[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Evaluatie SBIR en EZK-cofinanciering 2018-2024

Innovatiebeleid

Brief regering

Nummer: 2026D25427, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 11:48, versie: 3 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 33009 -177 Innovatiebeleid.

Onderdeel van zaak 2026Z11180:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


33009 Innovatiebeleid

Nr. 177 Brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 mei 2026

Met deze brief bied ik uw Kamer de evaluatie aan van het SBIR (Small Business Innovation Research) instrument, sinds 2024 bekend als de Innovation Impact Challenge, en zet ik uiteen hoe ik hier opvolging aan geef. Doel van de evaluatie was tweeledig. Enerzijds was dit inzicht verkrijgen in de doeltreffendheid en doelmatigheid van SBIR als instrument, daarnaast was dit inzicht verkrijgen in de mate waarin de cofinanciering beschikbaar gesteld door het ministerie van EZK doeltreffend en doelmatig was. De evaluatie is uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en is gevalideerd door een externe deskundige.

Werking van het instrument

SBIR/Innovation Impact Challenge is een innovatiecompetitie waarmee een aanbestedende dienst als opdrachtgever een maatschappelijk vraagstuk in de markt zet en bedrijven, mkb of anderszins, worden uitgedaagd hiervoor een innovatieve oplossing te bedenken en desgevraagd te ontwikkelen. Het is geen (EZ-) subsidieregeling, maar een mogelijkheid binnen de aanbestedingswet om innovatie te stimuleren, via pre-commerciële inkoop (PCP) procedures. De competitie bestaat uit twee fases, een haalbaarheidsonderzoek door een groter aantal bedrijven naar mogelijke oplossingen, gevolgd door de ontwikkeling van een prototype door een kleiner aantal bedrijven. Voor beide fases stelt de opdrachtgever middelen beschikbaar.

Doel van het instrument is om nieuwe, innovatieve oplossingen voor actuele vraagstukken in het publieke domein te stimuleren en daarbij het innovatiepotentieel van het bedrijfsleven te benutten. Daarbij kan de overheid optreden als ‘launching customer’ en een markt creëren voor innovatieve bedrijven, wat verdere ontwikkeling en brede marktadoptie ondersteunt. Een inkoopverplichting kent SBIR/Innovation Impact Challenge niet. Dat betekent dat er geen sprake is van gegarandeerde afname door de overheid na afloop van het traject. Ondernemers dienen in hun plan wel mee te nemen hoe de innovatie ook buiten de overheid vermarkt kan worden. De aanbestedende dienst (opdrachtgever) stelt in beginsel het budget beschikbaar voor beide fases van het traject. In de periode 2017-2022 heeft het ministerie van EZK € 11,5 miljoen beschikbaar gesteld ter cofinanciering van het budget van aanbestedende diensten voor een SBIR/Innovation Impact Challenge.1

Bevindingen

Doeltreffendheid en doelmatigheid SBIR

De doeltreffendheid van het instrument is opgedeeld in doeltreffendheid ten aanzien van het vinden van oplossingen voor het in de markt gezette maatschappelijk probleem enerzijds, en het stimuleren van innovatie en innovatieprestaties bij bedrijven anderzijds.

De doeltreffendheid ten aanzien van het oplossen van maatschappelijke problemen wordt als zeer beperkt beoordeeld. De oplossingen waren volgens de aanbestedende diensten nog vaak onvoldoende om te implementeren of toe te passen. Dit leidde ertoe dat oplossingen niet werden ingekocht en deels ook niet op de markt werden gebracht. De oorzaak van de beperkte doeltreffendheid lijkt met name te liggen bij aanbestedende diensten. Genoemde oorzaken in de evaluatie zijn: onvoldoende nagedacht hebben over het vervolgtraject (inkoop) na afloop van de SBIR, dat de aanbestedende dienst niet ook verantwoordelijk is voor de inkoop, dat het probleem na afronding van het SBIR-traject niet meer actueel is en een gebrek aan interesse vanuit aanbestedende diensten voor de oplossing.

De evaluatie laat verder zien dat de SBIR op doeltreffende wijze bijdraagt aan het stimuleren van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe producten binnen bedrijven. Omdat de innovaties slechts zeer beperkt op de markt zijn gebracht ten tijde van de evaluatie, worden de uiteindelijk gerealiseerde innovatieprestaties toch als zeer beperkt doeltreffend beoordeeld.

Gezien de beperkte mate waarin de doelstellingen van het SBIR-instrument zijn bereikt in de evaluatieperiode, is ook de doelmatigheid van het SBIR-instrument als beperkt aangeduid. Dit betreft een beoordeling van de effecten van het SBIR-instrument in verhouding tot de ingezette overheidsmiddelen. De geringe resultaten die uiteindelijk worden gerealiseerd bij het adresseren van maatschappelijke vraagstukken en het op de markt brengen van innovaties, beperken de doelmatigheid van het instrument; een beoordeling van de effecten van het SBIR-instrument in verhouding tot de ingezette overheidsmiddelen. Naast de doelmatigheid van het instrument (ook wel macrodoelmatigheid), is ook de doelmatigheid van specifiek de uitvoering van het instrument geëvalueerd (microdoelmatigheid). De aanbestedende diensten beoordelen de uitvoering van het SBIR-instrument overwegend positief. Ook deelnemende bedrijven ervaren deelname aan een SBIR positief. Ze kunnen R&D uitvoeren die ze zonder een opdracht vanuit de SBIR niet hadden kunnen doen.

Doeltreffendheid en doelmatigheid van de cofinanciering

Uit de evaluatie blijkt dat de tijdelijke cofinanciering door het ministerie voor veel aanbestedende diensten als belangrijk is ervaren voor het starten van een SBIR-traject of de omvang daarvan. Zonder deze bijdrage zouden veel trajecten niet van de grond zijn gekomen, of op kleinere schaal zijn uitgevoerd. De cofinanciering is daarmee doeltreffend in het stimuleren van extra SBIR-activiteit. Tegelijkertijd wordt in de evaluatie benadrukt dat de doeltreffendheid van de cofinanciering uiteindelijk afhankelijk is van de effectiviteit van het instrument zelf, en dus samenhangt met het beperkte maatschappelijke en economische effect dat in veel gevallen is waargenomen.

De evaluatie laat zien dat de tijdelijke cofinanciering een belangrijke prikkel vormde voor aanbestedende diensten om een SBIR te starten of de omvang ervan te vergroten. Echter, gezien de beperkte doelmatigheid van het SBIR-instrument zelf wordt ook de doelmatigheid van de cofinanciering ervan als beperkt beoordeeld. De uitvoering van de cofinanciering is overwegend positief beoordeeld door de diensten die een aanbesteding hebben doorlopen.

Beleidsconclusies

Ik onderschrijf dat het instrument SBIR, in de opzet gedurende de evaluatieperiode, onvoldoende tot zijn recht kwam. Dat blijkt uit de evaluatie, waarin zowel de doeltreffendheid als de doelmatigheid als (zeer) beperkt worden beoordeeld. Tegelijkertijd laat de praktijk zien dat de SBIR/Innovation Impact Challenge onder de juiste voorwaarden wel waardevol kan zijn. Soortgelijke instrumenten in het buitenland blijken erg effectief in het realiseren van maatschappelijke impact en private R&D-investeringen. Hieruit volgt dat de beperkte impact van het instrument niet zozeer ligt aan de opzet, maar vooral in een aantal structurele, institutionele keuzes over hoe het instrument is gepositioneerd binnen het stelsel voor (innovatiegericht) inkopen.

Ten eerste is sprake van een structurele mismatch tussen de inzet van het instrument, de fase in de innovatieketen en de beschikbare schaal. Het equivalent van de Innovation Impact Challenge in andere landen wordt vaak ingezet ná een eerder ontwikkeltraject. Het instrument is in de Verenigde Staten bijvoorbeeld programmatisch ingebed in een bredere innovatieketen, waarbij fundamentele technologieontwikkeling vaak wordt ondersteund via Advanced Research Projects Agency (ARPA)-programma’s. SBIR werd pas daarna ingezet, als tactisch instrument om toepassing in een concrete overheidscontext mogelijk te maken. In Nederland ontbreekt vaak zo’n programmatische voorfase. Daardoor werd de SBIR ook gebruikt voor innovaties met een beperkt toepassings- of afnameperspectief. De beschikbare middelen zijn daarbij beperkt, waardoor goed werkende prototypes vaak niet werden opgeschaald.

Ten tweede werd de SBIR vaak ad hoc en vrijblijvend ingezet, zonder inbedding in een overkoepelende strategie. De OECD onderstreept in Public Procurement for Public Sector Innovation (2024) dat innovatiegericht inkopen sterk kan bijdragen aan economische groei, technologische vernieuwing en betere publieke dienstverlening, mits er voldoende schaal wordt georganiseerd en er structurele leercycli worden ingericht binnen publieke organisaties.2 Met de opzet van de SBIR was het leereffect bij aanbestedende diensten beperkt en was het lastig om kennis en ervaring duurzaam te verankeren in het inkoopproces. Losstaand is het instrument moeilijk te combineren met de gehele waardeketen en andere doelen van publieke inkoop, zoals duurzaamheid, leveringszekerheid en kostenbeheersing. Zonder centrale strategie en ondersteuning kan het instrument niet de motor voor verandering zijn, waar het wel de potentie toe heeft.

Ten derde zijn de baten van een Challenge verspreid, maar de kosten geconcentreerd. Omdat de relatief hoge kosten van een innovatiegericht aanbestedingstraject nu bij één partij liggen na het aflopen van de cofinanciering, is de prikkel tot starten/gebruikmaken van een traject van de Innovation Impact Challenge voor een aanbestedende dienst mogelijk beperkt.

Gezien de conclusies van de evaluatie is het belangrijk verbeteringen door te voeren ten behoeve van de doeltreffendheid van de Innovation Impact Challenge. Op de korte termijn zijn de aanbevelingen uit de evaluatie opgevolgd binnen de bestaande inrichting en positionering van het instrument. Al voor de evaluatie en ook daarna zijn door RVO verbeteringen in gang gezet, onder meer gericht op de thematische uitwerking van calls, intensievere betrokkenheid van stakeholders in de ontwerpfase en betere zichtbaarheid van resultaten. Daarnaast werkt RVO samen met aanbestedende diensten aan het verbeteren van de opvolging van uitgevoerde trajecten, onder meer door actiever de aansluiting te zoeken bij potentiële afnemers van ontwikkelde oplossingen. Ook wordt ingezet op het actief verwijzen naar vervolginstrumenten die ondernemers kunnen ondersteunen bij opschaling en markttoetreding.

Parallel aan deze uitvoeringsmaatregelen heeft een ambtelijke projectgroep, volgend op het 3%-R&D-actieplan,3 een verkenning uitgevoerd naar de oprichting van een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI).4 Uit de verkenning komt naar voren dat NADI de functie van de Innovation Impact Challenge effectiever kan gebruiken en op grotere schaal kan inzetten, met een sterkere programmatische inbedding en koppeling aan publieke inkoop. De uitwerking hiervan wordt meegenomen in de oprichting van NADI, aangekondigd in het coalitieakkoord.

De minister van Economische Zaken en Klimaat,

H.G. Herbert


  1. In twee gevallen zijn met deze middelen Innovatiepartnerschappen van cofinanciering voorzien. Innovatiepartnerschappen lijken op de Innovatie Impact Challenge, maar vereisen sterker commitment aan afname van de oplossing. Ten tijde van de evaluatie was er nog te weinig ervaring met deze partnerschappen om ze volledig mee te nemen, waardoor de focus ligt op de SBIR/Innovatie Impact Challenge.↩︎

  2. OECD (2024). Public Procurement for Innovation: Good Practices and Strategies for the Public Sector.↩︎

  3. Kamerstukken II 2024-2025, 33 009, nr. 165.↩︎

  4. Kamerstukken II 2025-2026, 33 009, nr. 175.↩︎