Tweeminutendebat Justitiële jeugd (CD 23/4) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D25393, datum: 2026-05-27, bijgewerkt: 2026-05-28 09:36, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-27 15:05: Tweeminutendebat Justitiële jeugd (CD 23/4) (Plenair debat (tweeminutendebat)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Justitiële jeugd
Justitiële jeugd
Aan de orde is het tweeminutendebat Justitiële jeugd (CD d.d.
23/04).
De voorzitter:
Wij gaan verder met het tweeminutendebat Justitiële jeugd. Ik wil graag,
dit keer wel, het woord geven aan het lid Bikkers namens de
VVD-fractie.
De heer Bikkers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Een aantal moties. Ik begin gelijk.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het wapenbezit onder jongeren de afgelopen jaren
toegenomen is en dat de politie vorig jaar een recordaantal wapens in
beslag heeft genomen bij minderjarigen;
overwegende dat in het Actieplan Wapens en Jongeren een wetswijziging
was opgenomen om de verkoop aan minderjarigen van (bepaalde) messen en
het dragen daarvan in de openbare ruimte te verbieden;
overwegende dat deze wetswijziging na internetconsultatie in 2022 niet
verder in procedure is gebracht;
verzoekt de regering na overleg met gemeentes alsnog met een
wetsvoorstel te komen om het landelijk messenverbod in te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bikkers.
Zij krijgt nr. 1123 (24587) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de huidige strafwet de mogelijkheid biedt om 16- en
17-jarigen het volwassen (commune) strafrecht toe te passen;
constaterende dat dit in de praktijk vrijwel niet gebeurt, ook niet bij
zeer gewelddadige feiten waarin sprake is van een berekenend en
volwassen karakter van de dader;
van mening dat de dader in dit type zaken vaker volgens het
volwassenenstrafrecht zou moeten worden berecht;
verzoekt de regering in haar overleggen met het Openbaar Ministerie te
bespreken of er knelpunten worden ervaren in het vorderen van
volwassenenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen die worden verdacht van zeer
ernstige gewelds- en zedenmisdrijven, en hierover de Kamer voor het
einde van het jaar te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bikkers.
Zij krijgt nr. 1124 (24587) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er steeds meer signalen zijn dat de opgelegde straffen
in het jeugdstrafrecht niet voldoende afschrikken;
constaterende dat zowel de opgelegde straffen als de maximale straffen
niet aansluiten bij de straffen in ons omringende landen;
constaterende dat de maximale duur van jeugddetentie twee jaar is voor
16- en 17-jarigen;
overwegende dat uit WODC-onderzoek blijkt dat drie op de tien
magistraten aangeeft niet langer uit de voeten te kunnen met de huidige
strafmaxima in het jeugdstrafrecht voor 16- en 17-jarigen en dat zes op
de tien aangeeft voorstander te zijn van een verhoging van de
maximumduur van jeugddetentie;
verzoekt de regering met behoud van het pedagogisch karakter van het
jeugdstrafrecht de maximale strafduur van jeugddetentie bij zeer
ernstige gewelds- en zedenmisdrijven in lijn te brengen met omliggende
landen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bikkers.
Zij krijgt nr. 1125 (24587) (#3).
De heer Bikkers (VVD):
Ik zie dat ik geen tijd meer heb, dus de laatste motie laten we gaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bikkers. Voordat u wegloopt van het spreekgestoelte,
is er een interruptie van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij zijn er net twee moties ingediend die vragen om vaker het
volwassenenstrafrecht toe te passen op jeugdigen. Ik vind het best wel
fors om dat met moties te doen. Mijn vraag is dus wat de VVD nou
verwacht van de uitkomst van deze moties. Wat moet het kabinet straks
gaan doen?
De heer Bikkers (VVD):
Allereerst vragen wij om met het OM te bespreken wat de knelpunten zijn.
We zien best regelmatig dat het Openbaar Ministerie in een bepaald geval
de voorkeur heeft om niet het jeugdstrafrecht toe te passen.
Uiteindelijk zien we dat in 3% van de gevallen de rechterlijke macht
toch het volwassenenstrafrecht toepast. Ik ben heel benieuwd waar hem
dat nou in zit. Waar zitten die grote verschillen? Daarna zullen we zien
wat de vervolgstappen zijn. Ik wil het stap voor stap doen. We moeten
eerst kijken waar de grote discrepantie zit tussen de eis en de
strafmaat. Dan zal daarna volgen wat we daarmee doen. Dat is voor mij nu
nog een stap te ver. Ik begrijp ook dat mevrouw Westerveld zegt: moeten
we nou overal maar volwassenenstrafrecht toepassen? Nee, dat is voor mij
niet de vraag. Ik wil heel graag weten waar die discrepantie zit. Op
basis daarvan kunnen we verder kijken.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld? Nee? Dank u wel. Dan gaan we door met mevrouw Faber
namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat jongeren steeds vaker door criminelen worden geronseld,
vanwege de lage straffen;
constaterende dat Zweden kampt met vergelijkbare criminele problematiek
en maatregelen neemt om minderjarigen zwaarder te straffen;
verzoekt de regering vanaf 14 jaar altijd het volwassenenstrafrecht toe
te passen bij zeden- en geweldsdelicten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 1126 (24587) (#4).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit onderzoek van de Academische Werkplaats
Risicojeugd naar voren is gekomen dat 81% van de jongeren in jji's
verdacht is van of veroordeeld is voor gewelddadige delicten en dat 71%
van die delicten is gepleegd in groepsverband;
overwegende dat op dit moment artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht
een wettelijke basis biedt om openlijke geweldpleging met meerdere
personen strafbaar te stellen, maar dit vrijwel niet gebeurt;
verzoekt de regering het desbetreffende artikel aan te scherpen, zodat
openlijke geweldpleging in groepsverband vaker leidt tot een
veroordeling van de personen die deel uitmaken van de groep waarvan één
of meer leden geweld plegen tegen personen of goederen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 1127 (24587) (#5).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
(RSJ) om advies is gevraagd over buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor
jeugdigen;
constaterende dat de RSJ aanbeveelt om een buitenstrafrechtelijk aanbod
te ontwikkelen voor zwaardere feiten die nu niet in aanmerking komen
voor een buitenstrafrechtelijke afdoening;
overwegende dat buitenstrafrechtelijke afdoening botst met de rechten
van het slachtoffer, omdat het slachtoffer dan geen schadevergoeding
meer kan instellen of gebruik kan maken van het spreekrecht in de
rechtszaal;
verzoekt de regering om geen beleid in te voeren zodat zwaardere
jeugdstrafzaken buitenstrafrechtelijk afgedaan kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 1128 (24587) (#6).
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Dan gaan we door met de heer Hamstra namens
het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb geen moties, maar wel twee aanvullende
vragen. Allereerst over het gebruik van bodyscanners in de justitiële
jeugdinrichtingen als vervanging van visitatie bij jongeren. Wij vinden
dit een goed idee, omdat het minder ingrijpend is voor de jongeren zelf,
terwijl het doel, het tegengaan van contrabande, nog steeds wordt
behouden. De staatssecretaris heeft toegezegd te onderzoeken of dit
mogelijk is in de jji's en komt hier in de eerstvolgende voortgangsbrief
op terug. Daarbij heb ik de vraag aan de staatssecretaris of in die
brief ook meegenomen kan worden wat er op dit moment nog precies nodig
is om die bodyscanners in te zetten in de jji's ter vervanging van
visitatie en welke eventuele bezwaren daaraan nog vastzitten.
Voorzitter. Dan nog een vraag over het onderwijs in detentie. Onderwijs
is van cruciaal belang voor de re-integratie van jongeren in de
samenleving en het tegengaan van recidive. Tijdens het debat hebben we
het ook gehad over het rapport van de Onderwijsraad over onderwijs in
detentie. Daaruit blijkt dat onderwijs in detentie op verschillende
punten ernstig tekortschiet. Wanneer komt de staatssecretaris met
concrete opvolging van dat rapport? Moeten we echt wachten op de
herbezinning in 2027, of zou daar meer vaart achter kunnen worden gezet?
Dit is geen probleem van de afgelopen maanden, maar speelt al jaren.
Hopelijk onderschrijft de staatssecretaris, net als het CDA, het belang
van goed onderwijs in detentie.
Voorzitter. Dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Hamstra. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw
Westerveld namens de fractie van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jongeren vaak te maken hebben met complexer geworden
problematiek op meerdere domeinen, zoals onderwijs, wonen, zorg en
bestaanszekerheid;
constaterende dat de pilot Jeugdreclassering in Verbinding toont dat
intensieve, relationele begeleiding en samenwerking tussen
jeugdbescherming, gemeenten, onderwijs en zorg kan bijdragen aan het
voorkomen van recidive en het vergroten van perspectief voor
jongeren;
overwegende dat jongeren gebaat zijn bij stabiliteit en langdurige
begeleiding en professionals ruimte moeten krijgen;
verzoekt de regering om samen met gemeenten, gecertificeerde
instellingen en professionals een plan van aanpak te maken voor de
landelijke uitrol van Jeugdreclassering in Verbinding, en de Kamer voor
de begroting van 2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 1129 (24587) (#7).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
En een motie over het onderwijs in jji's.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Onderwijsraad begin 2025 in het rapport "Onderwijs
in justitiële jeugdinrichtingen" constateerde dat onderwijs in
justitiële jeugdinrichtingen ernstig tekortschiet en zij een aantal
concrete voorstellen doen, waaronder een gedeelde visie op de rol en
positie van het onderwijs in jji's;
constaterende dat de regering per brief op 3 juli 2025 heeft toegezegd
dat deze visie in het voorjaar van 2026 gedeeld zou worden met de Kamer,
maar dat dit niet is gebeurd;
overwegende dat de problemen met onderwijs in justitiële
jeugdinrichtingen zelfs zijn verergerd;
verzoekt de regering om prioriteit te geven aan de adviezen van de
Onderwijsraad en deze visie in het najaar van 2026 te delen;
verzoekt de regering ook om in de plannen specifiek in te gaan op
onderwijs aan jongeren met een (licht) verstandelijke beperking,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 1130 (24587) (#8).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Die laatste toevoeging over het onderwijs aan jongeren met
een licht verstandelijke beperking doe ik ook omdat we uit de cijfers
weten dat steeds meer jongeren die criminele activiteiten plegen, een
verstandelijke of een licht verstandelijke beperking hebben en daarom
soms extra vatbaar zijn voor druk, voor dingen die aan hen gevraagd
worden. Daarom dat extra verzoek aan de regering.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Westerveld. Tot slot geef ik graag het woord aan
mevrouw Synhaeve, namens de fractie van D66.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Als jongeren de fout ingaan, dan heeft dat
consequenties. Straffen hoort erbij, omdat grenzen bewaakt moeten
worden. Jongeren moeten voelen dat hun gedrag consequenties heeft.
Tegelijkertijd moet een straf jongeren ook helpen en ervoor zorgen dat
ze niet opnieuw een fout maken. Juist daarom moeten jeugdstraffen goed
en op tijd worden uitgevoerd. Als die uitvoering vervolgens vastloopt
door capaciteitsproblemen of doordat we het inefficiënt hebben
georganiseerd, schiet niet alleen de straf tekort, maar zorgt dit er ook
voor dat de kans op herhaling juist groter wordt. Dat moeten we niet
willen. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat problemen met capaciteit, uitstroom en doorstroom de
uitvoering van passende jeugdstraffen in de justitiële jeugdinstellingen
schaden;
overwegende dat kortdurende straffen van een tot twee weken relatief
veel tijd en capaciteit vragen van deze instellingen;
constaterende dat uit onderzoek is gebleken dat de capaciteit in
Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd niet optimaal benut wordt,
terwijl deze juist bedoeld is voor kortdurende straffen;
verzoekt de regering om de capaciteit van Kleinschalige Voorzieningen
Justitiële Jeugd beter te benutten en zo de beschikbare capaciteit van
de gehele justitiële jeugdketen efficiënter in te zetten, en de Kamer
daar nader over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Hamstra en
Ceder.
Zij krijgt nr. 1131 (24587) (#9).
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van het tweeminutendebat Justitiële jeugd. Ik schors graag voor tien minuten, voor de appreciatie en de beantwoording van de staatssecretaris.
De vergadering wordt van 15.05 uur tot 15.15 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat
Justitiële jeugd en ik geef graag het woord aan de staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid, mevrouw Van Bruggen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik begin graag met de twee vragen die
gesteld zijn door de heer Hamstra, om vervolgens over te gaan tot de
appreciatie van de moties. De vragen zagen op de bodyscanners en op het
onderwijs in de jji's. Ten aanzien van de bodyscanners kan ik u
toezeggen dat ik in de volgende voortgangsbrief, die voor de zomer naar
de Kamer wordt gestuurd, zal ingaan op de inzet van bodyscanners. Ik
moet daarbij onder andere de afweging maken tussen wat humaner is
enerzijds — dat is eigenlijk ook wat de heer Hamstra beoogt, zo las ik
ook een beetje in zijn vraag — en de gezondheid van de jeugdigen in
verband met de straling van zo'n bodyscanner anderzijds. Dat is de
afweging die gemaakt wordt. Ik zal dat meenemen in de brief die voor de
zomer naar de Kamer gaat. Daarnaast zijn ook passende wet- en
regelgeving, want dat moet natuurlijk wel kloppen, en randvoorwaarden
zoals de financiën nog wel vraagstukken. Dat komt voor de zomer.
Dan de vraag over het onderwijs in de jji's. Waar mogelijk worden nu al
verbeteringen ingezet. Daar hebben we het in het debat ook met elkaar
over gehad, bijvoorbeeld over het inzetten van extra capaciteit om de
samenwerking juist ook van de jji's en de mbo's met elkaar te
versterken. Het is nodig om tot een toekomstbestendige oplossing te
komen en de visie op het onderwijs in de jji's maakt daar onderdeel van
uit. Dan loop ik vooruit op die herbezinning die we natuurlijk begin
2027 hebben gepland. Dat vind ik niet verstandig. Het onderwijs in de
jji's valt onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van
OCW. Wat ik wel heel graag wil doen, is deze vraag met haar bespreken:
hoe kunnen we zorgen dat we in die tussentijd met de juiste interventies
bezig zijn, zodat we niet in een wachtstand komen met elkaar, maar echt
dat onderwijs in de jji's prioriteit geven?
De heer Hamstra (CDA):
Dank voor de beantwoording. Daar ben ik heel blij mee. Zou de
staatssecretaris haar collega willen vragen of zij een reactie kan geven
op het rapport van de Onderwijsraad en op welke manier zij daarop terug
zou kunnen komen? Ik zou ook graag willen weten wanneer dat dan zou
kunnen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Die vraag neem ik zeker mee. Ik zal geen toezeggingen doen over wanneer
zij daar precies op terug kan komen, maar ik zal juist de bredere
reflectie van de Onderwijsraad op het onderwijs binnen de jji's met haar
bespreken.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank. Dan ga ik verder naar de appreciatie van de moties. De motie op
stuk nr. 1123 van de heer Bikkers over het messenverbod. Dat valt onder
de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en Veiligheid. Ik
heb dat met hem afgestemd en kan de motie oordeel Kamer geven. Ik geef
de Kamer namens mijn collega wel in overweging dat het dragen van messen
onder omstandigheden natuurlijk al verboden is op grond van de Wet
wapens en munitie. Een landelijk draagverbod kan negatieve consequenties
hebben, juist voor de bestuursrechtelijke mogelijkheden die er al zijn
binnen de APV. Maar het is aan de Kamer om ons in dezen een opdracht mee
te geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1123 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1124 krijgt ook oordeel Kamer. Dat is het
volwassenenstrafrecht voor 16- en 17-jarigen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1124 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1125 over de strafmaxima jeugdstrafrecht is net
even iets ingewikkelder. Ik moet die motie het oordeel "ontijdig" geven.
Zoals tijdens het commissiedebat toegezegd, kom ik voor de zomer met een
brief waarin ik een standpunt inneem juist over die verhoging van de
strafmaat. In die brief zal ik ook ingaan op de impactanalyse, op de
kinderrechten, op de overwegingen uit de eerdere WODC-onderzoeken ten
aanzien van de strafmaat. In deze onderzoeken is gekeken naar de ons
omringende landen en de behoefte van de magistraten op dit punt. Er
staan in de motie wat aannames waar we nog over zouden kunnen
discussiëren. Maar laat ik in ieder geval zeggen dat de motie ontijdig
is. Dat zou ik op die manier graag terug willen geven. Voor de zomer
komen we met een reflectie juist op dit onderdeel.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Bikkers. U houdt de motie aan?
Op verzoek van de heer Bikkers stel ik voor zijn motie (24587, nr.
1125) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Dan de motie op stuk nr. 1126.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1126 is het volwassenenstrafrecht vanaf 14 jaar,
van mevrouw Faber. Ik moet deze motie ontraden. Wat zij wil is in strijd
met het International Kinderrechtenverdrag en op de lange termijn niet
in het belang van de veiligheid van de samenleving, omdat een
pedagogische aanpak van jongeren juist nodig is.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1126 wordt ontraden.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1127 gaat over het strafbare groepsgedrag. Ik
ontraad ook deze motie. Het is aan de rechter, aan het Openbaar
Ministerie om te beslissen of ze al dan niet overgaan tot vervolging en
bestraffing van de openlijke geweldpleging van minderjarigen. Het
wetsartikel hoeft daarvoor niet te worden aangepast.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil nog even terugkomen op de motie op stuk nr. 1126. U was zo snel,
zeg ik u via de voorzitter. U zegt dat u die gaat ontraden omdat het in
strijd is met het Verdrag inzake de rechten van het kind, maar zijn dat
absolute rechten?
Staatssecretaris Van Bruggen:
We houden ons graag aan internationale verdragen en dit is het Verdrag
inzake de rechten van het kind. Voor mij is dat dus echt leidend als we
kijken naar wat er nodig is. De tweede bullet die ik probeerde wat
duidelijker te maken is dat een veilig pedagogisch karakter natuurlijk
ook nodig is. Het mooie aan Nederland en het strafrecht is dat we zowel
het jeugdstrafrecht als de PIJ-maatregel hebben. Die kan wel degelijk
drie tot zeven jaar duren. Daarmee kijken we juist op een andere manier
naar hoe we deze kinderen straffen. Ik neem het heel serieus, maar dit
gaat wel een stap te ver.
De voorzitter:
Omdat uw eerste vraag zo kort was, sta ik u een korte tweede interruptie
toe, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp de gedrevenheid van deze staatssecretaris, maar ik heb
eigenlijk niet echt een antwoord gekregen op mijn vraag of uit dit
verdrag een absoluut voorschrift komt. Volgens mij kan je namelijk een
uitzondering maken door middel van nationale wetgeving.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voor mij is het uitgangspunt het internationale verdrag. Daar ga ik geen
aanpassingen aan doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zat even goed naar de moties te kijken. Er zijn nu drie moties
ingediend die vragen om volwassenenstrafrecht toe te passen op
minderjarigen. De staatssecretaris heeft daar antwoord op gegeven. Ik
wil vragen of ook in de gesprekken en bij alles wat ze de komende tijd
gaat doen specifiek rekening wordt gehouden met het veranderende
karakter van daders. We hebben in het debat uitgebreid met elkaar
besproken dat jongeren met een verstandelijke of licht verstandelijke
beperking steeds vaker slachtoffer zijn, met alle redenen die daarvoor
worden gegeven. Die worden ook door deskundigen gegeven, die ons soms
ook waarschuwen en aangeven dat jongeren die in een jji of op een andere
plek terechtkomen er vaak nog slechter uit komen omdat ze bijvoorbeeld
niet goed worden voorbereid op de rest van hun leven. Zitten dit soort
elementen in de brieven die de staatssecretaris straks naar ons gaat
sturen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank. De alertheid van mevrouw Westerveld hierop is voor mij in ieder
geval heel erg helpend. Ik wil dus graag toezeggen dat ik dat meeneem.
We zien eigenlijk twee verschillende dingen. Met het grootste gedeelte
van de jeugdigen gaat het heel erg goed. Met een klein gedeelte gaat het
minder goed. Daar hebben we iets in te doen. Een licht verstandelijke
beperking kan daarvan de reden zijn. De vraag hoe we daar dan de juiste
hulp, ondersteuning en strafmaat voor kunnen inrichten, maakt hier wat
mij betreft juist onderdeel van uit.
De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
In het debat hebben we het ook specifiek gehad over communicatie. Als je
een verstandelijke beperking hebt, dan kan je in allerlei verschillende
manieren van communicatie gewoon niet goed meekrijgen wat er gebeurt.
Kan ze dat specifieke element meenemen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, dat zal ik zeker doen. Ik moet daarbij zeggen dat dat op grote
onderdelen natuurlijk al gebeurt. Binnen de jji's wordt echt wel gekeken
naar het precieze vermogen van deze jeugdigen. Dat zie je natuurlijk ook
in het gevangeniswezen en in de tbs. Als we echt mensen willen bereiken,
dan moeten we juist zorg hebben voor de verstandelijke beperking, die
vaak ongemerkt aanwezig is.
De voorzitter:
Dank u wel. U had de motie op stuk nr. 1127 ontraden en u was aangekomen
bij de motie op stuk nr. 1128.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Over de motie op stuk nr. 1128 zeg ik: ontijdig. Die motie verzoekt de
regering om geen beleid in te voeren zodat zwaardere jeugdstrafzaken
buitenstrafrechtelijk afgedaan kunnen worden. In het najaar stuur ik de
Kamer hier een brief over. Ik neem het rapport van de RSJ daarbij
serieus. Dat geldt ook voor de beleidsvorming, waarin we rekening houden
met de belangen van slachtoffers.
De voorzitter:
Ik kijk naar mevrouw Faber. Wilt u de motie aanhouden of toch in
stemming brengen? Dat laatste is het geval. Dan krijgt de motie op stuk
nr. 1128 de appreciatie "ontijdig".
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1129 gaat over de aanpak van Jeugdreclassering in
Verbinding. Ik ken de pilot. Ik geef de motie oordeel Kamer. Ik vind het
een goed plan, dus wat mij betreft moeten we daarmee verdergaan. Het is
ook een kostbaar plan, dus we moeten goed kijken hoe we dat met elkaar
kunnen financieren. Daarom is het heel erg belangrijk om gezamenlijk op
te trekken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1129: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1130 gaat over het rapport van de Onderwijsraad en
was ook van mevrouw Westerveld. De vraag van de heer Hamstra zag hier
natuurlijk ook op. Ik geef 'm oordeel Kamer. Het heeft mijn sterke
voorkeur om het onderwijs in de jji's integraal mee te nemen in de
herbezinning. OCW is primair verantwoordelijk, maar we zien dat we daar
echt samen in op moeten trekken. Een deadline in het najaar van 2026
komt te vroeg, maar als ik de motie zo mag lezen dat we kijken wat we
kunnen doen voor die tijd en daadwerkelijk met OCW een plan maken
richting de herbezinning, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1130: oordeel Kamer. Tot slot de motie op stuk nr.
1131.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 1131 gaat over het beter benutten van de KVJJ's, de
Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd. De kleinschalige
voorzieningen en de jji's hebben een andere doelgroep. Je wil niet dat
er leegstand is, maar het moet wel een passende omgeving zijn voor de
jeugdigen. Ik geef deze motie wél graag oordeel Kamer, omdat ik denk dat
het heel goed is om te kijken hoe we de capaciteit op de best mogelijke
manier kunnen inzetten. Wat mij betreft is dit dus aan de Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel, staatssecretaris. De motie op stuk nr. 1131 krijgt oordeel
Kamer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het tweeminutendebat
Justitiële jeugd. Ik wil alle deelnemers hartelijk danken voor hun
bijdrage.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors voor vijf minuten, tot 15.30 uur. Dan gaan we door met het
debat Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een
nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van
de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668. Ik schors tot 15.30
uur.
De vergadering wordt van 15.26 uur tot 15.30 uur geschorst.