Debat over het rapport van de taskforce Antisemitisme ‘Gevangen in vrijheden’ (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D19361, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-22 09:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-21 17:20: Debat over het rapport van de taskforce Antisemitisme ‘Gevangen in vrijheden’ (Plenair debat (debat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden"
Rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden"
Aan de orde is het debat over het rapport van
de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden".
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over het rapport van
de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden". Ik heet van harte
welkom de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Ik geef het woord aan de heer Boon als eerste spreker van de zijde van
de Kamer. Dat is hij namens de PVV. Maar eerst heeft hij een punt van
orde.
De heer Boon (PVV):
Ik wil graag een verzoek doen, voorzitter. Afgelopen donderdag is onze
Kamer ruw verstoord door antisemitische uitingen vanaf de publieke
tribune. Onze bodes en de aanwezige politie hebben mensen die zich vrij
agressief opstelden moeten wegdragen. Ik hoop dat u namens de Kamer deze
bodes en de politieagenten iets van een bloemetje kan aanbieden.
De voorzitter:
Vanzelfsprekend hebben wij onze grote waardering uitgesproken voor hun
werk. Door het goede optreden en ingrijpen van de
beveiligingsorganisatie kon het debat snel worden hervat, zodat we
alsnog een goed debat met elkaar hebben gevoerd. Laat ik daaraan
toevoegen dat ik hoop dat we ook vanavond op dezelfde wijze een rustig
en goed debat met elkaar kunnen voeren.
Meneer Boon, u heeft het woord.
De heer Boon (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Precies 80 jaar nadat Anne Frank en haar familie
werden verraden, opgepakt en afgevoerd, werd in Amsterdam haar
standbeeld beklad, puur omdat ze Joods was. Tijdens de opening van het
Holocaustmuseum in Amsterdam werden Holocaustoverlevende Rudie Cortissos
en zijn achterkleindochter uitgescholden voor "kankerjoden". 86 jaar na
de Kristallnacht zagen we in Amsterdam iets wat we nooit meer voor
mogelijk hielden: een georganiseerde Jodenjacht. In chatgroepen werd
gezegd: wij zijn de nieuwe Marokkaanse generatie; wij zullen jullie
vernietigen. Joden werden opgejaagd, bespuugd en mishandeld. Ze moesten
vluchten. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog moesten ze weer
onderduiken in onze eigen hoofdstad. Op de Dam stond de Amsterdamse
fietsenmaker El Houmani te schreeuwen dat het jammer was dat de
Holocaust niet is afgemaakt. In Rotterdam riep de huisarts Mohammad
Latif op tot geweld tegen Joden. Hij noemde hen "kindermoordenaars",
"vrouwenverkrachters" en "terrorismeaanhangers". Bij een islamitische
demonstratie in Rotterdam op paaszondag werd wéér massaal opgeroepen tot
geweld tegen Joden. Vorige maand werd een aanslag gepleegd op een joodse
school, daarna een aanslag op een synagoge. Gewoon hier, in
Nederland.
Dit zijn de onvermijdelijke gevolgen van decennialange massa-immigratie
en islamisering van Nederland. De giftige Jodenhaat die uit de Koran en
de Hadith komt, sijpelt steeds dieper door in onze samenleving. We horen
het dagelijks op straat, in demonstraties en op scholen. "O moslim, er
is een Jood achter mij. Kom en dood hem." Of: "Khaybar, Khaybar, o
Joden, het leger van Mohammed zal terugkeren." Dit is de import van
eeuwenoude islamitische Jodenhaat in Nederland.
De voorzitter:
We beperken het aantal interrupties niet, maar ik stel wel voor om ze in
maximaal drie keer te doen en ze kort en bondig te houden. Mevrouw
Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb maar één vraag. Wie heeft volgens de heer Boon mijn familie
vermoord, de familie Bromet?
De heer Boon (PVV):
Wij hebben een pikzwarte bladzijde van antisemitisme in het Westen. Dat
zal niemand ontkennen. Dat ben ik helemaal met mevrouw Bromet eens. Die
bladzijde is pikzwart, maar dat betekent niet dat we een nieuwe
pikzwarte bladzijde aan onze toekomst moeten toevoegen. Daarom sta ik
hier. Het Westen heeft geleerd. We hebben hele grote fouten gemaakt,
verschrikkelijk, maar neem die lessen mee en laten we niet nieuwe
bladzijdes toevoegen met islamitisch antisemitisme.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
We moeten daarvan leren. Antisemitisme is overal en bij iedereen. Dit
één specifieke bevolkingsgroep in de schoenen schuiven, zoals de heer
Boon doet en zijn partij hier altijd doet, is precies hetzelfde als wat
er voor de oorlog gebeurde met de Joden.
De heer Boon (PVV):
Ik werp dat heel ver van me. Ik werp dit echt ver van me. Ik wil niets
liever dan Jodenhaat bestrijden, dus laten we die niet importeren. Ik
kan heel veel voorbeelden noemen. Ik heb een boek vol met voorbeelden,
met teksten en verzen uit de Koran en de Hadith, maar we zien het ook
dagelijks op straat. We zien het in andere landen, maar erger nog, we
zien wat er gebeurt in wijken die volledig geïslamiseerd zijn. Joodse
mensen kunnen daar niet meer veilig over straat. Een keppeltje kan in
bepaalde wijken niet meer. In Urk kan het wel. Bij mij in Tholen kan het
wel. In Steenbergen kan het wel. Waarom kan het niet in die
geïslamiseerde wijken? Dat is niet vanwege de haat van de PVV. Dat is
vanwege de haat van de islam richting het jodendom. Dat kunnen we niet
leuk vinden, maar het is wel de waarheid. Daar sta ik hier voor.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Laat ik vooropstellen dat het schandalig is dat de PVV antisemitisme
gebruikt als een stok om een hele bevolkingsgroep mee te slaan, namelijk
de moslimgemeenschap. Het is schandalig, maar dat zijn we van de PVV
gewend. Daarom gaat mijn vraag hier niet over. Mijn vraag gaat over het
volgende. Uw partijleider, zeg ik via de voorzitter, laat regelmatig
zien dat hij rechts-extremistische groepen steunt in Europa. Hij was bij
de CPAC, waar antisemitische leiders verhalen hielden, bijvoorbeeld de
partijleider van de FPÖ.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Die heeft campagne gevoerd om volkskanselier te worden. Dat is precies
hoe Hitler zich noemde toen hij aan de macht wilde komen. Deze mensen
van de FPÖ zingen naziliederen. Heeft u uw partijleider al opgeroepen om
afstand te nemen van deze antisemitische praktijken die plaatsvinden in
partijen als de FPÖ en de AfD?
De heer Boon (PVV):
Hoe durft de Partij voor de Dieren dit te doen? Die partij … Nou, ik ga
geen jij-bakken maken, want mensen kunnen zelf wel opzoeken wat de
Partij voor de Dieren allemaal heeft uitgehaald. Maar als er één man is
in dit huis die al jarenlang knokt tegen antisemitisme, met zijn hele
partij, is het wel Geert Wilders. Ik laat hem niet vuilmaken, wat u
probeert te doen. Ik werp dat verre van me. Want die man durft ervoor op
te komen. Die durft op te staan. Die man moet nu heel zijn leven bewaakt
worden, omdat hij ook opstaat tegen islamitisch antisemitisme. Dan gaat
u hem hier in de hoek wegzetten? Nee, dat pik ik niet, zeker niet van
een partij zoals de Partij voor de Dieren. Echt …
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Als de partijleider van de PVV echt tegen antisemitisme zou zijn, dan
zou hij opstaan en zou hij zich ook durven uitspreken tegen
rechts-extremistisch antisemitisme. En dat doet hij niet. Dus mijn vraag
aan de heer Boon is: vindt hij het niet hypocriet om antisemitisme te
benoemen en een hele bevolkingsgroep, namelijk moslims, weg te zetten
als antisemitisch, als stok om mee te slaan, terwijl die bevolkingsgroep
ernstig wordt gediscrimineerd? Vindt hij het niet hypocriet dat hij
tegelijkertijd helemaal wegblijft van het antisemitisme van
rechts-extremistische bewegingen? Wilders drinkt daar nota bene koffie
mee. Hij staat ermee op een conferentie. Vindt de heer Boon dat niet
hypocriet?
De heer Boon (PVV):
Voorzitter, ik zou eigenlijk via u aan de mevrouw van de Partij van de
Dieren willen vragen: wat zit er voor wortel in uw oren? Hoe kan het dat
u niks hoort? Als één iemand zich continu uitspreekt tegen
antisemitisme, van links en van rechts, is het toch de heer Wilders. Dus
waar haalt u al die onzin vandaan? Het spijt me zeer. U heeft het over
een groep die gediscrimineerd wordt. Zullen we in Nederland eens door
een paar wijken gaan lopen? Dan mag u een hoofddoek opdoen. Dan gebeurt
u helemaal niks. Zullen we dan door een aantal wijken gaan lopen,
waarbij ik een keppeltje opdoe? Dan moet ik gaan rennen voor mijn leven.
Sorry hoor, maar er is één groep die gediscrimineerd wordt. Dat hebben
we gezien in alle cijfers. Dat zijn de Joden, het Jodendom, in
Nederland. Die worden gediscrimineerd. Gaat u nu zeggen dat anderen
gediscrimineerd worden en dat die het slachtoffer zijn? Het zal best,
maar er is één groep in Nederland die overmatig en structureel
gediscrimineerd wordt en die moet onderduiken. In Amsterdam worden hun
kunstwerken beklad en zitten hun kinderen op scholen die beter beveiligd
worden dan gevangenissen. Dat gaat om de Joden in Nederland. Dus zullen
we wel even rechthouden waar we hiervoor staan? Op de rest van de onzin
reageer ik niet eens.
De voorzitter:
Ik wijs de leden erop dat we via de voorzitter spreken.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik hoor geen oordeel. Ik concludeer dat de PVV niet durft te benoemen
dat er ook rechts-extremistisch antisemitisme is, dat dat groeiende is
en dat dat gevaarlijk is. Ik constateer dus dat het antisemitisme alleen
maar wordt gebruikt als instrument tegen moslims in Nederland. En dat is
onacceptabel.
De heer Boon (PVV):
Ik wil hier even op reageren en dan mag mevrouw me aankijken: ik
veroordeel alle vormen van antisemitisme, van rechts, van
extreemchristelijk, van maakt mij niet uit. Ik veroordeel alle vormen en
mijn partij ook. Laat dat nou helder zijn. Ga nou niet proberen ons in
hokjes te stoppen, want dat lukt u niet. Dit staat al jaren in ons
partijprogramma. We willen een snoeiharde aanpak van antisemitisme, van
alle kanten, maar we moeten ook eerlijk zijn over wat het probleem in
Nederland is. Wat is nu het probleem in Nederland? Gaat u eens met
iemand met een keppeltje op door de Schilderswijk lopen. Die man is zijn
leven niet veilig. Dat heeft één oorzaak: de islam.
De heer El Abassi (DENK):
Ik kan wel antwoord geven op de vraag wat het probleem is in Nederland.
Het probleem is dat straten vol aan het siegheilen zijn, dat straten vol
de Hitlergroet doen, dat straten vol met Hitlerkleding rondlopen, dat
straten vol met hakenkruizen rondlopen, dat mensen in dit huis met
NSB-vlaggen rondlopen, dat ze NSB-vlaggen op hun kamer hebben hangen.
Dat deze mensen durven te wijzen naar anderen, terwijl ze zelf
antisemitisch bezig zijn, en altijd al zijn geweest, terwijl ze
racistisch zijn.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer El Abassi (DENK):
Ziet de PVV dit niet, of doen ze alsof ze dit niet zien?
De heer Boon (PVV):
Het spijt me, maar ik heb in Nederland geen straat gezien vol met
vlaggen met hakenkruizen en mensen in SS-uniformen die over straat
marcheren. Die heb ik niet gezien. In films heb ik het misschien weleens
gezien, maar in Nederland heb ik het niet gezien. Ik zie wel bij
bepaalde demonstraties, vooral islamitische demonstraties, dat er
Hamaslogo's worden gebruikt, dat er vlaggen van terroristische
organisaties worden gebruikt die puur antisemitisch zijn en dat er
uitspraken worden gedaan als "Khaybar, Khaybar" of "from the river to
the sea". Die Jodenhaat zie ik wel. Die zie ik ook zeker toenemen. Als
al dat andere er is in Nederland, moeten we er zeker tegen optreden. Ik
nodig u uit om mij eens door zo'n wijk heen te rijden, want ik ken het
niet.
De heer El Abassi (DENK):
U weet dat ik dit gewoon lekker ga toevoegen aan de video die straks
online komt. We zien hakenkruizen bij demonstraties waar uw leider aan
het schreeuwen en scanderen is, waar mensen "Heil Hitler" roepen, waar
mensen met NSB-vlaggen rondlopen. De PVV is hier heel selectief in. De
PVV kiest demonstraties uit, komt met voorbeelden uit Amsterdam, heeft
het over Marokkanen, over islamisering en over de Koran, maar noemt geen
andere heilige boeken. U bent daar heel selectief in, zeg ik via de
voorzitter. U wilt het niet zien; dat is wat ik probeer aan te geven.
Terwijl uw achterban …
De voorzitter:
"De achterban van de heer Boon."
De heer El Abassi (DENK):
… zeg ik via de voorzitter, aan het scanderen is, met hakenkruizen en
NSB-vlaggen rondloopt, wilt u dat niet zien, kijkt u daaroverheen en
wijst u naar anderen, terwijl drie, vier vingers naar uzelf wijzen.
De heer Boon (PVV):
Ik heb nog nooit, behalve in het museum, een vlag met een hakenkruis
gezien. Ik wil u één ding beloven. Als wij met de PVV ooit bij een
demonstratie zijn en er komt iemand met een vlag of een band met een
hakenkruis, ben ik degene die die man een schop onder zijn kont geeft en
bij de politie aflevert. Dat kunt u van mij aannemen. Ik heb die mensen
nog nooit gezien, dus als u mij die bewijzen geeft … Laat ze mij
alsjeblieft zien, want ik heb het nog nooit meegemaakt. De PVV neemt
daar de verst mogelijke afstand van.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Boon (PVV):
Nog één korte reactie hierop. Dat ik die mensen nog nooit gezien heb,
laat wel zien hoe klein dit probleem waarschijnlijk is. Ik heb in
Amsterdam wel Hamasaanhangers en mensen met vlaggen van terroristische
organisaties gezien. Die zag ik niet één keer, maar die zie ik wekelijks
voorbijkomen in Amsterdam. Dus zou dat probleem niet iets groter zijn?
Durft u daar ook afstand van te nemen? Uw partijleider roept namelijk
nog steeds "from the river to the sea", een oproep tot geweld tegen
Joden wereldwijd. Deze Kamer heeft uitgesproken dat dat een oproep tot
geweld is, en uw fractievoorzitter …
De voorzitter:
"De fractievoorzitter van de heer El Abassi."
De heer Boon (PVV):
Dat klopt. De fractievoorzitter van de heer El Abassi roept dat nog
steeds. Het staat zelfs letterlijk in uw partijprogramma. Dat is een
oproep tot geweld tegen Joden. Zullen we niet eerst dat probleem
aanpakken?
De heer El Abassi (DENK):
Inderdaad, zeg ik als het gaat over die leus, de liefdevolle leus die
opkomt voor de rechten van de Palestijnen. Daar vindt een genocide
plaats, wat de PVV prima vindt, omdat het ook over moslims gaat. Daar
zullen wij voor blijven opkomen, en heel veel mensen met ons. Die groep
is gelukkig enorm groot. De PVV weigert te kijken naar mensen binnen
haar eigen achterban, naar mensen die met Hitlergroeten rondlopen,
scanderend door Den Haag lopen, rechtsextremisten, hier voor het Tweede
Kamergebouw. Nogmaals, het gaat om mensen die overal hakenkruizen
kladden op moskeeën …
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer El Abassi (DENK):
… op islamitische instellingen en op joodse instellingen. De PVV weigert
dat te zien en heeft het alleen maar over een andere groep. Dat is
precies de agenda van de PVV. Daarmee laten ze zien dat ze hier niet
staan voor de Joodse gemeenschap, maar gewoon judeonationalisme
toepassen in dit huis. Iedereen ziet dat.
De heer Boon (PVV):
Blijkbaar is er aan de linkerkant toch iets mis met het gehoor, want
volgens mij heb ik daar nu wel zestien keer afstand van genomen. Ik wil
het nog wel zeventien, achttien, negentien keer doen als meneer El
Abassi dan misschien wel luistert. Maar blijkbaar is dat heel erg
moeilijk voor de heer El Abassi. Er wordt hier gewoon tussen neus en
lippen door gezegd dat "from the river to the sea" een liefdevolle leus
is, terwijl deze Kamer heeft uitgesproken dat dit een oproep is tot
geweld tegen Joden wereldwijd. Geweld tegen Joden wereldwijd wordt hier
door een partij lief verklaard. Dat is toch walgelijk? Dit is dus het
antisemitisme waar wij tegen strijden. Als dit zelfs in ons parlement
zit, blijkt dat we nog een hoop werk te doen hebben.
De voorzitter:
Ik wil die leus hier zowel expliciet als impliciet niet horen. De Kamer
heeft zich hier namelijk tegen uitgesproken. We voeren het debat op
basis van het geagendeerde onderwerp, zowel impliciet als expliciet, zeg
ik ook tegen de heer El Abassi.
Mevrouw Nanninga (JA21):
JA21 twijfelt er geen seconde aan dat de PVV aan onze zijde staat als
het gaat om het bestrijden van Jodenhaat. Ook wij zien toenemende
islamisering als een belangrijke factor wat betreft Jodenhaat in
Nederland. Het is niet de enige oorzaak, maar wel een belangrijke
factor. Dan heb ik een vraag aan de heer Boon. Wat ik nou zo jammer
vind, is het volgende. Met die asielwetten lag er een kans om die
islamisering weer een klein beetje in te dammen, en dan pleegt de PVV
politiek hooliganisme in de Eerste Kamer. Daarmee maakt de PVV het
onmogelijk dat die asielwetten van Faber worden aangenomen. Ik vind dat
zo jammer. Waarom is dat nou gedaan? Waarom zijn het nou mooie woorden,
maar geen daden om de islamisering een beetje in te dammen?
De heer Boon (PVV):
Volgens mij hebben we hier een misverstand. De PVV heeft vandaag
namelijk voor twee asielwetten gestemd. Hoe kun je tegen een wet zijn
als je voorstemt? Ik begrijp het niet, maar misschien kunt u het
uitleggen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Nou houdt meneer Boon zich van de domme. Hij weet natuurlijk heel goed
dat ik bedoel dat door het afwijzen van de novelle, dus van de
afzwakking van die wetten, de wet onverteerbaar werd, waarna die is
tegengehouden. Er is gewoon een politieke stunt uitgehaald door de PVV;
dat moet meneer Boon nu ook even toegeven. Maar het leidt er wel toe dat
de islamisering niet zo effectief een halt wordt toegeroepen als had
gekund als die wetten wel waren aangenomen. Het hing op die novelle waar
de PVV tegen heeft gestemd. Ik vind het jammer, want ik ben het eens met
de heer Boon op dit punt. Waarom gebeurt dat nou toch weer met de
PVV?
De heer Boon (PVV):
In tegenstelling tot JA21 stemmen wij niet voor slappe hap. Wij willen
gewoon de echte instroom stoppen. De wetten van mevrouw Faber waren er
perfect voor geschikt. Daarom hebben wij ook met alle overtuiging voor
de wetten van mevrouw Faber gestemd. Helaas heeft één wet het niet
gehaald. Dan moet u niet bij de PVV zijn, die juist voor de wet gestemd
heeft; u moet bij degenen zijn die tegen de wet hebben gestemd.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Geloof mij, daar vinden wij als JA21 ook echt iets van. Dat gaat ook
echt nog wel aan de orde komen. Nogmaals, wij scharen ons achter deze
mooie woorden. Er wordt in daden gewoon weinig bereikt door dit soort
politieke spelletjes. Het was een afzwakking van die wetten — dat ben ik
echt met meneer Boon eens — maar was dan even pragmatisch. Daar hadden
Joden in Nederland wel iets meer aan gehad. Dan waren die wetten er nu
gewoon doorheen gekomen. De mensen die tegen hebben gestemd, moeten zich
inderdaad kapot schamen.
De heer Boon (PVV):
Die laatste mening delen wij.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Boon (PVV):
Dank u, voorzitter. Dit is de import van eeuwenoude islamitische
Jodenhaat naar Nederland. Dit lossen we niet op met een dialoogsessie.
Dit lossen we niet op met een bezoek aan een museum. Dit lossen we wel
op door te de-islamiseren, want in elk land waar de islam dominant
wordt, verdwijnen de Joden. Dat is het eerlijke verhaal, dat alleen de
PVV durft te vertellen.
We moeten daarom de moed hebben om echt in te grijpen, met een
snoeiharde aanpak van antisemitisme. Bij een onherroepelijke
veroordeling voor antisemitische misdrijven moet de Nederlandse
nationaliteit van mensen met een dubbele nationaliteit direct worden
ingetrokken. Daarna moeten zij zonder pardon worden uitgezet. De PVV wil
dat er veel sneller en harder wordt opgetreden tegen antisemitische
demonstraties. Stel leuzen zoals "from the river to the sea" en
"globalize the intifada" expliciet strafbaar, want "from the river to
the sea" is geen onschuldige protestleus, maar een oproep tot geweld;
dat heeft deze Kamer nota bene zelf uitgesproken. Daarom moet de politie
direct ingrijpen, demonstraties beëindigen en daders aanhouden. Want nú
kunnen we nog kiezen. We kunnen kiezen voor een vrij en veilig
Nederland, waar Joden onbevreesd over straat kunnen, waar ze hun
kinderen zonder angst naar school kunnen sturen. Of laten we toe dat de
islam onze Joden verdrijft en ons land overneemt, en onze superieure
westerse beschaving kapotmaakt met de barbaarse woestijnwetten van de
sharia?
Voorzitter. Ik ga afsluiten. De PVV kiest voor Nederland. De PVV kiest
voor de harde confrontatie. Laat de Joden niet opnieuw in de steek. Niet
nu, maar nooit meer.
Voorzitter, tot zover.
De heer Bamenga (D66):
Ik zal een poging wagen om het terug te brengen naar de inhoud, de
aanpak van antisemitisme. Er is een brandbrief van herdenkingscentra,
die ook aangeven dat er steeds meer nepbeelden via AI zijn over de
Holocaust. Dat is natuurlijk heel erg slecht, zeker het als het gaat om
het aanpakken van de voedingsbodem voor antisemitisme. Nu een vraag aan
de PVV. Zou de PVV een voorstel van D66 steunen op het moment dat wij
zeggen dat dit zo hard mogelijk aangepakt moet worden?
De heer Boon (PVV):
Als ik het goed heb, is de bagatellisering van de Holocaust al strafbaar
of kan die bestraft worden. Ik weet niet of we dit daaronder kunnen
scharen, maar ik wil er zeker over nadenken.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boon. Dan is het woord aan mevrouw Nanninga voor haar
inbreng namens JA21 in de eerste termijn. Gaat uw gang.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Bezetten, intimideren, cancelen, campussen
totaal vernielen. Dat is wat anders dan demonstreren. Mensen aanspreken
op hun land van herkomst of op hun Joodse achtergrond. Dat is wat anders
dan demonstreren. Oproepen tot jihad en intifada. Ook dat is geen
demonstreren. De giftige kalifaatstrijders van Samidoun omarmen is geen
demonstreren. Pers de camera uit de handen slaan en het werken beletten
is geen demonstreren. Politiemensen met bijtende vloeistof in de ogen
spuiten is ook al geen demonstreren. Toch heb ik al deze dingen met
eigen ogen waargenomen bij de gewelddadige bezettingen van de campussen
in Amsterdam, waar ik meermalen ben geweest om te zien hoever we het in
ons land laten komen met dit huiveringwekkende knokploegengedrag.
Bezettingen die door media en laffe universiteitsbestuurders
"demonstraties" worden genoemd. Bezettingen ook van stations, liefst op
beladen data zoals 7 oktober, om een bepaalde bevolkingsgroep in het
nauw te drijven en angst aan te jagen.
Voorzitter. Als openbare en voor veel Nederlanders niet te vermijden
plekken als stations de speeltuin worden van radicaal gif, zonder enig
paal en perk aan wat daar zoal gezegd en gedaan wordt, sterker nog, als
zelfs mensen uit dit huis zich onder hen begeven, dan houdt het
demonstratierecht op, omdat het anderen in hun vrijheid en veiligheid
beperkt. Aan onze universiteiten, waar de ideeën worden gerijpt die onze
samenleving moeten gaan vormgeven in de toekomst, zijn de lafheid en de
rot zo diep ingevreten dat mensen die zich schuldig maken aan
bovengenoemd gedrag, niet een aangifte en vervolging aan de broek
krijgen. O neen. Zij mogen gemaskerd en wel, zonder een woord Nederlands
te spreken, met de rector komen praten in Amsterdam. Zij krijgen van de
rector van de Uni Maastricht, thans hier in ons midden als minister, een
kantoor aangeboden op de campus. Hun eisen worden gedwee ingewilligd.
Geen haan kraait naar banden met Iraanse universiteiten, maar die met
universiteiten uit Israël, een baken van democratisch licht in een
verder aardedonker Midden-Oosten, liggen continu onder de loep, omdat
zowel universiteitsbesturen als de gemeentelijke driehoeken bukken,
buigen en de-escaleren in plaats van optreden. En de Joden en de
Israëli? Die hebben pech. Die moeten maar even inschikken. Die moeten de
davidster onder hun trui stoppen en de kipa niet meer op doen. Wie een
Joods klinkende achternaam heeft — Meijer, Cohen, Levi, Baumgarten —
kiest steeds vaker voor een neutrale naam, bijvoorbeeld van
moederskant.
Voorzitter. Er leven amper nog Joden in Nederland en nog minder Israëli.
Deze groep is niet zielig en ook niet homogeen. Dé Joodse Nederlander
bestaat niet. Wat ze helaas wel allemaal gemeen hebben, met dank aan
amper optreden tegen bovenstaand gedrag, dat niets met demonstreren te
maken heeft, is dat hun veiligheid, waardigheid en vrijheid in het
geding zijn. Ik vraag deze ministers nu op te treden, wat ik in de
tweede termijn zal bekrachtigen met moties voor een concrete aanpak.
Stop dit. Stop dit nu. Stop de bloeddorstige kreten op onze stations en
campussen. Stop collectief schuld toewijzen aan Joden en Israëli. Stop
dit beklemmende, steeds verder dichttrekkende net rond Joodse
medeburgers. Ik wil harde afspraken horen. Ik wil lik-op-stukbeleid. Ik
wil dat er bij bezetting en vernieling altijd aangifte wordt gedaan door
universiteiten, die altijd wordt opgevolgd. Ik wil dat het de-escaleren
stopt, want waar we dit gedrag de-escaleren, escaleert het de andere
kant op, namelijk richting de Joden.
Voorzitter, afrondend. Ik heb een paar vragen. Waar gaat de €350.000
voor antisemitismebestrijding naartoe? Waarom is de subsidie van het
succesvolle lesprogramma Na de Oorlog geschrapt? Draai dat terug. Kan de
rode driehoek niet worden toegevoegd aan de wet tegen
terreurverheerlijking? Het is een Hamassymbool. Kan er worden opgetreden
als een demonstratie ontaardt in een sit-in of een bezetting van een
campus of station?
Voorzitter. Joden en Israëli hoeven niets te doen om vrij en veilig in
ons midden te leven. Ze hoeven er ook niets voor te laten. Ze hebben er
gewoon een onvervreemdbaar recht op. Als wij dit recht voor een kleine
minderheid niet weten te waarborgen, is niemand meer vrij en
veilig.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Ik heb een vraag. We hebben de aflopen jaren meerdere
universiteitsbestuurders gezien die na 7 oktober eigenlijk niets hebben
gedaan. Ze onderhandelen met gemaskerde mensen, hebben alleen maar
begrip en voeren dialoogsessies. Wat zijn de ideeën van JA21 over
keihard afrekenen met dit soort bestuurders?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Om te beginnen — daar ga ik ook een motie over indienen in de tweede
termijn — moeten aangifte en vervolging altijd volgen op dit soort
incidenten, niet tegen de bestuurders maar tegen de bezetters. Nu is de
smoes van de driehoek maar al te vaak: de universiteit heeft geen
aangifte gedaan, dus daar kunnen we niks tegen doen. Daarnaast leeft ook
de wens om bestuurders te leren om met dit soort gedrag om te gaan, en
om dat in een assessmenttraject op te nemen. Het is treurig dat het
moet, maar als we het aan universiteiten overlaten, blijft het pappen en
nathouden en de-escaleren. Het moet helaas onderdeel zijn van je
capaciteiten om met dit soort gedrag om te gaan. Daar moeten bestuurders
op geselecteerd worden.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Nanninga. Dan is het woord aan mevrouw Bikker, die
spreekt namens de ChristenUnie in eerste termijn.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Het rapport Gevangen in vrijheden, van de
Taskforce Antisemitismebestrijding, laat zien hoe ernstig de situatie is
voor Joodse Nederlanders, niet alleen in het hoger onderwijs, maar in de
volle breedte van onze samenleving. Joodse instellingen leven al
jarenlang in een permanente staat van waakzaamheid. Denk aan synagogen,
scholen en verenigingen. Jood zijn in Nederland betekent beveiligen,
alert zijn en hopen dat het niet misgaat. Er is eigenlijk maar één
conclusie mogelijk: antisemitisme is een gif dat diep en diep is
doorgedrongen in onze samenleving. De recente aanslagen in Rotterdam en
Amsterdam onderstrepen dat dit geen abstract probleem is. Dit gaat niet
over gevoelens, maar over reëel en concreet gevaar. Voor veel Joodse
Nederlanders is dat de dagelijkse werkelijkheid. Juist daarom is het
schrijnend dat Joodse instellingen nog steeds grotendeels zelf opdraaien
voor hun beveiligingskosten. Dat is geld dat niet naar onderwijs of het
gemeenschapsleven gaat, maar naar hekken, camera's en bewakers. Het is
een fundamenteel verkeerde omdraaiing van verantwoordelijkheden.
Veiligheid is geen gunst en ook geen luxegoed; veiligheid is een
kerntaak van de overheid. Deze dreiging is niet door Joodse instellingen
veroorzaakt. Zij zijn doelwit om wie ze zijn. Beveiliging moet daarom
geen privékwestie zijn, maar een publieke verantwoordelijkheid.
De overheid erkent dit principe terecht bij de beveiliging van politici,
rechters en journalisten, omdat daarover wordt gezegd: democratische
kernwaarden mogen er niet van afhangen of je genoeg geld hebt om die te
betalen. Maar die redenering zou ook hiervoor te voeren kunnen zijn.
Vrijheid van godsdienst, vereniging en onderwijs mogen toch niet
afhankelijk zijn van de fondsenwerving binnen een
minderheidsgemeenschap? Vrijheid van godsdienst achter zelfbetaalde
hekken is geen echte vrijheid. Is de minister het met die stelling eens?
Welke concrete stappen wil hij zetten om Joodse instellingen
daadwerkelijk tegemoet te komen in de organisatie en kosten van hun
beveiliging?
Voorzitter. Ik heb het al vaker gezegd, maar antisemitisme is gewoonweg
onacceptabel. Dat heeft dit parlement dan ook vastgelegd in wetgeving.
Met de strafverzwaringsgrond voor antisemitische misdrijven heeft de
Kamer duidelijk uitgesproken dat antisemitisme geen gewoon delict is,
maar een aantasting van de rechtsstaat. Mijn vraag aan de minister is
welke eerste inzichten er zijn nu deze wet van kracht is. Ziet hij dat
het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht de strafverzwaring
toepassen? Zijn er knelpunten? Normstelling moet duidelijk worden in de
praktijk.
Het strafrecht alleen is niet genoeg, want bescherming achteraf vervangt
nooit bescherming vooraf. Antisemitisme bestrijd je ook met onderwijs,
met herinnering. Daarom zijn de signalen dat het Nationaal
Holocaustmuseum nog onvoldoende wordt bezocht, gewoonweg zorgelijk.
Herdenken is geen vrijblijvende activiteit, maar een maatschappelijke
opdracht. De Kamer heeft eerder terecht uitgesproken dat
Holocausteducatie essentieel is. Laat ik helder zijn: een school die de
Holocaust niet volwaardig behandelt of overslaat in een klas vanwege
gedoe, levert prutsonderwijs, onvolkomen onderwijs. Het is namelijk
essentieel dat onze kinderen leren wat er gebeurd is en hoe wij als
mensen met elkaar omgaan. Dit gaat over burgerschap, integratie en het
beschermen van onze democratische rechtsorde. Is de minister bereid om
het Holocaustonderwijs steviger te verankeren en bezoeken aan het
Holocaustmuseum actiever te stimuleren?
Voorzitter, ik rond af. Het gaat ook om grenzen in het hier en nu. De
aangekondigde komst van een artiest die zich herhaaldelijk antisemitisch
heeft geuit, meneer Kanye West, veroorzaakt grote onrust. Zowel Polen,
Engeland als Zwitserland zeggen: wij laten deze man niet optreden.
Waarom lukt het andere landen wel om hier een duidelijke grens te
trekken? Is het kabinet bereid om dat voorbeeld te volgen? Zo niet,
waarom niet? Een antisemiet moet toch niet op onze podia staan?
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Boon (PVV):
Ik wil mevrouw Bikker van de ChristenUnie het volgende vragen. In
Maastricht heeft een antisemitische groepering, Free Palestine
Maastricht, gewoon een kantoor gekregen van de voormalige bestuurder
daar. Vanuit daar verspreiden zij antisemitische propaganda en
ondernemen zij antisemitische acties. Hoe denkt u over bestuurders die
dit soort actiegroepen een podium geven en zelfs in een gebouw een
lokaal geven?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben niet bekend met deze groepering en deze acties. In zijn
algemeenheid kan ik zeggen dat ik vind dat er sprake van strafrecht en
normering moet zijn als een groepering zich daadwerkelijk antisemitisch
uit. Vanzelfsprekend moet daar door welk bestuur dan ook geen ruimte
voor worden gegeven. Maar ik heb me niet verdiept in de organisatie die
collega Boon noemt.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, mevrouw Bikker, voor uw verhaal. U heeft duidelijk gesproken
over hoe belangrijk Holocaustonderwijs is. In het kader daarvan is het
volgende ook belangrijk, ook richting de toekomst. We zien steeds meer
AI-beelden, nepbeelden, die de gebeurtenissen bagatelliseren. Dat is
ernstig. Ik maak me daar heel veel zorgen over. Daar zal ik de ministers
ook over bevragen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Bamenga (D66):
Ik zal wellicht ook met een voorstel komen. Hoe kijkt mevrouw Bikker
hiertegen aan?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor deze terechte en goede vraag. Ik heb daar ook met zorg kennis
van genomen. Ik denk dat het dan juist extra belangrijk is dat we
schoolkinderen laten zien wat er echt gebeurd is, zodat zij zelf die
spiegel hebben en zien hoe dat was. Eerder heeft collega Diederik van
Dijk goede voorstellen gedaan om ervoor te zorgen dat schoolklassen dat
Holocaustmuseum bezoeken. Ik ben wel benieuwd hoe het staat met de
uitvoering daarvan, maar ik vind ook dat er keihard gehandhaafd moet
worden op AI. Niet alleen degenen die de beelden verspreiden, maar ook
techbedrijven hebben hierin een verantwoordelijkheid. Die hoeven niet
naar de lucht te kijken, want het komt niet vanzelf online. Ook daar
zijn mogelijkheden om in te grijpen. Dat lijkt me uitermate verstandig.
Ik ben dus benieuwd naar de plannen van collega Bamenga, maar ik ben het
met hem eens dat het aangepakt moet worden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er zijn scholen die zeggen: wij gaan geen lessen geven over de Holocaust
en de Jodenvervolging, want dat roept heel veel weerstand op, onder
anderen bij ouders, maar ook bij leerlingen. Wat vindt mevrouw Bikker
dat we daaraan moeten doen? Hierover hoort op school namelijk gewoon les
gegeven te worden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zo is dat; hier moet les over gegeven worden. Ik vind ook dat dat stevig
in het curriculum, het lesprogramma, van scholen moet staan. Eigenlijk
vind ik dat als je hier geen les over hebt gehad, of je bent de klas uit
gegaan, of je hebt de leraar tegengesproken en hebt het niet tot je
genomen, dat je dan geen diploma verdient van een Nederlandse
onderwijsinstelling. Dat vind ik als ik even heel principieel voor
mezelf kijk. Alleen, ik heb in wet- en regelgeving gekeken hoe je dat
kunt vormgeven en ik vind dat enorm ingewikkeld. Wel vind ik dat
schoolbesturen hier veel meer leiderschap kunnen tonen. Dat was
natuurlijk het goede in het rapport van meneer Jaap Smit en zijn
kompanen in de taskforce — overigens dank ik hen zeer. Zij beginnen
eigenlijk telkens opnieuw met: "Leiderschap, leiderschap, leiderschap.
Spreek je duidelijk en publiekelijk uit tegen het overschrijden van
morele grenzen." Ieder schoolbestuur heeft ouders op het matje te roepen
als kinderen lesstof weigeren en de les verstieren, waardoor docenten
het niet aandurven om les te geven. Een scholengemeenschap is namelijk
geen knip voor de neus waard als ze dit zou skippen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar ben ik het hartgrondig mee eens, maar het zijn juist de ouders die
op scholen aangeven dat ze dat niet willen. Dat zie je in het rapport
van de taskforce. We hebben ook de afgelopen week, voorafgaand aan dit
debat, gesproken met de heer Verdoner. Hij geeft bijvoorbeeld aan dat
als het dan over de Holocaust of over de Jodenvervolging moet gaan, er
dan altijd iets bij gezocht wordt. Er wordt dan gezegd: "We gaan het
daarover hebben, maar dan moeten we het ook hebben over allerlei andere
dingen. We moeten daar een schurend debat over kunnen voeren." Maar
antisemitisme is gewoon antisemitisme. Je moet het gewoon over
antisemitisme hebben, zonder er van alles en nog wat bij te halen. Is
mevrouw Bikker het daarmee eens?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja. Ik denk dat ik dat vanmorgen ook duidelijk heb gemaakt met collega
Ellian in onze geplaatste opinie.
De heer El Abassi (DENK):
Mevrouw Bikker geeft terecht aan dat Kanye West verschrikkelijke
uitlatingen heeft gedaan over de Joodse gemeenschap. Ik heb mevrouw
Bikker nog niet gehoord over het feit dat Kanye West zijn excuses heeft
aangeboden via een brief en gezegd heeft dat zijn uitlatingen te maken
hadden met een ziekte. Als we dat meenemen, wat vindt mevrouw Bikker dan
nu van het toelaten van dit soort personen hier in Nederland?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Sowieso vind ik dat als iemand spreekt over zijn bipolariteit dat iets
kwetsbaars is, waar je voorzichtig mee moet omgaan. Maar iemand die een
miljoenenpubliek heeft en vorig jaar nog T-shirts verkocht met
swastika's erop en liedteksten zong met "Heil Hitler" en dus aan
naziverheerlijking doet voor miljoenen volgers, zo iemand moet de
gevolgen maar ervaren. Dan is het heel goed dat die meneer zegt "ik heb
spijt". Ga dat laten zien in het land waar je woont en laat het daar de
Joodse gemeenschap vooral merken, ook verder in je uitingen. Dan kan er
altijd, zeg ik dan maar, een moment komen van genade bij de
ChristenUnie. Maar dit is niet het moment. Als je een jaar geleden nog
deze rare, afgrijselijke teksten de ether in slingerde, met een groot
bereik onder ontzettend veel jongeren, dan vind ik dat wij in Europa, en
zeker in de landen waar de bladzijden het zwartst zijn, en dat is helaas
in Nederland zo ... Ik kan geen landen verzinnen in Europa waar zo veel
mensen van de Joodse gemeenschap zijn weggevoerd. Dat geeft een extra
verantwoordelijkheid. Ik weet heel goed dat het voor de minister lastig
is, want ik heb de regelgeving ook binnenstebuiten gekeerd, maar het
begint met een morele oproep. Je ziet dat dat effect kan hebben. Ik weet
heel goed dat het voor een privé-instelling zoals GelreDome ingewikkeld
is om zo iemand te weren, maar we zien dat voetbalclub FC Basel het ook
aankan. Dus ik zou zeggen: kom op, laat zien wat je moreel kompas
is.
De heer El Abassi (DENK):
Ik vind dat een goede: een moreel kompas. Hier is inderdaad sprake van
naziverheerlijking, maar dan zou ik mevrouw Bikker ook het volgende
willen vragen. Als mensen hier in dit huis uitlatingen hebben gedaan als
"gas geven als je een Jood ziet", "old habits die hard", "Heil Hitler
roepen is op zichzelf ook volkomen ongevaarlijk", "Mein Kampf: je leest
zes bladzijden, en je hebt meteen zin om Joden te vergassen" ...
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer El Abassi (DENK):
Wat vindt mevrouw Bikker ervan dat mensen in dit huis dit soort uitingen
doen, mensen die zonet achter de katheder hebben gestaan?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb me altijd duidelijk uitgesproken als collega's teksten uitslaan,
ook hier, die antisemitisch zijn of die haat verspreidend zijn. Ik hoor
dat de heer El Abassi nu collega's citeert waarvoor het lastig is om
zich nu in het debat te mengen. Die hebben daar later ook uitspraken
over gedaan. Ik ben altijd helder geweest: voor antisemitisme is geen
plaats. Als mensen dat als columnist of in welke uiting dan ook doen en
er is een kans op een misverstand, denk ik: neem die kans dan niet. Maar
dat is hoe ik in elkaar zit en waar ik duidelijk over ben. Niet voor
niets heb ik me ingezet, samen met collega Timmermans destijds, voor de
strafverzwaringsgrond van antisemitisme voor het geval dat er
daadwerkelijk antisemitisme is, zodat ook heel duidelijk is — ik ben
blij dat die Kamerbreed gesteund is — dat er in zo'n geval een
daadwerkelijke straf moet volgen en dat we het niet straffeloos laten
passeren. Als ik dan het gif zie dat onze samenleving doordrenkt en als
we dit rapport nemen, waarin staat hoe Joodse studenten niet meer over
het station durven gaan, niet meer een universiteit of hogeschool binnen
durven gaan, dan vind ik dat dat nu het allermeest op onze weg ligt om
aan te pakken en dan zou ook mijn vraag aan de minister zijn waar we
over vier jaar staan. Gaan we dit verder laten gebeuren of gaan we het
nu echt een halt toeroepen? Wat mij betreft gaan we het echt een halt
toeroepen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer El Abassi (DENK):
Inderdaad, er zomaar straffeloos vanaf komen, vind ik ook te
gemakkelijk. Daarom stel ik deze vraag ook, want ik ben van plan om een
motie te schrijven waarin we ons uitspreken over mensen in dit huis. Ik
vraag me dan af of we ook mevrouw Bikker aan onze zijde hebben als we
een motie indienen waarin we keihard uithalen naar dit soort mensen die
dit doen. We willen namelijk wel Kanye West verbieden om hier naar
Nederland te komen, maar tegelijkertijd hebben we hier mensen die aan de
macht zijn en aan de knoppen draaien die dit soort verschrikkelijke
uitspraken doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ga er volledig van uit dat de voorzitter het Reglement van Orde
handhaaft op het moment dat iemand dat nu hier zou zeggen. Ik heb dat nu
hier niet gehoord. Ik ga er ook van uit dat als collega El Abassi dit
zegt, hij met mij optrekt in het tegengaan van die rappers die allerlei
onzin uitkramen. Maar hier in dit huis, in deze Kamer — dat is mijn
laatste punt, voorzitter — is er, hoe gruwelijk het ook is, natuurlijk
een uitsluitingsgrond qua strafvervolging. Daarom spreken we elkaar aan
en hadden we net een discussie over de beroemde leus waar ik een grote
hekel aan heb, want daarvan heeft de Kamer ook gezegd dat die hier niet
uitgesproken mag worden. Zo zijn we onderling normerend.
De heer Ellian (VVD):
Zoals gewoonlijk vind ik dat u strak voorzit, voorzitter. Ik vind dat
als een collega over een andere collega "dit soort mensen" zegt, het wel
een beetje buiten onze omgangsvormen gaat. De heer El Abassi kan gewoon
zeggen: er is een collega hier die uitlatingen heeft gedaan en daar vind
ik iets van. Maar als we "dit soort mensen" zeggen en op die manier gaan
praten, zou dat niet goed zijn.
De voorzitter:
Ik waardeer het altijd, meneer Ellian, hoe u meedenkt met het voeren van
de orde, maar ik wijs erop dat ik hier zit en u deelneemt aan het debat.
Ik geef alle ruimte aan individuele volksvertegenwoordigers en
deelnemers aan het debat om als zij die behoefte voelen naar voren te
lopen en daarop te reageren. In dit geval wordt daar geen gebruik van
gemaakt. Dat mag ook.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb grote waardering voor de woorden van mevrouw Bikker over hoe zij
strijdt tegen antisemitisme. Ik deel die compleet. Ik begrijp dan alleen
niet waarom de fractie van de ChristenUnie zo terughoudend is met het
nemen van maatregelen om iets te doen aan de gigantische instroom van
asielzoekers. We weten allemaal dat die voor een groot gedeelte uit
islamitische landen komen. We weten ook allemaal uit internationaal
onderzoek dat in die landen antisemitisme vaak onderdeel is van de
discussie en bijvoorbeeld de opvoeding.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor de vraag, want dan kan ik meteen een misverstand wegnemen. De
ChristenUnie is zeer voor effectief asielbeleid, dat er ook voor zorgt
dat er minder mensen binnenkomen die hier niet horen te zijn. Daarom
hebben we bijvoorbeeld dat Europese Migratiepact gesteund; vorige week
was dat, geloof ik, in stemming hier. Ik ben toe aan beleid dat wel
werkt. Ik heb gezien in '23 hoe het kabinet viel, terwijl we ook al op
dat moment die Europese wetgeving veel meer hadden kunnen invoeren en nu
al verder hadden kunnen zijn. Ik heb gezien hoe het kabinet in '25 viel
omdat de PVV wegrende. Al die tijd hebben we het hier over allerlei nog
meer strenge wetgeving. De kern ligt in de Europese afspraken, in het
handhaven van die buitengrenzen en in het op tijd terugsturen van mensen
die hier niet horen te zijn.
Het tweede punt. Ik denk dat mevrouw Keijzer op zou knappen als ze de
integratieparagraaf uit het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie zou
lezen, want daarin zijn wij glashelder: mensen verhuizen hier niet
alleen fysiek heen als ze hier mogen zijn, maar zij hebben ook onze
Nederlandse normen en waarden te onderschrijven. Daar hoort bij dat wij
als vrouwen gerespecteerd worden in plaats van als onderdanig behandeld
worden. Omdat dit debat over antisemitisme gaat, hoort daar zeker bij
dat in dit land, met deze geschiedenis hier, mensen die van elders komen
die geschiedenis hebben te onderschrijven en ook hebben te weten dat de
Joodse gemeenschap hier veilig moet zijn en niet achter hekken moet
leven. Dus ik dank mevrouw Faber … Eh, mevrouw Faber niet, maar mevrouw
Keijzer. Excuus, ik moest aan de regering-Schoof denken en dan wordt het
zo één beeld. Maar zo was het totaal niet bedoeld. Ik dank mevrouw
Keijzer voor haar vraag, want dan kan ik dat misverstand wegwerken. Ik
ben voor een effectief werkend asielbeleid. Ik ben niet voor het
straffen van hulpverleners die een kop soep geven. Dat ging hier mis een
aantal maanden geleden. Gelukkig ligt er nu een migratiepact, waar dit
kabinet mee aan de slag kan. Kunnen ze er alsjeblieft mee aan de slag in
plaats van dat ze elkaar nu alsnog weer de tent uit gaan vechten?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ook over de integratie woorden die ik deel. Dat nog los van het feit dat
het leven helaas niet zo maakbaar is als de ChristenUnie vaak denkt dat
het is. We moeten hier geen migratiedebat van maken. Maar dat wat er in
de Europese wetgeving zit, zit een-op-een in de twee wetten waarvan er
in ieder geval één gesneuveld is. De fractie van de ChristenUnie zou wat
mij betreft wat meer moeten proberen om te voorkomen dat hier steeds
maar weer mensen naartoe komen die het antisemitisme, maar ook trouwens
de manier waarop ze omgaan met vrouwen, op een totaal andere manier
meekrijgen dan wij hier gebruikelijk en gewenst vinden. Hoezeer ik ook
de prachtige woorden die mevrouw Bikker spreekt over antisemitisme deel,
ben ik gewoon teleurgesteld dat de fractie van de ChristenUnie elke keer
weer een reden of een moment heeft waarop het niet nu met deze
asielbeperkende wetten moet.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nu gaan we wel de fase van onzin in, want ik leg net uit dat wij het
Europees Migratiepact hebben gesteund omdat het werkend asielbeleid is.
Ik heb het altijd gesteund en er zelfs … Ik heb hier gezeten voor een
initiatiefwet om antisemitisme met een strafverzwarende grond aan te
pakken. Waarom? Omdat ik wil dat niemand hier in Nederland, of diegene
nou Nederlander is, hier als toerist rondrent of op welke grond dan ook,
die het onze Joodse gemeenschap lastig maakt, straffeloos wegkomt. Ik
vind het echt een gotspe als ik dan voor de voeten geworpen krijg dat
het aan de ChristenUnie zou liggen. Dat slaat nergens op. Wel ligt het
aan een kabinet dat buitelt van ophef naar ophef in plaats van aanpak
naar aanpak. Ik zal altijd maatregelen steunen die effectief zijn. Als
het gaat om de strafbaarstelling illegaliteit — daar willen we het nu
vandaag niet over hebben — maken we een andere afweging, ook vanwege de
veiligheid en ook vanwege de lessen uit de afgelopen jaren. Maar nooit
en te nimmer zal dat gaan over de integratie. Daar ben ik streng in en
daar zal ik streng in blijven.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mevrouw Keijzer … Nee, voorzitter, afrondend. Dank u wel. Mevrouw
Keijzer zegt er geen migratiedebat van te willen maken, maar vervolgens
stelt ze wel telkens migratievragen. Ze moet me dus niet verwijten dat
ik daarop inga. Ik denk ook niet dat het zo maakbaar is als collega
Keijzer zegt, namelijk dat alleen een wet ons land verandert, ongeacht
welke asielwet dan ook. Ik denk wel dat we met elkaar werk hebben te
maken van het terugsturen van mensen die misdaden begaan. Daar kunnen we
elkaar denk ik in vinden.
De voorzitter:
Afrondend. Kort en bondig, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, voorzitter. Maar met de keuzes die de ChristenUnie maakt, is het
helaas wel dweilen met de kraan open.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nou gaan we wéér. Ik geef duidelijk aan dat als er al eerder voor zou
zijn gekozen om dat Migratiepact uit te voeren in plaats van allerlei
eigen wetten — mevrouw Keijzer zegt zelf dat daar ook heel veel in zit
van wat er in die noodwet en de tweestatuswet zit — we meteen aan de
slag zouden zijn gegaan met wat daadwerkelijk wél werkt. Daar knappen de
mensen van op. Dan sturen we mensen terug, dan reizen mensen niet meer
heel Europa door. Dat zou heel goed zijn.
Maar terug naar het antisemitisme in onze tijd, voorzitter. Ja, ik heb
dat bij sommige religieuze gemeenschappen gezien. Ik heb in het
christendom, in het verre verleden, teruggekeken. Maarten Luther sprak
zich antisemitisch uit en daar heeft het christendom zich rekenschap van
te geven, elke dag opnieuw. Ik zie dat nu gebeuren in islamitische
kring. Dan hebben wij ons daar als Nederlandse samenleving over uit te
spreken. Ik zie het ook gebeuren in extreemrechtse kring. Laten we niet
doen alsof er maar één groep is; helaas is dat niet het geval, zou ik
zeggen, want dat zou het veel eenvoudiger maken. Bij al die groepen waar
het gebeurt, vind ik dat onze overheid dit soort daden niet straffeloos
kan laten, maar ik vind dat we hebben te staan voor onze gedeelde normen
en waarden. Laten we dat samen uitspreken in plaats van elkaar de maat
te nemen; we staan hierbij hopelijk allebei voor een werkend
asielbeleid.
Voorzitter, ik rond af. We gedenken bijna 4 en 5 mei, een kostbaar
moment in onze geschiedenis, waarop we teruggaan naar de verschrikkingen
die er geweest zijn; ook weten we wat voor land we willen zijn. Dan
zeggen we: dit mag nooit meer gebeuren. Als we dat echt menen, is het de
hoogste tijd om daarnaar te handelen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng
namens de BBB in de eerste termijn. Ik zou de leden er echt allen op
willen wijzen dat we het bij het onderwerp van het debat houden en er
inderdaad geen asiel- en migratiedebat van maken, want ook dat mag in
dit huis, maar dan moeten we dat echt bij een andere gelegenheid doen,
want dat is niet het onderwerp dat vandaag geagendeerd staat. Het woord
is aan mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Het antisemitisme, oftewel de Jodenhaat, in Nederland neemt
al jaren weer toe. Het collectieve geheugen van veel mensen is kennelijk
flink aangetast, want nog maar ruim 80 jaar geleden werden miljoenen
Joden in de concentratiekampen gemarteld en vermoord, vergast. En
waarom? Omdat ze Joods waren. In propvolle veewagens maakten vaders,
moeders, kinderen, opa's, oma's en zelfs baby's een helse rit om vaak
bij aankomst in Auschwitz of in andere kampen rechtstreeks naar de
gaskamers te worden gedreven. Gebeurde dit van de ene op de andere dag?
Nee. Hier gingen vele jaren van antisemitisme en Jodenvervolging aan
vooraf. Het begon met het uitschelden van Joden, het weigeren van Joden
in winkels, theaters en scholen, het oproepen om niets meer van Joden te
kopen, het uitsluiten van Joden, het mishandelen van Joden, het spotten
met Joodse kenmerken, het de schuld geven van Joden van alle ellende in
de wereld, het bekladden van huizen en winkels van Joden, en
brandstichting op Joodse doelen. Wat klinkt dit me bekend in de oren,
want nu, 80 à 90 jaar later, gebeurt dit allemaal weer opnieuw. Alsof
dat nog niet erg genoeg is, zien veel mensen de parallellen niet of
bagatelliseren ze het, want dan komt er een "ja, maar". Er is geen "ja,
maar" bij antisemitisme! Antisemitisme is antisemitisme. Jodenhaat is
Jodenhaat. Punt. Daar horen we allemaal tegen op te staan.
Voorzitter. In heel 2024 heeft het Openbaar Ministerie in 80 zaken
mensen vervolgd voor antisemitische discriminatie. Dat is 37% van alle
discriminatiezaken, terwijl de Joodse Nederlanders nog geen half procent
van onze bevolking vormen. Antisemitisme woekert als een onkruid door
Nederland. Voor de Tweede Wereldoorlog woonden er 140.000 Joden in
Nederland en nu wonen er nog maar zo'n 50.000 in Nederland. Daarom
moeten we antisemitisme ook bestrijden. Er zijn 100.000 Nederlandse
Joden vermoord in de Tweede Wereldoorlog, alleen maar omdat ze Joods
waren. Er is in ons land geen vergelijkbare vervolging geweest van welke
bevolkingsgroep dan ook. Het rapport Gevangen in vrijheden van de
taskforce laat precies zien wat er gebeurt. Op alle universiteiten en
hogescholen zijn incidenten, honderden acties. Sinds 2023 gingen
tientallen protesten gepaard met ernstig geweld tussen politie en
demonstranten. Universiteiten noemen het "onacceptabel" dat Joodse
studenten en docenten zich niet veilig voelen of niet veilig zijn op
universiteiten. Onacceptabel! Dat moet dan gevolgen hebben, zou je
zeggen, maar wat doen de universiteiten? Ze hebben een dialoogmaker
aangesteld om met elkaar schurende debatten te voeren. Ja, echt! Hou
hiermee op! Waarom moet een Joodse student of een Joodse docent zich in
een schurend debat verantwoorden voor het Joods zijn? Het is één grote
slappe hap op de universiteiten. Ga weg met "een schurend debat"! Zorg
ervoor dat Joden veilig zijn! Hoe gaan we daar nou eindelijk eens een
keer voor zorgen, vraag ik de ministers.
Voorzitter. Het valt mij op dat in het rapport van de taskforce
zogenaamde dilemma's van schoolbestuurders worden geschetst. Moet je een
spandoek met "Get rid of zionist scum" weghalen omdat dat onaanvaardbaar
is of laat je dat hangen uit angst voor escalatie of omdat het juridisch
misschien niet kan worden verwijderd? Dit soort teksten is onversneden
antisemitisme. Keiharde Jodenhaat! Waarom grijpt het kabinet nog steeds
niet in als dit soort drek, dit soort drek, op universiteiten wordt
uitgebraakt? Volgens de taskforce is de bestuurlijke ruimte er namelijk
wél, maar wordt die niet altijd gebruikt. Wat gaat het kabinet hieraan
doen?
Voorzitter, ik rond af. Joden durven zich niet eens meer te laten zien
op straat, laat staan op de universiteiten; letterlijk en figuurlijk
niet. Als ze het al durven, dragen ze geen keppeltje of een andere
uiting van hun Joods zijn. Het is toch schandalig? Ja, het recht op
demonstratie is er, maar waar is het recht van Joden om zich veilig te
voelen? Waar is het recht van een Joods kind om veilig naar school te
gaan?
Voorzitter. Ik zeg tot slot: er is geen "ja, maar" bij Jodenhaat,
nooit.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Lammers voor haar inbreng namens de Groep
Markuszower. Gaat uw gang.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Een aanslag op een synagoge, een aanslag op een
joodse school, een Jodenjacht in Amsterdam, openlijke haatdemonstraties
vol Jodenhaat op stations, campusbezettingen en universiteiten waar
Joodse studenten zich zeer onveilig voelen: dat is Nederland anno 2026.
Antisemitisme heeft een nieuw jasje aangetrokken, maar het is hetzelfde
oude dodelijke gif. Het noemt zich tegenwoordig "antizionisme",
"anti-Israël" of "mensenrechtenactivisme". Maar als je het recht van
Israël om te bestaan ontkent, Joden collectief verantwoordelijk houdt
voor alles wat er in de wereld gebeurt, Joodse studenten intimideert en
Joodse instellingen tot doelwit maakt, dan heeft dat niets, maar dan ook
niets, te maken met politiek. Dan is dat puur antisemitisme.
Universiteiten, ooit bakens van vrijheid, zijn verworden tot
broedplaatsen van antisemitisme.
Voorzitter. Het rapport van de Taskforce Antisemitisme komt opnieuw met
een lijst van maatregelen, maar ik zeg u: antisemitisme groeit niet door
een gebrek aan regels. Het groeit door een gebrek aan ruggengraat, door
bestuurders die bewust wegkijken, bagatelliseren en hun
verantwoordelijkheid ontlopen, en door politici die niet durven te
zeggen waar de Jodenhaat vandaan komt of een aanslag op een joodse
school afdoen met een "emotiegesprek". Nederland importeert al jaren
antisemitisme. We halen mensen binnen uit landen waar Jodenhaat diep
verankerd is in de cultuur, in de religie, in het onderwijs en in de
media. In het Midden-Oosten worden nog altijd Mein Kampfedities
verkocht. De IDF vond een Arabisch exemplaar in Hamasschuilplaatsen en
zelfs in kinderkamers. De grootste groep die tegenwoordig naar het azc
in Ter Apel komt, is de groep Palestijnen. 70% van hen steunde de
massamoorden van 7 oktober. Dat is de haatcultuur die wij binnenhalen.
We zijn een miljoen Ruttevluchtelingen verder en we doen alsof dit ons
overkomt. Hoe naïef is het kabinet? We zijn kampioen in wegkijken. Dat
is dezelfde houding die de Holocaust doorgang heeft laten vinden. In
zo'n klimaat gaan woorden onvermijdelijk over in daden, want waarom ook
niet? De prijs om anti-Joods te zijn is in Nederland laag, veel te
laag.
Ministers, er moet hard worden opgetreden. Studenten die terrorisme
verheerlijken of een universiteit bezetten of aan gort slaan, krijgen
een campusverbod en verliezen hun studievisum. Universiteitsbestuurders
die Joden niet beschermen worden aangepakt. De minister geeft de raad
van toezicht een aanwijzing en zij worden ontslagen. Antisemitische
demonstraties worden direct verboden en met harde hand beëindigd, en er
komt een verbod op demonstraties op stations.
De voorzitter:
Kunt u afronden?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ja, ik ben er bijna. Graag een reactie van beide ministers.
Voorzitter. Antisemitisme begint bij de Joden, maar het blijft daar
nooit bij. De christenen zijn de volgenden. Wat wij hier in Nederland
moeten doen, is het antisemitisme uitroeien, niet alleen om de Joden te
beschermen, maar ook om onze maatschappij te beschermen tegen verder
verval. Want wie de Joden niet eens kan beschermen, is geen
beschaving.
Dank u wel.
De heer El Abassi (DENK):
Ik hoor mevrouw Lammers ook kritiek hebben op het antizionisme. Ik zou
mevrouw Lammers iets willen vragen. Zionisme is het gedachtegoed
waardoor de Palestijnen worden verdreven uit hun staat. Die gebieden
worden overgenomen. We zien al dat die gebieden steeds kleiner worden
voor de Palestijnen. Hoe kan je tegen antizionisme zijn? Hoe kan je voor
het zionisme zijn?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Zoals ik al zei, heeft Israël het recht van bestaan. Als je dat ontkent,
ontken je dus eigenlijk dat Joden een plek hebben om te leven.
De heer El Abassi (DENK):
Dat is niet wat ik vroeg. Mevrouw Lammers heeft het over het
bestaansrecht van Israël. Ik heb het over het recht om mensen te
verdrijven uit hun land. Dat recht bestaat volgens mij niet, maar dat
gebeurt nu wel in dat land, vanuit het zionistische gedachtegoed. Dat
weet mevrouw Lammers toch wel? Wat is haar mening over het feit dat
Palestijnen vanuit een zionistisch gedachtegoed uit hun gebieden worden
verdreven, in strijd met het internationaal recht?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik blijf bij mijn antwoord. Israël heeft het recht om te bestaan. Als je
dat niet erkent en je Joden voor alles verantwoordelijk houdt, draag je
niet bij aan het terugdringen van antisemitisme.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer El Abassi (DENK):
Ik merk dat mevrouw Lammers er niks van snapt. De Palestijnen zijn
semieten. Ik merk dat deze Palestijnen vanuit uw oude partij zijn
uitgemaakt voor nepvolk. En ik merk dat u vanuit uw huidige partij het
verdrijven van Palestijnen goedkeurt. Er wordt gewezen naar anderen met
betrekking tot antisemitisme, maar het is eigenlijk uw partij die hier
antisemitisme verkondigt.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik ga daar niet op reageren.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn inbreng in eerste
termijn namens de VVD.
De heer Ellian (VVD):
Voorzitter, dank. Geen lange inleiding of mooie woorden van mij, want
waar we zo lang voor waarschuwden, is nu de realiteit. De geest is uit
de fles en antisemitisme viert hoogtij. Op dit moment is de realiteit
aan de keukentafel bij Joodse mensen of Joodse gezinnen de vraag:
blijven we of gaan we? "Gaan we?" betekent dan: gaan we naar Israël? Het
cynische en haast superverdrietige daaraan is dat veel Joodse
Nederlanders helemaal niet noodzakelijk pro-Netanyahu of pro die
regering zijn. Toch geloven zij dat ze daar veiliger zijn dan in
Nederland, en geloven zij niet meer dat Nederland de veiligheid van de
Joodse gemeenschap kan waarborgen.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat wel begrijp. Er is maar één groep die
altijd als collectief wordt aangesproken, en dat is de Joodse
gemeenschap. Zoals de columnist Bart Nijman mooi schreef: "De Turkse
bakker of het Chinese restaurant wordt nooit aangesproken, maar welke
groep in Nederland wel altijd? De Joodse gemeenschap." Kennelijk staat
het regelgevende kader, waar wij over gaan, dat dus oogluikend toe. Hoe
kan het namelijk dat gesubsidieerde instellingen, met name overigens in
onze hoofdstad, bewust Joodse artiesten weigeren? Ik hoorde deze week
nog een voorbeeld van twee organisatoren. De vraag was of ze een Joodse
artiest uit de line-up wilden halen. Dat is onderscheid maken. Wat gaat
de minister van Onderwijs en Cultuur daaraan doen? Dat vraag ik via u,
voorzitter.
Maar dit geldt ook voor universiteiten. De universiteiten zeggen massaal
samenwerkingen op met Israëlische universiteiten. Joodse studenten zijn
vogelvrij, Joodse medewerkers ook. Maar samenwerken met het ministerie
van Volksgezondheid in Iran is kennelijk goed. Daar wordt niemand op
aangesproken. Ik vraag de minister van Onderwijs om een reactie. Met
name vraag ik haar ook om het volgende. De Joodse docenten, de
wetenschappelijk medewerkers, voelen zich nog steeds vogelvrij. Zij
zeggen: als wij moeten klagen, moeten we klagen bij diezelfde
universiteit en dan kom je meteen in een verstoorde arbeidsrelatie
terecht. Zij geven aan dat niemand voor hen opkomt. Wat gaat deze
minister daaraan doen, zeker gelet op haar achtergrond als voorzitter en
ook als wetenschapper?
Voorzitter. Als ik een stap maak naar de concrete veiligheid van de
Joodse gemeenschap, dan is de dreiging vanuit het islamitische regime
van Iran een gegeven. Ik wil de minister van JenV dus vragen geen
discussies meer te voeren over dreigingsanalyses. De Joodse gemeenschap
is wereldwijd een concreet doelwit van terrorisme. Bedenkt u zich eens
het volgende. Hoe normaal is het dat als je bij elkaar wil komen of een
feestje wil vieren, je eerst moet nadenken over het regelen van de
beveiliging en dat je daar nota bene dan ook zelf voor moet betalen?
Nergens anders zouden we dat normaal vinden. Dus ik wil de minister
vragen: wat kunnen we doen om deze last van het moeten regelen van de
beveiliging te verminderen? De Joodse gemeenschap draagt ook al de last
van het onveilig zijn. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister
van JenV.
Voorzitter. De onveiligheid wordt natuurlijk ook gevoed door mensen die
hier demonstreren, misschien soms met goede bedoelingen, maar eerlijk
gezegd soms ook niet. Demonstreren is mooi, maar ik zie de afgelopen
weken de vlag van het Iraanse regime naast pro-Palestinavlaggen. Wat
zeggen die mensen dan? Dan zeg je dus dat je voor een sjiitisch kalifaat
bent, gebaseerd op de sharia, met als uitgangspunt de vernietiging van
Israël en de Joden. Hoe kan het dat die vlag nog steeds in de
Nederlandse straten te zien is? Laat er geen misverstand over bestaan:
de VVD zal zich ervoor inspannen om dit onmogelijk te maken, want dit
moet niet kunnen en dit draagt bij aan de onveiligheid van die
gemeenschap, die overigens 0,01% van Nederland beslaat.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Diederik van Dijk. Hij
stond als eerste op.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank aan de heer Ellian voor zijn ook heel geladen woorden. Ik vrees dat
hij gelijk heeft. Mijn vraag gaat over de universiteiten. De veiligheid
van Joodse studenten en docenten wordt onvoldoende geborgd, zegt de heer
Ellian. Tegelijkertijd heeft de taskforce geconstateerd dat de wetgeving
eigenlijk prima op orde is en dat de gereedschapskist vol genoeg zit.
Wat zegt dat? Wat betekent het dat die veiligheid toch niet gegarandeerd
wordt, terwijl de gereedschapskist er ligt?
De heer Ellian (VVD):
Laat ik beginnen met aangeven dat ik de taskforce ook vanaf deze plek
dank voor zijn grondige werk. Ik weet dat de taskforce vele gesprekken
heeft gevoerd. Er ligt een duidelijk rapport dat goed inzichtelijk maakt
hoe het systeem werkt. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat
bestuurlijke moed vraagt van universiteitsbestuurders. Als ik die Joodse
medewerkers spreek, dan zeggen ze dat ze vogelvrij zijn en dat men hen
niet verdedigt. De Joodse studenten zeggen hetzelfde. Er zit een
piepklein beetje verbetering in hun situatie, begrijp ik, maar aan het
einde van de dag komen de universiteiten niet voor deze groep op. Het is
natuurlijk een vraag aan de minister van Onderwijs. Daarom had ik het
ook over haar vorige rol. Het begint er denk ik mee dat zij daadkracht
uitstraalt en ook tegen de universiteitsbesturen zegt: ik reken erop dat
u uw Joodse medewerker veilig houdt, net als de Joodse student.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie. We hebben de geschreven reactie van de
universiteiten gezien. Ze zeggen dat ze de aanbevelingen overnemen en
hard aan de gang gaan. Maar stel nou dat we over een halfjaar
constateren dat het er niet van is gekomen. Welke consequenties zou dat
dan moeten hebben?
De heer Ellian (VVD):
De heer Van Dijk weet dat je vanaf deze plek nooit moet antwoorden op
als-danvragen. Ik kan niet in de toekomst kijken. Ik constateer dat er
een rapport ligt en dat het probleem megagroot is. Ik constateer ook dat
vele collega's hier ervan uitgaan dat deze minister hier echt werk van
maakt. Ik hoop eigenlijk dat de dag een keertje aanbreekt dat we dit
gesprek niet met elkaar hoeven te hebben. Laat ik er niet op
vooruitlopen, maar dit is superbelangrijk voor de VVD-fractie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik heb met veel instemming en interesse geluisterd naar de heer Ellian
en ben het eigenlijk met ieder woord eens. Ik heb nog wel een
verhelderende vraag over de aanpak hiervan. Zou het bij bijvoorbeeld
zo'n campusbezetting niet raadzaam zijn om ervoor te zorgen dat
universiteiten standaard aangifte doen van zoiets? Wat is daarover het
oordeel van de VVD?
De heer Ellian (VVD):
Die campusbezetting en de rellen aan de UvA ... Hoe kan het — ik hoop
dat de minister van JenV goed luistert, want ik weet dat hij dit
belangrijk vindt — dat er Arabischsprekende mannen zijn met een keffiyeh
die geen Nederlander zijn en geen student? Je kunt gevoeglijk aannemen
dat dat buitenlandse invloeden zijn; deze woorden zijn voor mijn
rekening. De universiteiten, maar ook de driehoek, moeten daar scherp op
zijn. Er moet absoluut aangifte gedaan worden, want daarmee start je het
strafrechtelijk proces. Dat is namelijk het enige antwoord op
intimideren en rellen, want dit kun je geen demonstratie meer
noemen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik bevestig deze waarneming. Ik heb dat met eigen ogen gezien, onder
meer op Roeterseiland en bij de Oudemanhuispoort in Amsterdam. Ik heb
ook gezien dat de vlag van Samidoun daar openlijk was. Dat is een nare
club die het kalifaat nastreeft. Ook waren er inderdaad gemaskerde
mensen die Arabisch en geen Nederlands spraken. Er waren ook
politiemensen die in hun eigen taal met hen in gesprek gingen. Ik vroeg:
waarom doet u dat? Toen was het antwoord: nou, dan houden we in ieder
geval een beetje zicht erop. Ik snap dat ergens nog wel, maar ik vind
het ook levensgevaarlijk. Ik ben benieuwd hoe de VVD-fractie daarnaar
kijkt. Is dat nou het accommoderen van de aanwezigheid en het gedrag of
iets waar je toch echt niet in mee zou moeten gaan? Dat gesprek tussen
een Nederlandse agent en een gemaskerde infiltrant ontgaat mij namelijk
als Nederlandse burger.
De heer Ellian (VVD):
Ik was niet ter plaatse zoals mevrouw Nanninga. Ik constateer dat dit
geen demonstreren meer is. Ik vraag me in alle oprechtheid ook af of die
demonstraties nog gaan over wat je emotioneel vindt over bijvoorbeeld
het welzijn van de Palestijnen of dat ze een hele andere intentie
hebben. Het bezetten en vernielen van een gebouw is nooit een vorm van
je mening uiten. Ik zie de beelden nog voor me van bakstenen en dingen
die gegooid werden. Ik zou willen dat er stevig was opgetreden. Ik
herinner me dat het vrij lang duurde voordat er contact werd gelegd met
de politie. Goed, ik wil niet die hele casus analyseren, maar dit hoort
niet. Wij moeten met elkaar uitstralen: dat gaan we niet doen; als u dat
wel doet, dan is het strafrecht het antwoord. Dat geldt ook voor het
gezag.
De heer Boon (PVV):
Dat is een mooie tekst van de heer Ellian. Ik ben het helemaal met hem
eens dat bestuurders moeten ingrijpen. Dan hebben we de vorige
bestuurder van de Universiteit Maastricht. Die gaf Free Palestine
Maastricht een kantoor. Dat is gewoon een antisemitische organisatie die
meerdere keren echt opgeroepen heeft tot geweld, bijvoorbeeld met "kill
all zionists". Ze hebben lofzangen gehouden op het terroristische en
antisemitische regime in Jemen. Ze riepen op tot een intifada. Die
vorige bestuurder heeft niet ingegrepen. Die heeft het antisemitisme op
de Universiteit Maastricht zelfs gefaciliteerd. Vindt u dat deze
minister van Onderwijs de huidige bestuurder van de Universiteit
Maastricht moet oproepen om het kantoor van de antisemitische groep Free
Palestine Maastricht direct te sluiten?
De heer Ellian (VVD):
Ik begin veel met constateringen, want ik denk dat het met elkaar scherp
hebben van de feiten — die feiten zijn vrij bedroevend — helpt om
vervolgens het antwoord te vinden op de vraag: wat moeten we doen? Ik
constateer dat dat kantoor er is. Ik constateer dat ik zowel Joodse
studenten als Joodse medewerkers heb gesproken die zich enorm onveilig
hebben gevoeld en voelen. Dan constateer ik: daar moet iemand wat aan
doen. Als niemand daar wat aan doet, dan zijn die studenten en
medewerkers dus vogelvrij verklaard. Deze minister heeft een rol als
bewindspersoon namens de regering. Ik ga ervan uit dat zij, ongeacht of
het haar vorige werkplek is of niet, daar bovenop zit en dat het voor
haar geen probleem zou moeten zijn om, indien nodig, een stevig gesprek
met die bestuurders te voeren. Sterker nog, het kan een voordeel zijn
dat deze minister kan zeggen: ik weet dat het lastig is, maar zo gaan we
het doen. Daarmee bedoel ik zorgen voor een veilige omgeving voor de
Joodse studenten en medewerkers.
De heer Boon (PVV):
Een gesprek is leuk en daar ben ik ook helemaal voorstander van, maar
als dat kantoor openblijft, hoe kan er dan in hemelsnaam ooit een
veilige plek voor die medewerkers en studenten zijn? Dat kantoor moet
gewoon dicht. We kunnen wel allemaal gesprekken en dialogen hebben, maar
dat kantoor moet gewoon dicht. Staat de VVD aan de zijde dat het kantoor
van Free Palestine Maastricht eigenlijk morgen dicht moet?
De heer Ellian (VVD):
Op zich ben ik het eens met de essentie van wat de heer Boon zegt.
Alleen, ik vind ook dat ik een beetje moet bewaken dat we nu niet per
universiteit ... Ik vind: alle universiteiten in Nederland, waar dan
ook, moeten niet willekeurig samenwerkingen opzeggen met Israëlische
partners; die moeten een veilig klimaat garanderen voor Joodse
medewerkers en docenten. De acties die daarbij nodig zijn, moeten
ondernomen worden. Na jaren een toename van antisemitisme mag ik toch
hopen dat deze minister daar namens dit kabinet ook echt wat aan gaat
doen en paal en perk stelt aan degenen die die onveiligheid creëren.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Maar — hoe was het ook weer? — resultaten uit het verleden bieden geen
garanties voor de toekomst. Hoe gaat dat er dan uitzien? Ik heb hier de
reactie van de voorzitter van de Vereniging van Universiteiten voor me
liggen, namelijk: "Wij staan pal achter hen." Universiteiten moeten voor
iedereen een veilige plek zijn, maar als je over de afgelopen twee jaar
terugkijkt, zie je het tegenovergestelde.
De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Keijzer?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wat is er nodig om ervoor te zorgen dat deze minister … Het is lastig,
want nog niet zo heel lang geleden was ze de baas van een universiteit,
waar ze er ook een zooitje van maakte.
De heer Ellian (VVD):
Kijk, ik heb in de beantwoording richting de collega's een paar dingen
gezegd. De universiteiten moeten bestuurlijke daadkracht tonen. Ik zie
wat mevrouw Keijzer ook ziet. Dat was behoorlijk afwezig de afgelopen
twee jaar. Dan heeft de minister de rol om hen daarop te wijzen en te
zeggen: goh, wij verwachten iets anders van u. Joodse medewerkers,
docenten en wetenschappelijk medewerkers, zitten natuurlijk in alle
gevallen met de gebakken peren. Zij kunnen met hun onveiligheid naar de
uni gaan. Dat is hun werkgever. In de regel is het antwoord: "Ja, maar
het is toch een beetje ingewikkeld. Je bent Joods en pro-Israël." Maar
het is wel hun werkgever. Het is een arbeidsrelatie. Ik denk dat het zou
helpen als zij naar een onafhankelijke plek toe kunnen, die vervolgens
de universiteit kan aanspreken en kan zeggen: u wordt geacht in actie te
komen, ook op basis van wat er in het rapport staat. Want de Joodse
docenten kunnen nu eigenlijk nergens naartoe. Kijk, als het allemaal
niet werkt … Ik wil niet alle hoop opgeven. Maar laten we beginnen met
wachten op het antwoord van de minister. Ik hoop dat zij dit tot
chefsache voor zichzelf maakt.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat vind ik een mooie vraag aan de minister: voelt zij dit als
chefsache? Haar staat van dienst tot nu toe geeft mij weinig vertrouwen.
Het gaat niet alleen om deze universiteit en het gaat niet alleen om
Joden, want als jij als niet-Israëlische staatsburger het woord wilde
voeren op een universiteit en niet aan de kant van de Pali-demonstranten
stond, werd jou het spreken ook onmogelijk gemaakt. Dus welke termijn
legt de VVD-fractie dan neer voor deze minister, ook om ervoor te zorgen
dat er iets verandert aan de universiteiten?
De heer Ellian (VVD):
Eigenlijk gisteren. Het is natuurlijk volstrekt abominabel dat wij dit
hier bespreken, terwijl de medewerkers en de studenten al jaren …
Sommigen die ik gesproken heb — volgens mij was het bij hen allemaal —
zeiden met tranen in hun ogen: "Maar wie verdedigt ons? Dat moet toch de
universiteit zijn, want dat is een plek voor iedereen." Dus liever
gisteren dan vandaag. Laten we even kijken of dit chefsache is voor deze
minister. Dat mag ik aannemen. Anders kunnen wij het overigens vanuit de
Kamer chefsache maken. Dit moet snel veranderen. Het moet niet zo zijn
dat ik, als ik over zes maanden met deze medewerkers spreek, het
antwoord krijg dat er nog niks is gebeurd. Dit moet rapido. Ik ben een
fan van dat woord. Iedereen die mij kent, weet dat ik graag "rapido"
gebruik. Dat betekent: snel.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is dus niet over zes maanden. Dus ik stel mij zo voor dat we met
elkaar afwachten wat de minister te melden heeft. Niet alleen woorden,
maar daden.
De heer Ellian (VVD):
Ja. Mevrouw Keijzer en ondergetekende zijn het eens, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ellian.
De heer Ellian (VVD):
U bedankt, voorzitter.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Van den Brink, voor zijn inbreng namens het
CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Meneer de voorzitter. Iedereen heeft het weleens: een liedje in zijn of
haar hoofd. Waar het vandaan komt, weet je vaak niet. Hoe je het weer
weg krijgt trouwens ook niet. Ik had het de afgelopen weken met een
liedje van Herman van Veen, oorspronkelijk van Jacques Brel: Een vriend
zien huilen kan ik niet. Collega's zullen het misschien kennen. Het
betreft één specifieke zin uit dat lied. "Geen moed genoeg om Jood te
zijn", zingt Herman van Veen. Het zinnetje schoot me te binnen tijdens
de voorbereiding op dit debat, tijdens het lezen van stukken en tijdens
het voeren van gesprekken met mensen uit de Joodse gemeenschap. "Geen
moed genoeg om Jood te zijn": het schoot me te binnen en het liet me
niet meer los.
Het is namelijk dieptreurig maar waar: er is vandaag in ons land moed
nodig om Jood te zijn. Er is moed nodig om met een keppel op door
sommige wijken van ons land te lopen, want word je niet bespuugd of
beschimpt? Er is moed nodig om je kind naar Joodse les te brengen, want
is dat eigenlijk wel veilig als er 's nachts explosieven aan de deur van
een school zijn aangebracht? Er is moed nodig om op de universiteit
openlijk Joods te zijn. Voor je het weet, word je gepest of
geïntimideerd.
Voorzitter. De Joodse gemeenschap in ons land loopt gevaar. Dat is niet
alleen het probleem van de Joodse gemeenschap, maar van de hele
samenleving. Als antisemitisme kan aarden, is de aarde rot. Wij zijn met
z'n allen die aarde, dus wij hebben met z'n allen een probleem. We
kunnen vandaag natuurlijk naar het kabinet kijken en vragen wat het
kabinet doet om de veiligheid van Joden te waarborgen, maar dat hebben
we al zo vaak gevraagd. Het kabinet doet gelukkig veel. Volgens mij is
het kabinet vandaag het probleem niet, al heb ik straks nog wel een
aantal vragen.
Meneer de voorzitter. Het probleem zit in onszelf. Dat was zo voor en in
de Tweede Wereldoorlog, toen Jodenhaat welig tierde in het door het
christendom gestempelde Europa, en het is vandaag de dag nog steeds zo.
Want dat er moed nodig is om Joods te zijn, komt ook door het gebrek aan
moed van ons niet-Joden. Als er in een appgroep van een politieke
jongerenorganisatie antisemitische opmerkingen worden gemaakt, durf jij
er dan wat van te zeggen? Als jij geloofsgenoten antisemitische
statements hoort maken, kom je dan in actie? Als een Joodse organisatie
jouw zaal wil huren, heb je dan de moed om dat gewoon te doen en te gaan
staan voor de veiligheid? Als je als burgemeester kunt vermoeden dat in
jouw stad Joden belaagd gaan worden, bijvoorbeeld bij de opening van een
museum, heb je dan de moed om de gevoelens van de Joodse gemeenschap
zwaar te laten wegen en de demonstratie misschien toch een stukje te
verplaatsen? En als er bij jouw fonds een aanvraag binnenkomt voor een
bijdrage aan de vernieuwing van een herinneringskamp, kijk je dan even
de andere kant op, omdat zo'n bijdrage nu misschien niet zo lekker valt,
of zeg je: juist nu moeten we niet vergeten?
Het heeft er alle schijn van dat onze samenleving een terugtrekkende
beweging maakt. We kijken te vaak de andere kant op als Joden in de
problemen dreigen te komen. Het is hoog tijd dat we ons niet
terugtrekken, maar juist een stap vooruitzetten, een stap naast, voor en
achter de Joodse gemeenschap. En dat kan. Jaap Smit van de al genoemde
taskforce zegt het heel duidelijk in zijn rapport: met de regels is niet
zo veel mis. Er is voor bestuurders van universiteiten, voor eigenaren
van stations, maar ook voor burgemeesters genoeg ruimte om op te komen
voor de sociale veiligheid van Joden. Maar dan moet je die ruimte wel
benutten. Dan moet je moed hebben.
Meneer de voorzitter. Ik heb toch een paar vragen aan de regering. Hoe
staat het met het onderzoek naar de aanslagen op een synagoge in
Rotterdam en een Joodse school in Amsterdam? Klopt het dat het hier niet
zozeer gaat om antisemitische aanslagen, maar om aanslagen met een
terroristisch motief? Zo ja, wat betekent dat voor de aanpak? Zou u
alstublieft de strijd tegen online antisemitisme willen intensiveren? Op
sommige socialemedia-accounts is antisemitisme nooit ver weg; na twee
kliks walmt het je tegemoet. Daar moet wat de CDA-fractie betreft echt
veel strakker op gehandhaafd worden. Daar zal ik straks een motie over
indienen.
Meneer de voorzitter. Geen moed genoeg om Jood te zijn. In sommige
tijden is er extra moed nodig. Dit is zo'n tijd, een tijd voor Joden om
Jood te zijn en voor ons als samenleving om voor ze op te komen.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Dan geef ik het woord aan mevrouw … O,
ik zie dat mevrouw Keijzer nog een interruptie heeft.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Het was een mooi betoog, zoals ik de heer Van den Brink ook ken, over
wat we zelf kunnen doen. Hoe kijkt hij terug op de uitspraak van
Bontenbal tijdens de campagne van vorig jaar, waarin hij zei dat het CDA
altijd het Joodse volk wilde helpen, maar van gedachten is veranderd?
Voedde hij daarmee niet een sentiment in de samenleving tegen Joden?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben ervan overtuigd dat het CDA en de heer Bontenbal allebei staan
voor de veiligheid van de Joodse gemeenschap. Dat is tot op de dag van
vandaag zo en dat zal ook zo blijven.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is een strakke tekst, maar is daar ook over gesproken binnen het
CDA? Op zijn uitspraak over homoseksualiteit is hij wel teruggekomen
tijdens de campagne, maar op deze uitspraak, waarin hij zei dat CDA
altijd het Joodse volk wilde helpen maar van gedachten is veranderd, is
hij niet teruggekomen. Wat zou het CDA in reflectie op die uitspraak
kunnen doen om niet alleen nu achter het spreekgestoelte achter het
Joodse volk te staan en wat ze op dit moment meemaken, maar ook terug te
komen op wat er toen gezegd is?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dit debat is voorbereid samen met de heer Bontenbal. Hij heeft deze
bijdrage gelezen en hij staat er volledig achter. Hij steunt alle Joden
in Nederland van harte.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Hier heb je dus niet zo veel aan.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Het lijkt me belangrijk.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, heel belangrijk, maar ik hoor geen enkele reflectie op wat er toen
gezegd is en op de impact die dat had op de Joodse gemeenschap.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik kan herhalen wat ik net al zei: ik ben er zeer van overtuigd dat de
heer Bontenbal, en met hem het hele CDA en de hele CDA-fractie, de
Joodse gemeenschap in Nederland steunt.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bromet … O, er is nog een
interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is mooi om te horen dat het CDA de Joodse bevolking steunt. Maar wat
we hier in de Kamer ook zien, is dat het CDA steeds vaker meestemt met
moties voor bijvoorbeeld het opschorten van het handelsdeel van het
associatieakkoord met Israël. Dat is echt opvallend, want ik heb het CDA
nooit zo gekend. Ik heb wel gezien dat daar de afgelopen maanden een
draai in is gemaakt. Beseft de heer Van den Brink wat die draai doet met
Joodse mensen in Nederland?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Het debat over het Midden-Oosten was vorige week. Ik denk dat de Joodse
gemeenschap in Nederland het ook heel fijn vindt als we het
Midden-Oosten en ons eigen land een beetje uit elkaar houden. Heel veel
gebeurtenissen op de universiteiten komen voort uit de gebeurtenissen
daar. Het zou mij een lief ding waard zijn — daarom hebben we ook
verschillende woordvoerders op deze terreinen — om dat uit elkaar te
houden. Wij hebben het hier vandaag over de veiligheid van de Joodse
gemeenschap in Nederland. Daar staan wij voor. Ik wil ook best met u
over het buitenland praten, maar liever op een ander moment.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, maar dit heeft alles met elkaar te maken. Inmiddels hebben we in
dit huis meer debatten over het buitenland, over het Midden-Oosten, Gaza
en noem alles maar op, dan over ons eigen land. Dit heeft alles met
elkaar te maken. Tijdens dat soort debatten worden namelijk ook allerlei
soorten moties ingediend, bijvoorbeeld over het boycotten van producten
uit Israël. Nogmaals, de afgelopen maanden is mij opgevallen dat het CDA
steeds vaker meestemt met dat soort getinte moties, terwijl wij van
Joden in Nederland horen — dat zal het CDA vast ook horen — dat zij zich
daar ook wel ongemakkelijk bij voelen. Ze zien dit namelijk ook als
anti-Joods. Het haakt wel in elkaar. Mijn vraag is: hoe kijkt de heer
Van den Brink ernaar dat er binnen de Joodse gemeenschap ook zo over
gedacht wordt? Zij voelen zich wel onveilig.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil het heel graag uit elkaar houden. De Joodse gemeenschap hier kan
op onze steun rekenen. De daden van de regering van Israël zijn in een
ander debat aan de orde geweest en daar hebben we onze opvattingen over.
Juist als je dat gaat vermengen, loop je het risico dat Joden hier in
Nederland worden aangesproken op de daden van de Israëlische regering.
Dat willen wij heel graag voorkomen. Joden mogen hier gewoon zijn en
leven zonder elke dag verantwoording te moeten afleggen over wat de
regering in Israël doet. Daarom houden wij dat zo veel mogelijk uit
elkaar.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, tot slot. Kort en bondig.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan mijn volgende vraag aan de heer Van den Brink. Bij mevrouw Bikker en
in mijn inbreng gaf ik ook al aan dat er op universiteiten wordt
gesproken over hoe Joden zich veilig kunnen voelen en over het instellen
van een dialoogmakelaar, waarna er schurende debatten worden
georganiseerd, waarin Joodse studenten en docenten zich eigenlijk ook
een beetje moeten gaan verantwoorden voor het feit dat ze Joods zijn of
dat ze de staat Israël steunen.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Stel dat ik een motie indien waarin ik, even plat gezegd, stel: dat gaan
we niet doen. Steunt het CDA dan zo'n motie om daar gewoon mee te
stoppen en Joden zich veilig te laten voelen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben het helemaal met u eens dat Joden zich veilig moeten voelen. Ik
zou heel graag de universiteiten zelf willen oproepen om na te denken
over hoe ze die veiligheid formuleren. Jaap Smit zegt in zijn rapport:
"Ze hebben middelen genoeg. Ze kunnen die veiligheid garanderen. Doe het
dan ook. Toon moed." Ik vind niet dat ik hier vanaf deze plek moet
bedenken hoe dat precies moet; dat moet daar vooral zelf bedacht worden.
Misschien kunnen debatten daarbij helpen. Ik heb heel veel debatten
geleid in het verleden. Soms leidt dat tot iets. Dat is niet altijd zo;
dat geef ik onmiddellijk toe. Maar ik zou het niet hiervandaan willen
verbieden of zo.
De heer Boon (PVV):
Meneer Van den Brink had hele mooie woorden over moed tonen. Daar ben ik
het helemaal mee eens. Ik wil dan graag kijken naar voorbeelden. Welke
voorbeelden van bestuurders kunnen wij nu aanhalen voor andere
bestuurders? Kunt u sinds 7 oktober een voorbeeld geven van een
bestuurder die echt moed heeft getoond en is opgestaan tegen
antisemitisme?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb het rapport van Jaap Smit gelezen. Hij zegt dat er een steile
leercurve is bij de meeste universiteiten in Nederland, dat veel
universiteiten in het begin hebben zitten zoeken naar hoe ze dit nou
goed kunnen doen en dat ze hun vorm in de loop van de tijd steeds meer
gevonden hebben. Ze zijn er nog niet. Dat blijkt ook uit het rapport.
Veel Joodse studenten voelen zich onveilig, dus is er ook nog ruimte
voor groei.
De heer Boon (PVV):
Ik deel die conclusie van de heer Smit niet. Ik merk namelijk — dat
blijkt ook uit andere onderzoeken — dat Joodse studenten en medewerkers
zich nog steeds megaonveilig voelen. Er zit nul verbetering in. Die
steile leercurve zie ik dus niet. Kunt u uitleggen waar u die wel ziet?
Of heeft u het alleen gelezen in het rapport? Kunt u echt voorbeelden
noemen van bestuurders die wel moed getoond hebben en nu wel opstaan
tegen antisemitisme?
De voorzitter:
U spreekt tegen de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ga hier geen namen noemen van mensen die het goed hebben gedaan. Ik
heb een oproep gedaan aan de samenleving om zelf te gaan staan op het
moment dat het in je omgeving speelt. Dat wens ik ook de bestuurders van
de universiteiten toe. Sta op en spreek je uit voor de Joodse
gemeenschap en tegen onveilige situaties.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Dan is het woord aan mevrouw Bromet
voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik zag op tegen dit debat en het valt me tot nu toe niet
mee, moet ik zeggen.
Antisemitisme is overal, bijvoorbeeld bij de inhuldiging van
landskampioen PSV, waar antisemitische liederen worden gezongen. Het
versterkt het onveiligheidsgevoel van de Nederlandse Joden. Hun
identiteit wordt publiekelijk tot op het bot gekrenkt en ik kan daar met
mijn verstand niet bij.
GroenLinks-PvdA dankt de taskforce voor de inzet voor een veiligere
leefomgeving voor Joden. De commissie heeft een scherp oog voor de
complexe omstandigheden waaronder burgemeesters, universiteitsbesturen
en de NS en ProRail tegelijkertijd het recht om te demonstreren tegen
wat het regime-Netanyahu doet, maar ook de veiligheid en de waardigheid
van Joden, studenten, medewerkers en voorbijgangers moeten garanderen.
In het vorige debat zei ik het ook al: onze demonstratievrijheid biedt
ruimte om de misdaden van het regime-Netanyahu aan de kaak te stellen,
mits het bestaansrecht van de staat Israël binnen de tweestatenoplossing
niet ter discussie wordt gesteld en individuele Joden nooit persoonlijk
verantwoordelijk worden gehouden voor de misdaden. Meneer Van den Brink
zei dat net ook al heel mooi.
Omgekeerd begrijp ik — ik heb zelf ook familie in Israël wonen — dat het
bestaan van de staat Israël voor veel Joden een diep emotionele
betekenis heeft. Eerlijk gezegd word ik best wanhopig van de opleving
van onversneden antisemitisme en discriminatie, des te meer omdat die
verband houdt met mondiale ontwikkelingen, waarop weinigen in Nederland
invloed hebben. Juist onder die omstandigheden moeten we de verbinding
met elkaar zoeken. Deze week heeft het initiatief Deel de Duif, een
groep enthousiaste Joodse en moslimjongeren die op scholen het gesprek
zoeken over antisemitisme en moslimhaat, een jongerenprijs gekregen. Ik
wil ze daarmee feliciteren. GroenLinks-PvdA gelooft namelijk wel in de
dialoog. Wij denken dat het de enige oplossing is. Wie antisemitisme en
discriminatie echt wil stoppen, moet inzetten op preventie, op scholen,
op sportvelden, op internetfora, waar dan ook. Dat vergt een lange adem
en langlopende projecten. Ik vraag de minister van OCW welke doelen zij
stelt en hoe ze deze wil gaan bereiken.
Ook repressief strafrechtelijk ingrijpen is onmisbaar, als reactie op
daders en als signaal naar de samenleving. Ik las in de recent
gepubliceerde discriminatiecijfers dat het aantal misdrijven waarbij een
discriminatoir aspect is geregistreerd, is toegenomen; dat is vreselijk.
Ik hoop van harte dat de minister van JenV mij kan verzekeren dat dit
onder andere een effect is van de initiatiefwet die GroenLinks-PvdA
samen met de ChristenUnie succesvol door het parlement heeft geloodst,
de wet op de hatecrimes.
De recente aanslagen bewijzen dat beveiliging van Joodse symbolen en
gebouwen belangrijker is dan ooit. Uit de media begrijp ik dat deze
aanslagen — noem ze rustig "terrorisme"; iemand voor mij zei dat net ook
al — vermoedelijk vanuit het buitenland zijn georganiseerd. Hetzelfde
geldt voor de campusprotesten die uit de hand liepen. Er liepen
raddraaiers bij die vermoedelijk geen enkele binding met de universiteit
hadden. Ook mijn fractie vindt dat burgemeesters, universiteitsbesturen,
de NS en ook de KNVB en individuele voetbalclubs snel aan de slag moeten
om antisemitisme en discriminatie beter te voorkomen en te bestrijden.
We schieten er echt niks mee op als uit angst voor negatieve resultaten
besloten wordt om af te zien van een jaarlijks onderzoek naar
onveiligheidsgevoelens op de universiteit. Om problemen aan te pakken
moet je ze wel eerst in kaart gebracht hebben. Omgekeerd moet het
kabinet echter ook boter bij de vis leveren. Om te weten wat er speelt,
zijn de NCTV-dreigingsanalyses onontbeerlijk. Om te de-escaleren en in
te grijpen als het uit de hand loopt, moet politie-ingrijpen verzekerd
zijn. Kan de minister van JenV precies aangeven waarop concreet gerekend
kan worden door de burgemeesters? Krijgt een burgemeester gevraagd en
ongevraagd relevante NCTV-informatie? Wordt de politie-inzet
gegarandeerd als het nodig lijkt en blijft de beveiliging van Joodse
scholen en synagogen door de Koninklijke Marechaussee op peil?
De voorzitter:
Kunt u afronden?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dit debat is een van de vele manieren om onze solidariteit met de Joden
in Nederland te benadrukken. Joden en Nederland zijn onlosmakelijk met
elkaar verbonden. Joods leven moet worden gekoesterd, beschermd en
uitgedragen. Wij zien uit naar de initiatieven die hierop worden
genomen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van meneer Ellian.
De heer Ellian (VVD):
Ik weet niet of het goed hoorde. Ik hoorde mevrouw Bromet — ik dank haar
uiteraard voor haar betoog — over de beveiliging van Joodse instellingen
zeggen dat er de-escalerend moet kunnen worden opgetreden. Dat lijkt me
een misverstand, want er is een terroristische dreiging op die
instellingen. Er valt niks te de-escaleren. De dader moet uitgeschakeld
worden. Is mevrouw Bromet ...
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan de minister is of de informatie die bij de NCTV
voorhanden is, wordt gedeeld met de desbetreffende burgemeesters die
hiermee te maken hebben en of de marechaussee-inzet op peil blijft,
zodat die niet overgenomen moet worden door schaarse politie-inzet, die
ook op andere terreinen nodig is. Ik ben benieuwd naar de antwoorden van
de minister daarop.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik ga een zin uitspreken die u mij niet vaak zal horen uitspreken, maar
ik vond dit eigenlijk een heel sterk betoog van GroenLinks-PvdA. Ik ga
er geen gewoonte van maken. Maar ik heb, als we dan toch zo goed bezig
zijn met elkaar, wel de vraag of GroenLinks-PvdA, bij monde van mevrouw
Bromet, uit wil spreken dat een demonstratie ophoudt een demonstratie te
zijn zodra er sprake is van een bezetting of een sit-in, en dat
ingrijpen dan dus geoorloofd is?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Het demonstratierecht is een groot goed. Er zijn een heleboel mensen in
Nederland die zich zorgen maken over bepaalde ontwikkelingen in de
wereld en die in actie willen komen. Daar zijn die demonstraties voor.
Dat juich ik ook heel erg toe. Daar waar het overgaat in vernielingen of
rellen, moet worden opgetreden. Maar ik zou er ook voor willen waken dat
het demonstratierecht uitgehold wordt onder het mom van antisemitisme,
want dat recht vinden wij gewoon ontzettend belangrijk.
Mevrouw Nanninga (JA21):
We zijn er bijna! We liggen zo dicht bij elkaar. Ook dit ben ik geheel
met mevrouw Bromet eens. Je mag over alles demonstreren, absoluut. Maar
mijn vraag was als volgt, heel concreet. Ik had het niet over rellen en
vernielen, want over die grens zijn we het allemaal met elkaar eens,
denk ik. Stel dat een demonstratie ontaardt in een sit-in of een
bezetting. Dat hoeft niet per se gepaard te gaan met rellen of
vernielen. Kan GroenLinks-PvdA dan met mij meegaan in de gedachte dat
het voor studenten of reizigers intimiderend is en agressief overkomt,
en dat er dan moet worden ingegrepen?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Nou, nee, want het is een hellend vlak. Ik kan mij heel goed herinneren
dat ik op 7 oktober een weekendje in Maastricht was. De ochtend nadat de
slachtpartij in Israël had plaatsgevonden, demonstreerden mensen tegen
de verschrikkingen waar de Palestijnen onder lijden. Ik vond die timing
voor mezelf ongemakkelijk, maar ik zou nooit zeggen: jullie hebben het
recht niet om vandaag, op deze datum, op te komen voor een volk dat ook
lijdt onder verschrikkelijke onderdrukkingen. Dat is ook precies waar ik
moeite mee heb in dit debat. Als je opkomt voor een volk, een
bevolkingsgroep of een groep mensen, hoe kan je dan de schuld daarvan
aan een andere groep geven? Dat vind ik echt … Mevrouw Nanninga zegt: we
zijn er bijna; we staan heel dicht bij elkaar. Nou, ik voel dat eerlijk
gezegd helemaal niet bij mevrouw Nanninga.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik voel het ook niet meer. Jammer is dat. We waren er bijna! Nogmaals,
ik ontken nu voor de tweede keer dat ik heb gezegd dat je niet mag
demonstreren. Dat mag, ook op een ongelukkig tijdstip en ook voor een
zaak waar ik het persoonlijk niet mee eens ben. De vraag was heel
concreet, en mevrouw Bromet ontwijkt die. Stel dat een demonstratie,
waar ik helemaal voor ben, wat we met elkaar eens zijn, ontaardt in een
sit-in of een bezetting. Dat is nog geen geweld, nog geen vernieling en
nog geen rel. Kan GroenLinks-PvdA, bij monde van mevrouw Bromet,
toegeven dat het op scholen en stations voor Joodse en Israëlische
burgers buitengewoon bedreigend en onveilig is en dat er in dat
specifieke geval moet worden ingegrepen, ja of nee? Trek niet mijn
opmerking over demonstratierecht in twijfel, want daar staan wij pal
achter.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik kan me voorstellen — dat probeerde ik net ook al duidelijk te maken —
dat je iets ervaart als heel bedreigend. Maar vanwege het feit dat er
een sit-in gehouden wordt, zou ik niet in zijn algemeenheid willen
zeggen: ik ben tegen sit-ins en bezettingen. Soms is dat onderdeel van
het demonstratierecht. Ik ga daar vanuit de Tweede Kamer ook geen
oordeel over geven. Dat oordeel is aan het bevoegd gezag ter
plaatse.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bromet. Dan is het woord aan de heer Bamenga voor
zijn inbreng namens D66 in eerste termijn. Gaat uw gang.
De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. De afgelopen dagen en weken heb ik met veel mensen uit de
Joodse gemeenschap gesproken. Mij is verteld: een toekomst zonder
verleden is leeg. Kijkend naar de Joodse geschiedenis in Nederland is
dat allesbehalve een voetnoot. Het is een van de fundamenten van ons
land, opgebouwd over eeuwen. Mij is ook verteld: een rijk verleden
zonder toekomst is tragisch. Dat is precies waar we vandaag voor staan.
Want als Joodse Nederlanders zich hier niet meer veilig voelen, als zij
hun identiteit moeten verbergen, dan hebben wij als samenleving gefaald.
Daarom sta ik hier. Omdat de Joodse geschiedenis in Nederland niet
alleen herdacht moet worden, maar ook omdat het Joods leven en de
toekomst ervan actief beschermd moeten worden — zichtbaar, veilig en als
blijvend onderdeel van onze samenleving.
Voorzitter. Ik wil van het kabinet vier dingen vragen. Allereerst vraag
ik het om alert te blijven op de voedingsbodem van antisemitisme.
Inmiddels verdienen mensen geld met het fabriceren van AI-beelden van de
Holocaust. We hebben nog nauwelijks zicht op de gevolgen, maar ik maak
me grote zorgen over toenemende twijfels over de Holocaust. Deelt het
kabinet de mening dat het bizar is dat AI- en socialemediabedrijven dit
toestaan? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om in te grijpen?
Voorzitter. Dan veiligheid. Het kabinet schrijft dat er bij het
veiligheidsfonds dubbel zo veel geld is aangevraagd als er beschikbaar
was. 25 aanvragen zijn afgewezen. Kan de minister toelichten met welke
reden dit is gebeurd? Was dat het krappe budget? Moeten we niet
concluderen dat het budget misschien te beperkt is?
Dan specifiek de sociale veiligheid in het hoger onderwijs. Een signaal
dat ik veel hoor, is: er zijn wel huisregels, maar bestuurders missen
soms handelingsperspectief. Wat kan de minister doen ter ondersteuning,
om te zorgen dat de huisregels gehandhaafd worden?
Voorzitter. Dan het versterken van het Joods leven. Kan het kabinet
toezeggen dat mijn motie over het huidige Joods leven aandacht geven in
het onderwijs, deel wordt van het nationale plan dat het kabinet gaat
opstellen?
De heer Boon (PVV):
Ik wil de heer Bamenga vragen: wat als de huisregels zichtbaar en
aantoonbaar niet worden nageleefd door de bestuurder? Is D66 er ook
voorstander van dat de minister dan eventueel ingrijpt?
De heer Bamenga (D66):
Ik gebruik heel specifiek het woord "ondersteunen", want ik denk niet
dat de minister of de onderwijsbestuurders er anders in staan. Ik denk
dat ze allebei willen handhaven, maar soms zie je dus dat
handelingsperspectief ontbreekt, dat moed ontbreekt. Volgens mij hebben
verschillende sprekers zich hier ook over uitgelaten. Daarom vind ik dat
we met z'n allen moeten kijken — ik bedoel dan de minister, de driehoek
en ook de bestuurders — hoe de huisregels die er al zijn, veel beter
kunnen worden gehandhaafd.
De heer Boon (PVV):
Ik wil niet te veel in de casus duiken, maar bijvoorbeeld in Nijmegen
was een hoogleraar continu antisemitische propaganda aan het
verspreiden. Die heeft met rellen meegedaan. Die heeft van alles gedaan.
We hebben zijn naam hier in de Tweede Kamer meerdere keren uitsproken.
We hebben oproepen gedaan bij de bestuurder daar, maar die weigerde
eigenlijk in te grijpen. De vorige minister heeft met het bestuur in
Nijmegen een gesprek gevoerd, en toen is er pas ingegrepen. Vindt u dat
de minister, zodra de huisregels zichtbaar en aantoonbaar niet worden
nageleefd, sneller moet ingrijpen?
De heer Bamenga (D66):
Ik vind dat het heel erg belangrijk is dat iedere student vrijuit
zichzelf kan zijn, maar ook dat iedere student op een veilige manier
naar school kan. Ik denk dat wij met z'n allen de verantwoordelijkheid
hebben om daarvoor te zorgen. Dat betekent dat iedereen een rol heeft.
De minister heeft daarin een rol te spelen, de driehoek heeft daarin een
rol te spelen en de bestuurders hebben daarin een rol te spelen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit zijn toch buitengewoon slappe teksten? De vertegenwoordiger van de
PVV stelt een concrete vraag over iets wat ik me trouwens prima kan
voorstellen: als je de huisregels al niet handhaaft, wat doe je dan
feitelijk tegen de chaos op de universiteiten? Als er dan een concrete
vraag gesteld wordt, komt de heer Bamenga niet verder dan "ik vind dat
iedereen veilig moet zijn". Hoe ziet de heer Bamenga dan dat dat voor
elkaar komt?
De heer Bamenga (D66):
Ik kom met allerlei voorstellen als het gaat om de veiligheid van de
Joodse studenten. Overigens wordt hier continu gesproken over een
veiligheidsfonds. Volgens mij was dat ook een voorstel vanuit D66; de
motie-Jetten heeft dat mogelijk gemaakt. Ik heb een heel rijtje aan
voorstellen. Maar tot nu toe heb ik eigenlijk heel weinig gehoord vanuit
mevrouw Keijzer over het daadwerkelijk aanpakken van antisemitisme.
Mevrouw Keijzer haalt allerlei zaken erbij, zoals asiel. Ze noemt
allerlei onderwerpen die vandaag niet aan de orde zijn. Maar als het
echt gaat om het aanpakken van antisemitisme, dan hoor ik mevrouw
Keijzer niet. Dat maakt mij ontzettend kwaad, want het gaat om iets wat
heel erg belangrijk is voor ons allemaal hier in Nederland. We zouden
hiervoor moeten staan. We zouden hier moeten staan voor de Joodse mensen
in Nederland.
Afgelopen weekend ben ik meegegaan naar Amsterdam, om te kijken wat er
allemaal nodig is voor de beveiliging van Joodse instellingen, zoals
synagogen en scholen. Dat heeft me ontzettend geraakt. Dat heeft me ook
laten zien hoe belangrijk het is dat we met effectieve maatregelen
komen. Dit kabinet neemt 57 maatregelen. Dan nog zien we dat die nog
niet het effect hebben dat ze moeten hebben. Wij moeten er met z'n allen
voor zorgen dat we met maatregelen komen. We hebben geen tijd voor
afleidingen; dat is wat mevrouw Keijzer hier doet. We moeten
aanpakken.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Cool, zeggen mijn kinderen dan na zo'n geëmotioneerd betoog. Oké, heel
concreet: de Wet op het hoger onderwijs heeft een artikel waarmee de
minister aanwijzingen kan geven aan de raad van toezicht van een
universiteit. Steunt de heer Bamenga mij in een voorstel om dit van haar
te vragen op het moment dat zich weer die treurniswekkende chaos op de
universiteiten voordoet zoals we die de afgelopen twee jaar gezien
hebben? Is dat concreet genoeg, vraag ik de heer Bamenga. Zegt hij dan
"ja"?
De heer Bamenga (D66):
Als mevrouw Keijzer eindelijk een voorstel heeft dat inhoudelijk gaat
over antisemitisme, dan zal ik dat bekijken.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, je komt niet weg met "dan zal ik dat bekijken". Na zo'n betoog heb
je nog maar één keus. Dan zeg je: ja, ik ga mijn minister vragen om
daadwerkelijk iets te doen aan het antisemitisme op de universiteiten.
Zegt de heer Bamenga dan nu wel "ja"?
De heer Bamenga (D66):
Volgens mij heb ik zojuist ook aangegeven dat ik nog geen constructief
voorstel vanuit mevrouw Keijzer heb gezien. Als dat er komt, dan zal ik
daar zeker positief naar kijken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het echt een gotspe dat u mensen hier de maat neemt, in dit
geval mevrouw Keijzer maar ook anderen, door te zeggen dat ze niets doen
tegen antisemitisme. Het spijt me erg. Mevrouw Keijzer en wij, de BBB,
maar ook de PVV en andere partijen, zijn hier heel veel mee bezig
geweest, zelfs ook binnen het kabinet.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Bamenga zegt dit terwijl ik gewoon motie na motie heb ingediend
om antisemitisme te bestrijden. Denk bijvoorbeeld aan het intrekken van
subsidies voor instellingen die Joodse artiesten of sprekers weigeren,
of organisaties die zich schuldig maken aan antisemitische uitingen.
Denk aan het dichtdraaien van de geldkraan ...
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
... voor instellingen die Joden gewoon weigeren. Daar stemt D66 gewoon
consequent tegen. Terwijl het gewoon kan; we hebben een
antidiscriminatiebepaling. Dat kan gewoon.
De heer Bamenga (D66):
Mevrouw Van der Plas kwam aan met "mensen de maat nemen". Volgens mij
heb ik de naam van mevrouw Van der Plas niet genoemd, maar kennelijk
voelde zij zich wel aangesproken. Ik heb het niet over mevrouw Van der
Plas gehad. Volgens mij hebben wij al allerlei maatregelen genomen.
Onder andere samen met mevrouw Van der Plas hebben we ook educatieve
maatregelen genomen. Maar denk bijvoorbeeld ook aan het wettelijk
verankeren van de NCAB; dat is natuurlijk heel erg belangrijk. Dat zijn
allemaal maatregelen die we genomen hebben. Dat hebben we ook samen met
mevrouw Van der Plas gedaan, dus ik wil niet doen alsof het hier over
mevrouw Van der Plas of de BBB gaat. Wat betreft haar specifieke vraag
hierover: ik heb al aangegeven dat wij naar alle constructieve
voorstellen kijken die voorbijkomen. De voorstellen waarvan wij denken
dat die inderdaad effectief zijn om dat aan te pakken, zullen wij zeker
steunen. Andere voorstellen die wij niet constructief vinden, zullen we
helaas niet steunen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is zo'n vaag antwoord. "Goede voorstellen steunen we. Slechte
voorstellen steunen we niet." In de tijd van de formatie hebben wij ook
gezegd: kom maar op met je voorstellen. Als BBB hebben wij gewoon
voorstellen gedaan, bijvoorbeeld om subsidies in te trekken van
organisaties die zich schuldig maken aan antisemitische uitingen. Die
motie heeft het toen gehaald, maar niet dankzij D66.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
D66 was daar gewoon op tegen. Ook was D66 tegen het dichtdraaien van de
geldkraan voor culturele instellingen, theaters of welke organisaties
dan ook die Joodse sprekers weren. Draai gewoon de geldkraan dicht. Dat
kan, maar D66 stemt daar consequent tegen. Dat is juist een signaal dat
je moet afgeven om mensen duidelijk te maken dat antisemitisme gewoon
onacceptabel is.
De heer Bamenga (D66):
Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat wij normeren. Als er
instellingen zijn die zich strafbaar en antisemitisch gedragen, moet je
zeker normeren en kijken op welke manier je kunt handhaven, zodat dit
gewoon niet meer gebeurt.
De voorzitter:
Afrondend. Kort en bondig.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het gaat niet alleen om mensen die dat doen, maar ook om instellingen
die dat faciliteren, zoals de universiteiten. Wat voor drek hebben we
daar de afgelopen twee jaar, sinds 7 oktober 2023, niet van gehoord? We
hebben gehoord dat Joodse mensen, Joodse docenten en Joodse studenten
zich niet meer veilig voelden. De universiteiten faciliteren het gewoon.
Ze gingen heel lafjes met die mensen in gesprek en zeiden: "You are not
welcome here. You must go." Ik hoor het ze nog zo zeggen. Het wordt
gewoon gefaciliteerd. Daar moeten we toch wat aan doen? Daar is de heer
Bamenga het dan toch ook mee eens?
De heer Bamenga (D66):
Volgens mij gaat mijn hele betoog over daadwerkelijk ingrijpen daar waar
het fout gaat, daar waar bestuurders handelingsverlegenheid ervaren. We
moeten dan wel ervoor zorgen dat zij op een moedige manier besluiten
kunnen nemen. We moeten er ook voor zorgen dat die huisregels, die
iedere instelling daadwerkelijk heeft, ook gehandhaafd worden. Ik denk
dat dat gewoon belangrijk is. Ik vind ook wel dat wij de bestuurders
daarin kunnen helpen. We moeten niet meteen doen alsof zij dit niet
willen. We moeten vooral kijken — dat haal ik uit het rapport dat is
geschreven — op welke manier wij ze kunnen steunen om het juiste te doen
voor de Joodse gemeenschap.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. We moeten ons ook inzetten voor een samenleving die weerbaar
is. Waarom wil het kabinet zijn aanpak pas volgend jaar evalueren? Ik
mis daar een stukje urgentie. Waarom niet voortdurend evalueren en
bijsturen? Weerbaarheid vraagt ook van ons dat we hard normeren, hoe
vanzelfsprekend dat ook lijkt. Ik vraag ook beide ministers dat
expliciet te doen. Want dat de fractie van FVD hier niet is, vind ik
zeer ongelukkig. Ik maak me grote zorgen over de antisemitische uitingen
van FVD-partijleden, waarvan de partijleiding weigert afstand te nemen.
Ik vind dat FVD het aan de samenleving verschuldigd is zich daartegen
uit te spreken.
Voorzitter, tot slot. In 1940 stond een Leidse hoogleraar rechten,
Rudolph Cleveringa, voor zijn studenten. Zijn Joodse collega's waren
door de bezetter gedwongen ontslagen. In een inmiddels beroemde speech
sprak hij zich uit tegen het antisemitisme van de bezetter. Hij sprak
daar de woorden: "In overeenstemming met Nederlandse tradities verklaart
de Grondwet iedere Nederlander tot elke landsbediening benoembaar en
stelt zij hem, onafhankelijk van zijn godsdienst, in het genot van
dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten".
Voorzitter. Laten we vanuit die gedachte om de Joodse gemeenschap heen
staan. Laten we ons altijd blijven uitspreken tegen antisemitisme. En
laten we daar ook altijd naar blijven handelen, zodat Joods leven in
Nederland normaal wordt.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Ellian (VVD):
Ik heb even gewacht en goed geluisterd naar het betoog van de heer
Bamenga. Hij maakt zich duidelijk zorgen om de veiligheid van de Joodse
gemeenschap. Maar wat ik niet goed met elkaar kan rijmen, is het betoog
van de heer Bamenga en het stemgedrag, maar ook de uitingen van D66, als
het gaat om het Iraanse regime. Want het is dát regime, het islamitische
regime, dat Joden wereldwijd terroriseert. De dreiging richting de
Joodse gemeenschap is immens vanwege dat regime. Dus waarom zulke zware
woorden hier en als het gaat om je uitspreken richting dat regime een
slappe hap?
De heer Bamenga (D66):
Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat wij een weerbare samenleving
met z'n allen bereiken, wat ik ook heb aangegeven. Daarbij past dus ook
dat wij op een goede manier leren omgaan met alles wat er om ons heen
gebeurt. Op het moment dat het Iraanse regime, waar de heer Ellian het
over heeft, of wie dan ook onze Joodse gemeenschap of de mensen in het
land bedreigt, dan moeten wij daar pal voor staan en ervoor zorgen dat
deze mensen op geen enkele manier bedreigd worden. Dat wil ik even
teruggeven aan de heer Ellian.
De heer Ellian (VVD):
Dank voor het antwoord. Het probleem is dus dat zolang dit regime er is
de dreiging naar de Joodse gemeenschap alleen maar zal toenemen; alle
inlichtingendiensten in de wereld bevestigen dat, ook in Europa. De
vraag is dus nogmaals de volgende. Ik luister naar de heer Bamenga en
ook naar zijn antwoord, waarin hij zegt dat we om de Joodse gemeenschap
heen moeten staan en dat hij het indrukwekkend vindt om die beveiliging
te zien. Die beveiliging zou misschien ooit minder kunnen zijn als we
wat meer kunnen doen tegen het Iraanse regime, maar daar hoor ik D66
nooit over.
De heer Bamenga (D66):
Ik ken de betrokkenheid van de heer Ellian als het gaat om Iran. Ik wil
zeker ook zeggen dat het heel erg belangrijk is dat wij de voedingsbodem
van alle kanten aanpakken. Maar ik ben het niet met hem eens. Ik denk
niet dat op het moment dat we het Iraanse regime zouden aanpakken,
antisemitisme in Nederland er niet meer is. Ik weet niet of ik de heer
Ellian op deze manier goed begrepen heb, maar daar ben ik het gewoon
niet mee eens. Antisemitisme komt voor in alle lagen van de samenleving
en heeft heel veel verschillende voedingsbodems. We moeten ze allemaal
aanpakken. Als het Iraanse regime daar een bijdrage aan levert, dan
moeten we de juiste, effectieve aanpak daarvoor in werking stellen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ellian (VVD):
Antisemitisme komt uit alle hoeken en gaten, extreemrechts en
extreemlinks. De hoofdsponsor en hoofdveroorzaker van de terroristische
dreiging is het islamitische regime. Daarom is deze minister bezorgd
over de veiligheid van de Joodse gemeenschap in Nederland op dit moment.
Mijn vraag is dus nogmaals: is de fractie van D66 het onder andere met
de VVD-fractie eens? U zult stelling moeten nemen tegen dit regime, want
dat komt uiteindelijk de veiligheid van alle Joden wereldwijd ten
goede.
De heer Bamenga (D66):
Volgens mij hebben wij keer op keer al stelling genomen tegen het
Iraanse regime.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil het woord geven aan mevrouw Keijzer. Ik zou de leden
willen voorstellen om te proberen de eerste termijn van de Kamer voor de
dinerschorsing af te ronden. Ik weet dat ik een beroep doe op uw
eetlust, maar ik denk dat dat moet lukken.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. De geest is uit de fles; de heer Ellian zei het heel
treffend wat mij betreft. Maar hoe zijn we hier beland? In essentie is
het simpel. We zien hoe antiwesters extreemlinks een verbond is
aangegaan met antiwesters islamitisch extremisme. Twee ideologieën
hebben elkaar gevonden in afkeer van alles waar onze vrije, westerse
samenleving voor staat. Nú betalen de Joden de rekening, maar vergis je
niet: na de zaterdagmensen komen de zondagmensen. Hoe vaker kritiek op
Israël wordt vermengd met het demoniseren van Joden, hoe normaler het
wordt gevonden. Leuzen als "from the river to the sea" worden verpakt
als antizionisme, maar dragen in wezen een antisemitische kern, want wie
het zionisme, het recht op een eigen staat, verwerpt, verwerpt het recht
van Israël om als vrije Joodse staat te bestaan. Wie dat recht ontkent,
ontzegt Joden uiteindelijk hun plaats in de wereld. Zo verdwijnt stap
voor stap de ruimte voor Joden, niet door een besluit, maar door
gewenning, door normalisering en door wegkijken. Dan vraag ik aan deze
ministers: wat had u dan verwacht; had u verwacht dat het hierbij zou
blijven?
Voorzitter. Er is al het een en ander over de demonstraties gezegd.
Daarbij wordt het antisemitisme pijnlijk zichtbaar. Daarom vraag ik aan
deze beide ministers: waarom regelen we het niet zoals we het hier in de
Kamer regelen? Hier mag je ook niet binnen de muren demonstreren. Waarom
geldt niet op universiteiten hetzelfde? Daar kom je voor onderwijs en
onderzoek, niet voor het slopen van de tent of het mensen angst
aanjagen.
Voorzitter. Het stoort mij ook dat een aanzienlijk deel van het
antisemitisme van buitenaf wordt geïmporteerd: heel veel internationale
studenten, die hier tijdelijk verblijven, maar blijvend schade
aanrichten. Ziet de regering binnen de huidige Vreemdelingenwet en het
Vreemdelingenbesluit mogelijkheden om studentenvisa in te trekken? Als
je je hier misdraagt, mag je wat mij betreft vertrekken.
Tot slot, voorzitter. Hoe cynisch is het dat juist deze D66-minister
heeft meegebouwd aan een academische bestuurscultuur waarin
antisemitisme kon normaliseren, vervolgens plaatsneemt in een taskforce
die datzelfde probleem moest onderzoeken en nu als minister
medeverantwoordelijk is voor het uitvoeren van de aanbevelingen? Ik maak
mij gewoon zorgen. Een van de aanbevelingen is bijvoorbeeld dat Joodse
studenten en medewerkers en onderzoekers veilig moeten zijn. Maar als je
dan ziet dat Rachel Levi Herz, Eva Illouz en een student, de heer
Kestenbaum, allemaal niet welkom zijn aan de universiteiten, hoe ziet
dat er dan in de praktijk uit?
Voorzitter. Ik wil dus van deze minister horen: hoe gaat zij dit doen,
wanneer, met wie? Wanneer kunnen wij erop rekenen dat aan deze
beschamende vertoning op onze universiteiten in Nederland een einde
komt?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Keijzer. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk
voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Abel Herzberg schreef in 1946, teruggekeerd uit
concentratiekamp Bergen-Belsen, profetische woorden over het lot van het
Joodse volk. Ik citeer hem. "Hoe men het ook keert of wendt, het blijft
een merkwaardige geschiedenis. Een heel kleine stam, die eenmaal leefde
op een strookje grond, ver weg, grenzende aan de woestijn, leeft de eene
eeuw na de andere, zonder eenige macht en ongewapend, en het eene
wereldrijk na het andere gaat te gronde. En in zijn ondergang
beschuldigt het dien kleinen stam telkens opnieuw de oorzaak te zijn van
al zijn onheil en tracht hem te verdelgen. (…) En de vijand zocht naar
een middel om haar ongedaan te maken. (…) Hij heeft die vernietiging
altijd nagestreefd, in ieder geslacht. En het is ondenkbaar, dat hij dat
ooit opgeven zal. (…) Zelfstandig echter treedt hij zelden op, hij geeft
er de voorkeur aan de bondgenoot te zijn van een of ander belang. Hij
wacht, als een huurling in reserve, totdat er op een goeden dag een
doffe roffel wordt getrommeld, die hij zich herinnert uit de dagen
zijner vrijheid." Tot zover Herzberg.
Voorzitter. De doffe roffel op de trom van het antisemitisme is alweer
een aantal jaren te horen. En de vijand heeft weer een belang gevonden
om daarmee als bondgenoot het Joodse volk te belagen. Te midden van de
zee aan onrecht in het Midden-Oosten is juist het kleine landje aan de
Middellandse Zee het mikpunt van agressie, alsof juist die democratie de
pest van onze beschaving is. Het gaat er hier niet om dat de staat
Israël brandschoon zou zijn en dat al zijn handelingen goed te praten
zijn. Het gaat om wat Herzberg zegt: de vijand zoekt een geschikt belang
om als bondgenoot op te trekken tegen het Joodse volk. De buitensporige
aandacht voor de staat Israël geeft het antisemitisme vleugels.
Voorzitter. De vijand is uit zijn hol gekropen. Hij durft zich openlijk
te vertonen op onze straten, zwaaiend met vlaggen. En dat niet alleen.
Het is onrustbarend hoeveel cultuurpodia actief de rode loper uitrollen.
Ook het stadion is niet alleen het toneel van een potje voetbal, maar we
kunnen verwerpelijke spreekkoren horen. Rappers kunnen er duizenden
volpompen. Tot in de haarvaten van onze samenleving wordt antisemitisme
gelegitimeerd.
Voorzitter. Ik blijf nog even stilstaan bij de rol van universiteiten.
Op 2 april kreeg Francesca Albanese een eredoctoraat van de
universiteiten van Brussel, Gent en Antwerpen. Dat lijkt een
surrealistische film: antisemitisme gelauwerd. Dat is waanzinnige
wetenschap. Ziet het kabinet ook welke ondermijnende werking zulke
acties hebben? Hoe presteren instellingen het om juist nu iemand met
zulke omstreden uitlatingen te huldigen? Dat die instellingen er goed
over nagedacht zeggen te hebben, is extra zorgelijk. Ik verwacht in lijn
met de taskforce een reflectie van het kabinet die verder gaat dan het
uitleggen van de formele bevoegdheden en respect voor elkaars
verantwoordelijkheden.
Voorzitter. De SGP ziet ook goede ontwikkelingen en maatregelen, maar
helaas krijgen we het antisemitische beest er niet onder met beleid en
wetgeving. Een maatschappelijk tegenoffensief van de Rijksoverheid zelf
is nodig. Als we zien op hoeveel podia antisemitisme een plaats krijgt
en als we zien dat podia voor Joden zelfs worden gesloten, zal de
overheid zelf podia moeten creëren. Als de politiek niet meer urgentie
uitstraalt, zal zelfs de politie uiteindelijk geen soelaas bieden. Meer
aandacht is nodig voor de maatschappelijke wortels en de voedingsbodem.
De samenleving moet in alle haarvaten weten dat de overheid het
antisemitisme niet duldt. Is het kabinet bereid om een langdurige
campagne te organiseren samen met vertrouwenwekkende bekende
Nederlanders in alle sectoren van de maatschappij: de sport, het
theater, het onderwijs, de media, samen met kerken en maatschappelijke
instellingen, samen met iedereen?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dijk. Het woord is aan mevrouw Teunissen voor
haar inbreng namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. De enorme toename van antisemitisme in ons land is
verwerpelijk. Jodenhaat moet keihard worden aangepakt. Er doen zich
verschrikkelijke situaties voor, zoals pas nog de aanslagen bij de
joodse school in Amsterdam en de synagoge in Rotterdam. Ze zijn
onacceptabel en het is verschrikkelijk dat joodse scholen zo zwaar
moeten worden bewaakt, dat er nog steeds antisemitische spreekkoren zijn
en dat kinderen naar scholen gaan — ik heb het ook hier in Den Haag
gezien — waar ze elke dag moeten zien dat er een politiebusje voor de
deur staat om hen te beveiligen. Het is verschrikkelijk en wat mij
betreft is het een getuigenis van een collectief onvermogen om
antisemitisme effectief te bestrijden. Dat is een probleem van ons
allemaal, van de hele samenleving. De Joodse gemeenschap heeft alle
steun en veiligheidsmaatregelen nodig. Een effectieve aanpak om
antisemitisme te bestrijden, is cruciaal.
Voorzitter. Antisemitisme komt voor in alle lagen van de samenleving,
maar we zien dat sommige partijen het instrumenteel aanwenden als stok
om de moslimgemeenschap mee te slaan. Zo suggereren partijen dat
antisemitisme een integratieprobleem is, zo blijkt bijvoorbeeld ook uit
voorstellen om nieuwkomers naar het Holocaustmuseum te sturen. Laat ik
vooropstellen dat Holocausteducatie van het allergrootste belang is.
Mijn fractie heeft dan ook alle voorstellen die daaraan bijdragen
gesteund, maar een blik in het Holocaustmuseum laat ook juist zien dat
antisemitisme in Nederland en Europa diepgeworteld was en nog steeds is.
Het lost niets op om een hele bevolkingsgroep weg te zetten; dat leidt
alleen maar tot meer onveiligheid en tot meer haat in plaats van tot
echte oplossingen.
Voorzitter. De AIVD waarschuwt al langer voor rechtsextremistische
voeding van antisemitisme, onder meer via complottheorieën, zoals de
omvolkingstheorie. Ze liften mee op maatschappelijke discussies, zoals
over hoeveel migratie wenselijk is, om vervolgens complottheorieën te
normaliseren. We zien het bij antisemitisme, racisme, seksisme en
transhaat. Welke aanpak hanteert het kabinet om het normaliseren van
deze complottheorieën, waarbij antisemitisme ook aanwezig is, tegen te
gaan?
Voorzitter. Terug naar de aanpak van antisemitisme in het hoger
onderwijs. Het is verschrikkelijk dat Joodse studenten zich onveilig
voelen en geïntimideerd en bedreigd worden, puur omdat ze Joods zijn. De
veiligheid van Joodse studenten en de vrijheid van vreedzaam
demonstreren voor mensenrechten moeten naast elkaar kunnen bestaan. De
taskforce heeft een aantal goede aanbevelingen gedaan om de veiligheid
van Joodse studenten te verbeteren. Ik ben benieuwd hoe het kabinet met
deze aanbevelingen omgaat. Er liggen wel twee risico's op de loer,
waaronder het inperken van het demonstratierecht. Helaas hebben we
gezien dat onder het mom van veiligheid toch politiegeweld is gebruikt
tegen vreedzame demonstranten en dat studenten actief zijn
gesurveilleerd, alleen omdat ze deelnamen aan een van de demonstraties.
Ook suggereert de taskforce dat het demonstreren in een universiteit
onwenselijk is, terwijl juist in een universiteit debat, dialoog en
vrije meningsuiting hoog in het vaandel staan. Een bezetting is in feite
ook niet verboden onder het demonstratierecht. Mijn vraag is dus hoe het
kabinet gaat voorkomen dat onder het mom van veiligheid het
demonstratierecht wordt ingeperkt.
Voorzitter. Organisaties zoals Amnesty pleiten voor
mensenrechtenonderwijs als vast onderdeel van het curriculum als middel
tegen antisemitisme en andere vormen van discriminatie. Op welke manier
geeft de minister daar nu vorm aan? In de Strategie Bestrijding
Antisemitisme wordt dit namelijk niet expliciet genoemd. Hetzelfde geldt
— mevrouw Bromet had het daar ook over — voor verbindende organisaties,
zoals Deel de Duif. We hebben van het vorige kabinet de toezegging
gekregen dat die organisaties effectief ondersteund worden. Het is heel
belangrijk om tot verbinding met elkaar te komen, maar ik zie daarover
niks in de Strategie Bestrijding Antisemitisme. Dus graag een
reactie.
De voorzitter:
Kunt u afronden?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot, voorzitter. De bestrijding van antisemitisme is het opkomen
voor mensenrechten. Mensenrechten gelden voor iedereen, overal,
altijd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs namens 50PLUS in de eerste
termijn.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter, dank. De eer werd mij toebedeeld dat ik op 4 mei jongstleden
in mijn geboortestad de herdenkingslezing mocht geven. Ik heb op mijn
eigen wijze vanuit mijn achtergrond iets verteld over een Joodse
gemeenschap in Vlaardingen en over de Holocaust. Wat mij opviel, is dat
er na mijn betoog meerdere studenten kwamen, van het mbo en de
middelbare school, die zeiden: was het echt zo erg, meneer Struijs?
Hierin zit de essentie van mijn betoog. Er wordt in de volle breedte te
weinig aandacht aan de Holocaust besteed op middelbare scholen en het
hoger onderwijs. Het staat in de curricula, maar wordt het nou ook
daadwerkelijk verteld vanuit kleine verhalen met grote gebeurtenissen?
Nee, dat gebeurt helaas niet. Dat zeg ik niet omdat ik die waarneming
heb; ik heb wat onderzoeken van de laatste tijd naast elkaar
gelegd.
In het onderzoek van de Rijksoverheid van 2026 staat dat 25% van de
docenten zich voorzichtiger opstelt bij het bespreken van de Holocaust,
dat 3% van de docenten het onderwerp volledig mijdt en dat een op de
drie docenten geschiedenis en maatschappijleer vindt dat leerlingen
onvoldoende voorkennis hebben over de Holocaust. De Anne Frank Stichting
heeft een soortgelijk onderzoek gedaan en zegt dat 42% van de docenten
in 2022 grievende opmerkingen over Joden bagatelliseerde of de Holocaust
bagatelliseerde. Dat is allemaal heel ernstig. Zo kan ik nog wel even
doorgaan; zie die 12% van de geschiedenisleraren die negatieve reacties
kreeg op lessen over de Holocaust. Mijn kernvraag aan de minister is de
volgende. Doen we wel voldoende en wat kan zij nog meer doen in haar
invloedssfeer om die curricula niet al te vrijblijvend te laten zijn?
Daar is namelijk wel een hoop terrein in te winnen. Het is namelijk
verschrikkelijk wat er momenteel weer gebeurt met al mijn Joodse
vrienden, en het is verschrikkelijk wat we hier zien.
Ik heb ook nog een vraag aan de minister van Justitie en Veiligheid. Ik
ben enorm geschrokken van het laatste gesprek dat ik had met mensen van
het Joods Politienetwerk. Tot de dag van vandaag voelen politiemensen
van dit netwerk, die dus een Joodse achtergrond hebben, zich onveilig.
Ze spreken zelfs over een angstcultuur. Is de minister hiervan op de
hoogte en doet de minister er voldoende aan dat zelfs de politiemensen,
die ons moeten beschermen, zich niet veilig voelen als ze een Joodse
achtergrond hebben, of op het moment dat ze daarmee sympathiseren?
Ik heb nog een andere vraag aan dezelfde minister. Ik heb zorgvuldig met
specialisten naar alle beelden gekeken van geweld binnen hogescholen en
universiteiten. Het valt mij op dat menig bestuur zegt toch maar geen
aangifte te doen. Maar we hebben het hier over misdrijven, over openlijk
geweld, in vereniging gepleegd, dus waarom gaat het OM niet te allen
tijde over tot de ambtshalve vervolging? Dat is volgens mijn
specialisten in sommige gevallen echt mogelijk. Daar hoef je geen
aangifte voor te doen. De bestuurders geven aan soms ook geen aangifte
te doen, omdat ze angstig zijn voor repercussies en vrezen dat ze zich
dan nog meer problemen op de hals halen. Dat zijn toch dingen die we
anno nu allemaal niet willen. Wil de minister dus nog even ingaan op de
vraag of die ambtshalve vervolging niet wat meer gestimuleerd kan
worden? Ik eindig door te zeggen dat het hart van 50PLUS zit bij alle
Joodse mensen en kinderen die nu beveiligd moeten worden, want ik weet
als geen ander dat dat een verschrikking is.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van mevrouw Van der Plas. Kort en
bondig.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een tijdje geleden heb ik een motie ingediend om te vragen aan de
regering of er onderzocht kan worden hoe de geldkraan dichtgedraaid kan
worden voor culturele organisaties, instellingen of andere mensen die
subsidie krijgen maar die zich schuldig maken aan antisemitisme, die
aanzetten tot antisemitisme of die Joodse sprekers of artiesten
weigeren. Daar heeft 50PLUS tegen gestemd. Ik vroeg me af waarom 50PLUS
daartegen heeft gestemd, want er is niks mis met onderzoeken of dat kan,
lijkt mij.
De heer Struijs (50PLUS):
Nee, met dat onderzoeken is niks mis, maar het is voor ons geen
automatisme om dan gelijk de geldkraan dicht te gooien. Ja, er mag
gehandhaafd worden in allerlei vormen en op allerlei manieren, maar wij
vinden oprecht dat er nog wel een paar aanpassingen moeten komen in de
beoordeling van wanneer je daartoe overgaat. Dat is niet alleen een
technische exercitie, want u krijgt mij een eind mee, maar wij vinden
dat het nog onvoldoende goed geregeld is en wij willen ook niet dat er
willekeur is vanuit de overheid en dat alle geldkranen worden
dichtgegooid.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De motie vroeg niet om alle geldkranen dicht te gooien. De motie vroeg
of de regering kan kijken waar de geldkraan dichtgedraaid kan worden
voor bijvoorbeeld instellingen die Joodse sprekers boycotten. Die mogen
daar niet komen. De motie is ervoor bedoeld om te kijken hoe dat kan.
Deze Joodse sprekers en Joodse artiesten worden geweigerd onder het mom
van anti-Netanyahu, maar het geeft de Joodse gemeenschap een heel erg
onveilig beeld dat Joodse mensen … Ik heb het er in mijn bijdrage over
gehad. In de jaren dertig gebeurde dit gewoon, hè. Joden werden gewoon
uitgesloten omdat ze Joods waren. Dan is er toch niks mis mee om te
kijken hoe we de geldkraan dan wél kunnen dichtdraaien voor dit soort
gasten?
De heer Struijs (50PLUS):
Nee, ik ben het voor een groot deel zelfs met u eens, maar het gaat mij
om het woord "kijken". Hoe onderzoeken we het en hoe beoordelen we het?
Die criteria zijn mij niet duidelijk. Ook de rechters zeggen tegen mij:
geef duidelijke criteria. Als we dus onderzoek gaan doen naar criteria,
ga ik u helpen, maar voordat ik rücksichtslos allemaal geldkranen ga
dichtdraaien, wil ik echt meer weten.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Struijs blijft maar zeggen dat ik alle geldkranen wil
dichtgooien, maar dat zeg ik dus niet. In dat onderzoek zou kunnen
worden meegenomen wat dan de criteria zijn. We hebben er ministers voor
om dat te onderzoeken. Maar ondertussen gebeurt het wel dat Joodse
artiesten, sprekers of artsen niet welkom zijn op een universiteit, bij
een culturele instelling of in de schouwburg in Amsterdam. Dat gebeurt
wel. Wij willen die mensen toch niet gaan betalen als het mogelijk is om
subsidies in te trekken als zij dit doen? Wij gaan er toch niet voor
betalen om Joden uit te sluiten?
De heer Struijs (50PLUS):
Nogmaals, het gaat mij om de kwaliteit van het onderzoek en wanneer je
dat besluit. Ik ben daar helemaal niet op tegen. Integendeel, ik ga een
eind met u mee. Dat zei ik u al. Ik hoor u ook niet zeggen dat u alle
geldstromen wil dichtdraaien. Integendeel. Maar ik wil wel dat er een
valide, goede onderbouwing onder ligt als je dit soort vergaande
maatregelen neemt. Ik zie ook mensen — die horen hier eigenlijk niet
thuis — die juist op een andere manier de dialoog proberen aan te
wakkeren. Dus ik ben een beetje zoekende naar de kwaliteit van het
onderzoek.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een andere vraag, ook gezien de ervaring die de heer Struijs bij
de politie heeft. Je hoort hier ook in het debat grote woorden over
aanpakken, maar soms helpt het ook, ook voor mensen die een strafbaar
feit begaan hebben, om het gesprek aan te gaan. Kan de heer Struijs daar
iets over vertellen, zeker in het kader van deze problematiek?
De heer Struijs (50PLUS):
In algemene zin: dat helpt inderdaad. Ik ben maar bij één gesprek
geweest waarbij mensen zijn aangehouden vanwege antisemitisme, zowel in
woord als daad. Ik doel dan op voor de gein eventjes een Hitlergroet
brengen. Zij zijn in gesprek geraakt met mensen uit de Joodse
gemeenschap. Enkelen kent u zelf ook. Dat was een voortreffelijk
gesprek. De schaamte droop van hun gezicht af. Het leereffect was bijna
maximaal. Dat was althans zo in het gesprek waar ik bij ben geweest. Dus
ik geloof enorm in die methode, maar ik geloof ook dat we af en toe wel
flink door moeten pakken als een moment daarom vraagt. Maar dat heb ik
ook in uw betoog gehoord.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. O, mevrouw Van der Plas, u heeft nog een
vraag. Dat mag, als u het kort doet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Omdat de heer Struijs het net had over een dialoog, wil ik hem het
volgende vragen. Waarom moeten Joden en Joodse mensen, studenten en
docenten, in een dialoog gaan verantwoorden dat ze Joods zijn of dat ze
geloven in een staat Israël of een veilige haven voor Joden wereldwijd?
Waarom zou dat in een dialoog moeten? Dat is toch hun goed recht?
De heer Struijs (50PLUS):
Ik kom zelf ook uit het politieonderwijs. Een dialoog is geen
verantwoording. Dat is echt geen verantwoording. Dat zijn niet de
didactische wetten die wij hebben. Degene die zich moet verantwoorden is
degene die zich misdragen heeft. Degene die de dialoog aangaat, doet dat
altijd op basis van vrijwilligheid. Daar gaat het mij om. U moet eens
weten hoeveel jongeren er rondlopen die dingen doen doordat ze mee
worden gesleept door een andere kudde. Op het moment dat ze het hele
verhaal horen over de Holocaust schrikken ze zich letterlijk dood. Dat
moet er ook zijn, want anders blijven ze dit gedrag vertonen. Dus een
dialoog is echt gebaseerd op het lerend effect.
De voorzitter:
U had gezegd dat u één vraag zou stellen, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, een laatste toevoeging. De Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding, de heer Verdoner, heeft zelfs aangegeven dat
het heel vreemd is dat er een schurend debat zou moeten komen tussen de
verschillende groeperingen, over Israël bijvoorbeeld, over de staat
Israël en of je gelooft in de staat Israël. Hij heeft dat zelf
aangegeven.
De heer Struijs (50PLUS):
U heeft het nu over een schurend debat en niet over een dialoog. Ik wil
namelijk geen schurend debat. Ik wil een dialoog en wil dat mensen eens
een keer leren dat antisemitisme echt verwerpelijk is. Daar ben ik op
uit.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. Het woord is aan de heer El Abassi als
laatste spreker van de Kamer in de eerste termijn. Dat doet hij namens
de fractie van DENK.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Antisemitisme is een gif. Het tast de menselijke waardigheid
aan en vreet aan de fundamenten van onze samenleving. En nooit, maar dan
ook nooit mag Jodenhaat worden gebagatelliseerd of worden goedgepraat.
In een vrije, diverse rechtsstaat is er geen enkele millimeter ruimte
voor haat jegens Joodse Nederlanders. Elk incident is er een te veel.
Mijn fractie zal daar altijd een keiharde streep trekken. De recente
aanslagen op synagogen en joodse scholen in Amsterdam en Rotterdam zijn
weerzinwekkend en diep verontrustend. Ik weet hoe het voelt wanneer de
gebedshuizen of scholen van jouw gemeenschap moeten worden beveiligd. Ik
weet hoe het voelt als de haat van extremisten je raakt in je eigen
wijk. Ik voel dan ook diepe solidariteit met de Joodse gemeenschap.
Niemand in dit land hoort over zijn schouder te moeten kijken vanwege
zijn afkomst of geloof. Veiligheid is geen privilege. Het is een keihard
grondrecht voor iedereen.
Voorzitter. Wij nemen rapporten die dienen ter bestrijding van deze vorm
van haat uiterst serieus. Dat Joodse studenten of medewerkers op
universiteiten zich onveilig, geïntimideerd of uitgesloten voelen is
onacceptabel. Iedere student moet in vrijheid en veiligheid kunnen
studeren.
Tegelijkertijd moeten we hier met oprechte oplossingen komen als wij een
rechtsstaat willen zijn. Juist daar wringt de schoen. We moeten waken
voor de gevaarlijke ontwikkeling waarbij de terechte strijd tegen
antisemitisme wordt misbruikt om het politieke debat te smoren. We zien
een toenemende druk om politieke kritiek op de staat Israël, het verzet
tegen het zionisme en de roep om een einde te maken aan de afschuwelijke
genocide te framen als antisemitisme. Gevoelens van onveiligheid zijn
reëel en verdienen onze erkenning en actie. Tegelijkertijd moeten we
ervoor waken dat kritiek op genocide, apartheid en
mensenrechtenschendingen ten onrechte als antisemitisme wordt
bestempeld. Het rapport van de taskforce raakt precies aan deze
pijnpunten. Het hanteert definities zoals de bekende IHRA-definitie, die
antizionisme en antisemitisme gevaarlijk door elkaar laten lopen.
Antizionisme is kritiek op een politiek systeem en op het handelen van
een staat. Antisemitisme is de verwerpelijke haat tegen Joden om wie zij
zijn. Als we kritiek op Israël het stempel "antisemitisme" geven,
verliest dat woord zijn betekenis en kracht. Hiermee hollen we de strijd
tegen echte Jodenhaat uit.
Voorzitter. Het rapport van de taskforce raakt precies aan deze
pijnpunten. Het hanteert definities die antizionisme en antisemitisme
gevaarlijk door elkaar laten lopen. Oud-premier en CDA-oprichter Dries
van Agt zei het treffend. Hij waarschuwde ons tot aan zijn dood voor de
intellectuele en morele dwaling om legitieme kritiek op de staat Israël
af te doen als Jodenhaat. Van Agt was stellig: kritiek op het zionisme
en opkomen tegen het schreeuwende onrecht dat de Palestijnen wordt
aangedaan, heeft hoegenaamd niets met antisemitisme te maken. Als we dat
onderscheid niet meer durven te maken, verliest het woord
"antisemitisme" zijn betekenis en hollen we de strijd tegen echte
Jodenhaat uit.
Voorzitter, ik rond af. Het is de taak van dit parlement om de
veiligheid van alle Nederlanders te waarborgen. Laten we schouder aan
schouder staan tegen elke vorm van discriminatie, intimidatie en haat,
maar laten we nooit accepteren dat grondrechten worden ingeperkt of dat
legitieme kritiek het zwijgen wordt opgelegd.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Een korte interruptie, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De definitie van "een zionist" is "iemand die gelooft in een veilige
haven voor Joden". In dit geval is dat Israël. Dat is zionisme. Zionisme
is niet kolonialisme; dat is iets compleet anders.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Je kunt tegen kolonialisme zijn, maar tegen iemand zijn die gelooft in
een veilige haven voor Joden uit de hele wereld — dat is Israël —
schuurt wel tegen antisemitisme aan.
De heer El Abassi (DENK):
Niemand is tegen een veilig gebied voor welke religieuze gemeenschap dan
ook, voor welke gemeenschap dan ook. We zien in het zionistische
gedachtegoed dat de grondleggers het idee hadden om een staat toe te
kennen ten koste van het Palestijnse volk. Het betreurt mij enorm dat ik
helemaal niks van empathie vanuit de BBB zie als we het hebben over een
ander semitisch volk, namelijk de Palestijnen. Dat doet mij
verschrikkelijk veel pijn. We hebben dus kritiek op het zionisme,
waarbij mensen denken dat het Palestijnse grondgebied toebehoort aan de
Joodse gemeenschap, of dat nou vanuit religieuze hoek komt of vanuit
welke hoek dan ook, maar we hebben geen problemen met wie dan ook die
veiligheid wil hebben voor welke religieuze gemeenschap of welke
gemeenschap dan ook.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
In 1948 is er een voorstel geweest om een tweestatenstelsel te hebben:
de Palestijnse Staat en de staat Israël. Dat is afgewezen, maar niet
door Israël; dat was het daarmee eens. Het is er niet van gekomen. Bij
zionisme gaat het om het volgende. Een definitie van "zionisme" is dat
je gelooft in een veilige plek voor Joden over de hele wereld. Dat is
Israël. Dat heeft er niks mee te maken dat Joden alles ten koste van
alles willen overnemen. Het gaat om het feit dat je gelooft in de staat
Israël. Wijs je dat af, dan wijs je dus ook de veiligheid af die Joden
willen hebben in hun eigen staat, Israël in dit geval.
De heer El Abassi (DENK):
Als we dan toch gaan naar die duistere periode van Nederland, ook mijn
land, waarin de Duitsers Nederland binnen kwamen vallen, dan zou ik hier
het volgende willen zeggen. Ik hoop mevrouw Van der Plas daarbij aan
mijn zijde te hebben. Stel je voor dat Duitsland later claimt Groningen
en Maastricht te vorderen en zegt: dit is een afspraak die wij met
elkaar maken, waarbij u de helft van Nederland aan ons geeft. Volgens
mij vinden wij dat wij niet zomaar gebieden moeten weggeven als mensen
illegaal, in strijd met de mensenrechten en het internationaal recht,
ons land binnenstormen. Ik snap vanuit het Palestijnse gedachtegoed dus
heel goed dat ze daar destijds niet zomaar een deel van hun gebied
wilden inleveren. Dat mevrouw Van der Plas dat niet snapt, is aan
mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is een beetje een flauwe opmerking. Ik snap het namelijk heel goed.
Ik ken de geschiedenis ook. Ik ben nota bene mijn inbreng begonnen met
Duitsland en de gruwelen die door de Duitsers zijn gepleegd in onder
andere Nederland. Het gaat mij om het volgende. Kijk, ik ben ook een
zionist, want ik geloof ook in een veilige haven voor Joden. En dat is
nu het land Israël. Dus dan zou ik ook een zionist zijn. Maar ik ben
geen kolonist, zeker geen gewelddadige kolonist.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als de heer El Abassi kijkt naar moties die wij wel en niet steunen, dan
zal de heer El Abassi ook zien dat wij moties hebben gesteund die ingaan
tegen gewelddadige kolonisatie. Snapt u een beetje waar ik naartoe wil?
Zionisme is niet per se kolonisatie en geweld.
De heer El Abassi (DENK):
Ik snap niet waar mevrouw Van der Plas heen wil, behalve dan dat ze,
volgens mij terecht, aangeeft dat ze een zionist is. Daar wringt de
schoen bij mij. Ik sta niet achter het gedachtegoed van mevrouw Van der
Plas. Ik vind dat verwerpelijk.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Warme woorden van de heer El Abassi over de Joodse gemeenschap en over
dat antisemitisme een slechte zaak is, maar in het verkiezingsprogramma
van DENK staat op het totale grondgebied van de staat Israël een
Palestijnse vlag. Dan is er dus geen plek voor Joden. Klopt dit?
De heer El Abassi (DENK):
Het verschil tussen mij en mevrouw Keijzer is dat wij als DENK Israël
niet associëren met een rechtsstaat. Wij associëren Israël met een
apartheidsstaat, met een genocidale entiteit, met een staat die keer op
keer mensenrechten schendt, die het internationaal recht schendt. Wij
hebben er heel veel moeite mee om diezelfde staat bij naam te noemen.
Wij zijn dan ook voor een andere staat, met een andere benaming. Wij
noemen die dan "Palestina". Wij zeggen daarbij — dat heeft mevrouw
Keijzer ook gelezen — dat dit een staat is voor iedereen, met gelijke
rechten voor Joden, christenen, Palestijnen en alle andere volkeren.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De genocidepropaganda is effectief geweest. Door constant te spreken
over genocide denkt de meerderheid van Nederland nu dat er sprake is van
genocide, hoewel er nog steeds geen enkele rechter is die er een
uitspraak over heeft gedaan. Maar dat was mijn vraag niet. Mijn vraag
was of het klopt dat er in het verkiezingsprogramma van DENK op de plek
van de staat Israël een Palestijnse vlag staat en er dus geen plek voor
Joden is. Nou, dat is zo. Dat hoeft hij niet meer te zeggen. Maar
vervolgens zegt hij: ja, maar in die Palestijnse staat mogen ook Joden
…
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
… aanwezig zijn. Heeft de heer El Abassi van zijn fractievoorzitter
gehoord hoe het debat vorige week verliep, toen duidelijk werd dat de
Palestijnse staat gebaseerd is op shariawetgeving?
De voorzitter:
Dat debat gaan we niet overdoen, maar ik geef de heer El Abassi
gelegenheid om te antwoorden.
De heer El Abassi (DENK):
Ik hoor drie elementen. Allereerst vind ik het opvallend dat mevrouw
Keijzer het heeft over rechterlijke uitspraken. Mevrouw Keijzer heeft
het niet over de druk die wordt opgevoerd op deze rechters, juist door
haar bondgenootland en Amerika. Ik hoor mevrouw Keijzer ook zeggen dat
er geen plek is voor Joden. Dat is niet waar. Er is altijd plek voor
Joden. Dat is altijd al zo geweest, overal, wat mij betreft. Er is geen
plek voor een zionistische entiteit die anderen, in dit geval
Palestijnen, keer op keer van hun land verdrijft en die keer op keer
niet luistert. Hier wordt het internationaal op aangesproken. Er zijn
rechters en verschillende experts mee bezig. Dat bent u niet, mevrouw
Keijzer. Er zijn genoeg experts die dit al "genocide" hebben genoemd. Er
is bijna geen expert die het niet zo heeft genoemd. Dat mevrouw Keijzer
dat nog steeds in twijfel trekt, zegt meer over mevrouw Keijzer dan over
mij.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Zo doen ze dat bij DENK: ze geven geen antwoord op de vraag en beginnen
over iets anders. Ik zal het dan aan de heer El Abassi vertellen: in die
Palestijnse staat, die gebaseerd gaat worden op shariawetgeving, is er
geen plek voor christenen, voor homo's, voor mensen die van het geloof
vallen en zeker niet voor Joden. De woorden van El Abassi hier zijn
mooi, maar hebben dus geen enkel gewicht.
De heer El Abassi (DENK):
Ik heb zo veel moeite met mensen die denken dat ze dingen weten, zeg ik
even via de voorzitter, bijvoorbeeld ten aanzien van woorden als
"sharia", die heel eng klinken. Mevrouw Keijzer heeft geen idee wat
"sharia" überhaupt betekent. Als mevrouw Keijzer wist wat
shariawetgeving betekent, wist ze dat de Code Civil, ons Nederlands
recht, gebaseerd is op shariawetgeving en wist ze dat shariawetgeving
heel breed is. Ik weet waar mevrouw Keijzer op doelt, namelijk op twee
of drie elementen uit de shariawetgeving, maar shariawetgeving is veel
breder dan dat. Tegenwoordig heb je ChatGPT, mevrouw Keijzer. U kunt het
dus gewoon zelf opzoeken. Dat zou ik u willen aanraden.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer El Abassi. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van
de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 20.40 uur,
waarna we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het
kabinet.
De vergadering wordt van 19.53 uur tot 20.40 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat
over het rapport van de Taskforce Antisemitisme "Gevangen in Vrijheden".
Ik geef het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid voor de
beantwoording in de eerste termijn van de zijde van het kabinet.
Minister Van Weel:
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng in eerste
termijn op dit zo belangrijke thema. Ik zal zo beginnen met een
inleidende tekst. Dan zal ik in de volgende blokjes werken. Het eerste
blokje gaat over de beveiliging en bescherming van Joodse objecten.
Daarna komt het blokje strafrecht en strafbaarstelling, waar ik de heer
West ook in meeneem. Dan komt het blokje optreden bij demonstraties,
maar dan alleen voor het deel dat niet ziet op de demonstraties rondom
academische gebouwen en onderwijsinstellingen, want dat laat ik aan de
minister van OCW. Dan komt het blokje over de onlineaanpak en ten slotte
de andere onderwerpen. Niet alle blokjes zijn even dik.
Voorzitter. We spreken vandaag over antisemitisme, over vrijheid en over
veiligheid. Dat doen we juist nu die vrijheid en veiligheid niet
vanzelfsprekend blijken. Voor veel Joden is een gevoel van onveiligheid
al langer onderdeel van hun dagelijkse leven. Het is een gevoel van
angst, woede en verdriet. Het is niet nieuw, en juist dat maakt het zo
ernstig. Recente zorgwekkende ontwikkelingen versterken dit gevoel. De
door u ook genoemde aanslagen op een synagoge in Rotterdam en op een
Joodse school in Amsterdam hebben diepe indruk gemaakt op de Joodse
gemeenschap, maar ook op onze samenleving als geheel. Dit zijn geen
opzichzelfstaande incidenten: ze staan symbool voor een bredere,
verontrustende ontwikkeling, waarin antisemitisme in Nederland zichtbaar
en voelbaar toeneemt. We zien antisemitisme op straat, in stadions, in
het onderwijs, in het publieke debat en online. Bij demonstraties worden
antisemitische leuzen geroepen. Op universiteiten en hogescholen voelen
Joodse studenten en medewerkers zich geïntimideerd of onveilig. Zelfs in
klaslokalen geven leraren aan dat antisemitische uitingen voorkomen. Dat
is een ernstige constatering. Antisemitisme is onaanvaardbaar. Joden
moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen om Joods te
zijn.
Het debat van vandaag staat vooral in het teken van het rapport van de
Taskforce Antisemitismebestrijding. Die taskforce is in 2025 ingesteld
om concrete en uitvoerbare voorstellen te doen voor de aanpak van
antisemitisme, met bijzondere aandacht voor het onderwijs en het
openbaar vervoer. Ik wil Jaap Smit, die hier in ieder geval eerder nog
aanwezig was, en alle andere leden van de taskforce bedanken voor hun
grote inzet. Hun rapport Gevangen in Vrijheden is scherp, zorgvuldig en
praktisch van aard. We nemen de aanbevelingen in volle ernst ter hand.
De minister van OCW zal hier inhoudelijk op ingaan.
Voorzitter. De recente gebeurtenissen maken nog eens duidelijk dat
veiligheid geen vanzelfsprekendheid is. Samen met de politie en de
lokale overheden werkt de regering aan de veiligheid van de Joodse
gemeenschap. Daarnaast beschikt Nederland sinds 2025 over een
veiligheidsfonds voor Joodse scholen, instellingen en evenementen.
Daarvoor hebben we structureel 1,3 miljoen euro per jaar beschikbaar
gesteld. De belangstelling was groot in 2025. Dat onderstreept hoe groot
de behoefte is en hoe urgent deze maatregel blijft. Daarom wordt het
veiligheidsfonds structureel voortgezet. Gezien het aantal aanvragen in
2025, de verwachte toename in 2026 en horende uw Kamer, heb ik besloten
om het fonds in 2026 met €700.000 te verhogen naar 2 miljoen euro per
jaar. Met deze extra middelen kunnen Joodse instellingen nog beter
worden beschermd en hoop ik het veiligheidsgevoel van Joden in Nederland
te versterken.
Maar de aanpak van antisemitisme vraagt om meer dan bescherming alleen.
We moeten ook versterken wat wordt bedreigd: het Joodse leven zelf.
Daarom werkt het kabinet, samen met de Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding, aan het Nationaal Plan Joods Leven. Dat plan
is gericht op het zichtbaar maken, ondersteunen en versterken van het
Joodse leven in Nederland. Het plan beoogt de kennis over de Joodse
cultuur en geschiedenis te vergroten. Het bevordert ontmoeting en
dialoog, zoals ook genoemd door enkelen van u. Ook versterkt het de
vrijheid om de Joodse identiteit zichtbaar te kunnen beleven in ons
land. Versterken wat verbindt is de meest duurzame vorm van
weerbaarheid.
We doen meer en we doen het samen. Antisemitisme vraagt niet om losse
maatregelen, maar om één gecoördineerde aanpak. Meerdere ministeries
werken hierop samen. Ons gezamenlijk optreden hier getuigt daarvan. Als
coördinerend bewindspersoon bewaak ik dat de inzet samenhangend en
duurzaam zal blijven. De Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024-2030
vormt daarbij het fundament, met acties van onderwijs tot handhaving en
van meldvoorzieningen tot internationale samenwerking. Volgend jaar
zullen we deze evalueren en waar nodig versterken.
Er werd mij ook gevraagd waarom we niet eerder evalueren. Dat doen we
ook. We actualiseren doorlopend op jaarbasis. Waar we, ook in gesprekken
met de Joodse gemeenschap, voelen dat er meer maatregelen of andere
maatregelen gewenst zijn, passen we die aan in de strategie. De
actualisatie van dat plan is u onlangs toegezonden.
We hebben het strafrechtelijk instrumentarium inmiddels versterkt met de
strafverzwaringsgrond bij discriminatoire motieven en de
strafbaarstelling van Holocaustontkenning. We investeren in
Holocausteducatie en in het tegengaan van desinformatie en
antisemitische complottheorieën. Ik ga in de antwoorden op uw vragen nog
verder in op de onlineaanpak van antisemitisme.
Voorzitter. Antisemitisme is niet alleen een aanval op de Joodse
gemeenschap, maar ook op de grondslagen van deze democratische
rechtsstaat. Het vraagt van ons duidelijke normstelling, stevige
handhaving en solidariteit. Het vraagt van ons allemaal — velen van u
zeiden dat — dat we niet wegkijken maar opstaan, dat we niet alleen
bestrijden wat bedreigt, maar ook bevorderen wat waardevol is, zodat
Joods leven in Nederland zichtbaar en vanzelfsprekend kan bloeien in
vrijheid, in veiligheid en met trots.
Voorzitter. Dat was mijn inleiding. Dan kom ik nu bij het blokje
beveiliging en bescherming van Joodse objecten en de aanslagen.
Laat ik, in antwoord op de vraag van mevrouw Bikker, beginnen met de
constatering dat het natuurlijk triest is dat het Joodse leven zich
grotendeels moet afspelen onder bewaking, achter hoge hekken, achter
muren en met het soms verdoezelen van de eigen identiteit. De recente
aanslagen geven nog maar eens aan dat deze veiligheid niet
vanzelfsprekend is en dat die hekken daar niet voor niks staan. Dit is
geen echte vrijheid — dat ben ik met u eens — maar zolang we te maken
hebben met de dreiging waarin we leven, is het minste wat we kunnen doen
in ieder geval bijdragen aan de maatregelen waardoor de Joodse
gemeenschap zich wél veilig kan voelen en in ieder geval haar leven kan
uitoefenen. Dat is waar het veiligheidsfonds voor was bedoeld.
Dat is ook waarom ik heb besloten, gelet op de recente gebeurtenissen,
maar ook op de enorme vraag die er is om maatregelen te treffen, dat we
dat veiligheidsfonds zullen ophogen met zeven ton, naar 2 miljoen euro
per jaar. Dat staat nog los van de inzet die nodig is op basis van acute
dreigingsinformatie van marechaussee, politie en anderszins.
Daarbij doen we natuurlijk wat nodig is op basis van de actuele
dreiging. Ik denk dat we de afgelopen week ook hebben kunnen zien dat
deze inzet ook zijn vruchten heeft afgeleverd. Wij hebben ook
daadwerkelijk potentiële daders van aanslagen kunnen pakken voordat zij
over konden gaan tot hun daden. In die zin spreek ik ook hier mijn
waardering uit voor de diensten en het lokale gezag voor alle
maatregelen die zijn genomen om te zorgen dat de Joodse gemeenschap in
veiligheid en vrijheid hier kan leven.
Dit veiligheidsfonds is bedoeld voor maatregelen die men zelf kan
treffen. Daarvan is een deel incidenteel. Denk aan camera's of het
opzetten van een muur. Deels is het niet-incidenteel. Dan gaat het om
het inhuren van particuliere beveiliging voor evenementen die worden
georganiseerd of anderszins. Dat is waar die 2 miljoen euro op ziet. Ik
denk dat we hiermee een heel groot deel van die aanvragen voor dit jaar
en hopelijk ook voor volgend jaar kunnen voorzien.
De voorzitter:
Ik zou eigenlijk willen voorstellen dat de minister het onderdeel
beveiliging en bescherming van objecten even afrondt en dan geef ik
ruimte voor interrupties. Is dat een werkwijze waar iedereen mee kan
leven?
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Die vragen hangen hiermee samen. De heer Ellian had
natuurlijk ook een vraag op dit vlak. Daar heb ik net op geantwoord. Wij
gaan dat bedrag inderdaad verhogen.
De heer Bamenga vroeg welke 25 aanvragen er niet waren toegekend en of
dat te maken had met het budget. 3 van de 25 gevallen zijn geheel
afgewezen, omdat ze niet voldeden aan de criteria van het subsidiekader.
17 van de 25 aanvragen zijn niet toegekend, omdat de middelen al waren
vergeven volgens het principe "wie het eerst komt, het eerst maalt". Dat
ondervangen we nu dus hopelijk met de verhoogde budgetten. Ik hoop dat
we met het verhoogde budget in ieder geval alle aanvragen kunnen
behandelen, omdat het dus ook deels incidentele uitgaven betreft, die
dus niet elk jaar terug zullen komen.
Hoe staat het met het onderzoek, vroeg de heer Van den Brink. We moeten
de uitkomst van het onderzoek afwachten, maar wat ik kan zeggen, is dat
in ieder geval een deel van de daders, zo niet alle, zijn geronseld
volgens het principe dat wij "crime as a service" noemen. Dat is een
enorm probleem, niet alleen in ons land; we zien dat breder in Europa.
Jongeren, soms hele jonge jongeren, soms zelfs van 10 of 11 jaar, nemen
via Snapchat of Telegram een opdracht aan om een aanslag uit te voeren
waarvan ze waarschijnlijk niet eens weten waarvoor hij bedoeld is. Ze
doen dat met louter één motivatie, en dat is geld. Uiteindelijk zit
daarachter natuurlijk een hele cascade van opdrachtgevers met
tussenmannen et cetera. Wij hebben gezegd dat het mogelijk is dat Iran
uiteindelijk achter ten minste een deel van deze aanslagen zit. We
zullen moeten afwachten tot dat onderzoek helemaal is uitgelopen naar
twee kanten, namelijk omhoog vanaf de jonge aanslagplegers, die
vermoedelijk geen enkele intrinsieke motivatie hadden om de aanslag uit
te voeren, tot degene die die motivatie wel degelijk had en die opdracht
heeft gegeven. Het is waar wat u zegt: het OM is in een aantal gevallen
in ieder geval overgegaan tot aanklagen voor misdrijven met een
terroristisch motief. Of het uiteindelijk ook tot een veroordeling komt,
is uiteraard aan de rechter.
Mevrouw Bromet vroeg of burgemeesters kunnen rekenen op de relevante
NCTV-informatie die er is. Ja, absoluut. Vanaf het eerste moment, dus na
de aanslag in Rotterdam, hebben wij vanuit de NCTV het initiatief
genomen om te zorgen dat relevante gezagen op de hoogte waren van wat
daar gebeurd was en ook mogelijke maatregelen konden nemen. We hebben
gezien dat dat de dag erna al geleid heeft tot het heel snel oppakken
van de daders van de aanslag op de joodse school in Amsterdam. Ik heb
daarop zelf een bijeenkomst belegd met alle regioburgemeesters en alle
gezagen van de politie in het hele land, want we hebben natuurlijk
honderden Joodse objecten door het land. We hebben een landelijk
handelingskader laten opstellen door de politie, om burgemeesters in
ieder geval een leidraad te geven wat betreft welke maatregel ze bij
welke dreiging kunnen nemen. Natuurlijk is het aan de gezagen zelf om
daar invulling aan te geven, maar juist vanwege die informatie proberen
we dat vanuit de faciliterende rol zo eenduidig mogelijk te doen, ook
als service naar het lokale gezag. Die lijnen zijn er dus zeker
al.
Of er aanvullende beveiliging nodig is, bezien we echt op basis van de
dreigingsanalyse. We hebben natuurlijk geen onbeperkte capaciteit.
Uiteindelijk is de dreiging leidend voor de inzet. Daarbij wil ik wel
zeggen dat de manier van inzet ook al een tijdje onderwerp van discussie
is, en dan heb ik het met name over de statische beveiliging door de
marechaussee bij scholen. Dat geeft een gevoel van veiligheid, maar als
je aan de experts vraagt wat nou de beste manier is om uiteindelijk
potentiële daders van een aanslag op te sporen en die te verhinderen,
dan kiezen zij voor een ander concept, vanuit de inhoud van hun vak. Dat
is een gesprek dat we uiteindelijk moeten voeren met de Joodse
gemeenschap. Dat doen we ook en dat doen de gezagen ook: hoe kunnen we
er nou voor zorgen dat het veiligheidsgevoel zo hoog mogelijk is,
terwijl we onze diensten uiteindelijk inzetten op een manier met een zo
hoog mogelijke pakkans? Ik beloof hier niet dat die statische
beveiliging er altijd zal zijn. Ook daarover zal de burgemeester
uiteindelijk met de Joodse gemeenschap in overleg gaan en komen tot het
beste concept. Ik beloof u wel dat er altijd geacteerd wordt op basis
van dreigingsinschattingen die wij maken. Ik denk dat de afgelopen weken
wel duidelijk is geweest dat we dat doen en dat de politie dat ook goed
doet, gelet op datgene wat verijdeld is en de daders die gepakt
zijn.
Dat was het kopje beveiliging.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank aan de minister, ook voor zijn inleiding trouwens. Wat betreft de
beveiliging ben ik blij dat de minister zegt dat we het veiligheidsfonds
gaan vergroten, want dat is hard nodig. Tegelijkertijd is dat natuurlijk
een trieste constatering, want ik zou willen dat de minister kon zeggen
dat er geld overblijft. Dat is niet het geval. Mijn zorg, ook gelet op
wat ik in eerdere jaren heb gezien, is dat er een eenmalige investering
is, maar dat onderhoud en vervanging straks weer het kind van de
rekening zijn, of dat de Kamer hier opnieuw moet aankloppen …
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
... en dat terwijl de Joodse gemeenschap in Nederland momenteel helaas
niet groter wordt, maar krimpt. Het zelf opbrengen wordt dus ook
lastiger. Kan de minister een doorkijkje geven naar hoe hij dat voor
zich ziet na afloop van het veiligheidsfonds? Wat kunnen we volgens hem
van de overheid verwachten daarin?
Minister Van Weel:
Ik heb net gezegd dat wij het veiligheidsfonds structureel maken. In die
zin zal er elk jaar geld beschikbaar zijn. Ik heb het nu ook verhoogd.
Dat heb ik gedaan op basis van de aanvragen die we hebben gezien.
Daarvan is een deel incidenteel. Dat zijn investeringen, die op een
gegeven moment terugkomen, maar je hoeft niet elk jaar nieuwe camera's
op te hangen of een nieuwe muur te bouwen. Je wilt wel voor elk
evenement nieuwe beveiligers inhuren. Een aantal van die kosten komen
dus terug en een aantal van die kosten zijn incidenteel. Ik denk dat we
hiermee echt een heel eind in de richting komen van hetgeen nodig is.
Zoals ik al zei, maak ik het structureel. Het gaat dus niet meer weg,
maar is here to stay. Helaas is dat zo. Ik zou willen dat ik het op een
gegeven moment kon beëindigen, maar op dit moment zie ik dat perspectief
niet.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat is goed om te horen. Het is ook goed om te horen dat de minister
zegt: ook voor nieuwe evenementen moet dat beschikbaar zijn. Mijn grote
zorg is dat we steeds meer — het is geen goed Nederlands woord —
statisch worden. Ik weet niet hoe je dat zegt, maar ik bedoel dat we
steeds meer bepaalde objecten beveiligen en dat het voor de Joodse
gemeenschap verder steeds lastiger wordt om in ons land ergens aan deel
te nemen, een zaal af te huren enzovoort enzovoort. Is de minister het
met mij eens dat juist dat ook hieronder valt? Dat vraag ik even om
samen in de Kamer vast te stellen wat de reikwijdte is van het
veiligheidsfonds.
Minister Van Weel:
Alle aanvragen, ook deze, kunnen binnen de criteria vallen van aanvragen
die kunnen worden gedaan, zeker. De Joodse gemeenschap heeft natuurlijk
veel ervaring met het regelen van beveiliging voor zichzelf, ook bij
evenementen. We hebben de afgelopen jaren gezien dat een heleboel
evenementenlocaties niet meer bereid bleken om Joodse evenementen te
huisvesten. Laat ik hier een oproep doen. Ik denk dat ik die oproep
samen met ongeveer uw hele Kamer doe: "Alstublieft, zorg ervoor dat u
niet op die manier bijdraagt aan het verdwijnen van het Joodse leven uit
Nederland. Zorg ervoor dat ze niet alleen nog maar in eigen synagogen of
op een tweetal plekken in Nederland als een soort curiosa Joods kunnen
zijn. Dat moeten ze namelijk kunnen zijn in het hele land." Het vereist
lef van locatiehouders om dit gewoon te doen. Ze kunnen er dan op
rekenen dat het lokaal gezag er zal zijn om zorg te dragen voor
beveiliging als verwacht wordt dat een situatie leidt tot
openbareordestrubbelingen. Daar kunnen we de Joodse gemeenschap namelijk
niet voor laten opdraaien. Ik bedoel dat zij het gevoel hebben dat zij
binnen zo'n evenement de maatregelen hebben kunnen nemen waarvan ze
denken dat die nodig zijn.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter. Ik dank de minister dat hij dat laatste punt benoemt.
Vanuit de Joodse gemeenschap hoor ik veel terug hoe lastig het is om een
zaaltje te vinden om de bar mitswa te vieren. Denk aan al die andere
voorbeelden. Is de minister bereid om dit ook op te nemen met de
burgemeesters van gemeenten met een Joodse gemeenschap en Joods leven,
om echt te bevorderen dat het de komende jaren beter gaat in plaats van
minder wordt? Is de minister bereid om daar volgend jaar, wanneer hij
weer rapporteert, op terug te komen?
Minister Van Weel:
Met plezier. Nogmaals, ik doe hier een oproep, op het podium dat ik hier
heb, aan iedereen die het afgelopen jaar wellicht heeft gedacht: ik doe
dat liever niet. Mijn oproep is: doe het wel. Help de Joodse gemeenschap
om het Joodse leven in Nederland op een zichtbare manier te kunnen
vieren, in welke vorm dan ook.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Daar sluiten wij ons natuurlijk van harte bij aan. Wij zijn heel blij
met het budget en met de inzet van onze politie, met name het Joods
Politienetwerk. In november 2024 gaven zij een interview in het Nieuw
Israëlietisch Weekblad. Daaruit bleek dat er agenten zijn die weigeren
Joodse feesten, objecten of manifestaties te beveiligen. De bijna, op
DENK na, Kamerbreed aangenomen motie-Eerdmans vroeg om hierop in te
grijpen. Ik was eigenlijk wel benieuwd naar de status hiervan. Zijn er
nog signalen van agenten die weigeren specifieke Joodse zaken te
beveiligen? Zo ja, wat doet de minister daaraan? Zo nee, dan zijn we
blij dat het is opgelost.
Minister Van Weel:
Ook toen was ik minister van Justitie en Veiligheid. Ik heb dat
interview toen ook gelezen. Ik heb toen ook in uw Kamer gestaan. Ik heb
toen uitgelegd dat het voor mij niet acceptabel is om te weigeren om
Joodse objecten te beveiligen. Op dat moment bleek niet dat daar
daadwerkelijk sprake van was geweest, dus dat mensen geweigerd hadden om
deze diensten te draaien. Die signalen heb ik nu ook niet, maar ik zal
het met alle liefde navragen, want mijn uitgangspunt blijft hetzelfde:
dat is geen optie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Bij de NOS is toen wel gezegd door een politiewoordvoerder — de naam is
me even ontschoten — dat het toch mensenwerk blijft en dat ze in gesprek
zouden gaan met mensen die dat willen. Kunnen we met z'n allen
vaststellen dat we niet in gesprek gaan over de plichtsopvatting van
iedere individuele agent, en dat dit soort opdrachten gewoon worden
uitgevoerd door onze politie?
Minister Van Weel:
Nee, dat kan ik toezeggen. Nadat die desbetreffende politiewoordvoerder
dat heeft gezegd, heb ik met uw Kamer gewisseld en heeft ook de
korpschef heel duidelijk aangegeven dat daarvan geen sprake kan
zijn.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De vraag die ik stelde over de marechaussee ging er eigenlijk niet
zozeer over of de taak van de marechaussee veranderd was van statische
beveiliging naar mobiele beveiliging. De vraag ging meer over de
capaciteit op zich. Op het moment dat die minder wordt, moet de politie
het overnemen. De politie is al zwaar belast in de grote steden. Kan de
minister bevestigen dat er geen afschaling plaatsvindt van de inzet van
de marechaussee?
Minister Van Weel:
In algemene zin wordt de marechausseecapaciteit niet kleiner. Ook de
marechaussee groeit mee met de rest van de krijgsmacht. Als we kijken
naar het domein bewaken en beveiligen, dan is er zowel aan de
politiezijde als aan de marechausseezijde een enorme investering gedaan
in de afgelopen jaren, en die loopt nog, om aan de groeiende behoefte te
voldoen. Binnen die volledige capaciteit zal er wel altijd gekeken
moeten worden waar de nood het hoogst is en waar de inzet op dat moment
gewenst is. Ik kan dus nooit garanties geven namens het gezag, dat
uiteindelijk bepaalt waar die inzet het meeste nodig is, of daar al dan
niet in afgeschaald wordt. Dat hangt ook samen met de
dreigingsinschatting die er op een bepaald moment is. Het zal vanaf de
buitenkant moeilijk zijn om te zien dat er een heel wegingskader achter
ligt voor het lokale gezag om over die capaciteit, die dus niet
verkleind wordt, op een juiste manier prioriteiten en keuzes te
maken.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Goed, maar doet de minister dat ook in overleg met de burgemeesters?
Zijn zij begripvol? Steunen zij deze manier van werken? Het gaat mij
erom dat er niet heen en weer geschoven wordt met verantwoordelijkheden.
Ik wil voorkomen dat burgemeesters zeggen "dat moet het Rijk doen", en
dat het Rijk zegt "je hebt ook nog je eigen politie".
Minister Van Weel:
We hebben destijds, voor mijn tijd, gekozen voor het model waarbij de
beveiliging van de Joodse objecten deels — dat gebeurt niet overal in
Nederland — bij de marechaussee is komen te liggen. Ik heb nu geen
voornemen om daar een verandering in aan te brengen. In die zin zal het
lokale gezag nog altijd verantwoordelijk zijn. We nemen die
verantwoordelijkheid niet over vanuit het Rijk. Daar waar de
marechaussee op dit moment ondersteuning levert, zie ik hier voorlopig
geen wijziging in.
De heer Ellian (VVD):
Ik denk dat duidelijkheid van groot belang is. Dat proef ik ook in de
woorden van de minister, die ik op zich waardeer. Ik weet dat niet alles
even duidelijk is in het leven. Even om te beginnen: kunnen we er
voorshands van uitgaan dat deze jongens, de daders, waarschijnlijk niet
weten wat Joden zijn en wat het Iraanse regime is? Kunnen we met elkaar
aannemen dat degene die het orkestreert het regime is?
Minister Van Weel:
Ik kan niet verder gaan dan de kwalificatie "mogelijk", die ik eraan heb
gehangen. Dat hangt samen met de inlichtingeninformatie zoals we die
hebben. Het luistert nauw — dat weet de heer Ellian ook — als het gaat
om welke gradatie we daarin aanbrengen. Dat geldt ook voor de stand van
zaken van het strafrechtelijk onderzoek. Het is dus mogelijk.
De heer Ellian (VVD):
Dat begrijp ik. Ik heb hier inderdaad een jaar of tien deskundigheid in
opgebouwd. Dat strafrechtelijk bewijs naar het regime gaat niet vliegen.
Het gaat erom of je met elkaar kunt aannemen dat er achter een
buitenlandse mogendheid een verschrikkelijk regime zit. Ik ga ervan uit,
en volgens mij proef ik dat ook in de woorden van de minister, dat dat
zo is. Dan is het een gegeven dat die dreiging aanhoudend en concreet
is. Ik denk dat dat besloten ligt in de vragen van de collega's. Kan de
Joodse gemeenschap ervan uitgaan dat het niveau dat nu aan beveiliging
geleverd wordt, hoe pijnlijk ook, voorlopig de realiteit is?
Minister Van Weel:
Ja, maar zo werkt het vaak niet. Het gaat om de dreigingsinschatting, en
dat heeft ook te maken met de kennis die wij opdoen van de dreiging die
er daadwerkelijk is. U heeft ook gezien dat wij in een aantal gevallen
wel bijzonder goed in staat waren om een aanslag die mogelijk gepleegd
zou worden, voor te zijn. Dat zegt ook weer wat over de mate van
betrouwbaarheid van de inlichtingen die we daarover hebben. Dat hele
beeld kent geen tijdpad; dat is continu in beweging en heeft te maken
met de intenties en met de capaciteiten. In hoeverre hebben we met het
oprollen van het aantal lagen dat we nu gevonden hebben boven de
jongeren die geronseld waren, echt een slag toegebracht? Dat is echt een
dynamisch proces. Dat laat ik zelf ook heel graag bij de professionals.
Daar ga ik dus geen tijdpad opleggen.
De voorzitter:
Afrondend.
Minister Van Weel:
Maar het moge duidelijk zijn dat de dreiging leidend is voor de
maatregelen.
De heer Ellian (VVD):
Ik maak die dreigingsinschattingen inmiddels al 25 jaar mee. Dit is
precies waarom ik ernaar vraag. Ik ga proberen om dit beknopt te doen.
Je hoort uit de Joodse gemeenschappen, maar overigens ook van andere
mensen die hiermee te maken hebben, dat de inschattingen veranderen. Dat
begrijp ik. Ik begrijp hoe het systeem werkt. Maar ik vraag de minister
het volgende. Gegeven de situatie in de wereld en berichten van andere
inlichtingendiensten over de positie van het Iraanse regime — helaas is
het regime nog niet gevallen — kun je ervan uitgaan dat die dreiging
aanhoudend is. Het zou zo prettig zijn als we met elkaar duidelijkheid
kunnen geven, in de zin van: "Het systeem werkt zo. Er is een
dreigingsinschatting, een analyse, maar die analyse wijst uit dat dit
regime dit zal blijven doen, want dit regime heeft één doel, en dat is
Joden vermoorden."
Minister Van Weel:
Maar die dreigingsanalyse heeft niet de eendimensionale insteek dat de
dreiging altijd zal blijven zoals die is omdat het regime hier mogelijk
achter zit en het regime nog niet is gevallen. Dat doet echt tekort aan
de dynamische dreigingsinschattingen, aan de inlichtingen die wij
hebben. Die ga ik niet allemaal hier delen. Ik denk ook niet dat wij
daar het gesprek over zouden moeten voeren. We moeten echt vertrouwen op
onze professionals.
De voorzitter:
De minister vervolgt met het strafrechtdeel van zijn beantwoording.
Minister Van Weel:
Ja. Er was een vraag van mevrouw Nanninga over het symbool van de rode
driehoek, dat in verband werd gebracht met Hamas. Ze vroeg of dat valt
binnen de reikwijdte van de bestaande wetgeving inzake
terrorismeverheerlijking. Zoals u weet, loopt dat wetgevingstraject nog.
Er is vandaag een motie van mevrouw Keijzer aangenomen die de regering
vraagt om te komen met dat wetsvoorstel. We hebben dat inmiddels
teruggekregen van de Raad van State. Daar zal ik mij binnen het kabinet
over buigen. Met het wetsvoorstel wordt het strafbaar — althans, dat
beogen we strafbaar te maken — om in het openbaar steun te betuigen aan
terroristische organisaties, ook middels het gebruik van symbolen van
terroristische organisaties. Zoals u weet, hangt de vraag of er sprake
is van opruiing nu heel vaak samen met de context waarbinnen een
bepaalde gedraging plaatsvindt of een uiting wordt gedaan. Het idee is
dat we sneller kunnen optreden als het gaat om evidente voorbeelden van
het verheerlijken van terrorisme. Ik noem als voorbeeld het zwaaien met
een ISIS-vlag. We weten allemaal waar die vlag voor staat en wat er
achter die organisatie zit. Je wil sneller kunnen optreden om die uit
het straatbeeld weg te halen. Ik kan niet vooruitlopen op individuele
uitingsvormen, maar in de kern is dat de afweging die mogelijk wordt met
dat wetsvoorstel.
Mevrouw Bikker vroeg welke inzichten er nu zijn inzake de wet over
strafverzwaring voor antisemitische misdrijven. Die is van kracht sinds
1 juli 2025 en wordt inmiddels toegepast in de strafrechtketen. Uit de
rapportage Strafbare Discriminatie in Beeld die vorige week door het OM
is gepresenteerd, blijkt dat dit in de periode vanaf de inwerkingtreding
tot 1 januari dit jaar — dat is dus niet heel lang — al 206 keer gebeurd
is. Dat is schokkend in de zin dat het gaat om enorme aantallen, maar
het is positief in de zin dat het OM wel degelijk dat artikel toepast.
Ik denk dat dat ook positief is voor u hier, als medewetgever. We hebben
nog geen knelpunten gehoord van het OM wat betreft de toepassing
hiervan. Bij het toezenden van de volgende discriminatiecijfers, als de
wet dus een heel jaar van kracht is, zal ik de wet evalueren op dit
punt.
Dit sluit ook aan op de vraag van mevrouw Bromet, namelijk: wordt de
strafverzwaringsgrond die van kracht is geworden, toegepast? Ja, die
wordt toegepast door het OM. In die zin draagt die volgens mij zeker bij
aan beter strafrechtelijk handhaven als het gaat om het bestrijden van
antisemitisme.
Dan ga ik naar de heer Kanye West, of Ye, of hoe men hem ook maar wil
noemen. De vraag van mevrouw Bikker was: zijn wij bereid om hier een
grens te trekken, zoals andere landen dat hebben gedaan? Natuurlijk ben
ik bekend met landen die ofwel hem de toegang hebben geweigerd ofwel
daarmee hebben gedreigd, waardoor in een aantal landen optredens
inmiddels zijn afgelast. Laat ik vooropstellen dat ik de antisemitische
uitingen veroordeel die hij heeft gedaan. Die zijn verschrikkelijk en
daar is hier in Nederland geen enkele plek voor. Tegelijkertijd hebben
we als landen allemaal te maken met onze eigen nationale wetgeving en de
redenen op grond waarvan je iemand de toegang kunt ontzeggen. In dit
geval is dat primair een verantwoordelijkheid van de minister van Asiel
en Migratie, maar als een van zijn ambtsvoorgangers weet ik wel ongeveer
hoe deze afweging in elkaar zit. Op dit moment zit hij nog in dat
traject. Er wordt dus gekeken, ook binnen Justitie en Veiligheid door de
NCTV, naar aanknopingspunten voor een mogelijke weigering. Daar ga ik
dus niet op vooruitlopen.
Wel wil ik iets van een winstwaarschuwing geven. In Nederland hanteren
we een vrij hoge drempel voor het ontzeggen van de toegang aan iemand.
Er moet dan echt sprake zijn van een dreigende verstoring van de
openbare orde of van een bedreiging voor de nationale veiligheid. Gelet
op het feit dat de heer Ye inmiddels — dat denk ik en hoop ik — ook wel
spijt heeft van de uitspraken die hij heeft gedaan en van zijn
gedragingen, acht ik het niet heel voorstelbaar dat hij, als hij naar
Nederland zou komen, daadwerkelijk een acute bedreiging voor de openbare
orde is. Nogmaals, ik wil er niet op vooruitlopen, maar ik wil hier wel
heel eerlijk zijn over hoe we ons systeem hebben ingericht. Als wij niet
verwachten dat iemand daadwerkelijk de openbare orde gaat verstoren,
wordt het heel moeilijk om iemand vooraf te weigeren op grond van iets
dat hij nog niet heeft gedaan. Dat is soms heel onbevredigend en soms
heel geruststellend. Nogmaals, we wachten het definitieve oordeel af.
Dat staat uiteraard nog los van wat we ervan mogen vinden, als persoon,
als Kamerlid et cetera. Zoals ik zei: ik verwerp die uitspraken
absoluut.
De voorzitter:
Is de minister op dit punt aan het eind van dit deel van zijn
beantwoording gekomen? Hij krijgt nog een interruptie van mevrouw
Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Toen ik in eerste instantie vragen stelde over deze meneer, met zijn
inderdaad misselijkmakende uitlatingen over de verheerlijking van het
nazisme en met zijn antisemitische uitspraken die echt grof en schokkend
zijn, had alleen Engeland Kanye West geweigerd. Engeland zit niet in
hetzelfde Schengenregime als Nederland. Ik kon mij dus voorstellen dat
die afweging anders is.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar voor Frankrijk heb ik de indruk dat dat wel geldt. Ook Polen zit in
een ander regime. Ik vraag de minister: wat kunnen we daar nou van
leren?
Minister Van Weel:
Dat heeft niet zozeer te maken met het regime, anders dan dat als een
van die landen hem zou signaleren als ongewenst persoon, dat ook
automatisch bij ons zou leiden tot een signalering en daardoor dus ook
tot een weging. Daar kun je dan ook weer een uitzondering op maken, maar
dat vereist dan weer een actie. Dat hebben die landen naar mijn weten
nog niet gedaan, en daarmee is het nog geen Schengenissue en blijft het
dus aan nationale wetgevers om te bepalen of iemand voldoet aan de
criteria voor het weigeren of niet.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik concludeer daar dan wel uit dat je naast Schengen toch ook
aanvullende regels kan stellen die voorkomen dat je iemand die zich niet
zo lang geleden antisemitisch heeft uitgelaten, kan weren aan de grens.
Ik zou de minister willen vragen om te verkennen of we op dat spoor toch
niet meer moeten doen. Ik constateer ook dat, als ik het goed heb, er in
Frankrijk bijvoorbeeld ook gewoon vanuit het kabinet een duidelijke
uitspraak is gedaan, los van de regels. Dat kan toch ook effect hebben —
en ik acht deze minister zeer hoog, ook wat betreft de kracht van zijn
uitspraken. Ik ben dus ook wel benieuwd hoe het kabinet leert van wat
omliggende landen doen.
Minister Van Weel:
Helderheid over de verwerpelijkheid van die uitspraken: ook vanuit mij
mag daar geen enkele twijfel over bestaan. Hij zal niet optreden op mijn
50ste verjaardagsfeest dit jaar. Laat ik daarmee ook een hint geven naar
bepaalde organisatoren, die hem dat podium wel willen geven. Ik wil nu
wel allereerst de minister van AenM het spoor laten uitlopen, want dat
proces loopt op dit moment. Hij is aan het kijken of hij binnen zijn
huidige wettelijke bevoegdheden mogelijkheden ziet om te komen tot een
weigering. Zo niet, dan zijn we denk ik aanbeland in het volgende
stadium, namelijk: vinden wij er zelf als kabinet dan alsnog wat van? Of
wordt die drempel wel gehaald en kunnen we dit gewoon van rechtswege
afhandelen?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Allereerst procesmatig: er wordt dus een analyse gemaakt door de IND en
de NCTV. Op welke termijn zou die paraat zijn? En wordt die ook tijdig
gedeeld met de Kamer?
Minister Van Weel:
Nee, die delen wij niet. Dit is het interne proces. De IND kan
uiteindelijk een weigering doen. De IND vraagt om een weigering al dan
niet te kunnen doen, informatie aan diverse diensten. Dat kunnen de
inlichtingendiensten zijn, dat kan de NCTV zijn. Die informatie blijft
in principe besloten, maar de uitkomst daarvan, namelijk of dit al dan
niet leidt tot een weigering op grond van de nationale veiligheid dan
wel de openbare orde, wordt uiteindelijk wel openbaar.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dan borduur ik voort op eerder gemaakte interrupties. De minister zegt:
ik wil nog even wachten voordat ik me als minister of als kabinet erover
uitlaat of deze man nu wel of niet welkom is. Kan de minister nog nader
uitleggen waarom hij dat doet? We hebben het inderdaad over iemand die
zichzelf een "nazi" noemt en die, geloof ik, de Hitlergroet heeft
gebracht en alles. Waarom zegt de minister niet, eigenlijk dus nog los
van de analyse en gelet op alle woorden die hij heeft gewijd aan de
Joodse gemeenschap: zo'n man is hier niet welkom?
Minister Van Weel:
Omdat het één ding is om te zeggen dat hij wat mij betreft niet welkom
is, maar het tweede is ook of we daar dan vervolgens gevolgen aan kunnen
verbinden. Zolang ik niet weet welke gevolgen eraan verbonden zijn, past
mij nog enige terughoudendheid in het finale oordeel, maar ik denk dat u
tussen de regels door heel goed proeft waar ik zelf sta.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Afrondend, inderdaad. Kan de minister daar nog op reflecteren? Het is
eerder gezegd: er zijn dus meerdere landen, waarmee wij ons zeer verwant
weten, die wel hebben gezegd dat ze de grens niet openzetten voor deze
figuur. Kan de minister voorstellen wat het doet met het gevoel van de
Joodse gemeenschap als zo'n man dan in Nederland wel de ruimte zou
krijgen?
Minister Van Weel:
Ja, natuurlijk. Daarvoor zijn natuurlijk meerdere wegen naar Rome. Dat
hoeft niet alleen vanuit de regering te komen. Dat kan ook vanuit de
maatschappij komen. Dat kan ook vanuit de facilitatoren of de
organisatoren van deze bijeenkomst komen. Die dynamiek moet ook zeker
zijn beloop hebben. Ik vertel u alleen even welke stappen we nu als
regering hierin ondernemen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Hoor ik hier een oproep aan het GelreDome?
Minister Van Weel:
Zo concreet is ie ook niet. Ja, ik verzoek de organisatoren van het
GelreDome — de minister gaat daar natuurlijk primair over — om wel te
reflecteren op de uitnodiging en de dynamiek die dit teweegbrengt. Daar
zou ik overigens organisatoren altijd de oproep toe doen, net zoals ik
ze net ook heb opgeroepen om ruimte te maken voor bijeenkomsten van de
Joodse gemeenschap binnen hun faciliteiten.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil toch even, als dat mag, meneer de voorzitter, Jaap Smit citeren.
Die zegt in zijn rapport: "Artikel 3 van de wet — de Vreemdelingenwet
2000 — stelt dat toelating kan worden geweigerd indien er sprake is van
een bedreiging voor de fundamentele belangen van de samenleving." Als
wij hier met elkaar vaststellen dat wij antisemitisme niet alleen een
probleem van de Joodse gemeenschap vinden, maar van de hele samenleving,
dan kunnen we toch zeggen dat die fundamentele belangen hier in het
geding zijn?
Minister Van Weel:
Ja, maar het is niet alleen wat wij hier met elkaar vaststellen.
Uiteindelijk leven we in een rechtsstaat. Dat betekent dat datgene wat
wij besluiten als kabinet ook de toets van een rechter moet kunnen
doorstaan. Dat vereist iets meer dan een debat hier. Dat is het soort
onderbouwing waar de IND zich nu in opdracht van de minister van AenM
over buigt; we zullen zien waar dat toe leidt.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Helpt het dan als wij hier met elkaar uitspreken dat wij vinden dat de
Joodse gemeenschap een fundamenteel onderdeel is van de Nederlandse
samenleving?
Minister Van Weel:
Dat mag u uitspreken. Ik moet u wel zeggen dat er in het verleden door
uw Kamer meer mensen op een unwanted list zijn gezet dan er uiteindelijk
door de rechter zijn buitengehouden, vandaar mijn winstwaarschuwing. Die
drempel — dat is het natuurlijk — is vrij hoog, zeker waar het gaat om
het verbieden van toegang voor mensen voor dingen die ze nog niet hebben
gedaan. We hebben hier eerder natuurlijk de discussie gehad rondom de
artiest Bob Vylan, welbekend. Uiteindelijk heeft hij ook opgetreden en
heeft hij ook uitspraken gedaan. Daar zijn uitspraken over geweest. We
hebben die discussie gehad rondom predikers op een islamitische beurs in
Utrecht, waarvan er uiteindelijk twee een voorlopige voorziening hebben
gekregen en het land toch in mochten. Dus ja, dit is geen
zwart-witkwestie. Wij moeten onze zaak wel goed voorbereiden.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Kan de minister een analyse aan de Kamer doen toekomen waarom in
Nederland de drempel hoger is dan in andere Europese landen, zodat we
kunnen bekijken wat we met elkaar kunnen doen om die naar beneden te
krijgen?
Minister Van Weel:
Ik weet niet of die drempel per se hoger is, dat die anders wordt
toegepast of dat het systeem anders in elkaar zit, dus dat je niet
meteen in appel kan. Daar zal echt wel verschil tussen zitten. Ik kan
wel toezeggen — dat ligt echter niet primair op mijn terrein — dat ik de
minister van AenM verzoek om u een brief te doen toekomen over wat die
drempel is, waar bij ons die grens ligt en waar die vandaan komt. Ik
denk dat dat stap één is van het proces.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Heel graag. Ik vraag u om daaraan toe te voegen waarom die dan eventueel
lager of anders is dan in Europese landen waar ze dit soort dingen wel
kunnen.
Minister Van Weel:
Ja, maar voordat het een vergelijkend onderzoek wordt naar alle
wetgeving van alle landen, bent u weer driekwart jaar verder en moeten
we het WODC weer inschakelen. Als we op basis van een quickscan kunnen
kijken naar enkele verschillen met landen om ons heen, dan zou ik die
namens hen nog willen toezeggen, maar dat wordt geen vergelijkend
onderzoek. Dat strekt iets te ver naar aanleiding van uw vraag.
De voorzitter:
U vervolgt.
Minister Van Weel:
Ik had nog één vraag van de heer Struijs: waarom gaat het OM niet altijd
over tot ambtshalve vervolging? Volgens de Aanwijzing discriminatie is
het uitgangspunt in discriminatiezaken dat vervolging wordt ingesteld
als daar met een aangifte om wordt verzocht, maar het OM kan natuurlijk
ook zelf besluiten, ook als daar niet om wordt verzocht, om dat
ambtshalve wel te doen. Dat hangt samen met de ernst van de gedraging.
Dit kader staat ook al in de aanwijzing. Mijn oproep die ik hier zou
willen doen aan iedereen die zich slachtoffer voelt van antisemitisme
is: doe gewoon aangifte. Ik noemde net de aantallen. Daar wordt
vervolgd, daar wordt wat mee gedaan. Uiteindelijk helpt het ons ook om
een beter beeld te krijgen van de omvang van het probleem.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik hoor de minister zeggen tegen iedereen: doe dan ook aangifte. Helpt
het dan dat universiteitsbesturen géén aangifte doen van
discriminerende, tot geweld oproepende of opruiende uitingen?
Minister Van Weel:
Ik vind dat iedereen die strafbare gedragingen ziet of die slachtoffer
is van antisemitisme of discriminatie uiteindelijk aangifte moet doen,
want dat is wat ons een beeld geeft. Ik hoor heel veel van de Joodse
gemeenschap: we doen het niet, want het heeft toch geen zin; er gebeurt
niks mee. Dat is mijn oproep nu: doe alsjeblieft aangifte. Eén: er
gebeurt wel wat mee. Twee: het geeft ons ook een beeld, zoals ik dat
hier nu deel, van de omvang van het probleem. Als mensen geen aangifte
doen, is het ontzettend moeilijk om dat te peilen. Daar zag mijn oproep
in eerste instantie op. Maar in algemene zin merk ik op dat ik geen
goede minister van Justitie zou zijn als ik niet zou zeggen tegen
mensen: meld het als u strafbare gedragingen ziet.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan geldt dat bij uitstek dus ook voor universiteitsbesturen, want zoals
ik net in een interruptie zei, heeft de voorzitter van de Nederlandse
universiteiten gezegd: wij staan voor de veiligheid van iedereen op de
universiteit. Als op zo'n universiteit "kill all zionists", of vertaald
"dood alle Joden", wordt gezegd, zou daar dan niet ook aangifte van
moeten worden gedaan? Het is natuurlijk aan het OM om daar wat mee te
doen, maar het begint toch met aangifte daarvan doen als je in ieder
geval serieus neemt wat je zegt, namelijk: voor iedereen een veilige
omgeving?
Minister Van Weel:
Iedereen die het idee heeft dat er strafbare uitingen worden gedaan, dat
er wordt opgeruid, dat er wordt opgeroepen tot geweld tegen wie dan ook,
zou daarvan aangifte moeten doen. Dat geldt ook voor besturen, ook voor
bestuurders, ook lokale bestuurders die te maken hebben met gezag. Op
hoe universiteiten in den brede ermee omgaan naar aanleiding van het
rapport, komt mijn collega van OCW zo dadelijk terug.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Oké, dan stel ik de vraag ook aan de minister van OCW. Maar ik hoor in
ieder geval de minister van Justitie zeggen: ja, dat geldt ook voor
bestuurders. Dat is dus wat mij betreft ook voor de
universiteitsbestuurders.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik hoor de minister een paar keer zeggen: doe gewoon aangifte. Maar het
punt is dat de Joden geen aangifte doen omdat zij een gevoel van
onveiligheid voelen omdat zij daar geen terugkoppeling over krijgen. Dus
wat gaat de minister nou zelf doen om ervoor te zorgen dat die mensen
wel weer aangifte willen doen?
Minister Van Weel:
Nou, die aangiftes worden wel gedaan, want van die 206 die ik noemde,
heeft het overgrote deel gewoon te maken met antisemitisme. Als je dat
afzet tegen de omvang van de Joodse bevolking versus de hele Nederlandse
bevolking van ons land, zie je dat er gelukkig wel aangifte wordt
gedaan. Dat kan altijd beter. Ik hoor die verhalen ook nog steeds van u.
Maar laat ik hier dan ook die oproep doen, want er gebeurt dus wel wat
mee. Er zijn 206 zaken geweest in een halfjaar dat een wet van kracht is
geweest die het mogelijk maakt om antisemitisme te bestraffen om dat
doel alleen.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik verneem dus uit de Joodse gemeenschap en de advocatuur dat er volgens
hen nog nauwelijks aangifte wordt gedaan. Er zijn dus nog heel veel
mensen die geen aangifte durven te doen. De vraag is dus wat de minister
gaat doen om ervoor te zorgen dat die mensen wél tot aangifte bereid
zijn.
Minister Van Weel:
Dank voor uw vraag. Ook bij deze kwestie gebruik ik het podium dat ik
heb, maar dat doe ik bij elk gesprek dat ik met de Joodse gemeenschap
heb. Het systeem is er klaar voor. We hebben een Expertisecentrum Aanpak
Discriminatie, dat deze zaken behandelt. Ik toonde u net aan dat het OM
dat 206 keer heeft gedaan in het halfjaar sinds de wet van kracht is
geworden. Nee, het is dus niet tevergeefs als je het doet. Ja, er wordt
echt vervolgd en er wordt ook op veroordeeld.
De voorzitter:
De minister vervolgt met de beantwoording van de vragen in het blokje
demonstraties, maar er is eerst nog een vraag van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Ik wil toch nog even terug naar het blokje stafrecht, want ik wist niet
dat dat al afgelopen was. Deelt de minister de uitspraak van de Kamer
dat de leus "from the river to the sea" een oproep is tot geweld tegen
Joden wereldwijd?
Minister Van Weel:
Ik ben niet de rechterlijke macht. Het pas mij dus niet om hier te
zeggen of iets strafbaar is of niet.
De heer Boon (PVV):
Precies daar gaat mijn vraag inderdaad over. Het OM heeft deze leus
betiteld als "protestleus", terwijl de mening van de Kamer duidelijk is:
het is geen onschuldige protestleus; het is gewoon een duidelijke oproep
tot geweld. Vindt de regering ook dat dit een oproep tot geweld is? De
regering heeft een eigen mening en hoeft zich niet achter het OM te
verschuilen. Als jullie dat een oproep tot geweld vinden, wat gaat u dan
richting het OM doen?
Minister Van Weel:
Het gaat niet over verschuilen achter het OM. Het gaat er hier over dat
iedereen zijn eigen taken uitvoert. Uiteindelijk hebben wij hier te
maken met de trias politica. We leven in een democratische rechtsstaat.
Dat betekent dat ook uw Kamer geen opdrachten kan geven aan het OM om te
bepalen wat wel of niet strafbaar is. Als u wilt dat iets strafbaar
wordt, dan zijn wij samen de wetgevers en kunnen wij komen tot een
strafbaarstelling. Dat gaat naar het Wetboek van Strafrecht. Dan is het
OM gehouden om dat uit te voeren. Het OM heeft deze leus langs de
meetlat van het Wetboek van Strafrecht gehouden en heeft de uitspraak
die de heer Boon noemt gedaan. Daar hebben wij het dan allemaal mee te
doen, om de woorden van de Rijdende Rechter te gebruiken.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Boon (PVV):
Bij mijn weten staat oproep tot geweld wél in het strafrecht. De Kamer
heeft zich er duidelijk in meerderheid over uitgesproken van mening te
zijn dat dit een oproep tot geweld is. Als de regering dat vindt, kan
het met het OM in gesprek gaan en kan eventueel een aanwijzing gegeven
worden: "Dit is een oproep tot geweld en dan moet je conform het artikel
over oproep tot geweld vervolgen." Is de minister daartoe bereid?
Minister Van Weel:
Nee, zo werkt de wet niet. Ik kan het OM alleen maar opdracht geven om
voor iets te vervolgen wat al strafbaar is en wat het OM dan ook langs
die lat kan houden. Van de kwestie waar wij het nu over hebben, heeft
het OM tot nu toe bepaald dat het vindt dat het niet strafbaar is; dan
zijn wij niet degenen om te bepalen dat dat het wél is. Dat neemt niet
weg dat uzelf er zich hier in uw Kamer in grote meerderheid over heeft
uitgesproken om die leus niet te bezigen; tot u erover begon, heb ik de
leus vandaag ook niet heel veel gehoord. Dat snap ik ook, want ik snap
ook de connotatie die mensen kunnen voelen bij die uitspraak; die kan
ook als kwetsend worden ervaren, ook in de zin die u noemt, van het van
de kaart wegdrijven van Israël. Maar nu verval ik ook weer in het debat
dat ik tot een paar maanden geleden heel vaak voerde, maar dat niet het
doel is van vanavond. Vanavond gaat het over antisemitisme.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
In de vraagstelling van een aantal van mijn collega's zit de premisse
dat de universiteitsbesturen geen aangifte hebben gedaan. De minister
ontkent dat niet. Ik vraag me af of het klopt dat ze geen aangifte
hebben gedaan. Of worden door de universiteitsbesturen gewoon aangiftes
gedaan van antisemitisme? Die zweem zou ik wel even weg willen halen,
als dat kan.
Minister Van Weel:
Ik weet het niet. Het komt zo meteen ongetwijfeld terug, want de collega
van OCW heeft vanuit drie hoedanigheden met dit bijltje gehakt.
De voorzitter:
Ik wil eigenlijk door met de beantwoording over demonstraties, mevrouw
Van der Plas. Nou ja, dan geef ik alleen mevrouw Van der Plas op dit
punt nog ruimte voor een interruptie. Daarna gaan we verder, want er
zijn twee bewindspersonen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Twee moties van mij hierover zijn aangenomen: eentje in september 2025
en eentje in november 2024. De motie uit 2024 vroeg het kabinet te
bevorderen dat organisaties die de vernietiging van het Israëlische volk
of de Israëlische staat propageren, op de nationale sanctielijst
terrorisme zouden worden geplaatst. De andere motie, uit september 2025,
vroeg om met het OM in gesprek te gaan over het met prioriteit
behandelen van antisemitische delicten. Ik ben benieuwd wat de
uitvoering van deze moties is geweest en wat op dat punt de stand van
zaken is.
Minister Van Weel:
De eerste valt een beetje buiten de orde van dit debat, want die heeft
niet direct verband met antisemitisme, maar daarover rapporteren we in
het kader van het debat over extremisme en terrorisme. Daarin vinden ook
deze oproepen tot het verbieden van organisaties een plek. Ik geloof dat
we daar over twee of drie weken een debat over hebben. Er komt nog een
stand-van-zakenbrief.
Sorry, het tweede deel van de vraag ben ik kwijt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat was het verzoek om het Openbaar Ministerie te vragen om
antisemitische delicten als prioriteit te behandelen.
Minister Van Weel:
Blijkens de getallen die ik net noemde, wordt dat ook opgepakt. Het
overgrote deel van de vervolgingen naar aanleiding van de
strafverzwaring vanwege een discriminatoir effect zijn dus
antisemitische delicten.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
En die worden dan door het OM met voorrang behandeld? Daar ging de motie
namelijk over.
Minister Van Weel:
Ja, maar met voorrang boven wat? Boven zedendelicten? Boven
vermogensdelicten? Uiteindelijk betekent "met voorrang behandelen" dat
we het OM vertellen dat we dit serieuze delicten vinden en dat het daar
serieus aandacht aan moet besteden. Maar dat moet dan natuurlijk wel
binnen de vervolging van discriminatoire aspecten. Uiteindelijk ziet de
bredere strafrechtketen ook op jeugdzaken en zedenzaken, waar wij de
hele capaciteit van het OM al voor inzetten. Daar hebben we ook debatten
over. Dus binnen deze context heb ik aandacht gevraagd voor het
prioritair behandelen van de antisemitismezaken. Op basis van de zaken
die ik zie en op basis van hoe ik die terugzie in de cijfers, vind ik
dat we invulling hebben gegeven aan de motie.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb een klein punt van orde, voorzitter. De minister zei dat dat
eerste verzoek over het propageren van de vernietiging van de staat
Israël niet binnen antisemitisme hoorde. Die motie is ingediend op 13
november 2024. Dat was bij het debat na de Jodenjacht in Amsterdam en
dat debat ging wel degelijk over antisemitisme. Er mag ook in de tweede
termijn een antwoord komen op de vraag hoe het daarmee staat, maar het
was wel degelijk antisemitisme.
De voorzitter:
Volgens mij heeft de minister een stand-van-zakenbrief toegezegd voor
een debat dat u hierover nog gaat voeren. De minister vervolgt zijn
beantwoording.
Minister Van Weel:
Ik kom bij demonstraties. Ik ga daarbij niet alles behandelen, want een
heleboel van die vragen gingen puur over demonstraties binnen
onderwijsinstellingen, en daar komt mijn collega natuurlijk op terug. In
algemene zin werd er gevraagd of er kan worden opgetreden als een
protest op een campus of een station ontaardt. Ja, dat kan, als dit
gebeurt bij een demonstratie op een plek die niet openbaar is maar die
wel voor publiek toegankelijk is. Dat geldt dus voor stations voordat je
door de poortjes gaat, of voor het Tweede Kamergebouw voordat je door de
poortjes gaat. Als dat zo is, dan is gewoon artikel 8 van de WOM van
toepassing. Dat betekent dus ook dat de burgemeester de bevoegdheid
heeft om de opdracht te geven om een demonstratie in zo'n geval te
beëindigen, maar dan is die wel gebonden aan de criteria die gelden voor
elke demonstratie en de beëindiging daarvan, namelijk dat de
demonstratie een bedreiging voor de volksgezondheid vormt of dat de
beëindiging ervan wanordelijkheden voorkomt of beëindigt. Daarnaast is
ook de rechthebbende van dat gebouw, dus ofwel ProRail of de NS dan wel
de universiteit zelf, bevoegd om ontoelaatbare activiteiten in het
gebouw te beëindigen. Als de overtreder weigert daaraan mee te werken,
kan er sprake zijn van lokaalvredebreuk en dan kan de politie worden
ingeschakeld om er een einde aan te maken en de overtreder alsnog te
verwijderen. Als de politie daarbij nodig is, is het aan het lokaal
gezag om daar uiteindelijk opdracht toe te geven. Zo zijn een aantal van
de demonstraties bij universiteiten natuurlijk ook beëindigd.
Je kunt overigens niet bepaalde locaties helemaal uitsluiten. Je kunt
dus niet openbare locaties uitsluiten als protestlocaties, maar wij gaan
wel kijken — daar komen de minister van BZK en ik nog uitgebreid samen
met uw Kamer over te spreken — naar hoe we nou opvolging gaan geven aan
het WODC-onderzoek en een aantal aanbevelingen daarin, zoals het
gemakkelijker maken van het bestuurlijk verplaatsen of het bestuurlijk
ophouden. Dat zou natuurlijk ook van toepassing kunnen zijn op deze
demonstraties.
De voorzitter:
We ronden het onderdeel demonstraties eerst even af voordat we
interrupties gaan doen. Dank u wel.
Minister Van Weel:
Dat sluit, denk ik, ook aan op de vraag van mevrouw Teunissen of we niet
het demonstratierecht inperken onder het mom van veiligheid. Dat doen we
niet. Demonstreren is een grondrecht en tegelijkertijd moet het
grondrecht van demonstreren ook weer niet het grondrecht van mensen om
hun leven te kunnen leven of om onderwijs te volgen beperken. Het is in
die zin dus continu het tegen elkaar afwegen van die grondrechten. Dat
is, denk ik, wat lokale bestuurders continu doen en waarvoor wij de
handvatten moeten geven — het WODC-onderzoek geeft ons daar ook wat
handvatten voor — zodat wij als wetgevers de bestuurders in staat
stellen om die afwegingen goed te kunnen maken. Het is dus een
grondrecht, maar het is zeker niet absoluut. Zeker waar grondrechten met
elkaar botsen zullen we oog moeten hebben voor alle kanten. Maar we
komen nog met een brief daarover.
Wat is dan het verschil met de Tweede Kamer? Dat was nog een vraag van
mevrouw Keijzer. Waarom mag het wel in de universiteit en mag het niet
hier? Dat heeft te maken met de publieke toegankelijkheid. Zodra je door
het poortje komt, kom je in een ander regime. Dat is dus ook het geval
bij het niet-openbare deel van de Tweede Kamer. Verder is het rond de
Tweede Kamer niet anders dan rondom universiteiten.
Dat waren de demonstraties, voorzitter.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank aan de minister dat hij nog even uitlegde hoe het zit met de
verschillende regimes, maar mij bekruipt dan toch een beetje het gevoel
van balletje-balletje: de een wijst naar de ander, die wijst weer naar
de volgende, en vervolgens gebeurt er helemaal niets. Begrijp ik nou
goed dat je niet verder komt dan dat je hier op Den Haag Centraal de
poortjes moet verzetten om te voorkomen dat je je door een haag van
woedende, met de Palestijnse vlag zwaaiende types heen moet worstelen
terwijl je vooral niet de indruk moet wekken dat je het niet met ze eens
bent?
Minister Van Weel:
Hiervoor is wel een escalatieladder opgesteld met ProRail, met
burgemeesters en met de NS. Ook wij hebben daaraan bijgedragen. Daarmee
wordt de afweging makkelijker gemaakt wanneer het ene grondrecht,
namelijk dat van demonstratie, schuurt met het andere grondrecht,
namelijk dat van de veiligheid van een individu of het recht om je
privéleven te kunnen leiden. Je wilt bijvoorbeeld op weg naar je trein
niet verrot gescholden worden, je wilt je niet onveilig voelen en je
wilt langs een demonstratie kunnen lopen met een keppeltje op. Dat
escalatiemodel helpt, denk ik, om de bestuurders, die dan niet allemaal
naar elkaar hoeven te wijzen, handvatten te geven voor wanneer iets nou
de grens van het betamelijke of het strafbare overgaat en je dus kunt
ingrijpen of in ieder geval het lokale gezag kunt oproepen om in te
grijpen. Nogmaals, dit is echt niet het overgrote deel van de
demonstraties. Laten we daar ook even helder over zijn. Bij 97% van de
demonstraties, ook als ze pro-Palestina zijn, is er helemaal geen
probleem. Maar daar waar het intimideert en daar waar het strafbaar
wordt, geldt dit kader.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is mooi. Maar de bestuurders aan die tafel, dus de burgemeester en
de politie, of als het op een universiteit is een universiteitsbestuur,
moeten wel de overtuiging hebben dat "kill all zionists" of — wat voor
prachtige teksten hebben ze nog meer zo nu en dan? — "intifada now!" en
"from the river to the sea" niet oké en antisemitisch zijn. Als
universiteitsbestuurders het ingewikkeld vinden om een bezetting te
beëindigen, geen aangifte doen tegen "kill all zionists" of studenten of
wetenschappers uit Israël zelfs weigeren, dan wordt het natuurlijk wel
heel erg ingewikkeld. Ziet de minister dat ook zo?
Minister Van Weel:
Dat waren een heleboel vragen ineen. Ik denk dat het bij deze kaders
begint met het hebben van een gedeeld beeld over wat we wenselijk en
niet-wenselijk vinden en waar we wanneer tegen optreden. Voor de
universiteit zal mijn collega daar ook op ingaan. Dat beeld was er niet.
Dat leidt tot willekeur. Dat leidt ook tot handelingsverlegenheid. Wat
mag nou wel en wat mag nou niet? Wanneer mag een burgemeester optreden?
Wanneer kun je wel een demonstratie beëindigen en wanneer kun je dat
niet? Daar kunnen we natuurlijk helderheid over scheppen. Dat is ook
gedaan. Er komt ook naar voren dat de handvatten die voor bestuurders of
voor het bestuur nodig zijn om iets te doen, er wettelijk gezien wel
zijn. Daar zit het probleem niet zozeer. Het gaat om: wanneer en hoe pas
je ze toe? Nogmaals, voor de universiteiten zal daar zo nog op worden
ingegaan. Ook ik speel graag een rol in het faciliteren. Voor de
stations hebben we dat escalatiekader nu opgesteld, juist om dit nu te
doen en te kijken wie op welk moment welke bevoegdheden heeft om wat te
doen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan heb je dus ook de ballen nodig om te zeggen: tot hier en niet
verder. Anders kom je er met een escalatieladder namelijk ook niet.
Minister Van Weel:
Die leveren we er niet bij.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Een hele terechte vraag van mevrouw Keijzer. Waarom kunnen hier,
terecht, demonstranten verwijderd worden, maar niet op de stations en
niet op de universiteiten? In 2024 — ik citeer even — werd gezegd:
"Demonstraties in een voor iedereen toegankelijke hal van een
universiteit treffen ook andere studenten en medewerkers. Daar moeten we
rekening mee houden. Dus waar je mag roken, mag je ook politiek
demonstreren buiten de terreinen van de universiteit." Het is een citaat
van de heer Verbeek, toenmalig rector van de UvA. Diezelfde rector zat
later met een gemaskerde hooligan te praten nadat zijn hele universiteit
was afgebroken. Diezelfde rector zegt hier glashelder: waar je mag
roken, mag je ook politiek demonstreren buiten de universiteit. Dan zegt
de minister hier: wij kunnen dat niet reguleren binnen een
universiteit.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Maar dat kon blijkbaar wel voordat de protesten gewelddadig werden.
Minister Van Weel:
Ik ga herhalen wat ik al heb gezegd. Ik heb gesproken over het
wettelijke kader. Ik heb niet gesproken over wat in een interview is
gezegd door een willekeurige bestuurder. Op hoe universiteiten omgaan
met het rapport zal de minister van OCW zo nog terugkomen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Nee, daar neem ik even geen genoegen mee. Er wordt gevraagd naar de plek
waar je zou kunnen en mogen ingrijpen. Er wordt door deze minister
gezegd: dat kan niet zomaar op een universiteit. Mij komt het echter zo
voor: als deze rector de politie belt en zegt dat er allemaal tuig bij
hem in de hal staat dat even opgehaald moet worden, dan moet dat gewoon
kunnen gebeuren, maar wordt er gezwicht. Als er nou eenmaal grof geweld
wordt toegepast, kom je overal mee weg en mag je zelfs op de koffie
komen.
Minister Van Weel:
Het zit wettelijk als volgt. Ja, je mag demonstreren en dat mag op
plekken die openbaar toegankelijk zijn. Dan nog is er natuurlijk een
verantwoordelijkheid van de beheerder of de eigenaar van het gebouw, die
uiteindelijk ook weer hulp kan inroepen op het moment dat overtreders
niet wensen weg te gaan. Dat is eigenlijk kort en goed hoe het tot nu
toe elke keer is gegaan, ook bij elke demonstratie, ook daar waar ze uit
de hand zijn gelopen. Dat is dus het wettelijke kader. Nogmaals, op de
gedragsregels en de invulling daarvan wil ik niet vooruitlopen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dan heeft u de vraag succesvol doorgespeeld naar de minister van
Onderwijs. Daar kom ik straks dan op terug. Maar het is geen onmacht om
plekken vrij te houden van dat soort gespuis. Het is onwil.
Minister Van Weel:
Dan kom ik bij het kopje online, voorzitter. Dat is geen lang blokje,
maar wel een belangrijk onderwerp. We zien online op alle fronten het
aantal strafbare uitingen toenemen, of het nu gaat om het verheerlijken
van terrorisme, opruiing of het plaatsen van geweldsfilmpjes en
naaktbeelden; noem het maar op. Het heeft zeker onze aandacht. In het
coalitieakkoord staat ook dat we onlinecriminaliteit gaan aanpakken.
Antisemitisme is criminaliteit. Het is gewoon strafbaar, of je het nou
online of offline doet. Vanuit het plan van aanpak en de strategie tegen
onlinediscriminatie zetten we ook in op meer en zichtbare consequenties
voor daders en op betere ondersteuning voor slachtoffers van
antisemitisme online. Het Meld.Online Discriminatie werkt nauw samen met
de politie en het OM, zodat ze ook sneller strafrechtelijk kunnen worden
opgepakt. Sinds kort is dat meldpunt ook aangemerkt als trusted flagger,
waardoor het verzoek tot verwijdering van discriminerende content bij
socialemediaplatforms op grond van de DSA, de Digital Services Act, met
voorrang moet worden behandeld. Er is zes ton extra beschikbaar gesteld
aan het OM en de politie om de aanpak van onlinediscriminatie, waaronder
antisemitisme, verder te versterken.
De heer Bamenga vroeg of wij de mening delen dat het bizar is dat AI en
social media toestaan dat er twijfel wordt gezaaid over de Holocaust.
Ook hier geldt: wat offline strafbaar is, is dat online ook. Dat geldt
dus ook voor het ontkennen of bagatelliseren van de Holocaust. Ook
daarvoor geldt dezelfde aanpak als die ik net noemde, om dat te
intensiveren.
Dat is het einde van het kopje online, voorzitter.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zat net nog eens even door de berichten te scrollen die politici
plaatsen naar aanleiding van dit debat. Politici plaatsen weleens een
bericht; dat komt een enkele keer voor. Ik keek ook even naar wat daar
dan weer onder geplaatst wordt. Nou werkelijk, de honden lusten daar
geen brood van. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij als Kamerlid ook aan
tijd ontbreekt om van ieder van die berichten aangifte te doen of erover
te gaan melden. Ik kan me ook in dit soort omstandigheden — neem
bijvoorbeeld dit debat, dat normerend en duidelijk moet zijn —
voorstellen dat we met elkaar zeggen dat er ook dan wordt gevolgd wat er
gebeurt en dat mensen die zulke rare berichten plaatsen, of het nou
onder uw post of mijn post is, niet straffeloos blijven. Kan de minister
kijken hoe we ook dat beter kunnen doen? Daar hoeft hij niet morgen op
te antwoorden, maar ik zou me echt kunnen voorstellen dat we qua
democratisch gehalte ook dit kunnen versterken.
Minister Van Weel:
Ik kijk zelf niet meer onder mijn eigen berichten, want dan slaap ik
niet meer. Het is inderdaad schrikbarend hoe mensen online veel minder
remmingen voelen om de meest verschrikkelijke dingen te zeggen dan ze
waarschijnlijk zouden voelen als ze hier in de zaal of op de publieke
tribune zouden zitten. In die zin zou ik u toch willen zeggen: als het
echt alle grenzen over gaat, doe dan wel die aangifte, want er wordt wel
degelijk naar gekeken. Dit reikt echter verder dan antisemitisme; dit is
gewoon een probleem dat we in bredere zin zien, namelijk dat social
media niet alleen voor dit soort strafbare uitingen gebruikt worden,
maar ook voor alle andere strafbare gedragingen. Het ronselen van de
jongens waar we het net over hadden, gebeurt gewoon via Snapchat of
Telegram. Dat speelt zich helemaal af buiten het zichtveld van ouders of
wie dan ook. Kanalen doen daar niks aan. Of het nou gaat om het
verspreiden van deepfakes of van desinformatie: we hebben echt een
probleem met die onlinewereld. Die zorgt voor een heleboel onrust en een
heleboel polarisatie in onze maatschappij. Dat is een groot thema, maar,
nogmaals, iets groter nog dan alleen dit debat.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Vanzelfsprekend, maar bij al die berichtjes denk ik: lees het voor aan
je moeder, aan je zus of aan iemand die even de ogen optrekt en denkt
"ben je gek geworden?" en je weet dat het geen goed idee is. Dat lijkt
me een hele normale spiegel, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat om
de aanpak van antisemitisme. De kleine Joodse gemeenschap ziet ook dat
als politici zich uiten, al die bagger er non-stop overheen komt. Dat
zouden we toch beter moeten kunnen normeren? Ik vraag de minister dus
niet om morgen met een antwoord te komen. Ik weet dat we verder een
groot probleem met de socials hebben en dat politici daarover kunnen
meepraten, maar dit is een heel specifiek iets. Ik denk dat we dit beter
kunnen doen.
Minister Van Weel:
Ik neem het mee in de volgende cyclus over onlinediscriminatie, want
daar valt dit ook onder. Het antisemitisme dat in reacties op posts van
ons wordt neergezet, is net zo strafbaar, ook als het in een reactie
is.
De voorzitter:
De minister rondt zijn beantwoording af.
Minister Van Weel:
Mevrouw Teunissen vroeg nog welke methode we hanteren voor het tegengaan
van het normaliseren van complottheorieën over antisemitisme et cetera.
We zetten in op versterking van de weerbaarheid tegen desinformatie en
complottheorieën, waaronder antisemitische complottheorieën. De
handleiding voor het omgaan met desinformatie voor medeoverheden is in
2024 in dit kader herzien. Die ondersteunt onder meer gemeenten bij het
herkennen en het adresseren van desinformatie en wordt blijvend onder de
aandacht gebracht. Daarnaast is er een subsidie aan BENEDMO afgerond, de
Vlaams-Nederlandse samenwerking ter versterking van factcheckers en
andere experts op het gebied van desinformatie. Daarmee wordt de
structurele aanpak van desinformatie rondom antisemitisme
versterkt.
Mevrouw Keijzer had een vraag over studentenvisa. Die beantwoord ik hier
namens de minister van AenM, die daar primair over gaat.
Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige
plek bieden; dat spreekt voor zich. Ten aanzien van het intrekken van
studentenvisa van studenten afkomstig van buiten de EU geldt zowel bij
de toegang als gedurende het verblijf dat de verblijfvergunning van deze
personen kan worden ingetrokken wanneer zij een onherroepelijke
veroordeling hebben of een gevaar zijn voor de openbare orde. Bij die
veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen dus ook een rol
spelen. Dan heb je dus een grond om het visum in te trekken. Zodra
iemand is veroordeeld voor een misdrijf, ontvangt de IND hiervan een
bericht. Dan kan de IND beoordelen of de vergunning van die persoon kan
worden ingetrokken. Uiteindelijk kan, naarmate de ernst van het misdrijf
toeneemt, ook een inreisverbod of een ongewenstverklaring volgen.
De heer Bamenga vroeg nog om antisemitische uitingen van partijleden van
Forum voor Democratie te normeren. Het is niet aan mij om hier
uitspraken te doen over individuele politici. Vooropstaat dat ik
antisemitische uitspraken in algemene zin sowieso veroordeel, wie die
uitspraken dan ook doet, van welke partij of herkomst dan ook.
De heer Struijs vroeg nog naar de zorgen van het Joodse politienetwerk.
Die zorgen zijn mij bekend. Het is ook een onderwerp van gesprek met de
korpschef, die natuurlijk de primaire verantwoordelijkheid heeft om
ervoor te zorgen dat er een veilige werksituatie is en dat zij vanuit
professionaliteit hun werk kunnen doen. Er is overigens goed contact
vanuit de korpsleiding met dat netwerk. Ikzelf ben het netwerk in
voorkomende gevallen ook tegengekomen.
De heer Diederik van Dijk vroeg nog om met spilfiguren een langdurige en
intensieve campagne te voeren. De minister van BZK is op dit moment
bezig met een meervoudige aanbesteding van campagneontwikkeling van een
landelijke publiekscampagne die breder ziet. Die gaat namelijk over het
wegnemen van drempels die mensen in algemene zin ervaren voor het doen
van aangifte van discriminatie. Ik zal bij hem ook specifiek aandacht
vragen voor het discriminatie-element met antisemitische grondslag bij
het opzetten van die campagne.
De voorzitter:
Ik wilde eigenlijk voorstellen om alles even af te ronden en dan ruimte
te bieden voor interrupties.
Minister Van Weel:
Dit was het.
De voorzitter:
Dat was het zo? Meneer Van Dijk. Het was toch sneller dan verwacht. Gaat
uw gang.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ziet u nou wel. Ik wil even op het laatste reageren, de campagne van
BZK. Als ik het goed begrijp, hebben we het dan weer over een campagne
die zich richt op discriminatie in het algemeen, terwijl antisemitisme
als een specifiek kwaad wat specifieker campagne verdient. Volgens mij
is dat wel duidelijk geworden door alle bijdragen.
Minister Van Weel:
Dat wil niet zeggen dat je binnen een algemenere campagne niet ook
specifiek aandacht kunt besteden aan antisemitisme. Een campagne kent
altijd meerdere uitingsvormen en invalshoeken. Ik kan me dus voorstellen
dat dit daar wel zijn specifieke plek in krijgt. Ik zal dat ook
bespreken met de collega van BZK.
De voorzitter:
Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid en geef het woord aan de
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor haar beantwoording.
Wellicht kan zij ons ook meenemen in de structurering van haar
beantwoording.
Minister Letschert:
Jazeker, meneer de voorzitter. Ik heb een wijziging aangebracht in mijn
volgorde, ook gezien de vragen die de minister van JenV net kreeg. Ik
wilde beginnen met het funderend onderwijs — dat is logischer als je
kijkt naar de chronologie van leerlingen die het onderwijs doorlopen —
maar ik ga toch met het hoger onderwijs beginnen. Dat betekent dus ook
dat ik met de taskforce wil gaan beginnen. Daarna zal ik met het
funderend onderwijs doorgaan, dan ga ik kort in op de vragen die over
cultuur en culturele instellingen zijn gesteld en dan heb ik nog een
mapje overig.
Laat ik mij allereerst aansluiten bij de woorden van mijn collega, de
minister van JenV, die zijn grote dank uitsprak aan de voorzitter van de
taskforce, de heer Jaap Smit, die hier nog steeds aanwezig is op de
publieke tribune. Hij heeft een jaar lang heel veel tijd gestopt in het
maken van dit rapport en deze belangrijke aanbevelingen, met toch ook
wel schokkende analyses. Op die manier heeft hij er ook voor gezorgd dat
wij hier vanavond dit debat kunnen voeren op basis van een onderbouwing
uit dit rapport.
Voordat ik start met het beantwoorden van alle specifieke vragen die
gesteld zijn, wil ik allereerst misschien toch ingaan op de twijfel die
ik in de Kamer voel over mijn aandacht voor dit onderwerp en over de
vraag of ik dit wel als chefsache zal gaan behandelen. Uiteraard is het
aan u om dat over een aantal weken te beoordelen, maar laat ik hier
benadrukken dat ik dat absoluut zal doen. Dat heb ik vanaf de dag dat ik
hier ben begonnen eigenlijk meteen laten zien door gesprekken te voeren
met Joodse studenten en medewerkers en met vertegenwoordigers van Joodse
gemeenschappen, daarna meteen gevolgd door gesprekken met de
bestuurlijke koepels, ook weer met de Joodse studenten en medewerkers en
de vertegenwoordigers aan tafel. Ik heb dat uiteraard ook laten zien
door in die taskforce te gaan zitten. Dat kun je ook níét doen als
bestuurder, maar ik vond het heel belangrijk om dat jaar, tot ik
informateur werd en eruit moest, mijn input in de taskforce te kunnen
geven en ook te kunnen leren van alle verhalen die door middel van die
taskforce bij mij op tafel zijn gekomen. Wat u ook leest in het rapport
van de taskforce, is dat veel van de bestuurders die vanaf 7 oktober
geconfronteerd werden met demonstraties een vrij steile leercurve hebben
moeten doorlopen, en er nog niet helemaal zijn. Ook dat constateert dit
rapport. Nou, schaart u mij dan bij de bestuurders die in die fase van
hun carrière die steile leercurve hebben doorlopen. Ik zal mijn uiterste
best doen, en meer dan dat, om er samen met de onderwijssectoren op toe
te zien dat we deze aanbevelingen naleven en implementeren. Dan kunnen
we daar het gesprek over hebben met deze Kamer. Ik sta hier nu vanavond
als uw minister. In die hoedanigheid mag u mij ook ter verantwoording
roepen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik snap deze laatste zin, maar tegelijkertijd zou ik toch aan de
minister willen vragen: had de voorzitter van het College van Bestuur
van de Universiteit Maastricht het achteraf gezien anders moeten
doen?
Minister Letschert:
Daar wil ik best antwoord op geven. We hebben al meerdere debatten met
elkaar gehad waarin die vraag aan mij werd gesteld. Wat de taskforce
heel duidelijk laat zien, is dat meerdere bestuurders in de eerste fases
van die demonstraties in overleg met de lokale driehoek hebben moeten
leren hoe ze dit moesten doen: welke handvatten hebben bestuurders? In
97% van de gevallen zijn demonstraties vreedzaam. 3% is dat niet. Hoe
kun je daar veel eerder op acteren en hoe stem je dezelfde lijn met
elkaar af? Dus ja, ik heb daar ook zelf in moeten leren.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Vindt deze minister dat je aangifte moet doen tegen uitlatingen als
"kill all zionists"?
Minister Letschert:
Ik herken niet het beeld dat universiteiten geen aangifte doen op het
moment dat er vermoedens zijn van strafbare feiten, want dat doen ze
namelijk altijd. Dat is wederom bevestigd in de brief van de koepels
naar aanleiding van dit rapport. Dat geldt overigens niet alleen voor
vermoedens van strafbare feiten en het ondersteunen van individuen die
een strafbare weg willen bewandelen. Het geldt ook voor
civielrechtelijke procedures, bijvoorbeeld als er sprake is van schade
aan gebouwen van onderwijsinstellingen en er verdachten op heterdaad
betrapt zijn. Ook die ervaringen hebben de onderwijsinstellingen. Dus
ja, op het moment dat besturen vermoedens hebben van strafbare feiten,
zullen zij daar aangifte van doen. Ik ga hier nu niet allerlei leuzen of
slogans die u mij voorhoudt beoordelen en zeggen of de specifieke
instelling daar dan aangifte van moet doen. Maar nogmaals, het beeld dat
besturen geen aangifte doen wanneer er vermoedens zijn van strafbare
feiten, herken ik niet. Dat beeld komt ook niet uit dit rapport.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Er ligt daar een heel rapport. Ik heb het nu niet meegenomen. Dat is
mooi voor het beeld. Dan kun je het laten zien. Maar er ligt daar een
heel rapport, waarin het gaat over een steile leercurve, zoals deze
minister zegt. Het gaat om allerlei zaken die je anders zou moeten doen,
zoals het gebruiken van het juridische instrumentarium. Dus ik wil
gewoon van deze minister weten of je aangifte moet doen tegen een leus
als "kill all zionists". Want als het antwoord daar niet volmondig ja op
is, hoe moet ik dan ooit zien dat deze minister een chefsache maakt van
de uitvoering van dit rapport? Graag een ja of een nee, en niet weer
zo'n hele brei aan bestuurlijke blabla. Doe je aangifte tegen de leus
"kill all zionists" bij jou op je universiteit?
Minister Letschert:
Daar ben ik momenteel dus niet meer, maar op het moment dat er een
uitspraak wordt gedaan die duidelijk oproept tot haat, wat ik in het
geval van deze leus zo zou inschatten, zou ik verwachten dat er absoluut
aangifte van wordt gedaan.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het gaat om meer dan leuzen. Er zijn legio voorbeelden van vernielingen
en dergelijke waar geen aangifte van is gedaan. Het klopt ook niet wat
de minister zegt. Ik citeer uit een Woo-verzoek aan nota bene de
Universiteit Maastricht: "Mocht een dader gevonden worden" — in dit
geval van het vernielen van panden — "dan wordt deze daar zeker op
aangesproken en zullen er maatregelen genomen worden. Daarover is ook
reeds met de politie gesproken. De maatregelen kunnen via het civiele of
strafrecht lopen. Echter, we hebben als universiteit ook mogelijkheden
om studenten sancties op te leggen. Daarmee kun je voorkomen dat
studenten mogelijk een strafblad krijgen …
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Nanninga (JA21):
… voor een jeugdige zonde." Dat is toch wel een héél ander verhaal dan
dat er altijd aangifte gedaan moet worden. Dit is een citaat van de
Universiteit Maastricht uit een Woo-verzoek.
Minister Letschert:
Ik wil wederom, zoals ik ook in mijn inleiding aangaf, zeggen dat ik
hier sta als minister van OCW en niet als de voormalige bestuurder van
de Universiteit Maastricht. Ik wil aangeven dat er vanuit meerdere
instellingen aangifte wordt gedaan als er vermoedens zijn van strafbare
feiten. Dat gebeurt via de strafrechtelijke route, of het gebeurt
civielrechtelijk op het moment dat het gaat over mogelijkheden om schade
te verhalen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het is heel onfortuinlijk dat de slager hier nu een beetje zijn eigen
vlees keurt, maar dat is de Kamer niet aan te rekenen. De minister kan
niet zeggen dat je het er niet over mag hebben omdat ze hier nu in een
andere rol staat. Ik vind het ook ongemakkelijk, maar het is niet mijn
keuze geweest. Ik citeer hier letterlijk dat er niet altijd wordt
overgegaan tot aangifte, omdat het een "jeugdige zonde" kan zijn en een
universiteit altijd zelf een keer "foei" kan zeggen. Dat is toch
strijdig met wat de minister net zei in haar antwoord op mevrouw
Keijzer, namelijk dat er altijd aangifte gedaan moet worden? Dat gebeurt
dus niet. Dat blijkt uit dit Woo-verzoek. Dat klopt dan toch?
Minister Letschert:
Wat ik zei, is dat er aangifte wordt gedaan als het gaat over vermoedens
van strafbare feiten. U verwijst nu naar een situatie bij een instelling
waarbij er een bepaalde context is geweest waardoor die antwoorden op
deze manier zijn gegeven. Nogmaals, ik zou heel graag met u het gesprek
willen hebben over hoe we op basis van dit hele belangrijke rapport, dat
in februari met alle bestuurders in de Nederlandse hogeronderwijssector
is gedeeld, in de toekomst kunnen zorgen dat we een meer uniforme aanpak
hebben voor situaties waarbij we niet meer spreken van vreedzame
demonstraties, maar van — deze termen zijn tijdens het debat al gebruikt
— mensen die komen om te rellen, die raddraaiers zijn. Daar ligt dit
rapport met hele duidelijke aanbevelingen. Ik zal als minister de
gesprekken samen met de onderwijssectoren hebben om aan te geven hoe je
zorgt dat er een uniforme aanpak gehanteerd gaat worden.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dit gaat niet over context of slogans. "Het vernielen van panden of
inboedel" staat letterlijk in het Woo-document; dat zijn strafbare
feiten. Kunnen we er dan op z'n minst van uitgaan dat er nu beleid komt
dat er gewoon altijd aangifte wordt gedaan? En kunnen we constateren dat
dat in Maastricht niet is gebeurd, omdat die arme schatjes dan misschien
een strafblad krijgen?
Minister Letschert:
Nogmaals, ik ga niet in op de situatie die toen in Maastricht speelde.
Ik sta hier nu om de belangrijke aanbevelingen van dit rapport met u te
bespreken en om ervoor te zorgen dat we die ook opvolgen. Dat zijn we de
Joodse gemeenschap schuldig. Daar kunt u mij op afrekenen.
De heer Bamenga (D66):
Ik heb een vraag aan de minister, in ieder geval over haar huidige
verantwoordelijkheid. De minister gaf zojuist aan dat zij in contact
staat met de studenten en met medewerkers. Dat staat ook in de brief.
Kan de minister wat meer vertellen over wat die gesprekken hebben
opgeleverd?
Minister Letschert:
Jazeker. Ik zou die vraag graag willen beantwoorden als ik alle
aanbevelingen waar de taskforce over gaat met u ga bespreken. In de
beantwoording van dat blokje komt dat zeker naar voren. Misschien toch
even kort. Voor een deel hebben die gesprekken het volgende opgeleverd.
Als je hoort dat mensen zich niet meer veilig voelen op een
universiteitscampus of op een hogeschool en niet meer hun eigen
religieuze identiteit durven te uiten, raakt dat je diep in je ziel. Als
er één ding is waar het hoger onderwijs voor moet staan, is het zorgen
dat er geen een student is die dat moeten komen vertellen. Dat is echt
iets om je diep voor te schamen. Dat is waarom ik dit rapport zo serieus
neem en graag met u het gesprek aanga over hoe we ervoor zorgen dat er
over een jaar niet meer zo'n taskforce-aanbeveling hoeft te liggen.
De voorzitter:
Meneer Bamenga nog? Nee. Dan de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Bij antisemitische demonstraties op de Universiteit Maastricht zijn
gewoon panden en inboedel gesloopt. De minister zegt: dat mag, want het
valt binnen de context, dus ik ga geen aangifte doen. Het mag, lieve
kinderen, want anders heb je straks een strafblad en dat willen we niet!
Dat werd gezegd door de minister toen ze nog bestuurder was. Kunt u ons
iets meer vertellen over wat nou die context is waardoor u zegt: sloop
de boel maar; we gaan geen aangifte doen? De PVV vindt dat je altijd
aangifte moet doen. Kunt u nou eens echt antwoord geven op de vraag waar
het over ging?
Minister Letschert:
Ik zal het wat meer generaliseren. Op het moment dat een bestuur, een
decaan of een individu binnen een hogeronderwijsinstelling vermoedens
heeft van strafbare feiten, hoor je daar aangifte van te doen. Op het
moment dat zich een situatie voordoet dat iemand in jouw gemeenschap, of
iemand van buiten, jouw pand aan het vernielen is en er een
strafrechtelijk traject gaat lopen — het is uiteindelijk namelijk aan
het OM om dat op te volgen — is er ook de mogelijkheid om een
civielrechtelijke route te bewandelen. Ik zou elke instelling aanraden
om die weg te bewandelen.
De heer Boon (PVV):
Gewoon even concluderend: u raadt elke instelling dus aan om het
civielrechtelijk te doen, en niet strafrechtelijk.
Minister Letschert:
Nee, dat zeg ik niet. Op het moment dat je een strafrechtelijke
procedure hebt lopen ten aanzien van personen die strafrechtelijk
vervolgd zouden kunnen gaan worden voor het vernielen van je pand, is er
ook een mogelijkheid om schade te verhalen via een civielrechtelijke
route. Het is dan ook aan die instelling om die route te overwegen; dat
is wat ik zeg.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Boon (PVV):
Dan heb ik nog één vraag aan de minister. U had het over de steile
leercurve. Maakt daarvan onderdeel uit dat toen in dat WODC-onderzoek
stond dat er geen aangifte werd gedaan om mensen niet te belasten met
een strafblad? Hebt u daarvan geleerd dat u daar geen rekening mee gaat
houden en dat het eventueel aan de rechter is om daar rekening mee te
houden? Zegt u nu als minister tegen alle bestuurders: doe aangifte?
Minister Letschert:
Als er sprake is van vermoedens van strafbare feiten, dan is het naar
mijn wetenschap zo dat de besturen aangifte doen en dat er ook
mogelijkheden zijn om een civielrechtelijke procedure te volgen op het
moment dat er een strafrechtelijke procedure met een veroordeling zou
zijn.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De minister keek terug en gaf woorden aan de manier waarop de
universiteitsbesturen hebben opgetreden na 7 oktober 2023. Dat optreden
van de universiteitsbesturen, of juist het niet-optreden, heeft geleid
tot ontzettend veel maatschappelijke en politieke verontwaardiging en
afkeuring. Als al die commotie er nou niet was geweest, hadden deze
universiteitsbesturen, de universiteiten en de colleges daaromheen dan
ook de beweging gemaakt die we nu zien om de veiligheid van Joodse
studenten en Joodse docenten te borgen?
Minister Letschert:
Ik denk dat het heel goed is dat er vanuit verschillende partijen in
onze samenleving een oproep is gedaan aan de universiteiten en de
hogescholen om samen met de lokale driehoek scherper te krijgen wanneer
je de middelen die het wettelijk kader biedt wel en niet kunt toepassen.
In het rapport van de taskforce ziet u ook heel duidelijk terug dat er
in het begin echt nog wel verschillende verwachtingen waren over wie
waar wanneer welke bevoegdheid heeft. Dat is in die afgelopen periode
echt wel scherper geworden, maar we zijn er nog niet. Dat zegt dit
rapport ook. In onze reactie op deze aanbevelingen hebben we met u
gedeeld dat ik in betrokkenheid van de ministeries van JenV en BZK
opnieuw het gesprek zal faciliteren met de lokale driehoeken, om
uiteindelijk te komen tot meer landelijke uniformiteit in het handelen
van instellingen en de lokale driehoeken, die we, in het jargon van een
situatie waarin een demonstratie uit de hand loopt, "vierhoeken" noemen.
Dat zullen wij voor de zomer gaan organiseren, zodat we wat de taskforce
al heeft gedaan wat betreft het voeren van dat soort gesprekken, zo snel
mogelijk op kunnen volgen met wat ik een nog scherpere analyse noem dan
al in de taskforce zit. Dat is een analyse van waar het nou toch nog af
en toe misgaat tussen de behoefte dat er wordt ingegrepen van besturen
van onderwijsinstellingen aan de ene kant en de wettelijke kaders
waarbinnen de lokale driehoek moet opereren aan de andere kant. De
minister van JenV heeft net aangegeven dat hij ook op basis van het
WODC-onderzoek samen met de minister van BZK verder gaat kijken naar
waar het toch nog niet gaat zoals we zouden willen, ook wat betreft de
botsende grondrechten. Ik sta hier namelijk ook voor het recht op
onderwijs, dat soms absoluut in het geding komt bij een bezetting die
langer duurt. Daar zullen wij met elkaar het gesprek over moeten voeren.
Nogmaals, dat moet ook met die lokale driehoeken. Dat gaan we voor de
zomer plannen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor het uitvoerige antwoord. Nog iets specifieker. De
universiteitsbesturen zijn in beweging gekomen. Chapeau. Daar ben ik
heel erg blij mee. Daarin heeft die maatschappelijke en politieke druk
natuurlijk ook een hele stevige rol gespeeld. Mijn hele concrete vraag
is eigenlijk als volgt. Als die druk er nou niet was geweest, heeft de
minister dan het vertrouwen dat het morele kompas van deze bestuurders
en deze universiteiten zodanig is afgesteld dat dit anders uit eigener
beweging van de grond was gekomen?
Minister Letschert:
Het is moeilijk voor mij om in een soort glazen bol terug te kijken naar
"als, dan". Wat ik nu weet, is dat alle hogeronderwijsinstellingen
absoluut hun volledige commitment aan de aanbevelingen in dit rapport
hebben gegeven. Dat uiten ze ook in de brief die ze gedeeld hebben.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we na de heer Van den Brink verdergaan met de
beantwoording van de minister, of eigenlijk daarmee beginnen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mooi dat er een leercurve is gesignaleerd, zou ik bijna zeggen. Een
zijlijn daarbij is dat ik in de voorbereiding op dit debat ook verhalen
heb gehoord van mensen die werken aan universiteiten, die zeggen: "Er is
eigenlijk ook te weinig ruimte voor een vrij debat. Als wij echt een
debat willen voeren met tegengestelde meningen, durven sommige mensen
dat niet aan." Kunt u iets doen om een vrijer debatklimaat te
organiseren op de universiteiten?
Minister Letschert:
Het is uiteraard aan de instellingen zelf om daar scherper op te worden.
Dat hebben ze ook gedaan. Al voordat de taskforce met deze aanbevelingen
kwam, is er een verklaring gekomen van de veertien rectoren van de
Nederlandse universiteiten, waarin zij hebben aangegeven dat zij zich de
komende periode volledig zullen gaan inzetten om precies dat beter te
faciliteren. Daarbij is het in verschillende situaties namelijk niet
altijd gegaan zoals dat hoort binnen een universitaire instelling. Dat
betekent dat alle rectoren binnen hun eigen instelling in een bepaald
traject de komende periode gaan laten zien hoe je dat met elkaar doet,
onder welke condities je dat doet en met welke debatmethodes je dat
doet. Dat gaat dan over allerlei onderwerpen waarvan je van tevoren weet
dat de personen in de zaal het er niet over eens gaan zijn met elkaar.
Dat traject is dus ingezet.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar beantwoording in het blokje hoger onderwijs en
taskforce.
Minister Letschert:
Voorzitter. Ik heb heel veel al beantwoord in de interrupties die ik net
heb gehad. Ik heb al aangegeven dat de ministers van JenV en BZK en
ikzelf spoed gaan zetten achter het faciliteren van het gesprek met die
zogeheten vierhoeken. In de brief die ik u gestuurd heb, heb ik ook
aangegeven dat wij additionele middelen beschikbaar gaan stellen met als
doel om de sociale veiligheid van Joodse studenten en medewerkers te
versterken. Daarbij wordt ondersteuning geboden aan de Joodse studenten
en medewerkers, maar wordt ook de academische kennis over het Joodse
leven gestimuleerd. Dat is een bottom-upinitiatief dat niet ontstaan is
vanuit het ministerie, maar vanuit de Joodse gemeenschap zelf, in het
bijzonder vanuit een Joodse studentenorganisatie. Die hebben nu de
middelen ter beschikking en kunnen die ook op die manier gaan
inzetten.
Ten tweede wil ik aangeven dat er op zeer korte termijn handreikingen
komen voor de problemen die we volgens het taskforcerapport zien in het
herkennen van en omgaan met antisemitisme door vertrouwenspersonen. Ook
zullen er voor de zomer handreikingen volgen voor docenten en
leidinggevenden. Deze handreikingen worden wederom niet top-down door
een ministerie gemaakt, maar in samenspraak met de Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding en met vertegenwoordigers van de Joodse
gemeenschap. Nogmaals, deze twee handreikingen zullen voor de zomer
volgen.
Ten vierde. In overleg met de Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding hebben we gezegd dat we in het voorjaar van
2027 ook een zogeheten miniconferentie gaan organiseren, waar we met
elkaar gaan bespreken waar we staan met de opvolging van de
aanbevelingen. Dat ga ik niet een jaar laten liggen. Dat onderwerp gaan
we ook tussentijds in de gesprekken met de instellingen continu op de
agenda zetten. Zoals ik al zei, gaan we voor de zomer vierhoekgesprekken
organiseren, maar we willen ook over een jaar heel scherp met elkaar
kijken waar we nu staan en of we aan het doen zijn wat hier wordt
aanbevolen.
Dan misschien als laatste, meneer de voorzitter. We hebben in de brief
ook een aantal concrete acties genoemd die gaan over het optreden van
vertrouwenspersonen bij het herkennen van en omgaan met antisemitisme.
Daar komt uiteindelijk die handreiking ook bij. In de aanbevelingen van
de taskforce zie je dat er ook een dilemma is met betrekking tot de
onbekendheid met de meld- en klachtstructuren binnen de individuele
instellingen. Dat verklaart ook waarom de taskforce zegt dat er
eigenlijk maar weinig meldingen zijn. Dat wil niet zeggen dat de
signalen er niet zijn. Het wil alleen zeggen dat onze Joodse studenten
deze routes niet weten te vinden. Ook hier zullen wij extra aandacht op
zetten. De instellingen hebben ook aangegeven dat ze hier volle kracht
achter gaan staan.
Meneer de voorzitter. Dan kom ik bij het derde punt: het verbeteren van
interventies bij overtreding van de huisregels. Ook hierover zullen wij
met de instellingen het gesprek aangaan. De Nationaal Coördinator heeft
al aangeboden om de instellingen te voorzien van ondersteuning en
advies, in het bijzonder bij de implementatie van deze
aanbevelingen.
Meneer de voorzitter. Dan geef ik heel kort antwoord op de vraag van
mevrouw Bromet wat de doelstellingen zijn vanuit het ministerie. De
doelstelling is vooral om toe te zien op de naleving van al die
aanbevelingen van de taskforce. Nogmaals, die gaan deels over hoe je
omgaat met demonstraties die uit de hand lopen, maar ook over het
bevorderen van de sociale veiligheid van Joodse studenten en
medewerkers. Dat zit 'm veel meer in klachtenprocedures, het trainen van
vertrouwenspersonen en het stimuleren van mogelijkheden om het Joodse
leven ook op de campussen veel meer zichtbaar te maken, onder andere
door middel van een financiële subsidie. Al die activiteiten gaan de
komende periode starten.
Dan heb ik nog de vraag wat we doen als bestuurders niet ingrijpen maar
wegkijken op het moment dat je te maken hebt met demonstraties die geen
demonstraties meer zijn. Ik heb het over vreedzame demonstraties die dus
ontaarden in rellen binnen de onderwijsinstellingen. Ik heb net
aangegeven dat alle universiteitsbestuurders en hogeschoolbestuurders,
zoals zij ook in hun eigen brief aangeven, de verantwoordelijkheid voor
de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers ten volle voelen en
dragen. De oproep om moed te tonen en achter de Joodse gemeenschap te
staan, wordt ten volle ondersteund. Zij doen dit vaak in een complexe
context, in samenwerking met de lokale driehoek, zoals ik al heb
geschetst. Volgens mij heb ik daar al voldoende woorden aan
gewijd.
Wat gaan we doen vanuit het ministerie als we denken dat de veiligheid
niet op orde is? Ook hierbij is sprake van een soort interventie- of
escalatieladder. Allereerst is de raad van toezicht uiteraard aan zet,
als de werkgever, de toezichthouder en ook wel de kritische vriend van
het college van bestuur. Vanuit die verantwoordelijkheid moet de raad
van toezicht optreden in de situaties waarin het CvB stelselmatig de
zorg voor een veilige leer- en werkomgeving niet naar behoren heeft
ingevuld. Indien nodig kan de minister het gesprek aangaan met de raad
van toezicht om zich ervan te verzekeren dat de raad van toezicht die
verantwoordelijkheid neemt. Op andere onderwerpen is dat in het recente
verleden ook gebeurd.
Dan over het laatste escalatie-instrument in mijn gereedschapskist. Als
de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek tot de conclusie
komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de WHW — dan hebben we
het echt over het ernstig verwaarlozen van de sociale veiligheid — kan
het uiteindelijk leiden tot het geven van een aanwijzing aan de rvt om
in te grijpen. Die verantwoordelijkheid ligt bij het ministerie. Maar
nogmaals, dat geldt alleen als de Inspectie van het Onderwijs heeft
aangetoond, na gedegen onderzoek, dat er sprake is van wanbeheer. Dan
hebben we het niet over de situatie waarin er bijvoorbeeld één
demonstratie uit de hand is gelopen. Er moet er echt sprake zijn van
iets stelselmatigs, van een patroon.
Meneer de voorzitter. Wat doen we als de studenten en de medewerkers
zich niet aan de huisregels houden die de instellingen zelf in overleg
met hun lokale medezeggenschap hebben gemaakt? Het antwoord daarop is
als volgt. Op basis van de WHW kunnen instellingen maatregelen nemen
tegen studenten, waaronder bijvoorbeeld het tijdelijk of definitief
ontzeggen van toegang tot de instelling of, in het uiterste geval,
beëindiging van de gehele inschrijving. Als medewerkers de huisregels
overtreden, kan de instelling de medewerker uiteraard aanspreken of
berispen en, in het uiterste geval, overgaan tot ontslag en/of aangifte
doen. De proportionaliteit van de maatregelen die daarbij horen, hangt
uiteraard af van de aard en de ernst van de situatie. Dit beoordeelt de
instelling als werkgever. Vaak zijn instellingen huiverig om volledige
dossiers op tafel te leggen, met de media te delen of met de Kamer te
delen, omdat er op dat moment nog allerlei arbeidsrechtelijke procedures
kunnen lopen die een hoge mate van vertrouwelijkheid kennen. Heel vaak
weten wij dus niet — dat hoort namelijk bij de bevoegdheid van de
instellingen — welke stappen zij nemen om zowel studenten als
medewerkers die huisregels overtreden, te berispen of mogelijkerwijs
uiteindelijk te ontslaan.
Volgens mij heeft mijn collega de vraag over de studentenvisa al
beantwoord. Ik heb de vraag van mevrouw Nanninga over de 350.000 net ook
al beantwoord. Dan ga ik snel naar dit blokje. Ik moet nu haasten, hè?
Ik zie het! Er zijn nog twee vragen in het blokje hoger onderwijs.
Eén vraag ging over de ondermijnende werking als het gaat om het geven
van eredoctoraten aan personen aan wie die volgens het Kamerlid niet
zouden moeten worden gegeven. Laat ik allereerst vooropstellen dat het
aan universiteiten en hogescholen is om eredoctoraren uit te delen,
gestoeld op wetenschappelijke of maatschappelijke verdiensten. Daar gaat
een minister niet over. Verder lijkt het me ook niet aan mij om op
verdere casuïstiek in te gaan. Uiteraard geldt ook hier weer dat
universiteiten plekken horen te zijn waar ruimte is voor verschillende
perspectieven, nogmaals, zolang je je houdt aan de academische waarden
en normen.
Dan heb ik nog een laatste vraag in het blokje hoger onderwijs, over de
samenwerking tussen universiteiten, het ministerie van Volksgezondheid
in Iran of universiteiten in Iran. Ook hier hebben instellingen de
verantwoordelijkheid voor het maken van afwegingen over institutionele
samenwerkingen. Zij hebben ook de vrijheid om te bepalen of die
samenwerkingen mogelijkerwijs kunnen verschuiven door geopolitieke
verschuivingen. Daarbij zullen zij geen oordeel geven over wat een
bepaald land of regime wel of niet goed zou doen; daar gaan
universiteiten niet over. Zij gaan alleen over met welke instellingen
zij wel of niet willen samenwerken. Dat is aan de universiteiten.
De heer Boon (PVV):
Ik wil de minister nog een vraag stellen over de leercurve wat betreft
de sociale veiligheid. Ik heb laatst een bericht gelezen over de UvA.
Daar is geen onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid over het jaar
2023-2024, omdat dat ongewenste of niet goed vergelijkbare uitkomsten
zou geven. Zegt u nu, als minister: ik vind dat dit ieder jaar moet
worden gedaan, ook als er in dat jaar veel onrust is geweest, zodat we
echt in beeld krijgen wat er speelt, in plaats van dat niet te doen om
een onwelgevallig beeld uit beeld te houden?
Minister Letschert:
Ik vind dat onderwijsinstellingen altijd onderzoek moeten doen naar de
mate van sociale veiligheid binnen hun instelling. Dat deze specifieke
universiteit vanwege methodologische overwegingen, begrijp ik uit uw
vraag, daar nu een andere keuze in heeft gemaakt, is aan die instelling.
Tegelijkertijd is het ook aan die instelling om dan op andere manieren
te laten zien hoe het met de sociale veiligheid is gesteld. Ik weet voor
deze specifieke casus niet wat de reden was voor deze instelling om een
ander type monitor uit te voeren. Die was misschien meer kwalitatief.
Dat zou ik voor u moeten navragen.
De heer Boon (PVV):
Ik ben blij als u dat voor mij zou willen navragen. Ik begrijp dat ze
het gewoon niet hebben gedaan, omdat ze het geen goed beeld vonden en
dat niet bij de andere jaren zou passen. Dat vind ik een heel andere
reden dan het op een andere manier willen weergeven. Wat gaat de
minister doen als een school zegt: we gaan het gewoon niet doen, omdat
we het beeld niet willen weergeven?
Minister Letschert:
We hebben een vrij uitvoerig bestuurlijk netwerk, zowel vanuit het
ministerie als vanuit alle medewerkers op de universiteiten, dat
verantwoordelijk is voor sociale veiligheid en integrale veiligheid. Zij
hebben gezamenlijk gewerkt aan een leidraad en zijn op dit moment met
elkaar in gesprek over mogelijke andere stappen die moeten worden
genomen om de sociale veiligheid aan de hogeronderwijsinstellingen nog
meer inzichtelijk te maken dan die al is. Dat kan mogelijkerwijs ook
leiden tot verankering in wetgeving rondom zorgplichten. Die gesprekken
lopen op dit moment, as we speak. Ik kom hier graag op een later moment
bij u op terug.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Doelde de minister op het NJSO, het Nederlands-Joods Studenten Overleg,
toen zij het had over een Joodse studentenorganisatie die bevoegdheden
zou hebben?
Minister Letschert:
Nee, het gaat om IJAR, de Joodse studentenorganisaties die samen met
meerdere vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap bij mij op bezoek
zijn geweest om te vragen of zij een incidentele subsidie konden krijgen
om activiteiten te ontplooien. Die zijn de afgelopen tijd voor een deel
al ontwikkeld, maar die zijn allemaal om niet ontwikkeld. Dat is waarom
wij gezamenlijk gezegd hebben: laten we de activiteiten die zowel vanuit
IJAR als door onze studentenrabbijn zijn ontwikkeld, ondersteunen. Laten
we kijken of ze die met elkaar kunnen uitwerken in plaats van dit
top-down, vanuit het ministerie of met het nationaal plan, te doen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dit is mijn laatste punt. Zou de minister eens kunnen reflecteren op hoe
het toch kan dat er in universiteiten hele safe spaces worden opgetuigd,
dat iemand misgenderen daar zowat een halsmisdrijf is, dat een fout
grapje je je baan kan kosten en dat alles en iedereen een microagressie
is, maar dat daar ook gewoon mensen rondlopen die openlijk 7 oktober
vieren? Dan heb ik het over het personeel, hè? Ik begin nog niet eens
over de medestudenten. Hoe verklaart de minister nou zo'n discrepantie?
Hoe verklaart ze dat er onderwijzend personeel rondloopt dat 7 oktober
viert, terwijl alles bij die universiteiten in het teken staat van
sociale veiligheid en juist heel normale dingen sociaal gezien niet meer
mogen? Hoe kan het dat mensen daar maandenlang mee wegkomen?
Minister Letschert:
Volgens mij is het heel belangrijk dat de onderwijsinstellingen op basis
van de aanbevelingen die in dit rapport staan ook met elkaar het gesprek
gaan voeren over de volgende vragen. Hoe zorgen we er nou voor dat je
ruimte geeft aan de Joodse identiteit en aan het Joodse leven dat iemand
ook in zijn onderwijsomgeving wil laten zien? Hoe zorg je ervoor dat je
dat faciliteert, dat je dat mogelijk maakt? We hebben net een discussie
gehad over de mogelijkheden om debatten te voeren, om Joodse sprekers
een plek te geven op de universiteit. Zij hebben een hele belangrijke
taak. Onder andere de handreiking die er komt voor docenten gaat daar
een rol in spelen, maar het is uiteindelijk ook echt aan de instellingen
zelf om serieus het gesprek te voeren over alle aanbevelingen. Dan heb
ik het niet alleen over de aanbevelingen, maar ook over de verhalen van
de individuele studenten die illustratief in dit rapport zijn
opgenomen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De taskforce zegt ook heel duidelijk dat de individuele
onderwijsinstellingen primair verantwoordelijk zijn, zeker daar waar
protestacties of onveilige situaties plaatsvinden. Er wordt geadviseerd
om met urgentie een complete aanpak te maken. Mijn vraag aan de minister
is: wie gaat ze achter de broek zitten om ervoor te zorgen dat dit
daadwerkelijk gebeurt? Moet meneer Jaap Smit op enig moment weer als
terriër in de broekspijpen gaan hangen van iedere
hogeronderwijsbestuurder, of is dat aan de minister? Op welke manier
kunnen we dat volgen?
Minister Letschert:
De heer Smit kennende, gaat hij dat zeker doen. Maar uiteindelijk ben ik
uiteraard verantwoordelijk; hij is inmiddels vertrokken. De taskforce
roept de minister op om een faciliterende rol te spelen. Ik kan alleen
faciliteren en denken "ik laat het maar een beetje gaan", maar dat ga ik
niet doen. Wij zullen gedrieën spoed zetten ten aanzien van de dilemma's
en de verschillen die we soms nog steeds zien als het gaat om de aanpak
rond het stopzetten van bezettingen of demonstraties die niet meer
kunnen worden gekenschetst als vreedzaam.
Als u het taskforcerapport voor u heeft — ik noem het even — dan kunt u
zien dat we een belangrijke aanbeveling hebben gekregen. Die gaat ook
deels in op de vraag die mevrouw Keijzer al een paar keer aan mij
gesteld heeft: hoe zorg je er nou voor dat je als onderwijsinstelling
meer grip krijgt op wat er binnen de grenzen van jouw gebouw gebeurt? De
taskforce zegt: onderzoek of je als onderwijsinstelling binnen de
grenzen van het geldende demonstratierecht — de vraag over die grenzen
en wat daar eventueel voor nodig is, gaat mijn collega van JenV in zijn
eigen onderzoek ter hand nemen — bijvoorbeeld vaste demonstratieplekken
kunt aanwijzen, waar demonstraties zichtbaar en veilig kunnen worden
gehouden. Je ziet nu dat demonstraties soms in gebieden worden
georganiseerd waar bijvoorbeeld hele kwetsbare onderzoeksfaciliteiten
aanwezig zijn. Dat is natuurlijk onacceptabel. Hoe zorg je nou als
onderwijsinstelling dat je daar ook grip op kunt krijgen? Is dat
bijvoorbeeld door middel van toegangscontroles of zonering op locaties?
Ook dat deel van de aanbeveling ga ik met de instellingen bespreken.
De voorzitter:
Niet alleen de vragen mogen kort en beknopt, maar ook de antwoorden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor het zeer volledige antwoord, zeg ik dan maar. Daar ga ik dan
toch op door. Ik verwacht echt dat dat met urgentie gebeurt, want dit
rapport hebben we ook in februari gekregen. Ik kan me dus in ieder geval
voorstellen dat als het nieuwe seizoen begint, dit soort dingen panklaar
liggen. Ook kan ik me voorstellen dat als we ertegen aanlopen dat mensen
van buiten zich aansluiten bij de demonstratie we dan niet meer in de
grijze schemerzone zitten, maar dat iemand gewoon van de campus af
gegooid kan worden. Is de minister dat met mij eens? Gaat dat soort
helderheid er dan ook zijn?
Minister Letschert:
Dat is een ingewikkelde vraag, want dan zou je dus als
universiteitsbestuurder dat ter plekke al moeten weten. Op het moment
dat die bestuurder zegt "wij hebben het niet meer onder controle en
krijgen het niet zelf stopgezet" draagt die de situatie over aan de
lokale driehoek. Het lokale gezag neemt het dan over. Ik kan nu wel heel
stoer toezeggen dat iemand die niet op die campus hoort dan verwijderd
wordt, maar ik vind dit een te contextspecifieke vraag om daar nu van te
zeggen dat dit per definitie gaat gebeuren. De gesprekken die wij voor
de zomer gaan voeren met die lokale driehoeken — nogmaals, dat doen we
samen met de minister van BZK en de minister van JenV — moeten ook wel
antwoorden op gaan leveren. Wat doe je dan als lokale driehoek om ervoor
te zorgen dat die onderwijsinstelling het werk kan doen waar een
onderwijsinstelling voor aan de lat staat?
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zeker, maar het rapport van de taskforce is vrij helder. Die noemen de
mogelijkheden voor toegangscontrole of zonering. Als wij dat vervolgens
vaag laten, omdat het moeilijk is — dat verwijt ik niet de minister,
maar dat kan wel in het gesprek gebeuren als de driehoek naar de
universiteit, naar de hogeschool wijst en zo pingpongen we weer door —
dan zijn we weer in november. Daar heb ik niet zo'n behoefte aan, want
de urgentie spat echt van het rapport af. Dus ik zou de minister echt
willen vragen om daar op tijd op terug te komen bij de Kamer. Mochten er
extra dingen nodig zijn — de minister ervaart volgens mij ook de steun
van de Kamer — dan zijn extra maatregelen altijd mogelijk. Ik vraag haar
ook om er op enig moment op terug te komen of het zo ook echt werkt en
lukt.
Minister Letschert:
Ik heb al toegezegd dat we uiteraard ook met mijn collega's die gaan
over hoever je moet willen gaan volgend jaar samen met de Nationaal
Coördinator de implementatie van de aanbevelingen met elkaar gaan
bespreken. Dan is er dus al een monitoringscyclus geweest. Specifiek
over deze aanbeveling rondom de zonering en de toegangscontroles, ga ik
gesprekken hebben met de instellingen en of kunt gaan als het over het
demonstratierecht gaat. Daar komen wij zo snel als kan op terug. Dit was
natuurlijk februari; u vindt dat lang. Nou, het is nu april. Ik denk dat
er al veel gebeurd is in alle gesprekken, die ik zelf heb gevoerd met de
vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, studenten en medewerkers,
ook om bij hen te polsen "is dit waar jullie je in herkennen?", en met
de bestuurlijke lagen. Nu pakken wij door.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De minister verwijst stevig naar de eigen verantwoordelijkheid van
instellingen. In dat licht maakte ze ook een opmerking over de vragen
die ik stelde over een eredoctoraat voor Francesca Albanese. Dat is hún
verantwoordelijkheid, zegt de minister. Dat is correct als het gaat over
de verdeling van bevoegdheden, maar mijn achterliggende punt was
natuurlijk: als een universiteit zo duidelijk activistisch partij kiest
voor zo'n omstreden figuur, die antisemitische uitlatingen heeft gedaan
en de Joodse premier heeft vergeleken met Hitler, hoe kun je dan ooit
verwachten dat Joodse studenten dan wel docenten zich veilig voelen op
zo'n universiteit?
Minister Letschert:
Volgens mij is het zaak dat onderwijsinstellingen met elkaar, met hun
eigen gemeenschap, gesprekken gaan voeren. Dat leidt uiteindelijk tot
een gesprek over hoe zij keuzes maken, ook als het gaat over
toekenningen van eredoctoraten en hoe kwetsend die kunnen zijn voor de
ene of andere groep of gemeenschap binnen hun eigen gemeenschap. Het is
niet aan de minister om daar nou hier uitspraken over te doen. De
rectoren hebben gezegd dat ze zich daarvoor inzetten. Ook als het gaat
over je verdiepen in de belevingswereld van de ander en over het met
elkaar nog dieper van gedachten wisselen over wat het doet, zowel de
leuzen als de slogans als de toekenningen van eredoctoraten — nogmaals,
me helemaal niet over deze persoon uitend — dan vind ik dat echt iets
voor die instellingen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Duidelijk. Dit onderstreept alleen maar wat mijn collega net ook zei. Ik
hoop dat daar heel goed zicht op is en dat we er ook van op de hoogte
worden gesteld of die aanbevelingen inderdaad goed worden opgevolgd, en,
zo niet, dat we het ook aandurven om daar inderdaad consequenties aan te
verbinden.
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van mevrouw Keijzer en dan vervolgt de
minister haar beantwoording over het funderend onderwijs.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik zit nu zo eens een tijdje naar de minister te luisteren. Onze
rapporten, onze processen en wat je dan wel en niet op welk moment doet,
zijn allemaal voortreffelijk. De vraag hier is echter: wanneer ga je dat
doen? Dit betreft dus eigenlijk die aanbeveling van het rapport waarin
staat: ga voor morele grenzen staan. Zo'n morele grens is bijvoorbeeld
de volgende kwestie. Werk je niet samen met Israëlische universiteiten
en werk je wel samen met een universiteit uit Teheran? Is dat zo'n grens
waarvan de minister zegt: nou, nee, dat kan eigenlijk niet?
Minister Letschert:
Het is aan de onderwijsinstellingen om naleving van deze aanbevelingen
binnen hun eigen gemeenschap op de agenda te zetten, serieus te nemen en
op te volgen. Het is ook aan de onderwijsinstellingen om in de
gesprekken die ze hebben met hun medezeggenschap en met hun gemeenschap
de discussie te voeren over samenwerkingen met andere instellingen. Het
is niet aan de minister om hier nou uitspraken over te doen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Daar komt de minister gewoon niet mee weg. Als zij zegt dat dit
chefsache is en als zij zegt dat zij zich dit aantrekt en dat ze hier
bovenop gaat zitten, dan zal ze zich dus op een gegeven moment ook uit
moeten spreken. Dan bestaat het niet dat je wel ruimte geeft aan iemand
die pro Palestina wil spreken, maar geen ruimte geeft aan iemand die pro
Israël wil gaan spreken.
Minister Letschert:
Als een instelling een discriminatoir beleid zou hebben door alleen maar
bepaalde groepen, nationaliteiten of landen uit te sluiten en daarbij
geen diversiteit toepast in een breder kader dat geldt voor afwegingen
die instellingen maken over samenwerking en over sprekers, dan ga ik
zeker met zo'n instelling het gesprek aan. Maar dat is niet mijn beeld.
U vraagt mij nou een reactie te geven op een specifieke situatie, maar
instellingen hebben kaders ontwikkeld die bijvoorbeeld toezien op welke
samenwerkingen je wel of niet wilt; die gaan niet over één land
specifiek.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De praktijk ziet er toch echt héél anders uit. Dat weet deze minister;
dat weet deze minister. Het is dus eigenlijk vrij simpel. Vind je het
prima dat elke keer het resultaat is dat een Israëlische wetenschapper
of student niet de ruimte krijgt en dat je wel samenwerkt met iemand uit
— moet je nagaan — Teheran? Daar worden zo'n beetje elke dag jonge
mensen opgehangen omdat ze gedemonstreerd hebben. Trekt de minister hier
een duidelijke grens en zegt ze "nee, dat kan niet", of blijft het bij
dat relativisme dat ik wel vaker in dit soort hoogopgeleide kringen
aantref? Trekt de minister een grens? Gaat ze dat doen?
Minister Letschert:
Ik herken niet het beeld van mevrouw Keijzer dat het op de manier gaat
zoals u hier neerlegt. Ik ben uiteraard, als het gaat over grenzen … Als
ik zou zien dat instellingen op een discriminerende manier hun kaders
toepassen, dan hebben we een gesprek. De situatie die u hier schetst,
namelijk dat er altijd alleen maar Israëlische of Joodse sprekers worden
geweerd, is niet een beeld waar ik me in herken. Ik heb daar ook geen
feitenanalyse onder liggen.
De heer Ellian (VVD):
Sorry, voorzitter. Ik zie u kijken, maar ik moet dit wel doen. Ik zit te
luisteren en ik moet eerlijk zeggen dat ik me wel enigszins moet
beheersen. Dat ga ik ook doen. Het gaat hier over de universiteit van
Teheran, medical sciences. Die betreffende samenwerking is niet opgezegd
na de demonstraties van "Women, Life, Freedom" in 2022.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Ellian (VVD):
Het is voor mij zeer persoonlijk, voorzitter, zéér persoonlijk. Je kunt
niet als kabinet zeggen "wij staan achter de dappere jongens en meisjes
in Iran" en dan hier vervolgens in een debat op een eenvoudige vraag van
mevrouw Keijzer of u zo'n samenwerking afkeurt, zeggen "ja, dat is aan
de instellingen zelf", terwijl ondertussen Israëlische universiteiten
worden geboycot.
Minister Letschert:
Ik verwacht van de onderwijsinstellingen die toetsingskaders hebben
ontwikkeld die van recenter datum zijn dan de datum die u nu neerlegt,
dat zij die toetsingskaders toepassen op alle samenwerkingen die zij
hebben buiten Nederland. Dat is immers waar die toetsingskaders voor
zijn. Dat verwacht ik dus ook van de specifieke samenwerking waar u naar
verwijst. Of dat gebeurt, is aan het betreffende bestuur.
De voorzitter:
De minister vervolgt haar beantwoording met funderend onderwijs, want we
zijn op een vierde van de beantwoording. U heeft nog een tweede termijn,
er kunnen nog moties worden ingediend, u kunt nog interrumperen in de
tweede termijn. Ik stel dus echt voor dat de minister haar beantwoording
voortzet. Minister, u vervolgt uw beantwoording.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Dan ga ik verder met het funderend onderwijs.
Daarbij hebben we iets minder vragen dan bij het hoger onderwijs.
Ik reageer als eerste op de vraag van mevrouw Bikker en de heer Struijs
over het steviger verankeren van ons Holocaustonderwijs en om bezoeken
aan herdenkingsinstellingen zoals het Holocaustmuseum te stimuleren.
Allereerst is, zoals de Kamer weet, Holocausteducatie een verplicht
onderdeel van het curriculum. Ook in het nieuwe curriculum is dat stevig
verankerd. Het is ook aan de Inspectie van het Onderwijs om daarop toe
te zien. Op dit moment hebben wij geen signalen dat scholen zich hier
niet aan houden, maar dat wil niet zeggen dat die signalen er niet zijn.
Wat wij namelijk gemerkt hebben, is dat het ook voor scholen duidelijk
moet zijn dat zowel de ouders als de leerlingen op die scholen hier
melding van kunnen maken. Wat gaan wij actiever doen? Dit is anders
natuurlijk een antwoord waar u niet zo veel mee kan. Wij zullen bij de
ondersteuning van aanvullende activiteiten zorgen dat scholen ook
activiteiten kunnen kiezen die aansluiten bij hun context. Zo stimuleren
we dat scholen om bezoeken te brengen aan bijvoorbeeld
herdenkingsinstellingen, waaronder bijvoorbeeld het Holocaustmuseum,
hierbij gebruik kunnen maken van de CJP-regeling. Daar worden ook
additionele middelen voor beschikbaar gesteld van €750.000. Als laatste
wil ik toevoegen dat mede naar aanleiding van de motie-Stoffer over het
actief aandacht besteden aan antisemitisme in onderzoek van de inspectie
de inspectie ook actief gesprekken gaat voeren met
onderwijsprofessionals en sectorraden over antisemitisme en andere
vormen van onverdraagzaamheid. Zoals ik net zei, wil het feit dat er nu
geen signalen liggen bij de inspectie, namelijk niet zeggen dat ze er
niet zijn. Dus heeft de inspectie gezegd: wij gaan in de uitvoering van
de motie-Stoffer actief aandacht daaraan besteden en ook met de
onderwijsprofessionals en sectorraden in gesprek.
Ik heb er nog een paar, voorzitter, maar ik zie dat er interrupties
zijn.
De voorzitter:
Ja, gaat uw gang.
Minister Letschert:
Moet ik doorgaan?
De voorzitter:
Ja, gaat uw gang.
Minister Letschert:
Dan had ik een vraag van mevrouw Bromet over de doelen van de minister
van OCW, maar eigenlijk breder: hoe ga je om met het bereiken van jouw
doelen als het gaat over preventie op scholen, sportvelden en
internetfora? Over internetfora is al het een en ander gezegd door mijn
collega van JenV. De sportvelden ga ik meenemen in mijn beantwoording.
Allereerst is wettelijk vastgelegd in de burgerschapsopdracht van de
scholen in het funderend onderwijs dat zij aandacht moeten besteden aan
antisemitisme en aan godsdienst in bredere zin. Vanuit VWS lopen
verschillende projecten om discriminatie en racisme tegen te gaan, zoals
OVIVI, Ons Voetbal Is Van Iedereen, en OCIVI, Onze club is van iedereen.
Uiteraard kan de minister van VWS daar nog veel meer over vertellen dan
wat ik hier nu vanavond over vertel.
Als laatste de vraag over het Nationaal Plan Joods Leven. Daar heeft
mijn collega volgens mij al het een en ander over gezegd. Dat plan heeft
twee pijlers: het versterken van het Joodse leven en het zichtbaar en
bekend maken van Joods leven. Uiteraard is educatie over het Joodse
leven hier een heel belangrijk onderdeel van. Dat gaat in de nadere
uitwerking met de onderwijsprofessionals, de Joodse gemeenschap en de
onderwijsraden plaatsvinden.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Misschien is dit meer een suggestie, want het gaat over
Holocaustonderwijs. In een heleboel steden en dorpen in Nederland zijn
struikelstenen geplaatst. Ik kan me voorstellen dat het bezoeken van
zo'n struikelsteen net zoveel impact kan hebben als een hele lange reis
naar het Holocaustmuseum in Amsterdam, omdat het je eigen omgeving is en
omdat dat voor kinderen misschien ook heel erg invoelbaar is.
Minister Letschert:
Absoluut. Het is aan de instellingen zelf om de keuze te maken waar ze
naartoe gaan. Dat kan naar het Nationaal Monument Kamp Vught zijn, dat
kan naar Westerbork zijn, dat kan naar het Holocaustmuseum zijn of dat
kan bijvoorbeeld iets zijn zoals u zelf noemt.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik mis nog een antwoord op mijn …
Minister Letschert:
Ik was nog niet klaar.
Mevrouw Nanninga (JA21):
O, ik dacht dat u klaar was met het funderend onderwijs.
De voorzitter:
Dat dacht ik ook.
Minister Letschert:
Nee, maar iedereen is zo aan het interrumperen.
De voorzitter:
Nee, u zei tegen mij dat u klaar was, minister.
Minister Letschert:
O, nee, excuses. Ik heb nog een vraag over de stichting Na de Oorlog en
de reden voor het schrappen van de subsidie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Daar wilde ik net naar vragen. Dan ga ik weer zitten.
Minister Letschert:
Ik heb die vraag nog en misschien nog de vraag over mensenrechten in het
curriculum. Excuses; er waren zo veel vragen.
Waarom is de subsidie voor het succesvolle lesprogramma Na de Oorlog
geschrapt? Ik gaf zojuist aan dat scholen via de Cultuurkaartmiddelen
extra middelen voor Holocausteducatie kunnen inzetten, waarmee ze dus
zelf dat passende aanbod kunnen kiezen. Met die extra
Cultuurkaartmiddelen kunnen scholen ook kiezen voor gastlessen van de
stichting Na de Oorlog. De financiering van die herinneringsinstellingen
valt onder de verantwoordelijkheid van mijn collega bij VWS. Voor de
inzet van de specifieke ondersteuning op het gebied van
Holocausteducatie benut ook OCW, mijn eigen ministerie, de expertise van
de stichting Na de Oorlog. Die wordt nu incidenteel gefinancierd vanuit
het amendement-Ceder. Dat loopt tot maart 2027. Structurele financiering
vanuit OCW is ingewikkelder. Nogmaals, de scholen kiezen zelf het
onderwijsaanbod dat aansluit bij hun schooleigen context. Het is ook
niet aan de overheid om één partij structureel te financieren. Nogmaals,
er is een heel palet aan partijen die de instellingen onderwijsaanbod
aanbieden. Dat is dus het antwoord op die vraag.
Mijn allerlaatste antwoord gaat over de mensenrechten in het curriculum:
op welke manier geven wij vorm aan de aanbeveling van Amnesty om het
mensenrechtenonderwijs een vast deel te laten zijn van het curriculum,
waarbij dan ook het tegengaan van antisemitisme hoort? Nogmaals, de
scholen zijn verplicht om via die burgerschapsopdracht onderwijs te
geven, ook met betrekking tot respect voor de basiswaarden van de
democratische rechtsstaat die direct gekoppeld zijn aan mensenrechten.
In de nieuwe kerndoelen voor burgerschap wordt dit nog eens expliciet
gemaakt. Daar staat letterlijk: "Mensenrechten komen terug in het domein
Samenleven in een democratische rechtsstaat".
Daarmee heb ik het funderend onderwijs gehad, maar nog niet tot
tevredenheid.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb nog twee vragen. Hoorde ik de minister nou zonet heel duidelijk
zeggen dat er geen signalen zijn dat het Holocaustonderwijs niet meer
gegeven wordt?
Minister Letschert:
Nee, u hoort mij zeggen dat er bij mijn weten, dus zoals ik het heb
meegekregen, bij de Onderwijsinspectie geen signalen zijn binnengekomen
dat scholen zich er niet aan houden. Ik heb daarbij ook meteen gezegd
dat dat niet wil zeggen dat we die signalen vandaag niet terugkrijgen in
de interventies. Bij de inspectie zijn ze niet binnengekomen, maar dat
is natuurlijk niet tevredenstellend. Dan zou je namelijk kunnen denken:
dan wachten we tot de inspectie die signalen allemaal krijgt. Daarom
hebben we ook gezegd dat de inspectie met de onderwijsprofessionals en
de sectorraden gesprekken moet gaan voeren over antisemitisme en andere
vormen van onverdraagzaamheid, wat scholen daaraan doen en welke impact
dit heeft op het aanbod van thema's, waaronder Holocausteducatie.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, dan verdwijnt het weer in de brij. Ik zou tegen de minister willen
zeggen: doe een enquête onder de leraren.
Ik wil ook nog even terug naar het andere onderwerp. Het ging zonet over
samenwerking met Israëlische universiteiten. Begrijp ik nou goed dat de
minister het volgende zegt? Dat is namelijk wel een beetje wat ik hoor.
Ze was onderdeel van het ontstaan van dit klimaat op universiteiten toen
ze nog in Maastricht zat, vervolgens zat ze in de taskforce, vervolgens
lag er een fantastisch rapport en vanaf nu gaat ze een morele grens
trekken door tegen universiteiten te zeggen: het bestaat niet dat je
niet samenwerkt met Israëlische universiteiten of wetenschappers omdát
het Israëli's zijn. Is dat wat de minister gaat doen?
Minister Letschert:
Ik denk dat ik uw vraag niet helemaal begrijp, maar laat ik hem als
volgt beantwoorden. Instellingen hebben in de afgelopen jaren
toetsingskaders ontwikkeld waarmee ze samenwerkingen met
collega-instellingen in andere landen toetsen. Die hebben ze vastgesteld
in overleg met hun medezeggenschap. Die toetsingskaders zijn van
toepassing op alle samenwerkingen die instellingen hebben in het
buitenland, dus met Israël, met Iran, met Turkije, met België en ga zo
maar door. De toepassing en de totstandkoming van die toetsingskaders
ligt binnen de bevoegdheid van de instellingen. Als ik signalen krijg
dat die discriminerend worden toegepast, en altijd alleen maar op één
specifiek land, ga ik zeker het gesprek aan met de instellingen. Dat is
wat ik zei.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou, dat is fantastisch, want dan kan er niets anders uit komen dan dat
het discriminerend optreden is. Het bestaat namelijk niet dat je Joodse
studenten weigert, dat je Israëlische wetenschappers weigert en dat je
samenwerking met universiteiten uit Israël weigert, maar vervolgens wel
dikke zaken blijft doen met die uit Teheran. Ik ben dus blij als deze
minister hiertegen gaat optreden. Het is laat, maar ik tel mijn
zegeningen en ik ben blij als ze dat gaat doen. Maar ik ga haar daarin
wel volgen.
Minister Letschert:
Ik verwacht zeker dat mevrouw Keijzer mij daarin gaat volgen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik zou zo heel graag een toezegging willen voor een structurele bijdrage
aan stichting Na de Oorlog. Het gaat om relatief weinig geld en de
stichting geeft zelf aan dat zij helemaal geen werk tekortkomt. Ze
hebben mensen die zich aanmelden als spreker en die getraind moeten
worden. Ook zijn er heel veel aanvragen; het zijn er meer dan ze
aankunnen. Het is dus niet zo dat er geen vraag naar is. Als je de
stichting structureel financiert, dwing je scholen niet per se om het af
te nemen, maar er is echt genoeg werk te doen. Er is alleen geen geld
voor. Het gaat om een relatief klein bedrag.
Minister Letschert:
Zoals ik net zei: ik vind het werk van de stichting prachtig, maar ik
vind het ingewikkeld dat er zo veel verschillende partijen zijn die een
rol spelen in het bieden van Holocausteducatie aan Nederlandse
onderwijsinstellingen. Op het moment dat ik een toezegging doe aan de
één om dat structureel te maken, dan is dat een precedent om dat voor
heel veel andere partijen ook te doen. Daar zit mijn
terughoudendheid.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dat begrijp ik, maar er is echt ontzettend veel vraag naar. We zitten
niet met z'n allen iets in de lucht te houden omdat we het een gezellig
clubje vinden. Er is grote behoefte aan. En wat er in de samenleving
gebeurt, bewijst ook wel dat er nog steeds grote behoefte is aan
verhalen van nabestaanden en overlevenden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zit nou een tijdje te luisteren en ik hoor ontzettend veel mitsen,
maren en haakjes. Ik denk bij mezelf: zouden Joden morgen allemaal hun
keppeltje opzetten, de straat opgaan en "zo, eindelijk!" denken? Ik denk
het niet eerlijk gezegd, want er wordt toch te veel omheen gepraat. Er
wordt met vingers gewezen: die moet dat doen, die moet zus doen, die
moet zo doen. Holocausteducatie vindt plaats binnen samenleven in een
democratische rechtsstaat.
De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, voorzitter, maar ik wil terugkomen op mijn inbreng. Wat hier in
Nederland met de Joden is gebeurd, is ongekend. Het is nog nooit gebeurd
dat een bevolkingsgroep op deze manier in zo'n korte tijd vervolgd en
vermoord werd. Dat is echt iets heel specifieks. Ik wil dat
antisemitisme en de Holocaust niet binnen allerlei programma's vallen,
maar dat het een apart programma is, waarin de nieuwe generatie, de
jonge mensen van nu, leert wat er nog maar zo kort geleden is gebeurd,
en dat antisemitisme daarom zo erg is.
De voorzitter:
Ja, mevrouw Van der Plas. Het moet echt kort en bondig, mevrouw Van der
Plas. De minister.
Minister Letschert:
Ik denk dat ik het met mevrouw Van der Plas eens ben dat heel veel
Joodse mensen morgen nog niet dat gevoel hebben, zeker niet als je kijkt
naar de aanbevelingen van de taskforce en naar wat er nodig is om die te
implementeren. Ik kan wel aangeven dat we ons hier op volle kracht met
drie bewindspersonen voor gaan inzetten, samen met het commitment dat de
onderwijsinstellingen hebben gegeven in de brief die ze ons hebben
gestuurd. Maar dat gaat niet morgen meteen op die manier ervaren worden.
Dat realiseer ik me heel erg goed.
Dan uw vraag over Holocausteducatie. Dat is verplicht in het curriculum.
Het is alleen aan de instellingen om binnen de instelling te bepalen op
welke manier ze dat doen en vormgeven. Maar het is verplicht en er wordt
door de inspectie toezicht op gehouden dat er Holocausteducatie op de
Nederlandse scholen plaatsvindt, zowel op de lagere als de middelbare
scholen.
De voorzitter:
Kort en bondig, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat zal ik dan ook blijven volgen. Ik weet dat ik hier al vijf jaar zit
en dat er eigenlijk nog maar heel weinig is gebeurd. Sterker nog, het is
alleen maar erger geworden.
Ik heb nog een andere vraag, over een andere aangenomen motie uit
september. Die gaat over subsidievoorwaarden voor instellingen die zich
schuldig maken aan antisemitische uitingen. In de motie, die dus
aangenomen is, werd de regering verzocht om met behulp van de
antidiscriminatiebepaling aanvullende kaders te ontwikkelen waarbinnen
subsidies zouden kunnen worden ingetrokken wanneer instellingen zich
schuldig maken aan antisemitisme, het faciliteren ervan of het niet
ingrijpen. Ik wil graag weten wat de stand van zaken van de uitvoering
van deze motie is.
Minister Letschert:
Ik weet het volgende. Ik zal verder op uw vraag moeten gaan, maar als
een rechter zou vaststellen dat er sprake is van antisemitisme bij
bijvoorbeeld door OCW gesubsidieerde activiteiten, dan kan het
ministerie besluiten tot een financiële sanctie. Ik weet niet of dat al
voldoende recht doet aan de context van de motie, maar als de rechter
vaststelt dat er sprake is van antisemitisme bij door OCW gesubsidieerde
activiteiten, dan kan de minister dus besluiten tot een financiële
sanctie.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van der Plas.
Minister Letschert:
Ik kan daarbij misschien meteen de vraag van de heer Ellian meenemen,
als dat goed is voor u.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, dat mag, maar ik ...
De voorzitter:
Wacht heel even. U bent een interruptiedebat met elkaar aan het voeren,
dus ik weet niet wat meneer Ellian er nou mee te maken heeft.
Minister Letschert:
Excuses. Die vraag ging over hetzelfde onderwerp.
De voorzitter:
U heeft mevrouw Van der Plas een antwoord gegeven. Nu krijgt mevrouw Van
der Plas ruimte voor een laatste interruptie op dit punt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als er op een terrein van een universiteit antisemitische leuzen worden
geroepen, dan is daar gewoon sprake van antisemitisme, dat dan wordt
gefaciliteerd door een universiteit. Die verwijdert de mensen namelijk
niet en roept de politie er niet bij. Ik zie dus niet in waarom er eerst
een rechter aan te pas zou moeten komen voordat er iets ingetrokken
wordt, want volgens mij kun je via de kaderwet voor de voorwaarden voor
subsidieverstrekking gewoon voorwaarden stellen voor wanneer mensen wel
en niet een subsidie krijgen. Die kun je volgens mij gewoon opstellen.
Daar hoeft geen rechter aan te pas te komen.
Minister Letschert:
Ik denk dat ik uw vraag verkeerd heb geïnterpreteerd. Ik dacht dat u het
had over bijvoorbeeld culturele instellingen die zich schuldig zouden
maken aan antisemitisme en daarvoor veroordeeld zouden zijn en dat u
vroeg wat het ministerie dan eventueel kan doen. Ik herken niet uw beeld
dat universiteiten antisemitisme faciliteren, ervan wegkijken en er geen
aangifte van doen. Volgens mij hebben we dat net al voldoende besproken
in het eerste deel van mijn beantwoording.
De voorzitter:
U had nog een vraag van meneer Ellian.
Minister Letschert:
Ja, zeker. Dat is de laatste. De vraag was wat we nou vanuit OCW doen
tegen de situatie dat er steeds vaker artiesten van een programmering
worden gehaald die bijvoorbeeld een Joodse afkomst hebben. Wat ga ik
daaraan doen? Laat ik wederom vooropstellen dat de signalen die we
daarvan krijgen, absoluut onacceptabel zijn. Er moet geen plek zijn in
onze samenleving voor de situatie dat iemand vanwege zijn nationaliteit
of religie wordt geweerd. Ik heb mij laten vertellen dat er naar
aanleiding van spanningen die zijn ontstaan rondom het programmeren van
bijvoorbeeld Joodse artiesten, kunstenaars of sprekers met financiering
van OCW een onderzoek is gedaan dat ontwikkeld is door het Verwey-Jonker
Instituut. Dat heeft u misschien al eerder ontvangen. Dat onderzoek moet
de culturele en creatieve sector helpen om te gaan met de dilemma's die
zij blijkbaar ervaren. Ik hoor vaak terug dat er wordt beargumenteerd
vanuit de gedachte: wij hebben geen middelen om extra
beveiligingsmaatregelen te nemen. Het is al ernstig genoeg dat die nodig
zouden zijn als een Joodse artiest wil optreden. Ik ben momenteel aan
het onderzoeken of er mogelijkheden zijn om instellingen hierbij
financieel te ondersteunen. Als ik een patroon zou zien waarbij
instellingen stelselmatig mensen met een Joodse achtergrond zouden
weigeren, dan ga ik ook wel vanuit mijn rol als minister het gesprek aan
met dergelijke instellingen om te kijken hoe we die belemmeringen
wegnemen.
Daarmee heb ik de vragen beantwoord, denk ik.
De voorzitter:
Ik kijk hoeveel de minister nog in haar beantwoording over heeft. O, u
bent aan het einde gekomen van uw beantwoording? Dan zijn we aangekomen
bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik dank de minister
voor haar beantwoording en geef het woord aan de heer Boon voor zijn
tweede termijn namens de PVV.
De heer Boon (PVV):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat antisemitisme, haat en geweld intrinsiek onderdeel zijn
van de islam;
van mening dat de islam niet bij Nederland past noch erbij hoort;
verzoekt het kabinet Nederland te de-islamiseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 517 (30950) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om met wetgeving te komen waarmee een
onherroepelijke veroordeling voor antisemitische misdrijven wordt
toegevoegd als grond voor het intrekken van de Nederlandse nationaliteit
bij personen met een dubbele nationaliteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.
Zij krijgt nr. 518 (30950) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bestuurders in het hoger onderwijs bestaande
bevoegdheden onvoldoende benutten en te terughoudend optreden tegen
antisemitisme;
verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen bij
meldingen van antisemitisme tijdig en passend maatregelen nemen en dat
bij het uitblijven daarvan consequent handhavend wordt opgetreden met
bestaande sanctiemogelijkheden, waaronder disciplinaire maatregelen,
verscherpt toezicht en bekostigingsmaatregelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.
Zij krijgt nr. 519 (30950) (#3).
De heer Boon (PVV):
En de laatste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer met de motie-Boon heeft uitgesproken dat de
leus "from the river to the sea" als een oproep tot geweld moet worden
beschouwd;
constaterende dat het Openbaar Ministerie desondanks oordeelt dat de
leus "from the river to the sea, Palestine will be free" slechts een
protestleus zou zijn en geen aansporing tot geweld bevat;
overwegende dat dit oordeel de uitgesproken wil van de Kamer ondermijnt
en bijdraagt aan het normaliseren van antisemitische en gewelddadige
uitingen;
verzoekt de regering om er bij het Openbaar Ministerie op aan te dringen
de leus "from the river to the sea" aan te merken als een oproep tot
geweld en hier consequent tegen op te treden en tot vervolging over te
gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boon.
Zij krijgt nr. 520 (30950) (#4).
De heer Boon (PVV):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Nanninga namens JA21.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. En dank voor de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij demonstraties en bezettingen op universiteiten
regelmatig sprake is van illegale deelname, oproepen tot geweld en
onveilige situaties;
constaterende dat artikel 7.57h van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek universiteiten de mogelijkheid biedt om bij
ernstige overlast de inschrijving van studenten te beëindigen;
overwegende dat in het rapport Gevangen in Vrijheden wordt opgeroepen te
verkennen hoe bestuurlijk kan worden ingegrepen bij
ordeverstoringen;
verzoekt de regering om samen met universiteiten, politie en het
Openbaar Ministerie te komen tot een gezamenlijk handelingskader waarbij
gegevens van studenten die betrokken zijn bij strafbare feiten of
ernstige ordeverstoringen door de politie worden gedeeld met
universiteiten, zodat deze instellingen actief gebruik kunnen maken van
hun bevoegdheden op grond van artikel 7.57h van de WHW,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nanninga en Diederik van
Dijk.
Zij krijgt nr. 521 (30950) (#5).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat antisemitisme op universiteiten toeneemt en leidt tot
onveilige situaties voor Joodse en Israëlische studenten en
medewerkers;
overwegende dat duidelijke normstelling door universiteitsbesturen
essentieel is voor een veilige academische omgeving;
verzoekt de regering universiteiten op te roepen expliciet uit te
spreken dat antisemitisme onacceptabel is, de IHRA-definitie van
antisemitisme te hanteren als leidraad en zichtbaar steun te betuigen
aan Joodse en Israëlische studenten en medewerkers,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.
Zij krijgt nr. 522 (30950) (#6).
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bikker namens de ChristenUnie in
tweede termijn.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. En dank
aan de trouwe kijker.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Joodse Nederlanders en Joodse instellingen in
Nederland al jarenlang leven onder een structurele dreiging van
antisemitisch geweld;
overwegende dat deze dreiging heeft geleid tot een situatie waarin
Joodse instellingen permanent private beveiliging moeten inhuren om hun
bestaansrecht in veiligheid te kunnen uitoefenen;
van mening dat het onaanvaardbaar is dat in een rechtsstaat burgers en
instellingen die doelwit zijn van haat en geweld zelf moeten betalen
voor de bescherming van hun fundamentele vrijheden;
verzoekt de regering om meer verantwoordelijkheid voor noodzakelijke
beveiliging van Joodse instellingen over te nemen en deze structureel
uit publieke middelen te bekostigen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Ellian.
Zij krijgt nr. 523 (30950) (#7).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Verenigd Koninkrijk Kanye West (Ye) de toegang
heeft geweigerd wegens herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en dat
inmiddels ook in Frankrijk, Polen en Zwitserland het optreden is
afgelast;
constaterende dat een optreden in Nederland is aangekondigd;
overwegende dat de Joodse gemeenschap in Nederland de laatste jaren in
toenemende mate te maken heeft met haat, intimidatie, geweld en recent
ook aanslagen;
overwegende dat antisemitisme en de normalisering van extremistische
ideologieën onacceptabel zijn en een directe bedreiging vormen voor de
veiligheid en vrijheid van Joodse Nederlanders;
verzoekt de regering zich in navolging van het Verenigd Koninkrijk in te
zetten om Kanye West de toegang tot Nederland te weigeren en als dat
binnen de huidige wettelijke mogelijkheden niet lukt, een dringend
beroep te doen op de organisatoren om het concert te annuleren;
verzoekt de regering voorts te bezien welke aanpassingen in de
regelgeving nodig zouden zijn om mogelijk te maken dat Nederland
artiesten met antisemitische uitlatingen net als andere Europese landen
wel kan weigeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Ellian.
Zij krijgt nr. 524 (30950) (#8).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas namens de BBB in tweede termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat er nooit een "ja, maar" is bij antisemitisme,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 525 (30950) (#9).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat antisemitisme in Nederland toeneemt;
constaterende dat steeds meer jongeren weinig tot geen kennis hebben
over de Holocaust en in bepaalde groepen jongeren de Holocaust zelfs
wordt ontkend;
overwegende dat Holocausteducatie verplicht is;
verzoekt de regering om te kijken hoe een bezoek van middelbare scholen
aan voormalig vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau ingepast kan worden
in de verplichte Holocausteducatie en het Nationaal Plan Versterking
Holocausteducatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 526 (30950) (#10).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister-president elk halfjaar een gesprek heeft
met moslimjongeren over moslimhaat;
constaterende dat zo'n structureel overleg met de minister-president
niet bestaat met Joodse jongeren;
verzoekt het kabinet elk halfjaar een periodiek gesprek te voeren over
antisemitisme en Jodenhaat met Joodse jongeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 527 (30950) (#11).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Die laatste drie woorden heb ik nog even toegevoegd.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Duitse parlement een voorstel heeft aangenomen om
overheidsfinanciering stop te zetten voor groepen en organisaties die
Israël boycotten en antisemitische uitingen doen;
verzoekt de regering te onderzoeken waar de eigen geldkraan
dichtgedraaid kan worden voor culturele instellingen, groepen en
organisaties die Israëlische en Joodse artiesten of instellingen
boycotten en/of zich schuldig maken aan antisemitisme of het aanzetten
daartoe, en de Kamer daarover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 528 (30950) (#12).
Dank u wel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Alstublieft.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Lammers namens de Groep Markuszower.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij gewelddadige pro-Palestijnse protesten de
afgelopen jaren op verschillende universiteiten buitenlandse studenten
betrokken zijn geweest;
constaterende dat een veroordeling voor een misdrijf een grond kan
vormen voor intrekking van een studentenvisum;
verzoekt de regering om te allen tijde over te gaan tot intrekking van
studentenvisa van buitenlandse studenten bij een veroordeling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 529 (30950) (#13).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat demonstraties op stations een inbreuk vormen op vitale
infrastructuur en daarmee de bewegingsvrijheid van de Nederlanders
ernstig beperken;
verzoekt de regering een verbod op demonstraties op stations in te
stellen of met een voorstel hiertoe te komen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 530 (30950) (#14).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de grootste groep asielzoekers in het azc in Ter Apel
uit Palestijnse gebieden komt;
constaterende dat volgens verschillende peilingen een ruime meerderheid
van de Palestijnen de massamoorden van 7 oktober toejuicht;
verzoekt de regering te komen met een behandelstop voor asielaanvragen
van personen afkomstig uit Palestijnse gebieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 531 (30950) (#15).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn tweede termijn namens de VVD, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.
De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in Duitsland subsidies met organisaties die zich
schuldig maken aan antisemitisme kunnen worden beëindigd;
verzoekt de regering om uit te werken op welke wijze consequenties
kunnen worden verbonden aan verstrekte subsidies indien gesubsidieerde
organisaties bewust Joodse artiesten geen podium bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ellian en Bikker.
Zij krijgt nr. 532 (30950) (#16).
De heer Ellian (VVD):
Dan over Na de Oorlog. Ik heb de beantwoording gehoord, maar ik begrijp
er eerlijk gezegd helemaal niets van. Deze Kamer heeft middels een
amendement en moties duidelijk geregeld en aangegeven dat het gaat om de
persoonlijke verhalen van de Holocaust. Dat is wat centraal stond. Ik
begrijp niet waarom er nu wordt gezegd dat er anderen zijn die dit ook
kunnen doen. Nee, die gastlessen worden verzorgd door een speciale groep
mensen, en die moeten we koesteren.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat naar aanleiding van het amendement-Ellian/Segers
(26200-VIII, nr. 50) stichting Na de Oorlog een subsidie kreeg om
persoonlijke verhalen van overlevenden en nabestaanden van de Holocaust
een structurele plek te geven;
constaterende dat de Kamer bij de OCW-begroting voor 2024 en 2025
wederom geld heeft vrijgemaakt voor lessen over antisemitisme terwijl de
subsidie voor stichting Na de Oorlog eind 2026 afloopt;
verzoekt de regering uit te werken wat ervoor nodig is om deze subsidie
structureel te maken, en de Kamer daarover voor de begroting te
informeren, zodat persoonlijke verhalen in een tijd van toenemend
antisemitisme verteld kunnen blijven worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ellian en Bikker.
Zij krijgt nr. 533 (30950) (#17).
De heer Ellian (VVD):
Ik dank de bewindspersonen voor hun beantwoording. Ik ga ze wel aan hun
intenties houden, want de Joodse gemeenschap kan niet langer
wachten.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik meen toch echt dat ik u het woord gaf namens de VVD.
De heer Ellian (VVD):
Ja.
De voorzitter:
Als dat niet zo is, heb ik dat bij dezen volgens mij ruimschoots
gecorrigeerd. Het is toch wat op dit tijdstip! Het woord is aan de heer
Van den Brink namens het CDA. Toch? Ja, het CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik dank de regering voor de antwoorden. Ik denk dat we allemaal onze
eigen woorden hebben gezocht om onze steun aan de Joodse gemeenschap te
betonen vandaag. Ik hoop dat de Joodse gemeenschap zich gezien en
gehoord heeft gevoeld en heeft gemerkt dat ze er niet alleen voor staan,
maar dat we met z'n allen om ze heen staan. Ik ben ook blij met de
leercurve van het kabinet, waar het steeds over ging. Het is toch ook
wel opmerkelijk dat die curve nodig was om de Joodse gemeenschap te
beschermen.
Ik ben niet gerust op alles wat er online gebeurt. Daarom heb ik daar
een motie over opgesteld.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat antisemitisme online welig tiert;
constaterende dat jongeren online in aanraking komen met antisemitische
content, waarbij algoritmes ervoor zorgen dat ze steeds dieper in de
echoput van het eigen gelijk belanden;
overwegende dat jongeren extra kwetsbaar zijn voor online
radicalisering;
constaterende dat sinds januari van dit jaar in Nederland een pilot met
de Redirect-methode is gestart om de onlineaanpak van radicalisering te
versterken en te voorkomen dat jongeren via het internet
radicaliseren;
overwegende dat dankzij deze aanpak extremistische denkbeelden verstoord
kunnen worden;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier online antisemitisme
effectiever bestreden kan worden onder met name jongeren, bijvoorbeeld
via een pilot zoals de Redirect-methode,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tijs van den Brink, Bamenga,
Bromet, Ellian, Bikker, Nanninga, Struijs en Keijzer.
Zij krijgt nr. 534 (30950) (#18).
Dank u wel, meneer Van den Brink. Het woord is aan mevrouw Bromet namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik wou zeggen "namens PRO", maar dat mag niet.
De voorzitter:
Nee!
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Het viel niet mee, dit debat. Wij hadden een halfjaar
geleden — misschien was het iets langer — ook een debat over
antisemitisme, nog met de vorige Kamer. Ik vond dat een heel waardig
debat, waarin de conclusie uiteindelijk Kamerbreed zo'n beetje was:
kritiek op Israël is geen antisemitisme en antisemitisme zit overal,
niet alleen in één bepaalde bevolkingsgroep. Die mooie conclusies zijn
weer helemaal losgelaten. Het is gegaan over zondebokpolitiek, over het
inperken van grondrechten.
Ik heb bewondering voor de rustige wijze waarop de bewindspersonen de
vragen beantwoord hebben, voor mij naar volle tevredenheid. Ik wil ze
ook heel veel succes wensen bij het verder uitwerken van de conclusies
uit het rapport en het verzorgen van de veiligheid. Ik heb drie moties
meegetekend: eentje met de heer Van den Brink van het CDA, eentje met
D66, die nog komt, en een met de heer Struijs van 50PLUS.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bamenga namens D66 in tweede
termijn.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet eenmalig €350.000 beschikbaar stelt om
Joodse (studenten)organisaties te ondersteunen;
constaterende dat voor de zomer tevens een volgende aanvraagronde voor
het veiligheidsfonds voor ondersteuning van Joodse scholen, instellingen
en evenementen plaatsvindt;
overwegende dat er een grote diversiteit aan Joodse organisaties en
instellingen bestaat die mogelijkerwijs in aanmerking komen voor dit
budget;
overwegende dat de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, NCAB,
primair een signalerende, adviserende en niet-vertegenwoordigende
functie kent;
verzoekt de regering om bij de verdeling van de middelen tevens
vertegenwoordigende Joodse organisaties zoals het Centraal Joods Overleg
nauw te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Diederik van Dijk,
Struijs, Bikker, Van der Plas en Ellian.
Zij krijgt nr. 535 (30950) (#19).
De heer Bamenga (D66):
Dan de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Holocaustherdenkingscentra in een brandbrief
waarschuwen voor de toenemende verspreiding van door AI gegenereerde
nepbeelden van de Holocaust op socialemediaplatforms;
overwegende dat de verspreiding van dergelijke nepbeelden kan resulteren
in bagatellisering en verdraaiing van de geschiedenis;
van mening dat het actief bevorderen van kennis over de Holocaust een
onmisbaar onderdeel van antisemitismebestrijding is;
verzoekt de regering om een verbod te leggen op de verspreiding van
AI-gegenereerde beelden van de Holocaust,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Tijs van den Brink,
Diederik van Dijk, Struijs, Teunissen, Bikker en Bromet.
Zij krijgt nr. 536 (30950) (#20).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Keijzer voor haar tweede termijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties, maar ik weet niet of ik genoeg
tijd heb.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat demonstraties op universiteitscampussen steeds vaker
leiden tot intimidatie, uitsluiting en verstoring van onderwijs en
onderzoek;
overwegende dat het demonstratierecht begrensd wordt waar de rechten en
vrijheden van anderen worden aangetast;
verzoekt de regering om in overleg met universiteiten en
veiligheidsinstanties (landelijke) richtlijnen vast te stellen waarin
duidelijk wordt vastgelegd dat intimidatie, bedreiging en obstructie van
onderwijs niet onder het demonstratierecht vallen en waarin
handhavingsmaatregelen zijn uitgewerkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Keijzer en Nanninga.
Zij krijgt nr. 537 (30950) (#21).
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik wil nog aan de minister vragen om eens uit te zoeken wat er nodig is
om een studentenvisum ook in te trekken als er geen onherroepelijke
veroordeling is.
Voorzitter, tot slot. Antisemitisme gaat ons allen aan. Denk niet dat
het je niet raakt omdat je niet Joods bent. Het is de oudste haat die we
kennen en uiteindelijk bevuilt deze ons allemaal.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk namens de
Staatkundig Gereformeerde Partij in tweede termijn.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Het is in dit debat veel gegaan over
leiderschap. In dat verband wil ik graag in het bijzonder tegen minister
Letschert in heel aanmoedigende zin zeggen: onderschat ook uw positie
niet en pak waar mogelijk het podium om tegen al die Joodse studenten te
zeggen "ik ben uw minister en ik sta altijd pal voor jullie veiligheid".
Dat zal ze zo goeddoen.
Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat antisemitische invloeden en uitingen op allerlei
manieren in de samenleving groeien en tot uitdrukking komen;
overwegende dat naast beleid en maatregelen gericht op antisemitische
incidenten ook duidelijk en aanhoudend merkbaar dient te zijn in de
breedte van de samenleving dat de Rijksoverheid de Joodse gemeenschap
steunt en antisemitisme niet tolereert;
verzoekt de regering samen met vertrouwenwekkende, bekende Nederlanders
in allerlei maatschappelijke sectoren een publiekscampagne te starten om
de Joodse gemeenschap te steunen en antisemitisme te bestrijden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker,
Ellian en Bamenga.
Zij krijgt nr. 538 (30950) (#22).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Nog één opmerking. Ik dank de minister van Onderwijs ook voor haar
reactie op de motie van het lid Stoffer over de inspectie actief
aandacht laten besteden aan antisemitisme in het kader van onderzoeken
naar veiligheid. Kan de minister nog aangeven wanneer en op welke manier
de Kamer een terugkoppeling krijgt?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dijk. Het woord is aan mevrouw Teunissen namens
de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindslieden voor de beantwoording.
Een van de treurige dingen van dit Kamerdebat vind ik toch wel het
onderscheid tussen antisemitisme en kritiek op de Israëlische regering:
die worden door elkaar gehaald. Het zou helpen als de regering wél een
heldere definitie van antisemitisme in lijn met het internationaal recht
hanteert, ook bij de taskforce en de Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat antisemitisme een vorm van discriminatie is die
wereldwijd schade aanricht aan Joodse gemeenschappen en effectief
bestreden moet worden;
overwegende dat kritiek op het beleid van de Israëlische regering geen
antisemitisme is, maar vrijheid van meningsuiting;
overwegende dat het kabinet de IHRA-definitie hanteert, die ruimte biedt
om kritiek op het beleid van de Israëlische regering in te perken en te
bestempelen als antisemitisme;
overwegende dat mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty aanbevelen om de
definitie van de VN-verklaring over de uitbanning van alle vormen van
onverdraagzaamheid en discriminatie te hanteren;
verzoekt de regering een werkdefinitie van antisemitisme te hanteren die
in lijn is met het internationaal recht en mensenrechten en duidelijk
onderscheid maakt tussen antisemitisme en kritiek op de Israëlische
regering,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 539 (30950) (#23).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De Kamer …
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter.
De voorzitter:
Maximaal twee interrupties in de tweede termijn, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel, voorzitter. Kent … Mevrouw Teunissen. Ik denk opeens: ik kom
niet op de naam. Het is laat; excuus. Mevrouw Teunissen heeft het erover
dat het verschil tussen antisemitisme en kritiek op de Joodse staat niet
duidelijk is, maar kent zij zelf het verschil tussen antizionisme en
kritiek op de Joodse staat?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Jazeker. Antizionisme is dat je de staat Israël onwenselijk vindt. Ik
doel op het idee van een aparte staat. Antisemitisme is discriminatie
tegen Joden omdat ze Joods zijn.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Hoe kan mevrouw Teunissen hier dan zeggen dat in deze Kamer
antisemitisme verward wordt met kritiek op de Joodse staat? Dat is
namelijk niet zo. Ik heb in ieder geval gezegd dat het antizionisme zo
langzamerhand gelijk is komen te staan met antisemitisme. Als jij zegt
dat alle Joden uit Israël moeten — dat is wat er gezegd wordt door al
die fantastische slogans die mevrouw Teunissen zo geweldig vindt — ben
je uiteindelijk antisemiet.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik wil even vooropstellen dat ik geen slogans heb genoemd in dit debat.
Ik heb wel heel vaak gezien dat kritiek op de Israëlische regering en
antisemitisme door elkaar werden gehaald. Een voorbeeld is dat een
collega van het CDA werd bevraagd over zijn standpunt om het
EU-associatieverdrag met Israël op te zeggen. Sorry, maar dat is gewoon
kritiek op de Israëlische regering. Ik vind dat we daar duidelijk over
moeten zijn, ook als het gaat over de demonstraties bij de campussen, en
dat we dat onderscheid heel duidelijk maken. Als we het dan hebben over
leuzen: de rechter heeft geoordeeld dat het geen antisemitisme is. Wij
laten dat oordeel aan de rechter. Tot die tijd kun je niet zeggen: dit
is antisemitisme. Toch wordt dat gewoon gebezigd in deze Kamer. Wij
vinden dat je met een definitie moet komen die in lijn is met het
internationaal recht, zodat we dat helder uit elkaar kunnen houden en
niet de vrijheid van meningsuiting met betrekking tot kritiek op de
Israëlische regering inperken. Dat is namelijk het laatste wat je wilt
in een democratische rechtsstaat die goed functioneert.
De voorzitter:
U rondt af.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Ik heb nog een laatste motie. We zien namelijk dat …
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Oké. Ik zal 'm gewoon voorlezen. Prima.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de veiligheid borgen van Joodse studenten en het
respecteren van het demonstratierecht hand in hand moeten kunnen
gaan;
overwegende dat het demonstratierecht al handvatten biedt om te borgen
dat demonstraties vreedzaam verlopen, maar dat veelal onduidelijkheid
bestaat over wat wel en niet onder het demonstratierecht valt;
verzoekt de regering om onderwijsbestuurders actief te faciliteren in
hun kennis over het demonstratierecht om adequaat handelen te
bevorderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 540 (30950) (#24).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs namens 50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank, voorzitter. Dank voor de beantwoording, ministers.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit onderzoek van de Anne Frank Stichting blijkt dat
in 2022 14% van de docenten in het voortgezet onderwijs werd
geconfronteerd met ontkenning of bagatellisering van de Holocaust en dat
42% van de docenten te maken kreeg met antisemitische incidenten in de
klas;
constaterende dat uit hetzelfde onderzoek naar voren komt dat een kwart
van de docenten zich voorzichtiger opstelt en 3% het onderwerp volledig
mijdt;
overwegende dat goed onderwijs over de Holocaust van groot belang is
voor historisch besef, burgerschap en de bestrijding van
antisemitisme;
verzoekt de regering om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar
de wijze waarop de Holocaust in het onderwijs aan bod komt en de
knelpunten die docenten en scholen daarbij ervaren;
verzoekt de regering om op basis van de uitkomsten van dit onderzoek met
aanbevelingen te komen om het onderwijs over de Holocaust te versterken,
en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs en Bromet.
Zij krijgt nr. 541 (30950) (#25).
De heer Struijs (50PLUS):
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. Tot slot is het woord aan de heer El Abassi
namens DENK in de tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Ik zal meteen beginnen, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onder meer in het rapport Gevangen in Vrijheden
beschuldigingen van antisemitisme zonder voldoende feitelijke
onderbouwing worden geuit in politieke of academische discussies;
overwegende dat dit leidt tot zelfcensuur, polarisatie en aantasting van
de academische vrijheid, en de herkenning en bestrijding van
daadwerkelijke antisemitische incidenten ondermijnt;
spreekt uit dat ongefundeerde beschuldigingen van antisemitisme leiden
tot zelfcensuur, polarisatie en aantasting van de academische vrijheid,
en de reële strijd tegen antisemitisme ondermijnen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 542 (30950) (#26).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering gesprekken voert over de aanpak van
antisemitisme en maatschappelijke spanningen;
overwegende dat binnen de Joodse gemeenschap uiteenlopende opvattingen
bestaan, waaronder zionistische, kritische en antizionistische
perspectieven;
verzoekt de regering om bij een volgende bijeenkomst in het Catshuis of
vergelijkbaar overleg ook expliciet antizionistische Joden en andere
kritische Joodse stemmen uit te nodigen, zoals Een Ander Joods Geluid,
gate48, Erev Rav of Oy Vey, zodat een bredere diversiteit van de Joodse
gemeenschappen wordt gehoord,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 543 (30950) (#27).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de toename van onder meer antisemitisme,
moslimdiscriminatie en andere racistische aanvallen leidt tot
onzekerheid en gevoelens van onveiligheid onder Joden, moslims en andere
groepen in Nederland;
spreekt uit dat Joods leven, islamitisch leven en alle andere kwetsbare
groepen in Nederland bescherming verdienen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 544 (30950) (#28).
De heer El Abassi (DENK):
Mijn laatste motie, voorzitter …
De voorzitter:
Neeneeneenee, u bent door uw spreektijd heen. Mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Volgens mij hebben veel mensen vanavond stiekem op ChatGPT gekeken of
gezegd dat de Grondwet, het Burgerlijk Wetboek of zelfs — dat zegt
iemand op Twitter — de Code Civil des Français gebaseerd is op sharia,
zoals de heer El Abassi zei. Dat blijkt helemaal niet zo te zijn.
Vergiste hij zich? Moeten we ergens anders kijken?
De heer El Abassi (DENK):
Nee, mevrouw Keijzer moet beter luisteren. Het eerste wat ik heb gezegd,
is het volgende. Als u wilt weten wat de sharia inhoudt, vindt u dat ook
terug op ChatGPT. Als het gaat om de uitleg van de Code Civil en hoe die
hier in Nederland en Europa geïntroduceerd is, zou ik u willen vragen om
een aantal colleges van Tom Zwart te volgen. Daarin legt hij dat heel
duidelijk uit. Dat is, denk ik, helaas niet terug te vinden op ChatGPT,
maar ik zou u willen vragen om de colleges van de heer Zwart te
volgen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
De heer El Abassi begrijpt toch wel dat ik hem nu niet meer geloof? Hij
stuurt heel Nederland naar ChatGPT, en het blijkt helemaal niet zo te
zijn. Dit zal dus ook wel niet kloppen. Ja, zo gaat dat, meneer El
Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Gelukkig heb ik het laatste woord. Voor alle mensen thuis: check het op
ChatGPT. Als u meer wilt weten over de sharia, dan zult u merken dat het
niet alleen de walgelijke uitspuitingen zijn die mevrouw Keijzer noemt,
maar dat de sharia heel breed is en gaat over hoe je je als moslim in
het leven moet gedragen. Daar zitten hele mooie dingen tussen. Het is
niet zoals rechtsextremistische partijen het hier proberen neer te
zetten in dit huis. Als u het terug wilt kijken, want dat kan ook: kijk
naar de colleges die Tom Zwart heeft gegeven, waarin hij uitleg geeft
over datgene waar ik het net over had. Dat kan gewoon.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde
van de Kamer. Ik schors 23.40 uur voor de beantwoording van de zijde van
de regering.
De vergadering wordt van 23.25 uur tot 23.39 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We hebben een vruchtbaar debat met elkaar
kunnen voeren, met alle ruimte. Ik stel dus voor aan de leden dat we het
bij eventuele interrupties op of vragen over de appreciaties van de
ingediende moties, bij slechts één vervolgvraag houden.
Het woord is aan de minister van Justitie en Veiligheid.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. We hebben een goed debat gehad. Er is een flink aantal
moties ingediend. Ik kijk ook naar de tijd; ik zal proberen om de
appreciatie zo bondig mogelijk te houden, maar als u meer wilt weten,
dan bent u natuurlijk altijd welkom.
De motie op stuk nr. 517 van de heer Boon ontraad ik.
De motie op stuk nr. 518 ontraad ik, met als korte toelichting dat wij
weliswaar gezegd hebben dat wij gaan werken aan het uitbreiden van het
intrekken van Nederlanderschap, bijvoorbeeld als er sprake is van
ernstige misdrijven waarbij er ook sprake is van antisemitisme, maar dat
antisemitisme als zodanig nooit zal kwalificeren als een ernstig
misdrijf en daardoor nooit zal leiden tot het intrekken van het
Nederlanderschap in de plannen die wij hebben.
De motie op stuk nr. 520 moet ik ontraden. We hebben het hierover gehad
in het debat. Op dit moment toetsen het OM en de rechter aan de wet
zoals die is. Die hebben geconstateerd dat deze leus niet strafbaar is.
Daar hebben we het mee te doen. Als we zouden willen dat dit anders
wordt, dan zouden we de wet daarvoor moeten aanpassen in plaats van het
OM de opdracht te geven om de wet anders te interpreteren.
Als ik de motie op stuk nr. 521 zo mag interpreteren dat we dit meenemen
in de gesprekken die we hebben lopen met de universiteiten, de politie
en het Openbaar Ministerie, dan zeg ik dat we dat gaan doen. We moeten
ons wel houden aan de wettelijke beperkingen op het delen van gegevens.
Als we daarbij tegen knelpunten aanlopen, dan pakken we dat op.
De voorzitter:
Ik kijk naar mevrouw Nanninga. Mag dat? Dat is het geval. De motie op
stuk nr. 521 krijgt oordeel Kamer, met deze interpretatie.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 523 kan ik oordeel Kamer geven, maar daar wil ik
iets bij zeggen. Daarin wordt gesproken over "meer
verantwoordelijkheid". Ik zie "meer verantwoordelijkheid" als het gebaar
dat ik nu heb gemaakt met het structureel maken van het veiligheidsfonds
en de incidentele middelen voor dit jaar van zeven ton. Ik zie dat niet
letterlijk als het overnemen van de wettelijke verantwoordelijkheid voor
de veiligheid. Dat kan ik niet doen en dat wil ik ook niet doen. Als ik
de motie zo mag lezen dat ik daarmee in geldelijke zin mijn
verantwoordelijkheid toon, maar niet de wettelijke bevoegdheden
aangaande de veiligheid overneem, dan geef ik 'm oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Bikker instemmend knikken. Meneer Ellian, één
vervolgvraag.
De heer Ellian (VVD):
Heel kort. Helder wat de minister zegt over de financiële
verantwoordelijkheid. De minister heeft hier een bedrag genoemd;
waarvoor dank. Zit daar nog een beetje rek in?
Minister Van Weel:
Nou, daar zou u mij dan toe moeten dwingen. Ik vind 2 miljoen een mooi
rond bedrag.
De voorzitter:
Het is soms net de markt hier. De minister vervolgt.
Minister Van Weel:
Ik wil u wel het volgende toezeggen. Laat ik u dan een rond bedrag
meegeven. Als we niet uitkomen met de aanvragen die er nu liggen, zal ik
er in plaats van zeven ton voor dit jaar een miljoen bovenop doen. Dat
komt dan uit op een niet-ronde 2,3. Maar nogmaals, ik doe zeven ton,
maar ik zeg toe dat als we klemlopen dat er dan nog erbovenop doen.
De voorzitter:
De heer Ellian doet zaken. De minister vervolgt.
Minister Van Weel:
Dat krijg je als je me om 23.45 uur in de hoek zet.
De voorzitter:
Jaja, we zijn er allemaal bij.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 524 over meneer West kan ik oordeel Kamer geven,
maar ik maak daar wel twee voorbehouden bij. Het eerste voorbehoud heeft
betrekking op het eerste deel van het dictum, namelijk dat ik het
dringende beroep op u doe om mij eerst de uitkomst van het proces af te
laten wachten. Maar dat zult u begrijpen. Wat het tweede deel van het
dictum betreft wil ik daar zeker naar kijken, maar wil ik ook wel de
verwachtingen temperen dat dat nu een soort magic bullet is, zeker met
betrekking tot dit geval. Maar als u beide accepteert als mijn
winstwaarschuwingen, dan kan het "oordeel Kamer" worden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben veel goedkoper, want dit gaat gewoon om moraal en allereerst om
een stevige uitspraak van de minister. Dat heeft hij hier in het
Kamerdebat gedaan, maar ik hoop dat ik daaronder kan verstaan dat hij
dat ook buiten de deur wil doen. Daarnaast toch even over het andere wat
de minister aangeeft. Ik hoop dat hij kans ziet op verbetering van onze
regelgeving. Want ik kijk om me heen en maak me zorgen naar de toekomst
toe. Ik wil eigenlijk helemaal niet meer dit soort situaties hebben dat
de minister hier moet aangeven "eigenlijk wil ik dit ook niet meemaken",
maar dat andere landen het wel geregeld hebben en wij niet.
Minister Van Weel:
Ik geloof dat dat past binnen de kaders die ik net heb genoemd.
De voorzitter:
De minister vervolgt.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 525 is een spreekt-uitmotie.
De motie op stuk nr. 527 van mevrouw Van der Plas geef ik oordeel Kamer,
want dit doet de premier al en dat zal hij ook blijven doen met de
aanmoediging van deze motie.
De motie op stuk nr. 529 moet ik ontraden, omdat het uiteindelijk altijd
afhangt van de ernst van het delict. Dat is ter beoordeling van de
IND.
De motie op stuk nr. 530 over het verbod op demonstraties op stations
moet ik ontraden.
De motie op stuk nr. 531 over een behandelstop voor asielaanvragen van
personen uit de Palestijnse gebieden ontraad ik.
De motie op stuk nr. 534 over online geef ik oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 535. Ik ga het weer gecompliceerd maken voor de
heer Bamenga. Ik kan met de hele motie leven, behalve met de tweede
constatering, waarin het veiligheidsfonds wordt genoemd, in relatie tot
het dictum. Dan maak ik 'm nog even gecompliceerder. U vraagt om bij de
verdeling van de middelen het Centraal Joods Overleg te betrekken. Maar
voor het veiligheidsfonds hebben we een kader opgesteld met het Centraal
Joods Overleg. Het Centraal Joods Overleg kan ook een aanvrager zijn van
een subsidie. Dat willen we dan dus niet in de beoordeling van elke
individuele aanvraag hebben. Als de heer Bamenga de tweede constatering
achterwege zou kunnen laten, dan kan ik 'm dus oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De heer Bamenga wordt dan wel verzocht om een wijziging door te geven
voor wat betreft deze motie; dat betreft het schrappen van de tweede
constatering. Dan krijgt de motie dus oordeel Kamer.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 536, van de heer Bamenga. Die kan ik oordeel
Kamer geven als de indieners de motie zo uitleggen dat de verspreiding
van AI-beelden van de Holocaust onder bestaande wetten strafbaar is, als
ze aanzetten tot haat en discriminatie of als ze de Holocaust ontkennen,
bagatelliseren of vergoelijken.
De voorzitter:
Ik kijk of dat mag. Dat is het geval. Daarmee krijgt zij oordeel
Kamer.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 538. Die geef ik oordeel Kamer. Die sluit aan
bij wat ik noemde in mijn eerste termijn. We zien de motie dus als een
aanmoediging.
De motie op stuk nr. 539 ontraad ik. Wij hanteren als kabinet overigens
niet de IHRA-definitie, maar zien die slechts als één van de definities
die rondgaan. We hebben geen behoefte aan een eigen definitie.
De motie op stuk nr. 542 is een spreekt-uitmotie.
De motie op stuk nr. 543 ontraad ik. We gaan als kabinet over ons eigen
uitnodigingsbeleid.
De motie op stuk nr. 544 is een spreekt-uitmotie.
De rest laat ik aan de minister van OCW.
De voorzitter:
Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid voor de beantwoording en
geef het woord aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor
de appreciaties van de resterende moties.
Minister Letschert:
Helemaal goed. Dan ga ik het net zo snel doen als mijn collega, de
ervaren minister van JenV.
De motie op stuk nr. 519 zal ik ontraden, met daarbij onder andere de
argumentatie dat de bekostigingsmaatregelen zich hier niet voor lenen.
Daar is ook geen wettelijke grondslag voor.
De motie op stuk nr. 522 gaat over dezelfde thema's als die waar mijn
collega net aan refereerde. Wij spreken ons niet uit over een definitie.
Er zijn uiteindelijk instellingen om daar zowel de discussies over te
voeren als de keuzes in te maken.
De motie …
De voorzitter:
Welke appreciatie betekent dat voor de motie op stuk nr. 522?
Minister Letschert:
O, excuses. Sorry. Ontraden.
De motie op stuk nr. 526 ga ik ook ontraden. Ook hier is het weer dat
het aanbod dat nodig is voor de schoolspecifieke keuzes bij de scholen
ligt. Er zijn veel manieren om dit te kunnen doen.
De motie op stuk nr. 527, over het inplannen van periodieke gesprekken,
geef ik oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 528 gaat over cultuur. Daarvan zeg ik: ontijdig.
Deze motie overlapt ook met eerdere toezeggingen. In die toezeggingen
hebben we aangegeven dat we aankomende mei in een brief op deze motie
ingaan.
De voorzitter:
Dan is de formele vraag of mevrouw Van der Plas bereid is om de motie op
stuk nr. 528 aan te houden. Dat is zij niet. Daarmee krijgt de motie
definitief de appreciatie ontijdig.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 532. Ook
deze motie is ontijdig, omdat deze overlapt met die eerder ingediende
moties. Wij zullen daar allemaal op terugkomen in de brief die in mei
naar de Kamer komt.
De voorzitter:
Is de heer Ellian bereid om die motie aan te houden? Dat is hij niet.
Daarmee krijgt de motie definitief de appreciatie ontijdig.
Minister Letschert:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 533, rondom de structurele
financiering. Daar heb ik in het debat ook al het een en ander over
gezegd. Daarbij wil ik het belang van de persoonlijke verhalen absoluut
benadrukken, maar ik kan niet kiezen voor één stichting. Deze motie
ontraad ik.
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 537, van mevrouw Keijzer. Die
ontraad ik ook.
Dan heb ik nog de motie op stuk nr. 540, van mevrouw Teunissen, om de
onderwijsbestuurders te faciliteren. Die geef ik oordeel Kamer.
Dan heb ik de motie op stuk nr. 542, maar die behoeft geen appreciatie
omdat die een spreekt-uitmotie is.
Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 541, van 50PLUS en …
De voorzitter:
De motie-Struijs/Bromet.
Minister Letschert:
Ja. Die is overbodig. In 2025 is al door een onafhankelijk bureau een
peiling uitgevoerd onder docenten naar de bevorderende en de
belemmerende factoren bij het geven van Holocausteducatie. De
belangrijkste knelpunten, die dus ook al bekend zijn, pakken we op. Daar
zal ook de onderwijsinspectie mee aan de slag gaan. Deze motie is dus
overbodig.
Dan kom ik bij de laatste vraag, van de fractie van de SGP: wanneer
krijgt de Kamer een terugkoppeling van het onderzoek van de inspectie?
Daar had ik het net ook over. Die komt voor het einde van het jaar.
De voorzitter:
Ik dank de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de
beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze
vergadering.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Op 12 mei zal gestemd worden over de ingediende moties. Daarmee zijn we
gekomen aan het einde van dit debat, alsook van de plenaire vergadering
van dinsdag 21 april 2026. Ik sluit de vergadering.
Sluiting
Sluiting 23.51 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|