Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal)(Kamerstuk 32637-757)
Bedrijfslevenbeleid
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D25666, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 14:52, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat (D66)
- Mede ondertekenaar: G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z08999:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-28 12:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-05-20 12:00 ⇒ Inbrengdatum voor het stellen van vragen t.b.v. een schriftelijk overleg vaststellen op donderdag 28 mei 2026. (Besluit)
- 2026-05-12 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-05-12 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-20 12:00: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-05-28 12:00: Ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
| INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG | ||
| Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het Ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal) (Kamerstuk 32637, nr. 757). | ||
De voorzitter van de commissie, Huizenga |
||
| Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman |
||
| I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties | ||
Inhoudsopgave Inleiding D66-fractie GroenLinks-PvdA-fractie CDA-fractie |
||
Inleiding De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het ontwerpbesluit), dat regelt dat organisaties met minder dan 250 werknemers worden uitgezonderd van de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit. Deze leden danken de staatssecretaris voor de nota van toelichting en de begeleidende brief. Zij hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken en van het eerdere streven van het vorige kabinet om de klimaatdoelen af te zwakken. Deze leden kunnen hier niet mee instemmen. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Zij hebben tevens kennisgenomen van de door het midden- en kleinbedrijf (mkb) ervaren en daadwerkelijke regeldruk ten gevolge van de rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer en onderschrijven het belang van de vermindering daarvan. Deze leden zijn vanwege het belang van die vermindering van regeldruk voorstander van de voorliggende uitzondering. Zij hebben over de uitwerking van het ontwerpbesluit nog diverse vragen. D66-fractie De leden van de D66-fractie lezen dat door dit ontwerpbesluit het beoogde reductiedoel voor werkgebonden personenmobiliteit in 2030 wordt verlaagd van 1,5 megaton naar 1,2 megaton CO2. Zij lezen tevens dat de staatssecretaris dit verlies wil compenseren door de brandstoftransitieverplichting geleidelijk te verhogen. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe zij garandeert dat deze verhoging de ontbrekende 0,3 megaton daadwerkelijk, tijdig en volledig zal opvangen. De leden van de D66-fractie vragen tevens, in navolging van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), of deze compenserende maatregelen op zichzelf niet tot nieuwe en mogelijk forse regeldruk zullen leiden, waardoor de nu beoogde vermindering van regeldruk deels teniet wordt gedaan. Op welke wijze wordt de Kamer over de regeldrukeffecten van deze compenserende maatregelen geïnformeerd? Daarnaast delen deze leden de zorgen van het ATR omtrent het snel wijzigende overheidsbeleid. Deze leden constateren dat binnen twee jaar na invoering verplichtingen worden geschrapt waarvoor bedrijven reeds investeringen in tijd en systemen hebben gedaan. Zij lezen dat de staatssecretaris onderkent dat dit haaks staat op het streven naar een betrouwbare overheid en stabiel beleid. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe dergelijke snelle en ingrijpende beleidswijzigingen en de daarmee gepaard gaande desinvesteringen en onzekerheid voor ondernemers in de toekomst bij klimaatwetgeving voorkomen kunnen worden. De leden van de D66-fractie lezen tot slot dat verschillende overheidsorganisaties tijdens de internetconsultatie hebben gewezen op het belang van de rapportageverplichting voor het verkrijgen van inzicht in de CO2-uitstoot en voor het stimuleren van verduurzaming bij werkgevers. Aangezien een aanzienlijk deel van de bedrijven nu buiten de rapportageplicht valt, vragen deze leden hoe de staatssecretaris de monitoring van de CO2-uitstoot bij het midden- en kleinbedrijf (mkb) de komende jaren gaat vormgeven. Welke alternatieve instrumenten gaat zij inzetten om ook het mkb te blijven stimuleren tot het verduurzamen van hun mobiliteitsbeleid? GroenLinks-PvdA-fractie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen zich voorstellen dat het voor kleine ondernemers een opgave is om te rapporteren over hun klimaatschade en de bijdrage van het woon-werkverkeer van hun werknemers. Zeker voor werk dat niet rechtstreeks bijdraagt aan het bedrijfsresultaat zal het worden ervaren als hinderlijk en ondoelmatig voor het bedrijf zelf. Het maatschappelijk belang is echter groot en bedrijven met meer dan 100 werknemers hebben met hun activiteiten een voldoende grote maatschappelijke en klimaatimpact om een bijdrage te kunnen vragen. De rapportageverplichting is immers niet alleen bedoeld om gegevens te verzamelen voor een beter inzicht in kilometers en emissies, maar ook om werkgevers te stimuleren hun inzet op het beperken van de klimaatimpact en woon-werkkilometers op te voeren. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de klimaatdoelen steeds verder uit zicht komen, met het schrappen van de verplichting voor duizenden bedrijven en honderdduizenden werknemers en tegelijk het verlagen van de doelstellingen voor de CO2-uitstoot. Deze leden hadden hier eventueel mee kunnen instemmen, als het kabinet met een geloofwaardig effectieve alternatieve maatregel was gekomen, die ervoor zorgt dat de transitie naar emissievrij verkeer en afname van het woon-werkverkeer geen vertraging oploopt. Dat is niet gebeurd. Erger nog, de toch al weinig ambitieuze doelstellingen zijn gewoon verlaagd. In artikel 5,3 van de memorie schrijft de staatssecretaris dat in 2026 wordt bepaald of een aanpassing van het (verlaagde) emissieplafond noodzakelijk is. Wat deze leden betreft is dat zeker noodzakelijk. Terug naar 1,5 megaton of beter met een bijbehorend pakket aan alternatieve maatregelen. Is de staatssecretaris hiertoe bereid? Welke extra maatregelen zijn in voorbereiding en hoe snel kunnen die worden ingevoerd? Hoe voorkomt de staatssecretaris dat met een compensatie via de brandstoftransitieverplichting de last op het behalen van de doelen verschuift van werkgevers naar gewone mensen, die nu al worstelen met hoge brandstofprijzen? Waarom is dit beter of eerlijker of effectiever? Was de regeling niet ook bedoeld om werkgevers te stimuleren om hun werknemers minder te laten rijden? Wat zijn de gevolgen voor de filedruk en het aantal afgelegde kilometers woon-werkverkeer? Wat zijn de gevolgen voor de transitie naar EV en de lease? CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben allereerst vragen over de drie verschillende loketten waar ondernemingen op dit moment bij dienen te rapporteren over werkgebonden personenmobiliteit. In de ontwerpnota van toelichting staat dat deze loketten zijn ingesteld op grond van respectievelijk het besluit Werkgebonden Persoonsmobiliteit (WPM), de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de Energy Efficiency Directive (EED). Deze leden onderschrijven het door de werkgroep regeldruk werkgebonden personenmobiliteit geuite ideaalbeeld dat organisaties maar één keer gegevens hoeven aan te leveren via één loket, juist in het kader van de vermindering van de regeldruk. Daarom maken deze leden zich zorgen over de reactie van de staatssecretaris op deze uiting, namelijk dat dit ideaalbeeld pas na 2028 gerealiseerd zou kunnen worden en het ingrijpende maatregelen zou vergen van het besluit WPM. Deze leden vragen hoe de staatssecretaris haar reactie beoordeelt in het licht van het doel van het ontwerpbesluit, namelijk de directe vermindering van regeldruk voor het mkb. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitleg van de staatssecretaris dat de gegevens die op grond van het besluit WPM, de CSRD en de EED moeten worden gerapporteerd en de methode voor het berekenen van de CO2-uitstoot momenteel niet hetzelfde zijn. De staatssecretaris doet momenteel onderzoek naar de mogelijkheid en wenselijkheid van de aanpassing van het besluit WPM, zodanig dat op grond daarvan dezelfde gegevens worden gerapporteerd als op grond van de CSRD en de EED. Deze leden vragen hoe de voortgang van het onderzoek verloopt en of de staatssecretaris bereid is maatregelen te treffen die deze voortgang bespoedigen. De leden CDA-fractie hebben voorts kennisgenomen van het standpunt van de staatssecretaris dat er momenteel slechts sprake is van een beperkte overlap tussen de door de CSRD en de EED vereiste gegevens enerzijds en de door de WPM vereiste gegevens anderzijds. Deze leden hechten er toch aan te benadrukken dat het van groot belang is dat - ondanks dat sprake zou zijn van beperkte overlap - de staatssecretaris een oplossing biedt voor die bedrijven die wél moeten rapporteren op grond van zowel de CSRD en de EED, als de WPM. De leden van de CDA-fractie wijzen op het feit dat het, ondanks dat er een uitzondering gaat gelden, van belang is dat er zicht blijft op de werkgebonden mobiliteit van de organisaties die onder de uitzondering vallen. Deze leden vragen op welke manier de staatssecretaris dit gaat doen. |
||