Opvolging in Beeld: Periodieke rapportages Ministerie van BZK vanaf 2024
Beleidsdoorlichting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Brief regering
Nummer: 2026D22955, datum: 2026-05-19, bijgewerkt: 2026-09-04 10:58, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiƫle HTML versie (kst-30985-69).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 30985 -69 Beleidsdoorlichting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Onderdeel van zaak 2026Z10197:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 11:30 ā Agenderen voor het commissiedebat Functioneren Rijksdienst op 28 oktober 2026. (Besluit)
- 2026-05-26 15:45 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-26 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-04 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-10-28 10:00: Slagvaardige overheid en regeldruk (Commissiedebat), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (š origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 |
30 985 Beleidsdoorlichting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Nr. 69 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 mei 2026
In deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over de opvolging van aanbevelingen uit afgeronde Periodieke rapportages voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna BZK) vanaf 2024.
Evaluaties vormen een belangrijke basis voor een lerende overheid. Niet voor niets neem ik jaarlijks in mijn begroting een Strategische Evaluatie Agenda (SEA) op die zichtbaar maakt hoe ik systematisch werk aan het verkrijgen van inzicht in bereikte resultaten en effecten van de beleidsinzet van BZK. Beleid kan verbeteren als we goed weten wat de achterliggende problemen zijn, in welke richting de oplossing ligt en hoe we daar met passende inzet op kunnen handelen. Evaluaties bevorderen onze kennis hierover en dragen bij aan continu verbeteren.
Naast dit lerende aspect geven evaluaties ook inzicht in de besteding van publieke middelen. Door uw Kamer te betrekken bij de opvolging van evaluatieaanbevelingen blijven deze onder de aandacht en kan de voortgang worden meegenomen in toekomstige beleidsdiscussies en besluitvorming1.
Met deze brief geef ik voor de tweede keer departementsbreed inzicht in de opvolging van aanbevelingen uit evaluaties2. Hierbij richt ik mij specifiek op de zogenoemde Periodieke rapportages. Deze synthese-evaluatieonderzoeken voer ik elke 4ā7 jaar uit over alle SEA-themaās op mijn begroting. De komende jaren zal ik uw Kamer jaarlijks informeren over Periodieke rapportages die sinds 2024 zijn uitgevoerd. Er is dus sprake van een ingroeipad dat uiteindelijk leidt tot een brief die jaarlijks ingaat op aanbevelingen over alle beleidsterreinen van BZK. In de bijlage van deze brief is ook aandacht voor de besparingsvarianten die worden uitgewerkt in Periodieke rapportages3.
Ik hoop dat deze brief een waardevolle bijdrage levert aan het gesprek over hoe we samen de maatschappelijke meerwaarde van beleid kunnen vergroten. De bereidheid Ć©n de noodzaak om te leren van het overheidsbeleid uit het verleden is aanwezig. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van ons allen ā kabinet en Tweede Kamer ā om die lessen te benutten en om te zetten in betere besluitvorming voor de toekomst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Begrotingshoofdstuk IV: Koninkrijksrelaties
SEA- Thema: Bevorderen sociaaleconomische structuur
Overkoepelende toelichting SEA-thema:
De doelstelling van het thema is het bewerkstelligen van een merkbare, positieve verandering in het leven van de burgers in het Caribisch deel van het Koninkrijk door de bestuurlijke en de financieel- en sociaaleconomische weerbaarheid en zelfredzaamheid van Aruba, CuraƧao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba te versterken. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) draagt daaraan bij middels het versterken van de uitvoeringskracht, het inzetten van kennis en expertise en het coƶrdineren van de inzet van het Rijk.
| Kamerstuk 33 189, nr. 22 | Periodieke rapportage | 2025 (scope: 2016ā2023) | Artikel 4 | ⬠44 mln. (in 2023) |
Conclusies onderzoek:
Als eerste stellen de onderzoekers dat in de periode 2016ā2023 de jaarlijkse uitgaven op het onderzochte beleidsartikel sterk hebben gefluctueerd, vooral door incidentele uitgaven voor acute crises zoals de coronapandemie. Slechts een klein deel van het budget is structureel en kon op basis van eigen beleid van BZK worden besteed. Daarnaast stellen de onderzoekers dat er een beperkte samenhang en beleidslogica is van het artikel 4-beleid en dat een overkoepelende beleidslogica ontbreekt. Artikel 4 functioneert in de praktijk vooral als restartikel: het stelt BZK in staat snel en flexibel te reageren op urgente situaties en bij te springen waar nodig. De onderzoekers concluderen verder dat het aantal evaluaties wat de onderzoekers konden gebruiken beperkt was. Hierdoor moesten de onderzoekers aanvullend onderzoek doen in deze Periodieke Rapportage.
Voor wat betreft doeltreffendheid constateren de onderzoekers dat het gevoerde beleid wisselend is geweest. In een meerderheid van de onderzochte projecten werden de beoogde resultaten door de inzet van het beleid gerealiseerd, maar de beoogde maatschappelijke effecten op de langere termijn werden niet altijd behaald of konden nog niet worden vastgesteld. Dat kwam vooral doordat veel projecten nog in uitvoering waren, en vanwege vertragingen door beperkte uitvoeringscapaciteit van lokale overheden en als gevolg van lokale politieke besluitvorming en bestuurswisselingen.
De doelmatigheid kon in veel gevallen niet worden beoordeeld, o.a. omdat de beoogde effecten nog niet gerealiseerd waren. In die gevallen kon geen duidelijke relatie gelegd worden tussen de bestede middelen en de behaalde resultaten. Waar dit wel mogelijk was, werd doelmatigheid vaak positief beoordeeld omdat er voor het gestelde doel geen ander middel beschikbaar was dan het ingezette beleid. Daarnaast verliep de uitvoering van projecten vaak relatief efficiƫnt, met nog ruimte voor verbetering in de afstemming met lokale partners en de inzet van de juiste expertise. Ook werd opgemerkt dat sommige projecten vanuit het Ministerie van BZK werden geleid, terwijl het thema qua inhoud onder de verantwoordelijkheid van andere ministeries viel.
Ten aanzien van de coƶrdineerde rol stelt de Periodieke rapportage dat deze moeilijk uitvoerbaar is vanwege een aantal systemische beperkingen. Hierbij zien de onderzoekers het als een fundamenteel probleem dat een gezamenlijke rijksbrede toekomstvisie op de relatie met Bonaire, Sint Eustatius en Saba ontbreekt, waardoor het moeilijk is om prioriteiten te stellen en andere departementen te verbinden aan integrale opgaven.
Voor het financieel bekostigen van taken van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba blijven de Bijzondere Uitkeringen hun meerwaarde houden. Wel wijzen de onderzoekers op het knelpunt dat bijzondere uitkeringen vaak voor tijdelijke financiering van structurele kosten worden ingezet.
Tenslotte concluderen de onderzoekers dat de huidige doelstelling en benaming van artikel 4 niet passend zijn, omdat deze suggereren dat het Ministerie van BZK een structurele, inhoudelijke verantwoordelijkheid heeft voor het bevorderen van de sociaaleconomische structuur in de Caribische delen van het Koninkrijk. Veel van de uitgaven onder artikel 4 betreffen volgens de onderzoekers projecten die inhoudelijk thuishoren bij andere departementen, of betreffen incidentele of historische verplichtingen.
| Doeltreffendheid/doelmatigheid/beleidsdoelstellingen in perspectief | |
| 1. Probeer bij de (co)financiering, wanneer de te realiseren voorziening lokale beheerkosten met zich meebrengt, altijd de begunstigde te committeren aan deze beheerkosten. | Eind 2026 ontvangt uw Kamer de reactie op de aanbevelingen uit de Periodieke rapportage. |
| 2. Maak samenhangende themaās het uitgangspunt voor de SAE en niet de begrotingsartikelen. | |
| 3. Maak een helder onderscheid tussen themaās die qua inhoud wel en niet thuishoren bij het departement en stel alleen een Periodieke rapportage op voor de laatste categorie. | |
| 4. Stel naast thematische Periodieke rapportages ook een Periodieke rapportage op die zich richt op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de faciliterende rol van het departement. | |
| 5. Herformuleer de benaming en doelstelling van artikel 4, zodat deze beter aansluit bij de inhoud. | |
| 6. Hevel alle beleidsarme en beleidsvrije verplichtingen over naar ƩƩn van de niet-beleidsartikelen. | |
| 7. Alloceer de evaluaties van de geadopteerde projecten. | |
| Coƶrdinerende rol BZK | |
| 8. Definieer de rol van het Ministerie van BZK in faciliterende termen. | Eind 2026 ontvangt uw Kamer de reactie op de aanbevelingen uit de Periodieke rapportage. |
| 9. Formuleer een eigen KR-visie. | |
| 10. Zet escalatie in als strategisch instrument om meer gedaan te krijgen. | |
| 11. Stationeer een deel van de beleidscapaciteit lokaal in de regio. | |
| 12. Werk een communicatiestrategie uit voor de afstemming met andere departementen. | |
| 13. Herijk de interdepartementale overlegstructuur. | |
| 14. Overweeg een meer dwingende consultatieplicht voor andere departementen. | |
| Bijzondere uitkeringen | |
| 15. Zie toe op systematische nalevingsplicht tot inwinnen van advies TBU. | Eind 2026 ontvangt uw Kamer de reactie op de aanbevelingen uit de Periodieke rapportage. |
| 16. Voeg twee nieuwe vragen toe aan het Toetsingsformulier Bijzondere Uitkeringen BES 2022. | |
| 17. Stel vast in welke gevallen een BU aangewezen is als financieringsinstrument en in welke gevallen een alternatieve vorm van financiering is aangewezen. | |
| 18. Stel in de bestedingsvoorwaarden van een BU het «wat» centraal. | |
| 19. Verstrek voor structurele kosten alleen structurele financiering. | |
| 20. Breng de frequentie van voortgangsrapportages terug naar twee keer per jaar. |
Begrotingshoofdstuk IV: Koninkrijksrelaties
SEA- Thema: Schuldsanering/lopende inschrijving/leningen
Overkoepelende toelichting SEA-thema:
Artikel 5 begroting IV Koninkrijksrelaties betreft het ondersteunen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciƫn van CuraƧao en Sint Maarten door ten eerste de kwijtschelding van een deel van de schulden van CuraƧao en Sint Maarten (in 2010) en ten tweede door het aanbieden van de mogelijkheid van een lopende inschrijving door Nederland op door CuraƧao en Sint Maarten uitgegeven schuld tegen het actuele rendement op Nederlandse staatsleningen van de desbetreffende looptijd. Ook het uitoefenen van toezicht zoals vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht (Rft) voor CuraƧao en Sint Maarten, de protocollen Aruba-Nederland, de liquiditeitssteun in het kader van covidpandemie aan CuraƧao, Sint Maarten en Aruba, een aantal incidentele leningen en de garantie voor het riolerings- en waterzuiveringsprogramma van Bonaire vallen hieronder.
Kamerstuk 33 189, nr. 20 en Kamerstuk 33 189, nr. 21 |
Beleidsdoorlichting | 2024 (scope: 2016ā2022) | H4, Artikel 5 | ⬠224 mln. (2022) |
Conclusies onderzoek:
Uit de beleidsdoorlichting van artikel 5 komt een gemixt beeld als wordt gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de instrumenten die zijn ingezet. Als wordt gekeken naar de beleidsinzet dan is deze overwegend doeltreffend geweest. De inzet (Rijkswet financieel toezicht (Rft), protocollen Aruba-Nederland, schuldsanering en leningen) heeft geleid tot transparantie over en inzicht in de financiƫn van de landen, de verlening van financiƫle steun om de gevolgen van financiƫle en niet-financiƫle schokken op te vangen en financiƫle stabiliteit en vertrouwen van de financiƫle markten. Deze inzet is beperkt doeltreffend geweest op het gebied van het realiseren van de financiƫle normen opgenomen in de Rft en de protocollen Aruba- Nederland, houdbare overheidsfinanciƫn en structureel economische ontwikkeling. De inzet op de verbetering van het financieel beheer is volgens SEO niet doeltreffend geweest. Dit vertaalt zich in de scores voor de doelmatigheid. De inzet van de liquiditeitsleningen en incidentele leningen zijn doelmatig geweest. Voor de schuldsanering, Rft en protocollen Aruba-Nederland komt SEO tot het oordeel dat deze beperkt doelmatig is geweest. Het uitblijven van verbeteringen op het vlak van financieel beheer van de landen is volgens SEO een belangrijke factor die aan deze conclusie bijdraagt. Dit terwijl dit al in gang was gezet rond de schuldsanering en een direct beleidsresultaat vormt van de Rft en de protocollen Aruba-Nederland. De doeltreffendheid en doelmatigheid is daarnaast beperkt door het niet realiseren van structurele economische hervormingen en institutionele versterkingen. SEO geeft aan dat de beleidsdoelstellingen van artikel 5 nog steeds actueel zijn.
| 1. Heb in de beleidsagenda structureel aandacht voor de verbetering van het financieel beheer van de landen. | Onderhanden: De landen werken, naar aanleiding van de aanbevelingen uit de meest recente evaluatie van de Rft, in samenwerking met het College financieel toezicht (Cft) aan een toetsingskader met betrekking tot artikel 15,lid 2 van de Rft. Dit artikel ziet op de volledigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid van de begroting. Ook wordt aan de hand van dit artikel getoetst of de opgenomen ontvangsten en uitgaven toereikend zijn toegelicht. Daarnaast wordt via de landspakketten (welke onderdeel zijn van artikel 4 van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties) samengewerkt om het financieel beheer te verbeteren. Via deze trajecten is er nadrukkelijk aandacht voor het verbeteren van het financieel beheer. Gelet op de inspanningen vanuit het landspakket zullen op dit moment vanuit Nederland geen nieuwe trajecten worden opgestart. Binnen de landspakketten vindt (waar nodig) reeds prioritering plaats ten aanzien van het financieel beheer. Aruba, CuraƧao en Sint Maarten zullen zich blijven inzetten voor het verbeteren van het financieel beheer en desgevraagd kan Nederland hierbij ondersteuning bieden. |
| 2. Verminder de procycliciteit en focus op de jaarlijkse begrotingen door het ontwikkelen van een langetermijnvisie op de overheidsfinanciƫn van de landen. | Onderhanden: Op dit moment biedt de Rft geen tot weinig mogelijkheden tot anticyclisch beleid door de verplichting van een jaarlijks sluitende gewone dienst en tekortcompensatie. Het ontwikkelen van een langetermijnvisie op de overheidsfinanciƫn wordt onderschreven, waarbij verantwoordelijkheid hiervoor bij de landen zelf ligt. Gelet op bovenstaande wordt ingezet op het maken van afspraken (bijvoorbeeld in de vorm van beleidsregels) met betrekking tot het voeren van anticyclisch beleid voor zover mogelijk binnen de wettelijke kaders. Los van de bestuurlijke en juridische mogelijkheden, is dit ook een financieel-economische vraag. Anticyclisch beleid moet ook verstandig zijn. Volgens het IMF zal eerst voldaan moeten worden aan het bereiken van een houdbare schuldquote. |
| 3. Expliciteer de wijze van toepassing van een aantal bepalingen in de Rft zoals de wijze waarop tekortcompensatie moet plaatsvinden. | Onderhanden: Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat een aantal bepalingen met betrekking tot het financieel toezicht discussie oplevert. Ik zal daarom aan CuraƧao en Sint Maarten aanbieden om binnen de wettelijke kaders te verkennen of een beleidsregel of hardheidsclausule, met voorwaarden, kan worden geformuleerd die in het vervolg kan worden toegepast. |
| 4. Ontwikkel en implementeer een visie en regime voor het omgaan met externe schokken die de landen raken. | Onderhanden: Hierbij wordt aangetekend dat externe schokken altijd om maatwerk zullen vragen. Zo vergt een pandemie een geheel andere wijze van hulp en bijstand dan een natuurramp. Daarnaast kan lering getrokken worden uit het traject Rijkswet houdbare overheidsfinanciƫn Aruba. In de ontwerp Rijkswet zijn ten opzichte van de Rft aanvullende processtappen opgenomen m.b.t. hoe om te gaan met externe schokken (buitengewone gebeurtenissen). CuraƧao en Sint Maarten wordt aangeboden om te verkennen welke van deze stappen overgenomen kunnen worden om het regime te verbeteren. |
| 5. Ontwikkel een afwegingskader voor de interactie tussen de vormgeving van financiƫle steun aan de landen met de doelstelling van artikel 5 om te komen tot houdbare overheidsfinanciƫn en structurele gezonde sociaaleconomische ontwikkeling. | Onderhanden: Zoals in voorgaande aangegeven zal het bij het verlenen van steun vooral om maatwerk gaan. Het voorstel is om niet te gaan werken met een afwegingskader. Naast dat een afwegingskader mogelijk beperkend kan werken en weinig ruimte biedt tot noodzakelijke flexibiliteit is het geven van financiƫle steun uiteindelijk een politieke keuze. |
Begrotingshoofdstuk VII: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
SEA-thema: Sterke en weerbare democratische rechtstaat, Goed functionerend openbaar bestuur
Overkoepelende toelichting SEA-thema:
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werkt aan een slagvaardig en betrouwbaar openbaar bestuur waarop inwoners kunnen vertrouwen en wat oog heeft voor de menselijke maat. Een openbaar bestuur dat samen met de samenleving in staat is de maatschappelijke opgaven op te lossen. Veranderingen in onze maatschappij beĆÆnvloeden hoe ons bestuur en onze democratie werkt. Om waarden als legitieme besluitvorming, slagkrachtig openbaar bestuur en transparantie daarbij te behouden en democratische waarden en vrijheden te borgen en te versterken, is continue aandacht nodig voor de werking en inrichting van democratie en bestuur.
| Kamerstuk 30 985, nr. 65 | Beleidsdoorlichting | 2024 (Scope: 2018 t/m 2021) |
H7, Artikel 1 | ⬠101 mln. (2021) |
Conclusies onderzoek:
Dit rapport onderzocht de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid in de periode 2018ā2021 dat valt onder artikel 1 van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit artikel gaat over openbaar bestuur en democratie in zeer brede zin en beslaat een thematiek van de organisatie van verkiezingen tot interbestuurlijk samenwerken en van de financiering van politieke partijen tot het subsidiĆ«ren van de oorlogsgravenstichting. De beleidsdoorlichting had tot doel de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid vast te stellen. De onderzoekers merkten daarbij op dat dit binnen het domein van openbaar bestuur en democratie in veel gevallen bijzonder complex is. Dat komt ten eerste doordat overheidsbeleid het resultaat is van de interactie tussen uiteenlopende politieke en bestuurlijke actoren op verschillende bestuurslagen. Het behalen van doelen is daardoor moeilijk uitsluitend toe te schrijven aan specifiek BZK-beleid, maar ontstaat in het samenspel tussen verschillende partijen. Ten tweede worden de beleidsdoelen voortdurend beĆÆnvloed door nieuwe opgaven en maatschappelijke ontwikkelingen, waardoor ze niet statisch zijn. Het vaststellen van doelbereik is in die context per definitie lastig. De beleidsdoorlichting probeerde binnen deze beperkingen zo goed mogelijk inzicht te geven in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid. De belangrijkste conclusie was echter dat er in veel gevallen slechts in beperkte mate zicht bestond op beide. Op basis van de bestaande evaluatieonderzoeken kon niet in alle gevallen een scherp of eenduidig beeld worden gegeven van de mate waarin het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan het functioneren van het openbaar bestuur en de democratie.
| 1. Eigen werkwijze systematisch tegen het licht houden. | Onderhanden: Zoals beschreven in de vorige Opvolgingsbrief (Kamerstuk 30 985, nr. 66) is er aandacht voor het structureler toepassen van beleidstheorieƫn, het beleidskompas en het structureler leren van de eigen werkwijze. Het gebruik van het beleidskompas wordt gestimuleerd bij het opstellen van projectplannen. Dit heeft er toe geleid dat binnen het Thema Goed Bestuur voor de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) een onderzoeksmodel is opgesteld op basis van een uitgewerkte beleidstheorie. Daarmee is het instrument UDO beter evalueerbaar gemaakt. Dit maakt een nulmeting in 2026 en een evaluatie in 2028 mogelijk. Zo ontstaat meer inzicht in de werking van het instrument en in de eigen werkwijze bij Goed Bestuur en interbestuurlijke verhoudingen in de beleidsvorming. |
| 2. Overzicht van beleidsdossiers en beleidsdoelen maken. | Onderhanden: Voor het thema Goed Bestuur is momenteel een Strategische Agenda opgesteld die beter inzicht geeft in de belangrijkste prioritaire dossiers en hun relatie tot de beleidsdoelen. Dit vergroot de navolgbaarheid van dossiers en maakt de inzet op het beleidsterrein van Goed Bestuur beter inzichtelijk voor een volgende Periodieke rapportage. Dit zal de komende periode nog leiden tot een verdere professionalisering van de interne werkwijzen. Voor het thema Sterke en weerbare democratische rechtsstaat is een programmaplan opgesteld, waar ook evaluaties en overige kennisontwikkeling deel van uitmaken. Binnen de directiejaarplannen zijn prioritaire themaās benoemd (zoals democratische rechtsstaat, waardevol ambt, weerbare samenleving, goed bestuur), wat de interne samenhang en interne logica binnen dossiers zichtbaarder maakt. Dit overzicht is voldoende concreet als basis voor een volgende Periodieke rapportage. |
3. Maak systematisch en structureel probleemanalyses en formuleer beleidstheorieƫn. |
Onderhanden: Dit vormt een blijvend aandachtspunt bij de ontwikkeling van (nieuw) beleid bij beide directies. In ƩƩn van de betrokken directies is afgesproken dat bij nieuw beleid de beleidsdoelstelling en beleidstheorie expliciet wordt geformuleerd en vastgelegd. Recent voorbeeld is de programmatische aanpak voor een weerbare democratische rechtsstaat, waarvoor een uitgebreide analyse van wetenschappelijke experts ten grondslag ligt. Bij een andere betrokken directie is bij nieuwe directiebrede opdrachten aandacht voor probleemdefinities en passende oplossingsrichtingen door middel van de inzet van gestandaardiseerde formats waarin de vragen zitten van het beleidskompas (van probleemanalyse tot gekozen aanpak). Actueel voorbeeld is de Aanpak Slagkracht binnen het thema Goed bestuur, waarbij een beleidstheorie opgesteld wordt. Daarnaast sluit het onderzoekmodel voor de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden ook goed aan bij deze aanbeveling. Verder kan genoemd worden dat wetsvoorstellen standaard een memorie van toelichting bevatten waarin de beleidstheorie is uitgewerkt. Ook wordt op allerlei hoofdthemaās periodiek onderzoek verricht, zoals Basismonitor Politieke Ambtsdragers, Monitor Integriteit en veiligheid, en wisselende specifieke onderzoeken op deelthemaās, waaronder ook nulmetingen. Met de Staat van het Bestuur wordt iedere twee jaar een overstijgende probleemanalyse gepresenteerd met betrekking tot democratie en bestuur, in het bijzonder op decentraal niveau. Ten slotte moet worden vermeld dat niet voor elke concrete beleidsmaatregel vooraf een beleidstheorie kan worden geconstrueerd. Bijvoorbeeld omdat de politiek soms stuurt op middelen en niet op doelen. |
| 4. Formuleer beleid zodanig dat het makkelijk te evalueren is. | Onderhanden: Het gebruik van het beleidskompas wordt gestimuleerd door betrokken managers bij het maken van nieuw beleid. Deze inspanningen laten onverlet dat bij het formuleren van beleid de politieke en maatschappelijke doelen leidend zullen zijn en niet de mate van gemak om het te evalueren. |
| 5. Evaluatiemethoden ontwikkelen voor innovatieve instrumenten. | Onderhanden: Met het oog op betere evaluaties is BZK voornemens een traject met het PBL te starten om legitimiteit en bredere publieke waarden systematisch mee te wegen in beleidsevaluaties. Het doel is te onderzoeken hoe de gevolgen van beleid op het gebied van openbaar bestuur en democratie beter in beeld kunnen worden gebracht, met een bredere blik op beleidsuitkomsten dan uitsluitend doeltreffendheid en doelmatigheid. Het traject sluit hiermee aan bij de aanbeveling om nieuwe «lenzen» te ontwikkelen voor het evalueren van beleid, zodat deze beter passen bij de complexe context van openbaar bestuur en democratie. Daarnaast sluit dit aan bij de Regeling Periodieke Rapportage, waarin wordt aangemoedigd om bredere publieke waarden expliciet mee te nemen in evaluatieonderzoek. |
Begrotingshoofdstuk VII: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
SEA- thema: Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid
Beschrijving SEA-thema:
De Minister van BZK streeft naar een overheid die betrouwbaar, dienstbaar, dichtbij en rechtvaardig is en haar maatschappelijke taken optimaal uitvoert. Dit gebeurt door het creĆ«ren van randvoorwaarden voor het optimaal en duurzaam functioneren van overheidsorganisaties en in het bijzonder voor een efficiĆ«nte en effectieve bedrijfsvoering. De Minister van BZK draagt hieraan data gedreven bij in een regisserende en coƶrdinerende rol, respectievelijk op het terrein van collectieve arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid Rijk, de organisatie en bedrijfsvoering van het Rijk, waaronder de informatiehuishouding, een kaderstellende rol op ICT, huisvesting, inkoop en faciliteiten en Management Development. De rijksbrede bedrijfsvoering betreft de niet-financiĆ«le bedrijfsvoering, bedoeld om alle ruim 165.000 rijksambtenaren in staat te stellen samen aan de Rijksopgaven te werken ā teneinde maatschappelijke opgaven te realiseren.
| Kamerstuk 30 985, nr. 67 | Periodieke rapportage | 2025 (scope: 2019ā2023) | 7 | ⬠84,7 mln. (2023) |
Conclusies onderzoek:
De onderzoekers concluderen dat de doeltreffendheid en doelmatigheid op het brede artikel 7 niveau deels te bepalen is. Zo zijn er binnen het brede artikel in de onderliggende deelthemaās veel activiteiten uitgevoerd en prestaties gerealiseerd. De onderzoekers beschouwen deze, conform de RPE 2022, als voorwaarden voor met name de doeltreffendheid. Van doelmatigheid is op het artikel 7 niveau geen overkoepelend eindbeeld verkregen ā evenmin op de deelthemaās eronder. Hoofdoorzaak hiervan is de ontbrekende systematische aanpak en analyse hiervoor in de onderliggende evaluaties. Over het brede artikel 7 niveau concluderen de onderzoekers wel dat wat er jaarlijks gepubliceerd wordt in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR), naast beschikbare evaluaties, een goed beeld geeft van de beleidsprestaties door BZK, en dat er opvolging is gegeven aan de aanbevelingen uit de voorgaande beleidsevaluatie. Als gekeken wordt naar de onderliggende deelthemaās van dit begrotingsartikel dan zijn de onderzoekers tot een concreter beeld gekomen van met name de doelbereiking van de onderliggende instrumenten.
| A. Verdere versteviging regisserende en coƶrdinerende rol BZK | |
| 1. Werk het integrale, artikel 7-brede verhaal uit. | Afgerond. In de BZK-begroting 2026 is de algemene doelstelling van beleidsartikel 7 geactualiseerd op basis van de recent gereconstrueerde beleidstheorie uit de in 2025 gepubliceerde Periodieke rapportage. Deze wordt jaarlijks opnieuw tegen het licht gehouden. |
| 2. Doordenk de beleidsprestaties (output) bij nieuwe beleidsvoornemens onder artikel 7. | Onderhanden: Op het lagere niveau van concrete (nieuwe) beleidsvoorstellen wordt door BZK-directies ingezet op het gebruik van het beleidskompas. Het beleidskompas geeft een aantal handvatten die helpen bij het opstellen van de beleidstheorie. |
| 3. Vergroot met extra communicatie de bekendheid van het geüpdatete Kaderboek, informatiestatuut en het Coördinatiebesluit. | Onderhanden: In 2025 is gewerkt aan het actueel houden van het Kaderboek. Ook is kennis over (toepassing van) het Coördinatiebesluit bijeengebracht met het oog op betere ontsluiting binnen de rijksdienst van deze kennis. Met deze basis kan nu ingezet worden op (samenhangende) communicatie om de bekendheid binnen de rijksdienst van het Coördinatiebesluit en het Kaderboek te vergroten. |
| 4. Integreer de POK-inzet in de reeds langer bestaande themaās van artikel. | Afgerond. De inzet die ooit onder de vlag van de POK is begonnen en met programma Goed Bestuur is aangevuld, komt tegenwoordig terug in de onderwerpen Erkenning en Herstel, ambtelijk vakmanschap, de Staat van de Uitvoering, het bevorderen van een veilig werk- en meldklimaat, de ondersteuning van melders van misstanden en in inzet met betrekking tot leiderschap, diversiteit en inclusie. |
| B. Oog houden voor publieke waarden in beleid en evaluatie | |
| 5. Onderzoek de verankering van toepassing van publieke waarden ā met name responsiviteit en dienstbaarheid- regelmatig in de context van artikel 7. Dit op het niveau van een deelthema of een afgebakend organisatieonderdeel. | Onderhanden: Dit jaar zal ik een modernisering van de Kaderwet ZBOās als voorontwerp in procedure brengen, waarin ik het werken aan publieke waarden zoals dienstbaarheid en responsiviteit een belangrijke plaats zal gevenĀ» BZK is daarnaast voornemens een traject met het PBL te starten om legitimiteit en bredere publieke waarden systematisch mee te wegen in evaluaties. |
| C. Versterk de monitoring en de Strategische Evaluatieagenda (SEA) | |
| 6. Maak bij aanvang van de volgende SEA-periode (met de volgende Periodieke rapportage als sluitstuk) helder wat je wel en niet evalueert in die periode. | Onderhanden: Jaarlijks wordt in de toelichting op het SEA-thema «Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid» vooruitgeblikt op welke wijze de beleidsdirecties onder dit begrotingsartikel zich voorbereiden op de eerstvolgende Periodieke rapportage in 2028. |
| 7. Start elke nieuwe beleidsperiode met een duidelijke beleidstheorie per deelthema onder artikel 7 en actualiseer deze periodiek. | Afgerond. In de BZK-begroting 2026 is de algemene doelstelling van beleidsartikel 7 geactualiseerd op basis van de recent gereconstrueerde beleidstheorie uit de in 2025 gepubliceerde Periodieke rapportage. Deze wordt jaarlijks opnieuw tegen het licht gehouden. |
| 8. Benut de jaarrapportage bedrijfsvoering rijk (JBR) nog gerichter als basis voor beleidsgerichte evaluaties. Bijvoorbeeld door de JBR aan te vullen met geplande evaluaties op dat thema of in elk hoofdstuk van de JBR een toetsing van de praktijk aan de beleidstheorie weer te geven. | Afgerond. De Strategische evaluatie agenda (SEA) is aangepast aan de prioriteiten van de genoemde beleidsthemaās in de JBR. Hiermee wordt verbinding gemaakt tussen de JBR en de SEA. |
| 9. Kies per afzonderlijk geplande evaluatie voor een heldere afbakening en methode. Zoom waar doeltreffendheid en doelmatigheid (nog niet) onderzocht kunnen worden in op de voorwaarden (benodigde stappen) hiervoor. | Onderhanden: Bij evaluaties op artikel 7 zal deze aanbeveling voortaan worden meegenomen. |
| 10. Leg een conceptueel fundament onder doelmatigheid en scherp aan wat van evaluaties wordt gevraagd op het punt van doelmatigheid. | Onderhanden: In offerte-aanvragen van evaluaties vanuit artikel 7 zal deze aanbeveling voortaan worden meegenomen wanneer het passend is. |
BIJLAGE: BESPARINGSVARIANTEN UIT PERIODIEKE RAPPORTAGES
In de bijlage van deze brief heb ik aandacht voor de besparingsvarianten die zijn uitgewerkt in de nieuwe Periodieke rapportages sinds 2025. Hiermee wordt invulling gegeven aan de uitwerking van de motie-Van Eijk (Kamerstuk 31 865, nr. 295). In Periodieke rapportages wordt waar mogelijk ten minste één optie geschetst waarmee een besparing van 20% op de budgettaire grondslag van het (beleids)thema kan worden gerealiseerd (op basis van het «comply-or-explain principe»). De besparingsvariant heeft niet het karakter van een aanbeveling, maar moet inzicht geven in eventuele besparingen ingevuld zouden kunnen worden, en wat de gevolgen daarvan zijn.
Periodieke rapportage Bevorderen sociaaleconomische structuur (2025)
(Begrotingshoofdstuk IV, Artikel 4)
Beschrijving besparingsvariant door onderzoekers:
De onderzoekers geven aan dat het overgrote deel van het budget van artikel 4 bestaat uit incidentele uitgaven of juridische verplichtingen die qua thema thuishoren bij andere departementen en die BZK -genegen vanuit diens stelselverantwoordelijkheid- regelmatig bekostigd. Deze uitgaven betrekken bij een realistische besparingsvariant is volgens de onderzoekers weinig reƫel omdat dit middelen zijn die betrekking hebben op incidentele bestedingen ten behoeve van concrete (nood)situaties.
Slechts een klein deel van het budget op dit artikel bestaat uit echt eigen departementale middelen en kunnen in die zin door BZK vrij besteed worden. Een generieke besparing van 20% op deze middelen zou in de praktijk vooral neerkomen op het minder flexibel kunnen inspelen op acute noden of maatschappelijke vragen door het ministerie. Omdat een structurele besparing op het grootste deel van het budget niet mogelijk is, blijft de standaard besparingsvariant vooral een theoretische exercitie zonder echte beleidsalternatieven, anders dan een kaasschaafmethode.
Wat wƩl mogelijk is, is om bij nieuwe projecten en cofinanciering expliciet afspraken te maken over lokale beheerkosten en commitment van de begunstigde, zodat middelen doelmatiger worden ingezet en eventuele kapitaalvernietiging wordt voorkomen. Hierop ziet het eerste advies van deze periodieke rapportage.
Beschrijving opvolging
De beleidsmatige reactie is voorzien eind 2026. In de beleidsmatige reactie zal ook worden ingegaan op bovenstaande beschrijving uit de periodieke rapportage.
Periodieke rapportage Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid (2025)
(Begrotingshoofdstuk VII, Artikel 7)
Beschrijving besparingsvariant door onderzoekers:
De onderzoekers hebben in het rapport geen gerichte besparingsmogelijkheden kunnen bepalen. Er is bijvoorbeeld geen aanwijsbaar disfunctioneel beleidsonderdeel waarop volledig kan worden bespaard. De mogelijkheid die wordt geschetst is een brede besparingsaanpak.
In het rapport werd ook de budgettaire taakstelling van 22% in 2029 uit het regeerprogramma genoemd. Het deel van taakstelling dat gedekt wordt vanuit beleidsartikelen op de begroting van BZK is verwerkt in de 1e suppletoire begroting 2025. Aanvullend hierop is door de onderzoekers een brede «kaasschaaf» van structureel ⬠10 mln. over beleidsartikel 7 voorgesteld als besparingsvariant.
Beschrijving opvolging
Voor de invulling van de apparaatstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord is het artikel structureel met ⬠5,4 mln. verlaagd. Het artikel is daarop aangepast. Aan de besparingsvariant/«kaasschaaf» is geen verdere opvolging gegeven. Daar was geen inhoudelijke aanleiding toe. Geopolitieke omstandigheden maken bovendien dat er op onderdelen verstevigd moet worden. Het recente regeerakkoord «Aan de Slag» bevat wederom een taakstelling op de Rijksdienst evenals een subsidietaakstelling. Deze hebben beide een doorwerking naar het artikel. De exacte omvang en invulling daarvan zijn nog niet bekend.
Conform motie Van Vroonhoven/Vermeer en Versterken rijksbrede evaluatiestelsel (Kamerstukken 36 470, nr. 6 en 31 865, nr. 267).ā©ļø
Zie Kamerstuk 30 985, nr. 66 voor de Kamerbrief Opvolging in Beeld van vorig jaar.ā©ļø
Dit geeft invulling aan de uitwerking van de motie-Van Eijk (kamerstuk 31 865, nr. 295).ā©ļø