Voortgang aanpak voortijdig schoolverlaten
Voortijdig school verlaten
Brief regering
Nummer: 2026D24119, datum: 2026-05-21, bijgewerkt: 2026-05-26 15:52, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Verkenning kansrijke interventies overgang vso mbo
- Praktijkkompas Kansrijke Interventies in Kaart
- Beslisnota bij Kamerbrief Voortgang aanpak voortijdig schoolverlaten
Onderdeel van kamerstukdossier 26695 -146 Voortijdig school verlaten.
Onderdeel van zaak 2026Z10665:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 10:15 ⇒ Betrokken bij het commissiedebat Mbo en studiefinanciering d.d. 28 mei 2026. (Besluit)
- 2026-05-28 13:30 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-05-26 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-26 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-28 13:30: Mbo en studiefinanciering (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-04 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
26695 Voortijdig school verlaten
Nr. 146 Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 mei 2026
Achter elke voortijdig schoolverlater (vsv’er) zit een persoonlijk verhaal en onbenut talent. Met een startkwalificatie lopen jongeren een kleiner risico op werkloosheid, schulden en langdurige financiële afhankelijkheid van uitkeringen en toeslagen. Jongeren die hun opleiding succesvol afronden hebben meer zelfvertrouwen en ervaren later in hun leven minder mentale problemen en een betere fysieke gezondheid. Onderwijs is nodig voor voorruitgang op de arbeidsmarkt en in het leven. Minder schooluitval betekent voor werkgevers een beter opgeleide beroepsbevolking en minder personeelstekorten. Het voorkomen van vsv blijft daarom een topprioriteit.
Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, over de voortgang van de aanpak van voortijdig schoolverlaten, en markeer ik het begin van een volgende fase waarin de focus verschuift van ontwikkeling en planvorming naar uitvoering in de praktijk. Allereerst ga ik in op de nieuwe voorlopige cijfers en de aangepaste vsv- doelstelling. Vervolgens geef ik aan hoe ik het aantal nieuwe vsv’ers verder wil verminderen met onder andere de maatregelen in de Wet van school naar duurzaam werk en de ondersteuning aan Doorstroompunten1, gemeenten en scholen bij de uitvoering van hun regionale plannen. Ook schets ik hoe ik de komende jaren zicht en grip houd op de problematiek rondom vsv.
Verdere daling van het aantal vsv’ers noodzakelijk
De nieuwe voorlopige cijfers laten een stabiel beeld zien.2 Het aantal nieuwe vsv’ers in het voortgezet onderwijs (vo) en het mbo is gedaald van 29.163 in studiejaar 2023-2024 naar 28.809 in studiejaar 2024-2025. Relatief gezien is het percentage nieuwe vsv’ers gelijk gebleven, namelijk ruim 2% van het totaal aantal jongeren met een stijging in het vo en een daling in het mbo. Dit resultaat vind ik onvoldoende en deze cijfers onderstrepen dat een verdere en scherpere daling noodzakelijk is. Verder blijkt dat circa 9% van de jongeren tussen de 15 en 27 jaar (met en zonder startkwalificatie) geen onderwijs volgt en niet werkzaam is (de NEET-jongeren).3
Figuur 1: Voortijdig schoolverlaters
De Wet van school naar duurzaam werk introduceert een ruimere definitie van een voortijdig schoolverlater en een vernieuwde aanpak. De doelgroep wordt verbreed van jongeren van 12 tot 23 jaar zonder startkwalificatie, naar jongeren van 12 tot 27 jaar, omdat jongeren na hun 23e vaak nog ondersteuning nodig hebben bij de overstap naar een vervolgopleiding of duurzaam werk.4 De vsv- definitie in de werkagenda mbo blijft hierbij ongewijzigd. Daarin is afgesproken om te streven naar minder dan 18.000 nieuwe vsv’ers (12 tot 23 jaar) in 2026 en de scholen blijven met de werkagenda mbo aan het behalen ervan werken. Met de verbreding van de doelgroep naar 27 jaar wordt hierop voortgebouwd. Door de ruimere definitie worden circa 28% meer jongeren meegeteld. Daarom zetten we erop in dat er maximaal 23.000 vsv’ers (12 tot 27 jaar) in studiejaar 2029/2030 zijn. Gecorrigeerd voor deze verbreding blijft het ambitieniveau gelijk.
Met de Wet van school naar duurzaam werk hoop ik een doorbraak te realiseren in de daling van het aantal vsv’ers. In de nieuwe aanpak werken gemeenten, scholen en de regionale Doorstroompunten nauw samen om te voorkomen dat jongeren voortijdig uitvallen en om jongeren die zijn uitgevallen terug te begeleiden naar een opleiding, een leerwerktraject of een baan. Ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid en in onderlinge afstemming. Door regionaal de krachten te bundelen kunnen deze partijen sneller signaleren en gerichter hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak moet leiden tot een versnelde daling van het aantal vsv’ers.
Tegelijkertijd ben ik ook realistisch en besef ik dat partijen tijd nodig hebben om te leren, elkaar te vinden en om de nieuwe samenwerking soepel te laten verlopen. Gedurende de looptijd van de regionale programma’s ontstaat ook steeds meer zicht op welke maatregelen wel of niet werken. De programma’s zijn dan ook geen statisch gegeven en kunnen gedurende de looptijd worden gewijzigd op initiatief van de regio en zo steeds verbeteren en effectiever worden.
Van planvorming naar uitvoering: regionale samenwerking
De Wet van school naar duurzaam werk is op 1 januari 2026 in werking getreden en daarmee is een volgende fase gestart: die van uitvoering. De regionale programma’s worden uitgevoerd door de contactgemeente, de contactschool en de centrumgemeente(n)5 namens scholen en gemeenten. In de regionale programma’s zijn onder andere samenwerkingsafspraken tussen deze partijen gemaakt over de uitvoering van de wettelijke taken. Ook kunnen zij aanvullende maatregelen treffen voor de meest kwetsbare jongeren met inzet van het regionale budget. Scholen, gemeenten en Doorstroompunten zijn vervolgens gezamenlijk verantwoordelijk voor een succesvolle begeleiding van jongeren naar onderwijs, werk of een combinatie van beide.
Veel regionale programma’s bevatten effectieve aanpakken in het vroegtijdig signaleren en begeleiden van jongeren om vsv te voorkomen of terugkeer naar het onderwijs mogelijk te maken. Met de inzet van overstapcoaches, praktijkgerichte loopbaanbegeleiding met betrokkenheid van werkgevers, extra zorg in en rond de school en regionale informatiesystemen blijven jongeren beter in beeld. Tegelijkertijd zie ik dat een goede invulling van de wettelijke taken nog een uitdaging is; het regionale budget is bedoeld in aanvulling op, niet ter uitvoering van de eigen wettelijke taken. Partners in de regio’s kunnen dus nog winst behalen door het beschikbare budget meer te gebruiken voor maatregelen voor de meest kwetsbare jongeren, zoals die met meervoudige problematiek6 en een verhoogd risico op uitval. En door nadrukkelijker de onderlinge samenhang te zoeken en meer zicht te krijgen op elkaars uitdagingen en verantwoordelijkheden. Verder zie ik de behoefte om mogelijkheden te verkennen voor meer maatwerk en innovatieve aanpakken bij complexe, domeinoverstijgende problematiek. Soms wordt hiervoor nog te weinig ruimte ervaren in wet- en regelgeving.
Lifecoaches
Goede ervaringen met Lifecoaching in Leeuwarden zijn voor de arbeidsmarktregio Friesland (Fryslân Werkt) reden geweest om dit ook in Zuidwest Friesland in te zetten en deze taak te beleggen bij het Doorstroompunt. De lifecoach richt zich vooral op vsv’ers en jongeren die geen werk hebben en die met verschillende problemen tegelijkertijd worstelen. Deze jongeren groeien bijvoorbeeld op in armoede en in instabiele gezinnen en vaak accepteren of vermijden zij aangeboden hulp. Onderzoek laat zien dat de inzet van Lifecoaching bijdraagt aan een sterke positieve ontwikkeling van de jongeren op thema’s als participatie, mentaal welzijn en sociale relaties. Uniek is de sterke focus op (zelf)vertrouwen en blijven volhouden. Ook na de coaching blijven lifecoaches beschikbaar.
Overstapcoaches
Tijdens het overstapmoment van vo naar mbo worden jongeren geconfronteerd met een verandering in leeromgeving, verwachtingen en verantwoordelijkheden. Dit geldt met name voor de overstap van praktijkonderwijs (pro), voortgezet speciaal onderwijs (vso) en de Internationale Schakelklas (ISK)7 naar het mbo. De overstapcoaches ondersteunen jongeren intensief in deze fase. Ze fungeren als spin in het web tussen de vo-school, het mbo, ouders, gemeenten en zorgpartners en zijn een vertrouwd gezicht voor jongeren tijdens een spannende periode. Hierdoor worden belemmeringen vroeg gesignaleerd, neemt het risico op vastlopen af en stroomt de doelgroep beter voorbereid in. In de regio Zuid-Holland-Noord is de effectiviteit van de overstapcoach gemonitord in de jaren 2021 t/m 2023. Daaruit blijkt dat van de gecoachte vsv-doelgroep jaarlijks rond de 95% succesvol de overstap maakt naar het mbo.
Aanvullende loopbaanbegeleiding, ook na diplomering
Met de nieuwe wet wordt aanvullende loopbaanbegeleiding, ook na diplomering een structurele taak voor scholen. De reguliere loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) was al verplicht voor alle studenten en de meeste studenten kunnen hiermee soepel een baan of vervolgopleiding vinden, maar sommige studenten hebben meer nodig. Aanvullende begeleiding start tijdens de opleiding, maar kan ook na het afronden van de studie worden voortgezet. De ondersteuningsbehoefte van een student kan bijvoorbeeld bestaan uit blijvende of intensieve ondersteuning om de student duurzaam naar werk te begeleiden.
Inzet van AI bij het bereiken en ondersteunen van gediplomeerden
Het Scheepvaart en Transport College gebruikt de AI-gestuurde chatbot Annie Advisor om (oud)-studenten te bereiken. Annie neemt via Whatsapp contact op met (oud)studenten zodat zij laagdrempelig hun ondersteuningsbehoeften kunnen aangeven, waarna de school persoonlijk contact zoekt met de student om hier gericht op door te pakken. Via deze laagdrempelige aanpak worden studenten op het juiste moment benaderd en waar nodig toegeleid naar passende ondersteuning binnen de school. De eerste resultaten in de regio Rotterdam zijn veelbelovend: meer dan 50% van de studenten reageert, en bij meer dan 10% is sprake van een ondersteuningsbehoefte.
Aan de slag met een lerende aanpak en goede ondersteuning
Regio’s hebben geld ontvangen om hun taken en regionale programma’s goed uit te voeren en kunnen rekenen op een landelijk ondersteuningsaanbod waar ook mijn ministerie en het ministerie van SZW bij zijn aangesloten.8 Onderdeel daarvan is het organiseren van informatiebijeenkomsten, het maken van handreikingen, het verspreiden van goede voorbeelden, het leveren van data over uitval aan regio’s en het faciliteren van kennisuitwisseling. Informatie over de nieuwe wet- en regelgeving en ondersteuning bij de uitvoering wordt ook centraal ontsloten via een landelijke website.9
Regio’s worden bijvoorbeeld ondersteund met gegevens die meer duiding geven aan de uitvalcijfers. Zo zien we in het mbo een trend, waarbij het percentage vsv’ers dat na 1 jaar nog steeds uitgevallen is, de laatste jaren daalt en dat het aantal vsv’ers dat terugkeert in het onderwijs toeneemt. Ook zijn er verschillen tussen de mbo-niveaus. Zo zijn veel uitvallers op de mbo-niveaus 1 en 2 (respectievelijk 56% en 43%) na 1 jaar nog vsv’er en keert circa 15% terug in het onderwijs, terwijl op de mbo-niveaus 3 en 4 ongeveer 30% vsv’er blijft en 30% terugkeert in het onderwijs. In het vo zien we de afgelopen jaren een trend waarbij het percentage vsv’ers dat na 1 jaar nog vsv’er is gelijk blijft (circa 50%) en een stijgend aantal vsv’ers dat niet terugkeert in het onderwijs maar aan het werk gaat. Dit baart ons zorgen omdat deze groep relatief jong is.
In aanloop naar inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn er handreikingen opgesteld over aanvullende loopbaanbegeleiding voor pro/vso10 en mbo11, waarover in maart een bijeenkomst is gehouden. Hiermee geef ik invulling aan de motie van het lid Soepboer12 over het opstellen van een praktische handreiking om documentatie en disproportionele administratieve lasten bij de uitvoering van de nazorgplicht te verminderen. Om uitvoering te geven aan de motie van de leden Ceder en Krul13 wordt de komende periode, in overleg met Ingrado verkend hoe een handreiking voor begeleidingsprogramma's van jongeren met een vervangende leerplicht vorm kan krijgen.
Een analyse van de werking van de regionale programma’s zal worden gecombineerd met de evaluatie van de Wet van school naar duurzaam werk in 2028. Met deze evaluatie wordt de motie van de leden Ceder en Oostenbrink14 over het evalueren van de samenwerking binnen de Doorstroompuntregio's en arbeidsmarktregio’s en de motie van het lid Oostenbrink15 over het voorkomen van grote verschillen tussen regio’s, afgedaan.
Behouden van zicht en grip
Met het nieuwe vsv-/NEET-dashboard houd ik de komende jaren beter zicht en grip, ook op de achterliggende problematiek. Het dashboard geeft inzicht in aantallen uitvallers, trends, regionale verschillen en de kenmerken van jongeren in een kwetsbare positie. Nederland loopt hiermee voorop in Europa, omdat het dashboard de verantwoordelijke partijen in staat stelt om vsv systematisch en gedetailleerd te monitoren. Regio’s gebruiken de resultaten van het dashboard om jaarlijks verantwoording af te leggen over de resultaten van de regionale programma’s in hun effectrapportages. Ze gebruiken de data verder om een goede regionale analyse te maken en gericht interventies in te zetten om vsv en het aantal NEET-jongeren terug te dringen. Daarnaast heb ik ook onderzoek laten uitvoeren naar effectieve interventies voor een soepele overgang van het vso naar het mbo, zodat de aansluiting voor kwetsbare jongeren kan worden verbeterd. De uitkomsten hiervan treft u als bijlage bij deze brief aan. Scholen kunnen ook gebruik maken van de Loopbaanmonitor. Zij kunnen daarmee zicht houden op het succes van hun studenten wanneer zij de stap hebben gezet naar de arbeidsmarkt.
Het CBS heeft een model ontwikkeld waarmee het risico op vsv per regio voorspeld kan worden.16 Op basis van dit model zijn ook de financiële middelen per regio verdeeld. In de komende periode zal het CBS onderzoek blijven verrichten naar de indicatoren die van invloed zijn op vsv. Binnen de mbo-onderwijssector zelf bestaan ook mooie initiatieven om meer zicht te krijgen op oorzaken en oplossingen van vsv. Bijvoorbeeld door praktijkgericht en wetenschappelijk onderzoek, zoals het Kompas Kansrijk van mbo naar werk en het werk van het Practoraat Passend Onderwijs van ROC Midden Nederland om uitval in het mbo te voorkomen.
Slot
Onze inzet is helder: iedere jongere moet begeleid worden naar een startkwalificatie of duurzaam werk. Met de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk komt het nu aan op het uitvoeren van de regionale programma’s om voortijdig schoolverlaten structureel terug te dringen. Ik moedig partijen aan om hiermee met frisse energie aan de slag te gaan, zodat jongeren met gerichte ondersteuning weer kansen krijgen in het onderwijs of bij een werkgever.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Een Doorstroompunt is het knooppunt in de regio dat jongeren zonder startkwalificatie begeleidt naar een passende opleiding of naar een duurzame plek op de arbeidsmarkt. Het doel is het voorkomen van voortijdig schoolverlaten.↩︎
De actuele gegevens zijn beschikbaar via het DUO-dashboard (DUO, 2026): https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/dashboardvsvopen/↩︎
Hier wordt voortgebouwd op een bestaande Europese indicator, namelijk het aantal jongeren ‘Not in Education, Employment or Training’ (NEET).↩︎
De verbreding van de doelgroep gaat samen met een intensievere en versterkte regionale aanpak. Als terugkeer naar school niet haalbaar is, wordt nadrukkelijker ingezet op begeleiding naar duurzaam werk. Bovendien bevinden jongeren van 23 tot 27 jaar zich in een andere levensfase met eigen uitdagingen (bijvoorbeeld t.a.v. huisvesting, relaties en financiën), wat vraagt om maatwerk.↩︎
De wet raakt niet alleen aan de Doorstroompunt-taken van gemeenten, maar ook aan hun taken op basis van de Participatiewet. Waar gesproken wordt van ‘(centrum)gemeente’ gaat het om de Participatiewet-taken.↩︎
Het betreft hier jongeren met problemen op leefdomeinen als wonen, school en werk, inkomen en welzijn.↩︎
Dit is een speciaal type onderwijs voor anderstalige leerlingen (12-18 jaar), die korter dan twee jaar in Nederland wonen en via intensieve taallessen worden voorbereid op het reguliere onderwijs.↩︎
Bij het landelijk ondersteuningsaanbod zijn de volgende partijen betrokken: Ingrado, Landelijk Ondersteuningsteam Regionale Arbeidsmarkt, Klimmbo, Divosa, Sectorraden pro en vso en de VNG.↩︎
Sectorraad gespecialiseerd onderwijs, Brochure_ALB_2025Web.pdf↩︎
https://www.klimmbo.nl/publicaties/handreiking-aanvullende-loopbaanbegeleiding-in-het-mbo/↩︎
Kamerstuk 36667, nr. 29↩︎
Kamerstuk 36667, nr. 27↩︎
Kamerstuk 36667, nr. 10↩︎
Kamerstuk 36667, nr. 25↩︎
CBS (2023), https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2023/verkenning-alternatief-verdeelmodel-voor-voortijdig-schoolverlaten-herziene-versie↩︎