Stand van zaken herziening Verordening 883/2004 inzake de Coördinatie van Sociale Zekerheidsstelsels
Arbeidsmigratie en sociale zekerheid
Brief regering
Nummer: 2026D19948, datum: 2026-04-23, bijgewerkt: 2026-04-29 09:52, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 29861 -188 Arbeidsmigratie en sociale zekerheid.
Onderdeel van zaak 2026Z08929:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-12 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-12 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-19 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
29861 Arbeidsmigratie en sociale zekerheid
Nr. 188 Brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 april 2026
Conform de informatieafspraken informeer ik uw Kamer met deze brief over de laatste ontwikkelingen in de onderhandelingen over de herziening van Verordening 883/2004 met betrekking tot de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (hierna: de Verordening). Deze Verordening heeft als doel om nationale stelsels te coördineren, zodat mensen geen socialezekerheidsrechten verliezen of bijvoorbeeld dubbel verzekerd zijn wanneer zij gebruik maken van hun recht op vrij verkeer binnen de EU. Daarmee is de Verordening belangrijk voor het functioneren van de interne markt.
Voorlopig akkoord
Zoals aangekondigd in het verslag van de Raad WSB van 9 maart 20261 heeft op 22 april jl. een triloog plaatsgevonden tussen het Cypriotisch voorzitterschap, de Europese Commissie en het Europees Parlement. In die triloog is een voorlopig politiek akkoord bereikt over de herziening van de Verordening.
Hieronder volgt een beknopte appreciatie van het voorlopig politiek akkoord, in het bijzonder voor de hoofdstukken werkloosheid en toepasselijke wetgeving. De teksten van het akkoord zijn op het moment van het schrijven van deze brief nog niet beschikbaar. Na het mei-reces volgt een uitgebreidere toelichting op de afzonderlijke hoofdstukken in het akkoord, indien de lidstaten het akkoord goedkeuren.
Appreciatie voorlopig akkoord
De afgelopen jaren heeft Nederland zich ten volste ingespannen om het herzieningsvoorstel in lijn te brengen met de Nederlandse wensen. Zo heeft Nederland een non-paper2 opgesteld met concrete verbetervoorstellen. In bilaterale gesprekken met collega-ministers uit andere lidstaten, de Europese Commissie, het Europees Parlement en sociale partners heb ik het belang van modernisering en van een evenwichtig werkloosheidshoofdstuk steeds weer benadrukt.
Hoewel het voorlopig akkoord ook verschillende positieve elementen bevat, is het kabinet van mening dat het voorlopig akkoord onder de streep onvoldoende tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen. Daarom ben ik voornemens het voorlopig akkoord niet te steunen.
Het werkloosheidsvoorstel van het voorlopig politiek akkoord bevat
een verruiming van de mogelijkheden voor de export van
werkloosheidsuitkeringen. Tegelijkertijd bevat het akkoord in de ogen
van het kabinet te weinig waarborgen op het terrein van activering naar
werk en controle op rechtmatigheid. De uitbreiding van de export
manifesteert zich op twee manieren:
1) De termijn om met behoud van werkloosheidsuitkering in een andere
lidstaat naar werk te zoeken wordt verlengd van drie naar zes
maanden.
2) Er komt een nieuw systeem voor werknemers die tijdens hun werk in een
andere lidstaat woonden, bijvoorbeeld grensarbeiders en migrerende
werknemers die op een tijdelijk contract in Nederland werken. Daarin
wordt het werkland primair verantwoordelijk voor de betaling van de
uitkering, terwijl in het huidige systeem het woonland daar vaker
verantwoordelijk voor is. Door de verandering mag deze groep met een
WW-uitkering vanuit hun woonland in Nederland naar werk zoeken
voor de gehele uitkeringsduur. Een positief element in dit systeem is
dat de werkloze eerst een periode van 22 weken in het werkland moet
hebben gewerkt voordat daar recht op een werkloosheidsuitkering (en
export daarvan) kan ontstaan. Een dergelijke ‘affiliatieperiode’ bestaat
in het huidige systeem niet.
Op het terrein van de toepasselijke wetgeving brengt de herziening van de Verordening enkele verbeteringen aan ten opzichte van de nu geldende wetgeving. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verlenging en codificatie van de termijn van voorafgaande verzekering (drie maanden) voor detachering en de codificatie van de onderbrekingsperiode (twee maanden) tussen twee detacheringen. Met deze wijzigingen wordt premieshoppen tegengegaan.
De laatste jaren spitsten de onderhandelingen over het hoofdstuk toepasselijke wetgeving zich toe op de invoering van een verplichte notificatie voorafgaand aan een detachering. Deze verplichting, die op initiatief van het Europees Parlement in het akkoord is opgenomen, betekent dat het voortaan verplicht wordt om een detachering vooraf te melden aan het bevoegde orgaan. In Nederland is dit de SVB. Voorheen moest dit alleen ‘indien mogelijk’ van tevoren gebeuren. De maatregel moet bijdragen aan handhaving op afgegeven A1-verklaringen. Hoewel Nederland positief staat ten opzichte van maatregelen die de handhaving van A1-verklaringen verbeteren, kunnen de opgenomen uitzonderingen op de notificatieverplichting tot gevolg hebben dat deze maatregel in de praktijk een te beperkt effect heeft op het terugdringen van misbruik.
Positieve punten uit andere hoofdstukken zijn bijvoorbeeld afspraken over handhaving, zoals gegevensuitwisseling en invordering.
Vervolgproces
Lidstaten krijgen tijdens het Coreper van 24 april een terugkoppeling van de triloog van 22 april. In een van de volgende Corepers zal aan de lidstaten gevraagd worden of zij bereid zijn het voorlopig politiek akkoord te steunen. Om de hierboven uiteengezette redenen ben ik voornemens het voorlopig akkoord niet te steunen. Tegelijkertijd constateer ik dat de wens om tot overeenstemming te komen breed wordt gedragen.
De Europese Commissie, het Europees Parlement, een groot aantal lidstaten en ook de sociale partners op Europees niveau benadrukken het belang van afronding van dit dossier. Ik acht het dan ook waarschijnlijk dat er een gekwalificeerde meerderheid voor het voorlopig akkoord bestaat.
Als er in de Raad een gekwalificeerde meerderheid voor het voorlopig akkoord bestaat, kan het voorlopig akkoord ter stemming worden voorgelegd aan het Europees Parlement. Daarvoor dient de tekst van de Verordening eerst vertaald te worden in alle officiële talen van de EU en besproken te worden in de juristen-linguïstengroep. Het is niet gebruikelijk in deze fase nog inhoudelijke wijzigingen voor te stellen. Als zowel het Europees Parlement als de Raad formeel met het akkoord ingestemd hebben, wordt het akkoord gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU en treedt de Verordening in werking. De belangrijkste materiële wijzigingen kennen een uitgestelde inwerkingtreding van twee jaar.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Kamerstukken II, 2025/26, 21 501-31, nr. 819.↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29 861, nr. 158↩︎