Landenbeleid Afghanistan
Vreemdelingenbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D25679, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-01 14:39, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie (Ooit CDA kamerlid)
- Beslisnota bij Kamerbrief Landenbeleid Afghanistan
- Bijlage 1 bij beslisnota landgebonden asielbeleid Afghanistan
- Bijlage 2 bij beslisnota beslisnota landgebonden asielbeleid Afghanistan
Onderdeel van kamerstukdossier 19637 -3562 Vreemdelingenbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z11289:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-11 10:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-06-04 13:00 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat over vreemdelingen- en asielbeleid op 11 juni 2026. (Besluit)
- 2026-06-02 15:45 ⇒ Ter inzage gelegd op de griffie. (Besluit)
- 2026-06-02 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-04 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-06-11 10:00: Vreemdelingen- en asielbeleid (Commissiedebat), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (🔗 origineel)
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3562 Brief van de minister van Asiel en Migratie
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 mei 2026
Op 17 december 2025 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken een
nieuw algemeen ambtsbericht gepubliceerd over Afghanistan. Het
ambtsbericht is een actualisering van het algemene ambtsbericht van juni
2023. De verslagperiode beslaat de periode van juni 2023 tot en met
oktober 2025. Op basis van het ambtsbericht heb ik besloten om enkele
wijzigingen door te voeren in het landgebonden asielbeleid voor
Afghanistan.
In het ambtsbericht wordt aangegeven dat de veiligheidssituatie is veranderd ten opzichte van de vorige verslagperiode. Er wordt melding gemaakt van een toename van veiligheid gerelateerde incidenten en criminaliteit. Daarnaast was er sprake van oplopende spanningen tussen Afghanistan en Pakistan waarbij tientallen tot honderden (dodelijke) slachtoffers te betreuren waren. Gelet op het verstrijken van de tijd tussen het uitbrengen van het ambtsbericht en deze brief aan uw Kamer, heb ik de gevolgen van de recente gevechten tussen Pakistan en Afghanistan meegenomen bij de beleidsbepaling. Verder vonden er, ofschoon minder dan daarvoor, ook tijdens de verslagperiode aanslagen plaats door onder andere ISKP. De meeste van deze aanslagen waren gericht tegen Afghaanse veiligheidstroepen en politiefunctionarissen.
Uit de informatie in het ambtsbericht en andere gezaghebbende bronnen komt naar voren dat er verschillende gevechten plaats vonden, waarbij dodelijke slachtoffers vielen. Daarnaast werden in dezelfde periode meerdere incidenten van geweld tegen burgers met dodelijke slachtoffers geregistreerd. Hierbij ging het met name om incidenten waarbij veiligheidstroepen of politie betrokken waren. Op grond van de informatie concludeer ik dat er in Badakhshan, Kabul, Kandahar, Khost, Kunar, Nangahar, Paktia, Paktika en Takhar sprake is van een gewapend conflict in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. In die gebieden geldt een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zodat het risico om hier als burger (willekeurig) slachtoffer van te worden zeer gering is. Om in aanmerking te kunnen komen voor bescherming op grond van artikel 15c zullen derhalve in zeer grote mate individuele omstandigheden moeten worden aangedragen.
De situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan is sinds het vorige ambtsbericht verder verslechterd. De hoeveelheid aan restrictieve maatregelen die aan vrouwen worden opgelegd is verder toegenomen. In augustus 2024 werd een nieuwe wet, The Law on the Promotion of Virtue and the Prevention of Vice (PVPV), de zogenaamde ‘Morality Law’, gepubliceerd. Voor vrouwen en meisjes is er vrijwel geen mogelijkheid meer om zich te bewegen in Afghanistan, in ieder geval niet zonder een mahram. Voor Afghaanse vrouwen en meisjes vanaf 12 jaar is het zo goed als verboden om onderwijs te volgen. Ook de mogelijkheden voor vrouwen om te werken zijn verder ingeperkt. De toegang tot gezondheidszorg is, doordat dit alleen begeleid door een mahram kan worden verkregen, nog moeilijker geworden. Door de wijze van bestraffing, die staat op de overtreding van de door de Taliban opgelegde normen en leefwijze, waarbij ook de mannen risico lopen op bestraffing, bestaat er voor vrouwen zowel van de zijde van de Taliban als van de zijde van de (directe) omgeving het risico op vervolging en ernstige schade.
Op grond van het ambtsbericht concludeer ik dat de positie van vrouwen en meisjes verder onder druk is komen te staan en dat hun mogelijkheden om zich te ontplooien verder zijn ingeperkt. In vrijwel alle gevallen waarin daarop een beroep wordt gedaan zal naar alle waarschijnlijkheid dan ook moeten worden geoordeeld dat de opgelegde beperkingen en discriminerende maatregelen zover reiken dat bescherming aan de orde zal zijn.
De huidige tekst in de Vreemdelingencirculaire (Vc) doet onvoldoende recht aan de verslechterde situatie voor vrouwen en meisjes uit Afghanistan. Ik heb daarom besloten de tekst in de Vc als volgt aan te passen:
“Gelet op het samenstel van discriminerende ernstige maatregelen die ten aanzien van Afghaanse vrouwen thans gelden, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een Afghaanse vrouw. Er wordt niet verlangd dat zij bij terugkeer haar levensstijl noodgedwongen aanpast aan deze regels. Er blijft echter een individuele toetsing plaatsvinden. Als op grond van haar individuele asielrelaas is gebleken dat zij geen bescherming op grond van de discriminerende maatregelen van de Taliban nodig heeft, wordt geen asielbescherming verleend.”
Hiermee wordt in de Vc duidelijker gemaakt dat als een vrouw die stelt en aannemelijk maakt door discriminerende maatregelen van de Taliban te zijn of worden getroffen, in de regel een verblijfsvergunning wordt verleend.
Ten aanzien van het binnenlands beschermingsalternatief is het uitgangspunt dat in die gevallen waarin de actor van vervolging de Taliban is, er geen binnenlands beschermingsalternatief wordt aangenomen. Daar waar de vrees voor vervolging komt van de zijde van andere partijen, zoals ISKP, NRF, AFF of is gerelateerd aan bijvoorbeeld bloed en eerwraak, kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een binnenlands beschermingsalternatief. Voor vrouwen en meisjes geldt sowieso dat van een binnenlands beschermingsalternatief geen sprake is.
Voor vreemdelingen die een gegronde vrees voor ernstige schade op grond van een 15c situatie hebben kan in beginsel worden aangenomen dat er een beschermingsalternatief elders in Afghanistan is, mits wordt voldaan aan de algemeen geldende voorwaarden.
De Vreemdelingencirculaire zal in lijn hiermee worden aangepast.
De minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink