenschap alleen maar zal toenemen; alle inlichtingendiensten in de wereld bevestigen dat, ook in Europa. De vraag is dus nogmaals de volgende. Ik luister naar de heer Bamenga en ook naar zijn antwoord, waarin hij zegt dat we om de Joodse gemeenschap heen moeten staan en dat hij het indrukwekkend vindt om die beveiliging te zien. Die beveiliging zou misschien ooit minder kunnen zijn als we wat meer kunnen doen tegen het Iraanse regime, maar daar hoor ik D66 nooit over.

De heer Bamenga (D66):
Ik ken de betrokkenheid van de heer Ellian als het gaat om Iran. Ik wil zeker ook zeggen dat het heel erg belangrijk is dat wij de voedingsbodem van alle kanten aanpakken. Maar ik ben het niet met hem eens. Ik denk niet dat op het moment dat we het Iraanse regime zouden aanpakken, antisemitisme in Nederland er niet meer is. Ik weet niet of ik de heer Ellian op deze manier goed begrepen heb, maar daar ben ik het gewoon niet mee eens. Antisemitisme komt voor in alle lagen van de samenleving en heeft heel veel verschillende voedingsbodems. We moeten ze allemaal aanpakken. Als het Iraanse regime daar een bijdrage aan levert, dan moeten we de juiste, effectieve aanpak daarvoor in werking stellen.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer Ellian (VVD):
Antisemitisme komt uit alle hoeken en gaten, extreemrechts en extreemlinks. De hoofdsponsor en hoofdveroorzaker van de terroristische dreiging is het islamitische regime. Daarom is deze minister bezorgd over de veiligheid van de Joodse gemeenschap in Nederland op dit moment. Mijn vraag is dus nogmaals: is de fractie van D66 het onder andere met de VVD-fractie eens? U zult stelling moeten nemen tegen dit regime, want dat komt uiteindelijk de veiligheid van alle Joden wereldwijd ten goede.

De heer Bamenga (D66):
Volgens mij hebben wij keer op keer al stelling genomen tegen het Iraanse regime.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil het woord geven aan mevrouw Keijzer. Ik zou de leden willen voorstellen om te proberen de eerste termijn van de Kamer voor de dinerschorsing af te ronden. Ik weet dat ik een beroep doe op uw eetlust, maar ik denk dat dat moet lukken.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. De geest is uit de fles; de heer Ellian zei het heel treffend wat mij betreft. Maar hoe zijn we hier beland? In essentie is het simpel. We zien hoe antiwesters extreemlinks een verbond is aangegaan met antiwesters islamitisch extremisme. Twee ideologieën hebben elkaar gevonden in afkeer van alles waar onze vrije, westerse samenleving voor staat. Nú betalen de Joden de rekening, maar vergis je niet: na de zaterdagmensen komen de zondagmensen. Hoe vaker kritiek op Israël wordt vermengd met het demoniseren van Joden, hoe normaler het wordt gevonden. Leuzen als "from the river to the sea" worden verpakt als antizionisme, maar dragen in wezen een antisemitische kern, want wie het zionisme, het recht op een eigen staat, verwerpt, verwerpt het recht van Israël om als vrije Joodse staat te bestaan. Wie dat recht ontkent, ontzegt Joden uiteindelijk hun plaats in de wereld. Zo verdwijnt stap voor stap de ruimte voor Joden, niet door een besluit, maar door gewenning, door normalisering en door wegkijken. Dan vraag ik aan deze ministers: wat had u dan verwacht; had u verwacht dat het hierbij zou blijven?

Voorzitter. Er is al het een en ander over de demonstraties gezegd. Daarbij wordt het antisemitisme pijnlijk zichtbaar. Daarom vraag ik aan deze beide ministers: waarom regelen we het niet zoals we het hier in de Kamer regelen? Hier mag je ook niet binnen de muren demonstreren. Waarom geldt niet op universiteiten hetzelfde? Daar kom je voor onderwijs en onderzoek, niet voor het slopen van de tent of het mensen angst aanjagen.

Voorzitter. Het stoort mij ook dat een aanzienlijk deel van het antisemitisme van buitenaf wordt geïmporteerd: heel veel internationale studenten, die hier tijdelijk verblijven, maar blijvend schade aanrichten. Ziet de regering binnen de huidige Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit mogelijkheden om studentenvisa in te trekken? Als je je hier misdraagt, mag je wat mij betreft vertrekken.

Tot slot, voorzitter. Hoe cynisch is het dat juist deze D66-minister heeft meegebouwd aan een academische bestuurscultuur waarin antisemitisme kon normaliseren, vervolgens plaatsneemt in een taskforce die datzelfde probleem moest onderzoeken en nu als minister medeverantwoordelijk is voor het uitvoeren van de aanbevelingen? Ik maak mij gewoon zorgen. Een van de aanbevelingen is bijvoorbeeld dat Joodse studenten en medewerkers en onderzoekers veilig moeten zijn. Maar als je dan ziet dat Rachel Levi Herz, Eva Illouz en een student, de heer Kestenbaum, allemaal niet welkom zijn aan de universiteiten, hoe ziet dat er dan in de praktijk uit?

Voorzitter. Ik wil dus van deze minister horen: hoe gaat zij dit doen, wanneer, met wie? Wanneer kunnen wij erop rekenen dat aan deze beschamende vertoning op onze universiteiten in Nederland een einde komt?

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Keijzer. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Abel Herzberg schreef in 1946, teruggekeerd uit concentratiekamp Bergen-Belsen, profetische woorden over het lot van het Joodse volk. Ik citeer hem. "Hoe men het ook keert of wendt, het blijft een merkwaardige geschiedenis. Een heel kleine stam, die eenmaal leefde op een strookje grond, ver weg, grenzende aan de woestijn, leeft de eene eeuw na de andere, zonder eenige macht en ongewapend, en het eene wereldrijk na het andere gaat te gronde. En in zijn ondergang beschuldigt het dien kleinen stam telkens opnieuw de oorzaak te zijn van al zijn onheil en tracht hem te verdelgen. (…) En de vijand zocht naar een middel om haar ongedaan te maken. (…) Hij heeft die vernietiging altijd nagestreefd, in ieder geslacht. En het is ondenkbaar, dat hij dat ooit opgeven zal. (…) Zelfstandig echter treedt hij zelden op, hij geeft er de voorkeur aan de bondgenoot te zijn van een of ander belang. Hij wacht, als een huurling in reserve, totdat er op een goeden dag een doffe roffel wordt getrommeld, die hij zich herinnert uit de dagen zijner vrijheid." Tot zover Herzberg.

Voorzitter. De doffe roffel op de trom van het antisemitisme is alweer een aantal jaren te horen. En de vijand heeft weer een belang gevonden om daarmee als bondgenoot het Joodse volk te belagen. Te midden van de zee aan onrecht in het Midden-Oosten is juist het kleine landje aan de Middellandse Zee het mikpunt van agressie, alsof juist die democratie de pest van onze beschaving is. Het gaat er hier niet om dat de staat Israël brandschoon zou zijn en dat al zijn handelingen goed te praten zijn. Het gaat om wat Herzberg zegt: de vijand zoekt een geschikt belang om als bondgenoot op te trekken tegen het Joodse volk. De buitensporige aandacht voor de staat Israël geeft het antisemitisme vleugels.

Voorzitter. De vijand is uit zijn hol gekropen. Hij durft zich openlijk te vertonen op onze straten, zwaaiend met vlaggen. En dat niet alleen. Het is onrustbarend hoeveel cultuurpodia actief de rode loper uitrollen. Ook het stadion is niet alleen het toneel van een potje voetbal, maar we kunnen verwerpelijke spreekkoren horen. Rappers kunnen er duizenden volpompen. Tot in de haarvaten van onze samenleving wordt antisemitisme gelegitimeerd.

Voorzitter. Ik blijf nog even stilstaan bij de rol van universiteiten. Op 2 april kreeg Francesca Albanese een eredoctoraat van de universiteiten van Brussel, Gent en Antwerpen. Dat lijkt een surrealistische film: antisemitisme gelauwerd. Dat is waanzinnige wetenschap. Ziet het kabinet ook welke ondermijnende werking zulke acties hebben? Hoe presteren instellingen het om juist nu iemand met zulke omstreden uitlatingen te huldigen? Dat die instellingen er goed over nagedacht zeggen te hebben, is extra zorgelijk. Ik verwacht in lijn met de taskforce een reflectie van het kabinet die verder gaat dan het uitleggen van de formele bevoegdheden en respect voor elkaars verantwoordelijkheden.

Voorzitter. De SGP ziet ook goede ontwikkelingen en maatregelen, maar helaas krijgen we het antisemitische beest er niet onder met beleid en wetgeving. Een maatschappelijk tegenoffensief van de Rijksoverheid zelf is nodig. Als we zien op hoeveel podia antisemitisme een plaats krijgt en als we zien dat podia voor Joden zelfs worden gesloten, zal de overheid zelf podia moeten creëren. Als de politiek niet meer urgentie uitstraalt, zal zelfs de politie uiteindelijk geen soelaas bieden. Meer aandacht is nodig voor de maatschappelijke wortels en de voedingsbodem. De samenleving moet in alle haarvaten weten dat de overheid het antisemitisme niet duldt. Is het kabinet bereid om een langdurige campagne te organiseren samen met vertrouwenwekkende bekende Nederlanders in alle sectoren van de maatschappij: de sport, het theater, het onderwijs, de media, samen met kerken en maatschappelijke instellingen, samen met iedereen?

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dijk. Het woord is aan mevrouw Teunissen voor haar inbreng namens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. De enorme toename van antisemitisme in ons land is verwerpelijk. Jodenhaat moet keihard worden aangepakt. Er doen zich verschrikkelijke situaties voor, zoals pas nog de aanslagen bij de joodse school in Amsterdam en de synagoge in Rotterdam. Ze zijn onacceptabel en het is verschrikkelijk dat joodse scholen zo zwaar moeten worden bewaakt, dat er nog steeds antisemitische spreekkoren zijn en dat kinderen naar scholen gaan — ik heb het ook hier in Den Haag gezien — waar ze elke dag moeten zien dat er een politiebusje voor de deur staat om hen te beveiligen. Het is verschrikkelijk en wat mij betreft is het een getuigenis van een collectief onvermogen om antisemitisme effectief te bestrijden. Dat is een probleem van ons allemaal, van de hele samenleving. De Joodse gemeenschap heeft alle steun en veiligheidsmaatregelen nodig. Een effectieve aanpak om antisemitisme te bestrijden, is cruciaal.

Voorzitter. Antisemitisme komt voor in alle lagen van de samenleving, maar we zien dat sommige partijen het instrumenteel aanwenden als stok om de moslimgemeenschap mee te slaan. Zo suggereren partijen dat antisemitisme een integratieprobleem is, zo blijkt bijvoorbeeld ook uit voorstellen om nieuwkomers naar het Holocaustmuseum te sturen. Laat ik vooropstellen dat Holocausteducatie van het allergrootste belang is. Mijn fractie heeft dan ook alle voorstellen die daaraan bijdragen gesteund, maar een blik in het Holocaustmuseum laat ook juist zien dat antisemitisme in Nederland en Europa diepgeworteld was en nog steeds is. Het lost niets op om een hele bevolkingsgroep weg te zetten; dat leidt alleen maar tot meer onveiligheid en tot meer haat in plaats van tot echte oplossingen.

Voorzitter. De AIVD waarschuwt al langer voor rechtsextremistische voeding van antisemitisme, onder meer via complottheorieën, zoals de omvolkingstheorie. Ze liften mee op maatschappelijke discussies, zoals over hoeveel migratie wenselijk is, om vervolgens complottheorieën te normaliseren. We zien het bij antisemitisme, racisme, seksisme en transhaat. Welke aanpak hanteert het kabinet om het normaliseren van deze complottheorieën, waarbij antisemitisme ook aanwezig is, tegen te gaan?

Voorzitter. Terug naar de aanpak van antisemitisme in het hoger onderwijs. Het is verschrikkelijk dat Joodse studenten zich onveilig voelen en geïntimideerd en bedreigd worden, puur omdat ze Joods zijn. De veiligheid van Joodse studenten en de vrijheid van vreedzaam demonstreren voor mensenrechten moeten naast elkaar kunnen bestaan. De taskforce heeft een aantal goede aanbevelingen gedaan om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. Ik ben benieuwd hoe het kabinet met deze aanbevelingen omgaat. Er liggen wel twee risico's op de loer, waaronder het inperken van het demonstratierecht. Helaas hebben we gezien dat onder het mom van veiligheid toch politiegeweld is gebruikt tegen vreedzame demonstranten en dat studenten actief zijn gesurveilleerd, alleen omdat ze deelnamen aan een van de demonstraties. Ook suggereert de taskforce dat het demonstreren in een universiteit onwenselijk is, terwijl juist in een universiteit debat, dialoog en vrije meningsuiting hoog in het vaandel staan. Een bezetting is in feite ook niet verboden onder het demonstratierecht. Mijn vraag is dus hoe het kabinet gaat voorkomen dat onder het mom van veiligheid het demonstratierecht wordt ingeperkt.

Voorzitter. Organisaties zoals Amnesty pleiten voor mensenrechtenonderwijs als vast onderdeel van het curriculum als middel tegen antisemitisme en andere vormen van discriminatie. Op welke manier geeft de minister daar nu vorm aan? In de Strategie Bestrijding Antisemitisme wordt dit namelijk niet expliciet genoemd. Hetzelfde geldt — mevrouw Bromet had het daar ook over — voor verbindende organisaties, zoals Deel de Duif. We hebben van het vorige kabinet de toezegging gekregen dat die organisaties effectief ondersteund worden. Het is heel belangrijk om tot verbinding met elkaar te komen, maar ik zie daarover niks in de Strategie Bestrijding Antisemitisme. Dus graag een reactie.

De voorzitter:
Kunt u afronden?

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot, voorzitter. De bestrijding van antisemitisme is het opkomen voor mensenrechten. Mensenrechten gelden voor iedereen, overal, altijd.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs namens 50PLUS in de eerste termijn.

De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter, dank. De eer werd mij toebedeeld dat ik op 4 mei jongstleden in mijn geboortestad de herdenkingslezing mocht geven. Ik heb op mijn eigen wijze vanuit mijn achtergrond iets verteld over een Joodse gemeenschap in Vlaardingen en over de Holocaust. Wat mij opviel, is dat er na mijn betoog meerdere studenten kwamen, van het mbo en de middelbare school, die zeiden: was het echt zo erg, meneer Struijs? Hierin zit de essentie van mijn betoog. Er wordt in de volle breedte te weinig aandacht aan de Holocaust besteed op middelbare scholen en het hoger onderwijs. Het staat in de curricula, maar wordt het nou ook daadwerkelijk verteld vanuit kleine verhalen met grote gebeurtenissen? Nee, dat gebeurt helaas niet. Dat zeg ik niet omdat ik die waarneming heb; ik heb wat onderzoeken van de laatste tijd naast elkaar gelegd.

In het onderzoek van de Rijksoverheid van 2026 staat dat 25% van de docenten zich voorzichtiger opstelt bij het bespreken van de Holocaust, dat 3% van de docenten het onderwerp volledig mijdt en dat een op de drie docenten geschiedenis en maatschappijleer vindt dat leerlingen onvoldoende voorkennis hebben over de Holocaust. De Anne Frank Stichting heeft een soortgelijk onderzoek gedaan en zegt dat 42% van de docenten in 2022 grievende opmerkingen over Joden bagatelliseerde of de Holocaust bagatelliseerde. Dat is allemaal heel ernstig. Zo kan ik nog wel even doorgaan; zie die 12% van de geschiedenisleraren die negatieve reacties kreeg op lessen over de Holocaust. Mijn kernvraag aan de minister is de volgende. Doen we wel voldoende en wat kan zij nog meer doen in haar invloedssfeer om die curricula niet al te vrijblijvend te laten zijn? Daar is namelijk wel een hoop terrein in te winnen. Het is namelijk verschrikkelijk wat er momenteel weer gebeurt met al mijn Joodse vrienden, en het is verschrikkelijk wat we hier zien.

Ik heb ook nog een vraag aan de minister van Justitie en Veiligheid. Ik ben enorm geschrokken van het laatste gesprek dat ik had met mensen van het Joods Politienetwerk. Tot de dag van vandaag voelen politiemensen van dit netwerk, die dus een Joodse achtergrond hebben, zich onveilig. Ze spreken zelfs over een angstcultuur. Is de minister hiervan op de hoogte en doet de minister er voldoende aan dat zelfs de politiemensen, die ons moeten beschermen, zich niet veilig voelen als ze een Joodse achtergrond hebben, of op het moment dat ze daarmee sympathiseren?

Ik heb nog een andere vraag aan dezelfde minister. Ik heb zorgvuldig met specialisten naar alle beelden gekeken van geweld binnen hogescholen en universiteiten. Het valt mij op dat menig bestuur zegt toch maar geen aangifte te doen. Maar we hebben het hier over misdrijven, over openlijk geweld, in vereniging gepleegd, dus waarom gaat het OM niet te allen tijde over tot de ambtshalve vervolging? Dat is volgens mijn specialisten in sommige gevallen echt mogelijk. Daar hoef je geen aangifte voor te doen. De bestuurders geven aan soms ook geen aangifte te doen, omdat ze angstig zijn voor repercussies en vrezen dat ze zich dan nog meer problemen op de hals halen. Dat zijn toch dingen die we anno nu allemaal niet willen. Wil de minister dus nog even ingaan op de vraag of die ambtshalve vervolging niet wat meer gestimuleerd kan worden? Ik eindig door te zeggen dat het hart van 50PLUS zit bij alle Joodse mensen en kinderen die nu beveiligd moeten worden, want ik weet als geen ander dat dat een verschrikking is.

Ik dank u wel.

De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van mevrouw Van der Plas. Kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een tijdje geleden heb ik een motie ingediend om te vragen aan de regering of er onderzocht kan worden hoe de geldkraan dichtgedraaid kan worden voor culturele organisaties, instellingen of andere mensen die subsidie krijgen maar die zich schuldig maken aan antisemitisme, die aanzetten tot antisemitisme of die Joodse sprekers of artiesten weigeren. Daar heeft 50PLUS tegen gestemd. Ik vroeg me af waarom 50PLUS daartegen heeft gestemd, want er is niks mis met onderzoeken of dat kan, lijkt mij.

De heer Struijs (50PLUS):
Nee, met dat onderzoeken is niks mis, maar het is voor ons geen automatisme om dan gelijk de geldkraan dicht te gooien. Ja, er mag gehandhaafd worden in allerlei vormen en op allerlei manieren, maar wij vinden oprecht dat er nog wel een paar aanpassingen moeten komen in de beoordeling van wanneer je daartoe overgaat. Dat is niet alleen een technische exercitie, want u krijgt mij een eind mee, maar wij vinden dat het nog onvoldoende goed geregeld is en wij willen ook niet dat er willekeur is vanuit de overheid en dat alle geldkranen worden dichtgegooid.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De motie vroeg niet om alle geldkranen dicht te gooien. De motie vroeg of de regering kan kijken waar de geldkraan dichtgedraaid kan worden voor bijvoorbeeld instellingen die Joodse sprekers boycotten. Die mogen daar niet komen. De motie is ervoor bedoeld om te kijken hoe dat kan. Deze Joodse sprekers en Joodse artiesten worden geweigerd onder het mom van anti-Netanyahu, maar het geeft de Joodse gemeenschap een heel erg onveilig beeld dat Joodse mensen … Ik heb het er in mijn bijdrage over gehad. In de jaren dertig gebeurde dit gewoon, hè. Joden werden gewoon uitgesloten omdat ze Joods waren. Dan is er toch niks mis mee om te kijken hoe we de geldkraan dan wél kunnen dichtdraaien voor dit soort gasten?

De heer Struijs (50PLUS):
Nee, ik ben het voor een groot deel zelfs met u eens, maar het gaat mij om het woord "kijken". Hoe onderzoeken we het en hoe beoordelen we het? Die criteria zijn mij niet duidelijk. Ook de rechters zeggen tegen mij: geef duidelijke criteria. Als we dus onderzoek gaan doen naar criteria, ga ik u helpen, maar voordat ik rücksichtslos allemaal geldkranen ga dichtdraaien, wil ik echt meer weten.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Struijs blijft maar zeggen dat ik alle geldkranen wil dichtgooien, maar dat zeg ik dus niet. In dat onderzoek zou kunnen worden meegenomen wat dan de criteria zijn. We hebben er ministers voor om dat te onderzoeken. Maar ondertussen gebeurt het wel dat Joodse artiesten, sprekers of artsen niet welkom zijn op een universiteit, bij een culturele instelling of in de schouwburg in Amsterdam. Dat gebeurt wel. Wij willen die mensen toch niet gaan betalen als het mogelijk is om subsidies in te trekken als zij dit doen? Wij gaan er toch niet voor betalen om Joden uit te sluiten?

De heer Struijs (50PLUS):
Nogmaals, het gaat mij om de kwaliteit van het onderzoek en wanneer je dat besluit. Ik ben daar helemaal niet op tegen. Integendeel, ik ga een eind met u mee. Dat zei ik u al. Ik hoor u ook niet zeggen dat u alle geldstromen wil dichtdraaien. Integendeel. Maar ik wil wel dat er een valide, goede onderbouwing onder ligt als je dit soort vergaande maatregelen neemt. Ik zie ook mensen — die horen hier eigenlijk niet thuis — die juist op een andere manier de dialoog proberen aan te wakkeren. Dus ik ben een beetje zoekende naar de kwaliteit van het onderzoek.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een andere vraag, ook gezien de ervaring die de heer Struijs bij de politie heeft. Je hoort hier ook in het debat grote woorden over aanpakken, maar soms helpt het ook, ook voor mensen die een strafbaar feit begaan hebben, om het gesprek aan te gaan. Kan de heer Struijs daar iets over vertellen, zeker in het kader van deze problematiek?

De heer Struijs (50PLUS):
In algemene zin: dat helpt inderdaad. Ik ben maar bij één gesprek geweest waarbij mensen zijn aangehouden vanwege antisemitisme, zowel in woord als daad. Ik doel dan op voor de gein eventjes een Hitlergroet brengen. Zij zijn in gesprek geraakt met mensen uit de Joodse gemeenschap. Enkelen kent u zelf ook. Dat was een voortreffelijk gesprek. De schaamte droop van hun gezicht af. Het leereffect was bijna maximaal. Dat was althans zo in het gesprek waar ik bij ben geweest. Dus ik geloof enorm in die methode, maar ik geloof ook dat we af en toe wel flink door moeten pakken als een moment daarom vraagt. Maar dat heb ik ook in uw betoog gehoord.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. O, mevrouw Van der Plas, u heeft nog een vraag. Dat mag, als u het kort doet.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Omdat de heer Struijs het net had over een dialoog, wil ik hem het volgende vragen. Waarom moeten Joden en Joodse mensen, studenten en docenten, in een dialoog gaan verantwoorden dat ze Joods zijn of dat ze geloven in een staat Israël of een veilige haven voor Joden wereldwijd? Waarom zou dat in een dialoog moeten? Dat is toch hun goed recht?

De heer Struijs (50PLUS):
Ik kom zelf ook uit het politieonderwijs. Een dialoog is geen verantwoording. Dat is echt geen verantwoording. Dat zijn niet de didactische wetten die wij hebben. Degene die zich moet verantwoorden is degene die zich misdragen heeft. Degene die de dialoog aangaat, doet dat altijd op basis van vrijwilligheid. Daar gaat het mij om. U moet eens weten hoeveel jongeren er rondlopen die dingen doen doordat ze mee worden gesleept door een andere kudde. Op het moment dat ze het hele verhaal horen over de Holocaust schrikken ze zich letterlijk dood. Dat moet er ook zijn, want anders blijven ze dit gedrag vertonen. Dus een dialoog is echt gebaseerd op het lerend effect.

De voorzitter:
U had gezegd dat u één vraag zou stellen, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, een laatste toevoeging. De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, de heer Verdoner, heeft zelfs aangegeven dat het heel vreemd is dat er een schurend debat zou moeten komen tussen de verschillende groeperingen, over Israël bijvoorbeeld, over de staat Israël en of je gelooft in de staat Israël. Hij heeft dat zelf aangegeven.

De heer Struijs (50PLUS):
U heeft het nu over een schurend debat en niet over een dialoog. Ik wil namelijk geen schurend debat. Ik wil een dialoog en wil dat mensen eens een keer leren dat antisemitisme echt verwerpelijk is. Daar ben ik op uit.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. Het woord is aan de heer El Abassi als laatste spreker van de Kamer in de eerste termijn. Dat doet hij namens de fractie van DENK.

De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Antisemitisme is een gif. Het tast de menselijke waardigheid aan en vreet aan de fundamenten van onze samenleving. En nooit, maar dan ook nooit mag Jodenhaat worden gebagatelliseerd of worden goedgepraat. In een vrije, diverse rechtsstaat is er geen enkele millimeter ruimte voor haat jegens Joodse Nederlanders. Elk incident is er een te veel. Mijn fractie zal daar altijd een keiharde streep trekken. De recente aanslagen op synagogen en joodse scholen in Amsterdam en Rotterdam zijn weerzinwekkend en diep verontrustend. Ik weet hoe het voelt wanneer de gebedshuizen of scholen van jouw gemeenschap moeten worden beveiligd. Ik weet hoe het voelt als de haat van extremisten je raakt in je eigen wijk. Ik voel dan ook diepe solidariteit met de Joodse gemeenschap. Niemand in dit land hoort over zijn schouder te moeten kijken vanwege zijn afkomst of geloof. Veiligheid is geen privilege. Het is een keihard grondrecht voor iedereen.

Voorzitter. Wij nemen rapporten die dienen ter bestrijding van deze vorm van haat uiterst serieus. Dat Joodse studenten of medewerkers op universiteiten zich onveilig, geïntimideerd of uitgesloten voelen is onacceptabel. Iedere student moet in vrijheid en veiligheid kunnen studeren.

Tegelijkertijd moeten we hier met oprechte oplossingen komen als wij een rechtsstaat willen zijn. Juist daar wringt de schoen. We moeten waken voor de gevaarlijke ontwikkeling waarbij de terechte strijd tegen antisemitisme wordt misbruikt om het politieke debat te smoren. We zien een toenemende druk om politieke kritiek op de staat Israël, het verzet tegen het zionisme en de roep om een einde te maken aan de afschuwelijke genocide te framen als antisemitisme. Gevoelens van onveiligheid zijn reëel en verdienen onze erkenning en actie. Tegelijkertijd moeten we ervoor waken dat kritiek op genocide, apartheid en mensenrechtenschendingen ten onrechte als antisemitisme wordt bestempeld. Het rapport van de taskforce raakt precies aan deze pijnpunten. Het hanteert definities zoals de bekende IHRA-definitie, die antizionisme en antisemitisme gevaarlijk door elkaar laten lopen. Antizionisme is kritiek op een politiek systeem en op het handelen van een staat. Antisemitisme is de verwerpelijke haat tegen Joden om wie zij zijn. Als we kritiek op Israël het stempel "antisemitisme" geven, verliest dat woord zijn betekenis en kracht. Hiermee hollen we de strijd tegen echte Jodenhaat uit.

Voorzitter. Het rapport van de taskforce raakt precies aan deze pijnpunten. Het hanteert definities die antizionisme en antisemitisme gevaarlijk door elkaar laten lopen. Oud-premier en CDA-oprichter Dries van Agt zei het treffend. Hij waarschuwde ons tot aan zijn dood voor de intellectuele en morele dwaling om legitieme kritiek op de staat Israël af te doen als Jodenhaat. Van Agt was stellig: kritiek op het zionisme en opkomen tegen het schreeuwende onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan, heeft hoegenaamd niets met antisemitisme te maken. Als we dat onderscheid niet meer durven te maken, verliest het woord "antisemitisme" zijn betekenis en hollen we de strijd tegen echte Jodenhaat uit.

Voorzitter, ik rond af. Het is de taak van dit parlement om de veiligheid van alle Nederlanders te waarborgen. Laten we schouder aan schouder staan tegen elke vorm van discriminatie, intimidatie en haat, maar laten we nooit accepteren dat grondrechten worden ingeperkt of dat legitieme kritiek het zwijgen wordt opgelegd.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Een korte interruptie, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De definitie van "een zionist" is "iemand die gelooft in een veilige haven voor Joden". In dit geval is dat Israël. Dat is zionisme. Zionisme is niet kolonialisme; dat is iets compleet anders.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Je kunt tegen kolonialisme zijn, maar tegen iemand zijn die gelooft in een veilige haven voor Joden uit de hele wereld — dat is Israël — schuurt wel tegen antisemitisme aan.

De heer El Abassi (DENK):
Niemand is tegen een veilig gebied voor welke religieuze gemeenschap dan ook, voor welke gemeenschap dan ook. We zien in het zionistische gedachtegoed dat de grondleggers het idee hadden om een staat toe te kennen ten koste van het Palestijnse volk. Het betreurt mij enorm dat ik helemaal niks van empathie vanuit de BBB zie als we het hebben over een ander semitisch volk, namelijk de Palestijnen. Dat doet mij verschrikkelijk veel pijn. We hebben dus kritiek op het zionisme, waarbij mensen denken dat het Palestijnse grondgebied toebehoort aan de Joodse gemeenschap, of dat nou vanuit religieuze hoek komt of vanuit welke hoek dan ook, maar we hebben geen problemen met wie dan ook die veiligheid wil hebben voor welke religieuze gemeenschap of welke gemeenschap dan ook.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
In 1948 is er een voorstel geweest om een tweestatenstelsel te hebben: de Palestijnse Staat en de staat Israël. Dat is afgewezen, maar niet door Israël; dat was het daarmee eens. Het is er niet van gekomen. Bij zionisme gaat het om het volgende. Een definitie van "zionisme" is dat je gelooft in een veilige plek voor Joden over de hele wereld. Dat is Israël. Dat heeft er niks mee te maken dat Joden alles ten koste van alles willen overnemen. Het gaat om het feit dat je gelooft in de staat Israël. Wijs je dat af, dan wijs je dus ook de veiligheid af die Joden willen hebben in hun eigen staat, Israël in dit geval.

De heer El Abassi (DENK):
Als we dan toch gaan naar die duistere periode van Nederland, ook mijn land, waarin de Duitsers Nederland binnen kwamen vallen, dan zou ik hier het volgende willen zeggen. Ik hoop mevrouw Van der Plas daarbij aan mijn zijde te hebben. Stel je voor dat Duitsland later claimt Groningen en Maastricht te vorderen en zegt: dit is een afspraak die wij met elkaar maken, waarbij u de helft van Nederland aan ons geeft. Volgens mij vinden wij dat wij niet zomaar gebieden moeten weggeven als mensen illegaal, in strijd met de mensenrechten en het internationaal recht, ons land binnenstormen. Ik snap vanuit het Palestijnse gedachtegoed dus heel goed dat ze daar destijds niet zomaar een deel van hun gebied wilden inleveren. Dat mevrouw Van der Plas dat niet snapt, is aan mevrouw Van der Plas.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is een beetje een flauwe opmerking. Ik snap het namelijk heel goed. Ik ken de geschiedenis ook. Ik ben nota bene mijn inbreng begonnen met Duitsland en de gruwelen die door de Duitsers zijn gepleegd in onder andere Nederland. Het gaat mij om het volgende. Kijk, ik ben ook een zionist, want ik geloof ook in een veilige haven voor Joden. En dat is nu het land Israël. Dus dan zou ik ook een zionist zijn. Maar ik ben geen kolonist, zeker geen gewelddadige kolonist.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als de heer El Abassi kijkt naar moties die wij wel en niet steunen, dan zal de heer El Abassi ook zien dat wij moties hebben gesteund die ingaan tegen gewelddadige kolonisatie. Snapt u een beetje waar ik naartoe wil? Zionisme is niet per se kolonisatie en geweld.

De heer El Abassi (DENK):
Ik snap niet waar mevrouw Van der Plas heen wil, behalve dan dat ze, volgens mij terecht, aangeeft dat ze een zionist is. Daar wringt de schoen bij mij. Ik sta niet achter het gedachtegoed van mevrouw Van der Plas. Ik vind dat verwerpelijk.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Warme woorden van de heer El Abassi over de Joodse gemeenschap en over dat antisemitisme een slechte zaak is, maar in het verkiezingsprogramma van DENK staat op het totale grondgebied van de staat Israël een Palestijnse vlag. Dan is er dus geen plek voor Joden. Klopt dit?

De heer El Abassi (DENK):
Het verschil tussen mij en mevrouw Keijzer is dat wij als DENK Israël niet associëren met een rechtsstaat. Wij associëren Israël met een apartheidsstaat, met een genocidale entiteit, met een staat die keer op keer mensenrechten schendt, die het internationaal recht schendt. Wij hebben er heel veel moeite mee om diezelfde staat bij naam te noemen. Wij zijn dan ook voor een andere staat, met een andere benaming. Wij noemen die dan "Palestina". Wij zeggen daarbij — dat heeft mevrouw Keijzer ook gelezen — dat dit een staat is voor iedereen, met gelijke rechten voor Joden, christenen, Palestijnen en alle andere volkeren.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De genocidepropaganda is effectief geweest. Door constant te spreken over genocide denkt de meerderheid van Nederland nu dat er sprake is van genocide, hoewel er nog steeds geen enkele rechter is die er een uitspraak over heeft gedaan. Maar dat was mijn vraag niet. Mijn vraag was of het klopt dat er in het verkiezingsprogramma van DENK op de plek van de staat Israël een Palestijnse vlag staat en er dus geen plek voor Joden is. Nou, dat is zo. Dat hoeft hij niet meer te zeggen. Maar vervolgens zegt hij: ja, maar in die Palestijnse staat mogen ook Joden …

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
… aanwezig zijn. Heeft de heer El Abassi van zijn fractievoorzitter gehoord hoe het debat vorige week verliep, toen duidelijk werd dat de Palestijnse staat gebaseerd is op shariawetgeving?

De voorzitter:
Dat debat gaan we niet overdoen, maar ik geef de heer El Abassi gelegenheid om te antwoorden.

De heer El Abassi (DENK):
Ik hoor drie elementen. Allereerst vind ik het opvallend dat mevrouw Keijzer het heeft over rechterlijke uitspraken. Mevrouw Keijzer heeft het niet over de druk die wordt opgevoerd op deze rechters, juist door haar bondgenootland en Amerika. Ik hoor mevrouw Keijzer ook zeggen dat er geen plek is voor Joden. Dat is niet waar. Er is altijd plek voor Joden. Dat is altijd al zo geweest, overal, wat mij betreft. Er is geen plek voor een zionistische entiteit die anderen, in dit geval Palestijnen, keer op keer van hun land verdrijft en die keer op keer niet luistert. Hier wordt het internationaal op aangesproken. Er zijn rechters en verschillende experts mee bezig. Dat bent u niet, mevrouw Keijzer. Er zijn genoeg experts die dit al "genocide" hebben genoemd. Er is bijna geen expert die het niet zo heeft genoemd. Dat mevrouw Keijzer dat nog steeds in twijfel trekt, zegt meer over mevrouw Keijzer dan over mij.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Zo doen ze dat bij DENK: ze geven geen antwoord op de vraag en beginnen over iets anders. Ik zal het dan aan de heer El Abassi vertellen: in die Palestijnse staat, die gebaseerd gaat worden op shariawetgeving, is er geen plek voor christenen, voor homo's, voor mensen die van het geloof vallen en zeker niet voor Joden. De woorden van El Abassi hier zijn mooi, maar hebben dus geen enkel gewicht.

De heer El Abassi (DENK):
Ik heb zo veel moeite met mensen die denken dat ze dingen weten, zeg ik even via de voorzitter, bijvoorbeeld ten aanzien van woorden als "sharia", die heel eng klinken. Mevrouw Keijzer heeft geen idee wat "sharia" überhaupt betekent. Als mevrouw Keijzer wist wat shariawetgeving betekent, wist ze dat de Code Civil, ons Nederlands recht, gebaseerd is op shariawetgeving en wist ze dat shariawetgeving heel breed is. Ik weet waar mevrouw Keijzer op doelt, namelijk op twee of drie elementen uit de shariawetgeving, maar shariawetgeving is veel breder dan dat. Tegenwoordig heb je ChatGPT, mevrouw Keijzer. U kunt het dus gewoon zelf opzoeken. Dat zou ik u willen aanraden.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer El Abassi. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 20.40 uur, waarna we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet.

De vergadering wordt van 19.53 uur tot 20.40 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat over het rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden". Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid voor de beantwoording in de eerste termijn van de zijde van het kabinet.

Minister Van Weel:
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng in eerste termijn op dit zo belangrijke thema. Ik zal zo beginnen met een inleidende tekst. Dan zal ik in de volgende blokjes werken. Het eerste blokje gaat over de beveiliging en bescherming van Joodse objecten. Daarna komt het blokje strafrecht en strafbaarstelling, waar ik de heer West ook in meeneem. Dan komt het blokje optreden bij demonstraties, maar dan alleen voor het deel dat niet ziet op de demonstraties rondom academische gebouwen en onderwijsinstellingen, want dat laat ik aan de minister van OCW. Dan komt het blokje over de onlineaanpak en ten slotte de andere onderwerpen. Niet alle blokjes zijn even dik.

Voorzitter. We spreken vandaag over antisemitisme, over vrijheid en over veiligheid. Dat doen we juist nu die vrijheid en veiligheid niet vanzelfsprekend blijken. Voor veel Joden is een gevoel van onveiligheid al langer onderdeel van hun dagelijkse leven. Het is een gevoel van angst, woede en verdriet. Het is niet nieuw, en juist dat maakt het zo ernstig. Recente zorgwekkende ontwikkelingen versterken dit gevoel. De door u ook genoemde aanslagen op een synagoge in Rotterdam en op een Joodse school in Amsterdam hebben diepe indruk gemaakt op de Joodse gemeenschap, maar ook op onze samenleving als geheel. Dit zijn geen opzichzelfstaande incidenten: ze staan symbool voor een bredere, verontrustende ontwikkeling, waarin antisemitisme in Nederland zichtbaar en voelbaar toeneemt. We zien antisemitisme op straat, in stadions, in het onderwijs, in het publieke debat en online. Bij demonstraties worden antisemitische leuzen geroepen. Op universiteiten en hogescholen voelen Joodse studenten en medewerkers zich geïntimideerd of onveilig. Zelfs in klaslokalen geven leraren aan dat antisemitische uitingen voorkomen. Dat is een ernstige constatering. Antisemitisme is onaanvaardbaar. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen om Joods te zijn.

Het debat van vandaag staat vooral in het teken van het rapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Die taskforce is in 2025 ingesteld om concrete en uitvoerbare voorstellen te doen voor de aanpak van antisemitisme, met bijzondere aandacht voor het onderwijs en het openbaar vervoer. Ik wil Jaap Smit, die hier in ieder geval eerder nog aanwezig was, en alle andere leden van de taskforce bedanken voor hun grote inzet. Hun rapport Gevangen in Vrijheden is scherp, zorgvuldig en praktisch van aard. We nemen de aanbevelingen in volle ernst ter hand. De minister van OCW zal hier inhoudelijk op ingaan.

Voorzitter. De recente gebeurtenissen maken nog eens duidelijk dat veiligheid geen vanzelfsprekendheid is. Samen met de politie en de lokale overheden werkt de regering aan de veiligheid van de Joodse gemeenschap. Daarnaast beschikt Nederland sinds 2025 over een veiligheidsfonds voor Joodse scholen, instellingen en evenementen. Daarvoor hebben we structureel 1,3 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld. De belangstelling was groot in 2025. Dat onderstreept hoe groot de behoefte is en hoe urgent deze maatregel blijft. Daarom wordt het veiligheidsfonds structureel voortgezet. Gezien het aantal aanvragen in 2025, de verwachte toename in 2026 en horende uw Kamer, heb ik besloten om het fonds in 2026 met €700.000 te verhogen naar 2 miljoen euro per jaar. Met deze extra middelen kunnen Joodse instellingen nog beter worden beschermd en hoop ik het veiligheidsgevoel van Joden in Nederland te versterken.

Maar de aanpak van antisemitisme vraagt om meer dan bescherming alleen. We moeten ook versterken wat wordt bedreigd: het Joodse leven zelf. Daarom werkt het kabinet, samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, aan het Nationaal Plan Joods Leven. Dat plan is gericht op het zichtbaar maken, ondersteunen en versterken van het Joodse leven in Nederland. Het plan beoogt de kennis over de Joodse cultuur en geschiedenis te vergroten. Het bevordert ontmoeting en dialoog, zoals ook genoemd door enkelen van u. Ook versterkt het de vrijheid om de Joodse identiteit zichtbaar te kunnen beleven in ons land. Versterken wat verbindt is de meest duurzame vorm van weerbaarheid.

We doen meer en we doen het samen. Antisemitisme vraagt niet om losse maatregelen, maar om één gecoördineerde aanpak. Meerdere ministeries werken hierop samen. Ons gezamenlijk optreden hier getuigt daarvan. Als coördinerend bewindspersoon bewaak ik dat de inzet samenhangend en duurzaam zal blijven. De Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024-2030 vormt daarbij het fundament, met acties van onderwijs tot handhaving en van meldvoorzieningen tot internationale samenwerking. Volgend jaar zullen we deze evalueren en waar nodig versterken.

Er werd mij ook gevraagd waarom we niet eerder evalueren. Dat doen we ook. We actualiseren doorlopend op jaarbasis. Waar we, ook in gesprekken met de Joodse gemeenschap, voelen dat er meer maatregelen of andere maatregelen gewenst zijn, passen we die aan in de strategie. De actualisatie van dat plan is u onlangs toegezonden.

We hebben het strafrechtelijk instrumentarium inmiddels versterkt met de strafverzwaringsgrond bij discriminatoire motieven en de strafbaarstelling van Holocaustontkenning. We investeren in Holocausteducatie en in het tegengaan van desinformatie en antisemitische complottheorieën. Ik ga in de antwoorden op uw vragen nog verder in op de onlineaanpak van antisemitisme.

Voorzitter. Antisemitisme is niet alleen een aanval op de Joodse gemeenschap, maar ook op de grondslagen van deze democratische rechtsstaat. Het vraagt van ons duidelijke normstelling, stevige handhaving en solidariteit. Het vraagt van ons allemaal — velen van u zeiden dat — dat we niet wegkijken maar opstaan, dat we niet alleen bestrijden wat bedreigt, maar ook bevorderen wat waardevol is, zodat Joods leven in Nederland zichtbaar en vanzelfsprekend kan bloeien in vrijheid, in veiligheid en met trots.

Voorzitter. Dat was mijn inleiding. Dan kom ik nu bij het blokje beveiliging en bescherming van Joodse objecten en de aanslagen.

Laat ik, in antwoord op de vraag van mevrouw Bikker, beginnen met de constatering dat het natuurlijk triest is dat het Joodse leven zich grotendeels moet afspelen onder bewaking, achter hoge hekken, achter muren en met het soms verdoezelen van de eigen identiteit. De recente aanslagen geven nog maar eens aan dat deze veiligheid niet vanzelfsprekend is en dat die hekken daar niet voor niks staan. Dit is geen echte vrijheid — dat ben ik met u eens — maar zolang we te maken hebben met de dreiging waarin we leven, is het minste wat we kunnen doen in ieder geval bijdragen aan de maatregelen waardoor de Joodse gemeenschap zich wél veilig kan voelen en in ieder geval haar leven kan uitoefenen. Dat is waar het veiligheidsfonds voor was bedoeld.

Dat is ook waarom ik heb besloten, gelet op de recente gebeurtenissen, maar ook op de enorme vraag die er is om maatregelen te treffen, dat we dat veiligheidsfonds zullen ophogen met zeven ton, naar 2 miljoen euro per jaar. Dat staat nog los van de inzet die nodig is op basis van acute dreigingsinformatie van marechaussee, politie en anderszins.

Daarbij doen we natuurlijk wat nodig is op basis van de actuele dreiging. Ik denk dat we de afgelopen week ook hebben kunnen zien dat deze inzet ook zijn vruchten heeft afgeleverd. Wij hebben ook daadwerkelijk potentiële daders van aanslagen kunnen pakken voordat zij over konden gaan tot hun daden. In die zin spreek ik ook hier mijn waardering uit voor de diensten en het lokale gezag voor alle maatregelen die zijn genomen om te zorgen dat de Joodse gemeenschap in veiligheid en vrijheid hier kan leven.

Dit veiligheidsfonds is bedoeld voor maatregelen die men zelf kan treffen. Daarvan is een deel incidenteel. Denk aan camera's of het opzetten van een muur. Deels is het niet-incidenteel. Dan gaat het om het inhuren van particuliere beveiliging voor evenementen die worden georganiseerd of anderszins. Dat is waar die 2 miljoen euro op ziet. Ik denk dat we hiermee een heel groot deel van die aanvragen voor dit jaar en hopelijk ook voor volgend jaar kunnen voorzien.

De voorzitter:
Ik zou eigenlijk willen voorstellen dat de minister het onderdeel beveiliging en bescherming van objecten even afrondt en dan geef ik ruimte voor interrupties. Is dat een werkwijze waar iedereen mee kan leven?

Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Die vragen hangen hiermee samen. De heer Ellian had natuurlijk ook een vraag op dit vlak. Daar heb ik net op geantwoord. Wij gaan dat bedrag inderdaad verhogen.

De heer Bamenga vroeg welke 25 aanvragen er niet waren toegekend en of dat te maken had met het budget. 3 van de 25 gevallen zijn geheel afgewezen, omdat ze niet voldeden aan de criteria van het subsidiekader. 17 van de 25 aanvragen zijn niet toegekend, omdat de middelen al waren vergeven volgens het principe "wie het eerst komt, het eerst maalt". Dat ondervangen we nu dus hopelijk met de verhoogde budgetten. Ik hoop dat we met het verhoogde budget in ieder geval alle aanvragen kunnen behandelen, omdat het dus ook deels incidentele uitgaven betreft, die dus niet elk jaar terug zullen komen.

Hoe staat het met het onderzoek, vroeg de heer Van den Brink. We moeten de uitkomst van het onderzoek afwachten, maar wat ik kan zeggen, is dat in ieder geval een deel van de daders, zo niet alle, zijn geronseld volgens het principe dat wij "crime as a service" noemen. Dat is een enorm probleem, niet alleen in ons land; we zien dat breder in Europa. Jongeren, soms hele jonge jongeren, soms zelfs van 10 of 11 jaar, nemen via Snapchat of Telegram een opdracht aan om een aanslag uit te voeren waarvan ze waarschijnlijk niet eens weten waarvoor hij bedoeld is. Ze doen dat met louter één motivatie, en dat is geld. Uiteindelijk zit daarachter natuurlijk een hele cascade van opdrachtgevers met tussenmannen et cetera. Wij hebben gezegd dat het mogelijk is dat Iran uiteindelijk achter ten minste een deel van deze aanslagen zit. We zullen moeten afwachten tot dat onderzoek helemaal is uitgelopen naar twee kanten, namelijk omhoog vanaf de jonge aanslagplegers, die vermoedelijk geen enkele intrinsieke motivatie hadden om de aanslag uit te voeren, tot degene die die motivatie wel degelijk had en die opdracht heeft gegeven. Het is waar wat u zegt: het OM is in een aantal gevallen in ieder geval overgegaan tot aanklagen voor misdrijven met een terroristisch motief. Of het uiteindelijk ook tot een veroordeling komt, is uiteraard aan de rechter.

Mevrouw Bromet vroeg of burgemeesters kunnen rekenen op de relevante NCTV-informatie die er is. Ja, absoluut. Vanaf het eerste moment, dus na de aanslag in Rotterdam, hebben wij vanuit de NCTV het initiatief genomen om te zorgen dat relevante gezagen op de hoogte waren van wat daar gebeurd was en ook mogelijke maatregelen konden nemen. We hebben gezien dat dat de dag erna al geleid heeft tot het heel snel oppakken van de daders van de aanslag op de joodse school in Amsterdam. Ik heb daarop zelf een bijeenkomst belegd met alle regioburgemeesters en alle gezagen van de politie in het hele land, want we hebben natuurlijk honderden Joodse objecten door het land. We hebben een landelijk handelingskader laten opstellen door de politie, om burgemeesters in ieder geval een leidraad te geven wat betreft welke maatregel ze bij welke dreiging kunnen nemen. Natuurlijk is het aan de gezagen zelf om daar invulling aan te geven, maar juist vanwege die informatie proberen we dat vanuit de faciliterende rol zo eenduidig mogelijk te doen, ook als service naar het lokale gezag. Die lijnen zijn er dus zeker al.

Of er aanvullende beveiliging nodig is, bezien we echt op basis van de dreigingsanalyse. We hebben natuurlijk geen onbeperkte capaciteit. Uiteindelijk is de dreiging leidend voor de inzet. Daarbij wil ik wel zeggen dat de manier van inzet ook al een tijdje onderwerp van discussie is, en dan heb ik het met name over de statische beveiliging door de marechaussee bij scholen. Dat geeft een gevoel van veiligheid, maar als je aan de experts vraagt wat nou de beste manier is om uiteindelijk potentiële daders van een aanslag op te sporen en die te verhinderen, dan kiezen zij voor een ander concept, vanuit de inhoud van hun vak. Dat is een gesprek dat we uiteindelijk moeten voeren met de Joodse gemeenschap. Dat doen we ook en dat doen de gezagen ook: hoe kunnen we er nou voor zorgen dat het veiligheidsgevoel zo hoog mogelijk is, terwijl we onze diensten uiteindelijk inzetten op een manier met een zo hoog mogelijke pakkans? Ik beloof hier niet dat die statische beveiliging er altijd zal zijn. Ook daarover zal de burgemeester uiteindelijk met de Joodse gemeenschap in overleg gaan en komen tot het beste concept. Ik beloof u wel dat er altijd geacteerd wordt op basis van dreigingsinschattingen die wij maken. Ik denk dat de afgelopen weken wel duidelijk is geweest dat we dat doen en dat de politie dat ook goed doet, gelet op datgene wat verijdeld is en de daders die gepakt zijn.

Dat was het kopje beveiliging.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan de minister, ook voor zijn inleiding trouwens. Wat betreft de beveiliging ben ik blij dat de minister zegt dat we het veiligheidsfonds gaan vergroten, want dat is hard nodig. Tegelijkertijd is dat natuurlijk een trieste constatering, want ik zou willen dat de minister kon zeggen dat er geld overblijft. Dat is niet het geval. Mijn zorg, ook gelet op wat ik in eerdere jaren heb gezien, is dat er een eenmalige investering is, maar dat onderhoud en vervanging straks weer het kind van de rekening zijn, of dat de Kamer hier opnieuw moet aankloppen …

De voorzitter:
Uw vraag.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
... en dat terwijl de Joodse gemeenschap in Nederland momenteel helaas niet groter wordt, maar krimpt. Het zelf opbrengen wordt dus ook lastiger. Kan de minister een doorkijkje geven naar hoe hij dat voor zich ziet na afloop van het veiligheidsfonds? Wat kunnen we volgens hem van de overheid verwachten daarin?

Minister Van Weel:
Ik heb net gezegd dat wij het veiligheidsfonds structureel maken. In die zin zal er elk jaar geld beschikbaar zijn. Ik heb het nu ook verhoogd. Dat heb ik gedaan op basis van de aanvragen die we hebben gezien. Daarvan is een deel incidenteel. Dat zijn investeringen, die op een gegeven moment terugkomen, maar je hoeft niet elk jaar nieuwe camera's op te hangen of een nieuwe muur te bouwen. Je wilt wel voor elk evenement nieuwe beveiligers inhuren. Een aantal van die kosten komen dus terug en een aantal van die kosten zijn incidenteel. Ik denk dat we hiermee echt een heel eind in de richting komen van hetgeen nodig is. Zoals ik al zei, maak ik het structureel. Het gaat dus niet meer weg, maar is here to stay. Helaas is dat zo. Ik zou willen dat ik het op een gegeven moment kon beëindigen, maar op dit moment zie ik dat perspectief niet.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat is goed om te horen. Het is ook goed om te horen dat de minister zegt: ook voor nieuwe evenementen moet dat beschikbaar zijn. Mijn grote zorg is dat we steeds meer — het is geen goed Nederlands woord — statisch worden. Ik weet niet hoe je dat zegt, maar ik bedoel dat we steeds meer bepaalde objecten beveiligen en dat het voor de Joodse gemeenschap verder steeds lastiger wordt om in ons land ergens aan deel te nemen, een zaal af te huren enzovoort enzovoort. Is de minister het met mij eens dat juist dat ook hieronder valt? Dat vraag ik even om samen in de Kamer vast te stellen wat de reikwijdte is van het veiligheidsfonds.

Minister Van Weel:
Alle aanvragen, ook deze, kunnen binnen de criteria vallen van aanvragen die kunnen worden gedaan, zeker. De Joodse gemeenschap heeft natuurlijk veel ervaring met het regelen van beveiliging voor zichzelf, ook bij evenementen. We hebben de afgelopen jaren gezien dat een heleboel evenementenlocaties niet meer bereid bleken om Joodse evenementen te huisvesten. Laat ik hier een oproep doen. Ik denk dat ik die oproep samen met ongeveer uw hele Kamer doe: "Alstublieft, zorg ervoor dat u niet op die manier bijdraagt aan het verdwijnen van het Joodse leven uit Nederland. Zorg ervoor dat ze niet alleen nog maar in eigen synagogen of op een tweetal plekken in Nederland als een soort curiosa Joods kunnen zijn. Dat moeten ze namelijk kunnen zijn in het hele land." Het vereist lef van locatiehouders om dit gewoon te doen. Ze kunnen er dan op rekenen dat het lokaal gezag er zal zijn om zorg te dragen voor beveiliging als verwacht wordt dat een situatie leidt tot openbareordestrubbelingen. Daar kunnen we de Joodse gemeenschap namelijk niet voor laten opdraaien. Ik bedoel dat zij het gevoel hebben dat zij binnen zo'n evenement de maatregelen hebben kunnen nemen waarvan ze denken dat die nodig zijn.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter. Ik dank de minister dat hij dat laatste punt benoemt. Vanuit de Joodse gemeenschap hoor ik veel terug hoe lastig het is om een zaaltje te vinden om de bar mitswa te vieren. Denk aan al die andere voorbeelden. Is de minister bereid om dit ook op te nemen met de burgemeesters van gemeenten met een Joodse gemeenschap en Joods leven, om echt te bevorderen dat het de komende jaren beter gaat in plaats van minder wordt? Is de minister bereid om daar volgend jaar, wanneer hij weer rapporteert, op terug te komen?

Minister Van Weel:
Met plezier. Nogmaals, ik doe hier een oproep, op het podium dat ik hier heb, aan iedereen die het afgelopen jaar wellicht heeft gedacht: ik doe dat liever niet. Mijn oproep is: doe het wel. Help de Joodse gemeenschap om het Joodse leven in Nederland op een zichtbare manier te kunnen vieren, in welke vorm dan ook.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Daar sluiten wij ons natuurlijk van harte bij aan. Wij zijn heel blij met het budget en met de inzet van onze politie, met name het Joods Politienetwerk. In november 2024 gaven zij een interview in het Nieuw Israëlietisch Weekblad. Daaruit bleek dat er agenten zijn die weigeren Joodse feesten, objecten of manifestaties te beveiligen. De bijna, op DENK na, Kamerbreed aangenomen motie-Eerdmans vroeg om hierop in te grijpen. Ik was eigenlijk wel benieuwd naar de status hiervan. Zijn er nog signalen van agenten die weigeren specifieke Joodse zaken te beveiligen? Zo ja, wat doet de minister daaraan? Zo nee, dan zijn we blij dat het is opgelost.

Minister Van Weel:
Ook toen was ik minister van Justitie en Veiligheid. Ik heb dat interview toen ook gelezen. Ik heb toen ook in uw Kamer gestaan. Ik heb toen uitgelegd dat het voor mij niet acceptabel is om te weigeren om Joodse objecten te beveiligen. Op dat moment bleek niet dat daar daadwerkelijk sprake van was geweest, dus dat mensen geweigerd hadden om deze diensten te draaien. Die signalen heb ik nu ook niet, maar ik zal het met alle liefde navragen, want mijn uitgangspunt blijft hetzelfde: dat is geen optie.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Bij de NOS is toen wel gezegd door een politiewoordvoerder — de naam is me even ontschoten — dat het toch mensenwerk blijft en dat ze in gesprek zouden gaan met mensen die dat willen. Kunnen we met z'n allen vaststellen dat we niet in gesprek gaan over de plichtsopvatting van iedere individuele agent, en dat dit soort opdrachten gewoon worden uitgevoerd door onze politie?

Minister Van Weel:
Nee, dat kan ik toezeggen. Nadat die desbetreffende politiewoordvoerder dat heeft gezegd, heb ik met uw Kamer gewisseld en heeft ook de korpschef heel duidelijk aangegeven dat daarvan geen sprake kan zijn.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De vraag die ik stelde over de marechaussee ging er eigenlijk niet zozeer over of de taak van de marechaussee veranderd was van statische beveiliging naar mobiele beveiliging. De vraag ging meer over de capaciteit op zich. Op het moment dat die minder wordt, moet de politie het overnemen. De politie is al zwaar belast in de grote steden. Kan de minister bevestigen dat er geen afschaling plaatsvindt van de inzet van de marechaussee?

Minister Van Weel:
In algemene zin wordt de marechausseecapaciteit niet kleiner. Ook de marechaussee groeit mee met de rest van de krijgsmacht. Als we kijken naar het domein bewaken en beveiligen, dan is er zowel aan de politiezijde als aan de marechausseezijde een enorme investering gedaan in de afgelopen jaren, en die loopt nog, om aan de groeiende behoefte te voldoen. Binnen die volledige capaciteit zal er wel altijd gekeken moeten worden waar de nood het hoogst is en waar de inzet op dat moment gewenst is. Ik kan dus nooit garanties geven namens het gezag, dat uiteindelijk bepaalt waar die inzet het meeste nodig is, of daar al dan niet in afgeschaald wordt. Dat hangt ook samen met de dreigingsinschatting die er op een bepaald moment is. Het zal vanaf de buitenkant moeilijk zijn om te zien dat er een heel wegingskader achter ligt voor het lokale gezag om over die capaciteit, die dus niet verkleind wordt, op een juiste manier prioriteiten en keuzes te maken.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Goed, maar doet de minister dat ook in overleg met de burgemeesters? Zijn zij begripvol? Steunen zij deze manier van werken? Het gaat mij erom dat er niet heen en weer geschoven wordt met verantwoordelijkheden. Ik wil voorkomen dat burgemeesters zeggen "dat moet het Rijk doen", en dat het Rijk zegt "je hebt ook nog je eigen politie".

Minister Van Weel:
We hebben destijds, voor mijn tijd, gekozen voor het model waarbij de beveiliging van de Joodse objecten deels — dat gebeurt niet overal in Nederland — bij de marechaussee is komen te liggen. Ik heb nu geen voornemen om daar een verandering in aan te brengen. In die zin zal het lokale gezag nog altijd verantwoordelijk zijn. We nemen die verantwoordelijkheid niet over vanuit het Rijk. Daar waar de marechaussee op dit moment ondersteuning levert, zie ik hier voorlopig geen wijziging in.

De heer Ellian (VVD):
Ik denk dat duidelijkheid van groot belang is. Dat proef ik ook in de woorden van de minister, die ik op zich waardeer. Ik weet dat niet alles even duidelijk is in het leven. Even om te beginnen: kunnen we er voorshands van uitgaan dat deze jongens, de daders, waarschijnlijk niet weten wat Joden zijn en wat het Iraanse regime is? Kunnen we met elkaar aannemen dat degene die het orkestreert het regime is?

Minister Van Weel:
Ik kan niet verder gaan dan de kwalificatie "mogelijk", die ik eraan heb gehangen. Dat hangt samen met de inlichtingeninformatie zoals we die hebben. Het luistert nauw — dat weet de heer Ellian ook — als het gaat om welke gradatie we daarin aanbrengen. Dat geldt ook voor de stand van zaken van het strafrechtelijk onderzoek. Het is dus mogelijk.

De heer Ellian (VVD):
Dat begrijp ik. Ik heb hier inderdaad een jaar of tien deskundigheid in opgebouwd. Dat strafrechtelijk bewijs naar het regime gaat niet vliegen. Het gaat erom of je met elkaar kunt aannemen dat er achter een buitenlandse mogendheid een verschrikkelijk regime zit. Ik ga ervan uit, en volgens mij proef ik dat ook in de woorden van de minister, dat dat zo is. Dan is het een gegeven dat die dreiging aanhoudend en concreet is. Ik denk dat dat besloten ligt in de vragen van de collega's. Kan de Joodse gemeenschap ervan uitgaan dat het niveau dat nu aan beveiliging geleverd wordt, hoe pijnlijk ook, voorlopig de realiteit is?

Minister Van Weel:
Ja, maar zo werkt het vaak niet. Het gaat om de dreigingsinschatting, en dat heeft ook te maken met de kennis die wij opdoen van de dreiging die er daadwerkelijk is. U heeft ook gezien dat wij in een aantal gevallen wel bijzonder goed in staat waren om een aanslag die mogelijk gepleegd zou worden, voor te zijn. Dat zegt ook weer wat over de mate van betrouwbaarheid van de inlichtingen die we daarover hebben. Dat hele beeld kent geen tijdpad; dat is continu in beweging en heeft te maken met de intenties en met de capaciteiten. In hoeverre hebben we met het oprollen van het aantal lagen dat we nu gevonden hebben boven de jongeren die geronseld waren, echt een slag toegebracht? Dat is echt een dynamisch proces. Dat laat ik zelf ook heel graag bij de professionals. Daar ga ik dus geen tijdpad opleggen.

De voorzitter:
Afrondend.

Minister Van Weel:
Maar het moge duidelijk zijn dat de dreiging leidend is voor de maatregelen.

De heer Ellian (VVD):
Ik maak die dreigingsinschattingen inmiddels al 25 jaar mee. Dit is precies waarom ik ernaar vraag. Ik ga proberen om dit beknopt te doen. Je hoort uit de Joodse gemeenschappen, maar overigens ook van andere mensen die hiermee te maken hebben, dat de inschattingen veranderen. Dat begrijp ik. Ik begrijp hoe het systeem werkt. Maar ik vraag de minister het volgende. Gegeven de situatie in de wereld en berichten van andere inlichtingendiensten over de positie van het Iraanse regime — helaas is het regime nog niet gevallen — kun je ervan uitgaan dat die dreiging aanhoudend is. Het zou zo prettig zijn als we met elkaar duidelijkheid kunnen geven, in de zin van: "Het systeem werkt zo. Er is een dreigingsinschatting, een analyse, maar die analyse wijst uit dat dit regime dit zal blijven doen, want dit regime heeft één doel, en dat is Joden vermoorden."

Minister Van Weel:
Maar die dreigingsanalyse heeft niet de eendimensionale insteek dat de dreiging altijd zal blijven zoals die is omdat het regime hier mogelijk achter zit en het regime nog niet is gevallen. Dat doet echt tekort aan de dynamische dreigingsinschattingen, aan de inlichtingen die wij hebben. Die ga ik niet allemaal hier delen. Ik denk ook niet dat wij daar het gesprek over zouden moeten voeren. We moeten echt vertrouwen op onze professionals.

De voorzitter:
De minister vervolgt met het strafrechtdeel van zijn beantwoording.

Minister Van Weel:
Ja. Er was een vraag van mevrouw Nanninga over het symbool van de rode driehoek, dat in verband werd gebracht met Hamas. Ze vroeg of dat valt binnen de reikwijdte van de bestaande wetgeving inzake terrorismeverheerlijking. Zoals u weet, loopt dat wetgevingstraject nog. Er is vandaag een motie van mevrouw Keijzer aangenomen die de regering vraagt om te komen met dat wetsvoorstel. We hebben dat inmiddels teruggekregen van de Raad van State. Daar zal ik mij binnen het kabinet over buigen. Met het wetsvoorstel wordt het strafbaar — althans, dat beogen we strafbaar te maken — om in het openbaar steun te betuigen aan terroristische organisaties, ook middels het gebruik van symbolen van terroristische organisaties. Zoals u weet, hangt de vraag of er sprake is van opruiing nu heel vaak samen met de context waarbinnen een bepaalde gedraging plaatsvindt of een uiting wordt gedaan. Het idee is dat we sneller kunnen optreden als het gaat om evidente voorbeelden van het verheerlijken van terrorisme. Ik noem als voorbeeld het zwaaien met een ISIS-vlag. We weten allemaal waar die vlag voor staat en wat er achter die organisatie zit. Je wil sneller kunnen optreden om die uit het straatbeeld weg te halen. Ik kan niet vooruitlopen op individuele uitingsvormen, maar in de kern is dat de afweging die mogelijk wordt met dat wetsvoorstel.

Mevrouw Bikker vroeg welke inzichten er nu zijn inzake de wet over strafverzwaring voor antisemitische misdrijven. Die is van kracht sinds 1 juli 2025 en wordt inmiddels toegepast in de strafrechtketen. Uit de rapportage Strafbare Discriminatie in Beeld die vorige week door het OM is gepresenteerd, blijkt dat dit in de periode vanaf de inwerkingtreding tot 1 januari dit jaar — dat is dus niet heel lang — al 206 keer gebeurd is. Dat is schokkend in de zin dat het gaat om enorme aantallen, maar het is positief in de zin dat het OM wel degelijk dat artikel toepast. Ik denk dat dat ook positief is voor u hier, als medewetgever. We hebben nog geen knelpunten gehoord van het OM wat betreft de toepassing hiervan. Bij het toezenden van de volgende discriminatiecijfers, als de wet dus een heel jaar van kracht is, zal ik de wet evalueren op dit punt.

Dit sluit ook aan op de vraag van mevrouw Bromet, namelijk: wordt de strafverzwaringsgrond die van kracht is geworden, toegepast? Ja, die wordt toegepast door het OM. In die zin draagt die volgens mij zeker bij aan beter strafrechtelijk handhaven als het gaat om het bestrijden van antisemitisme.

Dan ga ik naar de heer Kanye West, of Ye, of hoe men hem ook maar wil noemen. De vraag van mevrouw Bikker was: zijn wij bereid om hier een grens te trekken, zoals andere landen dat hebben gedaan? Natuurlijk ben ik bekend met landen die ofwel hem de toegang hebben geweigerd ofwel daarmee hebben gedreigd, waardoor in een aantal landen optredens inmiddels zijn afgelast. Laat ik vooropstellen dat ik de antisemitische uitingen veroordeel die hij heeft gedaan. Die zijn verschrikkelijk en daar is hier in Nederland geen enkele plek voor. Tegelijkertijd hebben we als landen allemaal te maken met onze eigen nationale wetgeving en de redenen op grond waarvan je iemand de toegang kunt ontzeggen. In dit geval is dat primair een verantwoordelijkheid van de minister van Asiel en Migratie, maar als een van zijn ambtsvoorgangers weet ik wel ongeveer hoe deze afweging in elkaar zit. Op dit moment zit hij nog in dat traject. Er wordt dus gekeken, ook binnen Justitie en Veiligheid door de NCTV, naar aanknopingspunten voor een mogelijke weigering. Daar ga ik dus niet op vooruitlopen.

Wel wil ik iets van een winstwaarschuwing geven. In Nederland hanteren we een vrij hoge drempel voor het ontzeggen van de toegang aan iemand. Er moet dan echt sprake zijn van een dreigende verstoring van de openbare orde of van een bedreiging voor de nationale veiligheid. Gelet op het feit dat de heer Ye inmiddels — dat denk ik en hoop ik — ook wel spijt heeft van de uitspraken die hij heeft gedaan en van zijn gedragingen, acht ik het niet heel voorstelbaar dat hij, als hij naar Nederland zou komen, daadwerkelijk een acute bedreiging voor de openbare orde is. Nogmaals, ik wil er niet op vooruitlopen, maar ik wil hier wel heel eerlijk zijn over hoe we ons systeem hebben ingericht. Als wij niet verwachten dat iemand daadwerkelijk de openbare orde gaat verstoren, wordt het heel moeilijk om iemand vooraf te weigeren op grond van iets dat hij nog niet heeft gedaan. Dat is soms heel onbevredigend en soms heel geruststellend. Nogmaals, we wachten het definitieve oordeel af. Dat staat uiteraard nog los van wat we ervan mogen vinden, als persoon, als Kamerlid et cetera. Zoals ik zei: ik verwerp die uitspraken absoluut.

De voorzitter:
Is de minister op dit punt aan het eind van dit deel van zijn beantwoording gekomen? Hij krijgt nog een interruptie van mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Toen ik in eerste instantie vragen stelde over deze meneer, met zijn inderdaad misselijkmakende uitlatingen over de verheerlijking van het nazisme en met zijn antisemitische uitspraken die echt grof en schokkend zijn, had alleen Engeland Kanye West geweigerd. Engeland zit niet in hetzelfde Schengenregime als Nederland. Ik kon mij dus voorstellen dat die afweging anders is.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar voor Frankrijk heb ik de indruk dat dat wel geldt. Ook Polen zit in een ander regime. Ik vraag de minister: wat kunnen we daar nou van leren?

Minister Van Weel:
Dat heeft niet zozeer te maken met het regime, anders dan dat als een van die landen hem zou signaleren als ongewenst persoon, dat ook automatisch bij ons zou leiden tot een signalering en daardoor dus ook tot een weging. Daar kun je dan ook weer een uitzondering op maken, maar dat vereist dan weer een actie. Dat hebben die landen naar mijn weten nog niet gedaan, en daarmee is het nog geen Schengenissue en blijft het dus aan nationale wetgevers om te bepalen of iemand voldoet aan de criteria voor het weigeren of niet.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik concludeer daar dan wel uit dat je naast Schengen toch ook aanvullende regels kan stellen die voorkomen dat je iemand die zich niet zo lang geleden antisemitisch heeft uitgelaten, kan weren aan de grens. Ik zou de minister willen vragen om te verkennen of we op dat spoor toch niet meer moeten doen. Ik constateer ook dat, als ik het goed heb, er in Frankrijk bijvoorbeeld ook gewoon vanuit het kabinet een duidelijke uitspraak is gedaan, los van de regels. Dat kan toch ook effect hebben — en ik acht deze minister zeer hoog, ook wat betreft de kracht van zijn uitspraken. Ik ben dus ook wel benieuwd hoe het kabinet leert van wat omliggende landen doen.

Minister Van Weel:
Helderheid over de verwerpelijkheid van die uitspraken: ook vanuit mij mag daar geen enkele twijfel over bestaan. Hij zal niet optreden op mijn 50ste verjaardagsfeest dit jaar. Laat ik daarmee ook een hint geven naar bepaalde organisatoren, die hem dat podium wel willen geven. Ik wil nu wel allereerst de minister van AenM het spoor laten uitlopen, want dat proces loopt op dit moment. Hij is aan het kijken of hij binnen zijn huidige wettelijke bevoegdheden mogelijkheden ziet om te komen tot een weigering. Zo niet, dan zijn we denk ik aanbeland in het volgende stadium, namelijk: vinden wij er zelf als kabinet dan alsnog wat van? Of wordt die drempel wel gehaald en kunnen we dit gewoon van rechtswege afhandelen?

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Allereerst procesmatig: er wordt dus een analyse gemaakt door de IND en de NCTV. Op welke termijn zou die paraat zijn? En wordt die ook tijdig gedeeld met de Kamer?

Minister Van Weel:
Nee, die delen wij niet. Dit is het interne proces. De IND kan uiteindelijk een weigering doen. De IND vraagt om een weigering al dan niet te kunnen doen, informatie aan diverse diensten. Dat kunnen de inlichtingendiensten zijn, dat kan de NCTV zijn. Die informatie blijft in principe besloten, maar de uitkomst daarvan, namelijk of dit al dan niet leidt tot een weigering op grond van de nationale veiligheid dan wel de openbare orde, wordt uiteindelijk wel openbaar.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dan borduur ik voort op eerder gemaakte interrupties. De minister zegt: ik wil nog even wachten voordat ik me als minister of als kabinet erover uitlaat of deze man nu wel of niet welkom is. Kan de minister nog nader uitleggen waarom hij dat doet? We hebben het inderdaad over iemand die zichzelf een "nazi" noemt en die, geloof ik, de Hitlergroet heeft gebracht en alles. Waarom zegt de minister niet, eigenlijk dus nog los van de analyse en gelet op alle woorden die hij heeft gewijd aan de Joodse gemeenschap: zo'n man is hier niet welkom?

Minister Van Weel:
Omdat het één ding is om te zeggen dat hij wat mij betreft niet welkom is, maar het tweede is ook of we daar dan vervolgens gevolgen aan kunnen verbinden. Zolang ik niet weet welke gevolgen eraan verbonden zijn, past mij nog enige terughoudendheid in het finale oordeel, maar ik denk dat u tussen de regels door heel goed proeft waar ik zelf sta.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Afrondend, inderdaad. Kan de minister daar nog op reflecteren? Het is eerder gezegd: er zijn dus meerdere landen, waarmee wij ons zeer verwant weten, die wel hebben gezegd dat ze de grens niet openzetten voor deze figuur. Kan de minister voorstellen wat het doet met het gevoel van de Joodse gemeenschap als zo'n man dan in Nederland wel de ruimte zou krijgen?

Minister Van Weel:
Ja, natuurlijk. Daarvoor zijn natuurlijk meerdere wegen naar Rome. Dat hoeft niet alleen vanuit de regering te komen. Dat kan ook vanuit de maatschappij komen. Dat kan ook vanuit de facilitatoren of de organisatoren van deze bijeenkomst komen. Die dynamiek moet ook zeker zijn beloop hebben. Ik vertel u alleen even welke stappen we nu als regering hierin ondernemen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Hoor ik hier een oproep aan het GelreDome?

Minister Van Weel:
Zo concreet is ie ook niet. Ja, ik verzoek de organisatoren van het GelreDome — de minister gaat daar natuurlijk primair over — om wel te reflecteren op de uitnodiging en de dynamiek die dit teweegbrengt. Daar zou ik overigens organisatoren altijd de oproep toe doen, net zoals ik ze net ook heb opgeroepen om ruimte te maken voor bijeenkomsten van de Joodse gemeenschap binnen hun faciliteiten.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil toch even, als dat mag, meneer de voorzitter, Jaap Smit citeren. Die zegt in zijn rapport: "Artikel 3 van de wet — de Vreemdelingenwet 2000 — stelt dat toelating kan worden geweigerd indien er sprake is van een bedreiging voor de fundamentele belangen van de samenleving." Als wij hier met elkaar vaststellen dat wij antisemitisme niet alleen een probleem van de Joodse gemeenschap vinden, maar van de hele samenleving, dan kunnen we toch zeggen dat die fundamentele belangen hier in het geding zijn?

Minister Van Weel:
Ja, maar het is niet alleen wat wij hier met elkaar vaststellen. Uiteindelijk leven we in een rechtsstaat. Dat betekent dat datgene wat wij besluiten als kabinet ook de toets van een rechter moet kunnen doorstaan. Dat vereist iets meer dan een debat hier. Dat is het soort onderbouwing waar de IND zich nu in opdracht van de minister van AenM over buigt; we zullen zien waar dat toe leidt.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Helpt het dan als wij hier met elkaar uitspreken dat wij vinden dat de Joodse gemeenschap een fundamenteel onderdeel is van de Nederlandse samenleving?

Minister Van Weel:
Dat mag u uitspreken. Ik moet u wel zeggen dat er in het verleden door uw Kamer meer mensen op een unwanted list zijn gezet dan er uiteindelijk door de rechter zijn buitengehouden, vandaar mijn winstwaarschuwing. Die drempel — dat is het natuurlijk — is vrij hoog, zeker waar het gaat om het verbieden van toegang voor mensen voor dingen die ze nog niet hebben gedaan. We hebben hier eerder natuurlijk de discussie gehad rondom de artiest Bob Vylan, welbekend. Uiteindelijk heeft hij ook opgetreden en heeft hij ook uitspraken gedaan. Daar zijn uitspraken over geweest. We hebben die discussie gehad rondom predikers op een islamitische beurs in Utrecht, waarvan er uiteindelijk twee een voorlopige voorziening hebben gekregen en het land toch in mochten. Dus ja, dit is geen zwart-witkwestie. Wij moeten onze zaak wel goed voorbereiden.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Kan de minister een analyse aan de Kamer doen toekomen waarom in Nederland de drempel hoger is dan in andere Europese landen, zodat we kunnen bekijken wat we met elkaar kunnen doen om die naar beneden te krijgen?

Minister Van Weel:
Ik weet niet of die drempel per se hoger is, dat die anders wordt toegepast of dat het systeem anders in elkaar zit, dus dat je niet meteen in appel kan. Daar zal echt wel verschil tussen zitten. Ik kan wel toezeggen — dat ligt echter niet primair op mijn terrein — dat ik de minister van AenM verzoek om u een brief te doen toekomen over wat die drempel is, waar bij ons die grens ligt en waar die vandaan komt. Ik denk dat dat stap één is van het proces.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Heel graag. Ik vraag u om daaraan toe te voegen waarom die dan eventueel lager of anders is dan in Europese landen waar ze dit soort dingen wel kunnen.

Minister Van Weel:
Ja, maar voordat het een vergelijkend onderzoek wordt naar alle wetgeving van alle landen, bent u weer driekwart jaar verder en moeten we het WODC weer inschakelen. Als we op basis van een quickscan kunnen kijken naar enkele verschillen met landen om ons heen, dan zou ik die namens hen nog willen toezeggen, maar dat wordt geen vergelijkend onderzoek. Dat strekt iets te ver naar aanleiding van uw vraag.

De voorzitter:
U vervolgt.

Minister Van Weel:
Ik had nog één vraag van de heer Struijs: waarom gaat het OM niet altijd over tot ambtshalve vervolging? Volgens de Aanwijzing discriminatie is het uitgangspunt in discriminatiezaken dat vervolging wordt ingesteld als daar met een aangifte om wordt verzocht, maar het OM kan natuurlijk ook zelf besluiten, ook als daar niet om wordt verzocht, om dat ambtshalve wel te doen. Dat hangt samen met de ernst van de gedraging. Dit kader staat ook al in de aanwijzing. Mijn oproep die ik hier zou willen doen aan iedereen die zich slachtoffer voelt van antisemitisme is: doe gewoon aangifte. Ik noemde net de aantallen. Daar wordt vervolgd, daar wordt wat mee gedaan. Uiteindelijk helpt het ons ook om een beter beeld te krijgen van de omvang van het probleem.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik hoor de minister zeggen tegen iedereen: doe dan ook aangifte. Helpt het dan dat universiteitsbesturen géén aangifte doen van discriminerende, tot geweld oproepende of opruiende uitingen?

Minister Van Weel:
Ik vind dat iedereen die strafbare gedragingen ziet of die slachtoffer is van antisemitisme of discriminatie uiteindelijk aangifte moet doen, want dat is wat ons een beeld geeft. Ik hoor heel veel van de Joodse gemeenschap: we doen het niet, want het heeft toch geen zin; er gebeurt niks mee. Dat is mijn oproep nu: doe alsjeblieft aangifte. Eén: er gebeurt wel wat mee. Twee: het geeft ons ook een beeld, zoals ik dat hier nu deel, van de omvang van het probleem. Als mensen geen aangifte doen, is het ontzettend moeilijk om dat te peilen. Daar zag mijn oproep in eerste instantie op. Maar in algemene zin merk ik op dat ik geen goede minister van Justitie zou zijn als ik niet zou zeggen tegen mensen: meld het als u strafbare gedragingen ziet.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan geldt dat bij uitstek dus ook voor universiteitsbesturen, want zoals ik net in een interruptie zei, heeft de voorzitter van de Nederlandse universiteiten gezegd: wij staan voor de veiligheid van iedereen op de universiteit. Als op zo'n universiteit "kill all zionists", of vertaald "dood alle Joden", wordt gezegd, zou daar dan niet ook aangifte van moeten worden gedaan? Het is natuurlijk aan het OM om daar wat mee te doen, maar het begint toch met aangifte daarvan doen als je in ieder geval serieus neemt wat je zegt, namelijk: voor iedereen een veilige omgeving?

Minister Van Weel:
Iedereen die het idee heeft dat er strafbare uitingen worden gedaan, dat er wordt opgeruid, dat er wordt opgeroepen tot geweld tegen wie dan ook, zou daarvan aangifte moeten doen. Dat geldt ook voor besturen, ook voor bestuurders, ook lokale bestuurders die te maken hebben met gezag. Op hoe universiteiten in den brede ermee omgaan naar aanleiding van het rapport, komt mijn collega van OCW zo dadelijk terug.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Oké, dan stel ik de vraag ook aan de minister van OCW. Maar ik hoor in ieder geval de minister van Justitie zeggen: ja, dat geldt ook voor bestuurders. Dat is dus wat mij betreft ook voor de universiteitsbestuurders.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik hoor de minister een paar keer zeggen: doe gewoon aangifte. Maar het punt is dat de Joden geen aangifte doen omdat zij een gevoel van onveiligheid voelen omdat zij daar geen terugkoppeling over krijgen. Dus wat gaat de minister nou zelf doen om ervoor te zorgen dat die mensen wel weer aangifte willen doen?

Minister Van Weel:
Nou, die aangiftes worden wel gedaan, want van die 206 die ik noemde, heeft het overgrote deel gewoon te maken met antisemitisme. Als je dat afzet tegen de omvang van de Joodse bevolking versus de hele Nederlandse bevolking van ons land, zie je dat er gelukkig wel aangifte wordt gedaan. Dat kan altijd beter. Ik hoor die verhalen ook nog steeds van u. Maar laat ik hier dan ook die oproep doen, want er gebeurt dus wel wat mee. Er zijn 206 zaken geweest in een halfjaar dat een wet van kracht is geweest die het mogelijk maakt om antisemitisme te bestraffen om dat doel alleen.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik verneem dus uit de Joodse gemeenschap en de advocatuur dat er volgens hen nog nauwelijks aangifte wordt gedaan. Er zijn dus nog heel veel mensen die geen aangifte durven te doen. De vraag is dus wat de minister gaat doen om ervoor te zorgen dat die mensen wél tot aangifte bereid zijn.

Minister Van Weel:
Dank voor uw vraag. Ook bij deze kwestie gebruik ik het podium dat ik heb, maar dat doe ik bij elk gesprek dat ik met de Joodse gemeenschap heb. Het systeem is er klaar voor. We hebben een Expertisecentrum Aanpak Discriminatie, dat deze zaken behandelt. Ik toonde u net aan dat het OM dat 206 keer heeft gedaan in het halfjaar sinds de wet van kracht is geworden. Nee, het is dus niet tevergeefs als je het doet. Ja, er wordt echt vervolgd en er wordt ook op veroordeeld.

De voorzitter:
De minister vervolgt met de beantwoording van de vragen in het blokje demonstraties, maar er is eerst nog een vraag van de heer Boon.

De heer Boon (PVV):
Ik wil toch nog even terug naar het blokje stafrecht, want ik wist niet dat dat al afgelopen was. Deelt de minister de uitspraak van de Kamer dat de leus "from the river to the sea" een oproep is tot geweld tegen Joden wereldwijd?

Minister Van Weel:
Ik ben niet de rechterlijke macht. Het pas mij dus niet om hier te zeggen of iets strafbaar is of niet.

De heer Boon (PVV):
Precies daar gaat mijn vraag inderdaad over. Het OM heeft deze leus betiteld als "protestleus", terwijl de mening van de Kamer duidelijk is: het is geen onschuldige protestleus; het is gewoon een duidelijke oproep tot geweld. Vindt de regering ook dat dit een oproep tot geweld is? De regering heeft een eigen mening en hoeft zich niet achter het OM te verschuilen. Als jullie dat een oproep tot geweld vinden, wat gaat u dan richting het OM doen?

Minister Van Weel:
Het gaat niet over verschuilen achter het OM. Het gaat er hier over dat iedereen zijn eigen taken uitvoert. Uiteindelijk hebben wij hier te maken met de trias politica. We leven in een democratische rechtsstaat. Dat betekent dat ook uw Kamer geen opdrachten kan geven aan het OM om te bepalen wat wel of niet strafbaar is. Als u wilt dat iets strafbaar wordt, dan zijn wij samen de wetgevers en kunnen wij komen tot een strafbaarstelling. Dat gaat naar het Wetboek van Strafrecht. Dan is het OM gehouden om dat uit te voeren. Het OM heeft deze leus langs de meetlat van het Wetboek van Strafrecht gehouden en heeft de uitspraak die de heer Boon noemt gedaan. Daar hebben wij het dan allemaal mee te doen, om de woorden van de Rijdende Rechter te gebruiken.

De voorzitter:
Afrondend.

De heer Boon (PVV):
Bij mijn weten staat oproep tot geweld wél in het strafrecht. De Kamer heeft zich er duidelijk in meerderheid over uitgesproken van mening te zijn dat dit een oproep tot geweld is. Als de regering dat vindt, kan het met het OM in gesprek gaan en kan eventueel een aanwijzing gegeven worden: "Dit is een oproep tot geweld en dan moet je conform het artikel over oproep tot geweld vervolgen." Is de minister daartoe bereid?

Minister Van Weel:
Nee, zo werkt de wet niet. Ik kan het OM alleen maar opdracht geven om voor iets te vervolgen wat al strafbaar is en wat het OM dan ook langs die lat kan houden. Van de kwestie waar wij het nu over hebben, heeft het OM tot nu toe bepaald dat het vindt dat het niet strafbaar is; dan zijn wij niet degenen om te bepalen dat dat het wél is. Dat neemt niet weg dat uzelf er zich hier in uw Kamer in grote meerderheid over heeft uitgesproken om die leus niet te bezigen; tot u erover begon, heb ik de leus vandaag ook niet heel veel gehoord. Dat snap ik ook, want ik snap ook de connotatie die mensen kunnen voelen bij die uitspraak; die kan ook als kwetsend worden ervaren, ook in de zin die u noemt, van het van de kaart wegdrijven van Israël. Maar nu verval ik ook weer in het debat dat ik tot een paar maanden geleden heel vaak voerde, maar dat niet het doel is van vanavond. Vanavond gaat het over antisemitisme.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
In de vraagstelling van een aantal van mijn collega's zit de premisse dat de universiteitsbesturen geen aangifte hebben gedaan. De minister ontkent dat niet. Ik vraag me af of het klopt dat ze geen aangifte hebben gedaan. Of worden door de universiteitsbesturen gewoon aangiftes gedaan van antisemitisme? Die zweem zou ik wel even weg willen halen, als dat kan.

Minister Van Weel:
Ik weet het niet. Het komt zo meteen ongetwijfeld terug, want de collega van OCW heeft vanuit drie hoedanigheden met dit bijltje gehakt.

De voorzitter:
Ik wil eigenlijk door met de beantwoording over demonstraties, mevrouw Van der Plas. Nou ja, dan geef ik alleen mevrouw Van der Plas op dit punt nog ruimte voor een interruptie. Daarna gaan we verder, want er zijn twee bewindspersonen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Twee moties van mij hierover zijn aangenomen: eentje in september 2025 en eentje in november 2024. De motie uit 2024 vroeg het kabinet te bevorderen dat organisaties die de vernietiging van het Israëlische volk of de Israëlische staat propageren, op de nationale sanctielijst terrorisme zouden worden geplaatst. De andere motie, uit september 2025, vroeg om met het OM in gesprek te gaan over het met prioriteit behandelen van antisemitische delicten. Ik ben benieuwd wat de uitvoering van deze moties is geweest en wat op dat punt de stand van zaken is.

Minister Van Weel:
De eerste valt een beetje buiten de orde van dit debat, want die heeft niet direct verband met antisemitisme, maar daarover rapporteren we in het kader van het debat over extremisme en terrorisme. Daarin vinden ook deze oproepen tot het verbieden van organisaties een plek. Ik geloof dat we daar over twee of drie weken een debat over hebben. Er komt nog een stand-van-zakenbrief.

Sorry, het tweede deel van de vraag ben ik kwijt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat was het verzoek om het Openbaar Ministerie te vragen om antisemitische delicten als prioriteit te behandelen.

Minister Van Weel:
Blijkens de getallen die ik net noemde, wordt dat ook opgepakt. Het overgrote deel van de vervolgingen naar aanleiding van de strafverzwaring vanwege een discriminatoir effect zijn dus antisemitische delicten.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
En die worden dan door het OM met voorrang behandeld? Daar ging de motie namelijk over.

Minister Van Weel:
Ja, maar met voorrang boven wat? Boven zedendelicten? Boven vermogensdelicten? Uiteindelijk betekent "met voorrang behandelen" dat we het OM vertellen dat we dit serieuze delicten vinden en dat het daar serieus aandacht aan moet besteden. Maar dat moet dan natuurlijk wel binnen de vervolging van discriminatoire aspecten. Uiteindelijk ziet de bredere strafrechtketen ook op jeugdzaken en zedenzaken, waar wij de hele capaciteit van het OM al voor inzetten. Daar hebben we ook debatten over. Dus binnen deze context heb ik aandacht gevraagd voor het prioritair behandelen van de antisemitismezaken. Op basis van de zaken die ik zie en op basis van hoe ik die terugzie in de cijfers, vind ik dat we invulling hebben gegeven aan de motie.

De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb een klein punt van orde, voorzitter. De minister zei dat dat eerste verzoek over het propageren van de vernietiging van de staat Israël niet binnen antisemitisme hoorde. Die motie is ingediend op 13 november 2024. Dat was bij het debat na de Jodenjacht in Amsterdam en dat debat ging wel degelijk over antisemitisme. Er mag ook in de tweede termijn een antwoord komen op de vraag hoe het daarmee staat, maar het was wel degelijk antisemitisme.

De voorzitter:
Volgens mij heeft de minister een stand-van-zakenbrief toegezegd voor een debat dat u hierover nog gaat voeren. De minister vervolgt zijn beantwoording.

Minister Van Weel:
Ik kom bij demonstraties. Ik ga daarbij niet alles behandelen, want een heleboel van die vragen gingen puur over demonstraties binnen onderwijsinstellingen, en daar komt mijn collega natuurlijk op terug. In algemene zin werd er gevraagd of er kan worden opgetreden als een protest op een campus of een station ontaardt. Ja, dat kan, als dit gebeurt bij een demonstratie op een plek die niet openbaar is maar die wel voor publiek toegankelijk is. Dat geldt dus voor stations voordat je door de poortjes gaat, of voor het Tweede Kamergebouw voordat je door de poortjes gaat. Als dat zo is, dan is gewoon artikel 8 van de WOM van toepassing. Dat betekent dus ook dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om de opdracht te geven om een demonstratie in zo'n geval te beëindigen, maar dan is die wel gebonden aan de criteria die gelden voor elke demonstratie en de beëindiging daarvan, namelijk dat de demonstratie een bedreiging voor de volksgezondheid vormt of dat de beëindiging ervan wanordelijkheden voorkomt of beëindigt. Daarnaast is ook de rechthebbende van dat gebouw, dus ofwel ProRail of de NS dan wel de universiteit zelf, bevoegd om ontoelaatbare activiteiten in het gebouw te beëindigen. Als de overtreder weigert daaraan mee te werken, kan er sprake zijn van lokaalvredebreuk en dan kan de politie worden ingeschakeld om er een einde aan te maken en de overtreder alsnog te verwijderen. Als de politie daarbij nodig is, is het aan het lokaal gezag om daar uiteindelijk opdracht toe te geven. Zo zijn een aantal van de demonstraties bij universiteiten natuurlijk ook beëindigd.

Je kunt overigens niet bepaalde locaties helemaal uitsluiten. Je kunt dus niet openbare locaties uitsluiten als protestlocaties, maar wij gaan wel kijken — daar komen de minister van BZK en ik nog uitgebreid samen met uw Kamer over te spreken — naar hoe we nou opvolging gaan geven aan het WODC-onderzoek en een aantal aanbevelingen daarin, zoals het gemakkelijker maken van het bestuurlijk verplaatsen of het bestuurlijk ophouden. Dat zou natuurlijk ook van toepassing kunnen zijn op deze demonstraties.

De voorzitter:
We ronden het onderdeel demonstraties eerst even af voordat we interrupties gaan doen. Dank u wel.

Minister Van Weel:
Dat sluit, denk ik, ook aan op de vraag van mevrouw Teunissen of we niet het demonstratierecht inperken onder het mom van veiligheid. Dat doen we niet. Demonstreren is een grondrecht en tegelijkertijd moet het grondrecht van demonstreren ook weer niet het grondrecht van mensen om hun leven te kunnen leven of om onderwijs te volgen beperken. Het is in die zin dus continu het tegen elkaar afwegen van die grondrechten. Dat is, denk ik, wat lokale bestuurders continu doen en waarvoor wij de handvatten moeten geven — het WODC-onderzoek geeft ons daar ook wat handvatten voor — zodat wij als wetgevers de bestuurders in staat stellen om die afwegingen goed te kunnen maken. Het is dus een grondrecht, maar het is zeker niet absoluut. Zeker waar grondrechten met elkaar botsen zullen we oog moeten hebben voor alle kanten. Maar we komen nog met een brief daarover.

Wat is dan het verschil met de Tweede Kamer? Dat was nog een vraag van mevrouw Keijzer. Waarom mag het wel in de universiteit en mag het niet hier? Dat heeft te maken met de publieke toegankelijkheid. Zodra je door het poortje komt, kom je in een ander regime. Dat is dus ook het geval bij het niet-openbare deel van de Tweede Kamer. Verder is het rond de Tweede Kamer niet anders dan rondom universiteiten.

Dat waren de demonstraties, voorzitter.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank aan de minister dat hij nog even uitlegde hoe het zit met de verschillende regimes, maar mij bekruipt dan toch een beetje het gevoel van balletje-balletje: de een wijst naar de ander, die wijst weer naar de volgende, en vervolgens gebeurt er helemaal niets. Begrijp ik nou goed dat je niet verder komt dan dat je hier op Den Haag Centraal de poortjes moet verzetten om te voorkomen dat je je door een haag van woedende, met de Palestijnse vlag zwaaiende types heen moet worstelen terwijl je vooral niet de indruk moet wekken dat je het niet met ze eens bent?

Minister Van Weel:
Hiervoor is wel een escalatieladder opgesteld met ProRail, met burgemeesters en met de NS. Ook wij hebben daaraan bijgedragen. Daarmee wordt de afweging makkelijker gemaakt wanneer het ene grondrecht, namelijk dat van demonstratie, schuurt met het andere grondrecht, namelijk dat van de veiligheid van een individu of het recht om je privéleven te kunnen leiden. Je wilt bijvoorbeeld op weg naar je trein niet verrot gescholden worden, je wilt je niet onveilig voelen en je wilt langs een demonstratie kunnen lopen met een keppeltje op. Dat escalatiemodel helpt, denk ik, om de bestuurders, die dan niet allemaal naar elkaar hoeven te wijzen, handvatten te geven voor wanneer iets nou de grens van het betamelijke of het strafbare overgaat en je dus kunt ingrijpen of in ieder geval het lokale gezag kunt oproepen om in te grijpen. Nogmaals, dit is echt niet het overgrote deel van de demonstraties. Laten we daar ook even helder over zijn. Bij 97% van de demonstraties, ook als ze pro-Palestina zijn, is er helemaal geen probleem. Maar daar waar het intimideert en daar waar het strafbaar wordt, geldt dit kader.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is mooi. Maar de bestuurders aan die tafel, dus de burgemeester en de politie, of als het op een universiteit is een universiteitsbestuur, moeten wel de overtuiging hebben dat "kill all zionists" of — wat voor prachtige teksten hebben ze nog meer zo nu en dan? — "intifada now!" en "from the river to the sea" niet oké en antisemitisch zijn. Als universiteitsbestuurders het ingewikkeld vinden om een bezetting te beëindigen, geen aangifte doen tegen "kill all zionists" of studenten of wetenschappers uit Israël zelfs weigeren, dan wordt het natuurlijk wel heel erg ingewikkeld. Ziet de minister dat ook zo?

Minister Van Weel:
Dat waren een heleboel vragen ineen. Ik denk dat het bij deze kaders begint met het hebben van een gedeeld beeld over wat we wenselijk en niet-wenselijk vinden en waar we wanneer tegen optreden. Voor de universiteit zal mijn collega daar ook op ingaan. Dat beeld was er niet. Dat leidt tot willekeur. Dat leidt ook tot handelingsverlegenheid. Wat mag nou wel en wat mag nou niet? Wanneer mag een burgemeester optreden? Wanneer kun je wel een demonstratie beëindigen en wanneer kun je dat niet? Daar kunnen we natuurlijk helderheid over scheppen. Dat is ook gedaan. Er komt ook naar voren dat de handvatten die voor bestuurders of voor het bestuur nodig zijn om iets te doen, er wettelijk gezien wel zijn. Daar zit het probleem niet zozeer. Het gaat om: wanneer en hoe pas je ze toe? Nogmaals, voor de universiteiten zal daar zo nog op worden ingegaan. Ook ik speel graag een rol in het faciliteren. Voor de stations hebben we dat escalatiekader nu opgesteld, juist om dit nu te doen en te kijken wie op welk moment welke bevoegdheden heeft om wat te doen.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan heb je dus ook de ballen nodig om te zeggen: tot hier en niet verder. Anders kom je er met een escalatieladder namelijk ook niet.

Minister Van Weel:
Die leveren we er niet bij.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Een hele terechte vraag van mevrouw Keijzer. Waarom kunnen hier, terecht, demonstranten verwijderd worden, maar niet op de stations en niet op de universiteiten? In 2024 — ik citeer even — werd gezegd: "Demonstraties in een voor iedereen toegankelijke hal van een universiteit treffen ook andere studenten en medewerkers. Daar moeten we rekening mee houden. Dus waar je mag roken, mag je ook politiek demonstreren buiten de terreinen van de universiteit." Het is een citaat van de heer Verbeek, toenmalig rector van de UvA. Diezelfde rector zat later met een gemaskerde hooligan te praten nadat zijn hele universiteit was afgebroken. Diezelfde rector zegt hier glashelder: waar je mag roken, mag je ook politiek demonstreren buiten de universiteit. Dan zegt de minister hier: wij kunnen dat niet reguleren binnen een universiteit.

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Nanninga (JA21):
Maar dat kon blijkbaar wel voordat de protesten gewelddadig werden.

Minister Van Weel:
Ik ga herhalen wat ik al heb gezegd. Ik heb gesproken over het wettelijke kader. Ik heb niet gesproken over wat in een interview is gezegd door een willekeurige bestuurder. Op hoe universiteiten omgaan met het rapport zal de minister van OCW zo nog terugkomen.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Nee, daar neem ik even geen genoegen mee. Er wordt gevraagd naar de plek waar je zou kunnen en mogen ingrijpen. Er wordt door deze minister gezegd: dat kan niet zomaar op een universiteit. Mij komt het echter zo voor: als deze rector de politie belt en zegt dat er allemaal tuig bij hem in de hal staat dat even opgehaald moet worden, dan moet dat gewoon kunnen gebeuren, maar wordt er gezwicht. Als er nou eenmaal grof geweld wordt toegepast, kom je overal mee weg en mag je zelfs op de koffie komen.

Minister Van Weel:
Het zit wettelijk als volgt. Ja, je mag demonstreren en dat mag op plekken die openbaar toegankelijk zijn. Dan nog is er natuurlijk een verantwoordelijkheid van de beheerder of de eigenaar van het gebouw, die uiteindelijk ook weer hulp kan inroepen op het moment dat overtreders niet wensen weg te gaan. Dat is eigenlijk kort en goed hoe het tot nu toe elke keer is gegaan, ook bij elke demonstratie, ook daar waar ze uit de hand zijn gelopen. Dat is dus het wettelijke kader. Nogmaals, op de gedragsregels en de invulling daarvan wil ik niet vooruitlopen.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Dan heeft u de vraag succesvol doorgespeeld naar de minister van Onderwijs. Daar kom ik straks dan op terug. Maar het is geen onmacht om plekken vrij te houden van dat soort gespuis. Het is onwil.

Minister Van Weel:
Dan kom ik bij het kopje online, voorzitter. Dat is geen lang blokje, maar wel een belangrijk onderwerp. We zien online op alle fronten het aantal strafbare uitingen toenemen, of het nu gaat om het verheerlijken van terrorisme, opruiing of het plaatsen van geweldsfilmpjes en naaktbeelden; noem het maar op. Het heeft zeker onze aandacht. In het coalitieakkoord staat ook dat we onlinecriminaliteit gaan aanpakken. Antisemitisme is criminaliteit. Het is gewoon strafbaar, of je het nou online of offline doet. Vanuit het plan van aanpak en de strategie tegen onlinediscriminatie zetten we ook in op meer en zichtbare consequenties voor daders en op betere ondersteuning voor slachtoffers van antisemitisme online. Het Meld.Online Discriminatie werkt nauw samen met de politie en het OM, zodat ze ook sneller strafrechtelijk kunnen worden opgepakt. Sinds kort is dat meldpunt ook aangemerkt als trusted flagger, waardoor het verzoek tot verwijdering van discriminerende content bij socialemediaplatforms op grond van de DSA, de Digital Services Act, met voorrang moet worden behandeld. Er is zes ton extra beschikbaar gesteld aan het OM en de politie om de aanpak van onlinediscriminatie, waaronder antisemitisme, verder te versterken.

De heer Bamenga vroeg of wij de mening delen dat het bizar is dat AI en social media toestaan dat er twijfel wordt gezaaid over de Holocaust. Ook hier geldt: wat offline strafbaar is, is dat online ook. Dat geldt dus ook voor het ontkennen of bagatelliseren van de Holocaust. Ook daarvoor geldt dezelfde aanpak als die ik net noemde, om dat te intensiveren.

Dat is het einde van het kopje online, voorzitter.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zat net nog eens even door de berichten te scrollen die politici plaatsen naar aanleiding van dit debat. Politici plaatsen weleens een bericht; dat komt een enkele keer voor. Ik keek ook even naar wat daar dan weer onder geplaatst wordt. Nou werkelijk, de honden lusten daar geen brood van. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij als Kamerlid ook aan tijd ontbreekt om van ieder van die berichten aangifte te doen of erover te gaan melden. Ik kan me ook in dit soort omstandigheden — neem bijvoorbeeld dit debat, dat normerend en duidelijk moet zijn — voorstellen dat we met elkaar zeggen dat er ook dan wordt gevolgd wat er gebeurt en dat mensen die zulke rare berichten plaatsen, of het nou onder uw post of mijn post is, niet straffeloos blijven. Kan de minister kijken hoe we ook dat beter kunnen doen? Daar hoeft hij niet morgen op te antwoorden, maar ik zou me echt kunnen voorstellen dat we qua democratisch gehalte ook dit kunnen versterken.

Minister Van Weel:
Ik kijk zelf niet meer onder mijn eigen berichten, want dan slaap ik niet meer. Het is inderdaad schrikbarend hoe mensen online veel minder remmingen voelen om de meest verschrikkelijke dingen te zeggen dan ze waarschijnlijk zouden voelen als ze hier in de zaal of op de publieke tribune zouden zitten. In die zin zou ik u toch willen zeggen: als het echt alle grenzen over gaat, doe dan wel die aangifte, want er wordt wel degelijk naar gekeken. Dit reikt echter verder dan antisemitisme; dit is gewoon een probleem dat we in bredere zin zien, namelijk dat social media niet alleen voor dit soort strafbare uitingen gebruikt worden, maar ook voor alle andere strafbare gedragingen. Het ronselen van de jongens waar we het net over hadden, gebeurt gewoon via Snapchat of Telegram. Dat speelt zich helemaal af buiten het zichtveld van ouders of wie dan ook. Kanalen doen daar niks aan. Of het nou gaat om het verspreiden van deepfakes of van desinformatie: we hebben echt een probleem met die onlinewereld. Die zorgt voor een heleboel onrust en een heleboel polarisatie in onze maatschappij. Dat is een groot thema, maar, nogmaals, iets groter nog dan alleen dit debat.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Vanzelfsprekend, maar bij al die berichtjes denk ik: lees het voor aan je moeder, aan je zus of aan iemand die even de ogen optrekt en denkt "ben je gek geworden?" en je weet dat het geen goed idee is. Dat lijkt me een hele normale spiegel, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat om de aanpak van antisemitisme. De kleine Joodse gemeenschap ziet ook dat als politici zich uiten, al die bagger er non-stop overheen komt. Dat zouden we toch beter moeten kunnen normeren? Ik vraag de minister dus niet om morgen met een antwoord te komen. Ik weet dat we verder een groot probleem met de socials hebben en dat politici daarover kunnen meepraten, maar dit is een heel specifiek iets. Ik denk dat we dit beter kunnen doen.

Minister Van Weel:
Ik neem het mee in de volgende cyclus over onlinediscriminatie, want daar valt dit ook onder. Het antisemitisme dat in reacties op posts van ons wordt neergezet, is net zo strafbaar, ook als het in een reactie is.

De voorzitter:
De minister rondt zijn beantwoording af.

Minister Van Weel:
Mevrouw Teunissen vroeg nog welke methode we hanteren voor het tegengaan van het normaliseren van complottheorieën over antisemitisme et cetera. We zetten in op versterking van de weerbaarheid tegen desinformatie en complottheorieën, waaronder antisemitische complottheorieën. De handleiding voor het omgaan met desinformatie voor medeoverheden is in 2024 in dit kader herzien. Die ondersteunt onder meer gemeenten bij het herkennen en het adresseren van desinformatie en wordt blijvend onder de aandacht gebracht. Daarnaast is er een subsidie aan BENEDMO afgerond, de Vlaams-Nederlandse samenwerking ter versterking van factcheckers en andere experts op het gebied van desinformatie. Daarmee wordt de structurele aanpak van desinformatie rondom antisemitisme versterkt.

Mevrouw Keijzer had een vraag over studentenvisa. Die beantwoord ik hier namens de minister van AenM, die daar primair over gaat. Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige plek bieden; dat spreekt voor zich. Ten aanzien van het intrekken van studentenvisa van studenten afkomstig van buiten de EU geldt zowel bij de toegang als gedurende het verblijf dat de verblijfvergunning van deze personen kan worden ingetrokken wanneer zij een onherroepelijke veroordeling hebben of een gevaar zijn voor de openbare orde. Bij die veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen dus ook een rol spelen. Dan heb je dus een grond om het visum in te trekken. Zodra iemand is veroordeeld voor een misdrijf, ontvangt de IND hiervan een bericht. Dan kan de IND beoordelen of de vergunning van die persoon kan worden ingetrokken. Uiteindelijk kan, naarmate de ernst van het misdrijf toeneemt, ook een inreisverbod of een ongewenstverklaring volgen.

De heer Bamenga vroeg nog om antisemitische uitingen van partijleden van Forum voor Democratie te normeren. Het is niet aan mij om hier uitspraken te doen over individuele politici. Vooropstaat dat ik antisemitische uitspraken in algemene zin sowieso veroordeel, wie die uitspraken dan ook doet, van welke partij of herkomst dan ook.

De heer Struijs vroeg nog naar de zorgen van het Joodse politienetwerk. Die zorgen zijn mij bekend. Het is ook een onderwerp van gesprek met de korpschef, die natuurlijk de primaire verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat er een veilige werksituatie is en dat zij vanuit professionaliteit hun werk kunnen doen. Er is overigens goed contact vanuit de korpsleiding met dat netwerk. Ikzelf ben het netwerk in voorkomende gevallen ook tegengekomen.

De heer Diederik van Dijk vroeg nog om met spilfiguren een langdurige en intensieve campagne te voeren. De minister van BZK is op dit moment bezig met een meervoudige aanbesteding van campagneontwikkeling van een landelijke publiekscampagne die breder ziet. Die gaat namelijk over het wegnemen van drempels die mensen in algemene zin ervaren voor het doen van aangifte van discriminatie. Ik zal bij hem ook specifiek aandacht vragen voor het discriminatie-element met antisemitische grondslag bij het opzetten van die campagne.

De voorzitter:
Ik wilde eigenlijk voorstellen om alles even af te ronden en dan ruimte te bieden voor interrupties.

Minister Van Weel:
Dit was het.

De voorzitter:
Dat was het zo? Meneer Van Dijk. Het was toch sneller dan verwacht. Gaat uw gang.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ziet u nou wel. Ik wil even op het laatste reageren, de campagne van BZK. Als ik het goed begrijp, hebben we het dan weer over een campagne die zich richt op discriminatie in het algemeen, terwijl antisemitisme als een specifiek kwaad wat specifieker campagne verdient. Volgens mij is dat wel duidelijk geworden door alle bijdragen.

Minister Van Weel:
Dat wil niet zeggen dat je binnen een algemenere campagne niet ook specifiek aandacht kunt besteden aan antisemitisme. Een campagne kent altijd meerdere uitingsvormen en invalshoeken. Ik kan me dus voorstellen dat dit daar wel zijn specifieke plek in krijgt. Ik zal dat ook bespreken met de collega van BZK.

De voorzitter:
Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid en geef het woord aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor haar beantwoording. Wellicht kan zij ons ook meenemen in de structurering van haar beantwoording.

Minister Letschert:
Jazeker, meneer de voorzitter. Ik heb een wijziging aangebracht in mijn volgorde, ook gezien de vragen die de minister van JenV net kreeg. Ik wilde beginnen met het funderend onderwijs — dat is logischer als je kijkt naar de chronologie van leerlingen die het onderwijs doorlopen — maar ik ga toch met het hoger onderwijs beginnen. Dat betekent dus ook dat ik met de taskforce wil gaan beginnen. Daarna zal ik met het funderend onderwijs doorgaan, dan ga ik kort in op de vragen die over cultuur en culturele instellingen zijn gesteld en dan heb ik nog een mapje overig.

Laat ik mij allereerst aansluiten bij de woorden van mijn collega, de minister van JenV, die zijn grote dank uitsprak aan de voorzitter van de taskforce, de heer Jaap Smit, die hier nog steeds aanwezig is op de publieke tribune. Hij heeft een jaar lang heel veel tijd gestopt in het maken van dit rapport en deze belangrijke aanbevelingen, met toch ook wel schokkende analyses. Op die manier heeft hij er ook voor gezorgd dat wij hier vanavond dit debat kunnen voeren op basis van een onderbouwing uit dit rapport.

Voordat ik start met het beantwoorden van alle specifieke vragen die gesteld zijn, wil ik allereerst misschien toch ingaan op de twijfel die ik in de Kamer voel over mijn aandacht voor dit onderwerp en over de vraag of ik dit wel als chefsache zal gaan behandelen. Uiteraard is het aan u om dat over een aantal weken te beoordelen, maar laat ik hier benadrukken dat ik dat absoluut zal doen. Dat heb ik vanaf de dag dat ik hier ben begonnen eigenlijk meteen laten zien door gesprekken te voeren met Joodse studenten en medewerkers en met vertegenwoordigers van Joodse gemeenschappen, daarna meteen gevolgd door gesprekken met de bestuurlijke koepels, ook weer met de Joodse studenten en medewerkers en de vertegenwoordigers aan tafel. Ik heb dat uiteraard ook laten zien door in die taskforce te gaan zitten. Dat kun je ook níét doen als bestuurder, maar ik vond het heel belangrijk om dat jaar, tot ik informateur werd en eruit moest, mijn input in de taskforce te kunnen geven en ook te kunnen leren van alle verhalen die door middel van die taskforce bij mij op tafel zijn gekomen. Wat u ook leest in het rapport van de taskforce, is dat veel van de bestuurders die vanaf 7 oktober geconfronteerd werden met demonstraties een vrij steile leercurve hebben moeten doorlopen, en er nog niet helemaal zijn. Ook dat constateert dit rapport. Nou, schaart u mij dan bij de bestuurders die in die fase van hun carrière die steile leercurve hebben doorlopen. Ik zal mijn uiterste best doen, en meer dan dat, om er samen met de onderwijssectoren op toe te zien dat we deze aanbevelingen naleven en implementeren. Dan kunnen we daar het gesprek over hebben met deze Kamer. Ik sta hier nu vanavond als uw minister. In die hoedanigheid mag u mij ook ter verantwoording roepen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik snap deze laatste zin, maar tegelijkertijd zou ik toch aan de minister willen vragen: had de voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht het achteraf gezien anders moeten doen?

Minister Letschert:
Daar wil ik best antwoord op geven. We hebben al meerdere debatten met elkaar gehad waarin die vraag aan mij werd gesteld. Wat de taskforce heel duidelijk laat zien, is dat meerdere bestuurders in de eerste fases van die demonstraties in overleg met de lokale driehoek hebben moeten leren hoe ze dit moesten doen: welke handvatten hebben bestuurders? In 97% van de gevallen zijn demonstraties vreedzaam. 3% is dat niet. Hoe kun je daar veel eerder op acteren en hoe stem je dezelfde lijn met elkaar af? Dus ja, ik heb daar ook zelf in moeten leren.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Vindt deze minister dat je aangifte moet doen tegen uitlatingen als "kill all zionists"?

Minister Letschert:
Ik herken niet het beeld dat universiteiten geen aangifte doen op het moment dat er vermoedens zijn van strafbare feiten, want dat doen ze namelijk altijd. Dat is wederom bevestigd in de brief van de koepels naar aanleiding van dit rapport. Dat geldt overigens niet alleen voor vermoedens van strafbare feiten en het ondersteunen van individuen die een strafbare weg willen bewandelen. Het geldt ook voor civielrechtelijke procedures, bijvoorbeeld als er sprake is van schade aan gebouwen van onderwijsinstellingen en er verdachten op heterdaad betrapt zijn. Ook die ervaringen hebben de onderwijsinstellingen. Dus ja, op het moment dat besturen vermoedens hebben van strafbare feiten, zullen zij daar aangifte van doen. Ik ga hier nu niet allerlei leuzen of slogans die u mij voorhoudt beoordelen en zeggen of de specifieke instelling daar dan aangifte van moet doen. Maar nogmaals, het beeld dat besturen geen aangifte doen wanneer er vermoedens zijn van strafbare feiten, herken ik niet. Dat beeld komt ook niet uit dit rapport.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Er ligt daar een heel rapport. Ik heb het nu niet meegenomen. Dat is mooi voor het beeld. Dan kun je het laten zien. Maar er ligt daar een heel rapport, waarin het gaat over een steile leercurve, zoals deze minister zegt. Het gaat om allerlei zaken die je anders zou moeten doen, zoals het gebruiken van het juridische instrumentarium. Dus ik wil gewoon van deze minister weten of je aangifte moet doen tegen een leus als "kill all zionists". Want als het antwoord daar niet volmondig ja op is, hoe moet ik dan ooit zien dat deze minister een chefsache maakt van de uitvoering van dit rapport? Graag een ja of een nee, en niet weer zo'n hele brei aan bestuurlijke blabla. Doe je aangifte tegen de leus "kill all zionists" bij jou op je universiteit?

Minister Letschert:
Daar ben ik momenteel dus niet meer, maar op het moment dat er een uitspraak wordt gedaan die duidelijk oproept tot haat, wat ik in het geval van deze leus zo zou inschatten, zou ik verwachten dat er absoluut aangifte van wordt gedaan.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Het gaat om meer dan leuzen. Er zijn legio voorbeelden van vernielingen en dergelijke waar geen aangifte van is gedaan. Het klopt ook niet wat de minister zegt. Ik citeer uit een Woo-verzoek aan nota bene de Universiteit Maastricht: "Mocht een dader gevonden worden" — in dit geval van het vernielen van panden — "dan wordt deze daar zeker op aangesproken en zullen er maatregelen genomen worden. Daarover is ook reeds met de politie gesproken. De maatregelen kunnen via het civiele of strafrecht lopen. Echter, we hebben als universiteit ook mogelijkheden om studenten sancties op te leggen. Daarmee kun je voorkomen dat studenten mogelijk een strafblad krijgen …

De voorzitter:
Uw vraag?

Mevrouw Nanninga (JA21):
… voor een jeugdige zonde." Dat is toch wel een héél ander verhaal dan dat er altijd aangifte gedaan moet worden. Dit is een citaat van de Universiteit Maastricht uit een Woo-verzoek.

Minister Letschert:
Ik wil wederom, zoals ik ook in mijn inleiding aangaf, zeggen dat ik hier sta als minister van OCW en niet als de voormalige bestuurder van de Universiteit Maastricht. Ik wil aangeven dat er vanuit meerdere instellingen aangifte wordt gedaan als er vermoedens zijn van strafbare feiten. Dat gebeurt via de strafrechtelijke route, of het gebeurt civielrechtelijk op het moment dat het gaat over mogelijkheden om schade te verhalen.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Het is heel onfortuinlijk dat de slager hier nu een beetje zijn eigen vlees keurt, maar dat is de Kamer niet aan te rekenen. De minister kan niet zeggen dat je het er niet over mag hebben omdat ze hier nu in een andere rol staat. Ik vind het ook ongemakkelijk, maar het is niet mijn keuze geweest. Ik citeer hier letterlijk dat er niet altijd wordt overgegaan tot aangifte, omdat het een "jeugdige zonde" kan zijn en een universiteit altijd zelf een keer "foei" kan zeggen. Dat is toch strijdig met wat de minister net zei in haar antwoord op mevrouw Keijzer, namelijk dat er altijd aangifte gedaan moet worden? Dat gebeurt dus niet. Dat blijkt uit dit Woo-verzoek. Dat klopt dan toch?

Minister Letschert:
Wat ik zei, is dat er aangifte wordt gedaan als het gaat over vermoedens van strafbare feiten. U verwijst nu naar een situatie bij een instelling waarbij er een bepaalde context is geweest waardoor die antwoorden op deze manier zijn gegeven. Nogmaals, ik zou heel graag met u het gesprek willen hebben over hoe we op basis van dit hele belangrijke rapport, dat in februari met alle bestuurders in de Nederlandse hogeronderwijssector is gedeeld, in de toekomst kunnen zorgen dat we een meer uniforme aanpak hebben voor situaties waarbij we niet meer spreken van vreedzame demonstraties, maar van — deze termen zijn tijdens het debat al gebruikt — mensen die komen om te rellen, die raddraaiers zijn. Daar ligt dit rapport met hele duidelijke aanbevelingen. Ik zal als minister de gesprekken samen met de onderwijssectoren hebben om aan te geven hoe je zorgt dat er een uniforme aanpak gehanteerd gaat worden.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Dit gaat niet over context of slogans. "Het vernielen van panden of inboedel" staat letterlijk in het Woo-document; dat zijn strafbare feiten. Kunnen we er dan op z'n minst van uitgaan dat er nu beleid komt dat er gewoon altijd aangifte wordt gedaan? En kunnen we constateren dat dat in Maastricht niet is gebeurd, omdat die arme schatjes dan misschien een strafblad krijgen?

Minister Letschert:
Nogmaals, ik ga niet in op de situatie die toen in Maastricht speelde. Ik sta hier nu om de belangrijke aanbevelingen van dit rapport met u te bespreken en om ervoor te zorgen dat we die ook opvolgen. Dat zijn we de Joodse gemeenschap schuldig. Daar kunt u mij op afrekenen.

De heer Bamenga (D66):
Ik heb een vraag aan de minister, in ieder geval over haar huidige verantwoordelijkheid. De minister gaf zojuist aan dat zij in contact staat met de studenten en met medewerkers. Dat staat ook in de brief. Kan de minister wat meer vertellen over wat die gesprekken hebben opgeleverd?

Minister Letschert:
Jazeker. Ik zou die vraag graag willen beantwoorden als ik alle aanbevelingen waar de taskforce over gaat met u ga bespreken. In de beantwoording van dat blokje komt dat zeker naar voren. Misschien toch even kort. Voor een deel hebben die gesprekken het volgende opgeleverd. Als je hoort dat mensen zich niet meer veilig voelen op een universiteitscampus of op een hogeschool en niet meer hun eigen religieuze identiteit durven te uiten, raakt dat je diep in je ziel. Als er één ding is waar het hoger onderwijs voor moet staan, is het zorgen dat er geen een student is die dat moeten komen vertellen. Dat is echt iets om je diep voor te schamen. Dat is waarom ik dit rapport zo serieus neem en graag met u het gesprek aanga over hoe we ervoor zorgen dat er over een jaar niet meer zo'n taskforce-aanbeveling hoeft te liggen.

De voorzitter:
Meneer Bamenga nog? Nee. Dan de heer Boon.

De heer Boon (PVV):
Bij antisemitische demonstraties op de Universiteit Maastricht zijn gewoon panden en inboedel gesloopt. De minister zegt: dat mag, want het valt binnen de context, dus ik ga geen aangifte doen. Het mag, lieve kinderen, want anders heb je straks een strafblad en dat willen we niet! Dat werd gezegd door de minister toen ze nog bestuurder was. Kunt u ons iets meer vertellen over wat nou die context is waardoor u zegt: sloop de boel maar; we gaan geen aangifte doen? De PVV vindt dat je altijd aangifte moet doen. Kunt u nou eens echt antwoord geven op de vraag waar het over ging?

Minister Letschert:
Ik zal het wat meer generaliseren. Op het moment dat een bestuur, een decaan of een individu binnen een hogeronderwijsinstelling vermoedens heeft van strafbare feiten, hoor je daar aangifte van te doen. Op het moment dat zich een situatie voordoet dat iemand in jouw gemeenschap, of iemand van buiten, jouw pand aan het vernielen is en er een strafrechtelijk traject gaat lopen — het is uiteindelijk namelijk aan het OM om dat op te volgen — is er ook de mogelijkheid om een civielrechtelijke route te bewandelen. Ik zou elke instelling aanraden om die weg te bewandelen.

De heer Boon (PVV):
Gewoon even concluderend: u raadt elke instelling dus aan om het civielrechtelijk te doen, en niet strafrechtelijk.

Minister Letschert:
Nee, dat zeg ik niet. Op het moment dat je een strafrechtelijke procedure hebt lopen ten aanzien van personen die strafrechtelijk vervolgd zouden kunnen gaan worden voor het vernielen van je pand, is er ook een mogelijkheid om schade te verhalen via een civielrechtelijke route. Het is dan ook aan die instelling om die route te overwegen; dat is wat ik zeg.

De voorzitter:
Tot slot.

De heer Boon (PVV):
Dan heb ik nog één vraag aan de minister. U had het over de steile leercurve. Maakt daarvan onderdeel uit dat toen in dat WODC-onderzoek stond dat er geen aangifte werd gedaan om mensen niet te belasten met een strafblad? Hebt u daarvan geleerd dat u daar geen rekening mee gaat houden en dat het eventueel aan de rechter is om daar rekening mee te houden? Zegt u nu als minister tegen alle bestuurders: doe aangifte?

Minister Letschert:
Als er sprake is van vermoedens van strafbare feiten, dan is het naar mijn wetenschap zo dat de besturen aangifte doen en dat er ook mogelijkheden zijn om een civielrechtelijke procedure te volgen op het moment dat er een strafrechtelijke procedure met een veroordeling zou zijn.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De minister keek terug en gaf woorden aan de manier waarop de universiteitsbesturen hebben opgetreden na 7 oktober 2023. Dat optreden van de universiteitsbesturen, of juist het niet-optreden, heeft geleid tot ontzettend veel maatschappelijke en politieke verontwaardiging en afkeuring. Als al die commotie er nou niet was geweest, hadden deze universiteitsbesturen, de universiteiten en de colleges daaromheen dan ook de beweging gemaakt die we nu zien om de veiligheid van Joodse studenten en Joodse docenten te borgen?

Minister Letschert:
Ik denk dat het heel goed is dat er vanuit verschillende partijen in onze samenleving een oproep is gedaan aan de universiteiten en de hogescholen om samen met de lokale driehoek scherper te krijgen wanneer je de middelen die het wettelijk kader biedt wel en niet kunt toepassen. In het rapport van de taskforce ziet u ook heel duidelijk terug dat er in het begin echt nog wel verschillende verwachtingen waren over wie waar wanneer welke bevoegdheid heeft. Dat is in die afgelopen periode echt wel scherper geworden, maar we zijn er nog niet. Dat zegt dit rapport ook. In onze reactie op deze aanbevelingen hebben we met u gedeeld dat ik in betrokkenheid van de ministeries van JenV en BZK opnieuw het gesprek zal faciliteren met de lokale driehoeken, om uiteindelijk te komen tot meer landelijke uniformiteit in het handelen van instellingen en de lokale driehoeken, die we, in het jargon van een situatie waarin een demonstratie uit de hand loopt, "vierhoeken" noemen. Dat zullen wij voor de zomer gaan organiseren, zodat we wat de taskforce al heeft gedaan wat betreft het voeren van dat soort gesprekken, zo snel mogelijk op kunnen volgen met wat ik een nog scherpere analyse noem dan al in de taskforce zit. Dat is een analyse van waar het nou toch nog af en toe misgaat tussen de behoefte dat er wordt ingegrepen van besturen van onderwijsinstellingen aan de ene kant en de wettelijke kaders waarbinnen de lokale driehoek moet opereren aan de andere kant. De minister van JenV heeft net aangegeven dat hij ook op basis van het WODC-onderzoek samen met de minister van BZK verder gaat kijken naar waar het toch nog niet gaat zoals we zouden willen, ook wat betreft de botsende grondrechten. Ik sta hier namelijk ook voor het recht op onderwijs, dat soms absoluut in het geding komt bij een bezetting die langer duurt. Daar zullen wij met elkaar het gesprek over moeten voeren. Nogmaals, dat moet ook met die lokale driehoeken. Dat gaan we voor de zomer plannen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor het uitvoerige antwoord. Nog iets specifieker. De universiteitsbesturen zijn in beweging gekomen. Chapeau. Daar ben ik heel erg blij mee. Daarin heeft die maatschappelijke en politieke druk natuurlijk ook een hele stevige rol gespeeld. Mijn hele concrete vraag is eigenlijk als volgt. Als die druk er nou niet was geweest, heeft de minister dan het vertrouwen dat het morele kompas van deze bestuurders en deze universiteiten zodanig is afgesteld dat dit anders uit eigener beweging van de grond was gekomen?

Minister Letschert:
Het is moeilijk voor mij om in een soort glazen bol terug te kijken naar "als, dan". Wat ik nu weet, is dat alle hogeronderwijsinstellingen absoluut hun volledige commitment aan de aanbevelingen in dit rapport hebben gegeven. Dat uiten ze ook in de brief die ze gedeeld hebben.

De voorzitter:
Ik stel voor dat we na de heer Van den Brink verdergaan met de beantwoording van de minister, of eigenlijk daarmee beginnen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mooi dat er een leercurve is gesignaleerd, zou ik bijna zeggen. Een zijlijn daarbij is dat ik in de voorbereiding op dit debat ook verhalen heb gehoord van mensen die werken aan universiteiten, die zeggen: "Er is eigenlijk ook te weinig ruimte voor een vrij debat. Als wij echt een debat willen voeren met tegengestelde meningen, durven sommige mensen dat niet aan." Kunt u iets doen om een vrijer debatklimaat te organiseren op de universiteiten?

Minister Letschert:
Het is uiteraard aan de instellingen zelf om daar scherper op te worden. Dat hebben ze ook gedaan. Al voordat de taskforce met deze aanbevelingen kwam, is er een verklaring gekomen van de veertien rectoren van de Nederlandse universiteiten, waarin zij hebben aangegeven dat zij zich de komende periode volledig zullen gaan inzetten om precies dat beter te faciliteren. Daarbij is het in verschillende situaties namelijk niet altijd gegaan zoals dat hoort binnen een universitaire instelling. Dat betekent dat alle rectoren binnen hun eigen instelling in een bepaald traject de komende periode gaan laten zien hoe je dat met elkaar doet, onder welke condities je dat doet en met welke debatmethodes je dat doet. Dat gaat dan over allerlei onderwerpen waarvan je van tevoren weet dat de personen in de zaal het er niet over eens gaan zijn met elkaar. Dat traject is dus ingezet.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar beantwoording in het blokje hoger onderwijs en taskforce.

Minister Letschert:
Voorzitter. Ik heb heel veel al beantwoord in de interrupties die ik net heb gehad. Ik heb al aangegeven dat de ministers van JenV en BZK en ikzelf spoed gaan zetten achter het faciliteren van het gesprek met die zogeheten vierhoeken. In de brief die ik u gestuurd heb, heb ik ook aangegeven dat wij additionele middelen beschikbaar gaan stellen met als doel om de sociale veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te versterken. Daarbij wordt ondersteuning geboden aan de Joodse studenten en medewerkers, maar wordt ook de academische kennis over het Joodse leven gestimuleerd. Dat is een bottom-upinitiatief dat niet ontstaan is vanuit het ministerie, maar vanuit de Joodse gemeenschap zelf, in het bijzonder vanuit een Joodse studentenorganisatie. Die hebben nu de middelen ter beschikking en kunnen die ook op die manier gaan inzetten.

Ten tweede wil ik aangeven dat er op zeer korte termijn handreikingen komen voor de problemen die we volgens het taskforcerapport zien in het herkennen van en omgaan met antisemitisme door vertrouwenspersonen. Ook zullen er voor de zomer handreikingen volgen voor docenten en leidinggevenden. Deze handreikingen worden wederom niet top-down door een ministerie gemaakt, maar in samenspraak met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding en met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap. Nogmaals, deze twee handreikingen zullen voor de zomer volgen.

Ten vierde. In overleg met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding hebben we gezegd dat we in het voorjaar van 2027 ook een zogeheten miniconferentie gaan organiseren, waar we met elkaar gaan bespreken waar we staan met de opvolging van de aanbevelingen. Dat ga ik niet een jaar laten liggen. Dat onderwerp gaan we ook tussentijds in de gesprekken met de instellingen continu op de agenda zetten. Zoals ik al zei, gaan we voor de zomer vierhoekgesprekken organiseren, maar we willen ook over een jaar heel scherp met elkaar kijken waar we nu staan en of we aan het doen zijn wat hier wordt aanbevolen.

Dan misschien als laatste, meneer de voorzitter. We hebben in de brief ook een aantal concrete acties genoemd die gaan over het optreden van vertrouwenspersonen bij het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daar komt uiteindelijk die handreiking ook bij. In de aanbevelingen van de taskforce zie je dat er ook een dilemma is met betrekking tot de onbekendheid met de meld- en klachtstructuren binnen de individuele instellingen. Dat verklaart ook waarom de taskforce zegt dat er eigenlijk maar weinig meldingen zijn. Dat wil niet zeggen dat de signalen er niet zijn. Het wil alleen zeggen dat onze Joodse studenten deze routes niet weten te vinden. Ook hier zullen wij extra aandacht op zetten. De instellingen hebben ook aangegeven dat ze hier volle kracht achter gaan staan.

Meneer de voorzitter. Dan kom ik bij het derde punt: het verbeteren van interventies bij overtreding van de huisregels. Ook hierover zullen wij met de instellingen het gesprek aangaan. De Nationaal Coördinator heeft al aangeboden om de instellingen te voorzien van ondersteuning en advies, in het bijzonder bij de implementatie van deze aanbevelingen.

Meneer de voorzitter. Dan geef ik heel kort antwoord op de vraag van mevrouw Bromet wat de doelstellingen zijn vanuit het ministerie. De doelstelling is vooral om toe te zien op de naleving van al die aanbevelingen van de taskforce. Nogmaals, die gaan deels over hoe je omgaat met demonstraties die uit de hand lopen, maar ook over het bevorderen van de sociale veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. Dat zit 'm veel meer in klachtenprocedures, het trainen van vertrouwenspersonen en het stimuleren van mogelijkheden om het Joodse leven ook op de campussen veel meer zichtbaar te maken, onder andere door middel van een financiële subsidie. Al die activiteiten gaan de komende periode starten.

Dan heb ik nog de vraag wat we doen als bestuurders niet ingrijpen maar wegkijken op het moment dat je te maken hebt met demonstraties die geen demonstraties meer zijn. Ik heb het over vreedzame demonstraties die dus ontaarden in rellen binnen de onderwijsinstellingen. Ik heb net aangegeven dat alle universiteitsbestuurders en hogeschoolbestuurders, zoals zij ook in hun eigen brief aangeven, de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers ten volle voelen en dragen. De oproep om moed te tonen en achter de Joodse gemeenschap te staan, wordt ten volle ondersteund. Zij doen dit vaak in een complexe context, in samenwerking met de lokale driehoek, zoals ik al heb geschetst. Volgens mij heb ik daar al voldoende woorden aan gewijd.

Wat gaan we doen vanuit het ministerie als we denken dat de veiligheid niet op orde is? Ook hierbij is sprake van een soort interventie- of escalatieladder. Allereerst is de raad van toezicht uiteraard aan zet, als de werkgever, de toezichthouder en ook wel de kritische vriend van het college van bestuur. Vanuit die verantwoordelijkheid moet de raad van toezicht optreden in de situaties waarin het CvB stelselmatig de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving niet naar behoren heeft ingevuld. Indien nodig kan de minister het gesprek aangaan met de raad van toezicht om zich ervan te verzekeren dat de raad van toezicht die verantwoordelijkheid neemt. Op andere onderwerpen is dat in het recente verleden ook gebeurd.

Dan over het laatste escalatie-instrument in mijn gereedschapskist. Als de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek tot de conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de WHW — dan hebben we het echt over het ernstig verwaarlozen van de sociale veiligheid — kan het uiteindelijk leiden tot het geven van een aanwijzing aan de rvt om in te grijpen. Die verantwoordelijkheid ligt bij het ministerie. Maar nogmaals, dat geldt alleen als de Inspectie van het Onderwijs heeft aangetoond, na gedegen onderzoek, dat er sprake is van wanbeheer. Dan hebben we het niet over de situatie waarin er bijvoorbeeld één demonstratie uit de hand is gelopen. Er moet er echt sprake zijn van iets stelselmatigs, van een patroon.

Meneer de voorzitter. Wat doen we als de studenten en de medewerkers zich niet aan de huisregels houden die de instellingen zelf in overleg met hun lokale medezeggenschap hebben gemaakt? Het antwoord daarop is als volgt. Op basis van de WHW kunnen instellingen maatregelen nemen tegen studenten, waaronder bijvoorbeeld het tijdelijk of definitief ontzeggen van toegang tot de instelling of, in het uiterste geval, beëindiging van de gehele inschrijving. Als medewerkers de huisregels overtreden, kan de instelling de medewerker uiteraard aanspreken of berispen en, in het uiterste geval, overgaan tot ontslag en/of aangifte doen. De proportionaliteit van de maatregelen die daarbij horen, hangt uiteraard af van de aard en de ernst van de situatie. Dit beoordeelt de instelling als werkgever. Vaak zijn instellingen huiverig om volledige dossiers op tafel te leggen, met de media te delen of met de Kamer te delen, omdat er op dat moment nog allerlei arbeidsrechtelijke procedures kunnen lopen die een hoge mate van vertrouwelijkheid kennen. Heel vaak weten wij dus niet — dat hoort namelijk bij de bevoegdheid van de instellingen — welke stappen zij nemen om zowel studenten als medewerkers die huisregels overtreden, te berispen of mogelijkerwijs uiteindelijk te ontslaan.

Volgens mij heeft mijn collega de vraag over de studentenvisa al beantwoord. Ik heb de vraag van mevrouw Nanninga over de 350.000 net ook al beantwoord. Dan ga ik snel naar dit blokje. Ik moet nu haasten, hè? Ik zie het! Er zijn nog twee vragen in het blokje hoger onderwijs.

Eén vraag ging over de ondermijnende werking als het gaat om het geven van eredoctoraten aan personen aan wie die volgens het Kamerlid niet zouden moeten worden gegeven. Laat ik allereerst vooropstellen dat het aan universiteiten en hogescholen is om eredoctoraren uit te delen, gestoeld op wetenschappelijke of maatschappelijke verdiensten. Daar gaat een minister niet over. Verder lijkt het me ook niet aan mij om op verdere casuïstiek in te gaan. Uiteraard geldt ook hier weer dat universiteiten plekken horen te zijn waar ruimte is voor verschillende perspectieven, nogmaals, zolang je je houdt aan de academische waarden en normen.

Dan heb ik nog een laatste vraag in het blokje hoger onderwijs, over de samenwerking tussen universiteiten, het ministerie van Volksgezondheid in Iran of universiteiten in Iran. Ook hier hebben instellingen de verantwoordelijkheid voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Zij hebben ook de vrijheid om te bepalen of die samenwerkingen mogelijkerwijs kunnen verschuiven door geopolitieke verschuivingen. Daarbij zullen zij geen oordeel geven over wat een bepaald land of regime wel of niet goed zou doen; daar gaan universiteiten niet over. Zij gaan alleen over met welke instellingen zij wel of niet willen samenwerken. Dat is aan de universiteiten.

De heer Boon (PVV):
Ik wil de minister nog een vraag stellen over de leercurve wat betreft de sociale veiligheid. Ik heb laatst een bericht gelezen over de UvA. Daar is geen onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid over het jaar 2023-2024, omdat dat ongewenste of niet goed vergelijkbare uitkomsten zou geven. Zegt u nu, als minister: ik vind dat dit ieder jaar moet worden gedaan, ook als er in dat jaar veel onrust is geweest, zodat we echt in beeld krijgen wat er speelt, in plaats van dat niet te doen om een onwelgevallig beeld uit beeld te houden?

Minister Letschert:
Ik vind dat onderwijsinstellingen altijd onderzoek moeten doen naar de mate van sociale veiligheid binnen hun instelling. Dat deze specifieke universiteit vanwege methodologische overwegingen, begrijp ik uit uw vraag, daar nu een andere keuze in heeft gemaakt, is aan die instelling. Tegelijkertijd is het ook aan die instelling om dan op andere manieren te laten zien hoe het met de sociale veiligheid is gesteld. Ik weet voor deze specifieke casus niet wat de reden was voor deze instelling om een ander type monitor uit te voeren. Die was misschien meer kwalitatief. Dat zou ik voor u moeten navragen.

De heer Boon (PVV):
Ik ben blij als u dat voor mij zou willen navragen. Ik begrijp dat ze het gewoon niet hebben gedaan, omdat ze het geen goed beeld vonden en dat niet bij de andere jaren zou passen. Dat vind ik een heel andere reden dan het op een andere manier willen weergeven. Wat gaat de minister doen als een school zegt: we gaan het gewoon niet doen, omdat we het beeld niet willen weergeven?

Minister Letschert:
We hebben een vrij uitvoerig bestuurlijk netwerk, zowel vanuit het ministerie als vanuit alle medewerkers op de universiteiten, dat verantwoordelijk is voor sociale veiligheid en integrale veiligheid. Zij hebben gezamenlijk gewerkt aan een leidraad en zijn op dit moment met elkaar in gesprek over mogelijke andere stappen die moeten worden genomen om de sociale veiligheid aan de hogeronderwijsinstellingen nog meer inzichtelijk te maken dan die al is. Dat kan mogelijkerwijs ook leiden tot verankering in wetgeving rondom zorgplichten. Die gesprekken lopen op dit moment, as we speak. Ik kom hier graag op een later moment bij u op terug.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Doelde de minister op het NJSO, het Nederlands-Joods Studenten Overleg, toen zij het had over een Joodse studentenorganisatie die bevoegdheden zou hebben?

Minister Letschert:
Nee, het gaat om IJAR, de Joodse studentenorganisaties die samen met meerdere vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap bij mij op bezoek zijn geweest om te vragen of zij een incidentele subsidie konden krijgen om activiteiten te ontplooien. Die zijn de afgelopen tijd voor een deel al ontwikkeld, maar die zijn allemaal om niet ontwikkeld. Dat is waarom wij gezamenlijk gezegd hebben: laten we de activiteiten die zowel vanuit IJAR als door onze studentenrabbijn zijn ontwikkeld, ondersteunen. Laten we kijken of ze die met elkaar kunnen uitwerken in plaats van dit top-down, vanuit het ministerie of met het nationaal plan, te doen.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Dit is mijn laatste punt. Zou de minister eens kunnen reflecteren op hoe het toch kan dat er in universiteiten hele safe spaces worden opgetuigd, dat iemand misgenderen daar zowat een halsmisdrijf is, dat een fout grapje je je baan kan kosten en dat alles en iedereen een microagressie is, maar dat daar ook gewoon mensen rondlopen die openlijk 7 oktober vieren? Dan heb ik het over het personeel, hè? Ik begin nog niet eens over de medestudenten. Hoe verklaart de minister nou zo'n discrepantie? Hoe verklaart ze dat er onderwijzend personeel rondloopt dat 7 oktober viert, terwijl alles bij die universiteiten in het teken staat van sociale veiligheid en juist heel normale dingen sociaal gezien niet meer mogen? Hoe kan het dat mensen daar maandenlang mee wegkomen?

Minister Letschert:
Volgens mij is het heel belangrijk dat de onderwijsinstellingen op basis van de aanbevelingen die in dit rapport staan ook met elkaar het gesprek gaan voeren over de volgende vragen. Hoe zorgen we er nou voor dat je ruimte geeft aan de Joodse identiteit en aan het Joodse leven dat iemand ook in zijn onderwijsomgeving wil laten zien? Hoe zorg je ervoor dat je dat faciliteert, dat je dat mogelijk maakt? We hebben net een discussie gehad over de mogelijkheden om debatten te voeren, om Joodse sprekers een plek te geven op de universiteit. Zij hebben een hele belangrijke taak. Onder andere de handreiking die er komt voor docenten gaat daar een rol in spelen, maar het is uiteindelijk ook echt aan de instellingen zelf om serieus het gesprek te voeren over alle aanbevelingen. Dan heb ik het niet alleen over de aanbevelingen, maar ook over de verhalen van de individuele studenten die illustratief in dit rapport zijn opgenomen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De taskforce zegt ook heel duidelijk dat de individuele onderwijsinstellingen primair verantwoordelijk zijn, zeker daar waar protestacties of onveilige situaties plaatsvinden. Er wordt geadviseerd om met urgentie een complete aanpak te maken. Mijn vraag aan de minister is: wie gaat ze achter de broek zitten om ervoor te zorgen dat dit daadwerkelijk gebeurt? Moet meneer Jaap Smit op enig moment weer als terriër in de broekspijpen gaan hangen van iedere hogeronderwijsbestuurder, of is dat aan de minister? Op welke manier kunnen we dat volgen?

Minister Letschert:
De heer Smit kennende, gaat hij dat zeker doen. Maar uiteindelijk ben ik uiteraard verantwoordelijk; hij is inmiddels vertrokken. De taskforce roept de minister op om een faciliterende rol te spelen. Ik kan alleen faciliteren en denken "ik laat het maar een beetje gaan", maar dat ga ik niet doen. Wij zullen gedrieën spoed zetten ten aanzien van de dilemma's en de verschillen die we soms nog steeds zien als het gaat om de aanpak rond het stopzetten van bezettingen of demonstraties die niet meer kunnen worden gekenschetst als vreedzaam.

Als u het taskforcerapport voor u heeft — ik noem het even — dan kunt u zien dat we een belangrijke aanbeveling hebben gekregen. Die gaat ook deels in op de vraag die mevrouw Keijzer al een paar keer aan mij gesteld heeft: hoe zorg je er nou voor dat je als onderwijsinstelling meer grip krijgt op wat er binnen de grenzen van jouw gebouw gebeurt? De taskforce zegt: onderzoek of je als onderwijsinstelling binnen de grenzen van het geldende demonstratierecht — de vraag over die grenzen en wat daar eventueel voor nodig is, gaat mijn collega van JenV in zijn eigen onderzoek ter hand nemen — bijvoorbeeld vaste demonstratieplekken kunt aanwijzen, waar demonstraties zichtbaar en veilig kunnen worden gehouden. Je ziet nu dat demonstraties soms in gebieden worden georganiseerd waar bijvoorbeeld hele kwetsbare onderzoeksfaciliteiten aanwezig zijn. Dat is natuurlijk onacceptabel. Hoe zorg je nou als onderwijsinstelling dat je daar ook grip op kunt krijgen? Is dat bijvoorbeeld door middel van toegangscontroles of zonering op locaties? Ook dat deel van de aanbeveling ga ik met de instellingen bespreken.

De voorzitter:
Niet alleen de vragen mogen kort en beknopt, maar ook de antwoorden.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor het zeer volledige antwoord, zeg ik dan maar. Daar ga ik dan toch op door. Ik verwacht echt dat dat met urgentie gebeurt, want dit rapport hebben we ook in februari gekregen. Ik kan me dus in ieder geval voorstellen dat als het nieuwe seizoen begint, dit soort dingen panklaar liggen. Ook kan ik me voorstellen dat als we ertegen aanlopen dat mensen van buiten zich aansluiten bij de demonstratie we dan niet meer in de grijze schemerzone zitten, maar dat iemand gewoon van de campus af gegooid kan worden. Is de minister dat met mij eens? Gaat dat soort helderheid er dan ook zijn?

Minister Letschert:
Dat is een ingewikkelde vraag, want dan zou je dus als universiteitsbestuurder dat ter plekke al moeten weten. Op het moment dat die bestuurder zegt "wij hebben het niet meer onder controle en krijgen het niet zelf stopgezet" draagt die de situatie over aan de lokale driehoek. Het lokale gezag neemt het dan over. Ik kan nu wel heel stoer toezeggen dat iemand die niet op die campus hoort dan verwijderd wordt, maar ik vind dit een te contextspecifieke vraag om daar nu van te zeggen dat dit per definitie gaat gebeuren. De gesprekken die wij voor de zomer gaan voeren met die lokale driehoeken — nogmaals, dat doen we samen met de minister van BZK en de minister van JenV — moeten ook wel antwoorden op gaan leveren. Wat doe je dan als lokale driehoek om ervoor te zorgen dat die onderwijsinstelling het werk kan doen waar een onderwijsinstelling voor aan de lat staat?

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zeker, maar het rapport van de taskforce is vrij helder. Die noemen de mogelijkheden voor toegangscontrole of zonering. Als wij dat vervolgens vaag laten, omdat het moeilijk is — dat verwijt ik niet de minister, maar dat kan wel in het gesprek gebeuren als de driehoek naar de universiteit, naar de hogeschool wijst en zo pingpongen we weer door — dan zijn we weer in november. Daar heb ik niet zo'n behoefte aan, want de urgentie spat echt van het rapport af. Dus ik zou de minister echt willen vragen om daar op tijd op terug te komen bij de Kamer. Mochten er extra dingen nodig zijn — de minister ervaart volgens mij ook de steun van de Kamer — dan zijn extra maatregelen altijd mogelijk. Ik vraag haar ook om er op enig moment op terug te komen of het zo ook echt werkt en lukt.

Minister Letschert:
Ik heb al toegezegd dat we uiteraard ook met mijn collega's die gaan over hoever je moet willen gaan volgend jaar samen met de Nationaal Coördinator de implementatie van de aanbevelingen met elkaar gaan bespreken. Dan is er dus al een monitoringscyclus geweest. Specifiek over deze aanbeveling rondom de zonering en de toegangscontroles, ga ik gesprekken hebben met de instellingen en of kunt gaan als het over het demonstratierecht gaat. Daar komen wij zo snel als kan op terug. Dit was natuurlijk februari; u vindt dat lang. Nou, het is nu april. Ik denk dat er al veel gebeurd is in alle gesprekken, die ik zelf heb gevoerd met de vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, studenten en medewerkers, ook om bij hen te polsen "is dit waar jullie je in herkennen?", en met de bestuurlijke lagen. Nu pakken wij door.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
De minister verwijst stevig naar de eigen verantwoordelijkheid van instellingen. In dat licht maakte ze ook een opmerking over de vragen die ik stelde over een eredoctoraat voor Francesca Albanese. Dat is hún verantwoordelijkheid, zegt de minister. Dat is correct als het gaat over de verdeling van bevoegdheden, maar mijn achterliggende punt was natuurlijk: als een universiteit zo duidelijk activistisch partij kiest voor zo'n omstreden figuur, die antisemitische uitlatingen heeft gedaan en de Joodse premier heeft vergeleken met Hitler, hoe kun je dan ooit verwachten dat Joodse studenten dan wel docenten zich veilig voelen op zo'n universiteit?

Minister Letschert:
Volgens mij is het zaak dat onderwijsinstellingen met elkaar, met hun eigen gemeenschap, gesprekken gaan voeren. Dat leidt uiteindelijk tot een gesprek over hoe zij keuzes maken, ook als het gaat over toekenningen van eredoctoraten en hoe kwetsend die kunnen zijn voor de ene of andere groep of gemeenschap binnen hun eigen gemeenschap. Het is niet aan de minister om daar nou hier uitspraken over te doen. De rectoren hebben gezegd dat ze zich daarvoor inzetten. Ook als het gaat over je verdiepen in de belevingswereld van de ander en over het met elkaar nog dieper van gedachten wisselen over wat het doet, zowel de leuzen als de slogans als de toekenningen van eredoctoraten — nogmaals, me helemaal niet over deze persoon uitend — dan vind ik dat echt iets voor die instellingen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Duidelijk. Dit onderstreept alleen maar wat mijn collega net ook zei. Ik hoop dat daar heel goed zicht op is en dat we er ook van op de hoogte worden gesteld of die aanbevelingen inderdaad goed worden opgevolgd, en, zo niet, dat we het ook aandurven om daar inderdaad consequenties aan te verbinden.

De voorzitter:
Er is nog een interruptie van mevrouw Keijzer en dan vervolgt de minister haar beantwoording over het funderend onderwijs.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik zit nu zo eens een tijdje naar de minister te luisteren. Onze rapporten, onze processen en wat je dan wel en niet op welk moment doet, zijn allemaal voortreffelijk. De vraag hier is echter: wanneer ga je dat doen? Dit betreft dus eigenlijk die aanbeveling van het rapport waarin staat: ga voor morele grenzen staan. Zo'n morele grens is bijvoorbeeld de volgende kwestie. Werk je niet samen met Israëlische universiteiten en werk je wel samen met een universiteit uit Teheran? Is dat zo'n grens waarvan de minister zegt: nou, nee, dat kan eigenlijk niet?

Minister Letschert:
Het is aan de onderwijsinstellingen om naleving van deze aanbevelingen binnen hun eigen gemeenschap op de agenda te zetten, serieus te nemen en op te volgen. Het is ook aan de onderwijsinstellingen om in de gesprekken die ze hebben met hun medezeggenschap en met hun gemeenschap de discussie te voeren over samenwerkingen met andere instellingen. Het is niet aan de minister om hier nou uitspraken over te doen.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Daar komt de minister gewoon niet mee weg. Als zij zegt dat dit chefsache is en als zij zegt dat zij zich dit aantrekt en dat ze hier bovenop gaat zitten, dan zal ze zich dus op een gegeven moment ook uit moeten spreken. Dan bestaat het niet dat je wel ruimte geeft aan iemand die pro Palestina wil spreken, maar geen ruimte geeft aan iemand die pro Israël wil gaan spreken.

Minister Letschert:
Als een instelling een discriminatoir beleid zou hebben door alleen maar bepaalde groepen, nationaliteiten of landen uit te sluiten en daarbij geen diversiteit toepast in een breder kader dat geldt voor afwegingen die instellingen maken over samenwerking en over sprekers, dan ga ik zeker met zo'n instelling het gesprek aan. Maar dat is niet mijn beeld. U vraagt mij nou een reactie te geven op een specifieke situatie, maar instellingen hebben kaders ontwikkeld die bijvoorbeeld toezien op welke samenwerkingen je wel of niet wilt; die gaan niet over één land specifiek.

De voorzitter:
Afrondend.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De praktijk ziet er toch echt héél anders uit. Dat weet deze minister; dat weet deze minister. Het is dus eigenlijk vrij simpel. Vind je het prima dat elke keer het resultaat is dat een Israëlische wetenschapper of student niet de ruimte krijgt en dat je wel samenwerkt met iemand uit — moet je nagaan — Teheran? Daar worden zo'n beetje elke dag jonge mensen opgehangen omdat ze gedemonstreerd hebben. Trekt de minister hier een duidelijke grens en zegt ze "nee, dat kan niet", of blijft het bij dat relativisme dat ik wel vaker in dit soort hoogopgeleide kringen aantref? Trekt de minister een grens? Gaat ze dat doen?

Minister Letschert:
Ik herken niet het beeld van mevrouw Keijzer dat het op de manier gaat zoals u hier neerlegt. Ik ben uiteraard, als het gaat over grenzen … Als ik zou zien dat instellingen op een discriminerende manier hun kaders toepassen, dan hebben we een gesprek. De situatie die u hier schetst, namelijk dat er altijd alleen maar Israëlische of Joodse sprekers worden geweerd, is niet een beeld waar ik me in herken. Ik heb daar ook geen feitenanalyse onder liggen.

De heer Ellian (VVD):
Sorry, voorzitter. Ik zie u kijken, maar ik moet dit wel doen. Ik zit te luisteren en ik moet eerlijk zeggen dat ik me wel enigszins moet beheersen. Dat ga ik ook doen. Het gaat hier over de universiteit van Teheran, medical sciences. Die betreffende samenwerking is niet opgezegd na de demonstraties van "Women, Life, Freedom" in 2022.

De voorzitter:
Uw vraag.

De heer Ellian (VVD):
Het is voor mij zeer persoonlijk, voorzitter, zéér persoonlijk. Je kunt niet als kabinet zeggen "wij staan achter de dappere jongens en meisjes in Iran" en dan hier vervolgens in een debat op een eenvoudige vraag van mevrouw Keijzer of u zo'n samenwerking afkeurt, zeggen "ja, dat is aan de instellingen zelf", terwijl ondertussen Israëlische universiteiten worden geboycot.

Minister Letschert:
Ik verwacht van de onderwijsinstellingen die toetsingskaders hebben ontwikkeld die van recenter datum zijn dan de datum die u nu neerlegt, dat zij die toetsingskaders toepassen op alle samenwerkingen die zij hebben buiten Nederland. Dat is immers waar die toetsingskaders voor zijn. Dat verwacht ik dus ook van de specifieke samenwerking waar u naar verwijst. Of dat gebeurt, is aan het betreffende bestuur.

De voorzitter:
De minister vervolgt haar beantwoording met funderend onderwijs, want we zijn op een vierde van de beantwoording. U heeft nog een tweede termijn, er kunnen nog moties worden ingediend, u kunt nog interrumperen in de tweede termijn. Ik stel dus echt voor dat de minister haar beantwoording voortzet. Minister, u vervolgt uw beantwoording.

Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Dan ga ik verder met het funderend onderwijs. Daarbij hebben we iets minder vragen dan bij het hoger onderwijs.

Ik reageer als eerste op de vraag van mevrouw Bikker en de heer Struijs over het steviger verankeren van ons Holocaustonderwijs en om bezoeken aan herdenkingsinstellingen zoals het Holocaustmuseum te stimuleren. Allereerst is, zoals de Kamer weet, Holocausteducatie een verplicht onderdeel van het curriculum. Ook in het nieuwe curriculum is dat stevig verankerd. Het is ook aan de Inspectie van het Onderwijs om daarop toe te zien. Op dit moment hebben wij geen signalen dat scholen zich hier niet aan houden, maar dat wil niet zeggen dat die signalen er niet zijn. Wat wij namelijk gemerkt hebben, is dat het ook voor scholen duidelijk moet zijn dat zowel de ouders als de leerlingen op die scholen hier melding van kunnen maken. Wat gaan wij actiever doen? Dit is anders natuurlijk een antwoord waar u niet zo veel mee kan. Wij zullen bij de ondersteuning van aanvullende activiteiten zorgen dat scholen ook activiteiten kunnen kiezen die aansluiten bij hun context. Zo stimuleren we dat scholen om bezoeken te brengen aan bijvoorbeeld herdenkingsinstellingen, waaronder bijvoorbeeld het Holocaustmuseum, hierbij gebruik kunnen maken van de CJP-regeling. Daar worden ook additionele middelen voor beschikbaar gesteld van €750.000. Als laatste wil ik toevoegen dat mede naar aanleiding van de motie-Stoffer over het actief aandacht besteden aan antisemitisme in onderzoek van de inspectie de inspectie ook actief gesprekken gaat voeren met onderwijsprofessionals en sectorraden over antisemitisme en andere vormen van onverdraagzaamheid. Zoals ik net zei, wil het feit dat er nu geen signalen liggen bij de inspectie, namelijk niet zeggen dat ze er niet zijn. Dus heeft de inspectie gezegd: wij gaan in de uitvoering van de motie-Stoffer actief aandacht daaraan besteden en ook met de onderwijsprofessionals en sectorraden in gesprek.

Ik heb er nog een paar, voorzitter, maar ik zie dat er interrupties zijn.

De voorzitter:
Ja, gaat uw gang.

Minister Letschert:
Moet ik doorgaan?

De voorzitter:
Ja, gaat uw gang.

Minister Letschert:
Dan had ik een vraag van mevrouw Bromet over de doelen van de minister van OCW, maar eigenlijk breder: hoe ga je om met het bereiken van jouw doelen als het gaat over preventie op scholen, sportvelden en internetfora? Over internetfora is al het een en ander gezegd door mijn collega van JenV. De sportvelden ga ik meenemen in mijn beantwoording. Allereerst is wettelijk vastgelegd in de burgerschapsopdracht van de scholen in het funderend onderwijs dat zij aandacht moeten besteden aan antisemitisme en aan godsdienst in bredere zin. Vanuit VWS lopen verschillende projecten om discriminatie en racisme tegen te gaan, zoals OVIVI, Ons Voetbal Is Van Iedereen, en OCIVI, Onze club is van iedereen. Uiteraard kan de minister van VWS daar nog veel meer over vertellen dan wat ik hier nu vanavond over vertel.

Als laatste de vraag over het Nationaal Plan Joods Leven. Daar heeft mijn collega volgens mij al het een en ander over gezegd. Dat plan heeft twee pijlers: het versterken van het Joodse leven en het zichtbaar en bekend maken van Joods leven. Uiteraard is educatie over het Joodse leven hier een heel belangrijk onderdeel van. Dat gaat in de nadere uitwerking met de onderwijsprofessionals, de Joodse gemeenschap en de onderwijsraden plaatsvinden.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Misschien is dit meer een suggestie, want het gaat over Holocaustonderwijs. In een heleboel steden en dorpen in Nederland zijn struikelstenen geplaatst. Ik kan me voorstellen dat het bezoeken van zo'n struikelsteen net zoveel impact kan hebben als een hele lange reis naar het Holocaustmuseum in Amsterdam, omdat het je eigen omgeving is en omdat dat voor kinderen misschien ook heel erg invoelbaar is.

Minister Letschert:
Absoluut. Het is aan de instellingen zelf om de keuze te maken waar ze naartoe gaan. Dat kan naar het Nationaal Monument Kamp Vught zijn, dat kan naar Westerbork zijn, dat kan naar het Holocaustmuseum zijn of dat kan bijvoorbeeld iets zijn zoals u zelf noemt.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik mis nog een antwoord op mijn …

Minister Letschert:
Ik was nog niet klaar.

Mevrouw Nanninga (JA21):
O, ik dacht dat u klaar was met het funderend onderwijs.

De voorzitter:
Dat dacht ik ook.

Minister Letschert:
Nee, maar iedereen is zo aan het interrumperen.

De voorzitter:
Nee, u zei tegen mij dat u klaar was, minister.

Minister Letschert:
O, nee, excuses. Ik heb nog een vraag over de stichting Na de Oorlog en de reden voor het schrappen van de subsidie.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Daar wilde ik net naar vragen. Dan ga ik weer zitten.

Minister Letschert:
Ik heb die vraag nog en misschien nog de vraag over mensenrechten in het curriculum. Excuses; er waren zo veel vragen.

Waarom is de subsidie voor het succesvolle lesprogramma Na de Oorlog geschrapt? Ik gaf zojuist aan dat scholen via de Cultuurkaartmiddelen extra middelen voor Holocausteducatie kunnen inzetten, waarmee ze dus zelf dat passende aanbod kunnen kiezen. Met die extra Cultuurkaartmiddelen kunnen scholen ook kiezen voor gastlessen van de stichting Na de Oorlog. De financiering van die herinneringsinstellingen valt onder de verantwoordelijkheid van mijn collega bij VWS. Voor de inzet van de specifieke ondersteuning op het gebied van Holocausteducatie benut ook OCW, mijn eigen ministerie, de expertise van de stichting Na de Oorlog. Die wordt nu incidenteel gefinancierd vanuit het amendement-Ceder. Dat loopt tot maart 2027. Structurele financiering vanuit OCW is ingewikkelder. Nogmaals, de scholen kiezen zelf het onderwijsaanbod dat aansluit bij hun schooleigen context. Het is ook niet aan de overheid om één partij structureel te financieren. Nogmaals, er is een heel palet aan partijen die de instellingen onderwijsaanbod aanbieden. Dat is dus het antwoord op die vraag.

Mijn allerlaatste antwoord gaat over de mensenrechten in het curriculum: op welke manier geven wij vorm aan de aanbeveling van Amnesty om het mensenrechtenonderwijs een vast deel te laten zijn van het curriculum, waarbij dan ook het tegengaan van antisemitisme hoort? Nogmaals, de scholen zijn verplicht om via die burgerschapsopdracht onderwijs te geven, ook met betrekking tot respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat die direct gekoppeld zijn aan mensenrechten. In de nieuwe kerndoelen voor burgerschap wordt dit nog eens expliciet gemaakt. Daar staat letterlijk: "Mensenrechten komen terug in het domein Samenleven in een democratische rechtsstaat".

Daarmee heb ik het funderend onderwijs gehad, maar nog niet tot tevredenheid.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb nog twee vragen. Hoorde ik de minister nou zonet heel duidelijk zeggen dat er geen signalen zijn dat het Holocaustonderwijs niet meer gegeven wordt?

Minister Letschert:
Nee, u hoort mij zeggen dat er bij mijn weten, dus zoals ik het heb meegekregen, bij de Onderwijsinspectie geen signalen zijn binnengekomen dat scholen zich er niet aan houden. Ik heb daarbij ook meteen gezegd dat dat niet wil zeggen dat we die signalen vandaag niet terugkrijgen in de interventies. Bij de inspectie zijn ze niet binnengekomen, maar dat is natuurlijk niet tevredenstellend. Dan zou je namelijk kunnen denken: dan wachten we tot de inspectie die signalen allemaal krijgt. Daarom hebben we ook gezegd dat de inspectie met de onderwijsprofessionals en de sectorraden gesprekken moet gaan voeren over antisemitisme en andere vormen van onverdraagzaamheid, wat scholen daaraan doen en welke impact dit heeft op het aanbod van thema's, waaronder Holocausteducatie.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, dan verdwijnt het weer in de brij. Ik zou tegen de minister willen zeggen: doe een enquête onder de leraren.

Ik wil ook nog even terug naar het andere onderwerp. Het ging zonet over samenwerking met Israëlische universiteiten. Begrijp ik nou goed dat de minister het volgende zegt? Dat is namelijk wel een beetje wat ik hoor. Ze was onderdeel van het ontstaan van dit klimaat op universiteiten toen ze nog in Maastricht zat, vervolgens zat ze in de taskforce, vervolgens lag er een fantastisch rapport en vanaf nu gaat ze een morele grens trekken door tegen universiteiten te zeggen: het bestaat niet dat je niet samenwerkt met Israëlische universiteiten of wetenschappers omdát het Israëli's zijn. Is dat wat de minister gaat doen?

Minister Letschert:
Ik denk dat ik uw vraag niet helemaal begrijp, maar laat ik hem als volgt beantwoorden. Instellingen hebben in de afgelopen jaren toetsingskaders ontwikkeld waarmee ze samenwerkingen met collega-instellingen in andere landen toetsen. Die hebben ze vastgesteld in overleg met hun medezeggenschap. Die toetsingskaders zijn van toepassing op alle samenwerkingen die instellingen hebben in het buitenland, dus met Israël, met Iran, met Turkije, met België en ga zo maar door. De toepassing en de totstandkoming van die toetsingskaders ligt binnen de bevoegdheid van de instellingen. Als ik signalen krijg dat die discriminerend worden toegepast, en altijd alleen maar op één specifiek land, ga ik zeker het gesprek aan met de instellingen. Dat is wat ik zei.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou, dat is fantastisch, want dan kan er niets anders uit komen dan dat het discriminerend optreden is. Het bestaat namelijk niet dat je Joodse studenten weigert, dat je Israëlische wetenschappers weigert en dat je samenwerking met universiteiten uit Israël weigert, maar vervolgens wel dikke zaken blijft doen met die uit Teheran. Ik ben dus blij als deze minister hiertegen gaat optreden. Het is laat, maar ik tel mijn zegeningen en ik ben blij als ze dat gaat doen. Maar ik ga haar daarin wel volgen.

Minister Letschert:
Ik verwacht zeker dat mevrouw Keijzer mij daarin gaat volgen.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik zou zo heel graag een toezegging willen voor een structurele bijdrage aan stichting Na de Oorlog. Het gaat om relatief weinig geld en de stichting geeft zelf aan dat zij helemaal geen werk tekortkomt. Ze hebben mensen die zich aanmelden als spreker en die getraind moeten worden. Ook zijn er heel veel aanvragen; het zijn er meer dan ze aankunnen. Het is dus niet zo dat er geen vraag naar is. Als je de stichting structureel financiert, dwing je scholen niet per se om het af te nemen, maar er is echt genoeg werk te doen. Er is alleen geen geld voor. Het gaat om een relatief klein bedrag.

Minister Letschert:
Zoals ik net zei: ik vind het werk van de stichting prachtig, maar ik vind het ingewikkeld dat er zo veel verschillende partijen zijn die een rol spelen in het bieden van Holocausteducatie aan Nederlandse onderwijsinstellingen. Op het moment dat ik een toezegging doe aan de één om dat structureel te maken, dan is dat een precedent om dat voor heel veel andere partijen ook te doen. Daar zit mijn terughoudendheid.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Dat begrijp ik, maar er is echt ontzettend veel vraag naar. We zitten niet met z'n allen iets in de lucht te houden omdat we het een gezellig clubje vinden. Er is grote behoefte aan. En wat er in de samenleving gebeurt, bewijst ook wel dat er nog steeds grote behoefte is aan verhalen van nabestaanden en overlevenden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zit nou een tijdje te luisteren en ik hoor ontzettend veel mitsen, maren en haakjes. Ik denk bij mezelf: zouden Joden morgen allemaal hun keppeltje opzetten, de straat opgaan en "zo, eindelijk!" denken? Ik denk het niet eerlijk gezegd, want er wordt toch te veel omheen gepraat. Er wordt met vingers gewezen: die moet dat doen, die moet zus doen, die moet zo doen. Holocausteducatie vindt plaats binnen samenleven in een democratische rechtsstaat.

De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, voorzitter, maar ik wil terugkomen op mijn inbreng. Wat hier in Nederland met de Joden is gebeurd, is ongekend. Het is nog nooit gebeurd dat een bevolkingsgroep op deze manier in zo'n korte tijd vervolgd en vermoord werd. Dat is echt iets heel specifieks. Ik wil dat antisemitisme en de Holocaust niet binnen allerlei programma's vallen, maar dat het een apart programma is, waarin de nieuwe generatie, de jonge mensen van nu, leert wat er nog maar zo kort geleden is gebeurd, en dat antisemitisme daarom zo erg is.

De voorzitter:
Ja, mevrouw Van der Plas. Het moet echt kort en bondig, mevrouw Van der Plas. De minister.

Minister Letschert:
Ik denk dat ik het met mevrouw Van der Plas eens ben dat heel veel Joodse mensen morgen nog niet dat gevoel hebben, zeker niet als je kijkt naar de aanbevelingen van de taskforce en naar wat er nodig is om die te implementeren. Ik kan wel aangeven dat we ons hier op volle kracht met drie bewindspersonen voor gaan inzetten, samen met het commitment dat de onderwijsinstellingen hebben gegeven in de brief die ze ons hebben gestuurd. Maar dat gaat niet morgen meteen op die manier ervaren worden. Dat realiseer ik me heel erg goed.

Dan uw vraag over Holocausteducatie. Dat is verplicht in het curriculum. Het is alleen aan de instellingen om binnen de instelling te bepalen op welke manier ze dat doen en vormgeven. Maar het is verplicht en er wordt door de inspectie toezicht op gehouden dat er Holocausteducatie op de Nederlandse scholen plaatsvindt, zowel op de lagere als de middelbare scholen.

De voorzitter:
Kort en bondig, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat zal ik dan ook blijven volgen. Ik weet dat ik hier al vijf jaar zit en dat er eigenlijk nog maar heel weinig is gebeurd. Sterker nog, het is alleen maar erger geworden.

Ik heb nog een andere vraag, over een andere aangenomen motie uit september. Die gaat over subsidievoorwaarden voor instellingen die zich schuldig maken aan antisemitische uitingen. In de motie, die dus aangenomen is, werd de regering verzocht om met behulp van de antidiscriminatiebepaling aanvullende kaders te ontwikkelen waarbinnen subsidies zouden kunnen worden ingetrokken wanneer instellingen zich schuldig maken aan antisemitisme, het faciliteren ervan of het niet ingrijpen. Ik wil graag weten wat de stand van zaken van de uitvoering van deze motie is.

Minister Letschert:
Ik weet het volgende. Ik zal verder op uw vraag moeten gaan, maar als een rechter zou vaststellen dat er sprake is van antisemitisme bij bijvoorbeeld door OCW gesubsidieerde activiteiten, dan kan het ministerie besluiten tot een financiële sanctie. Ik weet niet of dat al voldoende recht doet aan de context van de motie, maar als de rechter vaststelt dat er sprake is van antisemitisme bij door OCW gesubsidieerde activiteiten, dan kan de minister dus besluiten tot een financiële sanctie.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van der Plas.

Minister Letschert:
Ik kan daarbij misschien meteen de vraag van de heer Ellian meenemen, als dat goed is voor u.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, dat mag, maar ik ...

De voorzitter:
Wacht heel even. U bent een interruptiedebat met elkaar aan het voeren, dus ik weet niet wat meneer Ellian er nou mee te maken heeft.

Minister Letschert:
Excuses. Die vraag ging over hetzelfde onderwerp.

De voorzitter:
U heeft mevrouw Van der Plas een antwoord gegeven. Nu krijgt mevrouw Van der Plas ruimte voor een laatste interruptie op dit punt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als er op een terrein van een universiteit antisemitische leuzen worden geroepen, dan is daar gewoon sprake van antisemitisme, dat dan wordt gefaciliteerd door een universiteit. Die verwijdert de mensen namelijk niet en roept de politie er niet bij. Ik zie dus niet in waarom er eerst een rechter aan te pas zou moeten komen voordat er iets ingetrokken wordt, want volgens mij kun je via de kaderwet voor de voorwaarden voor subsidieverstrekking gewoon voorwaarden stellen voor wanneer mensen wel en niet een subsidie krijgen. Die kun je volgens mij gewoon opstellen. Daar hoeft geen rechter aan te pas te komen.

Minister Letschert:
Ik denk dat ik uw vraag verkeerd heb geïnterpreteerd. Ik dacht dat u het had over bijvoorbeeld culturele instellingen die zich schuldig zouden maken aan antisemitisme en daarvoor veroordeeld zouden zijn en dat u vroeg wat het ministerie dan eventueel kan doen. Ik herken niet uw beeld dat universiteiten antisemitisme faciliteren, ervan wegkijken en er geen aangifte van doen. Volgens mij hebben we dat net al voldoende besproken in het eerste deel van mijn beantwoording.

De voorzitter:
U had nog een vraag van meneer Ellian.

Minister Letschert:
Ja, zeker. Dat is de laatste. De vraag was wat we nou vanuit OCW doen tegen de situatie dat er steeds vaker artiesten van een programmering worden gehaald die bijvoorbeeld een Joodse afkomst hebben. Wat ga ik daaraan doen? Laat ik wederom vooropstellen dat de signalen die we daarvan krijgen, absoluut onacceptabel zijn. Er moet geen plek zijn in onze samenleving voor de situatie dat iemand vanwege zijn nationaliteit of religie wordt geweerd. Ik heb mij laten vertellen dat er naar aanleiding van spanningen die zijn ontstaan rondom het programmeren van bijvoorbeeld Joodse artiesten, kunstenaars of sprekers met financiering van OCW een onderzoek is gedaan dat ontwikkeld is door het Verwey-Jonker Instituut. Dat heeft u misschien al eerder ontvangen. Dat onderzoek moet de culturele en creatieve sector helpen om te gaan met de dilemma's die zij blijkbaar ervaren. Ik hoor vaak terug dat er wordt beargumenteerd vanuit de gedachte: wij hebben geen middelen om extra beveiligingsmaatregelen te nemen. Het is al ernstig genoeg dat die nodig zouden zijn als een Joodse artiest wil optreden. Ik ben momenteel aan het onderzoeken of er mogelijkheden zijn om instellingen hierbij financieel te ondersteunen. Als ik een patroon zou zien waarbij instellingen stelselmatig mensen met een Joodse achtergrond zouden weigeren, dan ga ik ook wel vanuit mijn rol als minister het gesprek aan met dergelijke instellingen om te kijken hoe we die belemmeringen wegnemen.

Daarmee heb ik de vragen beantwoord, denk ik.

De voorzitter:
Ik kijk hoeveel de minister nog in haar beantwoording over heeft. O, u bent aan het einde gekomen van uw beantwoording? Dan zijn we aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik dank de minister voor haar beantwoording en geef het woord aan de heer Boon voor zijn tweede termijn namens de PVV.

De heer Boon (PVV):
Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat antisemitisme, haat en geweld intrinsiek onderdeel zijn van de islam;

van mening dat de islam niet bij Nederland past noch erbij hoort;

verzoekt het kabinet Nederland te de-islamiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.

Zij krijgt nr. 517 (30950) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om met wetgeving te komen waarmee een onherroepelijke veroordeling voor antisemitische misdrijven wordt toegevoegd als grond voor het intrekken van de Nederlandse nationaliteit bij personen met een dubbele nationaliteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.

Zij krijgt nr. 518 (30950) (#2).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bestuurders in het hoger onderwijs bestaande bevoegdheden onvoldoende benutten en te terughoudend optreden tegen antisemitisme;

verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen bij meldingen van antisemitisme tijdig en passend maatregelen nemen en dat bij het uitblijven daarvan consequent handhavend wordt opgetreden met bestaande sanctiemogelijkheden, waaronder disciplinaire maatregelen, verscherpt toezicht en bekostigingsmaatregelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.

Zij krijgt nr. 519 (30950) (#3).

De heer Boon (PVV):
En de laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer met de motie-Boon heeft uitgesproken dat de leus "from the river to the sea" als een oproep tot geweld moet worden beschouwd;

constaterende dat het Openbaar Ministerie desondanks oordeelt dat de leus "from the river to the sea, Palestine will be free" slechts een protestleus zou zijn en geen aansporing tot geweld bevat;

overwegende dat dit oordeel de uitgesproken wil van de Kamer ondermijnt en bijdraagt aan het normaliseren van antisemitische en gewelddadige uitingen;

verzoekt de regering om er bij het Openbaar Ministerie op aan te dringen de leus "from the river to the sea" aan te merken als een oproep tot geweld en hier consequent tegen op te treden en tot vervolging over te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.

Zij krijgt nr. 520 (30950) (#4).

De heer Boon (PVV):
Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Nanninga namens JA21.

Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. En dank voor de beantwoording.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij demonstraties en bezettingen op universiteiten regelmatig sprake is van illegale deelname, oproepen tot geweld en onveilige situaties;

constaterende dat artikel 7.57h van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek universiteiten de mogelijkheid biedt om bij ernstige overlast de inschrijving van studenten te beëindigen;

overwegende dat in het rapport Gevangen in Vrijheden wordt opgeroepen te verkennen hoe bestuurlijk kan worden ingegrepen bij ordeverstoringen;

verzoekt de regering om samen met universiteiten, politie en het Openbaar Ministerie te komen tot een gezamenlijk handelingskader waarbij gegevens van studenten die betrokken zijn bij strafbare feiten of ernstige ordeverstoringen door de politie worden gedeeld met universiteiten, zodat deze instellingen actief gebruik kunnen maken van hun bevoegdheden op grond van artikel 7.57h van de WHW,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nanninga en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 521 (30950) (#5).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat antisemitisme op universiteiten toeneemt en leidt tot onveilige situaties voor Joodse en Israëlische studenten en medewerkers;

overwegende dat duidelijke normstelling door universiteitsbesturen essentieel is voor een veilige academische omgeving;

verzoekt de regering universiteiten op te roepen expliciet uit te spreken dat antisemitisme onacceptabel is, de IHRA-definitie van antisemitisme te hanteren als leidraad en zichtbaar steun te betuigen aan Joodse en Israëlische studenten en medewerkers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.

Zij krijgt nr. 522 (30950) (#6).

Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bikker namens de ChristenUnie in tweede termijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. En dank aan de trouwe kijker.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Joodse Nederlanders en Joodse instellingen in Nederland al jarenlang leven onder een structurele dreiging van antisemitisch geweld;

overwegende dat deze dreiging heeft geleid tot een situatie waarin Joodse instellingen permanent private beveiliging moeten inhuren om hun bestaansrecht in veiligheid te kunnen uitoefenen;

van mening dat het onaanvaardbaar is dat in een rechtsstaat burgers en instellingen die doelwit zijn van haat en geweld zelf moeten betalen voor de bescherming van hun fundamentele vrijheden;

verzoekt de regering om meer verantwoordelijkheid voor noodzakelijke beveiliging van Joodse instellingen over te nemen en deze structureel uit publieke middelen te bekostigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Ellian.

Zij krijgt nr. 523 (30950) (#7).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Verenigd Koninkrijk Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd wegens herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en dat inmiddels ook in Frankrijk, Polen en Zwitserland het optreden is afgelast;

constaterende dat een optreden in Nederland is aangekondigd;

overwegende dat de Joodse gemeenschap in Nederland de laatste jaren in toenemende mate te maken heeft met haat, intimidatie, geweld en recent ook aanslagen;

overwegende dat antisemitisme en de normalisering van extremistische ideologieën onacceptabel zijn en een directe bedreiging vormen voor de veiligheid en vrijheid van Joodse Nederlanders;

verzoekt de regering zich in navolging van het Verenigd Koninkrijk in te zetten om Kanye West de toegang tot Nederland te weigeren en als dat binnen de huidige wettelijke mogelijkheden niet lukt, een dringend beroep te doen op de organisatoren om het concert te annuleren;

verzoekt de regering voorts te bezien welke aanpassingen in de regelgeving nodig zouden zijn om mogelijk te maken dat Nederland artiesten met antisemitische uitlatingen net als andere Europese landen wel kan weigeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Ellian.

Zij krijgt nr. 524 (30950) (#8).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas namens de BBB in tweede termijn.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat er nooit een "ja, maar" is bij antisemitisme,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 525 (30950) (#9).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat antisemitisme in Nederland toeneemt;

constaterende dat steeds meer jongeren weinig tot geen kennis hebben over de Holocaust en in bepaalde groepen jongeren de Holocaust zelfs wordt ontkend;

overwegende dat Holocausteducatie verplicht is;

verzoekt de regering om te kijken hoe een bezoek van middelbare scholen aan voormalig vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau ingepast kan worden in de verplichte Holocausteducatie en het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 526 (30950) (#10).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister-president elk halfjaar een gesprek heeft met moslimjongeren over moslimhaat;

constaterende dat zo'n structureel overleg met de minister-president niet bestaat met Joodse jongeren;

verzoekt het kabinet elk halfjaar een periodiek gesprek te voeren over antisemitisme en Jodenhaat met Joodse jongeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 527 (30950) (#11).

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Die laatste drie woorden heb ik nog even toegevoegd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Duitse parlement een voorstel heeft aangenomen om overheidsfinanciering stop te zetten voor groepen en organisaties die Israël boycotten en antisemitische uitingen doen;

verzoekt de regering te onderzoeken waar de eigen geldkraan dichtgedraaid kan worden voor culturele instellingen, groepen en organisaties die Israëlische en Joodse artiesten of instellingen boycotten en/of zich schuldig maken aan antisemitisme of het aanzetten daartoe, en de Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 528 (30950) (#12).

Dank u wel.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Alstublieft.

De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Lammers namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij gewelddadige pro-Palestijnse protesten de afgelopen jaren op verschillende universiteiten buitenlandse studenten betrokken zijn geweest;

constaterende dat een veroordeling voor een misdrijf een grond kan vormen voor intrekking van een studentenvisum;

verzoekt de regering om te allen tijde over te gaan tot intrekking van studentenvisa van buitenlandse studenten bij een veroordeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 529 (30950) (#13).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat demonstraties op stations een inbreuk vormen op vitale infrastructuur en daarmee de bewegingsvrijheid van de Nederlanders ernstig beperken;

verzoekt de regering een verbod op demonstraties op stations in te stellen of met een voorstel hiertoe te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 530 (30950) (#14).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de grootste groep asielzoekers in het azc in Ter Apel uit Palestijnse gebieden komt;

constaterende dat volgens verschillende peilingen een ruime meerderheid van de Palestijnen de massamoorden van 7 oktober toejuicht;

verzoekt de regering te komen met een behandelstop voor asielaanvragen van personen afkomstig uit Palestijnse gebieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.

Zij krijgt nr. 531 (30950) (#15).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn tweede termijn namens de VVD, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Duitsland subsidies met organisaties die zich schuldig maken aan antisemitisme kunnen worden beëindigd;

verzoekt de regering om uit te werken op welke wijze consequenties kunnen worden verbonden aan verstrekte subsidies indien gesubsidieerde organisaties bewust Joodse artiesten geen podium bieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ellian en Bikker.

Zij krijgt nr. 532 (30950) (#16).

De heer Ellian (VVD):
Dan over Na de Oorlog. Ik heb de beantwoording gehoord, maar ik begrijp er eerlijk gezegd helemaal niets van. Deze Kamer heeft middels een amendement en moties duidelijk geregeld en aangegeven dat het gaat om de persoonlijke verhalen van de Holocaust. Dat is wat centraal stond. Ik begrijp niet waarom er nu wordt gezegd dat er anderen zijn die dit ook kunnen doen. Nee, die gastlessen worden verzorgd door een speciale groep mensen, en die moeten we koesteren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat naar aanleiding van het amendement-Ellian/Segers (26200-VIII, nr. 50) stichting Na de Oorlog een subsidie kreeg om persoonlijke verhalen van overlevenden en nabestaanden van de Holocaust een structurele plek te geven;

constaterende dat de Kamer bij de OCW-begroting voor 2024 en 2025 wederom geld heeft vrijgemaakt voor lessen over antisemitisme terwijl de subsidie voor stichting Na de Oorlog eind 2026 afloopt;

verzoekt de regering uit te werken wat ervoor nodig is om deze subsidie structureel te maken, en de Kamer daarover voor de begroting te informeren, zodat persoonlijke verhalen in een tijd van toenemend antisemitisme verteld kunnen blijven worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ellian en Bikker.

Zij krijgt nr. 533 (30950) (#17).

De heer Ellian (VVD):
Ik dank de bewindspersonen voor hun beantwoording. Ik ga ze wel aan hun intenties houden, want de Joodse gemeenschap kan niet langer wachten.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik meen toch echt dat ik u het woord gaf namens de VVD.

De heer Ellian (VVD):
Ja.

De voorzitter:
Als dat niet zo is, heb ik dat bij dezen volgens mij ruimschoots gecorrigeerd. Het is toch wat op dit tijdstip! Het woord is aan de heer Van den Brink namens het CDA. Toch? Ja, het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik dank de regering voor de antwoorden. Ik denk dat we allemaal onze eigen woorden hebben gezocht om onze steun aan de Joodse gemeenschap te betonen vandaag. Ik hoop dat de Joodse gemeenschap zich gezien en gehoord heeft gevoeld en heeft gemerkt dat ze er niet alleen voor staan, maar dat we met z'n allen om ze heen staan. Ik ben ook blij met de leercurve van het kabinet, waar het steeds over ging. Het is toch ook wel opmerkelijk dat die curve nodig was om de Joodse gemeenschap te beschermen.

Ik ben niet gerust op alles wat er online gebeurt. Daarom heb ik daar een motie over opgesteld.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat antisemitisme online welig tiert;

constaterende dat jongeren online in aanraking komen met antisemitische content, waarbij algoritmes ervoor zorgen dat ze steeds dieper in de echoput van het eigen gelijk belanden;

overwegende dat jongeren extra kwetsbaar zijn voor online radicalisering;

constaterende dat sinds januari van dit jaar in Nederland een pilot met de Redirect-methode is gestart om de onlineaanpak van radicalisering te versterken en te voorkomen dat jongeren via het internet radicaliseren;

overwegende dat dankzij deze aanpak extremistische denkbeelden verstoord kunnen worden;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier online antisemitisme effectiever bestreden kan worden onder met name jongeren, bijvoorbeeld via een pilot zoals de Redirect-methode,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tijs van den Brink, Bamenga, Bromet, Ellian, Bikker, Nanninga, Struijs en Keijzer.

Zij krijgt nr. 534 (30950) (#18).

Dank u wel, meneer Van den Brink. Het woord is aan mevrouw Bromet namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik wou zeggen "namens PRO", maar dat mag niet.

De voorzitter:
Nee!

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Het viel niet mee, dit debat. Wij hadden een halfjaar geleden — misschien was het iets langer — ook een debat over antisemitisme, nog met de vorige Kamer. Ik vond dat een heel waardig debat, waarin de conclusie uiteindelijk Kamerbreed zo'n beetje was: kritiek op Israël is geen antisemitisme en antisemitisme zit overal, niet alleen in één bepaalde bevolkingsgroep. Die mooie conclusies zijn weer helemaal losgelaten. Het is gegaan over zondebokpolitiek, over het inperken van grondrechten.

Ik heb bewondering voor de rustige wijze waarop de bewindspersonen de vragen beantwoord hebben, voor mij naar volle tevredenheid. Ik wil ze ook heel veel succes wensen bij het verder uitwerken van de conclusies uit het rapport en het verzorgen van de veiligheid. Ik heb drie moties meegetekend: eentje met de heer Van den Brink van het CDA, eentje met D66, die nog komt, en een met de heer Struijs van 50PLUS.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bamenga namens D66 in tweede termijn.

De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet eenmalig €350.000 beschikbaar stelt om Joodse (studenten)organisaties te ondersteunen;

constaterende dat voor de zomer tevens een volgende aanvraagronde voor het veiligheidsfonds voor ondersteuning van Joodse scholen, instellingen en evenementen plaatsvindt;

overwegende dat er een grote diversiteit aan Joodse organisaties en instellingen bestaat die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor dit budget;

overwegende dat de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, NCAB, primair een signalerende, adviserende en niet-vertegenwoordigende functie kent;

verzoekt de regering om bij de verdeling van de middelen tevens vertegenwoordigende Joodse organisaties zoals het Centraal Joods Overleg nauw te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Diederik van Dijk, Struijs, Bikker, Van der Plas en Ellian.

Zij krijgt nr. 535 (30950) (#19).

De heer Bamenga (D66):
Dan de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Holocaustherdenkingscentra in een brandbrief waarschuwen voor de toenemende verspreiding van door AI gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op socialemediaplatforms;

overwegende dat de verspreiding van dergelijke nepbeelden kan resulteren in bagatellisering en verdraaiing van de geschiedenis;

van mening dat het actief bevorderen van kennis over de Holocaust een onmisbaar onderdeel van antisemitismebestrijding is;

verzoekt de regering om een verbod te leggen op de verspreiding van AI-gegenereerde beelden van de Holocaust,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Tijs van den Brink, Diederik van Dijk, Struijs, Teunissen, Bikker en Bromet.

Zij krijgt nr. 536 (30950) (#20).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Keijzer voor haar tweede termijn.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties, maar ik weet niet of ik genoeg tijd heb.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat demonstraties op universiteitscampussen steeds vaker leiden tot intimidatie, uitsluiting en verstoring van onderwijs en onderzoek;

overwegende dat het demonstratierecht begrensd wordt waar de rechten en vrijheden van anderen worden aangetast;

verzoekt de regering om in overleg met universiteiten en veiligheidsinstanties (landelijke) richtlijnen vast te stellen waarin duidelijk wordt vastgelegd dat intimidatie, bedreiging en obstructie van onderwijs niet onder het demonstratierecht vallen en waarin handhavingsmaatregelen zijn uitgewerkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer en Nanninga.

Zij krijgt nr. 537 (30950) (#21).

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik wil nog aan de minister vragen om eens uit te zoeken wat er nodig is om een studentenvisum ook in te trekken als er geen onherroepelijke veroordeling is.

Voorzitter, tot slot. Antisemitisme gaat ons allen aan. Denk niet dat het je niet raakt omdat je niet Joods bent. Het is de oudste haat die we kennen en uiteindelijk bevuilt deze ons allemaal.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk namens de Staatkundig Gereformeerde Partij in tweede termijn.

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Het is in dit debat veel gegaan over leiderschap. In dat verband wil ik graag in het bijzonder tegen minister Letschert in heel aanmoedigende zin zeggen: onderschat ook uw positie niet en pak waar mogelijk het podium om tegen al die Joodse studenten te zeggen "ik ben uw minister en ik sta altijd pal voor jullie veiligheid". Dat zal ze zo goeddoen.

Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat antisemitische invloeden en uitingen op allerlei manieren in de samenleving groeien en tot uitdrukking komen;

overwegende dat naast beleid en maatregelen gericht op antisemitische incidenten ook duidelijk en aanhoudend merkbaar dient te zijn in de breedte van de samenleving dat de Rijksoverheid de Joodse gemeenschap steunt en antisemitisme niet tolereert;

verzoekt de regering samen met vertrouwenwekkende, bekende Nederlanders in allerlei maatschappelijke sectoren een publiekscampagne te starten om de Joodse gemeenschap te steunen en antisemitisme te bestrijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker, Ellian en Bamenga.

Zij krijgt nr. 538 (30950) (#22).

De heer Diederik van Dijk (SGP):
Nog één opmerking. Ik dank de minister van Onderwijs ook voor haar reactie op de motie van het lid Stoffer over de inspectie actief aandacht laten besteden aan antisemitisme in het kader van onderzoeken naar veiligheid. Kan de minister nog aangeven wanneer en op welke manier de Kamer een terugkoppeling krijgt?

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dijk. Het woord is aan mevrouw Teunissen namens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindslieden voor de beantwoording. Een van de treurige dingen van dit Kamerdebat vind ik toch wel het onderscheid tussen antisemitisme en kritiek op de Israëlische regering: die worden door elkaar gehaald. Het zou helpen als de regering wél een heldere definitie van antisemitisme in lijn met het internationaal recht hanteert, ook bij de taskforce en de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat antisemitisme een vorm van discriminatie is die wereldwijd schade aanricht aan Joodse gemeenschappen en effectief bestreden moet worden;

overwegende dat kritiek op het beleid van de Israëlische regering geen antisemitisme is, maar vrijheid van meningsuiting;

overwegende dat het kabinet de IHRA-definitie hanteert, die ruimte biedt om kritiek op het beleid van de Israëlische regering in te perken en te bestempelen als antisemitisme;

overwegende dat mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty aanbevelen om de definitie van de VN-verklaring over de uitbanning van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie te hanteren;

verzoekt de regering een werkdefinitie van antisemitisme te hanteren die in lijn is met het internationaal recht en mensenrechten en duidelijk onderscheid maakt tussen antisemitisme en kritiek op de Israëlische regering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 539 (30950) (#23).

Mevrouw Teunissen (PvdD):
De Kamer …

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter.

De voorzitter:
Maximaal twee interrupties in de tweede termijn, mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel, voorzitter. Kent … Mevrouw Teunissen. Ik denk opeens: ik kom niet op de naam. Het is laat; excuus. Mevrouw Teunissen heeft het erover dat het verschil tussen antisemitisme en kritiek op de Joodse staat niet duidelijk is, maar kent zij zelf het verschil tussen antizionisme en kritiek op de Joodse staat?

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Jazeker. Antizionisme is dat je de staat Israël onwenselijk vindt. Ik doel op het idee van een aparte staat. Antisemitisme is discriminatie tegen Joden omdat ze Joods zijn.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Hoe kan mevrouw Teunissen hier dan zeggen dat in deze Kamer antisemitisme verward wordt met kritiek op de Joodse staat? Dat is namelijk niet zo. Ik heb in ieder geval gezegd dat het antizionisme zo langzamerhand gelijk is komen te staan met antisemitisme. Als jij zegt dat alle Joden uit Israël moeten — dat is wat er gezegd wordt door al die fantastische slogans die mevrouw Teunissen zo geweldig vindt — ben je uiteindelijk antisemiet.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik wil even vooropstellen dat ik geen slogans heb genoemd in dit debat. Ik heb wel heel vaak gezien dat kritiek op de Israëlische regering en antisemitisme door elkaar werden gehaald. Een voorbeeld is dat een collega van het CDA werd bevraagd over zijn standpunt om het EU-associatieverdrag met Israël op te zeggen. Sorry, maar dat is gewoon kritiek op de Israëlische regering. Ik vind dat we daar duidelijk over moeten zijn, ook als het gaat over de demonstraties bij de campussen, en dat we dat onderscheid heel duidelijk maken. Als we het dan hebben over leuzen: de rechter heeft geoordeeld dat het geen antisemitisme is. Wij laten dat oordeel aan de rechter. Tot die tijd kun je niet zeggen: dit is antisemitisme. Toch wordt dat gewoon gebezigd in deze Kamer. Wij vinden dat je met een definitie moet komen die in lijn is met het internationaal recht, zodat we dat helder uit elkaar kunnen houden en niet de vrijheid van meningsuiting met betrekking tot kritiek op de Israëlische regering inperken. Dat is namelijk het laatste wat je wilt in een democratische rechtsstaat die goed functioneert.

De voorzitter:
U rondt af.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Ik heb nog een laatste motie. We zien namelijk dat …

De voorzitter:
Ja.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Oké. Ik zal 'm gewoon voorlezen. Prima.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de veiligheid borgen van Joodse studenten en het respecteren van het demonstratierecht hand in hand moeten kunnen gaan;

overwegende dat het demonstratierecht al handvatten biedt om te borgen dat demonstraties vreedzaam verlopen, maar dat veelal onduidelijkheid bestaat over wat wel en niet onder het demonstratierecht valt;

verzoekt de regering om onderwijsbestuurders actief te faciliteren in hun kennis over het demonstratierecht om adequaat handelen te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 540 (30950) (#24).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs namens 50PLUS.

De heer Struijs (50PLUS):
Dank, voorzitter. Dank voor de beantwoording, ministers.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van de Anne Frank Stichting blijkt dat in 2022 14% van de docenten in het voortgezet onderwijs werd geconfronteerd met ontkenning of bagatellisering van de Holocaust en dat 42% van de docenten te maken kreeg met antisemitische incidenten in de klas;

constaterende dat uit hetzelfde onderzoek naar voren komt dat een kwart van de docenten zich voorzichtiger opstelt en 3% het onderwerp volledig mijdt;

overwegende dat goed onderwijs over de Holocaust van groot belang is voor historisch besef, burgerschap en de bestrijding van antisemitisme;

verzoekt de regering om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de wijze waarop de Holocaust in het onderwijs aan bod komt en de knelpunten die docenten en scholen daarbij ervaren;

verzoekt de regering om op basis van de uitkomsten van dit onderzoek met aanbevelingen te komen om het onderwijs over de Holocaust te versterken, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs en Bromet.

Zij krijgt nr. 541 (30950) (#25).

De heer Struijs (50PLUS):
Ik dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. Tot slot is het woord aan de heer El Abassi namens DENK in de tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):
Ik zal meteen beginnen, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onder meer in het rapport Gevangen in Vrijheden beschuldigingen van antisemitisme zonder voldoende feitelijke onderbouwing worden geuit in politieke of academische discussies;

overwegende dat dit leidt tot zelfcensuur, polarisatie en aantasting van de academische vrijheid, en de herkenning en bestrijding van daadwerkelijke antisemitische incidenten ondermijnt;

spreekt uit dat ongefundeerde beschuldigingen van antisemitisme leiden tot zelfcensuur, polarisatie en aantasting van de academische vrijheid, en de reële strijd tegen antisemitisme ondermijnen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 542 (30950) (#26).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering gesprekken voert over de aanpak van antisemitisme en maatschappelijke spanningen;

overwegende dat binnen de Joodse gemeenschap uiteenlopende opvattingen bestaan, waaronder zionistische, kritische en antizionistische perspectieven;

verzoekt de regering om bij een volgende bijeenkomst in het Catshuis of vergelijkbaar overleg ook expliciet antizionistische Joden en andere kritische Joodse stemmen uit te nodigen, zoals Een Ander Joods Geluid, gate48, Erev Rav of Oy Vey, zodat een bredere diversiteit van de Joodse gemeenschappen wordt gehoord,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 543 (30950) (#27).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de toename van onder meer antisemitisme, moslimdiscriminatie en andere racistische aanvallen leidt tot onzekerheid en gevoelens van onveiligheid onder Joden, moslims en andere groepen in Nederland;

spreekt uit dat Joods leven, islamitisch leven en alle andere kwetsbare groepen in Nederland bescherming verdienen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 544 (30950) (#28).

De heer El Abassi (DENK):
Mijn laatste motie, voorzitter …

De voorzitter:
Neeneeneenee, u bent door uw spreektijd heen. Mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Volgens mij hebben veel mensen vanavond stiekem op ChatGPT gekeken of gezegd dat de Grondwet, het Burgerlijk Wetboek of zelfs — dat zegt iemand op Twitter — de Code Civil des Français gebaseerd is op sharia, zoals de heer El Abassi zei. Dat blijkt helemaal niet zo te zijn. Vergiste hij zich? Moeten we ergens anders kijken?

De heer El Abassi (DENK):
Nee, mevrouw Keijzer moet beter luisteren. Het eerste wat ik heb gezegd, is het volgende. Als u wilt weten wat de sharia inhoudt, vindt u dat ook terug op ChatGPT. Als het gaat om de uitleg van de Code Civil en hoe die hier in Nederland en Europa geïntroduceerd is, zou ik u willen vragen om een aantal colleges van Tom Zwart te volgen. Daarin legt hij dat heel duidelijk uit. Dat is, denk ik, helaas niet terug te vinden op ChatGPT, maar ik zou u willen vragen om de colleges van de heer Zwart te volgen.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De heer El Abassi begrijpt toch wel dat ik hem nu niet meer geloof? Hij stuurt heel Nederland naar ChatGPT, en het blijkt helemaal niet zo te zijn. Dit zal dus ook wel niet kloppen. Ja, zo gaat dat, meneer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):
Gelukkig heb ik het laatste woord. Voor alle mensen thuis: check het op ChatGPT. Als u meer wilt weten over de sharia, dan zult u merken dat het niet alleen de walgelijke uitspuitingen zijn die mevrouw Keijzer noemt, maar dat de sharia heel breed is en gaat over hoe je je als moslim in het leven moet gedragen. Daar zitten hele mooie dingen tussen. Het is niet zoals rechtsextremistische partijen het hier proberen neer te zetten in dit huis. Als u het terug wilt kijken, want dat kan ook: kijk naar de colleges die Tom Zwart heeft gegeven, waarin hij uitleg geeft over datgene waar ik het net over had. Dat kan gewoon.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors 23.40 uur voor de beantwoording van de zijde van de regering.

De vergadering wordt van 23.25 uur tot 23.39 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We hebben een vruchtbaar debat met elkaar kunnen voeren, met alle ruimte. Ik stel dus voor aan de leden dat we het bij eventuele interrupties op of vragen over de appreciaties van de ingediende moties, bij slechts één vervolgvraag houden.

Het woord is aan de minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. We hebben een goed debat gehad. Er is een flink aantal moties ingediend. Ik kijk ook naar de tijd; ik zal proberen om de appreciatie zo bondig mogelijk te houden, maar als u meer wilt weten, dan bent u natuurlijk altijd welkom.

De motie op stuk nr. 517 van de heer Boon ontraad ik.

De motie op stuk nr. 518 ontraad ik, met als korte toelichting dat wij weliswaar gezegd hebben dat wij gaan werken aan het uitbreiden van het intrekken van Nederlanderschap, bijvoorbeeld als er sprake is van ernstige misdrijven waarbij er ook sprake is van antisemitisme, maar dat antisemitisme als zodanig nooit zal kwalificeren als een ernstig misdrijf en daardoor nooit zal leiden tot het intrekken van het Nederlanderschap in de plannen die wij hebben.

De motie op stuk nr. 520 moet ik ontraden. We hebben het hierover gehad in het debat. Op dit moment toetsen het OM en de rechter aan de wet zoals die is. Die hebben geconstateerd dat deze leus niet strafbaar is. Daar hebben we het mee te doen. Als we zouden willen dat dit anders wordt, dan zouden we de wet daarvoor moeten aanpassen in plaats van het OM de opdracht te geven om de wet anders te interpreteren.

Als ik de motie op stuk nr. 521 zo mag interpreteren dat we dit meenemen in de gesprekken die we hebben lopen met de universiteiten, de politie en het Openbaar Ministerie, dan zeg ik dat we dat gaan doen. We moeten ons wel houden aan de wettelijke beperkingen op het delen van gegevens. Als we daarbij tegen knelpunten aanlopen, dan pakken we dat op.

De voorzitter:
Ik kijk naar mevrouw Nanninga. Mag dat? Dat is het geval. De motie op stuk nr. 521 krijgt oordeel Kamer, met deze interpretatie.

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 523 kan ik oordeel Kamer geven, maar daar wil ik iets bij zeggen. Daarin wordt gesproken over "meer verantwoordelijkheid". Ik zie "meer verantwoordelijkheid" als het gebaar dat ik nu heb gemaakt met het structureel maken van het veiligheidsfonds en de incidentele middelen voor dit jaar van zeven ton. Ik zie dat niet letterlijk als het overnemen van de wettelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid. Dat kan ik niet doen en dat wil ik ook niet doen. Als ik de motie zo mag lezen dat ik daarmee in geldelijke zin mijn verantwoordelijkheid toon, maar niet de wettelijke bevoegdheden aangaande de veiligheid overneem, dan geef ik 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Bikker instemmend knikken. Meneer Ellian, één vervolgvraag.

De heer Ellian (VVD):
Heel kort. Helder wat de minister zegt over de financiële verantwoordelijkheid. De minister heeft hier een bedrag genoemd; waarvoor dank. Zit daar nog een beetje rek in?

Minister Van Weel:
Nou, daar zou u mij dan toe moeten dwingen. Ik vind 2 miljoen een mooi rond bedrag.

De voorzitter:
Het is soms net de markt hier. De minister vervolgt.

Minister Van Weel:
Ik wil u wel het volgende toezeggen. Laat ik u dan een rond bedrag meegeven. Als we niet uitkomen met de aanvragen die er nu liggen, zal ik er in plaats van zeven ton voor dit jaar een miljoen bovenop doen. Dat komt dan uit op een niet-ronde 2,3. Maar nogmaals, ik doe zeven ton, maar ik zeg toe dat als we klemlopen dat er dan nog erbovenop doen.

De voorzitter:
De heer Ellian doet zaken. De minister vervolgt.

Minister Van Weel:
Dat krijg je als je me om 23.45 uur in de hoek zet.

De voorzitter:
Jaja, we zijn er allemaal bij.

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 524 over meneer West kan ik oordeel Kamer geven, maar ik maak daar wel twee voorbehouden bij. Het eerste voorbehoud heeft betrekking op het eerste deel van het dictum, namelijk dat ik het dringende beroep op u doe om mij eerst de uitkomst van het proces af te laten wachten. Maar dat zult u begrijpen. Wat het tweede deel van het dictum betreft wil ik daar zeker naar kijken, maar wil ik ook wel de verwachtingen temperen dat dat nu een soort magic bullet is, zeker met betrekking tot dit geval. Maar als u beide accepteert als mijn winstwaarschuwingen, dan kan het "oordeel Kamer" worden.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben veel goedkoper, want dit gaat gewoon om moraal en allereerst om een stevige uitspraak van de minister. Dat heeft hij hier in het Kamerdebat gedaan, maar ik hoop dat ik daaronder kan verstaan dat hij dat ook buiten de deur wil doen. Daarnaast toch even over het andere wat de minister aangeeft. Ik hoop dat hij kans ziet op verbetering van onze regelgeving. Want ik kijk om me heen en maak me zorgen naar de toekomst toe. Ik wil eigenlijk helemaal niet meer dit soort situaties hebben dat de minister hier moet aangeven "eigenlijk wil ik dit ook niet meemaken", maar dat andere landen het wel geregeld hebben en wij niet.

Minister Van Weel:
Ik geloof dat dat past binnen de kaders die ik net heb genoemd.

De voorzitter:
De minister vervolgt.

Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 525 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 527 van mevrouw Van der Plas geef ik oordeel Kamer, want dit doet de premier al en dat zal hij ook blijven doen met de aanmoediging van deze motie.

De motie op stuk nr. 529 moet ik ontraden, omdat het uiteindelijk altijd afhangt van de ernst van het delict. Dat is ter beoordeling van de IND.

De motie op stuk nr. 530 over het verbod op demonstraties op stations moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 531 over een behandelstop voor asielaanvragen van personen uit de Palestijnse gebieden ontraad ik.

De motie op stuk nr. 534 over online geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 535. Ik ga het weer gecompliceerd maken voor de heer Bamenga. Ik kan met de hele motie leven, behalve met de tweede constatering, waarin het veiligheidsfonds wordt genoemd, in relatie tot het dictum. Dan maak ik 'm nog even gecompliceerder. U vraagt om bij de verdeling van de middelen het Centraal Joods Overleg te betrekken. Maar voor het veiligheidsfonds hebben we een kader opgesteld met het Centraal Joods Overleg. Het Centraal Joods Overleg kan ook een aanvrager zijn van een subsidie. Dat willen we dan dus niet in de beoordeling van elke individuele aanvraag hebben. Als de heer Bamenga de tweede constatering achterwege zou kunnen laten, dan kan ik 'm dus oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De heer Bamenga wordt dan wel verzocht om een wijziging door te geven voor wat betreft deze motie; dat betreft het schrappen van de tweede constatering. Dan krijgt de motie dus oordeel Kamer.

Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 536, van de heer Bamenga. Die kan ik oordeel Kamer geven als de indieners de motie zo uitleggen dat de verspreiding van AI-beelden van de Holocaust onder bestaande wetten strafbaar is, als ze aanzetten tot haat en discriminatie of als ze de Holocaust ontkennen, bagatelliseren of vergoelijken.

De voorzitter:
Ik kijk of dat mag. Dat is het geval. Daarmee krijgt zij oordeel Kamer.

Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 538. Die geef ik oordeel Kamer. Die sluit aan bij wat ik noemde in mijn eerste termijn. We zien de motie dus als een aanmoediging.

De motie op stuk nr. 539 ontraad ik. Wij hanteren als kabinet overigens niet de IHRA-definitie, maar zien die slechts als één van de definities die rondgaan. We hebben geen behoefte aan een eigen definitie.

De motie op stuk nr. 542 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 543 ontraad ik. We gaan als kabinet over ons eigen uitnodigingsbeleid.

De motie op stuk nr. 544 is een spreekt-uitmotie.

De rest laat ik aan de minister van OCW.

De voorzitter:
Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid voor de beantwoording en geef het woord aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de appreciaties van de resterende moties.

Minister Letschert:
Helemaal goed. Dan ga ik het net zo snel doen als mijn collega, de ervaren minister van JenV.

De motie op stuk nr. 519 zal ik ontraden, met daarbij onder andere de argumentatie dat de bekostigingsmaatregelen zich hier niet voor lenen. Daar is ook geen wettelijke grondslag voor.

De motie op stuk nr. 522 gaat over dezelfde thema's als die waar mijn collega net aan refereerde. Wij spreken ons niet uit over een definitie. Er zijn uiteindelijk instellingen om daar zowel de discussies over te voeren als de keuzes in te maken.

De motie …

De voorzitter:
Welke appreciatie betekent dat voor de motie op stuk nr. 522?

Minister Letschert:
O, excuses. Sorry. Ontraden.

De motie op stuk nr. 526 ga ik ook ontraden. Ook hier is het weer dat het aanbod dat nodig is voor de schoolspecifieke keuzes bij de scholen ligt. Er zijn veel manieren om dit te kunnen doen.

De motie op stuk nr. 527, over het inplannen van periodieke gesprekken, geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 528 gaat over cultuur. Daarvan zeg ik: ontijdig. Deze motie overlapt ook met eerdere toezeggingen. In die toezeggingen hebben we aangegeven dat we aankomende mei in een brief op deze motie ingaan.

De voorzitter:
Dan is de formele vraag of mevrouw Van der Plas bereid is om de motie op stuk nr. 528 aan te houden. Dat is zij niet. Daarmee krijgt de motie definitief de appreciatie ontijdig.

Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 532. Ook deze motie is ontijdig, omdat deze overlapt met die eerder ingediende moties. Wij zullen daar allemaal op terugkomen in de brief die in mei naar de Kamer komt.

De voorzitter:
Is de heer Ellian bereid om die motie aan te houden? Dat is hij niet. Daarmee krijgt de motie definitief de appreciatie ontijdig.

Minister Letschert:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 533, rondom de structurele financiering. Daar heb ik in het debat ook al het een en ander over gezegd. Daarbij wil ik het belang van de persoonlijke verhalen absoluut benadrukken, maar ik kan niet kiezen voor één stichting. Deze motie ontraad ik.

Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 537, van mevrouw Keijzer. Die ontraad ik ook.

Dan heb ik nog de motie op stuk nr. 540, van mevrouw Teunissen, om de onderwijsbestuurders te faciliteren. Die geef ik oordeel Kamer.

Dan heb ik de motie op stuk nr. 542, maar die behoeft geen appreciatie omdat die een spreekt-uitmotie is.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 541, van 50PLUS en …

De voorzitter:
De motie-Struijs/Bromet.

Minister Letschert:
Ja. Die is overbodig. In 2025 is al door een onafhankelijk bureau een peiling uitgevoerd onder docenten naar de bevorderende en de belemmerende factoren bij het geven van Holocausteducatie. De belangrijkste knelpunten, die dus ook al bekend zijn, pakken we op. Daar zal ook de onderwijsinspectie mee aan de slag gaan. Deze motie is dus overbodig.

Dan kom ik bij de laatste vraag, van de fractie van de SGP: wanneer krijgt de Kamer een terugkoppeling van het onderzoek van de inspectie? Daar had ik het net ook over. Die komt voor het einde van het jaar.

De voorzitter:
Ik dank de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze vergadering.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Op 12 mei zal gestemd worden over de ingediende moties. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van dit debat, alsook van de plenaire vergadering van dinsdag 21 april 2026. Ik sluit de vergadering.

Sluiting

Sluiting 23.51 uur.

ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag TK 65 - 2025-2026

Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend.
Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd.