[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Rapport Voedselexporten Afrika ECDPM-WUR

Afrika-beleid

Brief regering

Nummer: 2026D21738, datum: 2026-05-12, bijgewerkt: 2026-07-28 17:13, versie: 3 (versie 1, versie 2)

Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-29237-258).

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 29237 -258 Afrika-beleid.

Onderdeel van zaak 2026Z09617:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026

29 237 Afrika-beleid

Nr. 258 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 mei 2026

Hierbij biedt het kabinet uw Kamer het onderzoek van het European Centre for Development Policy Management (ECPDM) en Wageningen Social & Economic Research naar mogelijke structurele effecten van Nederlandse agrifood-exporten naar kwetsbare Afrikaanse landen aan. Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de motie van de leden Thijssen en Amhaouch c.s. van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 29 237, nr. 196) en de motie van het lid Boswijk c.s. van 31 januari 2024 (Kamerstuk 36 410 XVII, nr. 32). Hiermee wordt tevens voldaan aan de toezeggingen gedaan aan het lid Boswijk.1

Het onderzoek bestaat uit twee delen: een literatuurstudie en twee case studies naar exporten van specifieke producten. Voor het onderzoek hebben de onderzoekers, overeenkomstig de motie, zich gericht op sub-Sahara Afrika (zonder Zuid-Afrika), om de focus te leggen op markten die worden gekenmerkt door een hoge structurele kwetsbaarheid en een laag niveau van industriële landbouwontwikkeling. De selectiecriteria voor de twee geïdentificeerde cases zijn de exportwaarde, het Nederlandse marktaandeel in de totale invoer van het betreffende land en de kwetsbaarheid van het lokale voedselsysteem. Met deze criteria zou een meetbaar structureel effect kunnen bestaan op de lokale voedselproductie en de lokale markt. Op basis hiervan zijn de exporten van uien naar Senegal (circa USD 33,3 miljoen en 71% marktaandeel) en aardappelen naar Ivoorkust (circa USD 10 miljoen en 84% marktaandeel) naar voren gekomen als de meest relevante gevallen. De onderzoekers stellen dat door juist deze «maximale» gevallen diepgaand te onderzoeken, deze case studies het beste inzicht geven in mogelijke structurele effecten van Nederlandse voedselexport. Als in deze gevallen weinig of geen structurele effecten worden gevonden, ligt het in de rede dat eventuele effecten bij kleinere en minder dominante exportstromen nog beperkter of afwezig zullen zijn.

Op basis van het onderzoek komen ECPDM en Wageningen Social & Economic Research tot de volgende bevindingen. Allereerst komt slechts twee procent van de totale voedselimport van kwetsbare markten in sub-Sahara Afrika uit Nederland. Deze importen vertegenwoordigen een waarde van ongeveer één miljard Amerikaanse dollar per jaar, en laten de laatste jaren een afnemende trend zien.

In de eerste case studie is gekeken naar de export van Nederlandse uien naar Senegal. Nederland neemt met een marktaandeel van 71% daar het grootste deel van de uienimport voor zijn rekening, maar de onderzoekers laten zien dat deze uien vooral buiten het Senegalese oogstseizoen het land binnenkomen. De Senegalese overheid voert namelijk een actief handelsbeleid met seizoensgebonden importverboden en hoge tarieven tijdens de oogstperiode om lokale telers te beschermen. Op basis van de uitgevoerde econometrische analyses vinden de onderzoekers geen statistisch bewijs dat Nederlandse exportvolumes of -prijzen de binnenlandse uienprijzen structureel drukken. De importen worden door betrokken partijen vooral gezien als aanvulling op de lokale productie in perioden van schaarste, en niet als verdringing van lokale boeren. Daarnaast laat het onderzoek zien dat Nederlands uienzaad wordt beschouwd als een belangrijke input om de lokale uienproductie verder te versterken.

De tweede casestudie richt zich op de export van Nederlandse aardappelen naar Ivoorkust. De consumptie van aardappelen neemt daar toe, maar de binnenlandse productie is vrijwel afwezig, waardoor de markt nagenoeg volledig afhankelijk is van import, met Nederland als belangrijkste leverancier. De beschikbare data laten zien dat lagere Nederlandse exportprijzen samenhangen met hogere importvolumes, maar door de kleine omvang van de lokale aardappelsector en beperkte prijsinformatie kunnen de onderzoekers geen duidelijke negatieve prijseffecten voor lokale producenten vaststellen. In de huidige situatie is er nauwelijks directe concurrentie met Ivoriaanse telers en worden de importen vooral gezien als het invullen van een vraag waarin lokaal niet wordt voorzien. Ook hier spelen Nederlandse pootaardappelen een rol als belangrijk uitgangsmateriaal voor de mogelijke opbouw van een eigen aardappelsector op langere termijn.

Op basis van de twee case studies naar geselecteerde product-land-combinaties concluderen de onderzoekers dat er geen statistisch bewijs of andere aanwijzingen zijn dat de onderzochte Nederlandse exportstromen structureel negatieve effecten op lokale productie en markten hebben. In beide casussen wordt de bestaande handel door de betrokken (lokale) partijen vooral gezien als complementair aan, en niet als concurrentie voor, de lokale productie. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de Nederlandse exporten de prijzen die lokale producenten ontvangen negatief zouden beïnvloeden.

Daarnaast laten de onderzoekers zien dat één van de onderzochte landen een actief handelsbeleid voert en het beschikbare handelsdefensieve instrumentarium bewust inzet om de eigen markt te beschermen, onder meer via seizoensgebonden importbeperkingen en tarieven. Daarmee maakt de overheid eigen afwegingen over de inrichting van de markt en de bescherming van lokale producenten tijdens de oogstperiode. Dit onderstreept dat het ontvangende land zelf in belangrijke mate bepaalt hoe handelsstromen uitwerken op de lokale markt.

De onderzoekers benadrukken dat de effecten van handel op lokale markten complex en sterk contextafhankelijk zijn, en mede worden bepaald door lokale beleidskeuzes en andere actoren. Daarom kunnen in afzonderlijke gevallen negatieve effecten van Nederlandse exporten naar kwetsbare landen niet geheel worden uitgesloten. Tegelijkertijd achten de onderzoekers het zeer waarschijnlijk – gezien de beperkte relatieve omvang van de totale Nederlandse export en de hoge marktaandelen in de onderzochte casussen – dat de eventuele effecten van kleinere en minder dominante exporten op lokale markten zeer beperkt zijn.

Het kabinet verwelkomt de hoofdconclusies van de onderzoekers, die in belangrijke mate inzicht geven in het functioneren van kwetsbare markten in Afrika en de mogelijke invloed daarop van Nederlandse agri-food exporten. Daarbij onderkent het kabinet ook het belang van de rol van Nederlandse exporten van uitgangsmateriaal, zoals zaaizaad en pootgoed, die in het onderzoek worden aangemerkt als essentiële input voor de versterking van de lokale landbouwproductie en concurrentiekracht. Het kabinet constateert op basis van het onderzoek dat Nederlandse voedselexport in de beschouwde gevallen niet leidt tot structurele verdringing van lokale boeren, maar veeleer bijdraagt aan het opvangen van seizoens- of aanbodtekorten en aan het verbeteren van productiviteit en kwaliteit.

Het onderzoek schetst een genuanceerd beeld van de relatie tussen handel, voedselzekerheid en lokale ontwikkeling. De onderzoekers laten zien dat de effecten van handel sterk contextafhankelijk zijn en mede worden bepaald door lokale beleidskeuzes, vraag- en consumptiepatronen en agro-ecologische omstandigheden. Dit genuanceerde beeld sluit aan bij de inzet van het kabinet om handels- en ontwikkelingsbeleid in samenhang te bezien. Het kabinet zal de bevindingen en de onderliggende nuanceringen betrekken bij de verdere vormgeving van het Nederlandse handels- en voedselzekerheidsbeleid, met bijzondere aandacht voor situaties waarin handel daadwerkelijk complementair is aan lokale productie en bijdraagt aan duurzame versterking van voedselsystemen.

De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma


  1. Toezeggingen aan Boswijk TZ202402-030 op 31 januari 2024 en TZ202501-001 op 20 november 2024.↩︎