[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Landenbeleid Syrië

Vreemdelingenbeleid

Brief regering

Nummer: 2026D19634, datum: 2026-04-22, bijgewerkt: 2026-04-24 12:18, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 19637 -3554 Vreemdelingenbeleid.

Onderdeel van zaak 2026Z08787:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 3554 Brief van de minister van Asiel en Migratie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 april 2026

De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 30 januari jl. een nieuw algemeen ambtsbericht Syrië gepubliceerd. Aan de hand hiervan wordt het landenbeleid Syrië op enkele punten gewijzigd. Hierover informeer ik u bij deze brief. Op de overige punten blijft het landenbeleid Syrië ongewijzigd. Via deze brief informeer ik u ook over de wijze van afdoening van een tweetal moties. Met deze brief doe ik deze moties gestand.

Veiligheidssituatie

Gedurende de verslagperiode bleef er sprake van aanhoudende geweldsincidenten in verschillende provincies. Hoewel in de verslagperiode sprake was van geweldsuitbarstingen en het ambtsbericht spreekt over een gebrek aan stabiliteit, vinden er geleidelijk minder incidenten plaats in Syrië buiten de incidentele escalaties in bijvoorbeeld Suweida en in het noordoosten om. Ook was er over de volle breedte van het land in het algemeen een afname zichtbaar van dodelijk geweld. Dit werd ook gereflecteerd in de afname van dodelijke burgerslachtoffers gedurende de verslagperiode in de tweede helft van 2025.

Om deze reden zie ik geen aanleiding om de huidige vaststelling of sprake is van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict in het kader van artikel 15c, te wijzigen. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie aangewezen. Dit houdt in dat door de vreemdeling individuele, risicoverhogende omstandigheden moeten worden aangevoerd en betrokken om te onderbouwen dat er ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.

Risicoprofielen

Uit het ambtsbericht blijkt dat veel druzen zich bedreigd voelden door de overgangsregering. Dit was onder meer de aanleiding voor de lokale druzische gewapende groepen om samen op te trekken in de provincie Suweida. In deze provincie vonden gedurende de verslagperiode verschillende geweldsescalaties plaats waarvan de grootste in de zomer, vanaf 13 juli 2025. Dit betrof geweld tussen lokale druzische gewapende groepen en lokale gewapende bedoeïenen. Ook raakten de druzische gewapende groepen in gevecht met troepen van het Syrische leger die naar de provincie Suweida waren gestuurd om de orde te herstellen. Op 18 juli 2025 werd bericht dat er een staakt-het-vuren was overeengekomen. Van augustus tot en met november 2025 bleven echter schermutselingen plaats vinden.

Er waren berichten over verdwijningen en ontvoeringen van druzische vrouwen en meisjes tijdens de geweldsescalaties in Suweida in juli en augustus. Gedurende deze escalaties werden ook sommige druzische heiligdommen vernield. Ook na de grootste geweldsescalatie in juli en augustus en na het sluiten van de staakt-het-vuren overeenkomst vonden er meerdere incidenten plaats waarbij druzische burgers door geweld om het leven kwamen. De polarisatie ten aanzien van druzen werd verder vergroot doordat Israël zich opwierp als beschermer van de druzen. Deze polarisatie uitte zich in haatspraak tegen druzen op sociale media. Hierbij werden zij geportretteerd als ongelovigen, verraders of agenten van Israël. Deze negatieve houding ten aanzien van druzen hield aan, ook na de geweldsescalaties van vorig jaar. Gelet hierop worden druzen als risicoprofiel opgenomen in het landenbeleid Syrië.

Binnenlands beschermingsalternatief

De huidige tekst in de Vreemdelingencirculaire inzake het binnenlands beschermingsalternatief hanteert als algemeen uitgangspunt dat voor vreemdelingen die een gegronde vrees in hun plaats van verblijf hebben niet de mogelijkheid bestaat om zich veilig in een ander deel van Syrië te vestigen. Gelet op de actuele landeninformatie ligt het echter in de rede om dit uitgangspunt los te laten en voortaan per zaak op basis van individuele omstandigheden de beoordeling te maken. Om deze reden zal ten aanzien van Syrië het reguliere beleid inzake een binnenlands beschermingsalternatief worden gehanteerd en zal de Vreemdelingencirculaire hier op worden aangepast.

Landenbeleid Syrië

De voorgaande twee beleidswijzigingen met betrekking tot Druzen en het binnenlands beschermingsalternatief zullen in de Vreemdelingencirculaire worden opgenomen.

De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.

Uit het ambtsbericht blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds zijn ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren tegen de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt dan ook een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende deze verslagperiode op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als “van niet-voorbijgaande aard”. Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat aan de voorwaarde dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben is voldaan, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.

Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw bezien moeten worden of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.

Motie van Dijk/Boomsma

In de motie Diekerik van Dijk en Boomsma1 wordt het Kabinet verzocht om de EUAA Country Guidance niet bepalend te laten zijn in de asielprocedure ten aanzien van personen die worden gezien als het hebben van banden met ISIS. Anderzijds wordt in de motie verzocht om deze doelgroep te schrappen uit de Country Guidance en om te borgen dat dit geen grond kan zijn voor asiel. De EUAA Country Guidance is een handreiking waar beslissers van Europese asieldiensten gebruik van kunnen maken bij de beoordeling van asielaanvragen. Dit document is niet juridisch bindend en er kunnen dan ook geen rechten aan ontleend worden. In de Nederlandse praktijk vormt dit dan ook niet het beslissingskader van de IND, maar wordt uitgegaan van het landgebonden asielbeleid en wordt de Country Guidance waar relevant betrokken bij de beleidsvorming.

In de meest recente Country Guidance Syrië wordt ten aanzien van personen die worden gezien als het hebben van ISIS-banden niet gesteld dat zij op voorhand recht hebben op asielbescherming. De precieze formulering stelt dat personen die worden gezien als het hebben van banden met ISIS in het algemeen waarschijnlijk een gegronde vrees voor vervolging zouden hebben. Dit ontslaat een beslisser niet van een individuele beoordeling. Met deze beschrijving wordt volgens de EUAA bijvoorbeeld gedoeld op familieleden van ISIS-strijders of individuen die afkomstig zijn uit gebied waar ISIS de controle had. Daarbij moet duidelijk onderscheid gemaakt worden met personen die wél banden hebben met ISIS. Ook wordt er expliciet vermeld dat bij personen die behoren tot dit profiel een sterke focus behoort te zijn op mogelijke uitsluitingsgronden van artikel 1F en gevaar voor nationale veiligheid c.q. openbare orde. In het Nederlandse beleid is dit risicoprofiel niet opgenomen. Wel is er in deze gevallen extra aandacht in het kader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, nationale veiligheid en openbare orde indicaties.

De EUAA Country Guidances worden periodiek herzien en de eerstvolgende herziening is voorzien voor eind 2026. Nederland zal bij de eerstvolgende actualisering van de Country Guidance Syrië die voorzien is voor tweede helft 2026 aandacht vragen voor het mogelijk achterwege laten van deze categorie. Hierbij dient wel gezegd te worden dat er niet uitgesloten kan worden dat een persoon die ten onrechte in verband wordt gebracht met ISIS nog altijd een beschermingsbehoefte kan hebben.

Motie van der Plas

In de motie Van der Plas2 verzoekt de Kamer de regering om personen uit het al-Hol-kamp die Nederland willen binnenkomen om asiel aan te vragen geen toegang te verlenen op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en om bij personen met de Nederlandse nationaliteit het Nederlanderschap in te trekken.

De regering onderschrijft dat Nederland geen veilige haven mag zijn voor personen die met ernstige misdrijven in verband worden gebracht of een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. De inzet van het kabinet is er onverminderd op gericht om te voorkomen dat uitreizigers onopgemerkt naar Nederland terugkeren.

Hiertoe zijn verschillende maatregelen getroffen. Het Openbaar Ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. De betreffende uitreizigers waar sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek staan ook internationaal gesignaleerd. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daarvoor is nodig dat uit de gedragingen blijkt dat betrokkene zich heeft aangesloten bij een door de Rijksministerraad aangewezen organisatie die deelneemt aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Daar waar de wettelijke voorwaarden zijn vervuld, is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard.

Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is een uitsluitingsgrond bij de inhoudelijke beoordeling van een individueel asielverzoek. Indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat iemand zich schuldig heeft gemaakt of persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor internationale misdrijven, wordt de aanvraag voor asielvergunning afgewezen. De regering hanteert een zorgvuldig beleid bij de toepassing van artikel 1F in de asielprocedure.

Gelet op het bovenstaande acht de regering de strekking van de motie geborgd binnen de bestaande toepassing van het strafrechtelijke, vreemdelingenrechtelijke en nationaliteitsrechtelijke instrumentarium. Met deze toelichting beschouwt de regering de motie als afgedaan.

De minister van Asiel en Migratie,

G. van den Brink


  1. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 36 800 xx, nr. 31.↩︎

  2. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 36 800 xx, nr. 18.↩︎