Amendement van het lid Ergin over middelen voor vroegtijdige ondersteuning bij dreigende problematische schulden
Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Amendement
Nummer: 2026D20021, datum: 2026-04-24, bijgewerkt: 2026-04-24 10:12, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.A. Ergin, Tweede Kamerlid (DENK)
Onderdeel van kamerstukdossier 36915 XV-8 Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota).
Onderdeel van zaak 2026Z08972:
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36915-XV | Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) | |
| Nr. 8 | AMENDEMENT VAN HET LID Ergin | |
| Ontvangen 24 april 2026 | ||
| De ondergetekende stelt het volgende amendement voor: | ||
De departementale begrotingsstaat wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet worden het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag verhoogd met € 10.000 (x € 1.000).
Toelichting
Het CPB heeft de effecten van de keuzes in het coalitieakkoord doorgerekend. Uit de zogeheten cumulatieve koopkrachtberekeningen blijkt dat de koopkracht van de laagste inkomensgroep (minimumloon +6%) per saldo niet verbetert: waar aanvankelijk sprake was van een verwachte ontwikkeling van 0,0%, leidt het coalitieakkoord tot een koopkrachtdaling van 0,5%. Eenzelfde beeld is zichtbaar over de volle breedte van de inkomensverdeling. Daarbij valt met name op dat huishoudens net boven het minimum er relatief het meest op achteruitgaan. Tevens blijkt uit dezelfde doorrekening dat de armoede in 2030 2,7% zal bedragen en dat het coalitieakkoord leidt tot een verslechtering van 0,2%.
De indiener acht deze ontwikkeling onwenselijk en maakt zich in het bijzonder zorgen over deze groep, die veelal onder de noemer ‘werkende armen’ valt. Juist voor hen dreigt een versterking van de armoedeval, met een verhoogd risico op het ontstaan van problematische schulden.
In economisch onzekere tijden dient regeringsbeleid niet te leiden tot koopkrachtdaling, maar juist bij te dragen aan koopkrachtverbetering, met name voor financieel kwetsbare huishoudens.
De indiener erkent dat structurele keuzes in het koopkrachtbeleid doorgaans bij Prinsjesdag worden gemaakt en houdt bij het indienen van dit amendement rekening met dat gebruikelijke moment. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat vroegtijdige ondersteuning voorkomt dat schulden problematische proporties aannemen. Uitstel van intensivering kan er juist toe leiden dat financiële problemen bij huishoudens verergeren.
De indiener heeft begrip voor het reserveren van een deel van de niet-besteedde middelen in de post eindejaarsmarge, maar acht het, gelet op de doorrekening van het CPB, onwenselijk om middelen gereserveerd te houden terwijl armoede en problematische schulden toenemen. Daarom wordt €10 miljoen aan dekking gevonden binnen de post eindejaarsmarge.
Ergin