Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (36843) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D25394, datum: 2026-05-27, bijgewerkt: 2026-05-28 09:37, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-27 15:30: Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (36843) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden
Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe
vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2668 (36843).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van het
wetsvoorstel Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met
een nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve
van de implementatie van de EU-richtlijn 2023/2668 (36843). Het is een
wetgevingsdebat, dus u heeft een onbeperkt aantal interrupties, maar wel
graag in blokjes van drie en onder de 30 seconden. Ik hoop dat u mij
daarbij helpt.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Er doen zeven leden mee aan dit debat. Ik begin bij de heer Kisteman
namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang. U heeft zes minuten
spreektijd.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter, dat is ruim ingeschat, vermoed ik. Ik moest een schatting
doorgeven, maar zo lang hoeft het wat mij betreft niet te worden.
Voorzitter. Sinds 1993 is het gebruik van asbest in Nederland verboden.
Toch ondervinden nog altijd heel veel mensen jaarlijks de gevolgen van
het werken met asbest. Nog steeds overlijden er dagelijks mensen omdat
ze ooit met asbest hebben gewerkt en in aanraking zijn geweest, soms wel
tientallen jaren later. Het is een trieste ziekte, met een kort ziekbed.
Mijn fractie is van mening dat het werken met asbest zo veilig mogelijk
moet zijn. De gevolgen kunnen namelijk enorm zijn.
Voorzitter. Dat betekent niet dat als we meer regels toevoegen, het
veiliger gaat worden. Het is daarom ook goed om te lezen dat dit
wetsvoorstel volgens het ministerie zuiver wordt overgenomen. Maar is
dat wel zo? Uit onderzoek van Panteia blijkt namelijk dat de
regeldrukkosten bij de implementatie jaarlijks kunnen oplopen van 21,5
miljoen tot zelfs 255 miljoen. Dit is afhankelijk van de uitwerking en
de implementatie. Dit wordt echter pas bekend als de lagere regelgeving
is uitgewerkt. Die is nu nog niet bekend. Ook het Adviescollege toetsing
regeldruk, het ATR, geeft aan dat er in hun optiek niet is gekozen voor
een lastenluwe implementatie. Zo is er niet beoordeeld op de
daadwerkelijke risico's, maar op alle mogelijke, potentiële risico's. Ik
wil graag van de minister weten waarom dit voorstel volgens zijn
ministerie zuiver wordt overgenomen, maar het regeldrukonderzoek en het
ATR iets totaal anders zeggen. Hoe kan het dat er in Nederland wederom
iets uit Brussel zwaarder wordt geïnterpreteerd dan nodig is? Ik
overweeg hier ook een motie op in de tweede termijn.
Voorzitter. Dan het overgangsrecht. Zoals het nu wordt geregeld, vallen
werkzaamheden die al zijn gestart niet onder de aanpassing in de wet.
Ondernemers werken vooruit. Zij maken offertes en contracten voor de
korte en lange termijn of ze werken met aanbestedingen. Hoe kijkt de
minister ernaar dat zij dit allemaal weer opnieuw kunnen doen? Hoe kijkt
hij ernaar dat bepaalde werkzaamheden in de bouw misschien vertraging op
gaan lopen of dat prijzen gaan stijgen? Voor mijn fractie is het
belangrijk dat wij een betrouwbare overheid zijn, dat ondernemers weten
waar ze aan toe zijn en dat wij hen niet ineens weer met iets nieuws
opzadelen.
Voorzitter. Nogmaals, mijn fractie wil dat werken met asbest zo veilig
mogelijk is, maar meer regels gaan het niet veiliger maken. Het is in
Nederland over het algemeen ontzettend goed geregeld. Ik wil dan ook aan
de minister vragen of hij kan toezeggen dat de voorhangprocedure voor de
lage regelgeving eerst naar de Kamer komt, zodat wij daar als Kamer nog
een mening over kunnen vormen.
Dat was het al, voorzitter.
De voorzitter:
Nou, nog niet helemaal, want het leidt tot een interruptie van mevrouw
Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de heer Kisteman "overbodige regels" zeggen. Ik wil dan heel
graag weten welke regels overbodig zouden zijn. Het gaat namelijk over
bescherming van mensen die werken met een kankerverwekkende stof. Ik zou
zeggen dat daarvoor geen regel overbodig is. Het is een heel smalle
interpretatie van de richtlijn. Welke regel is volgens de heer Kisteman
overbodig?
De heer Kisteman (VVD):
Dat vind ik een goede en terechte vraag. Nogmaals, we zijn het ermee
eens dat werken met asbest zo veilig mogelijk moet gaan. Het gaat over
mensen die ermee werken. Het gaat ook om consumenten die het thuis
tegenkomen bij een verbouwing en vragen: hoe gaan we dat verwijderen?
Het gaat erom dat het nu veel meer gerapporteerd moet gaan worden. Het
werken gaat dus niet anders worden, maar het rapporteren ervan wel. Waar
in het begin onder bepaalde voorwaarden iets verwijderd kon worden,
moeten er nu dus allemaal invullijstjes toegevoegd gaan worden. Daarvan
zeggen wij: dat maakt het niet veiliger om ermee te werken. Dat is
waarom wij zeggen: zorg dat het blijft zoals het was.
Rapportageverplichtingen gaan het werken met asbest of het verwijderen
ervan niet veiliger maken.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Maar die rapportageverplichtingen zijn er nu ook al, dus wat is er nu
meer aan regels toegevoegd dan er al waren?
De heer Kisteman (VVD):
Er kunnen straks — dat hangt natuurlijk ook af van de uitwerking in
lagere regelgeving — nog meer rapportageverplichtingen gaan komen. Dat
is waar wij ons zorgen over maken. Wij vinden dat het werken met asbest
zo veilig mogelijk moet worden, maar niet door het toevoegen van nog
meer rapportageverplichtingen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn krijgt het woord voor haar laatste interruptie.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor meneer Kisteman zeggen: er komen meer rapportageverplichtingen.
Volgens mij is de rapportageverplichting juist samengevoegd op een
manier die naar mijn idee niet effectief is, maar wel minder regels
oplevert. Ik kan dan alleen maar horen: het aantal regels verminderen is
belangrijker dan de bescherming tegen het werken met asbest. Juist die
regels over de meldingen maken het namelijk handhaafbaar. Ik hoor de
heer Kisteman dus eigenlijk alleen maar zeggen: minder regels is
belangrijker dan goede bescherming.
De voorzitter:
Helder.
De heer Kisteman (VVD):
Ik kan bijna de intro en de laatste zinnen van mijn spreektekst opnieuw
voorlezen. Wij vinden dat het werken met asbest zo veilig mogelijk moet
worden, maar het toevoegen van meer rapportageverplichtingen gaat het
niet veiliger maken. Dat is volgens mij hoe wij erin staan.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik graag mevrouw Van Ark, die spreekt namens het
CDA, uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen voor haar bijdrage.
U heeft acht minuten, maar misschien heeft u dat ook wel ruim ingeschat.
We gaan het zien.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook vandaag spreken we over een onderwerp
waarvan de gevolgen diep ingrijpen in het leven van veel mensen. Asbest
is namelijk geen gewone gevaarlijke stof; het is een uiterst
kankerverwekkend materiaal. Wie vandaag asbestvezels inademt, kan
tientallen jaren daarna ernstig ziek worden, bijvoorbeeld door
asbestkanker of longkanker. De cijfers zijn nog altijd confronterend. In
Nederland overlijden jaarlijks rond de 1.000 mensen aan de gevolgen van
blootstelling aan asbest. Alleen al asbestkanker kost ieder jaar
ongeveer 500 mensen het leven. Hoewel het gebruik van asbest sinds 1994
of sinds 1993, zoals meneer Kisteman zei, maar ik weet niet precies wat
het jaartal is ... Echter, tot op de dag van vandaag voelen mensen de
gevolgen van deze stof. Achter asbest gaat dan ook veel menselijk leed
schuil, dat veroorzaakt is door een materiaal dat ooit ten onrechte als
onschuldig werd beschouwd.
Voorzitter. Het CDA vindt dat iedereen recht heeft op veilige
arbeidsomstandigheden. Dat is precies waar dit wetsvoorstel over gaat.
Tegelijkertijd is het belangrijk om ondernemers rust en vertrouwen te
geven met voorspelbaar beleid. Daarom kijkt het CDA met twee ogen naar
dit wetsvoorstel. Eén oog ziet de noodzaak van strengere bescherming.
Asbest is gewoon levensgevaarlijk en werknemers mogen niet afhankelijk
zijn van papieren veiligheid. Het andere oog kijkt naar de
uitvoerbaarheid en proportionaliteit. Het moet in de praktijk werknemers
beschermen, malafide bedrijven weren en goedwillende ondernemers niet
onnodig klemzetten.
Dat er iets moet gebeuren, staat voor onze fractie vast. Volgens de
Nederlandse Arbeidsinspectie presteert binnen de huidige gecertificeerde
sector 19% goed, 63% matig en 18% gewoon slecht. De regering wil met
vergunningverlening bedrijven die slecht blijven presteren uiteindelijk
van de markt kunnen weren. Dat steunen wij. Nette ondernemers mogen niet
worden weggeconcurreerd door bedrijven die veiligheid als sluitpost
behandelen. Werknemers mogen niet de prijs betalen met hun gezondheid.
Juist bedrijven die regels stelselmatig overtreden, via doorstarts
verdergaan of sancties proberen te ontwijken, moeten worden aangepakt.
Daarvoor is een publiek vergunningsstelsel beter te verdedigen dan
alleen vertrouwen op certificering. Tegelijkertijd horen we ook de
zorgen van werkgevers. Zij vrezen dat veilige en kleinschalige
werkzaamheden straks te zwaar worden ingeschaald, waardoor extra
scholing en kosten nodig zijn, zonder dat duidelijk is hoeveel extra
veiligheid het oplevert. Aan de andere kant benadrukt de vakbeweging
terecht dat werknemersbescherming niet mag worden uitgehold. Voor ons
zit hier de balans: streng waar het moet en minder streng waar het
verantwoord kan.
Nederland is al te laat met implementeren. De minister schrijft dat de
Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart en dat, bij de
invoering op 1 januari 2027 met een overgangstermijn van een half jaar,
een boete van circa 9 miljoen euro kan volgen. Tegelijkertijd schrijft
de minister dat latere inwerkingtreding reëel is en dat de planning
onzeker is. Mijn eerste vraag aan de minister is daarom: wat is nu het
realistische invoeringspad?
Een tweede punt is het toezicht. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om
meldingen via de landelijke voorziening van de Omgevingswet te laten
lopen, maar de Arbeidsinspectie heeft zorgen over de gevolgen daarvan
voor het toezicht. Het huidige Landelijk Asbestvolgsysteem helpt
toezichthouders juist om zicht te houden op asbestwerkzaamheden. Als dat
systeem stopt en meldingen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet gaan
lopen, mag de inspectie niet minder zicht krijgen op de praktijk. Kan de
minister aangeven welke gegevens de Arbeidsinspectie minimaal nodig
heeft om risicogericht toezicht te blijven houden? Kan hij toezeggen dat
het huidige toezichtniveau niet verslechtert door de overgang naar het
Omgevingsloket? Kan de minister daarnaast ook aangeven welke functies
van het Landelijk Asbestvolgsysteem verdwijnen, welke terugkomen en of
de Arbeidsinspectie straks nog kan zien waar in de hele keten de
grootste risico's op malafide praktijken zitten?
Mijn derde punt is proportionaliteit. De doelgroep is breder dan de
klassieke asbestsaneerder. Het kan ook gaan om onderhoudsbedrijven,
installateurs, schilders of glaszetters die incidenteel met asbest in
aanraking komen. Juist daarom is de risicodifferentiatie belangrijk. De
minister kiest voor de drie vergunningscategorieën beperkt, basis en
uitgebreid. Wij krijgen signalen dat sommige kleinschalige of
incidentele werkzaamheden in de praktijk relatief zwaar kunnen
uitpakken, terwijl niet altijd helder is welke extra veiligheidswinst
daarmee wordt bereikt. Kan de minister per vergunningscategorie beter
onderbouwen op welke blootstellingsrisico's en op welke werkzaamheden
die categorie ziet, en waarom de bijbehorende eisen noodzakelijk en
proportioneel zijn? Is de minister van mening dat via erkende
werkmethoden en duidelijke protocollen ook goede afspraken kunnen worden
gemaakt? Daardoor kan niet alleen de regeldruk worden beperkt, maar
blijft ook de focus liggen waar die hoort, namelijk bij aantoonbaar
veilig werken en bij de werkzaamheden met de grootste risico's.
Voorzitter. Het doel van de wet is duidelijk: werknemers beter
beschermen en slecht nalevende bedrijven van de markt weren. Als we nu
een heel nieuw vergunningsstelsel optuigen, moet straks ook zichtbaar
zijn of dit in de praktijk ook daadwerkelijk leidt tot veilig werken met
asbest. Kan de minister toezeggen dat de invoeringstoets na een jaar ten
minste ook ingaat op naleefgedrag, aantal vergunningen, weigeringen,
effecten voor het mkb, beschikbaarheid van saneringscapaciteit,
toezichtinformatie en de werking van de verschillende
risicocategorieën?
Tot slot, voorzitter. Het CDA steunt de richting van het wetsvoorstel,
omdat iedere werknemer recht heeft op veilige arbeidsomstandigheden en
gezinnen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun vader, moeder of partner
gezond thuiskomt. Tegelijkertijd is het van belang dat ondernemers die
zich wél aan de regels houden, worden beschermd tegen concurrenten die
veiligheid en wetgeving structureel negeren, zodat er een eerlijk
speelveld ontstaat of blijft en gezondheid en naleving niet worden
ondergraven door oneerlijke concurrentie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Ark. Ik zie dat de heer Mulder namens de PVV al
aanstalten maakt. Dat is heel verstandig, want hij staat als volgende
spreker op de sprekerslijst. U heeft zeven minuten namens de PVV.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dank u, voorzitter. Ook ik kan het sneller.
De PVV steunt een harde aanpak van malafide asbestbedrijven. Werknemers
moeten namelijk veilig hun werk kunnen doen en bedrijven die bewust de
regels overtreden, moeten hard worden aangepakt. De cijfers liegen er
niet om. Volgens de Nederlandse Arbeidsinspectie presteert slechts 19%
van de bedrijven binnen de sector goed; slechts 19%! 63% presteert matig
en 18% ronduit slecht. Dat laat zien dat er serieuze problemen zijn in
deze sector. Uit de rapportages van de Arbeidsinspectie blijkt zelfs dat
sommige bedrijven ondanks boetes die ze krijgen en fouten die ze maken,
gewoon de fout in blijven gaan. Procedures duren namelijk lang en foute
bedrijven weten soms onder een andere naam opnieuw actief te worden. Dat
laat duidelijk zien dat het huidige certificeringsstelsel onvoldoende
werkt en dat verbetering noodzakelijk is. De PVV begrijpt daarom heel
goed dat er wordt gezocht naar een manier om de asbestsector beter te
laten functioneren.
Tegelijkertijd hebben wij ook zorgen — een aantal collega's zei het ook
al — over de snelheid waarmee dit wetsvoorstel onder druk van Brussel
moet worden ingevoerd. Nederland heeft een deadline gemist. Er loopt
inmiddels een Europese procedure, met in ieder geval de dreiging van
miljoenenboetes. Maar dat mag er niet toe leiden dat de Kamer straks een
half uitgewerkt systeem moet goedkeuren. Dat hebben we vaker gezien in
deze Kamer. We moeten zien te voorkomen dat we van de regen in de drup
raken. De minister erkent zelfs dat er nog onzekerheden zijn rondom de
uitvoerbaarheid, de ICT en de handhaving. Daarnaast krijgen bedrijven te
maken met nieuwe vergunningseisen, extra verplichtingen en mogelijk
langdurige procedures, terwijl de sector nu al kampt met
personeelstekorten en hoge regeldruk. De PVV wil dan ook voorkomen — dat
is vandaag ook al gezegd — dat goedwillende ondernemers straks vastlopen
in bureaucratie en hogere kosten. Daarom heb ik nog een aantal vragen.
Eén: hoe gaat de minister voorkomen dat de vergunningsprocedures onnodig
lang gaan duren? Twee: is de uitvoeringsorganisatie op tijd klaar voor
invoering per 1 januari 2027? Mijn laatste vraag is: hoe voorkomt de
minister dat malafide bedrijven straks opnieuw via allerlei constructies
een doorstart maken en actief kunnen blijven?
Voorzitter. Resumerend: de PVV steunt een harde aanpak van echte
overtreders, maar wil voorkomen dat wij als Nederland straks de rekening
betalen van een systeem dat onder tijdsdruk te snel wordt ingevoerd. We
zullen de beantwoording van de minister daarom ook beoordelen en op
basis daarvan onze definitieve positie bepalen. Gefeliciteerd, minister,
het is van u afhankelijk.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mulder. Dan zou ik graag mevrouw Patijn namens de
fractie van GroenLinks-PvdA willen uitnodigen om naar het
spreekgestoelte te komen. Gaat uw gang.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Mensen die werken met asbest verdienen gewoon goede
bescherming tegen deze kankerverwekkende stof. Alles dat die bescherming
beter maakt, zullen wij steunen. We weten dat het huidige stelsel niet
goed werkt. Velen hebben al de cijfers van de Arbeidsinspectie genoemd,
nog los van het feit dat er geen zicht is op de asbestverwijderaars die
geen certificaat hebben. Daarom is de stap naar een vergunningsstelsel
een goede stap, maar we hebben nog een aantal vragen en voorstellen tot
verbetering.
Voorzitter. Ik begin met een procedurele vraag aan de minister. Deze wet
implementeert een Europese richtlijn. De implementatietermijn van 21
december '25 is niet gehaald. In de beantwoording van eerdere vragen
liet de regering weten dat de Europese Commissie inmiddels een
inbreukprocedure is gestart en dat daar mogelijke sancties zoals een
boete of dwangsom aan verbonden kunnen zijn. Mijn vragen aan de minister
zijn: "Hoe staat het op dit moment met die procedure? Welke risico's
ziet de regering en hoe reëel zijn die? Lopen we nu daadwerkelijk op
schema voor een nieuw tijdspad van de regering met inwerkingtreding per
1 januari 2027?"
Voorzitter. De bescherming van werknemers die werken met asbest is niet
goed geregeld. De vraag is of deze wet beter gaat werken. Voorkomt deze
wet echt dat er onbeschermd asbest verwerkt en bewerkt wordt? Regelt de
wet echt dat mensen straks niet meer ziek worden en overlijden als
gevolg van het werken met asbest? Hoe gaat de minister dit meten?
Dan wil ik de minister vragen om het systeem nog eens goed uit te leggen
aan de hand van het volgende voorbeeld. Stel, er is een verbouwing en
een buurman meldt onbeschermd werken met asbest. Hij is bang dat er in
de zandbak in de speeltuin naast de werkzaamheden ook asbest terechtkomt
en dat zijn kinderen het risico lopen om daarmee te gaan spelen. Wie
rukt er dan uit? Zijn dat lokale handhavers, of is het de
Arbeidsinspectie of de vergunningsverstrekker? Wie controleert wat? Wat
kan er gedaan worden? Wat gebeurt er met de vergunning van het bedrijf?
Hoe hoog is de boete en wie legt die op? Wat als het om een bedrijf uit
Duitsland gaat? Waar moet dit bedrijf dan aan voldoen? Stel dat een
grote aannemer opdrachtgever is voor deze verwerking. Wat zijn dan de
consequenties voor de aannemer? Is er een ketenaansprakelijkheid? Wat
gebeurt er met de mensen die het werk doen? Stel dat zij al maanden op
deze manier asbest verwerken. Worden zij dan gewezen op de
gezondheidsrisico's en op de mogelijkheid om hun werkgever aan te
spreken en aansprakelijk te stellen? Of worden zij cynisch genegeerd en
moeten zij na 40 jaar vanzelf de gevolgen ervaren? Graag antwoord op
alle vragen.
Voorzitter. Dan kom ik bij het punt van de keuze voor een vergunning
voor onbepaalde tijd. Dat zijn vergunningen die dus niet automatisch
verlopen. Dit kabinet kiest daarmee voor een vinkje dat een bedrijf aan
het begin moet halen. Het alternatief is een vergunning voor bepaalde
tijd, zeg bijvoorbeeld drie tot vijf jaar. Waarom is daar niet voor
gekozen? Dan heb je namelijk veel meer grip op de markt. We zien het
risico dat bedrijven wellicht achterover gaan leunen als zij eenmaal een
vergunning hebben. Ook de VNG schrijft in haar advies dat het huidige
naleefgedrag van de markt aanleiding kan zijn om het uitgeven van een
vergunning voor onbepaalde tijd te heroverwegen. Zij ziet vooral
risico's rond de opleidingsvereisten. Uiteindelijk heeft het kabinet
hier niet voor gekozen. We lezen in de stukken vooral dat het kabinet
administratieve lasten wil beperken, maar ik mag toch hopen dat het de
minister in de eerste plaats gaat om het beschermen van mensen tegen
onveilig werken met deze kankerverwekkende stof. Ik heb hierover drie
vragen aan de minister.
Ten eerste. Deelt de minister het uitgangspunt dat iedereen beschermd
dient te worden? We moeten stappen blijven zetten naar nul doden. Dat is
toch nog steeds de doelstelling, ook van deze minister? Ten tweede. Ziet
hij hetzelfde risico als wij en de VNG? Graag een specifiek antwoord op
zowel het achteroverleunen nadat een vergunning is behaald als het
reflecteren als het gaat over de opleidingsvereisten van medewerkers en
de pakkans als je je niet houdt aan de vereisten van een vergunning. Ten
derde. Waarom is niet gekozen voor een systeem van vergunningen die
verlopen, waardoor bedrijven na een bepaalde tijd weer door de keuring
moeten? Dan weten we zeker dat zij de veiligheid van hun medewerkers
kunnen garanderen. Is de minister bereid deze keuzes te
heroverwegen?
Voorzitter. Dan kom ik op het punt van de reikwijdte van de
vergunningsplicht. Deze wet richt zich op vergunningen voor sloop- en
verwijderwerkzaamheden, maar niet op het bewerken van asbest, terwijl
ook bij het bewerken grote gezondheidsrisico's kunnen ontstaan. Vaak is
het bewerken van asbest verboden, maar dat is niet altijd het geval. Het
risico is daarbij juist groter. Ook de regering erkent dit. Er wordt een
haakje gemaakt, zodat de vergunningverlening later mogelijk kan worden
aangepast. Om precies te zijn kan er per AMvB bepaald worden in welke
gevallen het bewerken van asbest onder een vergunningsplicht valt. Dat
is natuurlijk heel goed. Een van de argumenten die de regering aanhaalt,
is dat er nog onduidelijkheid bestaat over de afbakening tussen bewerken
en verwijderen, mede omdat die begrippen in de Europese richtlijn niet
duidelijk zijn gedefinieerd. Maar waarom moet het zo ingewikkeld? Waarom
komt er voor deze groep pas veel later een vergunningsplicht? De
minister moet dan ook nog een heel precies onderscheid gaan maken,
terwijl we weten dat dat in de praktijk moeilijk zal zijn. Ook voor de
handhaving zal dit gevolgen hebben. Het is en kan veel simpeler. Dit
onderscheid is toch niet nodig als alles onder de vergunningsplicht
valt? Dan hebben we duidelijkheid vooraf, een gelijk speelveld voor alle
bedrijven en dus geen oneerlijke concurrentie. Mijn vragen zijn als
volgt. Is de minister het met ons eens dat het grijze gebied in de
handhaving voorkomen moet worden? Is hij bereid om te kiezen voor de
meest logische oplossing, namelijk het bewerken van asbest ook integraal
onderdeel van een vergunning te laten zijn? Wij dienen hier samen met de
SP een amendement over in.
Voorzitter. Uiteindelijk draait het om de vraag hoe we ervoor zorgen dat
het in de praktijk daadwerkelijk goed geregeld is. We hebben daar een
paar vragen over. Ten eerste is er geen waarborgsom. Waarom is er niet
gekozen voor een vorm van financiële zekerheid, zodat kosten kunnen
worden gedekt wanneer een bedrijf failliet gaat en zijn verplichtingen
niet nakomt? Laten we voorkomen dat bedrijven failliet gaan en de kosten
daarvan bij de samenleving komen te liggen.
Voorzitter. Op dit moment is er een register waarin bedrijven moeten
melden dat ze werken met asbest. Het gaat om een simpele melding van
waar en wanneer er met asbest wordt gewerkt. Mevrouw … Sorry, ik kom
even niet op de naam …
De voorzitter:
Mevrouw Van Ark van het CDA.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Van Ark. Dank. Ik wilde mevrouw Elles zeggen. Mevrouw Van Ark van het
CDA sprak daarover. Wij begrijpen dat deze meldplicht in deze vorm wordt
vervangen voor een systeem dat er nog niet is, terwijl het oude LAVS,
het Landelijk Asbestvolgsysteem, goed werkt en de Arbeidsinspectie
daarmee ook gericht kan handhaven. Mijn vragen zijn als volgt. Waarom is
er gekozen voor het vervangen van het LAVS? Is het mogelijk om het
huidige systeem in ieder geval voorlopig nog in de lucht te houden? De
waarde van de vergunningen staat of valt met goede handhaving. Het LAVS
lijkt daarbij cruciaal en functioneert goed. We overwegen een motie om
het LAVS te handhaven.
Tot slot heb ik nog een praktische vraag over onderaannemers. Hoe kan
een opdrachtgever of hoofdaannemer, als er wordt gewerkt met ketens van
aannemers en onderaannemers, er zicht op houden of zijn keten van
onderaannemers voldoet aan de vergunningsplicht? Als opdrachtgever wil
je zekerheid. Als samenleving wil je voorkomen dat malafide bedrijven
alsnog stiekem via onderaannemersconstructies werkzaamheden uitvoeren
zonder vergunning. Kan de minister aangeven of dit goed is
afgedekt?
Voorzitter, ik rond af. Wij vinden het van belang dat er meer publieke
grip op een sector komt waarin gewerkt wordt met kankerverwekkende
stoffen. Het oude private stelsel werkte onvoldoende. Het is daarom goed
dat er gekozen wordt voor een vergunningstelsel. Maar als we zeggen dat
veiligheid van werkenden centraal staat, dan moeten we ook bereid zijn
om kritisch te kijken naar de plekken waarop deze wet nog tekortschiet.
Werken met asbest vraagt niet om minimale implementatie, maar om
maximale bescherming. Wij twijfelen of dit systeem voldoende gaat werken
en op tijd klaar is. Daarom twijfelen we ook over hoe goed deze wet
uiteindelijk de werknemers beschermt die met asbest werken.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Kisteman heeft een interruptie. U kiest voor een andere
interruptiemicrofoon.
De heer Kisteman (VVD):
Ik vond de microfoon zo laag staan, voorzitter. Ik kan 'm ook omhoog
zetten, natuurlijk.
De voorzitter:
U kan 'm ook zelf omhoog zetten.
De heer Kisteman (VVD):
Dat weet ik. Als ik mevrouw Patijn goed begrijp, zegt zij — dat zei ze
ook al in een interruptie op mij — hoe meer regels, hoe beter dat is en
hoe veiliger het wordt voor werknemers. Ik deel de mening van mevrouw
Patijn dat het werken met asbest zo veilig mogelijk moet worden. Begrijp
ik mevrouw Patijn goed, ook gezien haar afsluiting net, dat er nog veel
meer moet gebeuren en er nog veel meer regels toegevoegd gaan worden
voor het werken met asbest als het aan haar ligt?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Elke regel die mensen beter beschermt, zou goed zijn, maar mijn doel is
niet om regels te stellen. Ik kan me niet vinden in deze karikatuur die
de heer Kisteman ervan maakt. Ik doelde net in mijn interruptie bij hem
heel duidelijk op het volgsysteem waar ik het net ook over had, zodat de
Arbeidsinspectie weet waar die werkzaamheden plaatsvinden en zij gericht
— daar hebben ze risicoanalyses voor gemaakt — kunnen handhaven op de
plekken waar gewerkt wordt met asbest.
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij hoorde ik mevrouw Patijn net wel zeggen dat zij twijfelt of
wat er gebeurt wel voldoende is en dat er misschien nog wel meer moet
gebeuren. Heeft mevrouw Patijn er ook weleens over nagedacht dat die
ondernemers straks gewoon zeggen: "Joh, als het zo moet, dan hoeft het
van ons niet meer, dan gaan we het asbest niet meer verwijderen en laten
we het gewoon zoals het is. Het wordt voor ons niet meer te doen; we
moeten te veel formuleren en er zijn te veel regels. We gaan het niet
meer verwijderen." Wat gaan we dan doen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik denk niet dat dat snel zal gebeuren. Ik denk dat er bedrijven zullen
zijn die zeggen: weet je wat, de werkzaamheden die ik erbij deed, zal ik
wellicht niet meer gaan doen. Dan krijg je misschien dat er wat minder
bedrijven zijn die meer gespecialiseerd raken in asbestverwijdering. Die
hebben een vergunningsplicht. Die zullen zich ook met gemak aan de
regels kunnen houden. Ik denk dat je daar mensen mee beschermt. Het gaat
mij niet om het opleggen van regels die niet zinvol zijn aan werkgevers.
Het gaat mij erom dat werknemers beschermd worden tegen gevaarlijk werk
met kankerverwekkende stoffen.
De voorzitter:
Meneer Kisteman voor de laatste interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
Dat laatste deel ik met mevrouw Patijn: we moeten proberen om die
werknemers zo veel mogelijk te beschermen. Deelt mevrouw Patijn met mij
de mening dat we goed moeten zoeken naar de balans, zodat het zowel voor
werkgevers als werknemers op orde is en niet volledig de pan uit
rijst?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Kijk, voor mij is het heel duidelijk: een zinloze regel hoeft van mij
niet. Dat lijkt me niet. Ik wil vooral — deze wet voorziet daar nog niet
in; er zijn heel veel dingen onduidelijk — dat werknemers goed en
voldoende beschermd worden en dat er niet iets nieuws komt, terwijl we
dingen weggooien die goed werken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zou ik graag mevrouw Moinat namens de Groep Markuszower
naar voren willen roepen. Zij komt ook al naar voren.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Ten eerste vergeten wij de mensen ook niet die
jarenlang met asbest hebben gewerkt en daar nu nog dagelijks de zware
gezondheidsgevolgen van dragen, of erger. Asbest is namelijk
levensgevaarlijk en werknemers die hiermee moeten werken, moeten we
maximaal beschermen. Dat staat voor onze fractie niet ter
discussie.
Tegelijkertijd zien wij opnieuw hoe Europese regelgeving leidt tot meer
vergunningen, meer bureaucratie en meer administratieve lasten voor
ondernemers en vakmensen die hun werk gewoon veilig willen doen. Groep
Markuszower vindt het dan ook goed dat malafide bedrijven harder kunnen
worden aangepakt, zeker in een sector waarin gesjoemel direct risico's
oplevert voor de gezondheid van werknemers en omwonenden. De
mogelijkheid om de Wet Bibob-toets toe te passen kan daar misschien bij
helpen, maar onze fractie vraagt zich wel af waarom de bestaande
Nederlandse certificeringsstelsels niet verder versterkt konden worden
in plaats van dat we opnieuw een extra vergunningssysteem optuigen.
Nederland kende immers al een van de strengste asbestregimes van
Europa.
Wij willen van de minister weten hoe wordt voorkomen dat bonafide
mkb-bedrijven straks vastlopen in een woud van regels,
vergunningstrajecten en extra kosten. Hoe snel kunnen vergunningen
worden verleend? Hoe voorkomt de minister capaciteitsproblemen en
vertraging in de bouw- en sloopsector? Ook willen wij weten hoeveel
extra handhaving en toezicht daadwerkelijk beschikbaar komen. Nieuwe
regels op papier hebben immers weinig zin als er in de praktijk
onvoldoende wordt gecontroleerd. Welke onderdelen van dit wetsvoorstel
zijn nu echt noodzakelijk voor de veiligheid van werknemers en welke
onderdelen zijn vooral het gevolg van de Brusselse
harmonisatiedrift?
Tot zover.
De voorzitter:
Nou, dat ging rap, mevrouw Moinat! U had ook maar drie minuten
aangevraagd, maar daar bent u zelfs nog keurig binnen gebleven. Dan gaan
we naar de heer Neijenhuis van de fractie van D66. U heeft vijf
minuten.
De heer Neijenhuis (D66):
Dank, voorzitter. De heer Kisteman begon zijn verhaal in 1993; dat is
overigens een goed bouwjaar. Ik begin bij de steentijd.
De voorzitter:
Daar zit wel wat tijd tussen.
De heer Neijenhuis (D66):
Ja, daar zit inderdaad een beetje tijd tussen. Sinds de steentijd maakt
de mensheid gebruik van asbest. Vooral in de vorige eeuw is op allerlei
plekken in gebouwen asbest gebruikt, van imitatiemarmer en vensterbanken
tot lijm en cement. Sinds een jaar of vijftig weten we, dankzij tal van
wetenschappelijke onderzoeken, dat blootstelling aan asbest zeer
gevaarlijk is, maar ondanks die breedverspreide kennis sterven nog ieder
jaar veel mensen in Nederland — het werd net ook al aangehaald:
gemiddeld gebeurt dat dagelijks — als gevolg van blootstelling aan
asbest.
Door deze richtlijn komt er een vergunningsplicht voor bedrijven die met
asbest werken. Dat is wat D66 betreft een goede zaak. De naleving van de
huidige regelgeving is matig. Er is onvoldoende zicht op welke bedrijven
bepaalde asbestwerkzaamheden mogen uitvoeren en onze wetten bieden nog
te weinig handvatten om doortastend te kunnen handhaven. Logisch dus dat
het kabinet strengere regels implementeert en logisch dat we dat
Europees doen, want je wilt niet dat Nederlandse bedrijven
weggeconcurreerd worden door buitenlandse bedrijven die het minder nauw
nemen met de regels.
De voorganger van de minister gaf vorig jaar aan dat er haast geboden is
bij parlementaire behandeling. Sindsdien is er ook weer enige tijd
gepasseerd. Bovendien zijn we nog in afwachting van een uitvoeringstoets
van beoogd uitvoerder DSU. Zodoende was ik benieuwd of we nog op koers
liggen om per 1 januari 2027 het vergunningstelsel in te voeren. Heeft
de minister er een beeld van wanneer er weer risicogerichte handhaving
op basis van beschikbare data kan plaatsvinden?
Veel van de specifieke keuzes rond de invoering van het
vergunningsstelsel staan niet in het wetsvoorstel, maar worden met
lagere regelgeving geregeld. Vanuit het oogpunt van snelheid is dat
begrijpelijk, maar met grote macht komt grote verantwoordelijkheid. Kan
de minister toezeggen dat hij, zolang de tijdplanning dat toelaat, de
Kamer en betrokken organisaties goed betrekt bij verdere ingrijpende
keuzes?
Ten slotte is D66 blij met de inzet van de minister om het stelsel
werkbaarder te maken voor ondernemers. Zo komt er een lichtere toets bij
lage risico's en bij gebruik van erkende werkmethodes. Andere
wijzigingen zorgen ook voor lagere implementatiekosten voor het
bedrijfsleven. Tegelijkertijd de doelen bereiken en de regeldruk
beperken is niet altijd even gemakkelijk, maar het is gelukkig ook een
lerend en adaptief proces. Nieuwe inzichten of nieuwe werkmethodes
zouden kunnen leiden tot hogere of lagere risicoprofileringen. Is de
minister voornemens om periodiek te bezien of nieuwe werkmethodes of
wetenschappelijke inzichten aanleiding geven tot een hogere of lagere
categorisering en bijbehorende plichten?
In antwoord op onze vragen over het ambitieuze tijdpad voor de opleiding
van werknemers schrijft de regering dat werknemers die al een opleiding
en werkervaring hebben, geen hele nieuwe opleiding hoeven te volgen.
Betekent dit inderdaad dat bestaande ervaring zo goed mogelijk wordt
benut en dat, waar mogelijk, scholing modulair kan plaatsvinden?
De voorzitter:
Voor u continueert, heeft de heer Mulder een interruptie voor u.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik hoor mijn collega zeggen dat het belangrijk is dat deze wet in heel
Europa wordt ingevoerd, omdat hij een gelijk speelveld wil. Is hij dan
ook tegen de Nederlandse kop die boven op dit voorstel zit?
De heer Neijenhuis (D66):
Ik vind het juist goed dat die nationale koppen zo beperkt mogelijk zijn
gebleven. Dat is in ieder geval hoe ik deze wet analyseer. Maar
arbeidsomstandighedenwetten zijn in heel Europa natuurlijk weer anders,
dus het is heel moeilijk om het echt perfect geharmoniseerd te doen.
Maar ik vind het goed dat het in ieder geval Europees wordt opgepakt,
omdat je niet wilt dat het in Duitsland veel lichter of veel zwaarder is
of dat het in Nederland veel lichter of zwaarder is. Het moet gewoon
gelijk zijn; een gelijk speelveld voor iedereen. Daarom zei ik dat. In
dit geval vind ik het ook logisch om zo min mogelijk nationale koppen
erop te zetten. Ik vind dat de regering daar op dit moment goed gevolg
aan heeft gegeven.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Maar hoe je het ook draait of keert, er zit een kop op, dus je hebt een
ongelijk speelveld. U zegt net dat u daartegen bent, maar er zit een
Bibob-toets op en er wordt gekeken naar allerlei vergunningen, die
eigenlijk niet nodig zijn in het voorstel. Dus waarom pleit u niet voor
een-op-een overal? Dan zou u die kop eigenlijk niet goed moeten
vinden.
De heer Neijenhuis (D66):
Die nationale koppen zijn vaak het gevolg van het feit dat we in Europa
op heel veel onderwerpen heel verschillende stelsels hebben. Zo'n Wet
Bibob heb je niet op dezelfde manier in andere landen. Ik vind het
eigenlijk niet zo gek dat wij dit hier doen. Het zijn natuurlijk heel
gevoelige werkzaamheden waarbij je dat doet. Zo'n Wet Bibob toetst
daarop. Zo iemand levert een plan aan of wil een vergunning aanvragen,
maar is die persoon wel echt zuiver op de graat? Als dat echt een enorme
boef blijkt te zijn, omdat hij hiervoor al een bedrijf heeft opgericht
en daarmee flink de fout in is gegaan, dan wil je dat wel weten
natuurlijk. Daarom vind ik het wel heel logisch dat je die Bibob-toets
doet, zodat je de boeven er wel echt uit filtert en zorgt dat die niet
aan de slag kunnen gaan met asbest.
De voorzitter:
De heer Neijenhuis voor een korte afsluitende interruptie.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik word nu voor van alles ... Maar dat maakt niet uit, je mag me ook Bo
noemen.
De voorzitter:
Sorry, meneer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik vind het wel grappig. Normaal gesproken pleit de PVV tegen extra
regels vanuit Europa en D66 juist andersom, maar in dit geval ...
De voorzitter:
Daarom haalde ik u beiden helemaal door elkaar.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Daarom raakte u van slag, voorzitter.
De voorzitter:
Ik raakte helemaal in de war.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik begrijp u, want er komt daadwerkelijk een publiekrechtelijk
vergunningsstelsel, een poortwachtersfunctie en een centrale
registratie, maar de PVV vindt dat op zich hartstikke goed, want het is
belangrijk om ervoor te zorgen dat er niet opnieuw mensen ziek worden.
Ik vind het dus niet erg dat we het wat zwaarder doen dan Europa in dit
geval nodig acht. We hadden trouwens ook al strengere wetgeving.
De voorzitter:
Dank u, meneer Mulder. Meneer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Een goed voorbeeld. Ik moet wel zeggen dat ik het goed vind dat
nationale koppen zo beperkt mogelijk zijn gehouden. Maar het is wel een
goed voorbeeld. Je kunt dus niet over alles zomaar zeggen: nationale
koppen zijn altijd fout. Ik ken een regeerakkoord waar wel in stond dat
we dat nooit zouden doen. Maar goed, laten we het daar niet over hebben.
Laat ik mijn zegeningen tellen in dit debat met de PVV.
Deze vragen over regeldruk stel ik vooral in de wetenschap dat de
regeldruk voor ondernemers al torenhoog is. Extra regels zijn goed te
begrijpen als het gaat het om zo'n belangrijk en precair onderwerp als
asbest verwijderen. Maar het is altijd moeilijk te vatten als ze bovenop
een bestaande grote berg komen. Het kabinet heeft natuurlijk de ambitie
om 500 regels te schrappen en dat is heel mooi, maar vroeger hadden we
ook een kwantitatieve doelstelling: met hoeveel zouden de
administratieve lasten ook netto moeten verminderen? Extra regels voor
werkgevers, prima, maar dan ook elders regels eraf. Dat werkt eigenlijk
best wel goed. Die doelen werden in ieder geval echt goed gehaald. Staat
het kabinet ervoor open om meer met zo'n netto doelstelling te gaan
werken?
Ik rond af. Het wetsvoorstel kan in de huidige vorm rekenen op de steun
van D66. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Neijenhuis. Tot slot de heer Ceulemans namens de
fractie van JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Yes, voorzitter. Dank u wel. Ook ik heb minder tijd nodig dan de zes
minuten die op de lijst staan. We gaan er dus snel doorheen. We spreken
vandaag over de implementatie van een EU-richtlijn met betrekking tot
nieuwe vergunningplicht bij bepaalde asbestwerkzaamheden. Uiteraard,
asbest is een schadelijke stof, waar verantwoord mee moet worden
omgegaan. Dus is het belangrijk dat werknemers die met asbest werken
adequaat beschermd worden tegen de risico's hiervan. Dat is de discussie
vandaag ook niet. De discussie draait om de vraag of de voorliggende wet
hiervoor de meest effectieve route met zo min mogelijk overbodige
belemmeringen is. Daarover hebben wij de nodige twijfels en
vragen.
De EU heeft in november 2023 een nieuwe richtlijn aangenomen, die de
bescherming van werknemers tegen asbest aanscherpt. Nederland moest deze
richtlijn uiterlijk 21 december 2025 implementeren. Dat is niet gehaald
en de Europese Commissie is om die reden al een inbreukprocedure
gestart. De streefdatum voor inwerkingtreding is nu 1 januari 2027.
Wanneer die datum niet gehaald wordt, dreigt een boete. In de nota naar
aanleiding van het verslag geeft de minister aan dat deze datum
ambitieus is, haalbaar is en mogelijk toch niet gehaald gaat worden.
Kortom, het klinkt een beetje wankel. Een concrete vraag aan de
minister. Wat is op dit moment zijn beste inschatting? Wat zijn de
concrete gevolgen van het niet halen van deze deadline? Welk geschat
prijskaartje hangt daaraan?
De wetswijziging die voortvloeit uit de implementatie van de richtlijn
behelst een aantal belangrijke wijzigingen met gevolgen voor bedrijven,
zeker ook met het oog op administratie en regeldruk. Nu regelt een
privaat certificeringsstelsel de toegang tot de markt voor
asbestverwijdering. In de nieuwe situatie komt daar een
publiekrechtelijke vergunning bovenop, die door de minister van SZW
wordt verleend. Zonder vergunning is het verboden om sloop- en
asbestverwijderingswerkzaamheden uit te voeren. Certificering blijft wel
bestaan, maar voortaan als bewijs van naleving van de
vergunningaanvraag. Het is dus een voorwaarde voor de vergunning en geen
zelfstandig instrument meer. Daarnaast worden alle sloop- en
asbestverwijderingsbedrijven vergunningsplichtig, waar nu alleen
bedrijven boven de grenswaarde verplicht gecertificeerd zijn.
De heer Kisteman zei het ook al. Wij kunnen niet goed plaatsen dat in de
memorie van toelichting wordt gesproken van een rechtstreekse
implementatie van de richtlijn met slechts enkele nationale
aanvullingen, zoals de Bibob-grondslag en een toekomstige
vergunningplicht voor het bewerken van asbest. Panteia en het ATR
waarschuwen namelijk wel degelijk voor kosten en lastendruk, waarbij de
vraag is of deze in verhouding staan tot de veiligheidswinst die met
deze wetswijziging wordt geboekt. Ik citeer even uit de reactie van
MKB-Nederland en VNO-NCW: "Panteia raamt de eenmalige kosten van de
implementatie op 25,7 tot 39,3 miljoen euro en de jaarlijkse kosten,
afhankelijk van de gekozen uitwerking van de eindbeoordeling, op 21,5
tot 66,3 miljoen euro of zelfs 160,1 tot 255,6 miljoen euro." Hierbij
wordt terecht opgemerkt dat de nationale uitwerking dus zeker geen
detail is. In dat licht vraag ik de minister ook een reactie op het
kritische advies van het ATR, dat aangeeft dat "de transponeringstabel
geen melding maakt van het feit dat Nederland bij de invulling van het
vergunningstelsel ruimte heeft om ook rekening te houden met de
nationale context" en dat het in dat kader ook wenselijk is dat "in de
transponeringstabel duidelijk staat welke ruimte Nederland heeft bij de
verdere invulling van het asbeststelsel". Kan de minister hierop nader
reageren?
Ik vraag hem hetzelfde te doen voor de adviezen van het ATR om minder
belastende alternatieven te beschrijven en toe te lichten waarom hier
niet voor gekozen is, waarbij het ATR in ieder geval wijst op de
volgende alternatieven: een benadering met "high trust, high penalty",
een benadering waarbij de intensiteit van het toezicht wordt afgestemd
op de doelgroep en tot slot een benadering waarbij bedrijven aantonen
dat zij veilig werken. Kan de minister hier ook nader op ingaan?
Tot slot kunnen de voorgestelde wijzigingen ook gevolgen hebben voor het
aanbod in de markt. Hoeveel vergunde bedrijven zijn er naar de
verwachting van de minister beschikbaar en wat is de gemiddelde
wachttijd die een opdrachtgever hierdoor oploopt?
Voorzitter, ik kan afronden. Ik zei het al: malafide bedrijven die
onverantwoord met asbest omgaan en hun personeel blootstellen aan
onaanvaardbare risico's, mogen daar niet mee wegkomen. Daarover zijn we
het allemaal eens, maar het ontslaat ons niet van de plicht om te
blijven wegen of de maatregelen die hiervoor worden voorgesteld, geen
onnodige schade doen aan goedwillende ondernemers.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceulemans. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van
de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De minister heeft
aangegeven ongeveer twintig minuten nodig te hebben om de vragen die
zijn gesteld te beantwoorden, dus ik schors de vergadering voor twintig
minuten. Dan vangen we opnieuw aan om iets na 16.30 uur. Misschien lukt
het zelfs wel om 16.30 uur. Ik schors de vergadering voor twintig
minuten.
De vergadering wordt van 16.12 uur tot 16.33 uur geschorst.
De voorzitter:
We hervatten de vergadering. Aan de orde is de wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij
bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van de
EU-richtlijn 2023/2668. Aan de orde is de eerste termijn van onze
minister van Werk en Participatie, de heer Aartsen.
Minister Aartsen:
Dank, mevrouw de voorzitter. Wat fijn dat we vandaag kunnen spreken over
dit wetsvoorstel. Het introduceert een vergunningsplicht voor bedrijven
die asbest verwijderen. Dat doen we op basis van een herziene Europese
richtlijn. Er is in Nederland al veel geregeld op het gebied van asbest,
een zeer gevaarlijke stof. Blootstelling kan leiden tot ernstige en
zelfs vaak dodelijke ziektes. Op dit moment overlijden in Nederland per
jaar bijna 1.200 mensen vanwege blootstelling aan asbest uit het
verleden. Goede bescherming in het hier en nu is dus enorm belangrijk.
Daarom hebben we al strenge asbestwet- en regelgeving. Al sinds 1993 is
het in Nederland verboden om asbest toe te passen en te gebruiken. Sinds
2017 hebben wij een grenswaarde van 2.000 vezels per kubieke meter voor
alle soorten asbest. Er is in dit huis al vaker gesproken over het
systeem van certificering zoals we dat in Nederland hebben voor
bedrijven die asbest saneren of weghalen.
De Europese richtlijn is eind 2023 aangenomen. Tijdens de
onderhandelingen in het Europese parlement, voor fijnproevers de
"triloog", is in de slotfase bepaald dat we in Europa een en dezelfde
wet- en regelgeving moeten hebben voor asbest. Dat is op zichzelf
verstandig, ook voor Nederlandse bedrijven, zodat je in België niet een
ander systeem hebt dan in Nederland, vooral als je, zoals ik, uit een
grensregio komt. In die onderhandelingen in het Europese parlement is op
het allerlaatste moment een vergunningenstelsel toegevoegd. Dat was
relatief onverwacht voor Nederland in die laatste onderhandelingen. Zo'n
vergunningenstelsel, hoe zeg ik dat netjes, laat zich niet helemaal goed
matchen met het bestaande certificeringsstelsel dat wij in Nederland
hebben. Nederland voldoet al sinds jaar en dag keurig aan de spelregels
ten aanzien van de grenswaarde, maar de richtlijn schrijft nu eenmaal
voor dat er is gekozen voor een vergunningenstelsel en niet voor een
certificeringstelsel. Dat betekent dat Nederland het systeem daarop moet
aanpassen.
Op dit moment lopen we helaas achter met de implementatietermijn. Ook
verdere aanpassingen gaan zorgen voor vertraging. Er is al een
fractieprocedure gestart. Dat gaat uiteindelijk knellen en we lopen
daarmee een risico op boetes. Ik zal daar straks meer over zeggen. Dat
is de reden waarom we op dit moment de focus willen leggen op een goede
en snelle implementatie van hetgeen we nu al hebben, met niet te veel
toeters en bellen. Laten we ons daarop richten. De heer Mulder
refereerde eraan dat er in het verleden al veel over asbest is gesproken
in dit huis. Ik heb in 2018 als nieuwbakken Kamerlid mijn maidenspeech
over asbest mogen houden. Daarom hebben we gezegd: laten we ons nu
richten op dit wetsvoorstel en dit goed invoeren. Dan kunnen bedrijven
die stap maken en dan gaan we daarna de volgende stap zetten.
Ik wil beginnen met een algemeen blokje, waarin ik wat meer ga zeggen
over de regeldruk en wat deze richtlijn en de nationale koppen doen et
cetera. Daarna zal ik iets dieper ingaan op de vergunningensystematiek.
Daarna ga ik iets zeggen over meldingen en toezicht en handhaving en dan
heb ik nog het fameuze blokje overig.
In het debat is al een paar keer, zoals in een interessant
interruptiedebatje tussen de heren Mulder en Neijenhuis, gesproken over
nationale koppen. Ik vat een aantal interrupties, ook van mevrouw Patijn
en de heer Kisteman, samen: worden er nationale koppen opgetuigd, is het
een zuivere uitvoering? Ik denk dat we daar een goede balans in hebben
gevonden. Deze richtlijn schrijft voor dat we een vergunningsplicht
moeten hebben voor sloop en asbestverwijderingen. Nederland heeft gezegd
dat het zich daar in eerste instantie op richt.
Ja, wij hebben gezegd dat het verstandig is om te kijken naar
bewegingen. Daarvoor hebben wij een grondslag gecreëerd in het
wetsvoorstel, maar die is nog niet van toepassing, omdat op dit moment
het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bekijkt hoe je wet- en
regelgeving maakt voor het bewerken en toepassen van asbest. Dat mag op
dit moment niet; dat is verboden. Toch nemen we dit wel op in de wet.
Dat is verstandig, want als er over drie of vier jaar vanuit IenW
regelgeving komt op grond waarvan daar wel mee gewerkt kan gaan worden,
is het verstandig dat we dit alvast in de wet hebben opgenomen. Maar
voor het kader van de zuivere richtlijn zeggen we: laten het nu houden
bij de vergunningsplicht voor sloop en verwijderingswerkzaamheden.
Daarnaast vraagt het wetsvoorstel om een bewijs van naleving. Dat is een
apart bewijsstuk dat dient te worden aangereikt. We moeten dat op een
nationale manier invullen, maar dat moet wel gebeuren op een zodanige
manier dat het ook substantie heeft. We hebben gezegd: laten we dat doen
volgens het stelsel dat we al kennen, namelijk het
certificeringsstelsel. Als we dat gebruiken als nalevingsdocument,
krijgen we, als het goed is, minder druk bij de bedrijven die dat al
netjes doen en die dat al bijhouden. Die kunnen dat document vervolgens
gebruiken om de vergunning aan te passen.
De richtlijn vraagt om openbaarmaking van de vergunninghouders. Dat doen
we. Er moet een meldingssysteem voorafgaand aan werkzaamheden worden
opgezet. Dat doet deze richtlijn. De richtlijn vraagt om een passende
opleiding voor werknemers. Die opleiding moet worden gedaan door erkende
instructeurs. Wij proberen de opleiding op zo'n manier te doen dat die
past binnen hoe wij het in Nederland op dit moment al hebben geregeld.
Wij hebben namelijk al veel geregeld. Dus wij proberen steeds te kijken
naar de richtlijn om te zien hoe we dat kunnen doen.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, een interruptie van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Een verduidelijkende vraag. Hoe vaak moet je de bewijsvoering voor de
naleving van de certificering aanleveren om het certificaat te behouden?
En hoe vaak moet dat straks in het vergunningenstelsel?
Minister Aartsen:
Die twee zijn gekoppeld aan elkaar. Op het moment dat je de vergunning
eenmalig aanvraagt, is die voor onbepaalde tijd — daar zal ik zo iets
over zeggen. Dat hebben we juist gedaan voor bedrijven, om daar de
regeldruk laag te houden. Maar het heeft wel te maken met het bewijs van
naleving. Dat hangt samen met die certificering. Raak je je
certificering kwijt, dan raak je ook automatisch je vergunning
kwijt.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Hoe vaak moet je dan dat bewijs van naleving aanleveren? Is dat ook
eenmalig, of is dat terugkerend? We kennen de Wtta; daar hebben we hier
een debat over gehad. Op grond van die wet moet je je periodiek opnieuw
laten controleren. Is dat bij het asbeststelsel maar eenmalig, of komt
dat terug?
Minister Aartsen:
Het is eenmalig, bij de aanvraag van de vergunning zelf, maar er zit
natuurlijk wel een periodieke controle op het certificeringsstelsel.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn …
Minister Aartsen:
En nogmaals, op het moment dat het bewijs van naleving weg komt te
vallen, heeft dat ook gevolgen voor je vergunning.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn voor de laatste interruptie.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer het te begrijpen. Ik stel echt een puur technische vraag.
Minister Aartsen:
Een goed begin van een debat.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dat betekent dus dat er voor die certificering wel een terugkerend
patroon is. Het is dus niet zo dat die certificering eenmalig afgegeven
wordt. Eigenlijk is de kern van mijn vraag: wordt zo'n bedrijf af en toe
nog onder de loep genomen om te kijken of het nog steeds voldoet? Of
krijgen die bedrijven een vergunning en kunnen ze achterover gaan
leunen?
Minister Aartsen:
Het is het eerste. We sluiten echt aan bij die certificaten. Die lopen
op dit moment al. De audits volgen ook. Die vinden regelmatig plaats.
Dat gebruiken we als systeem voor de vergunning. Het antwoord op uw
vraag is dus: ja.
De voorzitter:
We hebben met elkaar afgesproken dat we het in blokjes van drie doen.
Laten we ons daar een beetje aan houden. U heeft zo meteen ook nog een
tweede termijn. Meneer Mulder.
Minister Aartsen:
Ik was nog bezig met de inleiding, voorzitter. Zal ik anders het kopje
afmaken waarin ik aangeef wat we minder doen dan de richtlijnen en wat
wij meer doen? Ik denk dat we dan …
De heer Edgar Mulder (PVV):
Toch nog even …
De voorzitter:
Via de voorzitter, meneer Mulder, dank u wel. Maar nu heeft de minister
— dat is ook vrij uniek — een soort ordevoorstel gedaan.
Minister Aartsen:
Excuses.
De voorzitter:
Maar ik vind het prima. Laten we het zo doen dat u aan het einde van elk
blokje kunt interrumperen over de vragen die volgens u nog niet
beantwoord zijn. Dan zal ik ook mevrouw Patijn nog heel kort gelegenheid
geven voor het stellen van haar technische vraag.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik wilde even aansluiten op de interruptie van mijn collega van PN. Zij
vroeg of er vaker werd gekeken als er een vergunning is verstrekt
...
De voorzitter:
Meneer Mulder, ten eerste zit mevrouw Patijn hier namens de fractie van
GroenLinks-PvdA. We houden hier gewoon de namen aan zoals ze zijn
ingeschreven. Ik vraag iedereen zich daaraan te houden. Ten tweede heeft
de minister net gezegd: ik maak dit blokje even af. Misschien helpt dat
ook om een vraag te voorkomen. Ik stel dus voor, wat me goed lijkt voor
het overzicht, om de minister even de kans te geven om het blokje
inleiding af te maken. Dan kijken we of uw vraag nog steeds relevant
is.
Minister Aartsen:
Nou wordt de druk helemaal hoog, voorzitter. Nee, hoor. Dank. Ik
probeerde net te schetsen wat de huidige richtlijn doet. Er was net al
een vraag over nationale koppen versus "wat is nou noodzakelijk". Laat
ik een aantal dingen aangeven die wij in Nederland op basis van de
ruimte die er in de richtlijn is, minder doen, of "lastenluwer", zoals
we dat mooi zouden noemden. Bij die dingen hebben we toch gezegd: we
vinden het verstandig om dit toe te voegen, boven op de richtlijn.
Om deze richtlijn nog een beetje behapbaar te maken voor ondernemers
zijn de vergunningen voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat we de lasten
laag houden en de drempel voor de mark beperkt. We hebben ook gezegd: we
maken de vergunningen gratis; we gaan geen leges vragen voor de
vergunningen. Ik denk dat dat verstandig is om de toegankelijkheid te
behouden, helemaal vanwege het volgende punt. Het derde punt is dat we
differentiëren binnen de vergunningen. We kennen een categorie
"beperkt", een categorie "basis" en een categorie "uitgebreid".
"Beperkt" is uiteindelijk echt bedoeld voor een schildersbedrijf dat
ergens een kitrandje tegenkomt en zegt: we willen dit op een
fatsoenlijke manier kunnen weghalen en daar gaan we niet een apart
bedrijf voor inschakelen. Daar regel je het op deze manier in. Een
uitgebreidere variant heeft uiteraard met meer werk te maken. Waar het
lichter kan, doen we het dus lichter. Waar het uitgebreider moet vanwege
de veiligheid, doen we het uitgebreider.
Voorzitter. De eindbeoordeling is ook echt aan de lidstaten zelf. We
komen met een nieuwe basis om de eindbeoordeling goed te regelen. Dat
doen we op basis van het gebruik van een erkende werkmethode. Dat zorgt
voor lastenverlichting. Het aantal luchtmetingen na afloop zal hierdoor
waarschijnlijk ook afnemen.
Wij werken met het register Gezond en Veilig werken met Asbest. De
richtlijn zelf vereist een opleidingscertificaat. Nederland kiest voor
de registratie in een register, zodat toezichthouders makkelijker kunnen
controleren. Ook hier geldt dat we persoonscertificatie niet meer
verplichtstellen. De richtlijn eist opleiding en opleidingscertificaten.
We kiezen dus niet voor de voortzetting van de huidige wettelijke
persoonscertificatie als toegangseis, maar juist voor opleiding en
vervolgens registratie van personen. We kiezen dus nadrukkelijk voor een
lichter regime.
Waar zijn we dan wel strenger in? Dat zeg ik er ook gelijk bij: waar we
lichter zijn, zijn we ook strenger. Doen we dat om mensen te pesten?
Nee, daar zijn goede redenen voor. De heer Mulder noemde dit punt net
al. We hebben in deze afgeschermde markt ook gewoon te maken met
malafide bedrijven. Daar is al vaker over gesproken en daarom hebben we
gezegd: het is verstandig om de Wet Bibob hierop van toepassing te laten
zijn. Uiteindelijk is namelijk het slechtste dat er in zo'n sector
allerlei malafide partijen zijn die gebruikmaken van het feit dat wij
strenge regels op het gebied van asbestsanering hebben. We willen aan de
voorkant ook een vog op het niveau van de rechtspersoon toepassen, zodat
je zeker weet dat alle partijen die actief zijn in de markt goeie
bedrijven zijn. Op die manier proberen we te kijken hoe we dat op een
goeie manier kunnen doen.
Daarnaast zijn er nog een paar kleine zaken die we verstandig vinden om
te doen. Technisch gezien is dat inderdaad een verzwaring van wat de
richtlijn voorschrijft. Een van de voorbeelden daarvan is de
grenswaarde. In Nederland kennen we op dit moment al een grenswaarde van
2.000 vezels. De richtlijn zegt: tot 2029 is een grenswaarde van 10.000
vezels toegestaan. Als we de richtlijn echt zuiver zouden toepassen, dan
moeten we onze huidige grenswaarde dus met een factor 5 gaan verhogen.
Vanuit mijn positie heb ik gezegd dat ik denk dat dat onverstandig is om
te doen. Laten we de bestaande grenswaarde hanteren, en niet proberen de
grenswaarde op te hogen.
Voorzitter. Resumé. Een hele hoop van deze verplichtingen zijn er op dit
moment ook al. Die zijn niet nieuw. Die kennen we op dit moment al in
het stelsel. We hebben oprecht geprobeerd een balans te zoeken tussen
wat er nodig is, bijvoorbeeld om malafide partijen uit de markt te
houden, en we hebben gekeken waar we het een beetje lichter kunnen maken
zodat het voor bedrijven beter te doen is.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Ik neem aan dat u daarmee aan het einde bent
gekomen van uw eerste blokje, algemeen. Dan kijk ik naar meneer Mulder.
Nou, u heeft de verwachtingen waargemaakt, minister.
Minister Aartsen:
Ik zie dat ik heel veel in het kopje algemeen hebt gestopt,
voorzitter.
De voorzitter:
Oké. Dan komen hierna hele korte kopjes. Meneer Kisteman, heeft u nog
wel een vraag naar aanleiding van het kopje algemeen?
De heer Kisteman (VVD):
Dat ligt eraan.
De voorzitter:
Nou, probeert u het!
De heer Kisteman (VVD):
De minister geeft aan dat het in bepaalde situaties zwaarder is geweest
en dat het in bepaalde situaties lichter is gedaan. Dat klinkt logisch,
maar ik zoek naar het volgende. Het woord "neutraal" is volgens mij
overgenomen vanuit Brussel. Volgens mij zei ik "blanco" maar is het
"neutraal". Als we in de toekomst moeten kijken naar wetsvoorstellen die
worden overgenomen vanuit Brussel en er wordt gezegd dat die neutraal
worden overgenomen, wat betekent dat dan voor de Kamer? Daar ben ik voor
de toekomst benieuwd naar. Als ik het zo hoor van de minister, dan zijn
er her en der toch wel wat zwaardere en wat lichtere overwegingen
geweest.
Minister Aartsen:
Wij hebben gezegd: we nemen het zuiver over. Dat betekent dat we zo
dicht mogelijk bij de richtlijn zelf blijven en daar niet allerlei
toeters en bellen aan toevoegen. Nogmaals, dat is met uitzondering van
de Wet Bibob en de rechtspersoon vog, omdat ik dat verdedigbaar acht. We
hebben geprobeerd dat op een zuivere manier over te nemen. Dat betekent
vaak gewoon dat je dicht bij de richtlijn blijft. Het ingewikkelde
daarvan, zeg ik er even bij, is dat heel veel van die richtlijnen op
hoofdlijnen aangeven wat je moet doen, maar dat de nadere invulling
uiteindelijk ook gewoon een nationale afweging vraagt. De richtlijn
zegt: u dient een vergunningsstelsel te hebben en u dient in dat
vergunningsstelsel een bewijs van naleving aan te leveren, punt.
De voorzitter:
Meneer Kisteman.
Minister Aartsen:
Een bewijs van naleving ... Voorzitter, excuus.
De voorzitter:
U zette een punt.
Minister Aartsen:
Jajaja, ik snap de hint om korter te zijn.
De heer Kisteman (VVD):
Dan denk ik dat wij toch iets anders naar "zuiver" kijken dan de
minister. Toen we vorige week bespraken hoe we dit wetsvoorstel zouden
behandelen, leek "zuiver" te zijn: we nemen het een-op-een over. Nu is
het toch interpretatieafhankelijk. Volgens mij moeten wij daar dan toch
eens met z'n allen naar kijken: wanneer is het zuiver en wanneer is het
niet zuiver? Volgens mij is dit niet het zuiver overnemen van een
voorstel uit Brussel. Dan snap ik alle commotie die is ontstaan vanuit
de ondernemers ook wel.
Minister Aartsen:
Het is in die zin zuiver dat wij ons strikt houden aan de regels zoals
ze zijn. De richtlijn zegt: u dient een vergunningsstelsel te hebben
voor deze werkzaamheden en u dient dat te doen met bewijzen van
naleving. Maar ja, je moet vervolgens onderbouwen wat dan een bewijs van
naleving is. Dat moet je ook opschrijven in een wet. Daar zegt de
richtlijn niks over. Vandaar dat wij dat vervolgens zelf moeten
vormgeven. Ik vind dat je het ook moet laten aansluiten bij hoe we het
op dit moment hebben georganiseerd. Vandaar dat we hebben gezegd dat
differentiatie belangrijk is en dat de legeskosten op nul moeten. Zo
probeer je de zuiverheid van die richtlijn zo dicht mogelijk bij het
huidige Nederlandse stelsel te houden.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik weet niet welke kopjes de minister allemaal nog heeft, dus ik weet
niet of het antwoord op mijn vraag hierna nog komt.
De voorzitter:
Voor de helderheid: de minister heeft hierna nog de kopjes
vergunningssystematiek, meldingen, toezicht en handhaving, en tot slot
overig. We weten natuurlijk nooit wat er in het blokje overig zit.
Mevrouw Van Ark (CDA):
We weten het eigenlijk nog niet. Ik ga het gewoon proberen en anders
hoor ik het in het volgende blokje. Ik begrijp dat de minister zegt dat
het eigenlijk niet heel veel zwaarder is. Ik begrijp ook dat het voor de
meer kleinschalige of incidentele werkzaamheden in de praktijk wel
relatief zwaarder kan uitpakken dan tot nu toe het geval is. Kan de
minister dat toelichten? Is dat zo, of hangt dat af van hoe we dat later
uitwerken?
Minister Aartsen:
Dat hangt af van hoe we het later uitwerken. Je probeert, nogmaals, zo
veel mogelijk bij de bestaande systematiek te blijven. Maar op de
bestaande systematiek is ook al een hoop kritiek. Ik heb het dan over
hoe we het bestaande certificeringsschema hebben ingericht. Je probeert
hiermee het vergunningensysteem neer te zetten, de differentiatie goed
aan te brengen en de invulling aan te laten sluiten bij het huidige
stelsel. De volgende stap is bekijken hoe je het huidige stelsel kan
verbeteren. Ook daar is namelijk vaak kritiek op, terwijl het vervolgens
niet wordt verbeterd.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik begrijp dat er ook gewerkt kan worden met erkende werkmethodes. Kan
de minister aangeven of zo'n erkende werkmethode zou kunnen helpen? Ik
doel op afspraken die vastgelegd zijn tussen werkgevers en werknemers om
onder een lichte vergunningscategorie te vallen.
Minister Aartsen:
Die erkende werkmethodes zijn uiteindelijk bedoeld om met name de lagere
klassen daaronder te scharen. Daar hebben we inderdaad goede afspraken
over.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb meer een informatieve vraag. Dan weet ik op welk moment ik moet
opstaan. Mijn vragen hadden vooral betrekking op regeldruk en
lastendruk. In welk blokje komen die? Anders twijfel ik steeds over of
ik op moet staan.
Minister Aartsen:
Die zitten in dit blokje. Ik zal het even blokje afmaken.
De voorzitter:
U was nog niet klaar met het blokje algemeen?
Minister Aartsen:
Nee. Ik had het blokje algemeen misschien wat moeten opsplitsen.
De voorzitter:
O, nou, oké. Verwarring alom. Gaat u dan door met het blokje
algemeen.
Minister Aartsen:
Dat komt toch door die vijf minuten voorbereidingstijd die ik weg heb
gegeven aan u, voorzitter.
Voorzitter. De vraag van de heer Kisteman over zuiver overnemen heb ik
beantwoord.
Er zijn een aantal vragen gesteld over hoe het zit met de
voorhangprocedure en de consequenties van uitloop. We lopen op dit
moment uit de tijd. Op 21 december '25 had de richtlijn geïmplementeerd
moeten zijn in nationale wetgeving. Dat is niet gelukt. De Europese Unie
is inmiddels inderdaad een inbreukprocedure begonnen. Het is ons er dus
wel aan gelegen om het snel te doen. De consequentie daarvan is een
boete. Die kan oplopen tot 9 miljoen euro — dat is onze schatting — op
het moment dat wij een inwerkingtredingsdatum van begin '27 hebben met
een overgangsperiode van een halfjaar. Ik heb overigens goede hoop dat
het lager uitvalt, omdat wij qua grenswaarde fors lager zitten. Maar het
helpt enorm als wij al een stap hebben gezet. Denk bijvoorbeeld aan het
afronden van een parlementaire behandeling.
Het streven was om 1 januari 2027 als invoeringsdatum te hebben. De
eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de kans vrij klein is dat we dat
halen. De kans is groter dat het 1 april wordt. Dat heeft ermee te maken
dat de nadere regelgeving nog dient te worden uitgewerkt en nog door de
hele molen dient te gaan. De uitvoeringsaspecten moeten wel gereed zijn.
Denk bijvoorbeeld aan de ICT-systemen, waar ik zo nog wat over zal
zeggen, die gereed moeten zijn voordat we daadwerkelijk kunnen
implementeren.
Het hangt ook samen met de overgangsperiode. Daar zijn een aantal vragen
over gesteld. We hebben op dit moment een overgangsperiode van een
halfjaar voorgesteld. Het feit is dat we de wet nu al behandelen. Als je
naar 1 april '27 gaat en je dan nog een halfjaar hebt, zijn we inmiddels
een jaar verder. Je mag van bedrijven natuurlijk verwachten dat zij
weten dat wetten eraan gaan komen, helemaal als beide Kamers daarover
hebben gesproken. Maar wij vonden het, ook gelet op de krappe
implementatietijd, passend om een halfjaar als overgangstermijn te
gebruiken, lopende vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe regels.
Asbestverwijderingen die al gestart zijn voor de inwerkingtredingsdatum
van deze wijzigingen, worden op basis van de oude bepalingen
uitgevoerd.
Mevrouw Van Ark heeft nog vragen gesteld over de evaluatie. Een jaar na
de inwerkingtredingsdatum vindt uiteindelijk de invoeringstoets plaats.
Op basis van die invoeringstoets kunnen we een aantal knelpunten
wegnemen. We doen dat wel met een beperkte, afgebakende scope. We kijken
naar de effecten van het mkb, de beschikbaarheid van de
saneringscapaciteit en het aantal vergunningen. De overige punten die
worden aangehaald, passen echt meer bij de evaluatie van de wet- en
regelgeving. De verwachting is dat die evaluatie twee tot drie jaar na
de inwerkingtreding van de regelgeving zal starten.
Dat was mijn kopje regeldruk en alle bijbehorende zaken, voorzitter.
De voorzitter:
Ah, u bent nu zelfs al door kopje …
Minister Aartsen:
Ik heb wat dingen gebundeld.
De voorzitter:
… twee.
Minister Aartsen:
Nee, dit was mijn eerste kopje. U krijgt hierna nog vergunningen.
De voorzitter:
O, dit was algemeen.
Minister Aartsen:
Ja, en regeldruk en implementatie et cetera.
De voorzitter:
Dan wordt het volgende blokje de vergunningensystematiek.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik kan het tijdens het lezen van de stukken hebben gemist, maar is de
minister nu al inhoudelijk op de ATR-kritiek ingegaan? Dat was
natuurlijk bij uitstek een vraag over regeldruk. Die heb ik volgens mij
niet voorbij horen komen.
Minister Aartsen:
Nee. Die beantwoord ik even in het blokje overig, als u dat goedvindt.
Mag dat?
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, dat is goed. Ik had ook een vraag gesteld over de geraamde kosten
door Panteia. Komt die ook in dat blokje terug?
Minister Aartsen:
Nee, die kan ik nu beantwoorden. Dit had te maken met wat ik tegen de
heer Kisteman zei over de zuivere inwerkingstreding. Panteia noemde
inderdaad 255 miljoen euro als bovengrens, maar die hoge variant is niet
van toepassing. Werkgevers mogen bij erkende werkmethoden uiteindelijk
de visuele eindbeoordeling zelf doen. We gaan op dit moment dan ook uit
van de lage variant: 17 miljoen euro tot 58 miljoen euro jaarlijks, en
eenmalig nog 34 miljoen euro.
Dat komt door twee dingen. We hebben de uitwerking nu al zo
proportioneel mogelijk proberen te doen. Ik noemde het eerder al: er
zijn geen leges. De vergunningen gelden landelijk en zijn voor
onbepaalde tijd. Bedrijven hoeven die dus maar een maal aan te vragen.
We kijken naar die differentiatie. We zullen waarschijnlijk gaan zien
dat heel veel bedrijven voor die lage categorieën zullen gaan. Daarmee
zal het ook wat eenvoudiger worden. We proberen die digitale meldingen
ook te bundelen in het DSO, zodat de administratieve lasten uiteindelijk
omlaag zullen gaan. We hebben wel afgesproken dat we nog apart zullen
reageren op de tabel van het ATR. Die nemen we mee in de lagere
wetgeving. We gaan ook nog bekijken of we mogelijk nog langs het ATR
kunnen als het gaat om die lagere wetgeving, want daar zal uiteindelijk
ook nog heel veel worden geregeld.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, klopt. Het zit 'm waarschijnlijk in die lagere wetgeving, maar dat
maakt het ook ingewikkeld. Binnen die berekening van Panteia gaat de
minister qua kosten uit van de ondergrens. De minister zegt: we gaan
sowieso niet aan die bovengrens komen. Maar het ATR zegt tegelijkertijd
dat heel veel pas duidelijk gaat worden in die lagere regelgeving. Het
ATR zegt ook: op het moment dat niet duidelijk is hoe die invulling gaat
plaatsvinden, kunnen we ook vrij weinig zeggen over de vraag tot welke
daadwerkelijke kosten dit zal leiden. Hoe maakt de minister die
koppeling?
Minister Aartsen:
Die zal uiteindelijk in de uitwerking van de regelgeving moeten zitten.
Op dit moment kan ik alleen in de wet zelf proberen om de lasten zo laag
mogelijk te houden. Ik heb net aangegeven wat we daarin doen. Maar
uiteindelijk zal heel veel ook in die uitwerking moeten gebeuren.
Volgens mij zijn daarbij twee dingen belangrijk. Een. Mijn grondhouding
is om te proberen om die zo beperkt mogelijk te laten zijn. In het
interruptiedebatje met mevrouw Van Ark ging het bijvoorbeeld over het
toepassen van die erkende werkmethoden voor die lagere klasse. Twee. We
gaan nog reageren op de tabel van het ATR. Daarin nemen we dit ook mee.
Uiteindelijk moeten we ook nog lagere wet- en regelgeving maken. Ook
daar kunnen we het ATR natuurlijk bij betrekken.
De voorzitter:
Tot slot nog een interruptie van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, tot slot. Dit maakt het enigszins ingewikkeld, want de minister
verwijst naar de lagere regelgeving die er gaat komen en zegt: in de wet
zelf heb ik geprobeerd om die kosten tot een minimum te beperken. Maar
dat gaan we natuurlijk pas later zien. Deze wet en de lagere regelgeving
zijn natuurlijk niet los van elkaar te zien; het een vloeit voort uit
het ander. Ik vind het dus lastig om deze wet nu op zijn merites te
beoordelen en ervan uit te gaan dat het in die lagere regelgeving wel
mee gaat vallen qua kosten. Er wordt namelijk juist heel erg
gewaarschuwd voor de kosten in die lagere regelgeving. Daar hebben we op
dit moment ook nog onvoldoende zicht op.
Minister Aartsen:
Nogmaals, daarom probeerde ik richting de heer Kisteman aan te geven dat
we proberen om de administratieve lasten en de druk in die lagere
regelgeving zo laag mogelijk te houden. Ik noemde die erkende
werkmethoden al die we proberen te gebruiken bij die lagere klasse. Daar
begon ik mijn verhaal ook mee. Dat is echt de inzet van dit kabinet:
daar waar het met minder kan, moet het minder, en daar waar het steviger
moet, proberen we het ook steviger te doen.
De voorzitter:
Oké, gaat u verder. Ik neem aan dat we nu wel echt bij blokje twee,
vergunningssystematiek, aan zijn gekomen?
Minister Aartsen:
Ja, nu gaan we echt naar blokje twee.
Voorzitter. De vergunningsplicht moet uiteindelijk helpen om beter zicht
te krijgen op een aantal zaken. Als herhaalde overtreders geen asbest
mogen verwijderen, dan creëert dat uiteindelijk ook een eerlijker
speelveld voor bedrijven die zich wel inzetten om veilig te kunnen
werken en zorgvuldig met zaken om te gaan. Met dit vergunningstelsel
hopen we echt een goede markt te creëren voor bedrijven die daarin
kunnen acteren. Bedrijven die asbestregels goed naleven, krijgen van de
vergunningverlener een vergunning voor onbepaalde tijd. Bij belastende
toezichtinformatie, bijvoorbeeld dat er te veel sancties zijn opgelegd,
kan de vergunning worden geweigerd of krijgen ze een vergunning voor
bepaalde tijd. Met een vergunning voor onbepaalde tijd heeft een bedrijf
dat het goed doet uiteindelijk ook meer zekerheid.
Op deze manier belonen we dus het goede gedrag van bedrijven en verlagen
we uiteindelijk voor hen ook de regeldruk, maar ik zeg erbij — dat was
ook een vraag van mevrouw Patijn — dat dat natuurlijk geen garantie is
dat zij de vergunning voor altijd zullen houden. Ze moeten aan de
voorwaarden, zoals de opleidingseisen, blijven voldoen, want anders kan
uiteindelijk ook een vergunning voor onbepaalde tijd worden geschorst of
ingetrokken.
Als bedrijven de regels niet naleven, kan dit leiden tot het schorsen of
intrekken van een vergunning. Ik werk de weigerings- en
intrekkingsgronden op dit moment uit in een beleidsregel die ik later
zal publiceren. Het intrekken en schorsen van vergunning kan gebeuren
als het procescertificaat van een bedrijf wordt geschorst of ingetrokken
— daar zit dus die koppeling — als er niet voldoende opgeleide
werknemers zijn om het werk uit te voeren, als er te veel sancties door
een toezichthouder zijn uitgeschreven of bij belastende informatie uit
een eventueel Bibob-onderzoek. De vergunning wordt op dat moment
geschorst tot een besluit tot intrekking van de vergunning is genomen of
er is vastgesteld dat er geen grond tot intrekking aanwezig is.
Ik heb in het wetsvoorstel een grondslag opgenomen om de bewerkingen
onder het vergunningstelsel te laten vallen. Ik heb eerder al uitgelegd
dat we daarmee een nieuwe grondslag creëren voor het moment dat we daar
meer duidelijkheid over hebben of we in ieder geval de mogelijkheid
hebben om het in de toekomst te kunnen doen, maar dat we hier nog
wachten op nadere regelgeving van het ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat.
Er zijn een aantal vragen gesteld …
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik ga toch nog even proberen om het helder te krijgen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn …
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Sorry, voorzitter.
De voorzitter:
Zullen we het aan het einde van het blokje doen? Volgens mij hebben we
net afgesproken dat we de vragen aan het einde van het blokje doen. Wie
weet heeft de minister dan al wat helderheid geschapen. Gaat u verder,
minister.
Minister Aartsen:
Er zijn een aantal vragen gesteld over het beter onderbouwen van het
blootstellingsrisico, de werkzaamheden die in die categorieën zouden
vallen, ook kleinere incidentele werkzaamheden in de lagere
vergunningscategorieën, en hoe de categorisering past bij de nieuwe
werkmethodes en de wetenschappelijke inzichten. De richtlijn verplicht
een vergunning voor alle typen bedrijven die asbest verwijderen.
Nederland vervult die verplichting risicogericht, waarbij je dus een
lichter regime hebt voor bijvoorbeeld onderhoudsbedrijven en een
zwaarder regime voor professionele asbestverwijderaars. De
vergunningscategorie wordt bepaald door het potentiële risico op
blootstelling. Waarom kiezen we nou voor het potentiële risico? Dat is
omdat uiteindelijk de daadwerkelijke risico's wat ingewikkelder vast te
stellen zijn. Op het moment dat je werkzaamheden uitvoert en er blijkt
toch iets mis te zijn, dan heb je een issue. Daarom zeggen we: laten we
uitgaan van een potentieel risico dat zich voor kan doen. Dan blijf je
binnen diezelfde categorie en kun je op basis van de huidige vergunning
gewoon die werkzaamheden verrichten. Dat is een stuk eenvoudiger.
Categorieën zijn bedoeld, zeg ik tegen mevrouw Van Ark, om niet alles
onder een zwaarder regime te brengen, maar juist om proportionaliteit
toe te passen en het beperkt is voor toepassingen met een laag en
voorspelbaar blootstellingsrisico. Certificering is hiervoor simpelweg
te zwaar. We kiezen dan ook voor een lichtere borging, bijvoorbeeld voor
het toepassen van erkende werkmethoden. Basis is voor toepassingen waar
verwijdering en potentiële blootstellingsrisico's boven de grenswaarde
zijn, maar niet veel hoger. Daarbij iets meer borging nodig. Dan vragen
we een procescertificaat, dat een lichter certificaat is dan dat bij
uitgebreid. Uitgebreid is van toepassing bij de hoogste potentiële
blootstellingen.
De indeling van vergunningen op basis van feitelijke blootstellingen —
volgens mij refereerde de heer Ceulemans daar eerder aan — zoals sommige
partijen voorstellen, is simpelweg ingewikkeld om uit te voeren. De
vergunning wordt afgegeven op bedrijfsniveau. Er kan dus niet per
project een vergunning worden afgegeven of worden bepaald wat voor type
vergunning er op dat project nodig is. Daarom probeer je uiteindelijk
die categorisering per bedrijf te doen en mogelijk te maken wat zij in
potentie zouden kunnen uitvoeren. De vergunning moeten ook vooraf
duidelijkheid bieden aan bedrijven en ook aan klanten over de vereiste
deskundigheid en welke spelregels daarbij horen. Ook dat hoort volgens
mij bij hoe we dat goed doen richting ondernemers. Ook als het
saneringsproces anders verloopt, moet een bedrijf uiteindelijk in staat
zijn om die risico's goed in te schatten. Je wilt niet dat het
halverwege een project in één keer anders blijkt te zijn en je dan met
je vergunning vast komt te zitten. Dat is uiteindelijk voor niemand
goed.
De heer Neijenhuis stelde een vraag over de wetenschappelijke inzichten.
Als die aanleiding geven tot een andere categorisering of een andere
indeling kunnen we dat inderdaad gewoon aanpassen. Een werkmethode
verandert de categorisering uiteindelijk niet, omdat we uitgaan van
potentiële blootstellingsrisico's, maar, nogmaals, we kijken wel naar
die erkende werkmethode.
De voorzitter:
Dat was uw tweede blokje.
Minister Aartsen:
Ja. Ik ga nog heel even een dubbele check doen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn komt naar voren, want die had in ieder geval nog een
verduidelijkende vraag.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer die zo helder mogelijk te stellen, maar het is nogal een
wereld, voor mij in ieder geval. De minister zegt dat de vergunning in
sommige gevallen voor onbepaalde tijd wordt verstrekt, maar vindt er dan
nog een periodieke toetsing door de certificeerder plaats? Wordt er dus
tussentijds nog af en toe gekeken of het bedrijf nog aan de normen
voldoet die bij een vergunning horen?
Minister Aartsen:
Ja, maar dat gebeurt bij het procescertificaat. Je hebt een vergunning.
Om die vergunning te krijgen, heb je een bewijs van naleving nodig. Dat
bewijs van naleving is het procescertificaat. Dat procescertificaat
wordt, uiteraard periodiek, gecertificeerd bij audits en dan wordt
gekeken of dat nog op een goeie manier gebeurt. Op het moment dat een
certificerende instelling zegt dat een bedrijf het niet goed doet,
schorst die certificerende instelling uiteindelijk dat
procescertificaat. Dat heeft effect op de vergunning. Dat is dus
bijvoorbeeld ook een reden om een vergunning te schorsen of in te
trekken of om te zeggen dat een vergunning maar voor een bepaalde tijd
geldt en er in die tijd verbetering zichtbaar moet zijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dit is helder. Dit is precies wat ik wilde weten. Dat probeer ik nu de
hele tijd te achterhalen.
Minister Aartsen:
Ik probeer het zo goed mogelijk te doen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Wordt alles rond die certificering of dat procescertificaat — misschien
zeg ik dat verkeerd? - dan verder in de AMvB vastgelegd?
Minister Aartsen:
De procescertificaten laten we lopen via het bestaande
certificeringsschema. Er zijn nu al certificerende instellingen die het
schema uitvoeren en daarop toezien. Daar vindt dat plaats. Daar proberen
we ook weer aan te sluiten bij wat we nu al hebben. Er komt wel een
nieuw schema, omdat aan het huidige schema een aantal haken en ogen
zijn, maar in de systematiek van de wet sluiten we aan bij het bestaande
schema.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn, tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Die systematiek wordt vastgelegd in een AMvB?
Minister Aartsen:
Nee. Ik weet even niet waar het exacte schema is ondergebracht. Dat
wordt door de certificerende instelling, de Stichting Ascert,
uitgevoerd. Op de vraag of het via een AMvB gaat, moet ik dus even
terugkomen, maar we doen het zoals we het nu ook al doen. Hier verandert
niks.
De voorzitter:
Minister, ik stel voor dat u gewoon in de tweede termijn op deze vraag
terugkomt.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Mag ik een punt van orde maken? Nu, in dit geval, geldt het voor mij
niet, maar soms heb je over drie onderwerpen in een blokje een vraag.
Wij hebben nu afgesproken die aan het einde te doen. Moeten we dan …
De voorzitter:
Inderdaad, om het een beetje overzichtelijk te houden en omdat de
minister héél veel technische vragen beantwoordt, zijn we tot de
constatering gekomen dat als hij wat verder doorgaat met zijn verhaal
hij soms de vraag beantwoordt die bij iemand opkomt. Die doen we dus aan
het einde van het blokje. Maar mevrouw Patijn heeft helemaal gelijk dat
ik heb gezegd dat er per onderwerp drie vragen kunnen worden gesteld.
Als u meerdere vragen over verschillende onderwerpen heeft, stelt u die
dus in blokjes van drie. Ik wil nu de minister vragen om door te gaan
met het derde blokje: meldingen, toezicht en handhaving.
Minister Aartsen:
Ik had nog twee kleine vraagjes, maar die stop ik dan in mijn mapje
overig.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Minister Aartsen:
Anders gaan mevrouw Patijn en de heer Neijenhuis zo meteen ...
De voorzitter:
En de heer Ceulemans en de heer Mulder, allemaal.
Minister Aartsen:
... allemaal zeuren dat ik die vragen niet beantwoord heb. Dus dat moet
ik goed doen.
De voorzitter:
Overigens is het niet zeuren. Ze controleren u op een hele gedegen
wijze.
Minister Aartsen:
Excuus, voorzitter, u heeft helemaal gelijk. Daarom stop ik de vragen
nog even in het mapje, omdat ik oprecht probeer alle vragen zo goed en
uitgebreid mogelijk te beantwoorden.
Er zijn een aantal vragen gesteld over hoe de meldingssystematiek werkt.
De richtlijn introduceert een aantal extra eisen over hoe meldingen
moeten worden gemaakt voor de asbestwerkzaamheden. Namen van werknemers
die waarschijnlijk het werk zullen uitvoeren, hun diploma's en de datum
van hun laatste medische keuring dienen volgens de richtlijn in de
melding te worden opgenomen. Het is best wel ingewikkeld, vooral als het
om zo'n medische keuring gaat, om dat allemaal van tevoren te moeten
doen. Als je dat allemaal moet invullen en melden voorafgaand aan
werkzaamheden, dan zult u snappen dat dat voor een gemiddeld
bouwbedrijf, schildersbedrijf et cetera best wel ingewikkeld is.
Dus we hebben gekeken of dit niet op een veel eenvoudigere manier kan
worden geregeld. Dat hebben we dus proberen te doen in dit wetsvoorstel.
Dat hebben we proberen te doen door te zeggen: laten we de
registratienummers van de werknemers invoeren in plaats van iedere keer
alle losse gegevens van de werknemers. Dat helpt een ondernemer
uiteindelijk doordat hij niet alles opnieuw hoeft in te voeren, maar
telkens gewoon met één nummer kan invoeren welke werknemers dit ongeveer
gaan uitvoeren. Ook hebben we gezegd: laten we een algemene verklaring
dat werknemers een medische keuring aangeboden hebben gekregen, opnemen
in het meldingsregister. Daarmee zorgen we ervoor dat de administratieve
laten voor bedrijven zo laag mogelijk worden gehouden. Ook hebben we
gezegd dat we het aantal meldingen proberen te beperken, door ze met z'n
allen onder te brengen in het Omgevingsloket. Dat wordt uiteindelijk dé
plek waar alle meldingen, op een en dezelfde plaats, moeten worden
samengevoegd.
Er zijn uitzonderingen op deze meldingsplicht. Ook daar zijn vragen over
gesteld. De richtlijn verplicht geen meldingen als bijvoorbeeld
sporadische werkzaamheden met lage blootstelling plaatsvinden. Deze
categorie komt overeen met de huidige categorie beperkt. In de categorie
beperkt hoeft daarom straks geen melding te worden gedaan. Dit geldt ook
voor een aantal spoedeisende werkzaamheden, waarbij het doen van een
melding niet mogelijk of wenselijk is, zoals bij een brand. Er kan dan
ook geen onaangekondigd toezicht worden gehouden. Maar het is wel
belangrijk dat bedrijven die een vergunning hebben om asbest te
verwijderen dat op een goede manier kunnen doen.
Waarom is er nou gekozen voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet? Welke
functies komen daarin terug? Dat was een vraag van mevrouw Van Ark. De
meldingen van asbestprojecten boven de grenswaarde worden op dit moment
nog vastgelegd in het Landelijk Asbestvolgsysteem. Dat is een systeem
van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Vanwege de
benodigde wijzigingen voor meldingen in de regelgeving sluit het
Landelijk Asbestvolgsysteem op 1 januari 2027 niet meer aan op de
huidige wet- en regelgeving. Daarvoor zou dat hele systeem echt
ingrijpend moeten worden veranderd. Dat is helaas niet mogelijk.
Het huidige systeem kan technisch uiterlijk tot 2030 worden voortgezet.
Dat zou dus betekenen dat we grote investeringen in wijzigingen zouden
moeten doen voor een periode tot 2030. We hebben daarom gezegd dat het
Landelijk Asbestvolgsysteem zal worden gestopt en dat we gaan zorgen dat
alle wettelijke arbomeldplichten in het Digitaal Stelsel Omgevingswet
worden ondergebracht; de Kamer is erover geïnformeerd in februari. Dat
doen we op dit moment al via de sloopmeldingen. Ook daardoor ontstaat er
een systeem waarbij er uiteindelijk één meldloket zal komen voor
bedrijven.
Mevrouw Van Ark vroeg ook nog naar de lagere wet- en regelgeving. Op dit
moment lopen er dus ook nog uitvoeringstoetsen op de manier waarop dat
moet worden gedaan.
Hoe wordt er dan vervolgens toezicht op gehouden? Die vragen zijn ook in
veelvoud gesteld. Er zijn verschillende toezichthouders op asbest. De
Arbeidsinspectie en de omgevingsdiensten maken gebruik van dit Landelijk
Asbestvolgsysteem. De overstap heeft dan ook gevolg voor het
risicogericht toezicht. Uiteindelijk is dit nieuwe systeem een soort
postbus van die meldingen. Het verzamelt en ordent de data echter niet.
Dat gebeurt in het huidige systeem wel. Dat betekent dat er nog een gat
zit tussen hoe het op dit moment is geregeld en hoe het zo meteen in het
nieuwe stelsel zal worden gedaan.
Dat betekent, even gewoon plat gezegd, dat tussen het oude stelsel en
het nieuwe stelsel de informatie wel beschikbaar is. In principe houdt
de Arbeidsinspectie toezicht op al die meldingen. Alleen gaat de
Arbeidsinspectie, zoals u weet, niet random kijken naar die meldingen.
Uiteindelijk zit daar een risicogericht systeem achter, zodat je op een
slimme manier kunt handhaven. Daar hebben ze die data voor nodig. Er zal
dus ook zo snel als mogelijk een nieuwe ICT-applicatie moeten worden
opgezet, zoals op dat moment kan plaatsvinden.
Dus een lang verhaal kort: ja, er zal wel toezicht blijven, maar niet op
de risicogerichte manier zoals we gewend waren. Daar hebben we die
nieuwe applicatie voor nodig. We doen er alles aan om ervoor te zorgen
dat we die echt zo snel mogelijk op poten hebben gezet. De
toezichthouders zullen blijven beschikken over de essentiële informatie,
zoals de locatie, de start- en einddatum en ook de uitkomst van de
eindbeoordelingen, zodat ze voldoende informatie hebben om wel gewoon te
kúnnen handhaven.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van het derde blokje gekomen?
Minister Aartsen:
Ja.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel voor de uitleg over het Landelijk Asbestvolgsysteem. Het is
mij nog niet helemaal duidelijk of nou straks … Ik begrijp van de
minister dat er een nieuw systeem komt, althans een ICT-systeem, dat
aanvullend is op het Omgevingsloket. Wanneer gaat dat systeem dan in
werking? Wanneer kan de Arbeidsinspectie dat nieuwe ICT-systeem
gebruiken? Is dat ook iets wat de omgevingsdiensten straks gaan
gebruiken? Ik begrijp dat er nu toch een soort van gat ontstaat door het
nieuwe loket dat we gaan gebruiken.
Minister Aartsen:
Ik wil er wel duidelijk over zijn. Dat gat ontstaat alleen in de
risicogerichtheid daarvan. De essentiële informatie, die de inspectie
nodig heeft om te kunnen handhaven, is dus gewoon aanwezig. Maar zoals u
weet, doet de inspectie dat op een slimme manier. Daarvoor gebruikt ze
data en kijkt ze er op een intelligente manier naar. Dat moet worden
opgezet. Ik moet er echt in de tweede termijn op terugkomen wanneer dat
exact is. Ik weet niet exact hoe de ICT-planning van de Nederlandse
Arbeidsinspectie eruitziet. Dan gaan we even diep de materie in.
De voorzitter:
Mevrouw Van Ark, de minister komt erop terug in de tweede termijn. Heeft
u toch nog een aanvullende vraag? Dat is niet het geval. Ik zie mevrouw
Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Misschien kan de minister in de tweede termijn nog aangeven waarom het
niet mogelijk is dat het oude systeem nog even in de lucht blijft,
zolang die risicoanalyse van het nieuwe systeem nog niet te maken valt.
Het risicogerichte handhaven is cruciaal voor effectief handhaven en de
pakkans vergroten. Dat willen we volgens mij allemaal. We willen niet
dat er malafide bedrijven blijven rondlopen.
Minister Aartsen:
Het besluit is al eerder genomen, in februari. Dat heeft ook te maken
met de levensduur van de systemen. Je kan daar geen nieuwe meldingen in
opnemen. Je moet naar een nieuw systeem. Het is een systeem van het
ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het loopt gewoon even niet
lekker. Dit is inderdaad een afweging die we hebben moeten maken. Het is
gewoon niet mogelijk om het oude systeem in de lucht te houden en daar
het nieuwe stelsel op in te richten. Dat moet echt via het DSO lopen.
Alleen is de extra ICT-applicatie nodig om dat risicogericht te doen. Ik
noem dit maar even een "suboptimale situatie".
De Arbeidsinspectie kan handhaven en heeft ook de essentiële informatie
om te handhaven, maar kan dat niet op de perfecte manier, zoals we dat
graag zouden willen. Daar hebben ze die applicatie voor nodig. We hebben
daar ook gesprekken over gevoerd met de inspectie om dat zo snel
mogelijk op poten te zetten. Ik kom er zo echt op terug wanneer dat is.
Dat weet ik op dit moment niet. Zo proberen we het te doen. Daarmee heb
je dus uiteindelijk een situatie die misschien niet perfect is, maar ook
niet dusdanig dat je zegt: we moeten het oude systeem in de benen
houden. Technisch gezien zitten er namelijk gewoon een aantal haken en
ogen aan.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik een andere vraag. Dat mag, hè?
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik had gevraagd om uitleg over hoe het nou gaat met de handhaving naast
de zandbak waar asbestverwerking is. Misschien kan de minister daar nog
op ingaan
Minister Aartsen:
In de casus die mevrouw Patijn omschrijft, houden de omgevingsdienst en
de Arbeidsinspectie hierop toezicht. De omgevingsdienst zal handhaven op
zaken rondom de milieuwetgeving. Is er sprake van milieuverontreiniging?
Komt het op plekken waar het niet mag komen? De Arbeidsinspectie
handhaaft de arbowetgeving. Zijn de medewerkers die daar werken
voldoende beschermd tegen deze situatie? Werkzaamheden kunnen
uiteindelijk stilgelegd worden. Er kan eventueel ook een boete worden
gegeven, afhankelijk van welke overtreding er wordt begaan. Handhaving
leidt uiteindelijk tot punten die ook gevolgen zullen hebben voor de
vergunning. Zoals al eerder gezegd: het heeft gewoon effect op je
vergunning als er te veel overtredingen zijn.
De regels zijn hetzelfde voor buitenlandse bedrijven die in Nederland
werken. Zij moeten een Nederlandse vergunning hebben en voldoen aan de
Nederlandse wet- en regelgeving. Op het gebied van arbowetgeving is er
geen ketenaansprakelijkheid. Uiteindelijk is de saneerder hiervoor
aansprakelijk. De milieuwetgeving richt zich daarentegen op de
opdrachtgever en de opdrachtnemer. De Arbeidsinspectie verwijst
werknemers naar bijvoorbeeld hun arbodienst of bedrijfsarts op het
moment dat er sprake is van lichamelijke klachten.
De voorzitter:
Excuus, mevrouw Patijn, ik zag u niet meer staan bij de
interruptiemicrofoon. U wilde nog een tweede vraag stellen over dit
onderwerp.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Misschien heb ik het gemist in de memorie van toelichting, maar ik heb
niet kunnen lezen dat al duidelijk was dat de bedrijven die hier vanuit
het buitenland werken dezelfde, Nederlandse vergunning moeten hebben.
Moeten ze nou een Nederlandse vergunning hebben of moeten ze een
vergelijkbare vergunning hebben, die ze in Duitsland halen?
Minister Aartsen:
De regels zijn hetzelfde voor buitenlandse bedrijven. Zij moeten een
Nederlandse vergunning hebben en voldoen aan de Nederlandse wetgeving.
Het gaat dus om een Nederlandse vergunning. Ik kan dit voor de zekerheid
nog even checken, als u het goed vindt. Dit is zoals het nu het geval
is, maar ik doe even een dubbele check of er inderdaad sprake is van
uitwisseling van vergunningen. Ik zou niet willen dat ik verkeerde
dingen zeg.
De voorzitter:
De minister checkt het nog. Hij komt hier eventueel, als het anders is,
in de tweede termijn op terug.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Op basis van het interruptiedebatje met mevrouw Patijn van net vraag ik
mij af waarom die systemen niet naast elkaar kunnen bestaan. Dat begrijp
ik toch niet helemaal. Ik begrijp dat er nu tijdelijk een soort gat
ontstaat en dat we dat gaan oplossen met een ICT-systeem, maar het is me
nog niet duidelijk waarom het niet tijdelijk naast elkaar zou kunnen
bestaan. Volgens mij gaf de minister in het eerdere stuk namelijk aan
dat het Landelijk Asbestvolgsysteem technisch gezien tot 2030 zou kunnen
bestaan.
De voorzitter:
Helder.
Minister Aartsen:
Vanuit het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is besloten om
met dit systeem te stoppen. Dat heeft een aantal redenen. Door een
samenloop met de evaluatie en het einde van de levensduur was het geen
optie meer om gewijzigde meldingen in het Landelijk Asbestvolgsysteem te
doen. Het gaat dus om andere typen meldingen, die nu niet in dat systeem
zitten. Als je die in het systeem zou willen zetten, zou je forse
investeringen moeten doen in het systeem. Dat systeem loopt af in 2030.
Dan moet je dus een enorme aanpassing doen aan een systeem waarvan je
weet dat het een of twee jaar later eindig is. Dat rechtvaardigt dit
niet. We hebben een systeem waarin het kan, namelijk DSO. Het enige
daarvan is dat de Arbeidsinspectie wel alle essentiële informatie heeft
om te kunnen handhaven, maar dat, nogmaals, niet kan doen op de
risicogerichte manier die je in perfectie graag zou willen. Vandaar dat
we het geld liever investeren in een ICT-applicatie en in een nieuw
systeem dat verder gaat dan 2030. Ik heb het even "suboptimaal" genoemd:
het is niet hoe je het idealiter wil hebben. Naar uiteindelijk moet je
verstandig met belastinggeld omgaan. Dan moet je het geld liever
besteden aan een nieuw systeem met een nieuwe applicatie, die klaar zijn
voor de toekomst, dan aan een oud systeem, waarvan je weet dat het vanaf
2030 stopt. Dat duurt niet meer zo heel lang.
De voorzitter:
Gaat u verder. Dan gaan we naar blokje vier, overig.
Minister Aartsen:
Ik heb een aantal vragen gehad voor het blokje overig. Mevrouw Patijn
vroeg mij naar de bescherming van bedrijven via onderaanneming. Ik heb
net al uitgelegd dat er geen ketenaansprakelijkheid is in de
Arbowetgeving. Uiteindelijk zijn alle ondernemingen die onder de
richtlijn vallen, dus de vergunningsplichtige bedrijven,
verantwoordelijk voor de bescherming van hun eigen werknemers.
Mevrouw Patijn vroeg mij ook waarom wij geen waarborgsom vragen boven op
de vergunningsaanvragen. Daar zit uiteindelijk de afweging van de
nationale kop in. Dat vonden wij niet verstandig. Het eisen van een
waarborgsom zou een onnodig hoge drempel vormen bij het aanvragen van
een vergunning. Verwijderingsbedrijven met een vergunning zijn op dit
moment al goed in beeld. De kosten kunnen ook gewoon netjes achteraf
worden verhaald. Daarom zou het ook een onnodige last zijn als we dat
zouden doen voor de bedrijven die het op dit moment gewoon netjes doen.
Daarom heeft het kabinet gezegd: laten we nu niet een extra waarborgsom
opleggen boven op de al bestaande vergunningsplicht.
De heer Mulder vroeg mij hoe we gaan voorkomen dat vergunningsprocedures
onnodig lang gaan duren. Wij willen dat ook voorkomen; dat streven delen
we zeker. Dat zijn we op dit moment aan het inrichten. U kunt ervan op
aan dat wij proberen die vergunningsprocedures zo kort mogelijk te
houden. Uiteindelijk wil je, vooral bij de introductie van zo'n systeem,
dat mensen die vergunning eenmalig dienen aan te vragen, en dat ze op
basis van wat ze op dit moment eigenlijk al hebben, namelijk dat
certificeringssysteem, een vergunning zonder leges kunnen aanvragen. Zo
proberen we dat op een zo kort mogelijke manier te doen.
De heer Neijenhuis vroeg mij nog of bestaande ervaringen zo goed
mogelijk worden benut en of scholing ook modulair kan plaatsvinden. Het
antwoord daarop is ja. Nederland kiest voor een modulair systeem zodat
opleidingseisen aansluiten bij de werkzaamheden en de risico's. Er komt
een basisopleiding met verschillende aanvullende opleidingscategorieën,
gebaseerd op het type werkzaamheden met asbest. Zodoende kunnen we die
ook aan laten sluiten op de verschillende categorieën die we aan zullen
brengen in het vergunningsstelsel. Bestaande ervaring wordt daarbij
zeker benut. Als mensen nu al een opleiding hebben gevolgd, blijft die
staan. Dan hoeven ze niet weer opnieuw een opleiding te volgen; die
blijft staan. Maar voor de extra onderdelen waarvoor scholing nodig is,
zal wel extra scholing nodig zijn. Maar de bestaande scholing zal
blijven staan.
Mevrouw Van Ark vroeg mij nog waar in de keten de grootste risico's
zitten. Er zijn op dit moment verschillende actoren in die keten. We
hebben inventariseerders, saneerders en eindbeoordelaars. Over het
algemeen is het risico dat laag gehouden moet worden van kosten boven de
… Nee, sorry. In principe wijzigt de manier van toezicht op die risico's
niet. Wat dat betreft verandert er ook niks ten aanzien van de
risicogerichtheid waar de Arbeidsinspectie uiteindelijk naar kijkt. Wel
telt het mee in het vergunningsstelsel als er fouten worden gemaakt.
Uiteindelijk zal dat, denken wij, een preventieve werking gaan hebben.
Als je daadwerkelijk sancties krijgt, loop je het risico om uiteindelijk
je vergunning kwijt te raken.
De vraag van mevrouw Patijn waarom we het Landelijk Asbestvolgsysteem
nog niet op zijn kop hebben gezet, heb ik net beantwoord in mijn
antwoord op een eerdere vraag.
Mevrouw Van Ark vroeg mij nog waarom sommige toepassingen niet in een
lagere categorie kunnen worden geplaatst, bijvoorbeeld via een erkende
werkmethode. Dat kan dus deels. Erkende werkmethoden zijn belangrijk
voor een veilige uitvoering. Ze geven concreet aan hoe een bepaalde
handeling veilig kan worden uitgevoerd. De vergunningscategorie zelf
wordt bepaald door het risico van de toepassing, omdat het ook een
risico met zich meebrengt als je iets tegenkomt dat ineens toch anders
blijkt te zijn. In zo'n situatie moet je als bedrijf gewoon kunnen
acteren. De erkende werkmethoden veranderen dat dus niet. Ze blijven wel
degelijk waardevol, maar we vervangen in principe niet de
vergunningscategorie. De erkende werkmethoden hebben wel invloed op
projectniveau, bijvoorbeeld bij een vergunning "basis". Daarmee kan de
werkgever onder voorwaarden zelf bijvoorbeeld de visuele eindbeoordeling
uitvoeren met een erkende werkmethode. Op die manier blijven die dus wel
waardevol.
Dan nog een laatste vraag, van de heer Ceulemans: waarom kan high trust,
high penalty niet worden ingevoerd? Ten eerste omdat dat dus botst met
het vergunningstelsel. De Europese richtlijn schrijft nadrukkelijk voor
om met een vergunningsstelsel te werken en dat dat moet gebeuren met een
bewijs van naleving. Daarom kun je niet met zo'n systeem zoals dit
werken. Daarnaast voorkomt een systeem van high trust, high penalty niet
dat malafide bedrijven op de markt zullen komen. Dit soort bedrijven
zullen uiteindelijk een gecalculeerde afweging maken en zullen zeggen:
we rekenen het potentieel van boetes en kosten mee in wat we kunnen
verdienen. Je krijgt dus calculerend gedrag. Daarnaast hebben wij,
bijvoorbeeld in het algemeen bestuursrecht, een aantal afspraken over
hoe hoog een boete mag zijn. Je mag geen onevenredig hoge boetes
opleggen. Dat maakt dat een systeem van high trust, high penalty op dit
moment niet in te voeren is met deze wet.
De voorzitter:
Even checken of u aan het einde bent gekomen van het blokje overig. Dat
is het geval. Dat was tevens het laatste blokje.
De heer Ceulemans (JA21):
Dan heb ik een tweeledige vraag. "High trust, high penalty" was
inderdaad een van de drie door ATR aangedragen opties: kan de minister
daarop, daarop en daarop ingaan, omdat die zaken eigenlijk minder
regeldruk met zich mee zouden brengen dan de huidige route? De minister
zei daar eerder van dat dit allemaal zijn beslag gaat krijgen in lagere
regelgeving en dat we het er dan over gaan hebben. Hij is nu concreet
ingegaan op een van die drie aspecten. Ik ben een beetje zoekende naar
waar we op dit moment over beslissen en in hoeverre we pas als we het
over lagere regelgeving hebben verder ingaan op die opties en ook de
door ATR aangedragen alternatieven.
Minister Aartsen:
Die andere twee alternatieven ken ik niet uit mijn hoofd. Daar moet ik
dus in de tweede termijn op terugkomen. Ik heb nu geprobeerd om concreet
uit te leggen waarom "high trust, high penalty" niet kan. We nemen op
dit moment een wet aan die, nogmaals, gaat over het systeem van
vergunningen en hoe we dat geregeld hebben. De daadwerkelijke uitwerking
daarvan vindt in lagere wetgeving plaats. Ik heb geprobeerd aan te geven
dat we daarin echt sturen op lagere lasten voor bedrijven. Dat hebben we
in dit wetsvoorstel geprobeerd te doen en dat gaan we ook doen in lagere
wet- en regelgeving. We gaan ook kijken of we het ATR daarbij kunnen
betrekken.
De heer Ceulemans (JA21):
Oké, prima. Dank. Op die andere twee punten zal ik dan in mijn tweede
termijn nog even terugkomen. Dan kunnen we die in tweede termijn nog wat
nader bespreken. Er is ook nog een vraag van mij blijven liggen, of ik
moet die gemist hebben. Stel dat we die deadline van 1 januari 2027 niet
halen. Wat zijn dan de concrete gevolgen en welk prijskaartje hangt
daaraan?
Minister Aartsen:
Die vraag heb ik wel beantwoord. Ik heb aangegeven dat op dit moment 1
januari 2027 voorzien is, met een overgangstermijn van een halfjaar, en
dat de boete kan oplopen tot 9 miljoen euro, afhankelijk van hoe de
Europese Commissie dit beoordeelt. Ik denk dat de kans dat wij 1 januari
halen vrij klein is. Het zal dus waarschijnlijk nog verder uitlopen. Ik
zeg er wel bij dat dit geen wetmatigheid is. De Europese Commissie zal
dit ook interpreteren. We weten dat een aantal andere landen ook al best
uit de pas lopen. We zijn dus niet de enige. Daarnaast zitten wij
behoorlijk ver onder de grenswaarde, met 2.000 in plaats van 10.000, en
hebben we al een vrij goed werkend systeem voor de bescherming van
werknemers. Dat zijn allemaal argumenten op grond waarvan we hopen dat
Brussel uiteindelijk zal besluiten om het door de vingers te zien, maar
een snelle behandeling is natuurlijk wel noodzakelijk.
De voorzitter:
De heer Ceulemans tot slot.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank, en excuus als de vraag al beantwoord was. Ik moest heel even de
zaal uit en heb dat toen waarschijnlijk gemist, maar het is nu
helder.
De voorzitter:
De minister. Of nee, dit was geen vraag maar een opmerking. Dan meneer
Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik heb twee punten waar ik nog een antwoord op mis. Allereerst is dat de
lagere regelgeving. Worden daarbij de Kamer en de betrokken organisaties
goed betrokken, zolang de tijdsplanning het toestaat?
Minister Aartsen:
Dat gaat dan over een specifieke voorhang.
De heer Neijenhuis (D66):
Nou ja, het staat een beetje los van de vraag of we nog een hele
voorhangprocedure in de wet zouden moeten zetten. Kan de minister gewoon
toezeggen dat alle betrokken partijen er goed bij betrokken worden?
Minister Aartsen:
Ja, dat kan ik toezeggen. Ik gaf net ook al aan dat we die lagere
regelgeving gewoon netjes laten lopen. Ik kan toezeggen dat we
bijvoorbeeld een partij als het ATR daar gewoon netjes bij
betrekken.
De voorzitter:
De heer Neijenhuis, met de andere vraag die nog niet beantwoord was.
De heer Neijenhuis (D66):
Dat is mooi. Mijn andere vraag ging over het feit dat dit natuurlijk
weer een vergroting van de regeldruk is boven op alle regeldruk die er
al is. Vroeger hadden we een heel goed systeem waarin een kabinet
afsprak: de regeldruk moet in deze periode zoveel omlaag. Als je er dan
een keer iets bij doet, moet er ergens anders iets af. Dan moet je dus
eigenlijk een soort dekking leveren. Dat werkte heel goed; het was heel
effectief om de regeldruk naar beneden te doen. Mijn vraag was of het
kabinet zou willen kijken naar de mogelijkheid om dat nu weer te
doen.
Minister Aartsen:
Dan moet ik wel verwijzen naar de minister van Economische Zaken, want
die gaat uiteindelijk over de algemene aanpak en over de methodiek die
wordt gehanteerd bij regeldruk. Ik moet eerlijk zeggen dat ik op het
gebied van gezond en veilig werken altijd wel een balans zie. Aan de ene
kant wil je namelijk de regeldruk verminderen, maar dan vooral de
onnodige regeldruk. Als het gaat om gezond en veilig werk hebben we
regels en is er regeldruk, maar dat kan soms best fijne regeldruk zijn.
Niet mogen werken met stoffen waar je ziek van wordt, is een regel, maar
ik denk dat we met elkaar toch vinden dat dat een prettige regel is. Ik
vind het dus, ook vanuit mijn partijkleur, heel verstandig om aan
regeldrukvermindering te doen, maar laten we bij dit onderwerp wel
kijken wanneer er sprake is van onnódige regels en die proberen te
schrappen.
De heer Neijenhuis (D66):
Daarmee ben ik het natuurlijk helemaal eens. Het moet echt gaan om
onnodige regeldruk, en om met minder regels zorgen dat mensen
bijvoorbeeld niet met gevaarlijke stoffen hoeven om te gaan. Alleen merk
je wel dat de aandacht voor het verminderen van regeldruk af en toe
verslapt als daar niet goed bovenop gezeten wordt. Sinds die
nettodoelstelling eraf is gegaan is dat gewoon op veel departementen
gebeurd. Zeker omdat dit binnen Sociale Zaken zo'n groot probleem is,
zou ik toch willen vragen of het kabinet hier een reactie op kan geven.
Ik ben ook een beetje zoekende hierin. Ik heb er wel een motie op
voorbereid, maar als de minister bijvoorbeeld kan toezeggen dat hij hier
samen met de minister van EZ een keer goed naar gaat kijken en later met
een reactie terugkomt, hoef ik die motie niet in te dienen.
Minister Aartsen:
Wij sluiten als ministerie van Sociale Zaken aan bij de methodiek zoals
die door het ministerie van Economische Zaken is afgesproken ten aanzien
van de regeldruk. Daar levert het ministerie van Sociale Zaken overigens
al best wel een enorme bijdrage aan als het gaat om het aantal regels.
Daar kijken we ook naar. Maar ik kan hier nu niet toezeggen dat we een
andere systematiek gaan hanteren, om twee redenen. Ten eerste volgen we
daarin het ministerie van Economische Zaken. Ten tweede botst de
regeldrukaanpak op het gebied van Gezond en Veilig Werken uiteraard ook
vaak op wanneer het nodig is en wanneer het onnodig is.
De voorzitter:
Meneer Neijenhuis tot slot. U ziet ervan af.
Dan zijn we aan het einde gekomen van uw eerste termijn, minister, en
wil ik graag de Kamer uitnodigen voor de tweede termijn. Ik begin weer
bij de heer Kisteman namens de fractie van de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. De minister eindigde zijn woorden met dat Gezond en Veilig
Werken volgens hem in balans is, maar daar zullen we het over twee weken
wel over hebben in het commissiedebat Gezond en veilig werken, want ik
heb toch iets met een RI&E in mijn achterhoofd zitten. Maar dat komt
dan ter sprake.
Voorzitter. Ik heb nog één vraag aan de minister. We hadden het over die
regeldrukkostenberekening van Panteia. Daarover zei de minister dat we
wat hem betreft voor zo min mogelijk regeldrukkosten gaan, dus tussen
25,7 miljoen en 29,3 miljoen. Mijn vraag aan de minister is of hij kan
toezeggen dat hij echt zijn uiterste best gaat doen om de
regeldrukkosten voor ondernemers zo minimaal mogelijk te laten
zijn.
Dan heb ik tot slot één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ATR, het Adviescollege toetsing regeldruk, in zijn
meest recente advies adviseert om in de transponeringstabel aan te geven
welke ruimte Nederland heeft bij de invulling van de verplichtingen uit
de Asbestrichtlijn;
constaterende dat de regeldruk voor bedrijven volgens Panteia kan
oplopen tot bijna 100 miljoen euro afhankelijk van nationale keuzes in
de uitwerking van de vergunningsplicht, meldingen, opleiding,
registratie, bewijs van naleving, eindbeoordeling en toezicht;
constaterende dat volgens ATR niet is gekozen voor een lastenluwere
invulling uitgaande van daadwerkelijke risico's in plaats van potentiële
risico's en van het principe high trust, high penalty;
overwegende dat bescherming van werknemers vooropstaat, maar dat
nationale koppen alleen gerechtvaardigd zijn wanneer zij noodzakelijk,
proportioneel, uitvoerbaar en aantoonbaar effectief zijn;
verzoekt de regering vóór vaststelling van de lagere regelgeving alle
afzonderlijke verplichtingen voor ondernemers die voortvloeien uit deze
implementatie in een overzichtelijke tabel aan de Kamer te sturen, en
daarbij aan te geven of het een nationale beleidskeuze betreft;
verzoekt de regering de verplichtingen uit deze tabel voor te leggen aan
ATR om na te gaan of lastenluwere varianten mogelijk zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.
Zij krijgt nr. 10 (36843) (#3).
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. Dan wil ik graag mevrouw Van Ark namens het
CDA naar voren vragen voor haar tweede termijn. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het wetsvoorstel een vergunningsplicht introduceert
voor bepaalde asbestwerkzaamheden en dat de vergunningscategorieën in
lagere regelgeving worden uitgewerkt;
overwegende dat bescherming van werknemers tegen blootstelling aan
asbest altijd voorop moet staan;
overwegende dat erkende werkmethoden bij aantoonbaar laag-risicovolle
werkzaamheden kunnen bijdragen aan veilig werken en het voorkomen van
onnodig zware verplichtingen;
verzoekt de regering te onderzoeken of en onder welke voorwaarden
erkende werkmethoden bij aantoonbaar laag-risicovolle werkzaamheden
kunnen leiden tot minder zware verplichtingen, mits
werknemersveiligheid, toezicht, vakbekwaamheid en eindcontrole geborgd
blijven;
verzoekt de regering dit te doen in overleg met sociale partners,
sectorpartijen, het Validatie- en Innovatiepunt Asbest en de Nederlandse
Arbeidsinspectie, en de Kamer hierover te informeren voor vaststelling
van de onderliggende regelgeving,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ark.
Zij krijgt nr. 11 (36843) (#4).
Mevrouw Van Ark (CDA):
De volgende.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het wetsvoorstel een vergunningsplicht introduceert
voor bepaalde asbestwerkzaamheden en dat de vergunningscategorieën en
bijbehorende eisen in lagere regelgeving worden uitgewerkt;
overwegende dat bescherming van werknemers tegen blootstelling aan
asbest altijd voorop moet staan;
overwegende dat effectieve bescherming vraagt om regels die aansluiten
bij blootstellingsrisico, aard en complexiteit van werkzaamheden en
aantoonbare vakbekwaamheid;
verzoekt de regering per vergunningcategorie de noodzaak,
proportionaliteit en veiligheid van de eisen te onderbouwen, bestaande
certificaten en erkende werkmethoden te benutten en onnodige lasten voor
bonafide bedrijven te voorkomen;
verzoekt de regering hierover de Kamer te informeren voor vaststelling
van de onderliggende regelgeving,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ark.
Zij krijgt nr. 12 (36843) (#5).
Mevrouw Van Ark (CDA):
En de derde.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Landelijk Asbestvolgsysteem wordt beëindigd en
asbestmeldingen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet zullen gaan
lopen;
overwegende dat het Landelijk Asbestvolgsysteem nu wordt gebruikt voor
risicogericht toezicht en het volgen van het ketenproces van
asbestverwijdering;
overwegende dat de Arbeidsinspectie heeft aangegeven dat het onzeker is
of risicogericht toezicht na het vervallen van het Landelijk
Asbestvolgsysteem op hetzelfde niveau mogelijk blijft;
verzoekt de regering te borgen dat risicogericht toezicht en
ketenvolging niet verslechteren door de overgang naar het Digitaal
Stelsel Omgevingswet;
verzoekt de regering, binnen de bestaande middelen, te voorkomen dat er
een gat ontstaat in risicogericht toezicht en ketenvolging, zolang deze
functies nog niet aantoonbaar zijn geborgd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ark en Patijn.
Zij krijgt nr. 13 (36843) (#6).
Dank u wel, mevrouw Van Ark. Dan kijk ik in de richting van de heer Mulder, maar hij heeft geen behoefte aan een tweede termijn. Dan mevrouw Patijn namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Gedurende de, heel korte, behandeling van deze wet heb
ik toch een beetje moeite gekregen met de kale wet. Er is nog best veel
onduidelijk en er moet nog heel veel nader uitgewerkt worden in lagere
regelgeving. Laat duidelijk zijn dat wij voor de vergunningplicht zijn,
maar de haast — 1 januari 2027 staat — maakt dat we er wat moeite mee
hebben dat er nog een heleboel uitgewerkt moet worden, waarbij we
eigenlijk nog niet precies weten hoe dat er allemaal uit komt te zien.
De minister heeft uitgebreid antwoord gegeven op alle vragen. Dank
daarvoor. Daar gaat het dus niet over.
Ik heb verder geen moties, maar ik zou nog van de minister willen weten
wat de gevolgen zijn van latere invoering van de wet dan 1 januari 2027.
Ik zou de minister graag willen vragen om voor september, dus direct na
de zomer, een voortgangsbrief te sturen, met daarin een toelichting op
de vormgeving van die lagere regelgeving.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Patijn. Mevrouw Moinat ziet ook af van haar tweede
termijn. Ik zie haar zitten. Zij had zich afgemeld, maar was weer
teruggekeerd. Dan geef ik het woord aan de heer Nijenhuis in de tweede
termijn namens de fractie van D66.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter, dank. Dank voor de beantwoording van alle gestelde vragen.
Ik heb nog één punt, dat ik net al een beetje aankondigde. Dat is het
feit dat we hier vaak extra regeldruk voorstellen. We hebben in het
verleden gemerkt dat het dan echt helpt om er bij departementen bovenop
te zitten, zodat er ook ergens regels afgaan als er regels bij komen.
Dan houden we het ook voor werkgevers aantrekkelijk om werkgever te
blijven en kunnen we de hoeveelheid regels verminderen. Daarom kom ik
nog met een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het verleden kabinetten kwantitatieve
nettodoelstellingen vaststelden voor de vermindering van administratieve
regeldruk zodat een extra regel ook gepaard moest gaan met
regeldrukverlaging elders;
overwegende dat het coalitieakkoord ambities heeft om het aantal regels
te verminderen maar hierin nog niet expliciet het effect van nieuwe
regels meeneemt;
overwegende dat extra regels vaak nodig en nuttig zijn, maar ze
toegevoegd worden aan een reeds zeer hoge regeldruk bij
werkgevers;
verzoekt de regering te onderzoeken of een ambitieuze doelstelling voor
vermindering van de regeldruk van toegevoegde waarde zou kunnen zijn
voor deze kabinetsperiode en hierover te informeren voor de
begrotingsbehandeling SZW,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Neijenhuis en Schoonis.
Zij krijgt nr. 14 (36843) (#7).
Dank u wel, meneer Neijenhuis. Voordat u vertrekt, is er nog een interruptie van de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
We hebben in het regeerakkoord behoorlijk wat ambities voor het
verminderen van regeldruk: als het gaat om ondernemers 500 regels per
jaar, en nog eens 500 regels bij BZK. Ik heb op ministerieniveau al
laten uitzoeken waar veel regels worden afgeschaft en waar niet. Volgens
mij is deze minister al aardig goed op weg. We hebben ook een ministerie
van Onderwijs. Ik denk dat die bewindspersoon wel bekend is bij de heer
Neijenhuis. Die heeft drie regels in beeld gebracht die afgeschaft
kunnen worden. Zou het dus niet goed zijn om eerst met z'n allen onze
ambities uit het regeerakkoord te gaan naleven en uitvoeren voordat we
een nieuwe motie indienen met nog meer ambities? Ik steun alle ideeën om
regeldruk te verminderen, maar laten we dat eerst gewoon doen.
De heer Neijenhuis (D66):
Het is een beetje jammer dat de VVD hier op de rem probeert te trappen
bij het verminderen van regeldruk. Ik denk dat deze motie juist van
enorme toegevoegde waarde zou kunnen zijn om ervoor te zorgen dat je
niet alleen die ambitieuze doelstelling hanteert van hoeveel regels je
kunt verminderen. Die heeft natuurlijk weinig zin als je er aan de
andere kant ook weer heel veel nieuwe bij doet en als die nettoregeldruk
alleen maar toeneemt. Daar maak ik me zorgen over. In het verleden
merkte je dat het juist heel goed helpt om departementen te laten
voorkomen dat ze alleen maar extra regels toevoegen als je er een soort
van dekking bij vraagt, zo van: prima als je wat extra doet, maar dan
moet je ook kijken waar je regels kunt verminderen. Dat werkte in het
verleden heel goed. Sinds we dat hebben losgelaten binnen de
Rijksoverheid, merk je dat dat weer een beetje aan het verslappen is.
Daarom denk ik dat dit heel handig zou kunnen zijn. Ik hoop op de steun
van de VVD daarvoor.
De voorzitter:
Dat roept natuurlijk een reactie op van de VVD, in de persoon van de
heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Wat ik niet goed begrijp, is het volgende. Wil de heer Neijenhuis
daarmee zeggen dat we de ambities uit het regeerakkoord maar los moeten
laten omdat er een nettodoelstelling tegenover moet komen te staan? Of
zegt hij "we hebben heel veel ambities in het regeerakkoord staan; niet
alle bewindspersonen voeren die uit, dus laten we nog maar een extra
ambitie toevoegen"? Volgens mij moeten we eerst gewoon keihard met z'n
allen aan het werk gaan om die regels af te schaffen voordat we een
nieuwe doelstelling toevoegen. Ik denk dat de heer Neijenhuis het daar
ook volledig mee eens is.
De voorzitter:
Meneer Neijenhuis, bent u het daarmee eens?
De heer Neijenhuis (D66):
Ik wil zeker niks afdoen aan de ambitieuze doelstellingen uit het
regeerakkoord. Alleen, ik wil er ook voor zorgen dat die daadwerkelijk
tot netto regeldrukverlaging gaan leiden bij werkgevers. Ik hoop dat de
heer Kisteman dat doel ook van harte onderschrijft.
De voorzitter:
Heel kort, meneer Kisteman, want u gaat steeds over die halve minuut
heen. Die trek ik er dan nu van af. U krijgt tien seconden.
De heer Kisteman (VVD):
Hebben wij hier ook al een halve minuut? Ik ben gewend dat we bij
Onderwijs halve minuten hebben, maar ik wist niet dat dat plenair ook zo
is. Volgens mij heet ons regeerakkoord "Aan de slag", meneer Neijenhuis.
Volgens mij moeten onze bewindspersonen dat gewoon keihard gaan doen.
Laten we daarna nieuwe ambities toevoegen.
De heer Neijenhuis (D66):
Volgens mij was dat een opmerking. "Aan de slag" kan ik natuurlijk
alleen maar ondersteunen.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor hier een wedstrijdje verplassen, over wie de meeste regels kan
afschaffen. We hebben hier een debat over mensen die werken met asbest.
Dat is een stof waar mensen kanker van krijgen en aan doodgaan. Ik heb
de woorden "mensen" en "bescherming" minder gehoord dan "hoe gaan wij
regels afschaffen", "hoeveel regels geeft dit" en "wat doet dit met de
regeldruk". Ik zou toch ook van de heer Neijenhuis graag horen of hij
het ook van belang vindt dat er regels komen die mensen beschermen die
met gevaarlijke stoffen werken.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik vind dit wel weer een beetje politiek flauw van mevrouw Patijn, want
zij heeft ook mijn bijdrage in de eerste termijn gehoord, waarin ik
begin door te zeggen dat ik de wet die hier voorligt van harte
onderschrijf, juist ook in het belang van de mensen die inderdaad met
kankerverwekkende stoffen moeten werken. Ik onderschrijf volledig dat
die dat op een zorgvuldige en verantwoorde manier moeten kunnen doen.
Dat heeft mevrouw Patijn net ook gehoord. Nu doen alsof ik dat een
beetje onder het tapijt schuif, vind ik een beetje flauw. Alleen, ik
vind ook dat we hier in de Tweede Kamer altijd moeten blijven opletten
dat we de regeldruk voor werkgevers behapbaar houden, dat we effectieve
regels met elkaar vaststellen en kijken waar het minder kan, juist als
we nuttige regels elders toevoegen omdat die — dat deel ik vooral —
keihard nodig zijn. Maar laten we dan ook kijken waar het minder
kan.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dan wil ik ten slotte alleen maar concluderen wat ik heel veel heb
geconcludeerd in deze commissie. We zitten hier met allemaal mensen van
de commissie Sociale Zaken. We spreken hier vaak over de rechten van
werknemers, over de toekomst van de arbeidsmarkt, over hoe mensen goed
ingezet kunnen worden en hoe mensen ook in de toekomst nog op een
leefbare manier geld kunnen verdienen. Toch hebben we het veel vaker
over onderwerpen die naar mijn idee veel meer thuishoren bij EZ. Het
gaat vaak over regeldruk. Ik hoop dat we in de toekomst veel meer over
de mensen gaan praten.
De heer Neijenhuis (D66):
Dat is wat mij betreft allemaal met elkaar verbonden. Als we ervoor
zorgen dat we de bureaucratie op de werkvloer weten te verminderen met
z'n allen, is dat niet alleen fijn voor werkgevers, maar ook voor mensen
die werken, zodat ze zich echt bezig kunnen houden met het werk dat ze
graag doen, zoals lesgeven, zorgen of bouwen. Dat kunnen zij allemaal
niet op het moment dat we onnodige regels invoeren en mensen alleen maar
met formuleren bezig zijn. Waar dat nodig is, moeten we dat zeker doen,
maar ik laat mij er niet van weerhouden om hier, als we het hebben over
werk en sociale zaken, op te komen voor het feit dat mensen zich moeten
bezighouden met waar zij zich graag mee bezig willen houden, en niet met
allemaal formulieren.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Neijenhuis. Tot slot meneer Ceulemans namens
JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Het gebeurt niet alle dagen, maar ik ben het
eens met mevrouw Patijn. Ik heb bij deze kale wet ook het gevoel dat ik
niet echt grip heb op wat er nu gaat gebeuren. We moeten hier straks ja
of nee tegen zeggen, terwijl heel veel zijn beslag gaat krijgen in
lagere wet- en regelgeving, waar veel zal afhangen van regeldruk en in
hoeverre die te dragen is door ondernemers. Ik heb daar een vraag over
aan de minister. Misschien is het een lekenvraag. Ik realiseer me ook
dat we daar als Kamer zelf over gaan. Welke grip hebben wij nu nog op de
lagere regelgeving die hieruit gaat voortvloeien? Hoe kunnen we dat
betrekken bij de beoordeling van deze wet als zodanig? Als de minister
daarop kan ingaan, graag.
Ik ga nog even specifiek in op de drie punten van het ATR. De minister
heeft al het een en ander gezegd over high trust en high penalty. Het
tweede punt is de benadering waarbij de intensiteit van het toezicht
wordt afgestemd op de doelgroep. Het derde punt is de benadering waarbij
bedrijven aantonen dat ze veilig werken, de erkende werkmethode. Dat
waren de twee andere zaken die specifiek als aandachtspunt werden
meegegeven, althans als alternatieven die tot minder regeldruk of minder
administratieve lasten zouden leiden.
Tot slot. Er was net een interruptiedebat tussen mevrouw Patijn en
meneer Neijenhuis. Mevrouw Patijn zei: het gaat eigenlijk helemaal niet
over mensen, maar alleen over het reduceren van de regeldruk. Het punt
is volgens mij juist dat, op het moment waarop je maatregelen gaat
invoeren die, of je het nu leuk vind of niet, leiden tot meer regeldruk
en meer administratieve lasten, er dan ook een aantoonbaar positief
gezondheidseffect tegenover staat. Dat zou mijn vraag aan de minister
zijn. We gaan ondernemers op deze manier confronteren met nieuwe
administratieve lasten. Hoe kwantificeert hij de gezondheidswinst die
daartegenover staat? Dat is in het debat onvoldoende uit de verf
gekomen. Het is allebei belangrijk. Het gaat erom dat werknemers
beschermd zijn tegen gevaarlijke werksituaties. Daar zijn we het
allemaal over eens. Maar volgens mij, en ik hoop dat mevrouw Patijn dat
ook vindt, zijn we het er ook over eens dat we werkgevers niet moeten
opzadelen met extra administratie en extra lasten als niet duidelijk is
of het daadwerkelijk gezondheidswinst betekent.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceulemans. Daarmee zijn wij aan het einde van de
tweede termijn van de Kamer gekomen. De minister heeft aangegeven dat
hij tien minuten nodig heeft voor de appreciatie van de vijf moties die
zijn ingediend en de beantwoording van een aantal vragen die zijn
gesteld. Ik schors de vergadering tot 18.05 uur.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet in verband met een nieuwe vergunningplicht bij
bepaalde asbestwerkzaamheden ten behoeve van de implementatie van de
Richtlijn (EU) 2023/2668. We zijn aangekomen bij de tweede termijn van
de minister.
Minister Aartsen:
Mevrouw de voorzitter. Dank aan de leden van de Kamer voor de vragen, de
moties en één amendement. Ik wil beginnen bij de vragen.
In een aantal vragen van de heer Ceulemans en mevrouw Patijn refereerden
zij aan hun ongemak ten aanzien van de lagere wetgeving. Ik denk dat het
goed is om het nog even uiteen te zetten. Het is zo dat de lagere
wetgeving inmiddels bekend is. Die heeft al een internetconsultatie
gekregen, dus die is openbaar. Op dit moment zijn wij bezig met het
uitwerken van de reacties die wij hebben ontvangen op de
internetconsultatie. Wij zijn ook aan het starten met de
uitvoeringstoetsen. Op het moment dat we die hebben gedaan, zullen we
een wetgevingstoets doen; die is verplicht. Parallel daaraan, zoals
eerder toegezegd, sturen we de nadere regelgeving nog een keer naar het
ATR voor de regeldruktoets. Vervolgens gaan we er in september in de
ministerraad een besluit over nemen. Daarna gaat de regelgeving naar de
Raad van State. Vervolgens zal er een nader rapport komen en wordt er
half december een klap op gegeven. Dit betekent dat we in januari kunnen
overgaan tot publicatie en ook notificatie bij de Europese Commissie.
Dit betekent dat we het wetsvoorstel op zijn vroegst in februari of
maart in werking kunnen laten treden.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Eigenlijk een tweeledige interruptie. De minister zegt: zoals toegezegd
gaan we de verdere uitwerking van de lagere regelgeving ook nog een keer
aan het ATR voorleggen. Dit impliceert dat op het moment dat het ATR
daarop terugkomt en zegt dat dit volgens haar tot onnodig veel extra
administratieve lasten leidt, daar dan ook werk van gemaakt gaat
worden.
Minister Aartsen:
Ja, als het hout snijdt wel. Ik kom daar zo nog even op terug. Maar ik
kan de vraag van de heer Ceulemans over het ATR ook gelijk even
beantwoorden. Het moet wel kunnen. Sommige dingen zijn ingewikkeld om
toe te passen, of passen niet in de Europese richtlijn.
De heer Ceulemans (JA21):
Oké, dank. Ik weet niet of u nog op die twee aparte punten ingaat, maar
mijn vraag zou dan nu alvast, vooruitlopend op wat u net zei, de
volgende zijn. Het gaat dan richting december en dan kan er in december
of januari een klap op gegeven worden. Dat zou dus betekenen dat het
mogelijk is, ook gelet op de Europese deadline, om over de kale wet en
over de lagere regelgeving op hetzelfde moment te stemmen.
Minister Aartsen:
Ik weet niet of dat ... Het zal ongetwijfeld technisch mogelijk zijn,
maar ik zou dat zeer ontraden, omdat er nu al een inbreukprocedure
ingezet wordt. Op het moment dat ik nu naar Brussel ga met de mededeling
dat het parlement pas in december over de wet stemt, weet ik niet of dat
het risico op boetes naar beneden brengt. Ik denk zelfs dat het risico
op boetes omhooggaat. Het zou enorm helpen in het gesprek met Brussel
als het parlement zo spoedig mogelijk zijn oordeel uitspreekt over deze
wet.
De voorzitter:
Meneer Ceulemans, tot slot.
De heer Ceulemans (JA21):
Dat begrijp ik niet helemaal. De nieuwe deadline is nu gesteld op 1
januari 2027. Ik weet dat we eigenlijk al te laat zijn. Het was eerst
december 2025, maar dat hebben we niet gehaald. Er is een
inbreukprocedure gestart en er dreigt een boete als we 1 januari 2027
niet halen. Op het moment dat we nu over de kale wet stemmen en de
invulling daarvan pas eind dit jaar duidelijk gaat worden, dus dat we
dan pas oordelen over de lagere wetgeving of de lagere regelgeving, is
het totaalpakket toch ook rond dezelfde tijd klaar? Of de minister moet
ervan uitgaan dat het totale pakket het niet haalt als we er in één keer
over stemmen aan het einde van dit jaar.
Minister Aartsen:
Je probeert te spreken met de Europese Commissie. Er loopt op dit moment
een inbreukprocedure. Die kan opschalen naar een zaak bij het Hof van
Justitie. Dat levert ook weer nieuwe financiële problemen op. Je
probeert dus richting Brussel aan te geven dat er voortgang wordt
gemaakt met de wet, waarbij je ook aangeeft dat het nog een kale wet is.
We ontkomen er niet aan om ook het eerlijke verhaal te vertellen. We
hebben gewoon een Europese richtlijn uit te voeren. Ik probeer aan te
geven dat de lagere wet- en regelgeving nog terugkomt. Die gaat in ieder
geval nog naar de Raad van State en het ATR. Het staat u natuurlijk ook
vrij om daar een debat over te voeren en om tegen mij als minister te
zeggen: "Minister, wat doet u nu? Pas de lagere wet- en regelgeving
aan." U kunt mij daartoe verzoeken. Volgens mij hoeft dat elkaar niet in
de weg te zitten. Ik denk dat het echt onverstandig is om niet spoedig
over deze wet te stemmen. U gaat daar zelf over, maar ik zou dat wel
doen.
De heer Ceulemans vroeg mij nog naar het ATR en de drie opties. Over de
eerste optie, over high trust, high penalty, heb ik in de eerste termijn
al uitgebreid iets gezegd. De tweede optie gaat over de variant waarbij
je zegt: laten we meer intensieve controles uitvoeren op de partijen die
het slecht naleven. Die tweede gaat over aantonen dat je goed werkt. Het
ingewikkelde van de eerste optie, over dat slechte naleven, is dat die
schuurt met het concept van vergunningplicht in combinatie met een
bewijs van naleving. Wij dienen het vergunningstelsel in te richten.
Daar moet een bewijs van naleving bij zijn. Je kunt die vergunningen
niet als gratis broodjes weggeven. Je zult daar een vorm van bewijsstuk
aan toe moeten voegen. Het kan dan niet zijn: kijkt u maar en als u er
niet aan voldoet, krijgt u meer risicogerichte handhaving. Dat kan niet.
Je zult aan de voorkant bewijs van naleving moeten vragen. Daarom is de
tweede variant, net als de eerste variant, die van high trust, high
penalty, niet mogelijk. De derde variant is bedrijven laten aantonen dat
ze veilig werken. Dat doen we op dit moment, via het bestaande systeem
van certificering.
Als je dat anders zou doen dan nu, dan moeten heel veel bedrijven die nu
al gewend zijn om het op deze manier te doen, dat weer aanpassen. Dan
moeten ze een vergunning aanvragen en hun certificeringssysteem
aanpassen, terwijl ze nu alleen een nieuwe vergunning hoeven aan te
vragen op basis van hun bestaande certificeringsschema. Dan krijg je
vanzelf nieuwe regeldruk, omdat je toch op een bepaalde manier moet
kunnen aantonen dat je voldoet aan de regels. Waarschijnlijk zal een
partij gaan vragen om meer documentatie. De vergunningverlener moet
kunnen toetsen of iemand het bewijs van naleving aanlevert; vandaar dat
die drie opties in onze ogen niet mogelijk zijn.
Mevrouw Van Ark vroeg mij wanneer we het risicogericht handhaven door de
Arbeidsinspectie mogelijk maken. Dat heeft weer te maken met wanneer het
wetsvoorstel daadwerkelijk in werking kan treden. Vanaf het moment van
inwerkingtreding kan het systeem dat op dit moment ontwikkeld wordt, het
risicomodel, worden gevoed met data. Daar is driekwart jaar voor nodig.
Ervan uitgaande dat het wetsvoorstel in februari of maart in werking zal
treden, zitten we dan in de laatste twee kwartalen van 2027. Daarmee
geef ik aan dat er op het risicogerichte gedeelte een gat valt. Ik zal
zo iets over uw motie zeggen, mevrouw Van Ark. Ik kan daar niks aan
doen. Dit is nou eenmaal het dilemma waar we in zitten. Ik kan het niet
mooier maken, dus ik ben daar maar gewoon eerlijk over. De
Arbeidsinspectie heeft essentiële informatie en kan dus handhaven, maar
niet op de risicogerichte manier waarop ze dat graag willen. Daar valt
een gat van driekwart jaar. Ik kan het niet mooier maken dan het
is.
Mevrouw Patijn vroeg mij om een voortgangsbrief. Die kan ik toezeggen.
Dit is eigenlijk hetzelfde punt als dat van de heer Ceulemans. Laten we
toezeggen dat ik de Kamer op de hoogte houd van de stappen die wij nemen
in dit proces.
Mevrouw Van Ark vroeg mij technisch gezien waar de certificering ...
De voorzitter:
Voordat u verdergaat: mevrouw Patijn heeft nog een vraag over de
toezegging die u net deed, vermoed ik zomaar.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, een beetje aansluitend op die toezegging. Ik hoorde de minister in
een van de eerste zinnen zeggen: we gaan nog een uitvoeringstoets laten
doen. Ik zou die ook graag willen ontvangen.
Minister Aartsen:
Ja. Laten we afspreken dat we u informeren over die stappen. Laten we
afspreken dat wij op het moment dat wij naar de Raad van State gaan dat
hele pakketje richting de Kamer sturen. Daar zit dan ook het ATR bij.
Dat sluit aan bij het punt van de heer Ceulemans. Dan kunnen we daar ook
nog over spreken als uw Kamer dat wenst.
De voorzitter:
Dank u wel. Die toezegging is genoteerd. Gaat u verder.
Minister Aartsen:
Mevrouw Van Ark vroeg nog technisch gezien waar de certificering in de
wet is geregeld. Die is geregeld in een ministeriële regeling in de
Arbeidsomstandighedenregeling. Daarin wordt een verwijzing naar het
certificatieschema geregeld. Met het certificatieschema wijzigt het
automatisch in de wet.
Ik zeg richting mevrouw Patijn dat ik nog zou dubbelchecken of bedrijven
uit andere Europese landen zich aan de Nederlandse wetgeving moeten
houden met een Nederlandse vergunning. Ik heb heel veel tekst, maar het
antwoord op die vraag is: ja.
De voorzitter:
U zou er alleen maar op terugkomen als het antwoord nee was, maar dit is
toch extra service aan mevrouw Patijn.
Minister Aartsen:
Service vanuit het kabinet!
Mevrouw Patijn vroeg mij nog wat er nu gebeurt voor latere
inwerkingtreding. Nogmaals, dan hebben we een probleem met Brussel. Dat
kan oplopen tot 9 miljoen euro. Als het naar het Hof van Justitie gaat,
dan lopen we nog eens kans op een probleem met dwangsommen. Dan loopt
het helemáál in de papieren. Dat probeer ik echt te voorkomen.
De heer Ceulemans vroeg mij nog of ik de gezondheidswinst kan
kwantificeren. Kwantificeren lukt mij niet, maar kwalificeren kan ik het
wel. Doordat er in dit stelsel door middel van de categorieën meer
risicogerichte handhaving plaatsvindt, kun je veel beter zien waar een
hogere blootstelling plaatsvindt. U kunt zich voorstellen dat het bij
een kitrandje om een iets minder hoge blootstelling gaat dan bij een
complete systeemwand. Op basis van de verschillende categorieën kan de
Arbeidsinspectie beter handhaven daar waar meer blootstelling
plaatsvindt. Dat is een rechtstreekse link met de gezondheidswinst. Er
is een betere inschatting mogelijk van de blootstellingsrisico's die
zich ergens zouden voordoen. Die kunnen vooraf ook al beter worden
ingeschat. Dat betekent dat de Arbeidsinspectie ook daar beter op kan
controleren. Slechte of malafide bedrijven die hier geld mee denken te
verdienen door zich niet aan de regels te houden, duw je hiermee uit de
markt. Langs die drie lijnen denkt het kabinet dat er in ieder geval
kwalitatief gezondheidswinst voor werknemers te behalen is.
Voorzitter, dan ga ik naar de moties.
De voorzitter:
Meneer Ceulemans heeft daar eerst nog een vraag over.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank voor het antwoord. Dit aspect is in het debat inderdaad vrij weinig
teruggekomen. We hebben het over het implementeren van een Europese
richtlijn, dus het is ook een soort moetje. Ik begrijp dat het kabinet
hiermee bezig is, maar het achterliggende doel is uiteindelijk
natuurlijk de gezondheidswinst. Daar is het in het debat en in de
achterliggende stukken eigenlijk vrij weinig over gegaan. We komen hier
nog op terug, ook met betrekking tot de aanvullende regelgeving die er
komt. Kan de minister in de aanloop naar de nadere bespreking die we
hierover hebben, proberen om de te verwachten gezondheidswinst meer in
kaart te brengen? Die is voor ons namelijk ook relevant in de afweging
ten opzichte van de extra regeldruk die erbij komt kijken.
De voorzitter:
Die vraag had u inderdaad in de tweede termijn gesteld.
Minister Aartsen:
Ik probeerde die net mondeling te beantwoorden, maar als u dat wenst,
kom ik daar nog wat uitgebreider op terug in de voortgangsbrief die we
toch gaan sturen. De reflectie die u gaf en overigens ook de reflectie
van mevrouw Patijn op dit onderwerp, maar ook over de grip, begrijp ik
compleet. In het begin van mijn inbreng heb ik het dilemma waar het
kabinet mee worstelde, ook proberen te schetsen. We hebben een systeem
dat prima functioneerde, maar waarin een aantal verbeteringen mogelijk
waren. Door een onderhandeling in Brussel zagen we ons genoodzaakt een
compleet nieuw systeem op te tuigen waarin heel veel dingen gewoon een
stelselwijziging zijn en niet zozeer een concrete verbetering. Daarom
hebben we gezegd: op deze onderdelen zien we dat wel op de manier zoals
we het invullen.
Voorzitter. Dan ga ik naar de moties.
De voorzitter:
Apprecieert u eerst de vijf moties en dan het amendement?
Minister Aartsen:
Ja, tenzij u het anders wilt.
De voorzitter:
Nee, hoor. Dat is prima. Gaat uw gang.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 10 van de VVD kan ik oordeel Kamer geven. Een
aanvullende zienswijze van het ATR is gewoon mogelijk. Dat levert geen
vertraging op. Dat laten we dan parallel lopen met de wetgevings- en de
uitvoeringstoets. Die sturen we dan samen met het hele pakketje rondom
het besluit richting de Raad van State.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
Ook de motie op stuk nr. 11 kan ik aan het oordeel van de Kamer laten.
We hebben inderdaad al flink gesproken over de indeling. Erkende
werkmethoden leiden inderdaad op projectbasis tot een verlichting van de
administratieve lasten. Bij verwerking van de internetconsultatie kan ik
de vraag meenemen in hoeverre erkende werkmethoden kunnen leiden tot
minder zware verplichtingen. Als ik de motie op die manier mag lezen,
dan geef ik 'm oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11 van Van Ark mag u zo lezen, zie ik aan het
gezicht van mevrouw Van Ark.
Minister Aartsen:
Dat scheelt weer.
De voorzitter:
Die motie krijgt dan oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
Heel goed.
"Verzoekt de regering om de Kamer te informeren." Dat heb ik zojuist ook
toegezegd, dus ik kan deze motie ook oordeel Kamer geven. Dat zal ik
gaan doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12 van Van Ark: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 13 gaat over het gat. Nogmaals, ik kan het niet
mooier maker dan het is. Ik ga hier dus ook geen zoete broodjes
verkopen. Er zal een gat ontstaan als het gaat om risicogericht
toezicht. Daar kiezen we niet actief voor. De werkelijkheid, de
realiteit, de praktijk is soms gewoon zoals die is. De perfecte optie
bestaat niet altijd. Ik wil daarover eerlijk zijn richting uw Kamer. Ik
doe dus eigenlijk het verzoek om de motie aan te houden. Ook al zou ik
het willen, ik kan de motie niet uitvoeren.
De voorzitter:
Maar zegt u "ontijdig" of "ontraden"?
Minister Aartsen:
Dan ontraad ik de motie, maar ik verzoek eigenlijk om 'm aan te houden.
Ik probeerde te schetsen hoe het zit. Het is geen onwil.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik zit een beetje te zoeken naar wat we hiermee zouden kunnen doen. De
gedachte erachter is dat we het risicogericht toezicht niet willen
weghalen. We willen dat optimaal hebben. Kan de minister misschien
zeggen hoe hij de motie zodanig zou kunnen lezen dat die wel oordeel
Kamer kan krijgen? En kan hij mogelijk een brief toezeggen?
Minister Aartsen:
Laat ik nog een keer duidelijk zijn. We stoppen niet met risicogericht
toezicht; dat blijft bestaan. Het systeem dat de Nederlandse
Arbeidsinspectie gebruikt om risicogericht toezicht in te kunnen zetten
— ik heb het niet over het normale toezicht, want dat blijft sowieso
doorgaan, maar over het risicogericht toezicht, waar we dus een systeem
voor nodig hebben — kunnen ze pas laden met data op het moment dat de
wet in werking treedt. Dan hebben ze nog driekwart jaar nodig. Vanaf dat
moment is het dus niet mogelijk om volledig risicogericht toezicht te
hebben. Ze hebben nog driekwart jaar nodig om dat op poten te zetten. Ik
kan het niet mooier maken dan het is. Ik ben daar open en eerlijk in. Ik
kan u wel toezeggen dat ik een beroep ga doen op de Nederlandse
Arbeidsinspectie om dat gat zo klein mogelijk te houden en om wel te
kijken naar andere methoden om iets meer risicogericht te handhaven dan
plat te handhaven, maar dan niet zoals we gewend waren. Maar het is een
gat van driekwart jaar; dat is te overzien. Het is niet zo dat als de
Arbeidsinspectie niet risicogericht handhaaft, een dag later alle
Nederlandse bedrijven alles uit hun handen laten vallen en zich niet
meer aan de regels houden. Zo moet het ook zijn. Veel van de partijen
geloven in het maatschappelijk middenveld, in bedrijven en in de
samenleving. Heel veel bedrijven zullen zich vanuit zichzelf netjes aan
de regels houden, ook als er niet driekwart jaar risicogericht wordt
gehandhaafd.
De voorzitter:
Mevrouw Van Ark, is deze toezegging van de minister voldoende om uw
motie aan te houden of in te trekken? Of laat u de motie gewoon
staan?
Minister Aartsen:
Politiek door de voordeur, zou uw partijleider zeggen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik hou 'm aan.
Minister Aartsen:
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan wordt de motie op stuk nr. 13 aangehouden. Maar mevrouw Patijn wil
daar wel nog wat over zeggen.
Minister Aartsen:
Die heeft meegetekend.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, als mede-indiener heb ik er toch nog een vraag over. Ik begrijp nog
niet — dat is gewoon een vraag — waarom het LAVS-systeem niet een jaar
langer in de lucht gehouden kan worden en het andere systeem pas een
jaar later in kan gaan. Dit gaat over het melden. Zou die lagere
regelgeving niet uitgewerkt kunnen worden — het wordt toch allemaal in
lagere regelgeving uitgewerkt; sorry voor mijn cynisme — zodat in de
overgangsfase het LAVS-systeem nog in de lucht gehouden wordt?
Minister Aartsen:
Nee, dat kan oprecht niet, omdat de wet en het nieuwe stelsel
voorschrijven dat een aantal zaken in dat systeem moeten worden
opgenomen. Ik noemde net al het registratienummer van een medewerker.
Dat kan op dit moment niet in het huidige LAVS-systeem. Dan moet je dat
LAVS-systeem dus aanpassen. Dat kost heel veel geld. Als je dat wilt
gaan doen, is dat voor een hele korte periode, omdat je het systeem moet
aanpassen naar de nieuwe wet. Je hebt dus een oud systeem en een nieuwe
wet met een nieuw systeem. Als je nu het oude systeem helemaal gaat
ombouwen naar een nieuwe wet, kost dat gewoon geld. Het is een systeem
dat afloopt, dat oud is, dat wordt uitgefaseerd, waarvan de levensduur
op is. Het is oprecht geen onwil.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp het oprecht niet. Ik hoor de minister net zeggen: het duurt
driekwart jaar voordat het nieuwe systeem in werking is getreden en het
geladen kan worden. Duurt het nou driekwart jaar voordat het geladen kan
worden? Dan kunnen er ook nog geen gegevens in verwerkt worden. Dan zou
ik zeggen: hou dat LAVS-systeem in de lucht. Dan voeren we het maar een
klein beetje minder exact uit, maar dan gaat het gewoon om de gegevens
die nu ook geladen worden in het LAVS. Dan kunnen alle gegevens een jaar
later, in het nieuwe systeem, compleet geladen worden.
Minister Aartsen:
En dat kan niet, want dan voldoen we niet aan de wet. De wet vereist dat
een aantal dingen moeten worden gemeld. Daar is het nieuwe systeem ook
op gericht. Dat is dat DSO. Dat is vanaf de inwerkingtreding gewoon
compleet operationeel. Alleen, om die gegevens te kunnen gebruiken voor
risicogericht toezicht, moet er een nieuw systeem worden gebouwd. Daar
is een nieuw systeem vanuit de Arbeidsinspectie voor nodig. Daar hebben
ze die data voor nodig. Daar hebben ze die driekwart jaar voor nodig. Ze
kunnen dat pas operationeel krijgen als er drie maanden lang data uit
het nieuwe systeem komen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn, tot slot.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Maar de wet schrijft toch voor dat de gegevens die verwerkt worden in
dat DSO-systeem gestopt worden met als doel om die te gebruiken om te
handhaven? Maar als het systeem het vervolgens niet mogelijk maakt om te
handhaven, dan voldoe je toch ook niet aan de wet?
Minister Aartsen:
Dat systeem wordt wel gebruikt om te handhaven. Je kunt gewoon
handhaven: je kunt er gewoon eentje uittrekken en zeggen "ik heb de
informatie dat hier volgende week een sanering plaatsvindt, dus ik ga
handhaven". Dat is de platte variant — zo noem ik het maar even — van
handhaven. Die informatie zit er dus gewoon in. Dat kan gewoon.
Onze Nederlandse Arbeidsinspectie zegt echter: "Wacht even, gewoon
willekeurig een blaadje van de stapel pakken is een niet bijster
intelligente manier om te handhaven. Wij kijken op een veel
intelligentere manier, we werken namelijk risicogericht; bij welk type
werkzaamheden is er meer risico?" Daar zit een heel algoritme achter.
Dat algoritme is het systeem dat opnieuw moet worden gemaakt. Dat heeft
data nodig om een fatsoenlijke uitkomst te kunnen geven. Ze hebben
driekwart jaar de tijd nodig om dat systeem te vullen. Nogmaals, dit is
echt geen onwil, maar gewoon de praktijk: dit is hoe zo'n systeem werkt.
Daarom kan ik het oprecht niet mooier maken dan dit.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik wil de minister heel graag geloven als hij zegt dat het geen onwil
is, maar de ene helft van de tijd zegt hij "het is geen onwil, want het
kan niet" en de andere helft van de tijd zegt hij "het is te duur om het
systeem aan te passen". Het is denk ik een van die twee. Als het te duur
is, wil ik graag weten wat dat dan kost. Dan kunnen we namelijk bepalen
of we dat ervoor over hebben.
Minister Aartsen:
Je gaat dan een systeem dat uitloopt … We hebben de Kamer daarover al in
februari geïnformeerd. Ik moet dan even verwijzen naar die brief; ik
weet niet of daar kosten in staan. Als u die brief nog een keer wilt
ontvangen, dan krijgt u die.
De voorzitter:
Dat mag altijd, want de Kamer heeft gewoon recht op de informatie.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Daar gaat het eigenlijk om: het is het een of het ander. Of het kan écht
niet … Maar ja, de minister zegt ook: het kan wel, maar het is te duur.
Dan is het misschien handig dat we nog even van de minister horen wat
dat dan kost, voordat we bepalen wat we met die motie en met die wet
doen. Het aanpassen van het systeem zou namelijk ook €250.000 kunnen
kosten, bijvoorbeeld. Dat is hartstikke veel geld, maar misschien hebben
we dat er wel voor over om negen maanden lang dat gat te kunnen
dekken.
Minister Aartsen:
Ik zal eens even navragen wat dat kost. Maar in alle eerlijkheid: het is
een systeem dat afloopt. Het is einde oefening. Er is ook besloten dat
het afloopt. We weten ook hoe dat werkt: dat is niet een computer waar
je een stekker in en uit stopt, maar dat loopt helemaal af. Daar komen
ook geen updates meer voor. Dat systeem wordt eindig gemaakt. Het is dus
niet mogelijk — en als je dat zou willen, zou dat trouwens ook zeer
kostbaar zijn — om dat op die manier aan te passen.
Je moet ook gewoon een balans hebben. We hebben zo meteen een systeem
waarmee je kunt handhaven. Daar zit alleen die risicogerichtheid nog
niet in. Daarvoor bouwt de Arbeidsinspectie een nieuw systeem. Die geeft
aan daar gewoon driekwart jaar de tijd voor nodig te hebben. Ik blijf
het zeggen: ja, dat is vervelend, maar we moeten ook niet doen alsof
morgen heel de wereld vergaat als we driekwart jaar niet risicogericht
handhaven. Het is niet zo dat ondernemers dan denken: "O, mooi. De
Arbeidsinspectie handhaaft wel op normale wijze, maar niet op
risicogerichte wijze. Laat ik maar gelijk malafide worden en me aan alle
regels onttrekken." Zo werkt de wereld natuurlijk ook niet. Ik probeer
dit dus wel even in de juiste proporties te schetsen.
O, ik krijg nu ook door dat dit miljoenen zou kosten. Als u meer wilt
weten, dan zeg ik dat toe.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Kan de minister ons misschien wat duidelijkheid geven over wat de
Arbeidsinspectie in de periode van dat gat gaat doen? Is er iets wat
bijvoorbeeld de VNG en de omgevingsdiensten in de tussentijd kunnen doen
om wel te kunnen handhaven? Ik kan me niet voorstellen dat ze driekwart
jaar achterover gaan hangen. Misschien kunnen die op de een of andere
manier een pleister plakken om in die tussentijd toch wel te kunnen
handhaven.
Minister Aartsen:
Dat kan ik doen. Laat ik anders gewoon even een brief sturen,
voorafgaand aan de stemmingen, waarin ik nog eens even helemaal
uiteenzet waarom het niet kan, waarom het peperduur zou zijn — dat heeft
ook te maken met dat "end of life"-punt — en waarom het heel
onverstandig zou zijn om dit te doen. Ik zal ook aangeven wat de
effecten zijn, want nogmaals, het is niet zo dat de wereld dan gelijk
morgen instort. Ik zal ook aangeven wat de Arbeidsinspectie zelf doet om
dat risico te mitigeren.
De voorzitter:
Dat lijkt me een uitstekende toezegging.
Minister Aartsen:
Ja, zal ik het zo doen?
De voorzitter:
Dan kijk ik toch nog even naar mevrouw Van Ark. Blijft de motie
voorlopig staan?
Mevrouw Van Ark (CDA):
We laten hem even staan en wachten de brief af.
De voorzitter:
Oké. Dat lijkt mij de juiste volgorde van dingen. Dus de minister komt
met een brief en dan wordt besloten door de indieners of de motie al dan
niet in stemming wordt gebracht.
Dan bent u bij de laatste motie, de motie op stuk nr. 14.
Minister Aartsen:
Ja. Dat is de motie van de heer Neijenhuis over regeldruk. Ik deel zijn
analyse dat we inderdaad moeten oppassen dat er niet iedere keer nieuwe
regels worden toegevoegd. Laat ik het voorstel doen dat ik bijvoorbeeld
in de komende brief over gezond en veilig werk op zal nemen welke zaken
we niet meer als nieuwe wetgeving gaan starten, want dat is ook zo'n
dossier waarin we zien dat er vaak nieuwe wetgeving wordt gestart. Ik
zal de Kamer informeren over welke wetgeving we niet meer starten.
Daarbij verwijs ik ook even naar de motie van de heer Neijenhuis
daarover. De motie zoals die nu voorligt moet ik wel ontraden, want dit
zit echt op het gebied van het ministerie van Economische Zaken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 14 wordt ontraden. Dan ligt er nog een
amendement.
Minister Aartsen:
Ja, en ik heb nog één ander punt dat ik even moet melden om te zorgen
dat ik overcompleet ben.
Het amendement moet ik ontraden. Dat heb ik in het debat ook al
aangegeven. Het is belangrijk dat er bij het ministerie van IenW nu
eerst wordt gewerkt aan regelgeving over welke bewerkingen worden
toegestaan. Daar kan en wil ik niet op vooruitlopen. Als dat geregeld
is, dan hebben we hiermee een grondslag gecreëerd om dat te doen. Het is
echter echt niet aan de orde om dat nu te doen. Vandaar dat ik 'm moet
ontraden.
De voorzitter:
Het amendement van de leden Dijk en Patijn op stuk nr. 15 wordt
ontraden.
Minister Aartsen:
De heer Ceulemans vroeg of dan in december over het hele pakket gestemd
kan worden. Daar moet ik hem toch met terugwerkende kracht iets in
teleurstellen. Dat kan niet. De Raad van State neemt pas een AMvB in
behandeling op het moment dat beide Kamers over het wetsvoorstel hebben
gestemd en dat hebben aangenomen. De Tweede Kamer, sorry. Niet beide
Kamers, maar de Tweede Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel minister. Dan zijn wij bij het einde van de beraadslaging
gekomen over het wetsvoorstel.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
De stemming over het wetsvoorstel, de moties en het amendement is op 10
juni 2026. Voor die tijd stuurt de minister dus nog een brief aan de
Kamer.
Dan wil ik de minister heel hartelijk danken voor zijn komst naar de
Kamer. Ik hoop dat alle Kamerleden tevreden zijn over het debat zoals
dat met elkaar is gevoerd.
Ik wil graag de vergadering schorsen voor een dinerpauze tot 19.15 uur.
Maar voordat ik dat doe, heeft mevrouw Patijn misschien nog een punt van
orde.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
We doen toch altijd eerst even de amendementen? Of in dit geval niet?
Waarom is dat?
De voorzitter:
Het is één amendement. Uiteraard wordt dat in stemming gebracht voor het
wetsvoorstel, maar wel allemaal op dezelfde dag, op 10 juni 2026, omdat
het één amendement is. Het wil wel eens voorkomen dat er heel veel
amendementen zijn en dan doen we het inderdaad gesplitst. Maar in dit
geval, omdat er één amendement is — tenzij de Kamer dat anders wil
natuurlijk — denken wij dat het wel kan.
Ik wens u allemaal een goede dinerpauze. We zijn iets verder en we
houden altijd drie kwartier dinerpauze, dus om 19.20 uur gaan we weer
verder met volgende debat.
Dank u wel.
De vergadering wordt van 18.33 uur tot 19.19 uur geschorst.