[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Besluit van tot wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met de nadere uitwerking van de verstrekking van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd

Bijlage

Nummer: 2026D21595, datum: 2026-05-12, bijgewerkt: 2026-05-12 12:22, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Bijlage bij: Voorhang ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met de nadere uitwerking van de verstrekking van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd (2026D21594)

Preview document (🔗 origineel)


Besluit van ……
tot wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met de nadere uitwerking van de verstrekking van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd
[KetenID WGK027488]


Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van <datum>, nr. WJZ/<Proza-doc.nr.> (ID27488);

Gelet op artikel 12.30, zevende en achtste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 en de artikelen 15, vijfde lid, en 18, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van <datum>, nr. xxx);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van <datum>, nr. WJZ/<Proza-doc.nr.> (ID27488);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BESLUIT STUDIEFINANCIERING 2000

Het Besluit studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 17, tweede lid, wordt “12.30, derde lid,” vervangen door “12.30, vijfde lid,”.

B

In het opschrift van hoofdstuk 8a wordt na “Tegemoetkoming” ingevoegd “en aanvullende tegemoetkoming”.

C

Artikel 21a komt te luiden:

Artikel 21a. Begripsbepaling tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

tegemoetkoming: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.30, eerste lid, van de wet;

aanvullende tegemoetkoming: aanvullende tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12.30, eerste lid, van de wet.

D

Artikel 21b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De tegemoetkoming wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin Onze Minister over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, ambtshalve toegekend, met dien verstande dat:
a. de toekenning aan een rechthebbende als bedoeld in artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet van wie Onze Minister reeds voor of op 31 december 2024 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2025; en
b. de toekenning aan een rechthebbende als bedoeld in artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° of 3°, van de wet van wie Onze Minister reeds voor of op 31 december 2026 over de voor vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, geschiedt in 2027.

2. In het derde lid wordt “binnen drie maanden na het verstrijken” vervangen door “binnen vijf jaar na het verstrijken” en wordt “binnen tien jaar en drie maanden nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven” vervangen door “binnen twintig jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven”.


3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. De aanvullende tegemoetkoming wordt ambtshalve toegekend aan de rechthebbende aan wie de tegemoetkoming is toegekend. De toekenning van de aanvullende tegemoetkoming vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de tegemoetkoming is toegekend, met dien verstande dat de toekenning aan de rechthebbende aan wie de tegemoetkoming reeds voor of op 31 december 2026 is toegekend, geschiedt in 2027.

E

Artikel 21c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt “De tegemoetkoming wordt” vervangen door “De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming worden”.
b. In onderdeel b, onder 2°, wordt na “de tegemoetkoming” ingevoegd “dan wel van de aanvullende tegemoetkoming”.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Indien bij Onze Minister de benodigde gegevens van de rechthebbende over de bankrekening waarop de tegemoetkoming dan wel de aanvullende tegemoetkoming kan worden uitbetaald niet bekend zijn, wordt de rechthebbende verzocht deze gegevens binnen twaalf maanden te verstrekken. Indien de rechthebbende niet binnen deze termijn de gegevens aanvult, vervalt op grond van een daartoe strekkend besluit van Onze Minister de aanspraak op de tegemoetkoming dan wel de aanvullende tegemoetkoming voor zover deze voor uitbetaling in aanmerking komt.


ARTIKEL II. WIJZIGING BESLUIT REGISTER ONDERWIJSDEELNEMERS

In de artikelen 25, eerste lid, en 48, eerste lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers wordt na “vouchers” ingevoegd “, tegemoetkomingen”.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Nota van toelichting

I. Algemeen

1. Inleiding

Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever via wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) voorzien in een tegemoetkoming voor studenten1 die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. In verband met die tegemoetkoming zijn onder meer ook het op de WSF 2000 gebaseerde Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000)2 en de Regeling studiefinanciering 2000 (RSF 2000)3 gewijzigd.

Bij de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd (hierna: de wijzigingswet)4 is een aanvullende tegemoetkoming gerealiseerd voor bovengenoemde groep studenten. Verder is bij die wet geregeld dat een beperkt aantal nieuwe groepen studenten binnen bovengenoemde groep studenten alsnog in aanmerking komt voor de (eerder ingevoerde) tegemoetkoming en in vervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming.5

Net als de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft ook de wijzigingswet gevolgen voor, onder meer, het op de WSF 2000 gebaseerde BSF 2000 en de RSF 2000. Dit besluit voorziet in het wijzigen van het BSF 2000. Daarnaast voorziet dit besluit in een technische wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers (BRO) gerelateerd aan de verstrekking van tegemoetkomingen in de zin van de WSF 2000.

2. Hoofdlijnen van het besluit

2.1 De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming

Uit artikel 12.30 WSF 2000 volgt dat studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en in die periode minimaal twaalf maanden recht hadden op studiefinanciering, ongeacht of zij die wel of niet hebben aangevraagd, in aanmerking komen voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Op grond van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs kwamen voor de tegemoetkoming alleen studenten in aanmerking die daarnaast ook binnen de diplomatermijn van (in beginsel) tien jaar een diploma hebben gehaald. Met de wijzigingswet is deze doelgroep uitgebreid. De uitbreiding ziet op studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden geen diploma hebben kunnen halen, ongeacht of zij wel of niet studiefinanciering hebben aangevraagd.6 Daarnaast ziet de uitbreiding op studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden er langer over hebben gedaan om een diploma te halen, ook ongeacht of zij wel of niet studiefinanciering hebben aangevraagd. (Op grond van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs kwamen laatstgenoemde studenten alleen in aanmerking voor de tegemoetkoming als zij wel studiefinanciering hebben aangevraagd.7) De doelgroep van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming is identiek. Deze uitbreiding geldt dus voor beide tegemoetkomingen.

2.2 Nadere regels

Op grond van het met de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs opgenomen - bij de wijzigingswet aangevulde - artikel 12.30 WSF 2000, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. In ieder geval worden regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkomingen en in welke gevallen de tegemoetkomingen op aanvraag dan wel ambtshalve worden toegekend. De artikelen 21a, 21b en 21c BSF 2000 zijn opgesteld om uitwerking te geven aan de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. Bij dit besluit zijn die bepalingen voor zover nodig gewijzigd om uitwerking te geven aan de wijzigingswet.

2.2.1 Wijze van verstrekking

In artikel 21c BSF 2000 zijn destijds nadere regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. Daarover is toen in de nota van toelichting – samengevat – opgenomen dat de tegemoetkoming wordt uitgekeerd in de vorm van een korting op de studieschuld of – als er geen studieschuld (meer) is – wordt uitbetaald aan de student. Als de tegemoetkoming hoger is dan de resterende studieschuld, dan wordt de studieschuld volledig afgeboekt en wordt de resterende tegemoetkoming uitbetaald aan de student.8 Bij de wijzigingswet is toegelicht dat deze wijze van verstrekking van de tegemoetkoming ook geldt voor de verstrekking van de aanvullende tegemoetkoming.9 Met dit besluit is artikel 21c BSF 2000 gewijzigd om hieraan uitwerking te geven.

2.2.2 Ambtshalve toekenning en toekenning op aanvraag - tegemoetkoming

In artikel 21b BSF 2000 zijn destijds nadere regels gesteld over de ambtshalve toekenning en toekenning op aanvraag van de tegemoetkoming. Daarin is toen – samengevat – bepaald dat de tegemoetkoming ambtshalve wordt toegekend als de Minister van OCW over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt en dat de tegemoetkoming op aanvraag wordt toegekend als de Minister van OCW niet over die gegevens beschikt.

In de nota van toelichting is destijds – samengevat – het volgende opgenomen over de ambtshalve toekenning: Studenten van wie de gegevens bekend zijn bij DUO, kunnen de tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgen. Deze studenten ontvangen een bericht van DUO met het besluit dat een tegemoetkoming is toegekend en wat de hoogte daarvan is. Bij een uitbetaling van de tegemoetkoming geldt daarbij het volgende. Als het rekeningnummer bekend is bij DUO, zal DUO te kennen geven dat zij van plan is om de tegemoetkoming op dat rekeningnummer uit te betalen. Daarbij wordt de optie gegeven om dat rekeningnummer nog te wijzigen via Mijn DUO of een (papieren) formulier. Als het rekeningnummer niet bekend is bij DUO, zal DUO via het door de student aangegeven voorkeurskanaal (brief of mail) contact opnemen met de student. In dat bericht verzoekt DUO de student om een rekeningnummer door te geven via Mijn DUO of via een (papieren) formulier, zodat de tegemoetkoming kan worden uitbetaald. Daarbij wordt expliciet vermeld dat het rekeningnummer binnen twaalf maanden na toezending van dit verzoek bij DUO bekend moet zijn. Als de student niet reageert op het verzoek om een rekeningnummer door te geven, zal DUO tweemaal rappelleren. Als de student na deze herinneringen nog niet heeft gereageerd, zal DUO een maand voor het verstrijken van de periode van twaalf maanden een brief per post versturen. Daarin wordt de student erop gewezen dat de tegemoetkoming niet kan worden uitbetaald en dat de aanspraak op de tegemoetkoming zal vervallen als hij geen rekeningnummer doorgeeft. Als het rekeningnummer niet binnen twaalf maanden na toezending van het verzoek daartoe bij DUO bekend is, vervalt de aanspraak op de tegemoetkoming. De student wordt hierover geïnformeerd via een bericht van DUO met het besluit dat de student niet heeft voldaan aan de eis om een rekeningnummer door te geven en dat als gevolg daarvan zijn aanspraak op de tegemoetkoming vervalt. Dit besluit is – evenals het besluit om de tegemoetkoming al dan niet toe te kennen – vatbaar voor bezwaar en beroep. Hiermee wordt voorkomen dat DUO deze voorziening voor onbepaalde tijd in stand moet houden.10

Over de toekenning op aanvraag is destijds in de nota van toelichting – samengevat – het volgende opgenomen: Studenten van wie de gegevens niet bekend zijn bij DUO, kunnen de tegemoetkoming niet ambtshalve toegekend krijgen. Zij moeten een aanvraag doen voor de tegemoetkoming en daarbij aantonen dat zij voldoen aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming. Hiervoor is een aanvraagformulier op de website van DUO geplaatst. Voor het aanvragen van de tegemoetkoming geldt een aanvraagtermijn. De student moet de aanvraag doen uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn (als hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen tien jaar en drie maanden nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd). Dit is dezelfde termijn als de termijn die wordt gehanteerd in het kader van de omzettingsprocedure voor de prestatiebeurs in artikel 5.9, tweede lid, WSF 2000. Er is voor gekozen om een aanvraagtermijn op te nemen, omdat DUO deze voorziening anders voor onbepaalde tijd in stand moet houden. Het voordeel dat een individuele student nog heeft van het ontvangen van de tegemoetkoming weegt op langere termijn niet op tegen de uitvoeringskosten. Van studenten mag worden verwacht dat zij de tegemoetkoming binnen een redelijke termijn aanvragen.11

Uitbreiding doelgroep – gevolgen voor toekenningsprocedure

Bij de wijzigingswet is de doelgroep van de tegemoetkoming uitgebreid – zie paragraaf 2.1. Wat hierboven is vermeld over de ambtshalve toekenning en de toekenning op aanvraag van de tegemoetkoming geldt ook voor de studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep. Voor zover hun gegevens, waaronder de bijzondere omstandigheden, bekend zijn bij DUO krijgen zij de tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Voor zover hun gegevens, waaronder de bijzondere omstandigheden, niet bekend zijn bij DUO moeten zij een aanvraag doen voor de tegemoetkoming en daarbij aantonen dat zij voldoen aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming. Onderdeel daarvan is dat de student moet aantonen dat bij hem sprake is geweest van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hij hetzij geen diploma heeft kunnen halen hetzij er langer over heeft gedaan om een diploma te halen. Met dit besluit is artikel 21b BSF 2000 gewijzigd om hieraan uitwerking te geven.

Uitbreiding doelgroep – gevolgen voor aanvraagtermijn

Als de student een aanvraag moet doen voor de tegemoetkoming, dan moest12 hij deze doen uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn (als hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen tien jaar en drie maanden nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd). Deze aanvraagtermijn was gebaseerd op de termijn in artikel 5.9, tweede lid, WSF 2000 waarbinnen de student zijn diploma moet hebben ingediend om zijn prestatiebeurs omgezet te krijgen.

De uitbreiding van de doelgroep heeft aanleiding gegeven om de aanvraagtermijn als volgt te verlengen. Als de student een aanvraag moet doen voor de tegemoetkoming, dan moet hij deze doen uiterlijk binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn (als hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen twintig jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd).

De reden voor deze verlenging is dat studenten in het kader van de omzettingsprocedure voor de prestatiebeurs een ruimere termijn dan drie maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hebben om een beroep te doen op bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan zij hetzij geen diploma hebben kunnen halen, hetzij er langer over hebben gedaan om een diploma te halen. Op grond van het uitvoeringsbeleid van DUO (deze termijn staat niet in de regelgeving) kan de student tot vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn een beroep doen op deze bijzondere omstandigheden. Deze ruimere termijn wordt voortaan ook aangehouden bij de aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming en wordt om redenen van uniformiteit en uitvoerbaarheid gebruikt voor alle groepen rechthebbende studenten.

Daarnaast geldt dat in geval van bijzondere omstandigheden bij de student de diplomatermijn kan worden verlengd van tien jaar tot maximaal vijftien jaar (zie artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000). Zodoende bedraagt de aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming voor studenten die wel studiefinanciering hebben aangevraagd (in totaal) maximaal twintig jaar (na de eerste toekenning van studiefinanciering).13 Om redenen van uniformiteit en uitvoerbaarheid is hierbij aangesloten voor studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd, waarbij is gekozen voor een vaste aanvraagtermijn van twintig jaar (na de eerste inschrijving in het hoger onderwijs).

Met dit besluit is artikel 21b BSF 2000 gewijzigd om uitwerking te geven aan voorgaande.

2.2.3 Toekenning - aanvullende tegemoetkoming

De aanvullende tegemoetkoming wordt ambtshalve toegekend aan alle studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen. Er is daarom geen aanvraagprocedure nodig voor deze tegemoetkoming. Wat in deze toelichting is vermeld over de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming geldt ook voor de ambtshalve toekenning van de aanvullende tegemoetkoming. Met dit besluit zijn de artikelen 21b en 21c BSF 2000 gewijzigd om hieraan uitwerking te geven.

2.2.4 Moment van toekennen

De aanvullende tegemoetkoming wordt vanaf april 2027 toegekend. Studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep kunnen vanaf april 2027 de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen. Voor zover deze studenten een aanvraag moeten doen voor de tegemoetkoming, kunnen zij deze ook vanaf april 2027 indienen bij DUO.14 Studenten worden geïnformeerd over de toekenning van de (aanvullende) tegemoetkoming via een bericht met een besluit. Als de (aanvullende) tegemoetkoming kan worden afgetrokken van de studieschuld, ziet de student dit in de meeste gevallen terug in zijn persoonlijk overzicht in Mijn DUO.15 Als er geen studieschuld (meer) is of als de (aanvullende) tegemoetkoming hoger is dan de studieschuld, dan wordt (het restant van) de (aanvullende) tegemoetkoming uitbetaald aan de student.

2.3 Overige wijzigingen

Met dit besluit zijn tot slot enkele technische wijzigingen aangebracht.

2.3.1 Indexering bedrag aanvullende tegemoetkoming

Op grond van artikel 17, tweede lid, BSF 2000 wordt het bedrag van de tegemoetkoming jaarlijks geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex. In de nota van toelichting is hierover destijds – samengevat – opgenomen dat deze indexatie wenselijk is om de inflatie tussen het moment van de invoering en het moment van de toekenning van de tegemoetkoming op te vangen.16 Om dezelfde reden is het wenselijk om het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming jaarlijks te indexeren op basis van de consumentenprijsindex. Met dit besluit is artikel 17, tweede lid, BSF 2000 gewijzigd om hieraan uitwerking te geven.

2.3.2 Technische wijziging BRO

In het kader van de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming moet de Minister van OCW gebruik kunnen maken van de basisgegevens en de diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers.17 Hiertoe zijn bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs de artikelen 15, vierde lid, onderdeel a, en 18, derde lid, onderdeel a, van de Wet register onderwijsdeelnemers (WRO) gewijzigd in die zin dat tweemaal het woord “tegemoetkomingen” is ingevoegd. Abusievelijk zijn vervolgens bij de op die wet gevolgde wijziging van het BSF 2000 niet ook in diezelfde zin de op die artikelen van de WRO gebaseerde artikelen 25, eerste lid, en 48, eerste lid, BRO gewijzigd. Met dit besluit is die omissie hersteld.

3. Gevolgen voor studenten

3.1 Gevolgen voor het doenvermogen

Voor de gevolgen voor het doenvermogen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de wijzigingswet.18 Hierin is toegelicht dat alle studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgen. Studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend. Deze studenten hoeven in beginsel geen actie te ondernemen. Zij hoeven alleen actie te ondernemen als de (aanvullende) tegemoetkoming (gedeeltelijk) wordt uitbetaald en als DUO niet beschikt over een rekeningnummer of als zij de uitbetaling op een ander rekeningnummer willen ontvangen.

Ook is toegelicht dat studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens niet beschikbaar zijn bij DUO, een aanvraag moeten doen voor de tegemoetkoming. (Als zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen.) Naar verwachting gaat het om een groep van enkele tientallen studenten. Deze studenten zullen bij het doen van de aanvraag geïnformeerd worden welke bewijsstukken daarbij moeten worden ingestuurd. Als gegevens ontbreken, dan zal DUO de student hierop wijzen en vragen om de aanvraag aan te vullen met de ontbrekende gegevens. Hiermee heeft deze voorziening voor een kleine groep studenten gevolgen voor het doenvermogen.

3.2 Gevolgen voor de regeldruk

Voor de gevolgen voor de regeldruk wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de wijzigingswet.19 Hierin is toegelicht dat bovengenoemde groep van enkele tientallen studenten gemiddeld ongeveer 3,5 uur bezig zal zijn met het doen van de aanvraag voor de tegemoetkoming. Deze studenten zullen tijd kwijt zijn aan het verzamelen van documenten, bezoek aan of contact met de onderwijsinstelling en/of bezoek aan een arts. De regeldrukkosten daarvan komen uit op € 90 per student die deze aanvraag doet. Met een ruim genomen schatting dat ongeveer 100 studenten deze aanvraag zullen gaan doen, komen de regeldrukkosten van deze aanvragen uit op ongeveer € 9.000 totaal (incidenteel) voor de studenten, € 8.100 totaal (incidenteel) voor de onderwijsinstellingen en € 3.500 totaal (incidenteel) voor de artsen.

Ook is toegelicht dat er in algemene zin regeldrukkosten zijn voor de studenten om kennis te nemen van de toekenningsbeschikking van de (aanvullende) tegemoetkoming (2 minuten) en eventueel om een rekeningnummer door te geven of te wijzigen (3 minuten). Ervan uitgaande dat bovenstaande betrekking heeft op ongeveer 1.070.000 studenten komen de regeldrukkosten hiervan uit op € 634.000 totaal (incidenteel). Op individuele basis zijn de regeldrukkosten nihil. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft dit besluit niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen nieuwe gevolgen voor de regeldruk heeft.

3.3 Gevolgen voor Caribisch Nederland

Studenten uit Caribisch Nederland die in Europees Nederland hebben gestudeerd en die aan de voorwaarden voor de (aanvullende) tegemoetkoming voldoen, maken net als studenten uit Europees Nederland aanspraak op de (aanvullende) tegemoetkoming.

3.4 Gevolgen voor gendergelijkheid

De (aanvullende) tegemoetkoming wordt beschikbaar gesteld aan alle studenten die aan de voorwaarden voldoen. Er zijn geen gevolgen voor de gendergelijkheid.

4. Gevolgen voor de uitvoering

DUO heeft op 16 maart 2026 een uitvoeringstoets uitgebracht. Ook in de beleidsvoorbereiding heeft DUO al intensief meegewerkt. Volgens DUO is dit besluit uitvoerbaar. Het implementeren van het besluit vergt systeemaanpassingen. De realisatie van deze aanpassingen vraagt incidenteel 600 uur extra werk. De kosten daarvan zijn gedekt uit bestaande budgetten van DUO voor kleine veranderingen.

DUO heeft opgemerkt dat de met dit besluit verruimde aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming langer kan zijn dan de termijn dat zij gegevens van studenten bewaart. Dit betekent dat een student die de tegemoetkoming heeft ontvangen en van wie na deze bewaartermijn de gegevens zijn geschoond opnieuw de tegemoetkoming kan aanvragen zonder dat DUO ervan op de hoogte is dat de tegemoetkoming eerder al is verstrekt. Om te voorkomen dat deze student nogmaals de tegemoetkoming ontvangt, heeft DUO voorgesteld om een beperkt aantal gegevens te bewaren totdat de aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming is verstreken. Naast een aantal identificerende gegevens gaat het om het aantal maanden dat en de specifieke periode waarvoor de tegemoetkoming is toegekend en om de startdatum van de (fictieve) diplomatermijn.20 Het aantal maanden en de specifieke periode zijn nodig om een eventueel aanvullend recht op de tegemoetkoming te kunnen vaststellen of uitsluiten. De startdatum van de (fictieve) diplomatermijn is nodig om te bepalen tot welke datum een aanvraag voor de tegemoetkoming tijdig is. De regering is het eens met DUO dat het nodig is om dit te regelen. Een wijziging van dit besluit is hiervoor niet nodig.21 Het voorgaande geldt eveneens voor de aanvullende tegemoetkoming.

Verder heeft DUO opgemerkt dat als een student is overleden de nabestaanden de tegemoetkomingen nog kunnen opeisen. DUO heeft voorgesteld om voor nabestaanden een aangepaste toekenningstermijn tot één jaar na het overlijden van de student op te nemen. Volgens DUO voorkomt dit dat zij de gegevens van overleden studenten gedurende de gehele aanvraagtermijn zou moeten bewaren, wat zij niet proportioneel acht. De regering heeft dit voorstel niet overgenomen. Als de tegemoetkoming(en) al wel is of zijn toegekend voor het overlijden van de student, geldt het erfrecht. Als de tegemoetkoming(en) nog niet is of zijn toegekend voor het overlijden van de student, kunnen nabestaanden bestuursrechtelijk gezien deze niet alsnog toegekend krijgen.22 Het is daarom niet nodig om voor nabestaanden een aangepaste, kortere, toekenningstermijn (of aanvraagtermijn) op te nemen. Beleidsmatig is het ook niet aangewezen dat nabestaanden de tegemoetkoming(en) alsnog toegekend kunnen krijgen. De tegemoetkomingen zijn bedoeld om richting de studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd een gebaar te maken. Ook speelt mee dat de tegemoetkomingen in beginsel worden afgetrokken van de studieschuld van de student en die studieschuld op grond van artikel 6.16, tweede lid, WSF 2000 tenietgaat bij het overlijden van de student.

Verder heeft DUO opgemerkt dat de aanspraak van de student op uitbetaling van de tegemoetkoming vervalt als niet tijdig een rekeningnummer van de student bekend is. DUO heeft voorgesteld om als in het kader van de aanspraak op uitbetaling van de aanvullende tegemoetkoming wel tijdig een rekeningnummer bekend is, alsnog ook de tegemoetkoming uit te betalen. De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming vormen immers samen de erkenning. De regering kan zich vinden in dit voorstel. Hiervoor is geen wijziging van dit besluit nodig. DUO is bevoegd om dergelijke besluiten te nemen. Dit is nader uiteengezet in de toelichting bij de wijziging van artikel 21c BSF 2000.

Tot slot heeft DUO opgemerkt dat zij in incidentele situaties maatwerk zal leveren waar het gaat om de aanvraagtermijn (bijvoorbeeld als deze al is verstreken voordat de aanvraag kan worden ingediend).

5. Financiële gevolgen

Dit besluit heeft geen opzichzelfstaande financiële gevolgen. De geraamde (extra) uitgaven voor de (aanvullende) tegemoetkoming zijn al inzichtelijk gemaakt in de memorie van toelichting bij de wijzigingswet.23 De financiële gevolgen voor de student zijn in diezelfde memorie van toelichting inzichtelijk gemaakt.24

6. Internetconsultatie

Dit besluit heeft van 12 januari 2026 tot en met 13 februari 2026 opengestaan voor internetconsultatie. De consultatie heeft dertien reacties opgeleverd, waarvan elf openbaar. Het gaat om reacties van (oud-)studenten, ouders en overige burgers.

Het besluit regelt de wijze van verstrekking en in welke gevallen de tegemoetkomingen op aanvraag dan wel ambtshalve worden toegekend. Op beide punten zijn geen reacties binnengekomen. Het besluit is dan ook niet aangepast naar aanleiding van de internetconsultatie.

De meeste reacties gaan inhoudelijk over de wijzigingswet en komen ook grotendeels overeen met de reacties die tijdens de internetconsultatie over die wet zijn binnengekomen. De wijzigingswet is evenmin aangepast naar aanleiding van deze internetconsultatie over het besluit.

Over het algemeen is positief gereageerd op de aanvullende tegemoetkoming en de uitbreiding van de doelgroep. Wel vinden meerdere respondenten de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming te laag. Een aantal respondenten legt hierbij een verband met de hoogte van de rente op de studielening en met de gevolgen van een studielening voor het kopen van een huis. Enkele respondenten hebben concrete suggesties gegeven om deze (oud-)studenten op andere, uitgebreidere, wijze tegemoet te komen. Eén respondent vindt het juist niet nodig om in verband met gewijzigd beleid een tegemoetkoming te geven. Elke generatie heeft wel met gewijzigd beleid te maken.

In reactie op bovenstaande punten merkt de regering (ook op deze plek) op te begrijpen dat een hoge studieschuld vervelend is voor (oud-)studenten. Het is echter hoogst uitzonderlijk dat bij invoering van een gunstiger regime een tegemoetkoming wordt gegeven aan degenen die onder het voorgaande, minder gunstige regime vielen. Aangezien de basisbeurs na slechts acht jaar weer is ingevoerd, heeft de wetgever eerder bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs evenwel besloten om de (oud-)studenten die met het leenstelsel te maken hebben gehad een tegemoetkoming te geven. De regering vindt die tegemoetkoming te laag en heeft daarom besloten om deze (oud-)studenten (ook) een aanvullende tegemoetkoming te geven. Hiervoor is € 1,4 miljard beschikbaar gesteld. Er zijn beperkte financiële middelen beschikbaar en daarom moet de regering scherpe keuzes maken. In de memorie van toelichting bij de wijzigingswet is uitgebreider hierop ingegaan. Daarbij is ook verwezen naar een Kamerbrief van 22 november 2022 waarin is ingegaan op de vermeende beloftes rond rente en hypotheken.25

Eén respondent heeft benoemd dat het ingewikkeld kan zijn om aan te tonen dat in het verleden sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, zoals mantelzorg. De regering heeft ervoor gekozen om bij de uitbreiding van de doelgroep naar (oud-)studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden geen diploma hebben kunnen halen of er langer over hebben gedaan om een diploma te halen, aan te sluiten bij de toepassingsvoorwaarden voor deze doelgroep bij de maatregelen Voorziening Prestatiebeurs in artikel 5.15 en 5.16 WSF 2000. Zo worden alle (oud-)studenten zo veel mogelijk gelijk behandeld. De onderwijsinstelling geeft een verklaring af met betrekking tot de bijzondere omstandigheden en heeft hierbij ruimte om op grond van de aanvraag van de (oud-)student en de daarbij gevoegde documenten tot een oordeel te komen. Dit gebeurt ook nu al met regelmaat over situaties die verder in het verleden liggen.

Tot slot heeft één respondent benoemd dat (oud-)studenten die na een hbo-bachelor een wo-master volgden ten onrechte zijn uitgesloten van een tegemoetkoming. De regering heeft ervoor gekozen om de aanvullende tegemoetkoming net als de tegemoetkoming te verstrekken aan (oud-)studenten voor de periode tijdens het leenstelsel waarin zij recht hadden op prestatiebeurs (ongeacht of zij die ook hebben aangevraagd) en dus toen de basisbeurs zijn misgelopen. Bovenbedoelde (oud-)studenten hadden tijdens hun wo-master geen recht op prestatiebeurs en komen daarom voor de periode van die master niet in aanmerking voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming.

7. Voorhangprocedure

Dit besluit is op [pm datum] aangeboden26 aan de Eerste en Tweede Kamer voor de in verband met de wijziging van de artikelen 25 en 48 BRO op grond van artikel 25 WRO verplichte voorhangprocedure van vier weken. [pm hier de uitkomsten van de voorhangprocedure verwerken]

8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt gelijktijdig met de wijzigingswet in werking. Het streven is om die wet en dit besluit op 1 januari 2027 in werking te laten treden.

II. Artikelsgewijs

ARTIKEL I. WIJZIGING BESLUIT STUDIEFINANCIERING 2000

Onderdeel A (wijziging artikel 17 BSF 2000)

De bedragen van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming zijn opgenomen in artikel 12.30, vijfde lid, WSF 2000. Met deze wijziging van artikel 17, tweede lid, BSF 2000 worden beide bedragen jaarlijks geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex. De grondslag voor deze wijziging is artikel 12.30, achtste lid, in samenhang met artikel 11.1, eerste lid, WSF 2000.

Onderdeel D (wijziging artikel 21b BSF 2000)

Tegemoetkoming - ambtshalve toekenning
Op grond van artikel 21b, eerste lid, BSF 2000 wordt de tegemoetkoming in beginsel ambtshalve toegekend.

Tegemoetkoming - toekenning op aanvraag
In afwijking van het eerste lid wordt op grond van het tweede lid de tegemoetkoming op aanvraag toegekend voor de periode waarover de Minister van OCW niet over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt. Het gaat dan om:
- studenten die aanspraak maakten op studiefinanciering, maar hiervan geen gebruik hebben gemaakt;

- studenten die gebruik hebben gemaakt van studiefinanciering, maar niet gedurende de gehele periode waarin zij aanspraak maakten op studiefinanciering;

- studenten die in het buitenland hebben gestudeerd en die hun diploma nog niet hebben aangeleverd bij DUO; en/of

- studenten die tijdens hun studie zijn geconfronteerd met bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan zij hetzij geen diploma hebben kunnen halen, hetzij er langer over hebben gedaan om een diploma te halen en van wie deze bijzondere omstandigheden nog niet bekend zijn bij DUO. Deze laatste groep rechthebbende studenten is toegevoegd bij de wijzigingswet.

Tegemoetkoming - aanvraagtermijn
Op grond van het derde lid moet de student de aanvraag voor de tegemoetkoming indienen uiterlijk binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn (als hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen twintig jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd). Zie hierover verder paragraaf 2.2.2 “Uitbreiding doelgroep – gevolgen voor aanvraagtermijn”.

Tegemoetkoming - moment van toekenning
De toekenning van de tegemoetkoming vindt plaats, op grond van het eerste lid, uiterlijk op 1 januari volgend op het jaar waarin de Minister van OCW over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, respectievelijk, op grond van het derde lid, op 1 januari volgend op het jaar waarin de aanvraag voor de tegemoetkoming is gedaan. Dit sluit aan bij de termijnen in artikel 5.9 WSF 2000 die gelden voor de omzetting van de prestatiebeurs in een gift. De tegemoetkomingsregeling wordt vanaf 2027 uitgebreid ten aanzien van de doelgroep. Voor de uitbreiding van de doelgroep is geregeld dat als de Minister van OCW reeds voor of op 31 december 2026 over de voor de vaststelling van de aanspraak benodigde gegevens beschikt, de toekenning van de tegemoetkoming geschiedt in 2027.

Aanvullende tegemoetkoming
Op grond van het vierde lid wordt de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend aan de student die de tegemoetkoming toegekend heeft gekregen. Het maakt daarbij geen verschil of de tegemoetkoming ambtshalve of op aanvraag is toegekend. De toekenning van de aanvullende tegemoetkoming vindt plaats uiterlijk op 1 januari volgend op het jaar waarin de toekenning van de tegemoetkoming heeft plaatsgevonden. Omdat de aanvullende tegemoetkomingsregeling vanaf 2027 wordt uitgevoerd, is geregeld dat als de student de tegemoetkoming reeds voor of op 31 december 2026 toegekend heeft gekregen, de toekenning van de aanvullende tegemoetkoming geschiedt in 2027.

Artikel 21b BSF 2000 is voor zover nodig gewijzigd om bovenstaande te regelen.

Onderdeel E (wijziging artikel 21c BSF 2000)

Net als de tegemoetkoming, wordt de aanvullende tegemoetkoming uitgekeerd in de vorm van een korting op de studieschuld of – als er geen studieschuld (meer) is –uitbetaald aan de student. Als de (aanvullende) tegemoetkoming hoger is dan de resterende studieschuld, dan wordt de studieschuld volledig afgeboekt en wordt de resterende (aanvullende) tegemoetkoming uitbetaald aan de student. Als DUO niet beschikt over een rekeningnummer waarop de (aanvullende) tegemoetkoming kan worden uitbetaald, dan wordt de student verzocht om een rekeningnummer door te geven. Als de student niet binnen twaalf maanden na toezending van dit verzoek een rekeningnummer doorgeeft, dan vervalt de aanspraak op de (aanvullende) tegemoetkoming voor zover deze voor uitbetaling in aanmerking komt. Het laatste betekent dat als de (aanvullende) tegemoetkoming hoger is dan de resterende studieschuld en de (aanvullende) tegemoetkoming daarom deels wordt afgetrokken en deels wordt uitbetaald, de aanspraak op de (aanvullende) tegemoetkoming slechts vervalt voor het deel dat in aanmerking komt voor uitbetaling.

Artikel 21c BSF 2000 is voor zover nodig gewijzigd om bovenstaande te regelen.

Zoals hierboven omschreven, vervalt de aanspraak van de student op (gedeeltelijke) uitbetaling van de (aanvullende) tegemoetkoming als geen rekeningnummer bekend is en niet tijdig een rekeningnummer is doorgegeven.

Als bij een student als gevolg van bovenstaande zijn aanspraak op de tegemoetkoming is vervallen en die student na inwerkingtreding van dit besluit in het kader van zijn aanspraak op de aanvullende tegemoetkoming wel tijdig een rekeningnummer doorgeeft, dan zal DUO dit opvatten als een verzoek om terug te komen van het besluit waarbij de aanspraak op de tegemoetkoming is vervallen. In dat geval zal DUO dit verzoek inhoudelijk behandelen en dat besluit in volle omvang heroverwegen. Concreet betekent dit dat DUO het besluit zal herzien en de tegemoetkoming (voor zover deze voor uitbetaling in aanmerking komt) alsnog zal uitbetalen. De reden hiervoor is dat de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming de facto samen één tegemoetkoming voor leenstelselstudenten vormen.

Als bij een student als gevolg van bovenstaande zijn aanspraak op de tegemoetkoming en vervolgens ook zijn aanspraak op de aanvullende tegemoetkoming zijn vervallen, de besluiten daartoe in rechte onaantastbaar zijn geworden en die student nadien alsnog een rekeningnummer doorgeeft, dan zal DUO dit opvatten als een verzoek om terug te komen van die besluiten. In dat geval zal DUO, als er volgens haar geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, in beginsel dit verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht afwijzen onder verwijzing naar de eerdere besluiten.27 Met de termijn voor het doorgeven van een rekeningnummer is immers beoogd om te voorkomen dat DUO deze voorziening (de (aanvullende) tegemoetkoming) voor onbepaalde tijd in stand moet houden.

ARTIKEL II. WIJZIGING BESLUIT REGISTER ONDERWIJSDEELNEMERS

Met deze wijziging van de artikelen 25, eerste lid, en 48, eerste lid, BRO is nader geregeld dat de Minister van OCW ook voor zijn taken met betrekking tot de verstrekking van tegemoetkomingen in de zin van de WSF 2000 de specifiek genoemde basisgegevens en diplomagegevens uit het register onderwijsdeelnemers mag gebruiken. Dit betreft een technische wijziging. Op grond van de artikelen 15, vierde lid, onderdeel a, en 18, derde lid, onderdeel a, WRO was al duidelijk dat de Minister van OCW hiervoor deze gegevens mag gebruiken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Rianne Letschert


  1. Waar in deze nota van toelichting wordt gesproken van studenten, wordt in de meeste gevallen oud-studenten bedoeld. Omwille van de leesbaarheid is gekozen voor de kortere aanduiding.↩︎

  2. Besluit van 6 juni 2023 tot wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 ten behoeve van de nadere uitwerking van de verstrekking van een tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd, de omzetting van de studievoorschotvoucher in een tegemoetkoming en het doorvoeren van technische wijzigingen in verband met het herinvoeren van de basisbeurs in het hoger onderwijs (Stb. 2023, 187).↩︎

  3. Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 27 juni 2023, nr. HO&S/33253621, houdende wijziging van de Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES en de Regeling studiefinanciering 2000 in verband met onder meer de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (Stcrt. 2023, 18780).↩︎

  4. << https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK027028 >> Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 2.↩︎

  5. Dit besluit spreekt over de “tegemoetkoming” als het gaat om de tegemoetkoming uit de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs en over de “aanvullende tegemoetkoming” als het gaat om de aanvullende tegemoetkoming uit de wijzigingswet.↩︎

  6. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 7-8].↩︎

  7. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 8-9].↩︎

  8. Stb. 2023, 187, p. 8.↩︎

  9. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 11].↩︎

  10. Stb. 2023, 187, p. 8.↩︎

  11. Stb. 2023, 187, p. 8-9.↩︎

  12. Zie artikel 21b, derde lid, BSF 2000 in Stb. 2023, 187.↩︎

  13. Deze verlengingsmogelijkheid werkte al wel door in de aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming voor de groep studenten die wel studiefinanciering heeft aangevraagd, maar deed dat nog niet voor de groep studenten die geen studiefinanciering heeft aangevraagd.↩︎

  14. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 11 en 17].↩︎

  15. Aftrek vindt eerst plaats op eventuele achterstallige schulden en dan op de hoofdschuld. Als de (aanvullende) tegemoetkoming wordt afgetrokken van een studieschuld die al als vordering is overgedragen aan een deurwaarder, dan is dit niet terug te zien in het persoonlijk overzicht in Mijn DUO.↩︎

  16. Stb. 2023, 187, p. 10.↩︎

  17. Kamerstukken II 2022/23, 36229, nr. 3, p. 55-56.↩︎

  18. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 13-14].↩︎

  19. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 14-15].↩︎

  20. Voor een student die studiefinanciering heeft aangevraagd, gaat het hier over de startdatum van de diplomatermijn. Voor een student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, gaat het hier over de startdatum van de fictieve diplomatermijn. Daarmee wordt bedoeld de datum dat deze student zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs.↩︎

  21. << Op dit moment wordt in kaart gebracht welke wijzigingen op welk niveau hiervoor moeten worden doorgevoerd. Zoals het er nu naar uitziet, gaat het om een wijziging van de bewaartermijn in het voorgestelde artikel 11.7, derde lid, WSF 2000 en om een wijziging van bewaartermijnen in de op grond van de Archiefwet 1995 vastgestelde Selectielijst OCW. In de versie van het ontwerpbesluit die voor advies wordt aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt in deze voetnoot opgenomen welke wijzigingen op welk niveau zullen worden doorgevoerd. >>↩︎

  22. Zie CRvB 3 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN8947, en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6984.↩︎

  23. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 18].↩︎

  24. Kamerstukken II 2026/27, XXXXX, nr. 3, [p. 12-13].↩︎

  25. Kamerstukken II 2022/23, 32847, nr. 981.↩︎

  26. [pm verwijzing naar Kamerbrieven opnemen]↩︎

  27. Zie over het terugkomen van besluiten bijvoorbeeld CRvB 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1363, r.o. 4.1.↩︎