[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld (Kamerstuk 36841)

Initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld

Brief regering

Nummer: 2026D24615, datum: 2026-05-26, bijgewerkt: 2026-05-27 15:56, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36841 -3 Initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld.

Onderdeel van zaak 2026Z10835:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 841 Initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld

Nr. 3 Brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 mei 2026

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de initiatiefnota van het Kamerlid Dobbe (SP) over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld1. Ik waardeer de betrokkenheid van het lid Dobbe bij dit onderwerp en onderschrijf het belang van goede zorg en ondersteuning voor slachtoffers van seksueel geweld. Seksueel geweld heeft ingrijpende en langdurige gevolgen voor slachtoffers en hun omgeving. Het is daarom een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, maatschappelijke organisaties en zorgverleners om slachtoffers de best mogelijke hulp te bieden.

De initiatiefnota bouwt voort op de initiatiefnota van het lid Van der Werf uit 20222 en sluit aan bij de inzet die het kabinet de afgelopen jaren heeft gepleegd op het terrein van de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zo zijn er belangrijke stappen gezet met het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven en de versterking van de financiering van het Landelijke Centrum Seksueel Geweld (CSG) voor de jaren 2024 t/m 2026 naar aanleiding van een motie van de leden Van der Laan en Van der Werf (D66)3.

Naast het verbeteren van de zorg voor slachtoffers, zet het kabinet in op het voorkomen van nieuwe slachtoffers van seksueel geweld. Het is hierbij cruciaal om de grondoorzaken weg te nemen. Zo vormen genderongelijkheid, discriminatie en grensoverschrijdend gedrag een voedingsbodem voor seksueel geweld. Het is van belang dat ieder elkaars grenzen respecteert, seksueel geweld tijdig herkent en beter weet hoe (potentiële) slachtoffers ondersteund kunnen worden. Met het emancipatiebeleid wordt onder andere ingezet op het bevorderen van een gelijkwaardige positie voor vrouwen in de samenleving, het bestrijden van schadelijke genderstereotyperingen, het bevorderen van bewustwording over de enorme impact van seksueel geweld en wordt omstanders handvatten geboden om in te grijpen bij grensoverschrijdend gedrag. Dit doen wij doet het kabinet onder andere via het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag, het programma Veilige Steden en het programma geweld tegen vrouwen. In de Emancipatienota die de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie na de zomer met uw Kamer zal delen wordt uitgebreider ingegaan op de maatregelen ter preventie van seksueel geweld.

Tegelijkertijd erken ik dat er nog verdere verbeteringen nodig zijn, zoals ook blijkt uit het recente rapport van GREVIO4 en de aanbevelingen van regeringscommissaris Mariëtte Hamer5. Daarnaast stelt de Europese Richtlijn 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna Richtlijn) aanvullende eisen waaraan Nederland uiterlijk in juni 2027 dient te voldoen. De implementatie van deze richtlijn biedt een belangrijk kader voor de verdere verbetering van de hulp en ondersteuning voor slachtoffers van seksueel geweld en zal mede richting geven aan de stappen die het kabinet de komende periode zet.

Met deze brief reageer ik mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de minister van Justitie en Veiligheid (MJenV), de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (SJenV) op de initiatiefnota. Ik geef eerst een algemene reactie op de initiatiefnota. Vervolgens wordt ingegaan op de verschillende voorstellen die de initiatiefnemer heeft gedaan.

Algemene reactie

De initiatiefnota geeft een helder overzicht van de knelpunten waarmee slachtoffers van seksueel geweld kunnen worden geconfronteerd bij het zoeken naar hulp en ondersteuning. De gesignaleerde problemen — waaronder wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg, capaciteitstekorten in de strafrechtketen en een tekort aan forensisch artsen en mogelijke financiële drempels — zijn herkenbaar en sluiten aan bij signalen die ook vanuit het veld worden ontvangen. De initiatiefnota geeft vervolgens een uitgebreid overzicht op het lopende beleid en biedt daarmee een nuttig kader voor verdere discussie over verbeteringen.

Steeds meer mensen weten de weg naar het CSG te vinden. De stijging wordt waarschijnlijk verklaard door de toegenomen aandacht voor het thema seksueel geweld in de maatschappij en de media en de inwerkingtreding van de nieuwe Wet seksuele misdrijven. Maar ook door verschillende activiteiten gericht op het bereiken van slachtoffers om de stap naar hulpverlening te vergemakkelijken, onder meer met behulp van campagnes. Bij beslispunt 8 wordt verder ingegaan op deze verklarende factoren. We zien de stijging als een positieve ontwikkeling gezien de verklarende factoren. Steeds meer slachtoffers krijgen de hulp die ze verdienen. Maar, het lid Dobbe wijst er terecht op dat de stijging van het aantal meldingen van seksueel geweld druk legt op de organisaties die slachtoffers ondersteunen. Het waarborgen van voldoende capaciteit en een stabiele financiering van deze organisaties verdient dan ook blijvend aandacht. De ernst van het probleem wordt breed erkend, ook in het coalitieakkoord, waarin het kabinet aangeeft specifiek in te zetten op de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag, femicide en vrouwenhaat en inzet op het opleiden van meer zedenrechercheurs bij de politie.

Tegelijkertijd plaatsen we bij een aantal voorstellen kanttekeningen, met name waar het gaat om de financiële consequenties en de verdeling van verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten. De initiatiefnota bevat ambitieuze voorstellen waarvan de totale kosten oplopen tot ruim €97,5 miljoen, exclusief nog nader te kwantificeren uitgaven. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging van prioriteiten waarbij naast de financiële kaders en begrotingsregels ook de effectiviteit en toegevoegde waarde van de voorstellen worden meegewogen.

In de reactie op de afzonderlijke beslispunten wordt nader ingegaan op de mate waarin de voorstellen van het lid Dobbe aansluiten bij het huidige en voorgenomen beleid.

Reactie op de afzonderlijke voorstellen

1. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt verzocht een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen waarmee de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld wordt uitgezonderd van het eigen risico.

Het lid Dobbe stelt het kabinet voor het eigen risico voor slachtoffers van seksueel geweld uit te zonderen. Om daarmee ook te voldoen aan de verplichting uit de Europese Richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (artikel 26, 2024/1385).

Het kabinet is van mening dat slachtoffers van seksueel geweld een groot onrecht en vreselijk leed is aangedaan. Voor ondersteuning kunnen slachtoffers kosteloos terecht bij een Centrum Seksueel Geweld (CSG). Als blijkt dat medische of psychologische (vervolg)zorg nodig is vanuit de Zorgverzekeringwet dan geldt het eigen risico. Het Nederlands zorgstelsel is zo ingericht dat iedereen (boven de 18 jaar) die zorg gebruikt vanuit de Zorgverzekeringswet een eigen risico betaalt. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt of de medische noodzaak voor zorg is ontstaan door ziekte, een aandoening of een externe oorzaak zoals geweld.

Dat is, anders dan in uw initiatiefnota beschreven staat, niet in strijd met de Europese Richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (artikel 26, 2024/1385) die stelt dat ondersteuningsdiensten seksueel geweld kosteloos beschikbaar moeten zijn, passend in het kader van de nationale gezondheidszorg. Bepalingen binnen het eigen zorgstelsel als een wettelijk eigen risico zijn volgens de richtlijn dan ook toegestaan.

Overigens is uit onderzoek, naar aanleiding van de Pilot “Vergoeding wettelijk verplicht eigen risico na seksueel geweld” in 2020/20216, gebleken dat het (deels) betalen van het eigen risico niet als zwaarwegende drempel wordt ervaren om hulp te zoeken. Uit het onderzoek bleek dat slachtoffers van seksueel geweld verschillende drempels kunnen ervaren bij hun keuze om hulp te zoeken. Meest voorkomend zijn schaamte- en schuldgevoelens (zelfverwijt) en angst (voor negatieve reacties of represailles van de pleger), niet het mogelijk moeten betalen van (een deel van) het eigen risico vormde daarbij geen zwaarwegende drempel.

Het maken van een uitzondering van het eigen risico van de zorg vanuit de Zvw voor slachtoffers van seksueel geweld, is daarbij zeer lastig te realiseren in de praktijk. Dit komt door de huidige inrichting van ons zorgstelsel. Hierdoor is het vaak niet of maar deels mogelijk om declaraties van zorg te herleiden naar specifieke doelgroepen zoals slachtoffers van seksueel geweld. De uitvoeringskosten die ermee gemoeid gaan om dit anders in te regelen, zullen waarschijnlijk erg hoog uitvallen. Tot slot is het lastig uit te leggen waarom slachtoffers van seksueel geweld wel een vergoeding zouden krijgen voor het eigen risico, maar slachtoffers van andere vormen van geweld, of mensen die om andere redenen zorg nodig hebben, niet. Een dergelijk onderscheid roept vragen op over gelijke behandeling en kan leiden tot ongewenste precedentwerking voor andere doelgroepen.

Tot slot zal een uitzondering op het eigen risico altijd tot minder eigen risico opbrengsten leiden, aangezien het communicerende vaten zijn, wat tot een hogere premie leidt. Voor dergelijke voorstellen is dan ook deugdelijke dekking nodig. Op basis van voorgenoemde redenen ziet het Kabinet alles overwegende

geen aanleiding om een wetsvoorstel aan te bieden aan de Kamer waarmee de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld wordt uitgezonderd van het eigen risico.

2. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid worden verzocht om te zorgen voor structurele landelijke financiering voor het netwerk Centrum Seksueel Geweld, bestaande uit het landelijke CSG en de regionale CSG’s vanaf 2026.

De huidige financiering van het Centrum Seksueel Geweld (CSG) valt uiteen in twee delen; de financiering van de Stichting Landelijk Centrum Seksueel Geweld (LCSG) en die van de 16 regionaal georganiseerde CSG’s. Zowel het LCSG als de regionale CSG’s worden gefinancierd door de gemeenten. Gemeenten ontvangen hiervoor via de Decentralisatie-Uitkering Vrouwenopvang (DUVO) een bijdrage.

De financiering van het LCSG verloopt via de Specifieke Uitkering specialistische functies aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling (SPUK HGKM). Het deel van de SPUK dat bestemd is voor het LCSG bestaat in de basis door een uitname uit de Decentralisatie Uitkering Vrouwenopvang (DUVO). Vanaf 2024 zijn hieraan vanuit de Rijksoverheid diverse toevoegingen gedaan. Onderstaand zijn deze weergegeven.

Naar aanleiding van de motie van de leden Van der Laan en Van der Werf (D66)7 dragen de ministeries van JenV en VWS en gemeenten, drie jaar, van 2024 tot en met 2026, financieel bij aan de versterking van het LCSG. In totaal gaat het hierbij in totaal om een bedrag van € 1.160.717 per jaar8 (ongeveer een verdubbeling van het basisbedrag van 2023). Hierbij hebben de voormalig Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van VWS aangegeven dat parallel

aan deze investering een evaluatie wordt uitgevoerd, zodat in 2026 een weloverwogen besluit kan worden genomen over de mogelijkheid van een duurzame financiering vanaf 2027.

Vervolgens heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid voor 2025 en 2026 aanvullende middelen beschikbaar gesteld aan het LCSG met een omvang van jaarlijks € 111.000 om de hogere kosten voor onder andere de chat-functie en de hulplijn te kunnen bekostigen. Naar aanleiding van een motie van het lid Van der Werf (D66)9 hebben de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van VWS de middelen voor het LCSG in 2026 opnieuw incidenteel verhoogd met een bedrag van € 426.194. De extra middelen worden ingezet om het verhoogde aantal meldingen op te kunnen vangen en het LCSG als organisatie verder te verstevigen. Het totaalbedrag voor 2026 voor het LCSG bedraagt € 1.791.148, exclusief de indexatie over 2026. Van dit totaal is € 1.224.140 een bijdrage vanuit de Rijksoverheid.

De regionale CSG’s worden door hun respectievelijke Centrumgemeenten bekostigd uit de DUVO. De indexatie over de DUVO wordt toegevoegd aan de Algemene Uitkering van alle gemeenten in Nederland. De DUVO kan dan ook gezien worden als een bijdrage en is niet bedoeld om kostendekkend te zijn. Deze financieringssystematiek geldt ook voor andere voorzieningen in het domein van huiselijk geweld die op grond van de Wmo 2015 onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen, zoals Veilig Thuis en de Vrouwenopvang. Rechtstreekse landelijke financiering vanuit het Rijk staat haaks op het decentrale stelsel zoals we dat in Nederland kennen en de Financiële-verhoudingswet. Bovendien biedt het decentrale systeem de mogelijkheid om meer maatwerk (wat is er in de specifieke regio nodig?) op lokaal niveau te leveren en aan te sluiten bij de bestaande regionale zorgstructuren. Gemeenten voelen en nemen hun verantwoordelijkheid voor financiering van de regionale CSG’s.

3. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg en de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport worden verzocht om samen met de bestaande hulporganisaties te werken aan de uitbreiding van het aanbod van laagdrempelige mentale ondersteuning en de regionale verschillen hierbij te verkleinen en hiervoor pilots op te zetten om te onderzoeken hoe dit het beste structureel kan worden geregeld.

Casemanagers die werkzaamheden uitvoeren voor het Centrum Seksueel Geweld bieden psycho-educatie aan slachtoffers van seksueel geweld. Gemeenten bieden daarnaast op dit moment voor hun inwoners ook andere laagdrempelige mentale ondersteuning aan, zoals laagdrempelige steunpunten. Laagdrempelige steunpunten zijn fysieke locaties waar iedere inwoner, zonder verwijzing of beschikking, binnen kan lopen. Een belangrijk kenmerk van een laagdrempelig steunpunt is dat ervaringsdeskundigen en/ of ervaringswerkers de regie hebben. Zowel bezoekers als medewerkers hebben iets te halen én te brengen. De ondersteuning krijgt vorm vanuit de behoeften van de mensen en hier kan je op eigen tempo aan herstel werken. Ook slachtoffers van seksueel geweld kunnen hier terecht. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn aanvullende afspraken gemaakt over laagdrempelige steunpunten. In het AZWA zijn de laagdrempelige steunpunten opgenomen als één van de basisfunctionaliteiten rondom mentale gezondheid. Dat betekent dat is afgesproken dat uiterlijk in 2030 deze functionaliteit in elke regio of gemeente beschikbaar moet zijn voor inwoners. Hiervoor is financiering beschikbaar tot 2035. Met de afspraak van basisfunctionaliteiten ontstaat er ook in iedere regio/gemeente een herkenbaar aanbod en wordt het bestaande aanbod verder uitgebreid voor alle inwoners. Het kabinet ziet daarom op dit moment geen toegevoegde waarde in een aanvullend aanbod specifiek voor slachtoffers van seksueel geweld.

4. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden verzocht om het traject naar de gezamenlijke aanpak bij de ondersteuning van slachtoffers en betrokkenen van (online) geweld in afhankelijkheidsrelaties blijvend te ondersteunen en zo nodig extra financiering vrij te maken voor de verdere uitrol hiervan.

Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, die mijn ambtsvoorganger op 18 december 2025 aan de Kamer verzond10, ondersteunt het kabinet twee trajecten die tot doel hebben om de hulp aan slachtoffers van seksueel misbruik en geweld en slachtoffers van (ex)partner stalking beter te organiseren. De praktijktest om de hiervoor (door professionals ontwikkelde) nieuwe werkwijze te testen is afgerond. Op dit moment wordt gewerkt aan de oplevering van de bijbehorende en noodzakelijke uitvoerbaarheidstoets (is de nieuwe werkwijze uitvoerbaar voor professionals?) en resultaat- en effectmeting (is de nieuwe werkwijze doeltreffend voor slachtoffers?). Op basis van deze resultaten zal in afstemming met de uitvoeringsorganisaties (CSG, Slachtofferhulp Nederland, OM, politie en Perspectief Herstelbemiddeling) voor de zomer een besluit worden genomen over het al dan niet landelijk implementeren van deze werkwijze. Uw Kamer zal voor het zomerreces via de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling geïnformeerd worden over de voortgang van het bredere landschapstraject waar deze nieuwe werkwijze onderdeel van is.

5. De Minister van Justitie en Veiligheid wordt verzocht om in kaart te brengen hoe de capaciteit bij de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en de rechtbanken kan worden uitgebreid om de lange doorlooptijden van zedenzaken waar mogelijk te verkorten.

In reactie op het voorstel van het lid Dobbe om de capaciteit van de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen aangeduid als zedenteams) (verder) zedenrecherche (verder) te verhogen, benadrukt dit kabinet het belang van een efficiënte en effectieve aanpak van zedenzaken prioriteit heeft omdat elk slachtoffer van seksueel geweld alle bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. In de uitwerking van het Coalitieakkoord heeft het kabinet dan ook aangegeven de aanpak van (online) seksuele misdrijven een impuls te willen geven.11 Zoals ook genoemd door het lid Dobbe, is de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven van de politie de afgelopen jaren flink uitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 te kunnen opvangen.12 Deze extra capaciteit is inmiddels geworven. Ook dit kabinet zet in op het opleiden van meer zedenrechercheurs.13 We zien echter dat door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt het een uitdaging blijft om de bezetting op peil te houden. In het laatste halfjaarbericht politie is een

aantal ontwikkelingen binnen het korps toegelicht die, hoewel geen quick fix voor de huidige onderbezetting, op termijn kunnen leiden tot meer (aanvullende) instroom bij de teams opsporing seksuele misdrijven.14

Wat het openbaar ministerie betreft is, boven op de reguliere instroom van officieren van justitie, in 2022 gestart met het in drie jaar laten instromen en opleiden van 226 officieren van justitie, van wie inmiddels allen zijn geworven. Een groot deel hiervan wordt nog opgeleid. De verwachting is dat een deel van de nieuwe officieren van justitie wordt ingezet voor de aanpak van seksuele delicten.15

Maar er kan, ook gezien bovenstaande ontwikkelingen, niet zonder meer worden gesteld dat verdere uitbreiding van de formatie van de organisaties in de strafrechtketen op dit moment zal leiden tot het behalen van de streefnormen voor de doorlooptijden in zedenzaken. Er moet ook gekeken worden naar andere en creatieve oplossingen. Met het actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken, dat per 31 december 2025 is geëindigd, heeft de strafrechtketen gezamenlijk ingezet op maatregelen die op termijn kunnen bijdragen aan het op structurele wijze verkorten van de doorlooptijden en tevens aan de bredere doelstelling om de aanpak van zedenzaken te versterken en verder te professionaliseren.16

Voorbeelden zijn het optimaliseren en aanpassen van de werkprocessen binnen en tussen de betrokken organisaties, het prioriteren van zedenzaken bij het plannen van zittingen, het verbeteren van de sturing op capaciteit en prioriteit, meer maatwerk en een passende en betekenisvolle afdoening voor het slachtoffer, of dit nu een strafzaak is, een goede begeleiding naar hulpverlening of herstelrecht. Zoals in eerdere brieven gemeld bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker in zedenzaken – geen eenvoudige oplossing, maar de resultaten over 2024 laten zien dat de gezamenlijke inspanning die de strafrechtketen de afgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren. Zoals gemeld in de laatste voortgangsbrief over de strafrechtketen, bevestigen de cijfers tot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.17 Dit ondanks de hogere instroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom de) Wet Seksuele Misdrijven. In de laatste voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven is stil gestaan bij de bereikte resultaten en de afronding en borging van het actieplan.18

Om de drempel voor aangifte doen voor slachtoffers te verlagen, stelt het lid Dobbe voor om het standaard mogelijk te maken voor slachtoffers om een ervaringsdeskundige mee te nemen als buddy bij het doen van aangifte. Voor hulp en advies bij de aangifte is echter al voorzien. Zo worden alle meldingen van seksuele misdrijven doorgezet door het frontoffice van de teams opsporing seksuele misdrijven voor intake en triage. De politiemedewerkers die binnen deze frontoffices werken zijn opgeleid om in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik en op een sensitieve manier in kaart te brengen wat hen is overkomen. Ze vormen een beeld van de strafbaarheid van de feiten en van de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer. Daarbij komt het doen van aangifte ook aan de orde. Zij weten alles over aangifte doen van seksueel misbruik. Daarnaast kunnen slachtoffers, wanneer zij dit willen, Slachtofferhulp Nederland laten helpen bij het doen van aangifte. Bijvoorbeeld door mee te gaan naar het politiebureau. Wanneer het slachtoffer binnen zeven dagen na het misbruik bij het Centrum Seksueel Geweld komt, kan de politie een sporenonderzoek doen. Dit gebeurt alleen als het slachtoffer dat wil. Het slachtoffer kan daar ook medische en emotionele hulp krijgen. Daarnaast heeft het slachtoffer recht op bijstand van een advocaat tijdens het doen van aangifte. Deze bijstand is, onder bepaalde voorwaarden, kosteloos voor slachtoffers van een seksueel misdrijf of een geweldsmisdrijf. Ook heeft het slachtoffer recht op bescherming tegen de dader. Slachtoffers of nabestaanden die zich niet kunnen wenden tot het strafproces kunnen een aanvraag indienen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Het Schadefonds verstrekt een eenmalige financiële tegemoetkoming aan slachtoffers en nabestaanden van een gewelds- of seksueel misdrijf die hierdoor ernstig fysiek of psychisch letsel hebben opgelopen. Deze tegemoetkoming is een uiting van solidariteit, een blijk van erkenning en bedoeld om slachtoffers en nabestaanden weer op weg te helpen.

Het kabinet deelt het belang van een efficiënte en effectieve aanpak van

zedenzaken en zet in op een bredere aanpak, waarin naast capaciteitsuitbreiding ook andere maatregelen worden ingezet om de aanpak van zedenzaken te versterken.

6. De Minister van Justitie en Veiligheid wordt verzocht om in samenwerking met toezichthouders en handhavende instanties de aanpak van online seksueel geweld te prioriteren, in lijn met de aanbevelingen uit het rapport Online Seksueel Geweld en de motie Van Nispen c.s. (Kamerstuk 29 279, nr. 959).

De aanpak van online seksueel geweld verdient prioriteit zoals lid Dobbe terecht opmerkt. En dat krijgt het ook. In reactie op het verzoek van het lid Dobbe, wordt verwezen naar de beleidsreactie op het rapport Online Seksueel Geweld, waarin de algemene inzet van het kabinetsbeleid en de reeds genomen maatregelen zijn toegelicht19. Zoals daarin is aangegeven is de afgelopen jaren ingezet op een integrale aanpak, met versterking van strafrechtelijke bescherming, preventie, slachtofferondersteuning en informatievoorziening.

Met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024, is de strafrechtelijke bescherming van slachtoffers tegen seksueel geweld in de digitale dimensie versterkt. Het uitgangspunt is nu dat wat offline strafbaar is, ook online strafbaar is. Een belangrijk onderdeel van de integrale aanpak van JenV is onder andere de subsidie aan de Stichting Offlimits. Offlimits biedt met haar hulplijnen en meldpunten preventie, hulp en ondersteuning bij online seksueel geweld in vele vormen. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) heeft aan Offlimits de formele trusted flagger status toegekend op basis van de Digital Services Act (hierna: DSA). Dit betekent dat verwijderverzoeken van Offlimits prioritair en onverwijld door online tussenhandeldiensten behandeld moeten worden. Offlimits is de eerste organisatie aan wie de ACM een dergelijke status heeft toegekend. Tevens dragen de Ministeries van JenV en OCW bij aan diverse preventietrajecten, waaronder de recente actualisatie van de «Wegwijzer seksualiteit online». Het ministerie van JenV onderzoekt, in samenwerking met een consortium met expertorganisaties, politie en OCW, bovendien mogelijke aanvullende

gedragsinterventies tegen het onderling doorsturen van schadelijk materiaal (zoals seksueel beeldmateriaal) in besloten online groepsgesprekken op bijvoorbeeld Whatsapp, Snapchat of Telegram.

Daarnaast zet het kabinet met het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) in op de meerjarige brede aanpak om dit maatschappelijke probleem aan te pakken. Het NAP zet in op een cultuurverandering waarin dergelijk gedrag, niet wordt getolereerd. Online gedrag krijgt hierin nadrukkelijk aandacht, onder meer via publiekscampagnes, projecten zoals «Seksuele Opvoeding door Ouders» (Rutgers), de alliantie Act4Respect en onderzoek als T@CKLE (Nationale Wetenschapsagenda). Verder wordt door de bij het NAP betrokken departementen en de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld verkend hoe omstanders online actiever kunnen worden.

Nederland beschikt verder over een uitgebreid en onafhankelijk toezichthouderslandschap, bestaande uit verschillende autoriteiten met elk hun eigen expertise waarbij ieder valt onder de verantwoordelijkheid van een departement. Binnen ons toezichthouderslandschap bewaakt de Autoriteit Persoonsgegevens (JenV) onze persoonsgegevens, terwijl de ACM (EZ) zorgt voor eerlijke concurrentie en consumentenbescherming online. Het Commissariaat voor de Media (OCW) houdt toezicht op videoplatformdiensten en video-uploaders («influencers»), bevordert betrouwbaar en pluriform media-aanbod en zet zich in voor een veilige online omgeving voor jongeren. Relatief nieuw is de ATKM: een autoriteit waar het Ministerie van Justitie en Veiligheid het initiatief toe heeft genomen om een verschil te maken in de hosting van materiaal van seksueel kindermisbruik in Nederland. De ATKM is gericht op het detecteren, beoordelen en laten verwijderen van deze specifieke content op basis van haar bestuursrechtelijke bevoegdheden. Hoewel de ATKM enkel kan acteren op materiaal van kinderen, is zij wel een belangrijke speler in handhaving op online seksueel geweld.

De toezichthouders informeren burgers en bedrijven, voeren controles uit en handhaven de regels met waarschuwingen, boetes of andere maatregelen. De toezichthouders werken steeds vaker samen bij online kwesties. Deze samenwerking en hun autonomie zijn cruciaal voor een betrouwbaar en veilig digitaal Nederland.

In de beleidsreactie wordt ook ingegaan op de verschillende aanbevelingen uit het rapport. Zo is, in reactie op de aanbeveling over prioritering en samenwerking, waar het lid Dobbe naar refereert, toegelicht dat toezichthouders al effectief samenwerken in verschillende verbanden, zoals de DSA-Kamer en het multilateraal samenwerkingsprotocol. Daarbij verkennen toezichthouders hoe hun samenwerking verder kan worden verdiept en hoe de beschikbare bevoegdheden optimaal kunnen worden benut voor een sluitende aanpak. De lijn uit deze beleidsreactie wordt door dit kabinet voortgezet en versterkt, met blijvende aandacht voor online seksueel geweld, inclusief online vrouwenhaat en seksuele intimidatie20.

7. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg wordt verzocht om met een plan te komen om het aantal opvangplekken inde vrouwenopvang te verhogen naar 1.800, in lijn met het verdrag van Istanbul.

Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van de vrouwenopvang. Hiervoor kunnen zij financiële middelen uit de DUVO en algemene uitkering gebruiken. Per 2020 heeft het kabinet structureel 14 miljoen euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het aanpakken van knelpunten in de vrouwenopvang en zorg te kunnen dragen voor voldoende opvangplekken21. Het realiseren van extra opvangcapaciteit bleek nodig, mede door de toegenomen vraag. Mijn ambtsvoorganger heeft per 2026 aanvullend structureel 12 miljoen euro toegevoegd aan de Decentralisatie-uitkering Vrouwenopvang (DUVO). Met de VNG en Valente is in bestuurlijke afspraken vastgesteld dat de aanvullende 12 miljoen euro daadwerkelijk wordt gebruikt voor de uitbreiding van opvangcapaciteit van de vrouwenopvang. Op dit moment wordt door gemeenten en opvanginstellingen gewerkt aan de realisatie van deze uitbreiding. Gezamenlijk met de VNG en Valente zal ik de ontwikkelingen binnen

de vrouwenopvang en de uitbreiding van de capaciteit monitoren. Op deze manier houden we gezamenlijk zicht op de druk op de capaciteit van de opvang en het effect van de uitbreiding van het aantal opvangplekken.

In het Verdrag van Istanbul is de aanbeveling opgenomen om 1 opvangplek per 10.000 inwoners te organiseren. Voor Nederland zou dat ongeveer 1800 opvangplekken betekenen. Dit betreft een aanbeveling, waarbij wordt vermeld dat de nationale context leidend moet zijn in het bepalen van het daadwerkelijk benodigd aantal opvangplekken. Het uitgangspunt van 1 opvangplek per 10.000 inwoners lijkt voor Nederland niet passend. Het bepalen van een passend aantal opvangplekken voor de Nederlandse context is complex omdat dit van verschillende factoren afhankelijk is zoals bijvoorbeeld de beschikbaarheid van betaalbare woningen voor slachtoffers na het verlaten van de opvang. Deze opgave vraagt heeft dan ook om continue afstemming met de VNG en Valente. Ik blijf hierover dan ook met de VNG en Valente in gesprek.

8. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg wordt verzocht om met een nieuwe campagne te komen om de bekendheid van het Centrum Seksueel Geweld te vergroten.

Steeds meer mensen weten de weg naar het CSG te vinden. Dit blijkt ook uit de significante stijging van het totale aantal slachtoffers dat in 2024 is geholpen, zowel minderjarig als meerderjarig. In het jaar 2024 was er een stijging van 10% in het totaal aantal geholpen meerderjarige en minderjarige slachtoffers, naasten en professionals22. Dit is waarschijnlijk voor een belangrijk deel te verklaren door de grotere bekendheid van het CSG onder burgers en professionals. De maatschappelijke- en media-aandacht voor het thema seksueel geweld is toegenomen en er zijn verschillende activiteiten geïnitieerd om slachtoffers van seksueel geweld te bereiken en de stap naar hulp te vergemakkelijken. Zo zijn afgelopen jaren meerdere campagnes gevoerd om hulp bij seksueel geweld onder de aandacht te brengen. Ook is vanuit het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) een actielijn gewijd aan goede en makkelijk vindbare hulpverlening. Tot slot houdt de stijging mogelijk ook verband met de nieuwe Wet seksuele misdrijven, vanaf 1 juli 2024. In de jaarcijfers is namelijk met name een flinke stijging te zien in de aanmeldingen in de tweede helft van het jaar 2024.

Hoewel het positief is dat het CSG steeds beter gevonden wordt, brengt de stijging ook organisatorische uitdagingen met zich mee. Het kabinet is samen met gemeenten de afgelopen jaren tegemoetgekomen aan de stijgende druk op het LCSG (waar de meldingen doorgaans binnenkomen) door in te zetten op het op orde krijgen van de basisdienstverlening, zie ook het antwoord op punt 2. Het kabinet houdt vast aan deze prioriteit boven op het inzetten op het verder vergroten van de naamsbekendheid.

9. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt verzocht in gesprek te gaan met media over de mogelijkheid om standaardinformatie over het Centrum Seksueel Geweld op te nemen onder nieuwsberichten over seksueel geweld.

Journalistieke redacties kunnen een belangrijke bijdrage leveren bij de bekendheid van CSG’s en het is waardevol om te zien dat slachtoffers van seksueel geweld deze centra sneller weten te vinden, mede dankzij de aandacht daarvoor bij journalistieke redacties. Het is echter aan journalistieke redacties zelf om te bepalen of zij een verwijzing naar CSG’s opnemen in hun producties. Vanwege de onafhankelijkheid van de media is het niet wenselijk dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierop aanstuurt. Uiteraard kunnen organisaties als het CSG zelf contact leggen met mediapartijen om met hen in gesprek te gaan en te onderzoeken waar ze elkaar kunnen versterken. Op de website van het CSG wordt nu al specifieke informatie weergegeven voor journalisten.

10. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden verzocht om in gesprek te gaan met onderwijsinstellingen die zorgopleidingen aanbieden over de mogelijkheden om daarin meer aandacht te besteden aan het herkennen van signalen van seksueel geweld en het bieden van goede zorg aan slachtoffers van seksueel geweld.

Goede scholing van zorgprofessionals op het gebied van seksueel geweld is van groot belang. Voor verschillende zorgopleidingen zijn opleidingsbesluiten vastgesteld waarin eisen voor de betreffende opleiding zijn opgenomen. Zo is in het Besluit opleidingseisen arts opgenomen dat de opleiding aandacht moet besteden aan geweld in relaties tussen mensen, waaronder partnergeweld en kindermishandeling. Ook in de opleidingen tot verloskundige en gezondheidszorgpsycholoog is hiervoor een wettelijke basis aanwezig. Daarnaast geldt voor zorg- en onderwijsinstellingen een wettelijke verplichting om de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te implementeren en het gebruik ervan door professionals te bevorderen, wat ook gericht is op de signalen van seksueel geweld. Binnen het mbo wordt het thema grensoverschrijdend gedrag (en waar relevant de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) expliciet benoemd in een aantal kwalificatiedossiers van zorg en welzijn.

De verantwoordelijkheid voor de concrete invulling van het scholingsaanbod ligt bij de opleidingsinstellingen zelf. Zij bepalen zelfstandig op welke wijze zij binnen

hun curriculum invulling geven aan de geldende opleidingseisen. Het is dan ook niet aan de wetgever om rechtstreeks voor te schrijven hoe opleidingen dit onderwerp behandelen.

11. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden verzocht om in gesprek te gaan met de Universitair Medische Centra over de mogelijkheden in bij de opleiding geneeskunde meer aandacht te besteden aan specialisaties buiten het ziekenhuis, zoals de opleiding tot forensisch arts.

Voldoende instroom in de forensische geneeskunde is van groot belang. Daarom is via de campagne Kies voor Forensische Geneeskunde 23specifiek aandacht gevraagd voor het vak van forensisch arts en de mogelijkheden om hiervoor opgeleid te worden.

Naast de inzet op de bekendheid en het vergroten van de aantrekkelijkheid van het vak zet het kabinet in op de versterking van de forensische geneeskunde door te werken aan het vergroten van de opleidingscapaciteit en het versterken van de positie van de forensische geneeskunde.

Het kabinet zet daarnaast ook breed in op het vergroten van de instroom voor artsenberoepen buiten het ziekenhuis door het vergroten van de bekendheid en aantrekkelijkheid via arbeidsmarktcampagnes, zoals Next Level Dokter24. Doel hierbij is om geneeskundestudenten en basisartsen beter zicht te geven op de verschillende loopbaanmogelijkheden buiten het ziekenhuis, waaronder de forensische geneeskunde.

Tot slot zal het kabinet in gesprek blijven met de universitaire medische centra over de aandacht binnen de opleiding geneeskunde voor specialisaties buiten het ziekenhuis, zoals de forensische geneeskunde.

12. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt verzocht om ervoor te zorgen dat er altijd een passende professionele tolk kan worden ingezet op plekken waar slachtoffers van seksueel geweld zich melden, zowel bij gespecialiseerde hulporganisaties als bij bijvoorbeeld de huisarts.

Om goede en passende zorg te bieden is heldere communicatie tussen zorgverleners en patiënten en/ of cliënten heel belangrijk. Tolken spelen hierin een onmisbare rol in. In verschillende wetten is heldere communicatie richting patiënten en/ of cliënten in de zorg geborgd. Daarnaast zijn er diverse ontwikkelingen waarmee wordt ingezet op het aanpakken van knelpunten ten aanzien van de inzet van tolken in de Zvw. Onderstaand worden de relevante wetten en ontwikkelingen beschreven.

De Wet Geneeskundige behandelovereenkomst (Wgbo) schrijft voor dat een patiënt zo begrijpelijk en volledig mogelijk is geïnformeerd voordat er zorg kan worden geleverd. Alleen dan kan de patiënt geïnformeerd toestemming geven voor deze zorg (informed consent). Daarnaast bepaalt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) dat een zorgaanbieder goede zorg moet leveren die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De zorg moet tijdig worden verleend en moet passen bij de daadwerkelijke behoefte van de patiënt. In sommige situaties is hiervoor de inzet van een professionele tolk een randvoorwaarde. De Richtlijn “Omgaan met taalbarrières in de zorg en het sociaal domein” biedt hiervoor een handvat. In de Kamerbrief van 16 december 2024 heeft de toenmalige Minister van VWS aangegeven het belangrijk te vinden dat zorgprofessionals worden ondersteund in de randvoorwaarden voor het leveren van zorg zoals die onder andere worden beschreven in de Wgbo en Wkkgz.25

Voor de uitvoering van de motie van de leden Paulusma (D66), Ceder (CU) en Westerveld (GL/PvdA) die de regering verzoekt op de korte termijn tot een oplossing te komen voor de problemen rondom de inzet van tolken in de huisartsenzorg26, is de NZa gevraagd om advies te geven over de bekostiging van de inzet van tolken binnen de huisartsenzorg. Op 16 december 2024 heeft het Kabinet de Kamer geïnformeerd over het advies van de NZa.27 In het rapport schrijft de NZa dat ze signalen hebben ontvangen van knelpunten in de bekostiging van tolken buiten de huisartsenzorg (namelijk paramedische zorg, wijkverpleging en farmaceutische zorg). Daarom geeft de NZa ook (op hoofdlijnen) enkele overstijgende bekostigingsopties die breder zijn dan de huisartsenzorg. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de bekostiging via een regionaal eerstelijnsamenwerkingsverband (RESV) of een ‘algemene dienst ten behoeve van zorg’-prestatie (ADZ-prestatie). De NZa adviseert om de bekostigingsopties die breder zijn dan de huisartsenzorg verder te onderzoeken voordat een definitief besluit wordt genomen over de bekostiging van tolken in de huisartsenzorg. Dit is in lijn met de motie van de leden Paulusma (D66) en Ceder (CU) die de regering verzoekt op de lange termijn te bezien of, en zo ja hoe, een algehele prestatie binnen de Zvw voor de inzet van tolken mogelijk wordt28. Het proces wordt zorgvuldig doorlopen, wat in lijn is met de motie van het lid Van der Plas (BBB) die de regering verzoekt om de resultaten van relevante analyses af te wachten voordat voorstellen naar de Kamer worden gezonden29. Hiervoor wordt ook afgestemd met veldpartijen, zodat we tot een werkbare oplossing komen die tot daadwerkelijke verbetering leidt in de praktijk.

Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen van personen die niet zelfstandig aan de samenleving kunnen deelnemen of hulp nodig hebben bij hun zelfredzaamheid. Voorzieningen binnen het kader van zelfredzaamheid, waar ook een tolkendienst onder valt, kunnen uit het Gemeentefonds worden betaald. Wanneer een taalbarrière het moeilijk maakt om de juiste ondersteuning te krijgen, is het aan de betreffende gemeente om te beoordelen of in een specifiek geval inzet van een tolk nodig is en om dit te regelen als dat noodzakelijk is. Gemeenten hebben daarbij de vrijheid om tolkdiensten op verschillende manieren te organiseren, bijvoorbeeld door er maatwerk of een algemene voorziening van te maken, deze op te nemen in contracten met zorgaanbieders of door medewerkers met diverse (taal)achtergronden aan te nemen in wijkteams.

Voor de Jeugdwet geldt ook dat die geen specifieke bepalingen bevat over de inzet van tolkvoorzieningen in het kader van de jeugdhulp. Gemeenten kunnen zelf afspraken kunnen maken met contractpartners over het gebruik en de vergoeding van tolken, waarbij de kosten worden gedekt uit de gemeentelijke budgetten. Voor kinderen die onder de verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA) vallen, is de situatie anders geregeld. De kosten voor tolken voor deze doelgroep worden vergoed door het COA.

Voor zorgaanbieders binnen de Wet Langdurige Zorg (Wlz) geldt dat voor intramurale zorg een integraal tarief wordt gehanteerd. Vanuit dit tarief kan, indien noodzakelijk voor goede zorgverlening, ook de inzet van een tolk worden bekostigd. Tolkeninzet is daarmee geen afzonderlijke aanspraak, maar kan worden beschouwd als een randvoorwaarde om passende zorg te bieden. Voor cliënten die thuis wonen geldt dat zij een eigen huisarts hebben en zich bij gezondheidsklachten of hulpvragen, waaronder signalen van seksueel geweld, hiertoe kunnen wenden.

Tot besluit

Slachtoffers van seksueel geweld verdienen goede zorg en ondersteuning. De initiatiefnota biedt waardevolle inzichten en draagt bij aan de verdere gedachtevorming over hoe die zorg en ondersteuning verder kunnen worden verbeterd.

Ik vertrouw erop u met deze brief en de reactie op de afzonderlijke beslispunten voldoende te hebben geïnformeerd over de inzet van het kabinet op dit terrein en ga graag met de Kamer in gesprek over deze reactie.

De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

W.R.C. Sterk


  1. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 841, nr. 2↩︎

  2. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36 234, nr. 3↩︎

  3. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36 234, nr. 10↩︎

  4. [1] Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 28 345, nr. 292↩︎

  5. [2] Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 24 843, nr. 120↩︎

  6. Zorgverzekering slachtoffers van seksueel geweld’, Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving↩︎

  7. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36 234, nr. 10↩︎

  8. Dit bedrag is inclusief een structurele bijdrage van € 127.000 vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid in verband met de verwachte stijging van het aantal meldingen sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Wet Seksuele Misdrijven↩︎

  9. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 725 VI, nr. 26↩︎

  10. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 28 345, nr. 293↩︎

  11. Coalitieakkoord 2026-2030 ‘Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland’, D66, VVD en CDA, 30 januari 2026↩︎

  12. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 35 300, nr. 11 en Kamerstukken II 2021/22, 35 925, nr. 13↩︎

  13. Coalitieakkoord 2026-2030 ‘Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland’, D66, VVD en CDA, 30 januari 2026↩︎

  14. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 29 628, nr. 1302, bijlage 3↩︎

  15. Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1816↩︎

  16. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 34 843, nr. 63↩︎

  17. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 29 279, nr. 1005↩︎

  18. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 843, nr. 130↩︎

  19. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 843, nr. 128↩︎

  20. Coalitieakkoord 2026-2030 ‘Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland’, D66, VVD en CDA, 30 januari 2026↩︎

  21. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 28 345, nr. 254↩︎

  22. Jaarverslag 2024, Stichting Landelijk Centrum Seksueel Geweld↩︎

  23. Kies voor Forensische Geneeskunde, www.kiesvoorforensischegeneeskunde.nl/↩︎

  24. Next Level Dokter, Forensisch arts, www.nextleveldokter.nl/next-level-dokter-expertises/forensisch-arts/↩︎

  25. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 36 600 XVI, nr. 152 ↩︎

  26. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36 200 XVI, nr. 224↩︎

  27. Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2025, 36 600 XVI, nr. 152↩︎

  28. Tweede Kamer, vergaderjaar2022-2023, 36 200 XVI, nr. 225↩︎

  29. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36 200 XVI, nr. 230↩︎