Wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele andere wijzigingen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b) (36621) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D25383, datum: 2026-05-27, bijgewerkt: 2026-05-28 09:20, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-27 19:20: Wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele andere wijzigingen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b) (36621) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (š origineel)
Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b
Voorzitter: Peter de Groot
Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele andere wijzigingen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b) (36621).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van een aantal
wetten op het terrein van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele
andere wijzigingen. Hartelijk welkom aan de leden en ook aan de minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. We gaan beginnen met het debat, met
de eerste termijn van de zijde van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik zou graag als eerste mevrouw Maeijer willen uitnodigen, die spreekt
namens de PVV-fractie. Gaat uw gang.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik zie vijftien minuten staan, maar misschien
kan ik de collega's een beetje blij maken: hierbij was enigszins sprake
van miscommunicatie. Ik heb wel wat tekst, maar niet voor vijftien
minuten.
Voorzitter. Vanavond bespreken we de Verzamelwet gegevensverwerking VWS
II.b, een wet waarin op het oog technische aanpassingen worden gedaan om
de juridische basis voor het uitwisselen van medische en persoonlijke
gegevens te versterken. Die technische aanpassingen bevatten wat mijn
fractie betreft wel principiƫle keuzes over de vraag hoe we omgaan met
data: keuzes over het doorbreken van het medisch beroepsgeheim en over
het afschaffen van het geven van expliciete toestemming daarvoor. Dat
zijn kwesties waar we het over moeten hebben en die we niet als
hamerstuk willen laten passeren. De PVV heeft daarom een aantal vragen
aan de minister, die zich voornamelijk concentreren rondom de volgende
onderdelen van de wet: de mogelijkheid voor zorgaanbieders en het CAK om
gegevens te verstrekken aan gemeenten en GGD'en; de rechtsgrondslag voor
het RIVM wat betreft de bevolkingsonderzoeken en de screenings; en het
Rijksvaccinatieprogramma, de gegevensuitwisseling tussen het RIVM en de
uitvoerders van het programma.
Bij deze drie onderdelen gaat het om een nieuwe grondslag voor het
doorbreken van het medisch beroepsgeheim. Het gaat om te beginnen om de
mogelijkheid voor zorgaanbieders en het CAK om desgevraagd gegevens te
verstrekken aan gemeenten en GGD'en over iemand aan wie zij zorg hebben
verleend die geen zorgverzekering heeft. Het gaat dan om
persoonsgegevens, waaronder gegevens over de gezondheid en het bsn. Voor
burgers die niet eerder in beeld waren, kan vervolgens door de gemeente
bemoeizorg worden ingezet. Het verstrekken van gegevens gebeurt op
verzoek van de gemeente, maar wordt een verplichting voor de
zorgaanbieder.
De minister schrijft in de memorie van toelichting dat een aantal
gemeenten en zorgverleners hebben aangegeven dat er grote behoefte is om
deze gegevens weer uit te wisselen, zodat indien nodig passende hulp en
ondersteuning kunnen worden geboden. Gemeenten zullen op basis van de
verstrekte gegevens nagaan of de burger al in beeld is of gemeentelijke
ondersteuning ontvangt, en of de burger aanspraak maakt op
voorzieningen. In de memorie van toelichting lezen we dat tot 1 maart
2022 werd gewerkt met een toestemmingsformulier om gegevens te delen
maar dat dit in de praktijk niet altijd erg werkbaar was. Mijn fractie
heeft daarover de volgende vragen. Kan de ministers cijfers delen over
het aantal keren dat er wel of geen toestemming werd gegeven? Hoe vond
in dit kader voorlichting plaats over het al dan niet geven van
toestemming en de consequenties van de keuze?
De Nederlandse ggz pleit er in zijn brief over deze wet onder andere
voor om het initiatief hiervoor bij de zorgverlener neer te leggen en
gegevens te verstrekken in samenspraak met en bij voorkeur met
toestemming van de betrokkenen. Waarom heeft de minister hier niet voor
gekozen? Bij wie komen gegevens straks terecht als die met de gemeente
worden gedeeld? Is het doel van dit artikel om bemoeizorg te faciliteren
met de verplichting tot gegevensverstrekking of om mensen op vrijwillige
basis te helpen aan een zorgverzekering of hulp op initiatief van de
zorgverlener?
Voorzitter. Dan de rechtsgrondslag voor het RIVM ten aanzien van
bevolkingsonderzoeken en screenings. De minister stelt dat het om
bevolkingsonderzoeken en screenings goed te kunnen monitoren en
evalueren en om de kwaliteit te waarborgen, noodzakelijk is om te
beschikken over gegevens over vervolgdiagnostiek van personen die naar
aanleiding van een bevolkingsonderzoek of screening zijn doorverwezen.
Met die gegevens kan namelijk worden nagegaan of de doorverwijzing naar
aanleiding van het onderzoek of de screening terecht was of dat er
sprake was van een fout-positieve uitslag en de aandoening niet uit de
vervolgdiagnostiek bleek. Daarnaast vindt de minister het noodzakelijk
om gegevens te hebben over de diagnostiek van personen die na deelname
aan het bevolkingsonderzoek of de screening een negatieve uitslag
ontvingen, maar bij wie nadien toch een afwijking is geconstateerd. Zo
kan er worden nagegaan of deze gevallen bij het bevolkingsonderzoek of
de screening ten onrechte zijn gemist.
Voorzitter. Dat begrijpen wij. De PVV is ook niet tegen gegevensdeling
an sich, maar wij hebben wel bezwaren tegen de manier waarop de minister
dit nu wil gaan doen. De minister wil namelijk een wettelijke regeling
die zorgverleners verplicht om in twee situaties diagnostische gegevens
te verstrekken aan de uitvoerder van een bevolkingsonderzoek of
screening en die vervolgens ook de uitvoerder verplicht om die gegevens
te delen met het RIVM. Deze gegevens bevatten dus informatie over de
gezondheid van de persoon. In de informatiefolder bij de uitnodiging
voor het onderzoek zou er worden gewezen op de mogelijkheid van bezwaar.
Kan de minister nog eens uitleggen waarom er voor deze verplichting is
gekozen en daarmee voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim?
Waarom kiest men voor het uitgangspunt van het delen van gegevens tenzij
er bezwaar wordt gemaakt? Heeft de minister overwogen om dit om te
draaien, namelijk om expliciete toestemming te vragen aan de betrokkenen
om gegevens te delen?
Voorzitter. Het derde onderdeel is het Rijksvaccinatieprogramma en de
gegevensuitwisseling tussen het RIVM en de uitvoerders van het
programma. Ook hier wordt een wettelijke grondslag geregeld voor de
gegevensuitwisseling tussen uitvoerders en het RIVM. De minister stelt
dat de huidige situatie waarin er actief toestemming wordt gevraagd aan
een deelnemer voor de uitwisseling van vaccinatiegegevens met
persoonsgegevens, het RIVM niet genoeg data oplevert om uitvoering te
geven aan zijn wettelijke taken. Deze expliciete toestemming is per 2022
ingebouwd in de systemen. Als je toestemming geeft worden nu je
vaccinatiegegevens en persoonsgegevens gedeeld. Als je geen toestemming
geeft, alleen de vaccinatiegegevens.
Sinds die datum ontvangt het RIVM een deel van de gegevens dus anoniem.
Het eerste halfjaar van 2022 was dit gemiddeld 10%. Gemiddeld is dat ten
tijde van het schrijven van de memorie van toelichting van deze wet 4%,
zo lezen we. Kan de minister aangeven hoe groot dat percentage vandaag
de dag is? En wat is volgens de minister nou eigenlijk een kritiek
percentage? Hoe weten we nou dat als straks met deze nieuwe wet dit
percentage daalt er nu wel echt sprake is van een duidelijk gemaakte
keuze? Waarom is ervoor gekozen om dit in 2022 eerst met expliciete
toestemming te regelen, en wil de minister daar nu vanaf?
Voorzitter. Volgens de minister bevat dit percentage niet alleen
personen die bewust geen toestemming geven, maar zitten hier ook
situaties in waarin bijvoorbeeld de vraag niet is gesteld, het antwoord
niet goed is geregistreerd of de vraag niet goed is begrepen. Waarom zet
de minister er dan niet op in om deze situaties aan te pakken, zodat
iedereen een weloverwogen, expliciete keuze kan maken om zijn of haar
gegevens te delen? De minister stapt nu namelijk af van de expliciete
toestemming. De uitvoerders worden wettelijk verplicht om
gepersonaliseerde vaccinatiegegevens aan het RIVM te verstrekken, tenzij
de persoon daar bezwaar tegen maakt. De verwachting is dat dit ertoe zal
leiden dat er meer gegevens worden gedeeld.
Voorzitter. Het is mij ook niet duidelijk hoe deze mogelijkheid tot
bezwaar bij dit onderdeel en ook bij het vorige onderdeel nu precies
wordt vormgegeven. Hoe gaat de minister mensen informeren over de
mogelijkheid van bezwaar? Hoe gaat dit er dan precies uitzien in de
praktijk? Zou de minister dit kunnen schetsen aan de hand van een
concreet voorbeeld?
Voorzitter. Ook de artsenfederatie KNMG is kritisch. Zij vraagt zich af
of de bepalingen over gegevensuitwisseling bij het
Rijksvaccinatieprogramma en bevolkingsonderzoeken wel voldoen aan de
eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit, want,
zo stelt zij: "Het medisch beroepsgeheim beschermt niet alleen
individuele privacy; het waarborgt ook de vrije en onbelemmerde toegang
tot gezondheidszorg voor iedereen." Graag hoor ik een reflectie
hierop.
Voorzitter, tot slot. Recente grote hacks laten zien dat gegevens niet
altijd veilig zijn. Hoe zorgt de minister voor veiligheid van
persoonsgegevens als zij met meer instanties worden gedeeld? Hoe worden
hacks en datalekken voorkomen? Afgelopen week hadden we een
commissiedebat over digitalisering in de zorg. Daarin ging het ook over
de EHDS, de European Health Data Space. De verordening daarvoor is op 26
maart 2025 in werking getreden. Ook daarin gaat het over het delen van
gezondheidsgegevens. De verordening gaat uit van toestemming tot het
delen en kent alleen het systeem van opt-out en niet meer het systeem
van opt-in. Kan de minister nog eens uitleggen hoe deze wet en de
verordening zich tot elkaar verhouden, als ze dat al doen?
Voorzitter, helemaal tot slot. Gegevensdeling in de zorg is belangrijk,
maar wat ons betreft houdt de patiƫnt, de betrokkene, de regie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. U heeft nog een interruptie van de heer
Claassen van de Groep Markuszower. Gaat uw gang. We doen interrupties in
drieƫn.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Helemaal goed. Een prima bijdrage van collega Maeijer, denk ik. Ik schat
ook in dat onze inzichten grotendeels overeenkomen. Dat heeft zo zijn
redenen. Ja, ik ben het zeker eens met de inzichten van mevrouw Maeijer.
Om die reden proberen wij nog ā met excuses aan de collega's, hoor, dat
het zo laat wordt ā een amendement in te dienen. Dat ligt bij Bureau
Wetgeving, maar het heeft wat meer nodig; ik hoop dat het goed komt. Dat
amendement gaat regelen dat met name het omzeilen van het beroepsgeheim
en de zeggenschap over het delen van data terugkomen bij degene van wie
die data afkomstig zijn. Is dat een amendement waarvan de PVV de
strekking zou kunnen steunen? Het gaat me nog niet per definitie om de
details, maar even in algemene zin om de uitgangspunten.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dan merk je dat je toch een bepaalde geschiedenis met elkaar deelt, want
ik heb eigenlijk hetzelfde euvel. Daar had ik mee moeten afsluiten,
realiseer ik me. Ook ik heb nog een aantal amendementen bij Bureau
Wetgeving liggen die exact zien op dit punt, op de onderdelen in de wet
die ik net heb benoemd, dus de gegevensuitwisseling tussen de
zorgaanbieders en het CAK, het RIVM en nogmaals het RIVM met betrekking
tot het vaccinatieprogramma. Ik heb uw amendementen niet gezien, meneer
Claassen, maar ik denk dat ze misschien wel enigszins gelijkluidend
zullen zijn.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat klopt. Ik heb de amendementen van de PVV ook nog niet gezien; ik zie
ze nog niet in het systeem. Ik hoop dat dat goed komt. Ik hoop ook op
een beetje goodwill van de collega's, dus dat ze daar ook de tijd voor
krijgen, mochten ze in het systeem komen, om daar even goed naar te
kunnen kijken.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage, mevrouw Maeijer. Ik nodig graag de heer Vervuurt
uit namens de D66-fractie. Gaat uw gang.
De heer Vervuurt (D66):
Voorzitter. Digitale gegevensverwerking vormt een fundament onder ons
zorgstelsel. Dat bespraken we vorige week al in het commissiedebat
Digitale ontwikkelingen in de zorg. In dat commissiedebat hebben we het
gehad over hoe innovaties in de toekomst betere en veiligere zorg voor
patiƫnten kunnen opleveren. Vandaag behandelen we een wet die aan veel
van diezelfde elementen raakt. Maar deze wet richt zich heel concreet op
aanpassingen die nu al nodig zijn. Ze zijn nodig om de
basisinfrastructuur van digitale gegevensverwerking op orde te krijgen,
zodat er gewoon goede zorg aan patiƫnten geleverd kan worden.
Mijn fractie is blij met hoe deze wet betere samenwerking mogelijk maakt
tussen diverse partijen en het makkelijker maakt om belangrijke gegevens
te delen. Zo verbetert de wet de samenwerking tussen zorgkantoren, het
Centrum Indicatiestelling Zorg en gemeenten over de samenloop van de
Wmo, de Jeugdwet en de Wet langdurige zorg. Daarmee kunnen we zorg beter
organiseren en halen we schotten weg die dat nu nog verhinderen. De wet
maakt gegevensuitwisseling tussen het Centraal Administratie Kantoor,
gemeenten en GGD'en mogelijk, om beter medisch noodzakelijke zorg aan
onverzekerden te kunnen leveren. Nu kunnen gemeentelijke hulpverleners
vaak niet bij de benodigde data om goede hulp te organiseren. Daarnaast
wordt met deze wet de gegevensuitwisseling tussen het RIVM en de
uitvoerders van de vaccinatieprogramma's makkelijker. Daarmee wordt een
belangrijke stap gezet in het onderzoek naar de effectiviteit van deze
vaccinatieprogramma's voor specifieke doelgroepen.
Dit zijn technische stappen die cruciaal zijn voor het goede fundament
van zorg. In beginsel steunt mijn fractie dit wetsvoorstel dan ook van
harte. Er is wel nog een tweetal vragen waarover wij graag opheldering
willen van de minister. Mijn fractie heeft in de aanloop naar dit
wetsvoorstel vragen gesteld over het medisch beroepsgeheim bij het
leveren van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Wij lezen in
de beantwoording dat daarvoor de nodige waarborgen geregeld zijn, zoals
een strenge geheimhoudingsplicht. Maar we willen graag van de minister
weten: hoe wordt gecontroleerd of dit goed wordt nageleefd?
De regering stelt in de nota naar aanleiding van het verslag ook dat er
geen algemeen opt-outsysteem bestaat, maar dat de European Health Data
Space daar wel ruimte voor gaat bieden. Is de minister van plan om in
Nederland daadwerkelijk zo'n centraal opt-outsysteem mogelijk te maken
en ook de vaccinatiegegevens en bevolkingsonderzoeken daarbij te
betrekken? Hoe gaat daarbij dan worden gezorgd dat het voor mensen heel
duidelijk is waartegen zij precies bezwaar kunnen maken en dat ze ook
tegen specifieke gegevensdeling bezwaar kunnen maken?
Tot zover mijn vragen. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Ik zie geen interrupties. Dan nodig ik graag
mevrouw Tijmstra namens de CDA-fractie uit voor haar inbreng. Gaat uw
gang.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag behandelen we de Verzamelwet
gegevensverwerking VWS II.b. Daarmee nemen we een volgende stap in het
oplossen van knelpunten rond gegevensdeling in de zorg. Een traject dat
ook nog wel even doorgaat, want er komt straks ook nog een Verzamelwet
III en een Verzamelwet IV. De wetten die we hier behandelen, zijn vaak
behoorlijk technisch, zo ook deze wet. Maar achter al deze artikelen en
gegevensstromen gaan altijd mensen schuil: professionals die hun werk
goed willen doen en cliƫnten die afhankelijk zijn van zorg en
ondersteuning. Juist voor hen is goede gegevensdeling essentieel, voor
betere zorg, minder administratiedruk en voor het voorkomen van fraude.
Daarom is het goed dat we met deze wet opnieuw een aantal praktische
knelpunten oplossen.
Het CDA wil vandaag vooral ingaan op twee onderdelen. Het eerste is de
terugvorderingsbepaling in de Jeugdwet en de Wmo. Het tweede is de
gegevensdeling rond de zorg voor onverzekerden.
Ten aanzien van het eerste punt: helaas komt het nog steeds voor dat
zorggeld oneigenlijk gebruikt wordt. In een ideale wereld, waarin
iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt, zou het niet nodig hoeven zijn
om fraude te bestrijden. Maar helaas is dat niet zo. Daarom vindt ook
het CDA dat gemeenten fraude moeten kunnen aanpakken zonder onnodige
drempels. Dit wetsvoorstel zet daarin een belangrijke stap. Gemeenten
kunnen straks onterecht verleende budgetten in de Jeugdwet
terugvorderen. In de Wmo verdwijnt het dubbeleopzetvereiste. Gemeenten
hoeven niet langer te bewijzen dat zorgaanbieder en cliƫnt samen
gefraudeerd hebben. Dat is een terechte en noodzakelijke
verbetering.
Maar het instrument blijft beperkt. Terugvordering kan alleen als er
opzettelijk verkeerde gegevens zijn aangeleverd. In situaties waarin
iemands aanspraak wijzigt of vervalt door veranderende omstandigheden,
kan de gemeente nog steeds niks doen.
Daarmee wordt dus een deel van de fraudeaanpak verbeterd, maar blijven
er ook nog steeds risico's bestaan. Mijn vraag aan de minister is daarom
als volgt. Worden er in lijn met de ambities uit het coalitieakkoord
aanvullende maatregelen voorbereid om deze bredere problematiek aan te
pakken? Zo ja, in welke richting wordt dan gedacht?
Dan kom ik bij het tweede punt: de mogelijkheid voor zorgaanbieders en
het CAK om gegevens te verstrekken aan gemeenten en GGD'en in verband
met de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden.
Het voorstel dat nu voorligt, betreft een feitelijke reparatie van de
situatie sinds 2022, toen de gegevensuitwisseling tussen zorgverleners
en gemeenten werd stopgezet omdat een goede grondslag voor de AVG
ontbrak. Het CDA is blij met deze reparatie. Ook is het CDA blij dat het
kabinet gehoor heeft gegeven aan de wens van onder andere het CDA om van
de mogelijkheid om gegevens te delen een verplichting te maken op het
moment dat gemeenten daarom vragen.
Waarom vinden we dat nou zo belangrijk? Het zorgt ervoor dat bij deze
groep mensen, die eerder misschien niet in beeld waren, een vorm van
bemoeizorg kan worden ingezet als dat nodig is. Dat is ook een
belangrijk punt uit het coalitieakkoord. "Bemoeizorg" heeft misschien
een negatieve klank, maar het gaat hier echt om actieve hulpverlening
voor mensen die zelf geen hulp zoeken, maar wel dringend zorg of
ondersteuning nodig hebben. Het gaat om mensen met complexe problemen,
zoals psychische aandoeningen, verslaving, schulden of andere
omstandigheden waardoor zij de weg naar hulp niet kennen of vermijden.
Het doel is dan ook om deze kwetsbare mensen te bereiken, hun situatie
te verbeteren en verdere problemen te voorkomen. Door hen actief te
ondersteunen voorkomen we bovendien dat situaties escaleren of leiden
tot overlast in de openbare ruimte. We zijn dan ook blij met het
voorstel dat voorligt. Wel is onze vraag nog of de minister kan
toezeggen dat de gegevens die door zorgverleners worden gedeeld, door de
gemeenten en de GGD'en alleen worden gebruikt voor de inzet van
hulpverlening.
Het CDA maakt bij deze wetsbehandeling ook graag van de gelegenheid
gebruik om een aantal vragen te stellen over de subsidieregeling voor
onverzekerden. Van straatartsen horen wij dat het zou helpen als de zorg
voor deze groep beter verdeeld wordt over meer huisartsen. Veel
huisartsen zijn huiverig om deze patiƫnten te helpen vanwege de
rompslomp die zij verwachten bij een subsidieaanvraag. Dan doen ze soms
niks, of ze doen het liever gratis, terwijl dat niet nodig is. Door
digitalisering bij het CAK is de administratieve afhandeling van de
subsidieregeling voor medisch noodzakelijke zorg en onverzekerden juist
enorm vereenvoudigd. Een huisarts kan nu heel makkelijk digitaal
declareren, zonder ingewikkelde formulieren. Dat zou dus geen reden meer
moeten zijn om iemand niet te helpen of om niet te declareren. Een
betere spreiding van de zorg betekent dat mensen dichter bij huis
geholpen kunnen worden en dat de vraag beter verdeeld wordt binnen de
beroepsgroep. Dat helpt zowel patiƫnten als huisartsen. Complexere
patiƫnten, zoals patiƫnten met multiproblematiek, kunnen altijd terecht
bij straatzorgverleners vanwege de specifieke expertise, maar de
overgrote meerderheid kan ook prima terecht bij gewone huisartsen. De
Amsterdamse Huisartsenalliantie heeft hier een heel mooi initiatief voor
opgezet.
Ik heb nog een paar vragen aan de minister. Herkent de minister dit
beeld van terughoudendheid bij huisartsen, ondanks de vereenvoudigde
digitale afhandeling? Is de minister bereid te onderzoeken hoe we de
verspreiding van deze zorg kunnen verbeteren, waarbij de aanpak in
Amsterdam misschien als voorbeeld kan dienen voor andere plekken in
Nederland?
Tot slot heb ik nog een vraag over de nieuwe SOV-regeling waaraan
gewerkt wordt. Kan de minister aangeven wat de stand van zaken is rond
de uitwerking van de nieuwe SOV-regeling en de beoogde integratie met de
OVV-regeling?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u voor uw inbreng. Het woord is aan mevrouw Wendel. O, een
moment, hoor. Mevrouw Maeijer van de PVV heeft nog een interruptie voor
u. Gaat uw gang, mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Sorry, de afronding ging ineens heel snel. Ik ben toch wel heel benieuwd
naar een reflectie op de brief die we allemaal hebben gekregen van de
Nederlandse ggz. In die brief pleit de Nederlandse ggz ervoor om het
initiatief voor het delen van gegevens niet bij de gemeente maar bij de
zorgverlener te leggen, en om ervoor te zorgen dat dit in samenspraak
met de betrokkenen gebeurt. Mag ik vragen wat u daarvan vindt?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik heb de brief gezien en ik denk dat het een afweging is. Het CDA vindt
het het allerbelangrijkst dat de mensen die de zorg en hulp het hardst
nodig hebben die ook krijgen. Wij vinden het dus heel erg belangrijk dat
bemoeizorg kan worden ingezet. In de wet en de memorie van toelichting
zien we ook voldoende waarborgen waarin rekening gehouden wordt met
iemands persoonsgegevens. Wij hebben daar dus geen zorgen over. Gegevens
moeten ook aangeleverd worden op het moment dat een gemeente erom
vraagt. Ik denk dat je dan ook de samenwerking ziet en gemeenten in
staat stelt om hun rol te pakken om kwetsbare mensen te ondersteunen en
te helpen. De GGD en ambtenaren hebben een beroepsgeheimhoudingsplicht.
Er zit ook nog de waarborg in dat een professional, wanneer die daar
echt problemen mee ondervindt, dat vanuit zijn professionele werk niet
hoeft te delen. Het is dus heel getrapt, waardoor wij vinden dat het
voldoende geborgd is. De inzet en de zorg voor mensen die het het hardst
nodig hebben, vinden wij dan doorslaggevend.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dat er waarborgen in zitten, zie ik ook. Dat het doel uiteindelijk het
verlenen van zorg is, zie ik ook. Het doel zou wat mij betreft ook
moeten zijn om iemand aan een zorgverzekering te helpen. Dat zie ik dan
weer niet terugkomen in de wet. Maar de onderliggende vraag is
natuurlijk: van wie zijn die data dan? Als de zorgaanbieder deze
gegevens op verzoek van de gemeente gewoon verplicht moet geven, zonder
de cliënt daar überhaupt bij te betrekken, ben je dan als cliënt, als
betrokkene, nog wel eigenaar van je eigen persoonsgegevens?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Wat dit specifieke onderdeel van de wet betreft, was de situatie ook zo
vóór 2022. We zien juist heel veel handelingsverlegenheid bij
professionals omdat die grondslag ontbrak. Die grondslag regelen we met
deze wetgeving. Volgens mij kunnen we daarmee ook op een goede manier
mensen helpen. Met het punt dat u aangeeft over mensen aan een
zorgverzekering helpen, ben ik het overigens heel erg eens, hoor. Maar
ik zie de inzet van gemeenten en de hulp aan mensen ook als het aan een
briefadres, aan een uitkering, en dus ook aan een zorgverzekering helpen
van mensen. Daarmee zetten we volgens mij dus juist in op goede zorg en
ondersteuning van de mensen die die ondersteuning het hardst nodig
hebben.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik mevrouw Wendel namens de VVD-fractie uitnodigen.
Gaat uw gang.
Mevrouw Wendel (VVD):
Voorzitter. Het is nu ruim een halfjaar geleden dat ik mijn eerste
werkbezoek aan een zorginstelling bracht. Ik was toen nog
kandidaat-Kamerlid en ik ging langs bij twee ziekenhuizen en een locatie
waar mensen met dementie wonen en zorg krijgen. We spraken met
verpleegkundigen, artsen en bestuurders. Mij viel die dag op dat
informatiedeling overal werd genoemd als groot knelpunt. Zelf werkte ik
toen nog als veiligheidsadviseur, waarbij ik dag in, dag uit tegen
knelpunten in informatiedeling aan liep in de aanpak van zorgfraude en
bij mensen met onbegrepen gedrag. Al voordat ik officieel Kamerlid was,
waarna ik zorgwoordvoerder van de VVD werd, wist ik dus al: dit moet
anders. Nu ben ik zes maanden en vele werkbezoeken verder. Keer op keer
wordt mij gevraagd: verbeter alstublieft de informatiedeling.
Vandaag is het dan zover: we spreken over een aantal wijzigingen die
gegevensverwerking en informatiedeling in de zorg zullen verbeteren.
Laat ik heel helder zijn: de VVD zal de daad bij het woord voegen; wij
zullen voor deze wet stemmen. De redenen daarvoor zijn glashelder: omdat
de wet helpt om zorgfraude aan te pakken, omdat de wet ervoor zorgt dat
we zorggeld besteden aan de juiste mensen en omdat de wet de kwaliteit
van de zorg aanzienlijk verbetert.
Allereerst de zorgfraude. De VVD kiest voor het stevig aanpakken van
zorgfraude. Informatiedeling is daarbij van cruciaal belang en het
ontbreken ervan is veel te vaak de reden waarom criminelen niet worden
aangepakt. Ik heb het zelf in de praktijk gezien: organisatie A had
relevante informatie waaruit overduidelijk zorgfraude bleek, maar de
bevoegdheid lag bij organisatie B, die deze informatie ā u raadt het al
ā niet mocht ontvangen. Wie is dan de lachende derde? Juist, de
crimineel die cliƫnten uitbuit en zorggeld, betaald door de
belastingbetaler, in eigen zak steekt. Zonder goede informatiedeling
kunnen organisaties die zorgfraude moeten tegengaan, zoals gemeenten,
zorgkantoren en het Openbaar Ministerie, niet goed hun werk doen. Als we
zorgfraude willen aanpakken, moeten we niet alleen roepen dat we dat
willen doen, maar ook de daad bij het woord voegen en waar nodig de
wetgeving aanpassen. Daarom is de VVD ook zo blij met deze
wetswijziging. Deze wijziging zorgt ervoor dat we zorgfraude kunnen
aanpakken terwijl we tegelijkertijd oog houden voor de menselijke
maat.
Het college van B en W krijgt nu bijvoorbeeld de mogelijkheid om zelf te
bepalen of ten onrechte uitgekeerd zorggeld wordt teruggevorderd bij
zorgaanbieder of cliƫnt. Daarin moeten we heel scherp onderscheid maken,
want mensen die onbedoeld een fout maken, handelen niet frauduleus. Door
het vervallen van de dubbeleopzetvereiste ligt het voor de hand om geld
terug te vorderen bij de zorgaanbieder. Uitgangspunt is dat alleen van
de cliƫnt wordt teruggevorderd als vast is komen te staan dat er sprake
is van opzet, dit vermoeden deugdelijk is gemotiveerd, er rekening wordt
gehouden met de situatie van de cliƫnt en er in de vordering rekening
wordt gehouden met de draagkracht van de cliƫnt. Met andere woorden, de
minister heeft de juiste waarborgen ingebouwd om ervoor te zorgen dat
mensen die per ongeluk een foutje maken niet in de knel komen. Dat vindt
de VVD heel belangrijk. We moeten criminelen aanpakken en niet mensen
die een foutje maken. In de praktijk is de cliƫnt namelijk in de meeste
gevallen goedwillend, onwetend of onder druk gezet. Zorgaanbieders maken
bijvoorbeeld misbruik van kwetsbare cliƫnten, waardoor cliƫnten zelf of
hun omgeving niet aan de bel trekken.
Dan het tweede punt, namelijk het zorggeld besteden aan de juiste
mensen. Deze wetswijziging maakt het voor het Centrum Indicatiestelling
Zorg en voor zorgkantoren mogelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming
van de cliƫnt informatie met gemeenten te delen over de start of de
beƫindiging van een Wlz-indicatie en, bij de Wmo, de leveringsvorm.
Daardoor kan het college van B en W beter beoordelen of iemand ten
onrechte tegelijkertijd zorg ontvangt op grond van de Wlz en de Jeugdwet
of de Wmo 2015, zodat dubbele of onjuiste verstrekkingen kunnen worden
voorkomen. De cliƫnt weet vaak zelf ook niet op basis van welk wetgevend
kader hij of zij een voorziening ontvangt. Daarnaast kost het de
gemeente veel tijd en geld om dit te achterhalen, omdat het om heel veel
cliƫnten en veel verschillende aanbieders gaat, terwijl het voor
gemeenten van groot belang is om na te kunnen gaan of een aanvraag dient
te worden toegewezen of afgewezen en of een lopende voorziening
aangepast moet worden. Deze wet geeft de gemeenten hier inzicht in. De
VVD is daar blij mee, omdat zorggeld zo besteed wordt aan mensen die er
recht op hebben en, andersom, mensen die recht hebben op zorg, die zorg
ook krijgen.
Deze wetswijziging ontlast ook cliƫnten en mantelzorgers, en vermindert
de administratieve regeldruk bij de betrokken partijen. Dat is
belangrijk vanwege de krapte op de arbeidsmarkt en dit past dan weer in
de beweging die de VVD heel graag wil maken van het verminderen van de
regeldruk en het toewerken naar een slagvaardige overheid.
Tot slot, voorzitter, de kwaliteit van zorg. Onduidelijkheid in
gegevensdeling zorgt voor handelingsverlegenheid bij professionals. Door
deze wetswijziging wordt ook duidelijkheid gegeven in situaties waarin
het twijfelachtig is of informatiedeling toegestaan is. Dit zorgt voor
betere samenwerking en dus voor een verbetering van de kwaliteit van
zorg.
Voorzitter. Zoals ik al zei, zal de VVD voor deze wet stemmen. Zo
verbeteren we de aanpak van zorgfraude, besteden we zorggeld aan de
juiste mensen en verbeteren we de kwaliteit van zorg. Ik hoop dat de
rest van de Kamer dat ook zal doen.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Als u ƩƩn moment heeft, krijgt u nog een
interruptie van collega Maeijer; ik hoop dat ik dat goed uitspreek. Gaat
uw gang.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u, voorzitter. Het uitspreken is meestal niet het punt, maar het
schrijven van mijn achternaam zorgt nog weleens voor problemen. Dan mijn
vraag. Ik hoor de collega van de VVD het vooral hebben over het
aanpakken van zorgfraude en de vermindering van administratieve lasten.
Dat zijn natuurlijk terechte punten, maar deze wet doorbreekt ook op een
aantal onderdelen het medische beroepsgeheim. Wat vindt de VVD
daarvan?
Mevrouw Wendel (VVD):
De VVD denkt dat het in sommige gevallen noodzakelijk is om het medische
beroepsgeheim te doorbreken. Dan doel ik onder andere op mensen met
onbegrepen gedrag. Het kan gewoon zo zijn dat mensen geen toestemming
geven of zelfs actief zorg mijden. Dat hoort vaak juist bij mensen met
onbegrepen gedrag. Wij denken dat we dan met elkaar voor de uitdaging Ʃn
voor de verantwoordelijkheid staan om te zeggen dat dan het medische
beroepsgeheim moet kunnen worden doorbroken om deze mensen te
helpen.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dat is op zich een helder verhaal van de VVD. Het medische beroepsgeheim
kan op een aantal momenten worden doorbroken. Hoe beoordeelt u dan de
doorbreking van het beroepsgeheim in het kader van het
Rijksvaccinatieprogramma? We hebben nu een systeem waarbij mensen
expliciet toestemming geven om te delen. Ik zou graag willen weten wat
daar mis mee is en of we niet gewoon moeten inzetten op betere
voorlichting, zodat mensen een weloverwogen keuze kunnen maken, wat
mogelijk tot effect heeft dat het aantal gegevens dat wordt gedeeld
stijgt, zoals nu ook al is gebeurd.
Mevrouw Wendel (VVD):
Eigenlijk vind ik het wel een opvallende exercitie de afgelopen maanden
sinds ik Kamerlid ben. Voordat ik hier kwam, ging ik er persoonlijk van
uit dat mijn informatie op dit soort vlakken allang gedeeld werd.
Sterker nog, dat hoopte ik ook, want dat is goed voor de kwaliteit van
zorg. Daarmee kan ik beter geholpen worden. Ik denk dat het goed is om
op die manier data te verzamelen. Ik ben ervan overtuigd dat de meeste
mensen in Nederland denken en hopen dat hun informatie al gedeeld wordt,
juist omdat ze op die manier beter geholpen kunnen worden. Het is mij
bij het lezen van de stukken ook helder geworden dat de vraag hiernaar
gewoon echt heel helder is. Ik denk dus dat we er met deze wetswijziging
voor zorgen dat we een antwoord bieden op die heldere vraag die voor ons
ligt.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Afrondend. Ik denk dat er met dit antwoord ook nog wel een taak ligt in
het voorlichten over wat er precies wel of niet met gegevens gebeurt,
want een deel van de mensen zal inderdaad heel goed weten of gegevens
worden gedeeld en daar ook actief achter staan of toestemming voor
geven. Maar er is ook een groep die zich daar misschien niet bewust van
is, zich niet bewust is van de mogelijkheid om daar "nee" tegen te
zeggen of zich straks niet bewust is van de mogelijkheid om bezwaar te
maken. Ik vind het dus toch ingewikkeld dat we nu afstappen van het
systeem van vragen voor expliciete toestemming, op ƩƩn onderdeel dan, en
nu overgaan op een systeem waarbij mensen bezwaar kunnen maken. Waarom
verwacht u dat dat beter werkt voor mensen om een welbewuste keuze te
maken dan het systeem zoals dat er nu is?
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik denk dat mevrouw Maeijer gelijk heeft dat goede voorlichting heel erg
belangrijk is. Wat ik dan ook hoop, wat de VVD hoopt, is dat we vandaag
zullen instemmen met deze wet, dat we daarmee weer een stap zetten in de
aanpak van zorgfraude, dat we daarmee de kwaliteit van zorg weer een
beetje verbeteren en dat we er daarmee voor zorgen dat het zorggeld, dat
in alle eerlijkheid natuurlijk schaars is, juist gaat naar de mensen die
dat nodig hebben. Tegelijkertijd is het van belang dat we mensen
inderdaad goed voorlichten over hun rechten en hun plichten. Daarbij
hoort dus ook dat mensen weten dat hun informatie gedeeld wordt en wat
hun rechten daaromtrent zijn.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. De heer Claassen was net al onderweg
hierheen. Ik nodig hem nu weer uit om te spreken namens de Groep
Markuszower. Gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Ik zag net de toelichting op het amendement van
collega Maeijer. Het zit nu in het systeem. Als het toch een tijdje
heeft geduurd, ben ik bang dat het op basis van de toelichting die wij
hebben bedacht nog iets langer gaat duren. Maar ik ga ervan uit dat die
eraan gaat komen.
Voorzitter. De vraag die vandaag voorligt, is geen technische vraag. Het
is wat ons betreft een grondwettelijke vraag in de gedaante van een
verzamelwet. Er zullen er nog vele komen. In het afgelopen debat dat
over de Verzamelwet ging, was ik erbij namens een andere partij. Nu ben
ik net zo kritisch namens de Groep Markuszower, alias De Nederlandse
Alliantie. Zo'n verzamelwet klinkt onschuldig, wat losse eindjes en een
paar praktische aanpassingen, maar het zijn zelden de grote wetten die
de verhoudingen tussen Staat en burger werkelijk veranderen. Het zijn de
kleine technische stappen die elk afzonderlijk redelijk lijken en die
samen na een paar jaar iets blijken te hebben opgeleverd dat niemand
expliciet heeft besloten.
Wie beslist wanneer het medisch beroepsgeheim wijkt? Wie beslist wanneer
een burger de zeggenschap over zijn meest intieme gegevens verliest? Kan
de minister toelichten waarom zo'n zwaarwegende keuze wordt gemaakt?
Onder dit wetsvoorstel wordt die beslissing weggehaald bij de burger en
weggehaald bij de uitzondering. Zij verdwijnt in de routine van het
bestuurlijk verkeer en de stroom van gegeven tussen zorgaanbieders, het
CAK, de gemeenten en de GGD's. Dat hoort een uitzondering te zijn, maar
nu wordt het de regel. Zodra die uitzondering regel wordt, sterft het
onderscheid waaraan een rechtsstaat zijn ernst ontleent.
Laat ik eerst onomwonden zeggen dat fraude met publieke gelden een
aanslag is op de gemeenschap. Wie geld onttrekt dat bedoeld is voor de
meest kwetsbaren, plundert het sociale weefsel zelf. Wij staan er
natuurlijk achter dat de regering gemeenten sterke instrumenten geeft om
onrechtmatig besteed geld terug te halen. Het schrappen van het dubbel
opzetvereiste in de Wmo en het opnemen van een terugvorderingsbepaling
in de Jeugdwet is geen detail. Dat is een daad, een nodige daad. Wij
steunen die.
Voorzitter. Maar de wet is geen winkelmandje. Men kan niet zeggen: we
rekenen fraudebestrijding af en gooien het beroepsgeheim er gratis bij.
Dat is namelijk precies wat hier gebeurt. De nieuwe grondslag doorbreekt
het medisch beroepsgeheim zonder toestemming, opt-out of bezwaarrecht
dat werkelijk iets voorstelt. Vergelijkt u het eens hiermee: het
beroepsgeheim is als een sleutel van uw huis. U geeft die aan uw arts,
omdat u erop moet kunnen vertrouwen dat hij binnen kan komen wanneer u
ziek bent, maar u geeft die sleutel niet aan de gemeente, niet aan het
CAK, niet aan de GGD en niet aan een reeks instanties die u nooit heeft
ontmoet. Dat zou u namelijk nooit doen. Dit wetsvoorstel zegt: wanneer u
kwetsbaar bent, mag of moet de arts uw sleutel doorgeven aan die
anderen, zonder uw medeweten. Dat zou in naam zijn van uw bestwil, maar
uw huissleutel heeft u nodig voor hulp, maar die biedt geen hulp meer;
die biedt beheer.
Dat is precies de kwestie. Het beroepsgeheim is geen administratieve
drempel die omwille van efficiƫntie kan worden weggepoetst. Het is een
van de oudste afspraken in onze beschaving: wat een mens aan zijn arts
toevertrouwt, blijft daar. Die afspraak heeft eeuwen gehouden. Dat is
niet bij toeval, maar omdat die iets onmisbaars beschermt: de
mogelijkheid om kwetsbaar te zijn zonder dat die kwetsbaarheid een
ingang wordt voor anderen. Wij hebben die afspraak geƫrfd. We hebben die
niet zelf gebouwd. We bezitten die dus ook niet. We behoren die door te
geven en niet te verkwanselen voor bestuurlijk gemak. Waarom gooit de
minister zo'n belangrijke regel nu overboord?
Voorzitter. Waarvoor doen wij dit? Daar wringt het tweede punt. De
verruimde terugvorderingsbevoegdheid blijkt in de praktijk beperkt
effectief. Ik hoorde daarstraks lovende woorden en dat het belangrijk is
het hiervoor te doen, maar in de praktijk is het niet zo effectief. Dan
is het uitgangspunt dat je zo'n zwaar middel moet inzetten voor nog een
niet effectief systeem. Dat vinden wij eigenlijk te ver gaan. Zorg eerst
dat die zaakjes op orde zijn en ga dan kijken naar de volgende stap. Om
even bij dat voorbeeld te blijven: het is alsof men de voordeur van het
huis opent om iets te doen aan een lekkende kraan in de keuken. Daar was
gisteren trouwens ook een mooi voorbeeld van. Dat is een grote opening
voor een klein, gedeeltelijk antwoord. Dat is geen evenwichtige ruil
meer. Het is een ruil die alleen aanvaardbaar is voor wie meent dat
privacy en zeggenschap restjes zijn, overschotten nadat alle natuurlijke
belangen zijn afgewogen. Wij menen dat die een voorwaarde zijn om als
vrije samenleving die naam überhaupt te verdienen.
Voorzitter. Een regering moet kunnen handelen, een regering moet kunnen
besluiten. Wij zijn geen liefhebbers van bestuurlijke verlamming, maar
werkelijk besluiten betekent ook kiezen waar de grens ligt. De grens van
het medisch beroepsgeheim is geen grens waar men met gemak overheen
wandelt omdat de uitvoering er behoefte aan heeft. Dat was eigenlijk het
kenmerk van de bijdragen hiervoor. Een soevereine wetgever erkent zijn
eigen grenzen. Een overheid die haar burgers werkelijk beschermt,
beschermt hen ook tegen het eigen gemak van die bestuurder. Daarom vraag
ik de minister het volgende. Waarom moet het terugvorderingsdoel, dat
wij steunen, gekoppeld blijven aan een gegevensregime dat wij niet
steunen? Waarom is het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens, dat
exact voor deze punten waarschuwt, beantwoord met slechts een
toelichting in plaats van een daadwerkelijke waarborg?
Dan de horizonbepaling in de wet. De grondslag vervalt van rechtswege na
vijf jaar, tenzij de Kamer expliciet besluit deze te verlengen. Dat is
niet uit wantrouwen, maar uit ernst. De WRR adviseerde dit beginsel
reeds in 2016. Toezicht achteraf moet even zwaar wegen als toetsing
vooraf. Een horizonbepaling dwingt deze Kamer om over vijf jaar opnieuw
te beslissen in het licht van wat de praktijk dan heeft laten zien. Is
de minister bereid deze horizonbepaling in te korten en, zo nee, waarom
niet?
We zullen het wetsvoorstel dus kritisch wegen. Fraudebestrijding telt
zwaar, maar niet zo zwaar dat het beroepsgeheim en de zeggenschap van
burgers als nevenschade kunnen worden opgevoerd. De ernst van de
uitzondering vraagt om ernst van de wetgever. Die missen wij in het
voorstel.
Ik ga afronden. Met het amendement hopen we vier waarborgen te regelen
bij artikel 5.2.5b van de Wmo: een verstrekkingsregister met inzage voor
de cliƫnt, een informatieplicht bij de gemeente bij het eerste
bemoeizorgcontact, een doelvergrendeling tegen doorstroming naar
belastingen, vreemdelingenrecht of commerciƫle profilering, en een
verzetsrecht bij dat eerste contact, natuurlijk behalve bij acuut
levens- of gezondheidsgevaar. Deze figuur ligt eigenlijk al in de
verzamelwet. Bij het Rijksvaccinatieprogramma heeft de regering
eenzelfde bezwaarrecht naast de AVG zelf aanvaard, dus waarom hier niet?
Dat is niet om het doel te frustreren, maar om het houdbaar te
houden.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik ben benieuwd of de heer Claassen vindt dat het medisch beroepsgeheim
nooit en te nimmer doorbroken zou mogen worden.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nou, er zijn nu al voorbeelden in de wet waaruit blijkt dat het zou
moeten kunnen. Alleen, het gemak waarmee het met deze wet gebeurt, is
niet te vergelijken met de huidige regelgeving over het doorbreken van
het beroepsgeheim. Het medisch beroepsgeheim kan onder andere doorbroken
worden als het levensgevaar kan opleveren voor anderen, voor derden.
Nou, dat lijkt me een gezonde figuur.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik ben benieuwd hoe de heer Claassen dan kijkt naar de Wet zorg en
dwang, waarin echt wordt aangegeven: we moeten het medisch beroepsgeheim
in sommige gevallen doorbreken om ervoor te zorgen dat we op tijd een
plekje voor mensen kunnen vinden. Informatiedeling, of het gebrek
daaraan, is momenteel namelijk vaak een reden waarom dat niet op tijd
gebeurt. Ik zeg het maar eventjes: daardoor ervaren ook mensen op straat
tijdenlang overlast van mensen met onbegrepen gedrag, omdat zij gewoon
niet geholpen kunnen worden. Hoe kijkt de heer Claassen daar dan naar?
Steunt zijn partij dan wel het doorbreken van het medisch beroepsgeheim
in dat soort gevallen?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nee, in principe hebben wij altijd bezwaar tegen het doorbreken van het
medisch beroepsgeheim. Dat was bij de vorige verzamelwet idem dito. Je
moet dan een afweging maken. Of dat zwaarwegend is voor het al dan niet
instemmen met de wet, hangt ook een beetje af van de beantwoording van
de minister op de vragen die zijn gesteld, ook door collega's. Maar ik
vind het te gemakkelijk ⦠Kijk, bij een interruptie bij mevrouw Maeijer
gaf een collega aan: ik wist überhaupt niet dat mijn gegevens niet
gedeeld worden. Dat vind ik redelijk naĆÆef. Ik zou ervan uitgaan dat ik
altijd zeggenschap wil hebben over of mijn gegevens worden gedeeld, met
wie dan ook. En ja, het beroepsgeheim doorbreken vind ik een veel te
zwaar middel in de context van de dingen die we nu al geregeld
hebben.
Mevrouw Wendel (VVD):
Het probleem bij mensen met onbegrepen gedrag is dat zij, juist door
hetgeen waar ze last van hebben, vaak hun eigen ziekte niet zien en het
probleem daardoor niet onderkennen. Wat ik nou zo jammer vind, zeg ik
via de voorzitter, is het volgende. Een aantal weken geleden hebben we
hier met z'n allen een debat gehad over mensen met onbegrepen gedrag,
waarin we met z'n allen riepen: "Dat moet stoppen. We moeten onder
andere bemoeizorg toepassen. We moeten zorgen dat het veiliger wordt op
straat, omdat er minder mensen met onbegrepen gedrag rondlopen." Er ligt
nu een wet voor waarin we met elkaar de daad bij het woord kunnen
voegen, en ik denk dat ik de heer Claassen niet aan mijn zijde zal
vinden. Ik wil toch nog ƩƩn keer vragen aan de heer Claassen om de daad
bij het woord te voegen en toch te zorgen dat informatiedeling,
specifiek in de Wet zorg en dwang, verbeterd kan worden. Volgens mij
zitten de mensen thuis daar namelijk keihard op te wachten.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is een onderdeel van de overweging of je wel of niet voor zo'n wet
zou moeten stemmen. Aan de andere kant: als iemand niet
toerekeningsvatbaar zou zijn, en dat kan in verschillende situaties aan
de orde zijn, dan kunnen anderen beslissen om gegevens te laten delen.
Dat kan nu dus al. Dat is dus niet zozeer de uitdaging.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik heb het betoog van de heer Claassen gehoord. Het lijkt in zijn betoog
net alsof we vanaf dit moment een andere koers gaan varen met de wet,
maar het is, zoals ik het ook lees, bij heel veel onderdelen een
reparatie of correctie ten opzichte van een eerdere situatie. Ik ben
eigenlijk wel nieuwsgierig hoe de heer Claassen naar bijvoorbeeld de
periode voor 2022 kijkt, waarin ook gegevens gedeeld werden. Eigenlijk
hadden we het toen op deze manier geregeld.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat was altijd een belangrijk onderwerp bij de opponenten bij
verzamelwetten I en II, zo van: we doen het eigenlijk al, maar nu gaan
we het netjes in de wet zetten. Ik denk dat het dan onze taak is om te
kijken of we het wel eens zijn met hoe het toen ging en of we dat moeten
valideren met deze wet. Ons standpunt is dat dat echt anders kan. De
suggestie is dus ook dat het in de meeste gevallen best te regelen is op
basis van informed consent, zoals in de WGBO, de Wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst, en dat als je een zorgrelatie aangaat, in de
toelichting afgesproken kan worden dat gegevens gedeeld kunnen worden
ten behoeve van de voorbeelden die u zelf geeft. Ik schat zomaar in dat
het leeuwendeel van de mensen daarmee zal instemmen, maar dan ligt die
taak wel bij de zorgverlener. Het is het recht van de zorgvrager om te
zeggen: dat doe ik wel of dat doe ik niet.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
In de memorie van toelichting hebben we ook kunnen lezen dat sinds de
AVG is ingegaan, we op een andere manier zijn gaan werken en dat dit tot
problemen leidt. Voor verzekerden lijkt het dat de toeleiding naar zorg
minder makkelijk gebeurt. Het RIVM zegt: wettelijke taken rondom
rijksvaccinatieprogramma's kunnen we eigenlijk niet meer goed monitoren
en evalueren. Dan komt het wegen van de voor- en nadelen van zo'n heel
programma in het geding. Ik denk dat de afgelopen jaren laten zien dat
het goed is om wƩl iets wettelijk aan te passen. Ik ben benieuwd hoe de
heer Claassen daarnaar kijkt.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Volgens mij heb ik al aangegeven dat dit een reden kan zijn om te
zeggen: laten we het maar versoepelen, laten we het beroepsgeheim kunnen
doorbreken. Misschien verzinnen we straks wat anders. Misschien bedenken
we over een jaar weer een andere reden om voor een andere situatie ook
het beroepsgeheim te doorbreken en nog meer gegevens te delen. Waar is
het einde? Terecht werd gezegd: hoe veilig zijn al die gegevens nu? Daar
hebben we ook een debat over gevoerd en daar gaan we in de toekomst
zeker nog debatten over voeren. Daar zijn een heleboel vraagtekens bij.
Als je alles in ogenschouw neemt, vraag je je af of we alles moeten doen
wat nu kan en wat eventueel in de toekomst kan en of we daar heel
makkelijk overheen moeten stappen. Ik wil dat niet. Ik wil elk moment in
het debat aangrijpen om daar heel zorgvuldig over na te denken. Ik ben
blij dat mevrouw Maeijer het stuk onthamerd heeft, anders zouden we het
hier met een hamerslag voorbij hebben laten gaan. Dat vind ik zeker niet
wenselijk voor dit soort onderwerpen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ja, afrondend, voorzitter. Het CDA staat natuurlijk ook voor de
zorgvuldigheid waarover de heer Claassen spreekt. Daarom bekijken we
iedere verzamelwet die hier voorligt, op zichzelf. We maken een afweging
en nemen een besluit of we daar al of niet mee instemmen. Over het
beroepsgeheim heeft de heer Claassen gezegd "het gemak waarmee het
beroepsgeheim wordt losgelaten". Dat zie ik echt anders. In de memorie
van toelichting zitten echt heel veel stappen en heel veel waarborgen om
de persoonsgegevens juist goed te beschermen. Er zit een beroepsgeheim
in. Er staat zelfs een uitweg: een zorgaanbieder kan de
gegevensverstrekking alleen achterwege laten als hij van oordeel is dat
hij door de verstrekking niet de zorg van een goed hulpverlener in acht
kan nemen, bijvoorbeeld als dat de vertrouwensband zou schaden. Die
individuele afweging, die escape, zit dus gewoon in de wetgeving. Biedt
dat alles bij elkaar dan niet voldoende waarborg voor de
persoonsgegevens waarover de heer Claassen spreekt?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Deels. In het voorgestelde amendement wordt daar wel rekening mee
gehouden, maar het amendement scherpt het wel wat aan. Dat zit met name
op het deel autonomie van degene van wie die data is. Daar wordt wat mij
betreft te snel aan voorbijgegaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bushoff namens de fractie van
GroenLinks-PvdA.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Tien minuten. Ik hoop dat ik ze niet nodig heb,
maar we gaan het zien.
De voorzitter:
Ik houd me aanbevolen voor alles wat korter kan, en de collega's volgens
mij ook.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we de Verzamelwet
gegevensverwerking VWS II.b. De naam zegt het al. Het is een vrij
abstracte en technocratische naam. Een winstwaarschuwing: ik vrees dat
mijn bijdrage enigszins technisch van aard gaat zijn. Soms is het goed
om ons te realiseren waartoe gegevensverwerking strekt, namelijk ervoor
zorgen dat mensen in de praktijk op het juiste moment de juiste zorg dan
wel ondersteuning krijgen. De Verzamelwet die vandaag voorligt, met zes
wijzigingsvoorstellen, heeft dat ook als doel. Dat is op zichzelf een
nobel doel, zeg ik erbij.
Tegelijkertijd komt een deel van de voorgestelde wijzigingen er in de
kern op neer dat het mogelijk wordt om het medisch beroepsgeheim te
doorbreken. Het medisch beroepsgeheim in Nederland is iets waar we
zorgvuldig mee om moeten gaan, dat we moeten koesteren. Het komt voort
uit het recht op privacy, maar ook uit het recht van mensen om, in het
geval dat zij medisch noodzakelijke zorg moeten ontvangen, geen angst te
hebben dat de gegevens vervolgens voor andere doeleinden worden
gebruikt.
Kortom, we moeten daar heel zorgvuldig mee omgaan. Op het moment dat je
het medisch beroepsgeheim doorbreekt, moet daar dus een gegronde reden
voor zijn en moet daar ook een wettelijke grondslag voor zijn. De
regering heeft gepoogd in de memorie van toelichting die gegronde reden
te geven en heeft uiteindelijk in de daadwerkelijke wettekst inderdaad
die wettelijke grondslag gegeven. Uiteindelijk is het dan aan ons als
Kamer om te wegen of wij vinden dat de gegronde reden die gegeven wordt
inderdaad opweegt tegen het belang van het in stand houden van het
medisch beroepsgeheim. Om die weging goed te kunnen maken heb ik bij de
zes verschillende wijzigingsvoorstellen die gedaan worden nog enkele
vragen en enkele voorstellen. Ik zal ze even langslopen.
Allereerst het voorstel inzake het CIZ. Het zou nu kunnen zijn dat
mensen verschillende indicatiestellingen hebben. Dat wil je natuurlijk
niet, want je wil dat iemand gewoon ƩƩn indicatiestelling heeft voor
hetgeen waarvoor die indicatiestelling bedoeld is en dat iemand geen
dubbele zorg ontvangt. Mijn vraag aan de minister is een beetje een
theoretische exercitie. Ik vraag me af of het volgende een denkbaar
scenario is. Iemand heeft twee indicatiestellingen en ontvangt
vervolgens zorg vanuit de ene indicatiestelling. Die indicatiestelling
zou eigenlijk beƫindigd moeten worden, omdat de andere indicatiestelling
passender is, maar voor die andere indicatiestelling is er een
wachtlijst. Zou het dan kunnen zijn, in een theoretisch scenario, dat
iemand in die overgangsperiode even geen zorg krijgt, terwijl hij die in
beginsel wel zou moeten krijgen? Ik ben benieuwd of dit een denkbaar
scenario is, dan wel dat dit scenario niet zou kunnen voorkomen. Ik hoor
daar van de minister graag een toelichting op. Als dit scenario wel
denkbaar is, zou ik graag van de minister willen horen hoe zij ervoor
gaat zorgen dat dit voorkomen wordt.
Dan het tweede wijzigingsvoorstel van de verzamelwet. Dat ziet toe op de
terugvorderingsmogelijkheid. Ik denk dat we het er allemaal over eens
zijn dat voorkomen moet worden dat iemand onterecht zorg dan wel
ondersteuning ontvangt. Ik denk ook dat het goed is, als daar sprake van
is, dat het geld dat daarmee gepaard gaat, teruggevorderd kan worden.
Maar daar zeg ik het volgende bij. Op het moment dat het gaat om
individuen, bijvoorbeeld jeugdigen of ouders van jeugdigen, moeten wij
heel terughoudend zijn met die terugvorderingsmogelijkheid.
Het zou immers zomaar zou kunnen dat iemand onbedoeld de verkeerde
gegevens heeft verstrekt, dan wel, doordat het een ingewikkeld systeem
is, onbedoeld een fout heeft gemaakt. Dan wil je niet dat iemand in de
problemen komt door zo'n terugvordering. Precies daarover wordt in de
memorie van toelichting geschreven dat wel erg aannemelijk moet worden
gemaakt dat er sprake is van opzet. Als er overgegaan wordt tot
terugvordering, moet er rekening gehouden worden met de persoonlijke
situatie en ook met de draagkracht van die persoon. Dat zijn heel
cruciale uitgangspunten, dusdanig cruciaal dat ik vind dat je ze
wettelijk zou moeten verankeren. Daartoe heb ik dan ook een amendement
ingediend.
Het derde wijzigingsvoorstel betreft de gegevensdeling tussen het CAK,
de gemeenten en de zorgkantoren in verband met de subsidieregeling voor
medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Daarbij heb ik een tweetal
vragen. In de eerste plaats weten we dat er veel onverzekerden zijn die
een enorme drempel ervaren om zorg te vragen wanneer zij die nodig
hebben. Lees alleen al de verhalen van straatarts Michelle van Tongerloo
in Rotterdam over wat zij tegenkomt in de spreekkamer en hoelang het
vaak duurt voordat mensen die onverzekerd zijn daadwerkelijk de stap
zetten om zorg te vragen als zij die daadwerkelijk nodig hebben. Vaak
komt dat doordat die mensen getraumatiseerd zijn door de omgang met
instanties.
Mijn vraag is de volgende. Nu wij het makkelijker maken om die gegevens
uit te wisselen, wordt daardoor bij deze groep niet de angst
aangewakkerd dat de instanties waar ze juist zo bang voor zijn achter
hen aan zullen komen? Verhogen wij voor deze mensen dan niet de drempel
die nu ervaren wordt door het mogelijk maken van deze gegevensdeling?
Wat wil de minister doen tegen die drempel? Die drempel bestaat sowieso
al bij een heel grote groep van onverzekerden, die vaak pas in een heel
laat stadium, als het echt niet anders kan, hulp zoeken bij bijvoorbeeld
een straatarts, omdat ze dat tot het laatste moment proberen uit te
stellen.
Tot slot op dit punt, voorzitter. Ik ben ook benieuwd hoe het staat met
de subsidieregeling voor medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden.
Volgens mij vroeg het CDA hier ook naar. Wat kunnen we daarvan
verwachten? Wat is de stand van zaken daarvan? Kan de minister zich daar
ook over uitlaten?
Voorzitter. Mijn vierde punt gaat over een wettelijke grondslag voor het
RIVM bij bevolkingsonderzoeken en screenings. Een vijfde punt gaat over
gegevensdeling tussen het RIVM en uitvoerders. Bij deze twee wijzigingen
heb ik eigenlijk twee punten. EƩn. Ik zou aan de minister het volgende
willen vragen. We gaan hier eigenlijk van een opt-in naar een opt-out.
Op zich snap ik dat. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat wederom
wegens wantrouwen jegens instanties mensen misschien die gegevens niet
willen delen. Dat onderliggende probleem pakken we natuurlijk niet aan
met de verandering van een opt-in naar een opt-out. Wat we wel
aanpakken, is de situatie waarin mensen het prima vinden maar per
ongeluk geen toestemming geven voor het delen van gegevens. Dat probleem
pak je aan met de wijziging van een opt-in naar een opt-out. Het
fundamentele probleem van mensen die wantrouwen koesteren jegens de
instanties en daarom terughoudend zijn met het delen van gegevens, wordt
hiermee natuurlijk niet aangepakt. Ik ben benieuwd hoe de minister dit
ziet. Ziet zij dit als een groot risico waardoor er nog steeds
onvoldoende gegevens gedeeld gaan worden, of niet? En wat gaat zij
hieraan doen?
Voorzitter. Een zesde wijzigingsvoorstel bij deze verzamelwet gaat over
gegevensdeling in het kader van de Wet zorg en dwang, om mensen zo
spoedig mogelijk een passende plek te geven. Zowel bij deze laatste
wijziging, dit zesde wijzigingsvoorstel, als bij nummers vier en vijf is
de opmerking door de Raad van State gemaakt dat het logisch zou zijn om
in een AMvB te regelen welke gegevens gedeeld worden. In eerste
instantie zouden die door de regering vastgesteld worden bij
ministeriƫle regeling. Het gaat namelijk om hele gevoelige gegevens. De
regering heeft hier gehoor aan gegeven door een aantal algemene
maatregelen van bestuur op te nemen in de wet, waarbij geregeld wordt
welke gegevens uiteindelijk gedeeld gaan worden en waarbij criteria
rondom de bewaartermijnen gesteld kunnen worden.
Gelet op de opmerking van de Raad van State dat het om hele gevoelige
gegevens gaat, waarbij per AMvB geregeld zou moeten worden welke er
gedeeld kunnen worden, vind ik dat die AMvB's, waarvan het goed is dat
de regering daarvoor heeft gekozen, via een lichte voorhangprocedure aan
de Kamer dienen te worden voorgelegd. We kunnen dan ook de democratische
controle daarop uitoefenen. Als we het alleen per AMvB mogelijk maken
maar vervolgens de democratische controle niet organiseren, dan had het
misschien net zo goed bij ministeriƫle regeling gekund. In het licht van
de opmerking van de Raad van State denk ik dat het goed is om die AMvB's
met een lichte voorhang aan de Kamer voor te leggen. Ook daarvoor heb ik
een voorstel ingediend.
Tot zover.
De voorzitter:
Meneer Bushoff, u heeft nog een interruptie van mevrouw Tijmstra. Gaat
uw gang, mevrouw Tijmstra.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
U gaf in uw betoog onder andere aan dat u zich zorgen maakt over
zorgmijding door onverzekerden. Dat is ook een punt waar het CDA goed
naar gekeken heeft. Straatartsen gegeven echter aan dat er in de periode
van 2017 tot 2022, waarin de gegevens van onverzekerden gewoon verstrekt
werden, geen sprake van zorgmijding is geweest. Dat was in ieder geval
voor het CDA een voldoende waarborg dat we de goeie stappen nemen. Ik
ben nieuwsgierig hoe GroenLinks-PvdA daarnaar kijkt.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Twee dingen daarover. EƩn. Toen er wel gegevensdeling plaatsvond, was er
misschien geen significante extra toename van zorgmijding. We zien nu
wel een toename van het aantal mensen dat onverzekerd is en dat
eigenlijk zorg nodig heeft. Dat leidt tot hele schrijnende situaties.
Uit de spreekkamer, uit de verhalen van straatartsen, weten we dat
mensen vaak een hele grote drempel ervaren om uiteindelijk toch om die
zorg te vragen als ze die echt nodig hebben. De vraag die ik stelde, is:
gaat dit voorstel er niet toe leiden dat die drempel nog hoger wordt?
Daar hoor ik graag een reactie op van de minister. Dat is ƩƩn.
Dan het tweede punt. Nog los van deze wijziging die vandaag wordt
voorgesteld: zelfs als die de drempel niet zou verhogen, moeten we ons
realiseren dat er nog steeds bij heel veel onverzekerden een drempel is
om uiteindelijk hulp te vragen. Ik zou ook graag van de minister willen
weten wat zij doet om die drempel, die er hoe dan ook al is,
daadwerkelijk te verlagen.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Daar zijn we het zeker over eens. Ik denk dat we heel graag juist die
groep willen bereiken, om hen te helpen met de juiste hulp en
begeleiding.
Ik zou ook heel graag nog een vraag willen stellen over een ander
onderwerp. Daar gaat uw amendement namelijk over. Ik ben zelf in de
voorbereiding best scherp geweest wat betreft het terugvorderen van het
pgb. Wat staat er nou in over het moment dat iemand onbedoeld verkeerde
gegevens invult? Wat voor impact heeft dat dan? Ik weet dat alles rond
zorgwetten en aanvragen ontzettend ingewikkeld is. Er wordt weleens
gewoon per ongeluk een foutje gemaakt. Daardoor moet je niet in de
problemen komen. In de memorie van toelichting bij de wet staan echt een
heel aantal punten. Ik heb die voor me omdat ik er zo scherp op was,
omdat ik het belangrijk vind.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Mijn vraag daarover is ... Nou ja, ik kan ze hier opnoemen. Het zijn
vijf punten. Wat regelt het amendement nou anders dan al in de wet
staat? Voor zover ik het weet, is de memorie van toelichting gewoon
onderdeel van de wet, maar ik ben geen jurist.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Sterker nog, ook wat wij hier met elkaar wisselen, is uiteindelijk
onderdeel van het wetgevingsproces. Daar kan aan gerefereerd worden. In
die zin is het goed dat we er allebei aandacht voor hebben en dat het
ter sprake komt. Met het amendement heb ik gepoogd ervoor te zorgen dat
die belangrijke uitgangspunten, die geborgd moeten zijn wanneer je
overgaat tot terugvordering, daadwerkelijk in de wettekst geborgd zijn.
Het gaat erom dat echt aannemelijk moet worden gemaakt dat er sprake was
van opzet en dat er wanneer tot terugvordering wordt overgegaan,
rekening gehouden wordt met de persoonlijke situatie en de draagkracht
van de betreffende persoon. Dat is precies wat het amendement regelt.
Omdat ik er zo veel belang aan hecht, wil ik die belangrijke
uitgangspunten graag ook in de daadwerkelijke wettekst hebben.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Afrondend, voorzitter. De memorie van toelichting gaat zelfs nog verder
dan dat. Het college dient in het vorderingsbesluit ook te motiveren
waarom het ervoor kiest terug te vorderen bij de cliƫnt en niet bij de
organisatie. Het college dient in het kader van zijn discretionaire
bevoegdheid ook nog eens na te gaan of het wel gepast is om het terug te
vorderen. Ik ben dus nog niet helemaal overtuigd van wat het toevoegt en
of dit het geheel beter maakt.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Nou, twee dingen. EƩn. Precies deze uitgangspunten zou ik, omdat we ze
zo belangrijk vinden, graag ook in de wettekst verankeren. Dat is ƩƩn.
Twee. Op het moment dat je aannemelijk moet maken dat er sprake is van
opzet, moet er natuurlijk daadwerkelijk een goede, deugdelijke
motivering zijn. Dat wil je heel stevig verankeren. Precies daartoe
dient dat amendement. Het dient ertoe om precies die uitgangspunten vast
te leggen in de wet. Ik hoop eigenlijk, als we dit allebei zo belangrijk
vinden, dat dit voorstel ook op steun van het CDA kan rekenen.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn
van de zijde van de Kamer. We gaan schorsen, zodat de minister de
antwoorden in de eerste termijn van de zijde van het kabinet kan
voorbereiden. Er zijn tot op dit moment in ieder geval zes amendementen
ingediend, waarvan vier nieuwe van mevrouw Maeijer. Het verzoek aan de
minister is om in haar eerste termijn de appreciatie van de amendementen
te verzorgen. De heer Claassen heeft nog een punt, misschien van
orde.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, ik heb een punt van orde en misschien een toelichting. Het
amendement waarover ik het had, gaat nu de pijplijn in. Ik zou het
waarderen als het lukt om daar nog even naar te kijken.
De voorzitter:
Ik zie dat de minister haar best gaat doen, maar het ligt er natuurlijk
aan wanneer dat amendement binnenkomt. Dat gaan we zo meteen van de
minister horen. Ik ga dit debat tot 20.50 uur schorsen. We zien elkaar
straks weer terug. Het debat is geschorst.
De vergadering wordt van 20.21 uur tot 20.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen dit debat. Aan de orde is de Wijziging van een aantal wetten
op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele
andere wijzigingen. We zijn aangekomen bij de eerste termijn van het
kabinet. Ik wil daarom de minister het woord geven. Wellicht kan de
minister aangeven of zij in blokjes werkt en, zo ja, welke blokjes dat
zijn. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Voorzitter, dat kan ik zeker. Ik heb eigenlijk gewoon de blokjes
aangehouden zoals ze ook in de volgorde van het wetsvoorstel zijn
behandeld, maar ik zal ze even noemen. Het eerste blokje gaat over de
samenloop van de Wlz en de Wmo. Het tweede gaat over de
terugvorderingsbepaling in de Jeugdwet. Ik realiseer mij overigens dat
dat het derde blokje is in de wet, maar goed. Dan ga ik naar het blokje
gegevensverstrekking in verband met zorg aan onverzekerden. Het volgende
blokje is de grondslag voor het RIVM ten aanzien van
bevolkingsonderzoeken en screenings. En dan heb ik nog een blokje met
opt-out en beroepsgeheim. Voorzitter, ik begreep dat u eraan hecht dat
ik in de eerste termijn alvast de amendementen apprecieer, maar het zou
kunnen dat er in de tweede termijn moties komen. Dan doen we die nog een
keer apart.
De voorzitter:
Ja, helemaal goed. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Voorzitter. Voor goede zorg en een effectieve samenwerking van
zorgpartijen is het belangrijk dat de juiste partijen beschikken over de
juiste gegevens. Daarmee lijkt deze wet in die zin vrij voor zichzelf te
spreken, maar de wet is ook wat technisch. Ik vond het wel mooi hoe
mevrouw Tijmstra en mevrouw Wendel aangaven dat het ook gaat over een
heleboel zaken waar wij als burgers aan hechten. Wij hechten er
bijvoorbeeld aan dat we fraude kunnen tegengaan, dat we mensen die een
gevaar zijn voor zichzelf en voor anderen, snel een veilige plek kunnen
geven, dat we de registratiedruk naar beneden brengen en dat we er
vooral voor zorgen dat de kwaliteit van zorg echt geleverd kan worden
als daar vraag naar is. Dat is eigenlijk waar dit wetsvoorstel op ziet
en waar wij het vandaag over hebben.
Voorzitter. Daarmee kom ik bij mijn eerste blokje. Voordat ik
inhoudelijk op dit onderdeel inga, wil ik in ieder geval even zeggen dat
de samenloop waar dit over gaat ā ik kijk even naar de heer Bushoff,
want die heeft volgens mij mijn blokjes gemist; dit blokje gaat over de
samenloop van de Wlz en de Wmo ā terecht of onterecht kan zijn. Zorg op
grond van de Wlz gaat altijd voor op zorg uit de Wmo 2015 of de
Jeugdwet. Maar er zijn ook situaties mogelijk waarin iemand naast
Wlz-zorg recht heeft op specifieke zorg op grond van de Wmo of de
Jeugdwet. Dit wetsvoorstel helpt gemeenten om duidelijk te krijgen waar
iemand precies recht op heeft.
Ik ga naar het eerste wetsonderdeel. Gemeenten hebben onvoldoende
inzicht in Wlz-indicaties van inwoners. Daardoor wordt de overlap tussen
Wmo-voorzieningen en Wlz-zorg soms te laat ontdekt. Dit kan tot
onterechte toekenning leiden of juist tot voortzetting of beƫindiging
van Wmo-voorzieningen. Daarom is het belangrijk dat gemeenten daar nu
van horen. De VNG heeft overigens ook gevraagd om een duidelijke
wettelijke grondslag om de gegevensuitwisseling tussen de zorgkantoren
en de gemeenten te regelen. Dat is wat dit wetsvoorstel doet.
Daarover had de heer Bushoff een vraag. Het was best een lange vraag,
maar volgens mij heb ik die wel begrepen. De vraag was of je ervoor kan
zorgen dat je niet ineens zonder zorg zit als je de verkeerde indicatie
gebruikt, maar er voor de andere indicatie nog een wachtlijst is. Nee,
je zou in principe niet zonder zorg moeten zitten. Er is gewoon een
zorgplicht van het zorgkantoor om de benodigde zorg te regelen. Het
zorgkantoor kan hierover afspraken maken met de betreffende gemeenten,
zodat de hulp enige tijd kan doorlopen ter overbrugging. Dat is het
antwoord op de vraag van de heer Bushoff.
Dat was ook het eerste blokje, voorzitter. Ik weet overigens niet of ik
dit tempo ook bij de andere blokjes volhoud.
De voorzitter:
Nou, dat zou wel fijn zijn. Ik zie dat het toch een vraag van de heer
Bushoff oproept. Het woord is aan hem.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Het was inderdaad een lange en technische vraag, maar volgens mij heeft
de minister die goed begrepen. Ik heb een vraag, even voor mijn beeld.
Stel dat je de overlap, die er zou kunnen zijn, wilt opheffen, wat dus
mogelijk wordt gemaakt met dit wetsvoorstel. Is het dan zo dat iemand
niet van zorg verstoken kan blijven door de zorgplicht van het
zorgkantoor?
Minister Sterk:
Ja, dat klopt.
De voorzitter:
Dan gaan we door naar het volgende blokje.
Minister Sterk:
Het volgende blokje is de terugvorderingsbepaling in de Jeugdwet. De
gemeente kan een pgb herzien of intrekken als blijkt dat er onjuiste of
onvolledige gegevens zijn verstrekt door de jeugdige of zijn ouders en
de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zouden hebben
geleid. Daarbij is ten onrechte niet voorzien in een bevoegdheid tot
terugvordering. Met deze wetswijziging wordt dat gerepareerd. Daarmee
wordt ook aangesloten bij de Wmo 2015. Het is misschien goed om nog even
te melden dat gemeentes natuurlijk niet zomaar kunnen gaan
terugvorderen: daarvoor hebben we waarborgen in de Algemene wet
bestuursrecht.
Mevrouw Tijmstra had op dit punt een vraag. Zij stelde dat dit alleen
maar kan als er sprake is van onjuiste gegevens, dus niet bij
bijvoorbeeld veranderende omstandigheden. Ze vroeg ook of er nog
aanvullende maatregelen worden voorbereid. Jazeker. Het gaat hier ook
over het tegengaan van fraude. We zijn op dit moment ook bezig om de
AZWA-uitspraken over zorgfraude verder uit te werken. Daarin zit onder
andere een verkenning naar de verbreding van de vergunningplicht en ook
de aanpak van criminaliteit in de zorgfraude. Dan doel ik in het
bijzonder op diplomafraude; dat heeft echt onze aandacht. Ik hoop u al
voor de zomer te informeren over de stappen die we daarin willen
zetten.
De heer Claassen vroeg waarom het AP-advies ten aanzien van de
terugvordering niet is opgevolgd. Op dit onderdeel van het wetsvoorstel
heeft het AP niet geadviseerd, omdat het geen verband houdt met
verwerking van persoonsgegevens. Ik begrijp de verwarring dus wel een
beetje. Een heleboel onderdelen van deze wet gaan over
gegevensuitwisseling, maar dit is eigenlijk nou net een onderdeel dat
daar niet over gaat. Maar dit was iets wat we wel wilden regelen. Het
regime van die gegevensuitwisseling is dus niet van toepassing op de
terugvordering. Dat is ook waarom het AP hier geen advies over heeft
gegeven.
De heer Claassen vroeg ook: waarom moet het terugvorderingsdoel, dat wij
steunen, gekoppeld worden ⦠Nou ja, eigenlijk heb ik die vraag net al
beantwoord. Het is volgens mij wel goed dat u deze vraag even heeft
gesteld; dank daarvoor. Het is inderdaad goed om even te beseffen dat
dit dus niet over die gegevensdeling gaat. Dat is wat ik net heb
gezegd.
De heer Bushoff had ook nog een vraag. Dat was ook best wel weer een
lange: "Je wilt geld dat gepaard gaat met fraude, terugvorderen, maar je
wil wel dat er terughoudendheid is als het gaat om ouders van jeugdigen
als zij bijvoorbeeld onbedoeld de onjuiste gegevens hebben verstrekt. In
het geval van cliƫnten op grond van de Wmo en in het geval van jeugdigen
en hun ouders op grond van de Jeugdwet moet duidelijk zijn dat er alleen
in geval van opzet mag worden teruggevorderd." Het wetsvoorstel schrapt
"opzet", of het nou gaat om de zorgaanbieder of om de cliƫnt. In beide
gevallen hoeft er dus niet opzettelijk frauduleus handelen te worden
aangetoond. Maar ik snap heel goed dat je natuurlijk niet wil dat mensen
op het moment dat ze fouten maken of uit onhandigheid misschien dingen
niet goed invullen, ineens in de situatie terechtkomen dat er geld wordt
teruggevorderd. Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat zoiets heel
zorgvuldig moet gebeuren en dat er goed moet worden gekeken naar de
feiten, de individuele omstandigheden van het geval, en de vraag of
terugvordering in het individuele geval wel proportioneel en evenredig
is. Er is natuurlijk ook voorzien in rechtsbescherming. Dat is via de
Algemene wet bestuursrecht geregeld.
U heeft op dit punt ook een amendement ingediend, met als doel om te
verduidelijken dat het bij die terugvordering bij cliƫnten alleen om
opzet mag gaan. Ik zal dit straks ook nog wel even bij de behandeling
van alle amendementen zeggen, maar dat amendement laat ik aan het
oordeel van de Kamer.
Mevrouw Wendel (VVD):
Een kleine vraag hierover aan de minister ter verduidelijking. Klopt
het, ook gezien het interruptiedebatje tussen het CDA en GroenLinks-PvdA
van zojuist, dat het amendement in de praktijk eigenlijk helemaal niks
wijzigt aan de wet, dus dat de wet gewoon in stand blijft en dat de
enige verandering is dat er een aantal woorden worden toegevoegd op een
andere plek?
Minister Sterk:
Ja, dat zou je eigenlijk kunnen zeggen. In de memorie van toelichting
hebben we dat natuurlijk al beschreven. Maar ik begrijp dat de heer
Bushoff eraan hecht om dat explicieter in de wettekst op te nemen.
Daarom geef ik ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ja, dus even voor de administratie: het amendement op stuk nr. 10 krijgt
oordeel Kamer.
Mevrouw Wendel heeft geen vervolginterruptie, dus vervolgt u uw
betoog.
Minister Sterk:
Dan ben ik bij het volgende blokje, dat gaat over gegevensverstrekking
in verband met zorg aan onverzekerden. In dit wetsonderdeel gaat het om
medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Dat zijn natuurlijk vaak
dak- en thuislozen. Die hebben vaak meer zorg nodig dan straatartsen
kunnen bieden. Daarom is het ook belangrijk dat gemeenten weten wie deze
zorg ontvangt, zodat ze ook die bemoeizorg kunnen bieden. Het
wetsvoorstel verplicht zorgaanbieders om op verzoek van gemeentes en
GGD'en gegevens te delen over deze groep. Dit doorbreekt in specifieke
gevallen het beroepsgeheim. Zo kunnen gemeenten beter beoordelen of
bemoeizorg nodig is, bijvoorbeeld als het gaat om het afsluiten van een
zorgverzekering.
Hierover zijn best een aantal vragen gesteld, in de eerste plaats door
mevrouw Maeijer. Zij vroeg of de minister kan aangeven hoe vaak in het
verleden door de onverzekerde patiƫnt toestemming is gegeven voor het
delen van de gegevens met de GGD. Die cijfers heb ik niet, dus die kan
ik u helaas ook niet geven. Voor 2022 ging het verkrijgen van gegevens
van de onverzekerde patiƫnt via toestemming. Die verplichting is later
komen te vervallen. Sorry, voorzitter. Ik kom hier zo nog even op terug.
Ik vermeng nu even twee antwoorden met een vraag die verderop ook is
gesteld. Het is denk ik beter dat ik dat daar dadelijk even doe.
Mevrouw Maeijer vroeg ook of de minister kan aangeven hoe de
voorlichting plaatsvond over het geven van toestemming voor
gegevensdeling en wat de consequenties waren van die keuze. Dat gaat dan
inderdaad over die periode van voor 2022, waarin toestemming moest
worden gegeven. De manier waarop dat werd gevraagd en werd vastgelegd,
werd grotendeels aan de zorgaanbieder zelf overgelaten. We hadden wel
een concreet hulpmiddel daarbij en dat was een
modeltoestemmingsformulier dat beschikbaar werd gesteld. Dus zo ging dat
voor 2022.
Het Kamerlid Maeijer zegt ook dat de ggz pleit voor initiatief bij de
zorgverlener en gegevensverstrekking in samenspraak met toestemming van
betrokkene. Ze vraagt waarom de minister er dan niet voor heeft gekozen
om dat op die manier te doen. Die gegevensdeling is noodzakelijk, omdat
gemeenten de taak hebben om openbare geestelijke gezondheidszorg te
bieden. Zorgaanbieders als straatartsen kunnen de brede hulp die deze
groep nodig heeft vaak niet zelf bieden en gemeenten kunnen dat wel. En
als het dan gaat over of je dat zou kunnen regelen via toestemming: dat
is eigenlijk geen werkbare oplossing, omdat de AVG dit eigenlijk niet
toestaat. De AVG die zegt dat mensen uit vrijheid moeten kunnen kiezen,
maar de mensen over wie het hier gaat hebben al een afhankelijke positie
omdat ze een relatie hebben met een zorgverlener, en ze kunnen dus in
die situatie niet zo goed de consequenties overzien. Daarom is er een
wettelijke basis nodig en dat is wat we hier nu regelen, omdat we anders
dus niet kunnen voldoen aan het AVG-vereiste van vrijwilligheid bij het
geven van toestemming. Dat is ook waarom dat in 2022 is aangepast.
Overigens wordt daar in de schriftelijke beantwoording van uw vragen al
op ingegaan.
Mevrouw Maeijer vroeg ook bij wie die gegevens nou terechtkomen als ze
worden gedeeld. Het is aan de gemeenten om vast te leggen hoe die
gegevens worden verwerkt en hoe zij die hulp willen aanbieden aan de
onverzekerde persoon. Die gegevens worden vastgelegd in ICT-systemen,
maar we hebben natuurlijk ook regels voor hoe dat moet en dat is die
NEN-norm 7510. Voorheen kwamen die gegevens doorgaans terecht bij
wijkteams. Dat we dit nu doen, heeft er natuurlijk ook mee te maken ā
mevrouw Tijmstra zei dat ook al ā dat bij dakloosheid vaak meerdere
problemen spelen. Je wilt heel graag iemand helpen om uiteindelijk weer
een plek in de samenleving te vinden. Een straatarts kan die hulp vrij
beperkt geven. Daarom is het nodig dat er ook gekeken kan worden door
gemeentes, die meer instrumenten hebben, hoe een persoon in ieder geval
van zijn dakloosheid afgeholpen kan worden, maar ook aan goede zorg
geholpen kan worden.
De heer Vervuurt vroeg ten aanzien van het medisch beroepsgeheim voor
medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden hoe wordt gecontroleerd of
de veiligheid wordt nageleefd. We hebben gewoon een algemeen
toezichtkader op grond van de Wet op de geneeskundige
behandelovereenkomst en de AVG. Dat kader is van toepassing en daar zien
de inspectie en de AP dan weer op toe. Dat doet ieder natuurlijk vanuit
zijn eigen expertise en taak. Zij hebben onderlinge werkafspraken
gemaakt over hoe die bevoegdheidsverdeling er dan precies uitziet. Zij
zien dus toe op de uitvoering en de controle daarvan.
Mevrouw Tijmstra had de vraag of de minister het beeld herkent van
terughoudendheid bij huisartsen ondanks de vereenvoudigde digitale
afhandeling. Ik herken het eigenlijk niet meer, want wij zien dat er de
afgelopen jaren in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van deze SOV.
Dat is dus op zich positief. Tegelijkertijd vind ik het wel een punt van
aandacht en blijven we er ook constant over in gesprek om goed in de
gaten te houden dat we daar inderdaad zo veel mogelijk gebruik van maken
en er geen belemmeringen zijn om dat te doen.
Mevrouw Tijmstra, maar ook de heer Bushoff, vroeg zich af hoe het staat
met de uitwerking van die nieuwe SOV-regeling en de beoogde integratie
met de OVV-regeling. Ik kan u toezeggen dat de Tweede Kamer op zeer
korte termijn de tweede voortgangsbrief over die aanpak onverzekerden
krijgt en de uitwerking van de nieuwe regeling. Ik wil dus eigenlijk
graag naar die brief verwijzen. In die brief zullen we ook inzicht geven
in de vraag die ook door mevrouw Tijmstra is gesteld, namelijk hoe we de
spreiding van deze zorg kunnen verbeteren. Daar kom ik ook in die brief
op terug.
Mevrouw Tijmstra had ook nog een vraag over het feit dat in de
Voorjaarsnota staat dat de bezuiniging op deze regeling slechts beperkt
kan worden ingevuld, en wat dat precies betekent voor de verdere
vormgeving. Ik kom met die nieuwe regeling en daar zal ik dit dus ook in
meenemen.
Voorzitter. Ten slotte nog een vraag van de heer Bushoff. Hij zegt dat
veel onverzekerden een enorme drempel ervaren om zorg te vragen. Hij
vroeg of we niet bang zijn dat we door het nu makkelijker te maken om
die gegevens uit te wisselen een averechts effect krijgen en mensen bang
zijn dat er partijen achter ze aankomen. Zijn vraag was dus of we
hiermee die drempel niet verhogen. U had het er volgens mij in een
interruptiedebatje onderling zojuist over: in het verleden hebben we in
ieder geval niet gemerkt dat dat leidt tot zorgmijding, want van 2017
tot 2022 hadden we een vergelijkbare meldplicht en van de straatartsen
hebben we daar verder geen signalen over gekregen. Natuurlijk blijven we
ook hierover in gesprek met straatartsen. Mochten we nou inderdaad zien
dat het het juist ingewikkelder maakt, dan hebben we volgens mij een
nieuw gesprek te voeren. Tegelijkertijd hebben deze mensen vaak juist
veel behoefte aan zorg en brengen ze in ieder geval problematiek met
zich mee die erom vraagt dat er breder wordt gekeken dan naar wat alleen
straatartsen doen. Daarom is het belangrijk dat we dat mogelijk maken.
Ik snap het dilemma dat er is, dus of het geen averechts effect heeft,
maar in het verleden is dat niet gebleken en ik denk dat we de
ontwikkelingen gewoon goed moeten volgen.
Voorzitter. Dat was dit blokje.
De voorzitter:
Dank. Dan kijk ik even. Er is een interruptie van de heer Bushoff. Gaat
uw gang.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Nog los van dit wetsvoorstel denk ik dat de drempel die mensen ervaren
om als ze onverzekerd zijn toch hulp te vragen, er wel degelijk is.
Althans, als je de verhalen hoort van de straatartsen, dan is die
drempel er. Mijn vraag is eigenlijk ook wat we gaan doen om die drempel
te verlagen. Ik zou ook wel graag willen dat de minister daar wellicht
in de brief die is toegezegd ook op in kan gaan. Ik hoop dat ze dat zou
kunnen doen. Ik hoop ook dat ze kan aangeven of ze er enige indicatie
heeft of die brief voor of na de zomer komt.
Minister Sterk:
Ik wil absoluut toezeggen dat ik u die informatie in die brief doe
toekomen. Ik vraag even of ik er van mijn ondersteuning een signaal kan
krijgen over wanneer wij denken dat die brief naar de Kamer komt, want
dat heb ik niet helemaal scherp.
Mevrouw Maeijer (PVV):
De wet introduceert nu de verplichting voor de zorgaanbieders om de
gegevens op verzoek van de gemeente te leveren. Ik kan me heel goed
voorstellen dat er situaties zijn waarin artsen mensen graag willen
helpen aan een zorgverzekering of willen doorgeleiden naar hulp, maar
zou je dat initiatief daarvoor dan niet bij de zorgverlener moeten
leggen in plaats van bij de gemeente?
Minister Sterk:
De zorgverlener kan zelf nog altijd de afweging maken of hij het gevoel
heeft dat hij daarmee niet de juiste hulp kan geven. Daar zeggen we in
de memorie ook iets over. Tegelijkertijd ziet een gemeente natuurlijk
soms dat er bij iemand die bijvoorbeeld hulp heeft gekregen en bij de
eerste hulp is binnengekomen en daar wel geholpen wordt, veel meer
problemen zijn, zoals een schuldenproblematiek of problemen bij het
zoeken van een woning. Dan is het belangrijk dat de gemeente ook een
adres heeft en gegevens over wie die persoon is en hoe ze die persoon
kunnen helpen. Er is denk ik ruimte bij de zorgverlener om soms de
afweging te maken om het niet te doen. In die zin is het geen absolute
verplichting, maar ik denk dat het belangrijk is dat wij dit wel
mogelijk maken, juist om ook de taak die de gemeente heeft, namelijk die
openbare gezondheidszorg, mogelijk te maken.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Als ik de nota van wijziging lees, dan staat het woordje "desgevraagd"
in het specifieke wetsartikel, maar bij de toelichting wordt er wel
degelijk verwezen naar een verplichting voor de zorgaanbieder ā als ik
het goed heb begrepen, maar ik hoor graag als dat niet zo is. Maar mijn
vraag is eigenlijk ook: waarom kiest de minister ervoor om juist op dit
punt zonder instemming gegevens te delen van mensen die mogelijk zorg
mijden vanwege wantrouwen tegen instanties? Denkt u niet dat dat
uiteindelijk een averechts effect zal hebben?
Minister Sterk:
Daar heb ik het net al een kort interruptiedebatje met de heer Bushoff
over gehad. Ik zie op zich dat het een drempel kan zijn en dat er
wantrouwen is bij mensen, niet alleen tegen de zorg maar juist vaak de
overheid in brede zin. Tegelijkertijd voel ik ook de
verantwoordelijkheid die ook gemeentes vooral voelen om die bemoeizorg
te geven, juist als je ziet dat mensen op straat zwerven, misschien heel
ziek zijn, schuldenproblematiek hebben of verslaafd zijn. Daar hebben we
ook de openbare gezondheidszorg voor. Maar wat we nu zien is dat
gemeentes dat niet altijd goed kunnen doen. Straatartsen hebben zelf ook
gevraagd om een soort wettelijke bepaling, omdat het voor hen vaak
lastig is om hun beroepsgeheim te doorbreken. Dat doen we hiermee, zodat
gemeentes dat ook kunnen vragen. Daarmee hoop ik eraan bij te dragen dat
we nog beter kunnen zorgen voor deze mensen, wat straatartsen met hun
beperkte mogelijkheden ook al proberen te doen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik blijf het toch ingewikkeld vinden dat we dan eigenlijk voorbijstappen
aan het punt dat iemand, in ieder geval wat onze fractie betreft, zelf
zou moeten kunnen kiezen of gegevens al dan niet gedeeld worden. Ligt er
niet juist een taak voor de overheid om er actiever voor te zorgen dat
iemand de juiste keuze zou kunnen maken op het moment dat iemand zich
mogelijk in een moeilijke situatie bevindt om die vraag goed te kunnen
beoordelen, om er een correct antwoord op te geven of hij dat wel of
niet zou willen, zodat iemand daar actief op kan handelen, hoe moeilijk
die situatie ook is?
Minister Sterk:
Maar dan kom je dus in de situatie die we vroeger hadden, namelijk dat
je zegt: er moet toestemming worden gegeven. Volgens de AVG kan je dat
alleen maar doen als je de vrijheid hebt om dat te kunnen doen. Hier
constateren we dat het gaat om mensen die een relatie hebben met een
zorgverlener en daarin dus niet meer vrij zijn, omdat ze afhankelijk
zijn. In zo'n situatie, zegt de AVG, mag je dat dus niet doen op grond
van een toestemming, maar moet je dat op een andere manier regelen. Dat
doen we nu op deze manier, met een wettelijke verplichting. Daarmee
maken we mogelijk dat straatartsen of anderen dat doen, ook op verzoek
van de gemeente. Het is dus niet zo dat iedere willekeurige persoon
zomaar die gegevens op kan vragen. Dit is juist om het beter te regelen.
Uiteindelijk kan de zorgverlener er nog altijd van afzien als dat iets
zou kunnen belemmeren, maar wij denken het hiermee wel beter geregeld te
hebben, in ieder geval ook zoals ons vanuit het veld is gevraagd.
De voorzitter:
Dan zijn we toe aan een volgend blokje, denk ik.
Minister Sterk:
Ja, dat klopt, voorzitter. Wij zijn bij het blokje grondslag RIVM ten
aanzien van de bevolkingsonderzoeken en de screenings.
De wijziging van de Wet op het RIVM regelt gegevensdeling bij
bevolkingsonderzoeken en screening. Zorgverleners mogen diagnostische
gegevens trapsgewijs delen met de uitvoerder van het onderzoek. De
uitvoerder koppelt die gegevens dan weer gepseudonimiseerd door aan het
RIVM. Het gaat dus om mensen die na een bevolkingsonderzoek of screening
worden doorverwezen of om mensen met een later gebleken afwijking na een
negatieve uitslag. Zo kan dus worden beoordeeld of uitslagen juist waren
of dat er juist sprake was van foute, positieve of gemiste gevallen. Dat
is gewoon ontzettend belangrijk, want als wij goede zorg willen
verlenen, dan zullen we er ook goed naar moeten kijken dat de kwaliteit
van die bevolkingsonderzoeken en de volksgezondheid op orde blijft. Dat
doen we dus op deze manier. Toestemming is hiervoor geen geschikte
grondslag, omdat dit tot vertekende of onvolledige evaluaties kan
leiden. Het komt namelijk relatief weinig voor dat dit soort fouten
worden gemaakt of dat dit soort verkeerde gegevens worden doorgegeven.
Hoe meer je er daar van hebt, hoe onbetrouwbaarder die
onderzoeksresultaten zijn. Daarom brengen wij deze wettelijke grondslag
hierin nu aan.
Mevrouw Maeijer vroeg of ik nog eens kan uitleggen waarom er is gekozen
voor het doorbreken van het medisch beroepsgeheim en niet voor het geven
van toestemming bij het bevolkingsonderzoek en screening. Dat heb ik
eigenlijk net al geprobeerd aan te geven. Het is heel erg belangrijk dat
het RIVM zijn monitoring en evaluatie daarbij kan uitvoeren. Daarbij is
het afhankelijk van individuele afwegingen van betrokken personen op dit
moment. Als wij die goede zorg willen kunnen blijven geven en de
kwaliteit van het bevolkingsonderzoek op orde willen houden, dan moeten
we ervoor zorgen dat wij volledige en zo veel mogelijk verzamelde
gegevens hebben. Dat is op dit moment onvoldoende het geval. Dat heb ik
net gemeld.
De heer Vervuurt vroeg hoe we er nou voor kunnen zorgen dat het voor
mensen heel duidelijk is waartegen zij precies bezwaar maken en wat de
implicaties precies zijn. Ik heb zelf onlangs ook geconstateerd: als je
een uitnodiging krijgt voor een bevolkingsonderzoek zit er standaard een
informatiefolder bij waarin dat staat. Bij de uitnodiging zit dus ook de
informatie over hoe je het eventueel zou kunnen doen. Dat doen we in
begrijpelijke taal. De folders zijn er ook nog eens in verschillende
talen. Eigenlijk is het al heel lang gebruikelijk in de zorg dat we het
op die manier doen.
De voorzitter:
Dat gaat goed qua snelheid, dus complimenten aan de minister. Maar het
leidt wel tot interrupties.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Over dit laatste punt van bezwaar had ik in mijn inbreng ook nog een
aantal vragen gesteld. Mogelijk komt de minister daar later op terug. Ik
heb ze misschien bij een ander blokje gesteld, maar het ziet ook op het
punt van ā¦
Minister Sterk:
Ik heb hier nog wat vragen liggen, dus misschien kunnen we na de
beantwoording constateren of ze allemaal beantwoord zijn.
De voorzitter:
Dat gaan we doen.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dan wacht ik dat eventjes af.
De heer Vervuurt (D66):
In relatie tot mijn vragen waar de minister net aan refereerde: mijn
vraag ging ook expliciet over de koppeling die we wensen te maken met de
inrichting van de EHDS. Zou de minister daar nog even op kunnen
reflecteren?
Minister Sterk:
Kunt u die dan nog iets meer duiden voor mij?
De heer Vervuurt (D66):
We zien natuurlijk dat de EHDS op veel van dit soort zaken raakvlakken
toont met de wetgeving die wij hier wensen in te regelen. Ik denk dat de
vraag met name is: op welke manier kunnen we ervoor zorgen dat aan de
ene kant de vaccinatiedata, maar ook de data omtrent de
bevolkingsonderzoeken, waar de minister net naar verwees, goed geborgd
worden in opt-outvoorzieningen in de EHDS, zodat daarin ook duidelijk is
waartegen men mogelijk bezwaar maakt en waartegen niet?
Minister Sterk:
Ik kom daarop terug in het blokje opt-out. Ik begrijp uw vraag nu.
Excuses.
Dan ben ik bij het blokje verwerkingsgrondslag voor het
Rijksvaccinatieprogramma. De wijziging van de Wet publieke gezondheid
regelt gegevensuitwisseling over vaccinaties binnen het
Rijksvaccinatieprogramma. Jeugdgezondheidszorguitvoerders en het RIVM
mogen gegevens delen als dat noodzakelijk is. Nu is daarvoor nog
expliciete toestemming nodig, die niet altijd wordt gegeven. Daarom zijn
sommige vaccinaties alleen anoniem bekend bij het RIVM. Dat belemmert
het goed uitvoeren van RIVM-taken, zoals monitoring van de
vaccinatiegraad en uitnodigingen. De gegevens mogen alleen worden
verstrekt als dat noodzakelijk is en als de betrokkene geen bezwaar
maakt tegen de verstrekking. In dit geval gaat het dus over een
opt-out.
De voorzitter:
Mevrouw Maeijer heeft een interruptie.
Minister Sterk:
Ik ben nog niet toegekomen aan de beantwoording.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Excuus, voorzitter. Ik had eigenlijk nog een vraag over het vorige punt.
Ik realiseerde niet helemaal dat u al door het blokje over het
bevolkingsonderzoek heen was.
De voorzitter:
Dan gaan we nog even in de achteruit. We doen deze vraag en dan kunnen
we daarna door.
Mevrouw Maeijer (PVV):
In mijn inbreng heb ik gepleit voor het geven van expliciete
toestemming. Daar stappen we nu vanaf. Ik zou de minister toch graag het
volgende willen vragen. Ik ontving net een berichtje ā ik weet dat het
ƩƩn berichtje is ā van iemand die zegt: als mijn gegevens gedeeld gaan
worden, weet ik niet of ik nog deelneem aan een bevolkingsonderzoek.
Volgens mij is dat een signaal dat we serieus moeten nemen, ook al is
het maar ƩƩn mail. Even los van het feit dat je dan onder de nieuwe wet
bezwaar kunt maken, hoe gaat de minister mensen meenemen in ⦠Waar doet
u dit voor, minister? Waarom is het volgens u belangrijk dat dit wel op
deze manier gebeurt? Waar gaan die gegevens dan naartoe?
Minister Sterk:
Eigenlijk vraagt Kamerlid Maeijer mij dat we goed uitleggen waarom we
dit eigenlijk doen, waarom het nodig is en waarom het op deze manier
geregeld is. Ik vind dat heel terecht. Ik heb net het belang aangegeven
van het hebben van voldoende data om iets te kunnen zeggen over de
kwaliteit van het onderzoek. Volgens mij verschillen we niet van mening
over dat het belangrijk is dat dat gebeurt.
Ik denk dat ik kan toezeggen dat we kijken hoe we dit goed kunnen
communiceren, zodat mensen goed op de hoogte zijn en ook weten dat ze
eventueel bezwaar kunnen aantekenen. Het is niet zo dat er geen
mogelijkheid is om te zeggen dat je dit niet wil. Het is alleen een
andere mogelijkheid dan bij het Rijksvaccinatieprogramma, waarbij het
gaat om een opt-out. Dat is een soort absolute mogelijkheid. Als je een
opt-out vraagt, krijg je die gewoon. Bij een bezwaar zal er altijd een
afweging gemaakt worden tussen enerzijds het belang van zo'n
bevolkingsonderzoek en de monitoring, de kwaliteit en de data die
daarvoor nodig zijn en anderzijds de bezwaren die iemand zelf heeft. Ik
hoop dat ik u hiermee enigszins tegemoet ben gekomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Sterk:
Wetsonderdeel 7 en de verwerkingsgrondslag van het
Rijksvaccinatieprogramma. Die heb ik volgens mij net al ... Ik was bij
de vragen.
Mevrouw Maeijer heeft de vraag gesteld of ik kan aangeven hoe groot het
percentage anonieme vaccinaties nu is en wat volgens mij het kritieke
percentage is. Het meest recente percentage dat wij kennen is het
percentage uit 2024. Dat is 3%. 3% Ć 4% is een landelijk gemiddelde. De
variatie tussen regio's en vaccinsoorten is groot. In sommige regio's is
het aandeel anonieme vaccinaties veel kleiner dan 1%, terwijl het in
andere regio's soms zelfs kan oplopen tot meer dan 25%. Dit leidt dus
tot een vertekend beeld van de werkelijke vaccinatiegraad, vooral in
gebieden waar de vaccinatiegraad al onder druk staat. U vraagt aan mij
wanneer ik tevreden ben, mevrouw Maeijer. Nou, volgens mij hebben we nog
wel een weg te gaan, aangezien er in sommige regio's nog zo'n hoog
percentage anonieme registraties is. Wat mij betreft gaan we daar dus
nog geruime tijd mee door.
Kamerlid Maeijer vroeg ook waarom er is gekozen om in 2022 eerst een
opt-in voor het RIVM te implementeren en die nu te wijzigen in een
opt-out. Ook vroeg ze waarom we niet inzetten op het beter voorlichten
van cliƫnten, om het aantal anonieme vaccinaties terug te dringen. Ik
denk dat we dat laatste sowieso moeten doen. Het is belangrijk om die
voorlichting te doen. Om te kunnen voldoen aan de Wet inzake de
geneeskundige behandelingsovereenkomst en de AVG wordt sinds 2022
geregistreerd of er toestemming is gegeven voor de uitwisseling. Doordat
toestemming voor gegevensuitwisseling met het RIVM niet altijd wordt
gevraagd of niet altijd juist wordt geregistreerd, ontvangen ze dus
relatief veel anonieme vaccinatiegegevens. Wij zullen gaan inzetten op
intensieve publieksvoorlichting, training en inzet van jgz-personeel, om
het aandeel anonieme vaccinaties terug te brengen. We hebben wel een
soort weg naar beneden, maar nog niet genoeg en ook nog niet overal.
Door de vaccinatiegegevens standaard met persoonsgegevens uit te
wisselen zal het RIVM naar verwachting meer gepersonaliseerde
vaccinatiegegevens ontvangen. Dat resulteert in een nauwkeurigere
berekening van de vaccinatiegraad, die noodzakelijk is voor een goede
monitoring en uitvoering van het Rijksvaccinatieprogramma. Door de
opt-in te veranderen in een opt-out krijgen we veel meer data. Met meer
data wordt de kwaliteit van de monitoring en uitvoering van het
Rijksvaccinatieprogramma verbeterd, hopen we. Dat kan alleen maar door
een wettelijke grondslag voor die gegevensuitwisseling te geven, met
daarbij dus die opt-out als mogelijkheid.
U vraagt ook of dit nou noodzakelijk en proportioneel is. Ja, ik denk
dus van wel. Daarom hebben we dit ook gedaan. De wettelijke taak van het
RIVM is om zorg te dragen voor de regie op en de coƶrdinatie van het
Rijksvaccinatieprogramma, en om zorg te dragen voor de registratie, de
bewaking en de evaluatie van het programma. Het RIVM treedt ook op bij
de bestrijding van uitbraken van infectieziekten. Deze taken zijn
belangrijk voor de bescherming van de Nederlandse volksgezondheid,
zodat, waar nodig, gericht actie kan worden ondernomen om uitbraken van
infectieziekten te voorkomen. Voor een goede monitoring en uitvoering
van het Rijksvaccinatieprogramma is optimale beschikbaarheid van
gepersonaliseerde vaccinatiegegevens noodzakelijk. Daarvoor hebben we
dus ook die wettelijke grondslag gegeven. We denken dat het daardoor
niet alleen noodzakelijk, maar ook proportioneel is om dit te
doen.
De heer Bushoff heeft bij deze uitwisseling opnieuw gevraagd hoe we dat
wantrouwen jegens de instanties gaan aanpakken. Je ziet dat er
wantrouwen is rondom het toedienen van vaccinaties. Dat verklaart
misschien ook voor een deel waarom mensen niet gevaccineerd willen
worden en waarom dat percentage relatief laag is. De verwachting is in
ieder geval dat er weinig mensen zullen zijn die hun gegevens
daadwerkelijk niet willen delen met het RIVM. Voor degenen die dat wel
willen, blijft de mogelijkheid van die opt-out bestaan. Daarnaast vinden
we het natuurlijk belangrijk om het vertrouwen in de
gezondheidsinstanties te versterken. Dat geldt, denk ik, niet alleen
voor het vertrouwen in de gezondheidsinstanties, maar ook voor het
vertrouwen in de werking van vaccins.
Dit geldt vooral voor kwalijke bijwerkingen die soms worden vermoed. Ik
zeg niet dat die bijwerkingen er zijn, maar dat is wat mensen soms
denken. Daarom is de aanpak "Vol vertrouwen in vaccinaties" ingezet, met
daarin onder andere een intensivering van de wijkgerichte aanpak. Ik gaf
net al aan dat de vaccinatiegraad in sommige wijken relatief laag ligt.
Met maatwerk gericht op verschillende doelgroepen en met samenhangende
interventies wordt er gebouwd aan meer vertrouwen. Meneer Bushoff,
voordat u mij nog meer gaat vragen: het is de portefeuille van mijn
collega. Dan kom ik daar later graag nog een keer schriftelijk op
terug.
Dan kom ik bij het een-na-laatste blokje, over de opt-out en het
beroepsgeheim. De heer Vervuurt vroeg of de minister van plan is om in
Nederland een centraal opt-outsysteem mogelijk te maken en daarbij de
bevolkingsonderzoeken te betrekken. De EHDS redeneert ook vanuit een
opt-outsysteem; daar refereerde u net al aan. Ik ben in ieder geval van
plan om dat zo breed en makkelijk mogelijk voor iedereen in te richten.
Ik ben op dit moment aan het onderzoeken hoe we dat het beste kunnen
doen, en op welke onderdelen we dit het beste kunnen doen. Daar hebben
we vorige week al even over gewisseld. Het gaat dan om de vraag of het
gaat om bevolkingsonderzoeken en hoe je die daarbij betrekt. Ik kijk ook
naar het systeem waarin dit dan moet worden geregistreerd. Daar moeten
we echt wel even goed naar kijken. Ik zal u daar na de zomer nader over
informeren.
Mevrouw Maeijer vroeg hoe de mogelijkheid voor de opt-out uit het
Rijksvaccinatieprogramma wordt vormgegeven en hoe ik mensen ga
voorlichten over de mogelijkheden om bezwaar te maken. Het voornemen is
om cliƫnten te informeren over de mogelijkheid van een opt-out op
dezelfde manier als de manier waarop ze werden geĆÆnformeerd over de
mogelijkheid om toestemming te geven. Ik heb u net al iets verteld over
de informatiefolder die wij daar standaard bij aanbieden. Verder
gebruiken we natuurlijk ook de kanalen die daarvoor kunnen worden
gebruikt, zoals het RIVM, de jeugdgezondheidszorg, via de websites, in
de brieven en in de brochures van het Rijksvaccinatieprogramma. Maar de
jgz-uitvoerders zijn zelf natuurlijk ook verantwoordelijk voor het
informeren van hun individuele cliƫnten. Daar worden ze ook voor
bijgeschoold. Ze bekijken ook per cliƫnt wat de beste manier is om hen
daarover voor te lichten.
Mevrouw Maeijer vroeg ook hoe de minister zorgt voor de veiligheid van
de gegevens en hoe we hacks gaan proberen te voorkomen. Volgens mij is
daar ook vorige week uitgebreid over gesproken. Cyberveiligheid is iets
wat wij als Rijksoverheid niet alleen kunnen. Dat is een
verantwoordelijkheid van ons allemaal. Dat doe je dus ook samen.
Zorgaanbieders zijn er zelf primair verantwoordelijk voor om dit goed te
regelen.
De belangrijkste stap is de basale cyberhygiƫne, die inhoudt dat mensen
zich ervan bewust zijn welke regels je behoort te volgen om te voorkomen
dat dingen misgaan. Daarbij gaat het om sterke en unieke wachtwoorden,
om tweefactorauthenticatie, om het regelmatig draaien van updates, om
het scheiden van je back-up van je dagelijkse operatie en om het
beveiligen van je back-up. Wat ik daar als minister aan doe, is dat wij
de zorgaanbieders daarbij ondersteunen via een versteviging van Z-CERT,
het Computer Emergency Response Team voor de zorg.
Ik stimuleer ook informatieveilig gedrag van zorgprofessionals en ik
zorg ervoor dat de wettelijk verplichte normen voor informatieveiligheid
in het zorgveld worden doorontwikkeld. De inspectie houdt daar ook
toezicht op. De Cyberbeveiligingswet gaat daarbovenop ook zorgen voor
een uitbreiding en een intensivering van de maatregelen om de impact van
cyberaanvallen specifiek te beperken.
Dan de vraag van mevrouw Maeijer hoe de opt-out in dit wetsvoorstel zich
verhoudt tot de opt-out onder de EHDS. Dit wetsvoorstel regelt de
grondslag voor verstrekking van de vaccinatiegegevens aan het RIVM. Het
RIVM gebruikt deze data voor secundaire doelen. Dat wil zeggen: voor
onderzoek. Op die verstrekking wordt middels dit wetsvoorstel een
opt-out geregeld. Als een burger dit recht inroept, zou bijvoorbeeld het
consultatiebureau die gegevens niet mogen verstrekken aan het RIVM. De
EHDS verhindert lidstaten niet om naast de systematiek van de EHDS
nationale grondslagen te hebben en te houden voor de verstrekking van
gegevens van secundair datagebruik. Dit is dus ook het geval bij
verstrekkingen aan het RIVM of bijvoorbeeld voor de
kwaliteitsregistraties. Ik onderzoek op dit moment de reikwijdte en de
implicaties van die opt-out onder de EHDS, maar dat zei ik net al in
reactie op de vraag van de heer Vervuurt. Na de zomer kom ik middels een
brief bij u terug. Mocht ik tot de conclusie komen dat de opt-out in dit
wetsvoorstel niet kan blijven bestaan naast de opt-out onder de EHDS,
dan kom ik daar uiteraard bij de Kamer op terug.
Dan nog een vraag van de heer Claassen. De burger verliest zeggenschap
over zijn gegevens. Kan de minister toelichten waarom er zo'n
zwaarwegende keuze wordt gemaakt, vroeg hij. Onder dit wetsvoorstel
wordt die beslissing bij uitzondering weggehaald bij de burger. Ik deel
dat het van groot belang is dat de burger zeggenschap houdt over zijn
gegevens. Daarom is er ook in alle zaken die we vandaag hebben besproken
een mogelijkheid voor de burger om zich daarop te beroepen, hetzij via
een bezwaar, hetzij via een opt-out. Alleen is als het gaat om de
toestemming gebleken dat die grondslag niet altijd juridisch houdbaar en
praktisch uitvoerbaar is. Daarom hebben we ook een wettelijke grondslag
gemaakt, zodat die gegevens wel verwerkt mogen worden.
Ten slotte vroeg de heer Claassen waarom de minister, in zijn woorden,
het medische beroepsgeheim overboord gooit. Volgens mij is het medische
beroepsgeheim een groot goed en deelt de Kamer dat ook. Met dit
wetsvoorstel zorgen we er vooral voor dat er in specifieke gevallen een
verplichting tot verstrekking van persoonsgegevens wordt geregeld, omdat
het soms echt noodzakelijk kan zijn om dat te doen, juist ook in het
belang van de persoon. Kijk, dat medische beroepsgeheim is ook niet een
soort absoluut verbod om gegevens te delen. Bij infectieziekten wordt
het medische beroepsgeheim bijvoorbeeld ook een soort van overruled,
juist vanuit het belang van het melden van klachten. We hebben onlangs
bij het hantavirus nog gezien hoe dat werkt.
Dat was het op ƩƩn na laatste blokje, voorzitter. Dan ga ik door naar
het blokje overig. Dat mapje is heel dun, zie ik.
In dit blokje overig heb ik alleen nog een vraag van de heer Claassen
over de horizonbepaling te beantwoorden. Ben ik bereid om de termijn van
de horizonbepaling in te korten? Dit wetsvoorstel kent überhaupt geen
horizonbepaling. Ik ben dus ook niet bereid om die in te korten.
Dan hebt u nog de bespreking van de amendementen tegoed, voorzitter.
De voorzitter:
Dit gaat heel goed. Ik kijk nog even of er interrupties zijn voordat we
naar de amendementen gaan. Dat is het geval.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik was te laat bij het blokje SOV-regeling, zeg ik eerlijk, dus ik
dacht: die vraag past vast ook goed in het blokje overig! In mijn
inbreng heb ik gezegd dat het CDA het heel goed vindt dat gegevens
gedeeld worden, omdat er dan bemoeizorg ingezet kan worden, maar ik
sloot mijn inbreng ook af met een vraag. Die zal ik herhalen, omdat ik
daar geen antwoord op gekregen heb. Kan de minister toezeggen dat de
gegevens die door zorgverleners gedeeld worden, door gemeenten en GGD'en
alleen voor hulpverlening gebruikt worden? Ik weet dat er op dit punt
echt wel wat onzekerheid zit bij de mensen in de uitvoering. Daarom
vraag ik er graag nog eventjes op door.
Minister Sterk:
Als mevrouw Tijmstra het goedvindt, kom ik hier in de tweede termijn nog
even op terug.
De voorzitter:
Dan noteren we dat, en dan heeft u nog een interruptie van mevrouw
Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik zat mijn hoofd nog een beetje te breken over de zin die de minister
net uitsprak over de EHDS en hoe de ene opt-out zich verhoudt tot de
andere. De minister zei, als ik haar even vrij mag citeren: mochten we
tot de conclusie komen dat de opt-out in het wetsvoorstel niet kan
blijven bestaan naast de opt-out onder de EHDS, dan informeer ik de
Kamer daarover. Maar ik dacht daarvoor te horen dat de EHDS ruimte laat
voor mogelijkheden op nationaal niveau. Ik kan deze stellingen dus niet
helemaal rijmen. Kan het dan zo zijn dat de opt-out in het wetsvoorstel
komt te vervallen of niet geldig is?
Minister Sterk:
Wij moeten nog gaan bepalen op welke manieren we die opt-out willen gaan
inzetten. Ik heb ook gezegd dat we dat eigenlijk zo breed mogelijk
willen doen. Mocht er nou een conflict ontstaan op dit punt, dan zullen
we de Kamer daarover informeren. Ik heb niet de verwachting dat dat het
geval gaat zijn, hoor. Dat misschien ter geruststelling.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we nu echt aangekomen bij de appreciatie van de
amendementen.
Minister Sterk:
Ja, voorzitter, en dan hoop ik dat de nummers die ik hier op de
amendementen heb staan, kloppen met de nummers die u voor zich heeft. Ik
begin bij het amendement op stuk nr. 8. Klopt dat?
De voorzitter:
Ja.
Minister Sterk:
Dat is het amendement van de heer Bushoff. Dat gaat over de
voorhangprocedure die hij graag wil regelen. Kort gezegd: dat geef ik
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 8: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
Nogmaals, ik vind het vanzelfsprekend dat de Kamer hierbij betrokken is,
dus daarom denk ik dat het een hele terechte vraag is.
Voorzitter. Dan het amendement op stuk nr. 10. Ik heb geen amendement op
stuk nr. 9, klopt dat?
De voorzitter:
Dat heeft nummer 10 gekregen. Dat amendement heeft u eerder in het debat
al geapprecieerd met oordeel Kamer.
Minister Sterk:
OkƩ, dat was oordeel Kamer. Dan ga ik naar het amendement op stuk nr.
11. Dat is van mevrouw Maeijer. Dat amendement schrapt het artikel over
gegevensverwerking ten behoeve van monitoring en uitvoering van het
Rijksvaccinatieprogramma. Ik denk dat het u niet zal verbazen dat ik dat
amendement ontraad.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 11: ontraden.
Minister Sterk:
Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 12, eigenlijk om dezelfde
reden. We hebben daar net al een aantal keer de visies over gewisseld.
Dat amendement wil ik dus ook ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 12 is ook ontraden.
Minister Sterk:
Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 13. Ik denk dat we gewoon
echt een andere visie hebben op die gegevensdeling, de noodzaak daarvan
en de mogelijkheid om daar een uitzondering op te maken.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 13: ook ontraden.
Minister Sterk:
Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 14. We hebben hier echt
bewust gekozen voor die verplichting.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 14 is ook ontraden. Dan ligt er nog een nieuw
amendement, het amendement op stuk nr. 15.
Minister Sterk:
Dat heb ik inmiddels ook. Dat is het amendement van de heer Claassen.
Dit amendement bevat een veelheid van onderdelen die hier per onderdeel
worden besproken. Het gaat over de cliƫntondersteuning op grond van de
Wmo en dat we die ook beschikbaar willen stellen voor niet-ingezetenen.
Het ingezetenbegrip is al heel breed. Dit hiervoor nu ook nog inzetten
en de gemeente dus verplichten voor een nog grotere groep te voorzien in
cliƫntondersteuning, past gewoon echt niet binnen de reikwijdte van de
Wmo. Bovendien kost het ook extra geld en levert het ook weer extra
taken op. Daarvoor zie ik verder geen onderbouwing in dit
amendement.
Dit amendement vraagt ook om een opt-out voor de verstrekking van
gegevens over onverzekerden voor bemoeizorg. Ik denk dat we daar net het
debat over hebben gevoerd. Wij vinden dat juist wel heel
belangrijk.
Voorhang voor de AMvB waarin de gegevensverwerking over onverzekerden
kan worden uitgewerkt. Tegen dat onderdeel heb ik geen bezwaar, maar
omdat het allemaal in ƩƩn amendement zit, heb ik niet de mogelijkheid om
dat in het oordeel te verwerken.
Een verplichting voor het college en de GGD om een verstrekkingsregister
bij te houden voor het college en de GGD. Ik ben hier ook om de
regeldruk terug te dringen, ook juist voor gemeentes en zo. Dit levert
gewoon een grote administratieve lastenverzwaring op. Bovendien zijn de
uitvoeringsconsequenties voor gemeentes en GGD's niet te overzien. Ik
vind het daarnaast ook nog eens keer onnodig en niet proportioneel, want
de AVG regelt zelf al dat een verwerkingsverantwoordelijke op verzoek
inzage moet geven in de gegevens die over iemand worden verwerkt.
Daarnaast gelden uiteraard ook alle andere waarborgen uit de AVG.
Het laatste onderdeel van dit amendement is een evaluatiebepaling voor
het artikel over de gegevensverwerking over onverzekerden voor
bemoeizorg. Ik vind een evaluatiebepaling een te zwaar middel, temeer
omdat het veld zelf om deze grondslag voor de gegevensverwerking heeft
verzocht. Dat neemt niet weg dat ik natuurlijk de vinger aan de pols hou
als het gaat om deze gegevensverwerking en de daaraan gekoppelde
bemoeizorg. Dat heb ik net ook al in het debat toegegeven.
Vanzelfsprekend valt deze verwerking ook onder het toezicht van de
Autoriteit Persoonsgegevens.
Voorzitter. Ik heb inmiddels ook een antwoord op de vraag van het
CDA.
De voorzitter:
Ik kan dan concluderen dat het amendement op stuk nr. 5 ontraden is,
denk ik.
Minister Sterk:
O, heb ik dat niet ⦠Excuus.
De voorzitter:
Dat kon ik wel afleiden uit de appreciatie. Dan heeft u nog een antwoord
op een vraag.
Minister Sterk:
Ja. Mevrouw Tijmstra vroeg of de gegevens voor bemoeizorg alleen voor
dat doel gebruikt mogen worden. Gemeentes en GGD'en zijn gebonden aan
doelbinding op grond van de AVG. Het wetsvoorstel regelt ook dat het
specifiek gaat om het doel van de bemoeizorg, dus die gegevens mogen
alleen daarvoor gebruikt worden.
Dat is wat mij betreft het einde van de eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Hartelijk dank. Dan zijn we aan het einde van de eerste
termijn van de zijde van het kabinet, van de minister.
Ik kijk even of er behoefte is aan een tweede termijn. Ik zie mevrouw
Maeijer. Dan gaan we beginnen met de tweede termijn van de zijde van de
Kamer. Gaat uw gang.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u, voorzitter. Dank ook aan de minister voor de antwoorden.
Gegevensdeling in de zorg is belangrijk, maar de patiƫnten en
betrokkenen moeten wat ons betreft de regie houden. Namens de PVV heb ik
daarom een aantal amendementen ingediend die uitgaan van expliciete
toestemming voor gegevensdeling door degenen van wie de gegevens
zijn.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende: mocht deze wet worden aangenomen, dan
ligt er, denk ik, ook een belangrijke taak voor de minister om mensen
voor te lichten over de mogelijkheden die ze onder de nieuwe wet hebben
ten aanzien van het maken van bezwaar dan wel de mogelijkheid van een
opt-out. Er ligt ook zeker de taak om hen voor te lichten over het doel
en het nut van gegevensdeling, want dat is volgens mij net zo
belangrijk. Dan kunnen mensen daar bewust over nadenken en kunnen zij
een bewuste keuze maken. Ik zie ook zeker de taak voor de minister om
daarover na te denken, waarborgen te leveren en te zorgen voor de
veiligheid van de gegevens die worden gedeeld.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Als ik het goed heb gezien, zien de heer Vervuurt, mevrouw
Tijmstra en mevrouw Wendel af van hun termijn. Ik kijk nog even naar de
heer Bushoff voor de tweede termijn. Ja? Gaat uw gang.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de minister en de ondersteuning
voor de beantwoording, ook die van mijn wat ingewikkelde eerste vraag.
Daar kwam wel een heel helder antwoord op. Mijn vraag was: op het moment
dat er een overlap in de indicatiestelling is en er een
indicatiestelling wordt opgeheven, zou het dan zo kunnen zijn dat iemand
verstoken blijft van zorg? Het antwoord was helder, namelijk dat dat
door de zorgplicht van het zorgkantoor niet het geval kan zijn. Dat is
dus heel fijn om te weten.
Ik heb nog ƩƩn motie. Die gaat over het feit dat in de memorie van
toelichting geschreven wordt dat bij hele zeldzame aandoeningen gegevens
die gedeeld worden toch herleidbaar kunnen zijn naar het individu. Nou
kun je dat misschien niet volledig uitsluiten, maar ik denk dat het goed
is als de minister er bij de nog op te stellen algemene maatregel van
bestuur met daarin de gegevens die gedeeld worden, de wijze waarop en de
bewaartermijn, naar streeft dat de gegevens die gedeeld worden zo
moeilijk mogelijk te herleiden zijn naar individuen, ook bij hele
zeldzame aandoeningen. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat deze wet de uitwisseling van gevoelige
gezondheidsgegevens bij bevolkingsonderzoeken mogelijk maakt;
constaterende dat herleidbaarheid naar de patiƫnt gezien de gevoeligheid
van de gegevens uiterst onwenselijk kan zijn;
overwegende dat uit de memorie van toelichting blijkt dat bij zeer
zeldzame aandoeningen volledige onherleidbaarheid niet te garanderen
is;
overwegende dat de regering per algemene maatregel van bestuur (AMvB)
zal uitwerken welke gegevens gedeeld worden en op welke wijze en met
welke bewaartermijnen;
verzoekt de regering bij de uitwerking in deze AMvB ook bij zeldzame
aandoeningen zo veel mogelijk te voorkomen dat de gegevens zijn te
herleiden tot het betreffende individu,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.
Zij krijgt nr. 16 (36621) (#1).
Dank voor uw inbreng. Dan zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor een paar minuten voor de appreciatie van de ingediende motie.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het debat. We zijn toegekomen aan de tweede termijn van de
zijde van het kabinet. Ik geef het woord aan de minister.
Minister Sterk:
Ik hoop dat u inmiddels zelf ook allemaal de motie heeft ontvangen. In
principe ben ik positief over de motie op stuk nr. 16. Er is ƩƩn maar:
in de motie wordt gesproken over een AMvB, maar in deze wet is het een
ministeriƫle regeling. Vandaar dat ik net ook even overleg had met
Kamerlid Bushoff. Ook hij ziet dat het eigenlijk inderdaad een
ministeriƫle regeling zou moeten zijn, dus hij is bereid om die motie
aan te passen. Mijn oordeel is dan gewoon oordeel Kamer, als hij
inderdaad de ministeriƫle regeling bedoelt, zoals die ook in de wet
staat. Dan is het namelijk, denk ik, een prima motie.
De voorzitter:
Even voor de duidelijkheid: formeel is de motie op stuk nr. 16 dus
ontraden, tenzij die aangepast wordt, want dan zal die oordeel Kamer
krijgen.
Minister Sterk:
Precies. Dank u wel, voorzitter.
Ten slotte nog even de vraag van mevrouw Maeijer. Ik vind dat u een hele
terechte vraag stelt. Ik hoop natuurlijk als minister dat deze wet het
haalt, omdat ik denk dat die belangrijk is. Daar hebben we net ook het
debat over gevoerd. Maar u heeft natuurlijk ook een punt als u zegt: het
is ook belangrijk dat mensen goed weten wat er nou precies gebeurt en
wat we hier doen. Die informatieverstrekking ā daar heb ik een aantal
van u al wel in de eerste termijn over gehoord ā is gewoon belangrijk.
Ik ga dus ook goed kijken naar de communicatie. We moeten het ook echt
goed duidelijk maken. Als deze wet inderdaad wordt aangenomen, moeten
mensen weten waar het over gaat en welke ruimte er voor hen is om daar
wel of niet mee in te stemmen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank voor uw beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de
beraadslaging. Ik wil in ieder geval de mensen die dit hebben gevolgd
hartelijk danken voor de belangstelling, de minister voor de
beantwoording, de leden voor hun aanwezigheid en de ondersteuning.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik wil nog even bij dit debat vermelden dat de stemming over de motie,
de amendementen en het wetsvoorstel gepland staat op dinsdag 9 juni
aanstaande. Dank aan de ondersteuning voor het mogelijk maken van dit
debat en deze vergaderdag. Ik sluit hiermee de vergadering van woensdag
27 mei 2026.
Sluiting
Sluiting 21.46 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|