[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een schriftelijk overleg over inzet internationale kindontvoering India (Kamerstuk 29279-1019)(eerste deel)

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D21631, datum: 2026-05-12, bijgewerkt: 2026-05-12 13:14, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z09591:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


33 836 Personen- en familierecht

Verslag van een schriftelijk overleg

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de brief ‘Inzet internationale kindontvoering India’ (Kamerstuk 29279, nr. 1019).

De vragen en opmerkingen zijn aan de bewindspersonen voorgelegd. Bij brief van … zijn de vragen en gemaakte opmerkingen beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Eerdmans

Adjunct-griffier van de commissie,

Van Tilburg

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie kabinet blz.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 2

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 3
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie 5
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 6

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 8

Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower 17


I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

  1. Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake de inzet bij internationale kinderontvoering, waaronder in het geval van Insiya ten opzichte van India. Het is goed om te lezen dat Nederland op diverse manieren en niveaus de zaak blijft aankaarten bij de Indiase autoriteiten. Toch moet geconstateerd worden dat dit nog niet tot het gewenste effect geleid heeft, zeker gegeven de lange tijd die is verstreken sinds Insiya ontvoerd is. Deze leden hebben daarom enkele vragen.

De leden van de D66-fractie zien dat er in de loop van de jaren en ook recent nog steeds inzet op deze zaak is – buiten de gerechtelijke stappen, heeft de heer Rutte in zijn tijd als minister-president al eens met de heer Modi gesproken over de ontvoering, en onze minister-president Rob Jetten heeft onlangs met mevrouw Rashid gesproken over de kabinetsinzet op dit onderwerp. Voorts willen de leden van de D66-fractie graag weten – wat is er al gedaan sinds de ontvoering om Insiya terug te krijgen uit India? En welke extra stappen zien de minister en de staatssecretaris om deze zaak in beweging te krijgen?

Antwoord: Allereerst wil het kabinet erkennen hoe ingrijpend en pijnlijk internationale kinderontvoering is. In het bijzonder de zaak van Insiya, waarbij sprake is van een gewelddadige ontvoering. Dat neemt niet weg dat er in 2025 in totaal 108 zaken bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca IKA) zijn gepasseerd waarbij kinderen zijn ontvoerd. Al die zaken krijgen de volle aandacht.

Ten aanzien van wat er al gedaan is in de zaak Insiya willen wij u graag verwijzen naar de brief die recent naar uw Kamer is gestuurd en naar antwoorden op Kamervragen die de afgelopen jaren naar uw Kamer zijn gestuurd1. De Ca IKA heeft in oktober 2016 het civiele verzoek tot teruggeleiding voor Insiya in behandeling genomen. Nu India niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag, heeft de Ca IKA geen direct aanspreekpunt in India. Het verzoek tot teruggeleiding is daarom langs diplomatieke weg aangeboden aan de Indiase autoriteiten; dit geldt ook voor civielrechtelijke beschikkingen van de Nederlandse rechter. De Ca IKA en BZ hebben moeder de afgelopen jaren ondersteund, door middel van het verstrekken van informatie en het verlenen van consulaire bijstand. Ook wordt op het hoogst diplomatieke en politieke niveau aandacht gevraagd voor enerzijds de Nederlandse civielrechtelijke uitspraken die strekken tot de teruggeleiding van Insiya en het eenhoofdig gezag van de moeder en anderzijds voor spoedige afronding van de Indiase procedures, met als doel de terugkeer van het Insiya en in ieder geval herstel van contact.

Het kabinet is continue aan het kijken welke andere effectieve stappen gezet kunnen worden om tot terugkeer van Insiya te komen of ten minste contactherstel tussen moeder en dochter te realiseren. Het kabinet noemt in gesprekken met India ook de grote maatschappelijke verontwaardiging in Nederland die deze zaak oproept en voelt zich gesteund door de gestelde vragen in dit schriftelijk overleg om dat nogmaals richting India te benadrukken. De realiteit is dat het terugbrengen van ontvoerde kinderen uit India zeer lastig is; daar kampen ook andere landen mee, zie hiervoor bijvoorbeeld het rapport van de Verenigde Staten2.

Zijn er vergelijkbare zaken of voorbeelden uit andere EU-landen bekend, en is daarbij bekend hoe en/of waarom deze zaken (on)succesvol zijn verlopen, zeker in de gevallen dat er (ook) een vonnis lag? Ziet het kabinet kansen om met andere EU-landen gezamenlijk op te trekken richting India om zo meer resultaat te boeken?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

En zien de bewindspersonen nog kansen om de zaak op (korte) termijn bij India onder de aandacht te brengen?

Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier Modi op het hoogste niveau bij India expliciet onder de aandacht brengen

  1. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

    De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het kabinet over de inzet bij internationale kinderontvoering in India, in het bijzonder de zaak rondom Insiya. Deze leden waarderen de inzet van het kabinet in deze ingrijpende zaak.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat internationale kinderontvoering de rechtsstaat raakt. De uitspraak van de Hoge Raad is inmiddels onherroepelijk, toch blijft uitvoering uit. Deze leden vragen welke concrete resultaten de inzet tot nu toe heeft opgeleverd. Ook vragen zij welke stappen zijn gezet sinds de uitspraak van de Hoge Raad. De leden van de VVD-fractie vragen hoe het kabinet de huidige inzet richting India beoordeelt. Is deze aanpak voldoende effectief? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke extra stappen overweegt het kabinet? Deze leden wijzen op het belang van wederkerigheid. Nederland respecteert rechterlijke uitspraken. Dat mag ook van andere landen worden verwacht. Hoe brengt het kabinet deze boodschap over aan de Indiase autoriteiten?

Antwoord:
Het kabinet deelt de mening dat internationale kinderontvoering een grove inbreuk is op de rechtsorde en waarbij de impact op de achterblijvende ouder groot is. In het kader van deze zaak is het van belang om een onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke en het strafrechtelijke traject, aangezien beiden hun eigen juridische kaders en instrumenten kennen.

Ten aanzien van het strafrechtelijke traject, geldt dat met de onherroepelijke uitspraak van de Hoge Raad de ernst van deze zaak door de Nederlandse rechter onomstotelijk is vastgesteld. De rechter heeft de gewelddadige onttrekking van Insiya aan het ouderlijk gezag gekwalificeerd als een zeer ernstig strafbaar feit en heeft hiervoor substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Wanneer een veroordeelde zich in het buitenland bevindt, kan de tenuitvoerlegging van een straf complex zijn. Nederlandse opsporings- en vervolgingsinstanties hebben uiteraard geen bevoegdheid om op treden in andere landen. Tevens moet er voor de overdracht van een straf een verdragsgrondslag bestaan, en daar is tussen India en Nederland geen sprake van. Over de specifieke inzet die in dit kader wordt gepleegd in individuele zaken kunnen wij geen nadere uitspraken doen. Wel kunnen wij u verzekeren dat alle mogelijke instrumenten in dit kader worden ingezet.

Ten aanzien van de wederkerigheid van uitspraken in het civiele kader en het respecteren van civiele rechterlijke uitspraken: tussen India en Nederland is er geen verdrag op basis waarvan gerechtelijke uitspraken inzake ouderlijk gezag automatisch kunnen worden erkend. Dit geldt over en weer: rechterlijke uitspraken inzake ouderlijk gezag afkomstig van een Indiase rechter worden ook in Nederland niet automatisch erkend. Om een rechterlijke uitspraak in een niet-verdragsland erkend te krijgen, zal de achtergebleven ouder met behulp van een advocaat in het land in kwestie een procedure aanhangig moeten maken bij de rechter aldaar met het verzoek om de uitspraak te erkennen en ten uitvoer te leggen. Het is niet mogelijk om India te dwingen rechtsreeks uitvoering te geven aan de Nederlandse uitspraken.


In het licht van het aanstaande bezoek van de Indiase premier Narendra Modi aan Nederland en de ontvangst door de minister-president, vragen de leden van de VVD-fractie of deze specifieke zaak onderdeel zal zijn van de gesprekken op het hoogste politieke niveau. Kan het kabinet bevestigen dat deze zaak expliciet wordt opgebracht?

Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier Modi op het hoogste niveau bij India expliciet onder de aandacht brengen.

Daarnaast vragen deze leden welke diplomatieke en politieke drukmiddelen Nederland nog tot zijn beschikking heeft om voortgang te bewerkstelligen. Wordt overwogen om deze kwestie in breder Europees verband te agenderen binnen de Europese Unie om zo de druk richting India te vergroten?

Antwoord: Beantwoording volgt later

Ten slotte vragen deze leden hoe het kabinet in algemene zin omgaat met internationale kinderontvoeringszaken waarbij landen geen partij zijn bij relevante verdragen. Ziet het kabinet aanleiding om het beleid richting deze landen te intensiveren, bijvoorbeeld via bilaterale afspraken of aanvullende diplomatieke inzet?

Antwoord: Op grond van artikel 4 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is de Ca IKA tevens belast met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Dit betekent dat de Ca IKA deze verzoeken in behandeling neemt. In een niet verdragsland is er echter geen Centrale autoriteit waaraan de Ca IKA het verzoek kan doorgeleiden. Het verzoek wordt daarom via de diplomatieke route aangeboden aan de autoriteiten van dat land. Het niet verdragsland is niet gehouden aan de verplichtingen van het Haags Kinderontvoeringsverdrag.

Is het kabinet bereid de Kamer na het bezoek van Modi aan Nederland te informeren over de gesprekken die zijn gevoerd over de zaak Insiya? En is het kabinet tevens bereid om de Kamer periodiek te blijven informeren over de resultaten van de inspanningen om ontvoerde kinderen daadwerkelijk terug te halen naar Nederland in lijn met de motie Ellian (Kamerstukken II 2022-2023, 33836 nr. 79)?

Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene zin te informeren, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid. Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan het nieuw overzicht over de inspanningen die in 2025 zijn geleverd rondom internationale kinderontvoeringen, zoals deze eerder met de Kamer gedeeld is over 20233.

  1. Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

    De leden van de fractie van GL-PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van de brief van de regering over de stand van zaken ten aanzien van de ontvoering van het meisje Insiya naar India. De aan het woord zijnde leden zijn net zoals de regering er ten zeerste van doordrongen hoezeer deze kinderontvoering ingrijpt in het leven van alle betrokkenen. Zij achten het onverteerbaar voor Insiya en haar moeder dat het onherroepelijk geworden strafvonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd en vooral dat het contact tussen Insiya en haar moeder, die het eenhoofdig gezag heeft, niet hersteld wordt. De regering meldt in de genoemde brief dat alle mogelijke inzet wordt gepleegd om het strafvonnis wel ten uitvoer te laten leggen. Wat is de reactie van de Indiase autoriteiten als Nederland vraagt om de tenuitvoerlegging van de strafzaak. Welke autoriteiten betreft dit? Geeft het komende bezoek van de Indiase minister-president extra mogelijkheden om de Nederlandse inzet nog te intensiveren of te benadrukken? Zo ja, hoe gaat u daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het kabinet spant zich doorlopend in om deze schrijnende zaak onder de aandacht te brengen van India. In algemene zin kunnen wij mededelen dat er voor de overdracht van een straf een verdragsgrondslag moet bestaan, en daar is tussen India en Nederland geen sprake van. Wel wordt op andere wijze de samenwerking met India gezocht. Daarbij kunnen wij u verzekeren dat het kabinet alle mogelijke contacten op het hoogste politieke niveau benut om India te verzoeken medewerking te verlenen in dit kader.


Wat staat er aan het contactherstel tussen Insiya en haar moeder concreet in de weg? Welke juridische of andere belemmeringen zijn er? Welke autoriteiten oordelen over dat contactherstel of zijn daar op een andere manier bij betrokken? En hoe kan het contact wel hersteld worden? Kunt u het belang van het contactherstel onder de aandacht van de Indiase minister-president brengen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: De Indiase rechter heeft eerder in 2018 geoordeeld dat het contact tussen moeder en dochter moet worden hersteld. Hier geeft de vader echter vooralsnog geen gehoor aan. Nederland dringt in contacten met India steevast aan op uitvoering van dit gerechtelijk bevel. Contactherstel tussen moeder en dochter is een van de onderwerpen van gesprek bij het bezoek van premier Modi.


De leden van de fractie van GL-PvdA vragen wat de Nederlandse regering doet om de moeder van Insiya te ondersteunen bij haar pogingen het contact met haar dochter te herstellen?

Antwoord: De Ca IKA en BZ hebben moeder de afgelopen jaren ondersteund, door middel van het verstrekken van informatie en het verlenen van consulaire bijstand. Ook wordt op het hoogste diplomatieke en politieke niveau aandacht gevraagd voor enerzijds de Nederlandse civielrechtelijke uitspraken die strekken tot de teruggeleiding van Insiya en het eenhoofdig gezag van de moeder en anderzijds voor spoedige afronding van de Indiase procedures, met als doel de hereniging van Insiya met haar moeder en in ieder geval herstel van contact.

Bent u bekend met het feit dat ook India het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) heeft geratificeerd en dat dat bindende VN-verdrag onder andere bepaalt dat staten maatregelen moeten nemen “ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland”(artikel 11)? Zo ja, hoe verhoudt zich dat het feit dat India niet zorgt dat de ontvoering van Insiya beëindigd wordt? Ben u bereid dat aan de Indiase minister-president voor te leggen? Zo nee, waarom bent u daartoe niet bereid?

Antwoord: Wij zijn ermee bekend dat India is aangesloten bij het IVRK en dit is ook eerder opgebracht richting India. Artikel 11 van het IVRK verplicht staten om maatregelen te treffen om ongeoorloofde overbrenging te bestrijden en dit te bewerkstelligen door het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten. In dit kader is Nederland partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag bevat wel afspraken en actieve verdragsverplichtingen voor landen over het teruggeleiden van kinderen waar zij zich aan dienen te houden en waar zij op aangesproken kunnen worden. India is echter niet aangesloten bij dit verdrag.

Maken afspraken over mensenrechten deel uit van het handelsverdrag van de EU met India? Zo ja, vallen daar direct of indirect ook afspraken onder die de rechten van kinderen in het algemeen en die van ontvoerde kinderen in het bijzonder raken? En welke afspraken betreffen dat? Wilt u dat onder de aandacht van de Indiase minister-president brengen?

Antwoord: Beantwoording volgt later


Kunt u na afloop van het bezoek van de Indiase minister-president de Kamer op de hoogte stellen van wat u ten aanzien van Insiya besproken hebt en wat de resultaten daarvan zijn?

Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene zin te informeren, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.

  1. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief en hebben een aantal vragen aan de regering. Deze leden onderschrijven de noodzaak voor de Nederlandse Staat om zich maximaal in te zetten dat Insiya terugkomt naar Nederland zodat haar moeder het eenhoofdig gezag kan uitoefenen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering aan kan geven of er nog meer vergelijkbare casussen zijn van kinderontvoering waar zij zich inzet voor herstel van contact en ouderlijk gezag en of er landen in het bijzonder zijn waarnaar dergelijke vormen van ontvoering vaker plaatsvinden.

Antwoord: In 2025 heeft de Ca IKA 108 uitgaande internationale kinderontvoeringszaken in behandeling genomen. Van deze zaken waren er 88 met verdragslanden en 20 zaken met niet verdragslanden. Bij de verdragslanden betreffen de meeste kinderontvoeringszaken Polen, Spanje, Engeland, Turkije en Duitsland. Bij de niet-verdragslanden betreffen de meeste zaken Syrië, Egypte, India en Irak. De Ca IKA zet zich in elke zaak maximaal in om de achtergebleven ouder zo goed mogelijk te ondersteunen. Daarbij kan het ook gaan om ondersteuning bij het in contact komen met het kind of advisering over (gezags)procedures. De Ca IKA werkt daarbij nauw samen met de Centrale autoriteiten van andere landen. In niet verdragslanden is deze samenwerking er niet en wordt het verzoek behandeld via de diplomatieke route in samenwerking met Buitenlandse Zaken. Tevens wordt bij kinderontvoeringen gewerkt middels een escalatieladder, waarbij er op een steeds hoger niveau wordt opgeschaald indien een land niet meewerkt aan teruggeleiding.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering te bevestigen dat de schrijnende zaak van Insiya staat geagendeerd tijdens (de voorbereidingen van) het bezoek van de Indiase minister-president aan Nederland. Deze leden vragen om bevestiging dat deze casus tijdens het staatsbezoek aan de orde gesteld zal worden. Voorts vragen deze leden welke mogelijkheden de regering ziet om de inzet richting de Indiase regering op dit onderwerp te intensiveren.

Antwoord: Het kabinet brengt de schrijnende zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier Modi op het hoogste niveau expliciet bij India onder de aandacht brengen.

De ingrijpende zaak van Insiya heeft de onverminderde aandacht van het kabinet en de huidige Nederlandse inzet wordt constant geëvalueerd waarbij eventuele nieuwe mogelijkheden voor intensivering op dit onderwerp voortdurend worden meegenomen.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het handelsakkoord tussen de EU en India geen relatie heeft met kinderontvoeringen. Deelt de regering de opvatting dat, ook als het EU-India handelsakkoord formeel geen aanknopingspunten bevat, politieke en diplomatieke relaties wél benut kunnen worden om mensenrechtenkwesties zoals deze onder de aandacht te brengen? Zo ja, hoe wordt hier concreet invulling aan gegeven?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering, gezien de langdurige aard van en de grote maatschappelijke en politieke betrokkenheid bij deze zaak, bereid is de Kamer frequenter te informeren over de voortgang in deze zaak?

Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene zin te informeren over de wijze waarop de zaak Insiya in de gesprekken aan de orde is gesteld, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid. Tevens informeert het kabinet de Kamer wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn en zal de Kamer in algemene zin informeren over deze zaak bij het jaarlijkse overzicht van zaken (n.a.v. motie Ellian).

  1. Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben met grote betrokkenheid kennisgenomen van de brief over de zaak van het naar India ontvoerde meisje Insiya. Deze leden willen allereerst benadrukken dat achter deze zaak geen abstract juridisch dossier schuilgaat, maar een meisje dat al jarenlang is afgesneden van haar moeder, en haar leven in Nederland. Een zaak die niet alleen raakt aan het hart, maar ook aan de geloofwaardigheid van de Nederlandse rechtsstaat.

De leden van de BBB-fractie begrijpen dat internationale kinderontvoering juridisch en diplomatiek ingewikkeld kan zijn. Maar ingewikkeld mag nooit een ander woord worden voor machteloos. Zeker niet wanneer het gaat om een Nederlands kind, een Nederlandse moeder en Nederlandse rechterlijke uitspraken. De overheid moet naast haar eigen inwoners staan wanneer zij klem komen te zitten tussen systemen, grenzen en diplomatieke beleefdheden. Tegen deze achtergrond hebben deze leden de volgende vragen.

Algemene inzet van het kabinet

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of hij concreet en chronologisch kan uiteenzetten welke acties de afgelopen jaren zijn ondernomen richting de Indiase autoriteiten. Zij horen daarbij graag of deze acties telkens op ambtelijk, of ander niveau is aangekaart. De leden vragen de minister expliciet wanneer deze zaak voor het laatst op ministerieel niveau besproken is met India. En wanneer deze zaak voor het laatst door de minister-president, of namens de minister-president aan de orde is gesteld. Wat was tijdens deze acties telkens de concrete inzet van Nederland in de richting van India?

Antwoord: De zaak is meest recent nog opgebracht tijdens een telefoongesprek van onze Minister-president met premier Modi op 30 maart jl. Op ministerieel niveau was dat de laatste keer in Brussel en marge van de RBZ op 16 maart jl. met de Indiase Minister van Buitenlandse Zaken Jaishankar. De ernst van de zaak heeft ertoe geleid dat het de afgelopen jaren veelvuldig opgebracht is, wanneer dat opportuun werd geacht.

De concrete inzet, zoals in antwoord op eerdere Kamervragen is aangegeven, is aandacht vragen voor de strafrechtelijke uitspraak van het Gerechtshof op 13 mei 2024 en de bekrachtiging daarvan door de Hoge Raad in november 2025. Tevens blijft Nederland in India onder de aandacht brengen dat de Nederlandse rechter inmiddels al jaren geleden heeft geoordeeld dat de moeder het eenhoofdig gezag heeft. Ook wordt het grote belang van contactherstel tussen dochter en moeder onder de aandacht gebracht.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister wat telkens de reactie van India was. En welke concrete resultaten heeft de Nederlandse inzet tot nu toe opgeleverd? Hoe beoordeelt het kabinet zelf de effectiviteit van de huidige aanpak. En acht het kabinet de huidige inzet voldoende, gelet op het feit dat Insiya nog altijd niet terug is?

Antwoord: Het kabinet zet zich onverminderd in voor de zaak van Insiya waarbij de terugkeer van Insiya de hoogste prioriteit geniet. De Nederlandse inzet voor deze zaak wordt constant geëvalueerd en, waar mogelijk, worden extra of nieuwe stappen uitgelopen om tot een oplossing te komen in deze schrijnende casus. Dit gebeurt bijvoorbeeld na ieder contactmoment op diplomatiek niveau maar ook als er op juridisch vlak nieuwe stappen zijn gezet. Dit wordt in continu overleg met moeder gedaan.

Zoals gedeeld in de Kamerbrief Inzet Internationale kindontvoering India van 14 april 2026, wordt door India aangegeven dat het de schrijnende situatie erkent maar dat door de Indiase autoriteiten niet in de (nog lopende) rechtsgang in India kan worden getreden, net zoals dat ook het geval zou zijn in Nederland.

Het kabinet realiseert zich terdege dat de effectiviteit van eigen inzet moeilijk in te schatten is.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister welke bewindspersoon politiek eindverantwoordelijk is voor het vlottrekken van deze zaak. Is er een coördinerend bewindspersoon of een interdepartementale taskforce die deze taak trekt? Zo nee, is de minister dan bereid om een coördinerend bewindspersoon aan te wijzen, of een interdepartementale taskforce in te stellen?

Antwoord: Het kabinet zet zich in volle breedte en gecoördineerd in voor deze schrijnende zaak: de minister president, de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stemmen acties strak op elkaar af, samen met onze diplomatieke posten.

Resultaatgerichte herijking

De leden van de BBB-fractie vragen de minister om niet alleen uiteen te zetten wat Nederland de afgelopen jaren heeft gedaan, maar ook welke conclusie het kabinet daaruit trekt. Erkent de minister dat de tot nu toe gevolgde aanpak feitelijk niet heeft geleid tot de terugkeer van Insiya?

Antwoord: Wij erkennen dat de inzet van Nederland nog niet heeft geleid tot de terugkeer van Insiya. Het kabinet is continue aan de slag om in deze schrijnende zaak te komen tot een zo snel mogelijke terugkeer van Insiya en daarbij eveneens tot contact herstel tussen moeder en dochter. Dat dit nog niet tot terugkeer heeft geleid, betekent geen berusting: het kabinet blijft de zaak op verschillende niveaus bij de Indiase autoriteiten aankaarten.

Rechtsstaat en uitvoering van rechtelijke uitspraken

De leden van de BBB-fractie vragen de minister hoe hij het feit duidt dat een onherroepelijke uitspraak van de Nederlandse rechter in deze zaak in de praktijk niet wordt uitgevoerd. Wat betekent dit volgens de minister voor de geloofwaardigheid van de Nederlandse rechtsstaat? Acht het kabinet het uitlegbaar dat iemand die in Nederland onherroepelijk is veroordeeld voor ontvoering van een kind, tot op heden zijn straf niet in Nederland uitzit?

Antwoord: Zoals wij hebben toegelicht in reactie op vragen van de VVD-fractie, is de tenuitvoerlegging van een Nederlands vonnis, wanneer een veroordeelde zich in het buitenland bevindt, in de praktijk vaak complex. Dit komt doordat elk land soeverein is, en daaruit volgt dat Nederlandse opsporings- en vervolgingsinstanties geen bevoegdheid hebben om op te treden in andere landen. Wanneer een veroordeelde zich in het buitenland bevindt, zal Nederland daarom altijd de samenwerking nodig hebben van het betreffende land. Of een dergelijk verzoek succesvol is, hangt af van verschillende factoren, waaronder het bestaan van een juridische basis (zoals een bilateraal of multilateraal verdrag), de wettelijke kaders en procedures van het betreffende land en de bereidwilligheid om samen te werken. Hoewel de inzet van het kabinet er voortdurend op is gericht om (bilaterale) internationale strafrechtelijke samenwerking met landen te verbeteren, is dit een realiteit waar de Nederlandse rechtsstaat zich toe moet verhouden.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister welke mogelijkheden er internationaal bestaan om naleving van Nederlandse rechterlijke uitspraken in dit soort zaken te bevorderen fen/of af te dwingen. Heeft Nederland internationale fora of multilaterale mechanismen benut om deze zaak aan te kaarten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Omdat India geen verdragsland is, zijn er weinig gelegenheden waarop India in internationale fora zou kunnen worden aangesproken in verband met deze zaak. De Malta-conferentie, georganiseerd door het Permanent Bureau van de Haagse Conferentie voor het internationaal privaatrecht in 2024, waar met niet-verdragslanden gesproken werd over hoe om te gaan met kinderontvoerings- en kinderbeschermingszaken, had daartoe een gelegenheid kunnen zijn, maar helaas is India niet op de uitnodiging, om daarbij aanwezig te zijn, ingegaan.

In alle zaken waarbij een verdachte of veroordeelde zich in het buitenland bevindt, zal Nederland strafrechtelijke samenwerking, die bilateraal tussen landen plaatsvindt, moeten zoeken met het betreffende land. Of dit succesvol is hangt van verschillende factoren af, waaronder het bestaan van een juridische basis (bilateraal of multilateraal verdrag), de wettelijke kaders en procedures van het betreffende land en tot op zekere hoogte de bereidwilligheid van een land om samen te werken.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of hij bereid is om deze zaak nadrukkelijker te framen als een zaak over naleving van rechterlijke uitspraken binnen het strafrecht, en rechtstatelijke samenwerking, in plaats van uitsluitend als consulaire of familierechtelijke kwestie.

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De positie van Insiya

De leden van de BBB-fractie vragen of de minister kan bevestigen dat Insiya enkel de Nederlandse nationaliteit heeft. Indien de minister dit bevestigt vragen de leden welke bijzondere verantwoordelijkheid de minister voelt voor haar bescherming, terugkeer en consulaire positie. De leden vragen of Nederland ooit consulaire toegang tot Insiya hebben gevraagd. Zo ja, wanneer, hoe vaak en met welk resultaat. Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of Nederland ooit zelfstandig heeft kunnen vaststellen hoe het met Insiya gaat, los van informatie van de vader, diens omgeving of de Indiase autoriteiten. Zo nee, vindt de minister het aanvaardbaar dat Nederland al jarenlang niet zelfstandig heeft kunnen vaststellen hoe het gaat met een Nederlands kind dat door een strafbaar feit uit Nederland is weggehaald?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

Uitleveringsverdrag Nederland en India

De leden van de BBB-fractie constateren dat tussen Nederland en India een uitleveringsverdrag geldt, oorspronkelijk gesloten tussen het VK en Nederland. Kan de minister bevestigen dat dit verdrag nog altijd de geldende verdragsbasis vormt voor uitlevering tussen Nederland en India? En kan de minister bevestigen dat het verdrag uitlevering mogelijk maakt van personen die beschuldigd van of zijn veroordeeld voor een misdrijf dat op het grondgebied van de verzoekende staat is gepleegd en die zich bevinden op het grondgebied van de aangezochte staat?

Antwoord: Het klopt dat het verdrag van 26 september 1898 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, door middel van een briefwisseling tussen Nederland en India in 1967, nog altijd van toepassing is.

Hoewel dit verdrag formeel de geldende verdragsbasis kan vormen voor uitlevering, is – zoals hierboven aangegeven - de feitelijke uitvoering daarmee geen gegeven.

De leden van de BBB-fractie constateren dat het verdrag onder meer “abduction”, “Child stealing” en “kidnapping of minors and their false imprisnoment" noemt als uitleveringsdelicten. Erkent de minister dat deze verdragsbepalingen direct raken aan de zaak van Insiya? De leden vragen de minister om per genoemd verdragsdelict uiteen te zetten waarom de feiten waarvoor de vader in Nederland is veroordeeld daar volgens Nederland wel of niet onder vallen.

Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of de Nederlandse strafrechtelijke veroordeling van de vader juridisch aan India is gepresenteerd onder een of meer van deze uitleveringscategorieën? Indien Nederland het uitleveringsverzoek niet heeft gebaseerd op deze verdragscategorieën, waarom niet?

Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister, indien India heeft betwist dat de zaak onder deze uitleveringscategoriëen valt, om expliciet toe te lichten op welke grond India dat heeft gedaan.

Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar onze eerdere opmerking dat wij over de inzet die in deze specifieke zaak wordt gepleegd geen uitspraken kunnen doen. Bovendien geldt daarnaast dat er sprake is van vertrouwelijkheid met betrekking tot interstatelijke correspondentie.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister om te bevestigen dat het verdrag ook uitlevering mogelijk maakt voor deelneming aan genoemde misdrijven. De leden vragen de minister voorts of Nederland in het uitleveringsverzoek expliciet heeft gewezen op de rol van de vader als uitlokker, medepleger of deelnemer aan de ontvoering.

Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of Nederland in het uitleveringsverzoek onderbouwd heeft dat de gedragingen waarvoor de vader is veroordeeld ook naar Indiaas recht strafbaar zijn en dus vallen onder de dubbele strafbaarheid. En indien Nederland dit heeft gedaan, heeft India de dubbele strafbaarheid in deze zaak betwist? Op grond van welke argumenten dan?

Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of India zich heeft beroepen op de discretionaire mogelijkheid om eigen onderdanen niet uit te leveren. Zo ja, kan het kabinet dan bevestigen dat het dus niet gaat om een verdragsrechtelijke onmogelijkheid, maar om een (politieke) keuze van India? En als India weigert om een eigen onderdaan uit te leveren, heeft Nederland dan van India verlangd dat het de strafvervolging of strafexecutie in India zelf ter hand neemt? Zo ja, wat was hier de reactie van India op? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar onze eerdere opmerking dat wij over de inzet die in deze specifieke zaak wordt gepleegd geen uitspraken kunnen doen. Bovendien geldt daarnaast dat er sprake is vertrouwelijkheid met betrekking tot interstatelijke correspondentie.

Vrijhandelsakkoord EU-India

De leden van de BBB-fractie constateren dat de minister stelt dat het recent gesloten vrijhandelsakkoord tussen de EU en India geen inhoudelijke of juridische aanknopingspunten bevat voor deze zaak. Deze leden vinden dat een teleurstellende en onbevredigende conclusie. Wil de minister op zijn minst erkennen dat handelsrelaties nooit volledig losstaan van diplomatieke en politieke relaties?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie het akkoord presenteert als een versterking van economische en politieke banden tussen de EU en India, en dat de gepubliceerde teksten hoofdstukken bevatten over institutionele bepalingen, geschillenbeslechting, transparantie, goede regelgevingspraktijken en duurzame ontwikkeling. Is de minister bereid te erkennen dat dit niet hetzelfde is als “geen aanknopingspunten” voor politieke agendering van rechtsstatelijke samenwerking?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister, indien hij bij zijn conclusie blijft dat er geen aanknopingspunten zijn, om dan per relevant hoofdstuk toe te lichten waarom daar geen enkele mogelijkheid bestaat om de bredere rechtstatelijke relatie met India te agenderen?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of hij/Nederland bereid is om bij de Raad, de Europese Commissie en de EU-delegatie in New Delhi te bepleiten dat samenwerking op justitieel gebied, kinderbescherming, internationale kinderontvoering, naleving van rechtelijke uitspraken, het familierecht en het ontbreken van een effectieve medewerking door India onderdeel wordt van de bredere EU-India relatie. Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

Kinderrechten en internationale verplichtingen

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of het kabinet deze zaak expliciet beoordeelt onder het VN-Kinderrechtenverdrag. Kan de minister aangeven hoe Nederland, gegeven het feit dat Insiya een Nederlands kind is en de Nederlandse rechter het gezag bij haar moeder heeft gelegd, invulling geeft aan het belang van het kind, het recht op behoud van familiebanden en de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer van kinderen naar het buitenland te bestrijden?

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of India in bilaterale contacten expliciet is gewezen op de verplichtingen uit het VN-Kinderrechtenverdrag, in het bijzonder de verplichting om illegale overbrenging en niet-terugkeer van kinderen te bestrijden. Zo ja, wanneer is dit gebeurd en wat was de reactie van India? Zo nee, waarom heeft Nederland dit kinderrechtelijke kader niet nadrukkelijker ingezet?

Antwoord: Wij zijn ermee bekend dat India is aangesloten bij het IVRK en dit is ook eerder opgebracht richting India. Artikel 11 van het IVRK verplicht staten om maatregelen te treffen om ongeoorloofde overbrenging te bestrijden en dit te bewerkstelligen door het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten. In dit kader is Nederland partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag bevat wel afspraken en actieve verdragsverplichtingen voor landen over het teruggeleiden van kinderen waar zij zich aan dienen te houden en waar zij op aangesproken kunnen worden. India is echter niet aangesloten bij dit verdrag.

Het Haags Kinderontvoeringsverdrag

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of hij kan bevestigen dat India geen partij is bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Welke gevolgen heeft dat concreet gehad voor deze zaak? En heeft Nederland India de afgelopen jaren aangespoord om toe te treden tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag? Zo nee, waarom niet? En is de minister bereid om toetreding van India tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag actief te agenderen in bilaterale gesprekken in EU-verband?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

Is de minister bereid om, tot de tijd dat India toetreedt tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag, met India een bilateraal noodprotocol of werkafspraak te sluiten voor kinderontvoeringszaken, gericht op snelle lokalisering, onafhankelijke welzijnscontrole, contactherstel, erkenning van gezagsbeslissingen en een concreet terugkeerpad?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

Strategisch partnerschap met India

De leden van de BBB-fractie constateren dat de Indiase Minister-President een strategisch partnerschap tussen Nederland en India heeft aangekondigd (Indiase premier kondigt snel partnerschap met Nederland aan | WNL). De leden vragen de minister wat dit strategische partnerschap tussen Nederland en India concreet in gaat houden. Welke beleidsterreinen vallen onder dat strategische partnerschap? Worden justitiële samenwerking, rechsstatelijke samenwerking en kinderbescherming onderdeel van dit strategische partnerschap? Zo nee, waarom niet? Is de minister bereid om deze zaak expliciet te betrekken bij de vormgeving en tot standkoming van een strategisch partnerschap met India? Zo nee, waarom niet? En vindt de minister het geloofwaardig om te spreken van een strategisch partnerschap als fundamentele rechtstatelijke kwesties tussen beide landen onopgelost blijven? En kan het kabinet toezeggen dat samenwerking met India op economisch en technologisch terrein niet los wordt gezien van deze zaak?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

Bezoek van minister-president Modi aan Nederland

De leden van de BBB-fractie hebben vernomen dat minister-president Modi Nederland op korte termijn bezoekt. Kan de minister aangeven wanneer dit bezoek precies plaatsvindt, en wanneer en met welke (politieke) ambtsdragers Modi komt te spreken volgens het programma.

Antwoord: Het bezoek van de Indiase premier Modi vindt plaats op 16 en 17 mei 2026. Tijdens het bezoek zal premier Modi onder meer spreken met de Minister-president, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en zal tevens een onderhoud plaatsvinden met Zijne Majesteit de Koning.

De leden van de BBB-fractie vragen of deze zaak al op de agenda van dit bezoek staat. Zo ja, op welk niveau en met welke concrete inzet? Zo nee, waarom nog niet? Is de minister bereid om voorafgaand aan het bezoek expliciet bij India aan te kondigen dat Nederland deze zaak op het hoogste politieke niveau zal opbrengen? En is minister-president Jetten bereid om Modi persoonlijk te vragen om medewerking aan de terugkeer van Insiya en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader? En is de minister-president bereid om ook aan de Koning te vragen, mocht een ontmoeting tussen hem en Modi op de planning staan, of hij ook persoonlijk aan Modi wil vragen om medewerking aan de terugkeer van Insiya en de tenuitvoerlegging van de straf van de vader?

Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier Modi op het hoogste niveau expliciet bij India onder de aandacht brengen.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of het kabinet bereid is om niet alleen te spreken over “aandacht vragen”, maar om concrete uitkomsten te vragen, zoals contactherstel, consulaire toegang, medewerking aan uitlevering en een tijdpad voor terugkeer.

Antwoord: Het kabinet kan bevestigen dat het in contacten met de Indiase autoriteiten inzet op concrete stappen waaronder uitvoering van de rechterlijke uitspraken, contactherstel, medewerking aan uitlevering en consulaire toegang. Het kabinet acht het niet in het belang van de zaak om over deze gesprekken publiekelijk in details te treden.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of het kabinet bereid is om vóór het bezoek van minister-president Modi een aangescherpt handelingskader vast te stellen, met concrete doelen, termijnen en vervolgstappen. Daarbij vragen deze leden in ieder geval om niet alleen te spreken over "aandacht vragen", maar om concrete uitkomsten te vragen en in te gaan op consulaire toegang, onafhankelijk vaststellen van Insiya’s welzijn, structureel contactherstel met haar moeder, een tijdpad voor terugkeer van Insiya en medewerking aan uitlevering of een juridisch alternatief. Ook vragen zij welke consequenties het kabinet verbindt aan het opnieuw uitblijven van medewerking door India, en of de zaak dan wordt opgeschaald naar het hoogste politieke niveau en in EU-verband.

Antwoord: Het doel in deze schrijnende zaak is te allen tijden om tot zo snel mogelijke terugkeer van Insiya te komen en daarbij in elk geval tot contact herstel te komen tussen moeder en dochter. Daarbij zal nogmaals aangedrongen worden op consulaire toegang tot het meisje Insiya. De Kamer kan erop vertrouwen dat alles gedaan wordt -tot op het hoogste politieke niveau- om dit te realiseren, maar het kabinet kan niet in gaan op de specifieke inzet bij individuele gevallen.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of hij de Kamer direct na het bezoek kan informeren over wat hierover precies is besproken, en wat India heeft toegezegd. En welke concrete stappen zet het kabinet als India tijdens of na dit bezoek opnieuw geen beweging laat zien?

Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene zin te informeren over de wijze waarop de zaak Insiya in de gesprekken aan de orde is gesteld, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid. Het kabinet informeert de Kamer wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn en zal de Kamer in algemene zin informeren over deze zaak bij het jaarlijkse overzicht van zaken (n.a.v. motie Ellian).

Informatievoorziening aan de Kamer

De leden van de BBB-fractie constateren dat in de beslisnota behorende bij de Kamerbrief op meerdere plekken informatie is weggelakt met een beroep op het “procesbelang van de staat". Kan de minister concreet maken wat hieronder wordt verstaan in deze zaak? Gaat het om een lopende juridische procedure, diplomatie onderhandelingen, consulaire belangen, of iets anders? Hoe weegt het kabinet dit procesbelang tegen het grondwettelijke informatierecht van de Kamer? En is de minister bereid om de weggelakte passages vertrouwelijk aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

Vervolgstappen bij uitblijvende resultaat

De leden van de BBB-fractie vragen de minister welke diplomatieke, politieke en beleidsmatige drukmiddelen Nederland daadwerkelijk heeft geïnventariseerd indien India opnieuw geen concrete medewerking verleent. Kan de minister daarbij ingaan op opschaling in EU-verband, agendering in mensenrechten- en rechtsstaatdialogen, het verbinden van de zaak aan hoogambtelijke bezoeken, handelsmissies, visumfacilitatie, talentmobiliteit, defensiesamenwerking, technologiesamenwerking en andere vormen van bilaterale samenwerking?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister of het kabinet bereid is om een escalatieladder met termijnen aan de Kamer te sturen, desnoods vertrouwelijk. Kan de minister daarbij aangeven welke stap volgt na dertig dagen zonder concrete toezegging van India, welke stap volgt na zestig dagen, en welke stap volgt na negentig dagen?

Antwoord: Het doel in deze schrijnende zaak is te allen tijden om tot zo snel mogelijke terugkeer van Insiya te komen en daarbij eveneens tot contact herstel te komen tussen moeder en dochter. De Kamer kan erop vertrouwen dat alles gedaan wordt – tot op het hoogste niveau – om dit te realiseren, maar het kabinet kan niet in gaan op de specifieke inzet bij individuele gevallen.

  1. Vragen en opmerkingen van de leden van de groep Markuszower

De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van 14 april 2026 over de inzet bij internationale kinderontvoering naar India, en in het bijzonder de zaak van Insiya.

De leden van Groep Markuszower wijzen erop dat deze zaak niet alleen gaat over complexe internationale verhoudingen, maar begint bij een gewelddadige ontvoering die zich op klaarlichte dag in Amsterdam heeft afgespeeld. Een jong kind is daarbij met grof geweld meegenomen, midden in onze rechtsstaat. Tegen die achtergrond dringt zich een fundamentele vraag op: welk signaal denkt het kabinet af te geven door feitelijk te accepteren dat deze ontvoering tot op de dag van vandaag niet heeft geleid tot daadwerkelijke terugkeer van het kind en dat de hoofdverantwoordelijke zich daaraan kan blijven onttrekken?

Antwoord: Het kabinet is continue aan de slag om in deze schrijnende zaak te komen tot een zo snel mogelijke terugkeer van Insiya en daarbij eveneens tot contact herstel tussen moeder en dochter. Dat dit nog niet tot terugkeer heeft geleid, betekent geen berusting: het kabinet blijft de zaak op verschillende niveaus bij de Indiase autoriteiten aankaarten.

Tot slot wordt alle mogelijke inzet gepleegd om tot de ten uitvoer van het onherroepelijke vonnis te komen ten aanzien van vader.

Deze leden moeten constateren dat er al jarenlang wordt gesproken over inzet, aandacht en diplomatieke inspanningen, maar dat het resultaat uitblijft. Insiya verblijft nog altijd in India en heeft haar moeder al jaren niet gezien. De vraag dringt zich op wat de inzet van het kabinet feitelijk waard is als dit niet leidt tot concrete stappen richting terugkeer. Kan het kabinet daarom helder en zonder omhaal aangeven: wat heeft de gekozen strategie tot nu toe concreet opgeleverd en waarom zou diezelfde aanpak in de toekomst wél tot resultaat leiden? Ziet het kabinet niet in dat er een drastische koerswijziging nodig is door meer druk uit te oefenen op India?

Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de

Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier Modi op

het hoogste niveau expliciet bij India onder de aandacht brengen.

De ingrijpende zaak van Insiya heeft de onverminderde aandacht van het kabinet en de

huidige Nederlandse inzet wordt constant geëvalueerd waarbij eventuele nieuwe

mogelijkheden voor intensivering op dit onderwerp voortdurend worden meegenomen.

De leden lezen dat India stelt niet te kunnen ingrijpen in de eigen rechtsgang. Deze leden vragen het kabinet of het deze redenering accepteert, terwijl er sprake is van een onherroepelijk Nederlands vonnis en een situatie waarin een kind al jarenlang wordt onttrokken aan het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder. Waar ligt voor het kabinet de grens? Wanneer is “begrip voor de lokale rechtsgang” niet langer verdedigbaar?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden constateren dat Nederland binnen Europa wél resultaten boekt, zoals de aanhouding en overlevering van een veroordeelde in deze zaak. Dat maakt het contrast met India des te schrijnender. Is het kabinet bereid om expliciet uit te spreken dat India in deze zaak onvoldoende meewerkt? Zo nee, waarom wordt die conclusie niet getrokken?

Antwoord: Binnen de Europese Unie geldt een ander juridisch kader waarmee een verdergaande vorm van strafrechtelijke samenwerking is geregeld dan met landen buiten de EU. Waar samenwerking binnen de EU gebaseerd is op vergaand wederzijds vertrouwen en geharmoniseerde procedures, vereist samenwerking met landen buiten de EU een andere benadering waarbij de juridische en praktische samenwerking per land sterk kan verschillen.

Met het aanstaande bezoek van de Indiase minister-president Narendra Modi aan Nederland zien deze leden een cruciaal moment. Kan het kabinet toezeggen dat deze zaak op het hoogste niveau en ondubbelzinnig aan de orde wordt gesteld? Wordt daarbij ook expliciet gevraagd om concrete stappen van Indiase zijde en zo ja, welke?

Antwoord: Het kabinet brengt de zaak van het meisje Insiya in bilaterale contacten op bij de Indiase autoriteiten en zal deze zaak ook tijdens het aankomend bezoek van premier Modi op het hoogste niveau ondubbelzinnig bij India onder de aandacht brengen. Het kabinet acht het niet in het belang van de zaak om over de expliciet gevraagde stappen publiekelijk in details te treden.

Kan de Kamer na afloop van het bezoek zo snel mogelijk een brief ontvangen met daarin de gestelde eisen, de gegeven garanties en gekoppelde sancties?

Antwoord: Het kabinet is bereid de Kamer na afloop van het bezoek van premier Modi in algemene zin te informeren over de wijze waarop de zaak Insiya in de gesprekken aan de orde is gesteld, waarbij er rekening dient te worden gehouden met de vertrouwelijkheid.

De leden vragen het kabinet voorts of er daadwerkelijk drukmiddelen worden ingezet, of dat het bij diplomatieke gesprekken en verzoeken blijft. Welke consequenties verbindt het kabinet aan het uitblijven van medewerking door India? Zijn er scenario’s uitgewerkt waarin Nederland de relatie met India op onderdelen herziet als er geen voortgang komt?

Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.

Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is om deze zaak en vergelijkbare zaken, nadrukkelijker onderdeel te maken van de bredere bilaterale en Europese agenda richting India. Waarom wordt nu gesteld dat er geen relatie is met bijvoorbeeld economische samenwerking, terwijl juist die relatie mogelijk invloed kan uitoefenen?

Antwoord: Beantwoording volgt later.

De leden vragen het kabinet ook om duidelijkheid over de inzet richting de vader, die wordt gezien als de centrale figuur achter de ontvoering. Welke concrete stappen worden gezet om hem ter verantwoording te roepen? Wordt er actief ingezet op internationale signaleringen, opsporingsverzoeken of andere juridische instrumenten en zo ja, met welk resultaat?

Antwoord: Over de inzet in deze specifieke zaak kunnen wij, hoe begrijpelijk de behoefte aan duidelijkheid ook is, helaas geen uitspraken doen. Voor de bredere context en uitleg over onze werkwijze verwijzen wij u graag naar de hierboven geformuleerde antwoorden.

Tot slot vragen de leden het kabinet om niet opnieuw te volstaan met algemene formuleringen over inzet, maar concreet te maken wat er de komende weken en maanden gaat gebeuren. Welke stappen worden vóór, tijdens en na het bezoek van minister-president Modi gezet en welke resultaten moeten dat opleveren?

Antwoord: Het doel in deze schrijnende zaak is ten alle tijden om tot zo snel mogelijke terugkeer van Insiya te komen en daarbij in elk geval tot contact herstel te komen tussen moeder en dochter. De Kamer kan erop vertrouwen dat alles gedaan wordt om dit te realiseren, maar het kabinet kan niet in gaan op de specifieke inzet bij individuele gevallen.

Voor de leden van Groep Markuszower staat voorop dat het hier gaat om een kind dat al jarenlang van haar moeder is gescheiden. Dat vraagt niet om terughoudendheid, maar om zichtbare inzet en, waar nodig, om het opvoeren van de druk.


  1. 2018Z01420, 2020Z15616, 2020Z15297, 2020Z18668, 2021Z19439, 2022Z06366, 2022Z06457, 2022Z26412 en 2024Z14965.↩︎

  2. U.S. Department of State (2025), Annual Report on International Child Abduction, raadpleegbaar via 2025 Annual Report on International Child Abduction.↩︎

  3. Ministerie van Justitie en Veiligheid (2023), Overzicht inspanningen internationale kinderontvoering 2023, raadpleegbaar via Overzicht inspanningen internationale kinderontvoering 2023 (1).pdf↩︎