[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum (Kamerstuk 36800-VIII-77) (Kamerstuk 36800-VIII-149)

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D25788, datum: 2026-05-29, bijgewerkt: 2026-06-02 15:02, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z09058:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris d.d. 24 april 2026 inzake de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum1 (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 149).

De voorzitter van de commissie

Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie

Bosnjakovic

Inhoud

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

  • Inbreng van de leden van de D66-fractie

  • Inbreng van de leden van de VVD-fractie

  • Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

  • Inbreng van de leden van de CDA-fractie

  • Inbreng van de leden van de BBB-fractie

  • Inbreng van de leden van de SGP-fractie

II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap


I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het Nationaal Onderwijsmuseum. Deze leden hebben zorgen over de keuze om slechts voor incidentele, en niet voor eens structurele dekking te zorgen. Ook gezien de eveneens eerder aangenomen motie van het lid Rooderkerk c.s.2 die daartoe oproept en niet is uitgevoerd.

De leden van de D66-fractie merken op dat het Nationaal Onderwijsmuseum een unieke collectie beheert over 150 jaar onderwijsgeschiedenis. De PO-Raad, de VO-raad, oud-ministers en Nobelprijswinnaars hebben zich uitgesproken voor het voortbestaan ervan en deze leden delen die zorg. Op 24 maart 2026 heeft een ruime meerderheid van de Tweede Kamer, 101 zetels, het amendement aangenomen met als uitdrukkelijk doel de subsidie aan het Nationaal Onderwijsmuseum structureel voort te zetten en te verhogen naar €945.000. Toch is er besloten het amendement slechts gedeeltelijk uit te voeren: wel de incidentele verhoging in 2026, maar niet de structurele voortzetting die het amendement uitdrukkelijk beoogt. Deze leden vragen de staatssecretaris of zij van plan is om alsnog structurele dekking te vinden. Welke concrete stappen onderneemt zij om bij de eerstvolgende begrotingsbehandeling alsnog structurele dekking te vinden?

De leden van de D66-fractie vragen welke mogelijkheden de staatssecretaris ziet, gezien het brede maatschappelijke en parlementaire draagvlak, om samen met de Kamer, het onderwijsveld, het Nationaal Onderwijsmuseum te komen tot een structurele oplossing voor behoud van het museum, bijvoorbeeld via vormen van cofinanciering en samenwerking.

Tevens vragen de leden van de D66-fractie hoe de staatssecretaris de positie van het Nationaal Onderwijsmuseum beziet in het licht van de bredere ambitie van het ministerie om cultureel erfgoed te beschermen, mede gezien het feit dat het museum de enige nationale voorziening voor het Nederlandse onderwijserfgoed vormt. Hoe wordt vanaf vandaag en in de toekomst het verzamelbeleid van de onderwijsgeschiedenis uitgevoerd, onderzocht en bewaard voor volgende generaties?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie hoe de staatssecretaris aankijkt tegen de oproep van Ewald van Vliet om het Nationaal Onderwijsmuseum verder te ontwikkelen tot een eigentijdse ‘nationale werkplaats’ voor onderwijsgeschiedenis en maatschappelijk onderwijsdebat, gecombineerd met aanvullende inkomstenbronnen vanuit het museum zelf, mits daar een stabiele basisfinanciering tegenover staat.

De leden van de D66-fractie vragen tevens in hoeverre de staatssecretaris van mening is dat de genoemde registratieachterstanden en organisatorische kwetsbaarheid van het museum mede samenhangen met jarenlang beperkte indexering en een relatief kleine personele bezetting, en welke mogelijkheden ziet zij om hierin gezamenlijk verbetering aan te brengen.

De leden van de D66-fractie vragen - gezien de naderende datum van 1 januari 2027, de krappe arbeidsmarkt en het feit dat in het najaar het merendeel van het personeel een andere baan kan hebben gevonden – of de staatssecretaris zo spoedig mogelijk tot een oplossing kan komen voor structurele financiering voor het museum om te voorkomen dat een collectie van 325.000 objecten en de geschiedenis van ons onderwijs, die toegankelijk is gemaakt voor het publiek, verdwijnt.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie danken de staatssecretaris voor het toesturen van de brief omtrent de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum. Deze leden hebben een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de bezoekersaantallen van het Nationaal Onderwijsmuseum over de afgelopen tien jaar zijn. Tevens vragen deze leden hoeveel procent van de bezoekers (over de afgelopen tien jaar) groepen waren zoals schoolreisjes etc. Voorts vragen de leden wat de financiële resultaten zijn van het Nationaal Onderwijsmuseum over de afgelopen tien jaar. Zij vragen wat het museum zelf heeft gedaan in de afgelopen tien jaar om financiële middelen aan te trekken. Tot slot vragen zij wat de begroting is van het Nationaal Onderwijsmuseum voor de komende vijf jaar.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de onderhavige brief. Het was een ruime Kamermeerderheid die op 24 maart 2026 met steun van de GroenLinks-PvdA-fractie het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk3 heeft aangenomen en de intentie was ondubbelzinnig gericht op het afwenden van het gevaar dat het voortbestaan van het Onderwijsmuseum en wees op de noodzaak van een structurele jaarlijkse rijksbijdrage, maar de brief van de staatssecretaris heeft nu als kernboodschap dat het kabinet weigert om de subsidie structureel voort te zetten en zij zó het museum laat sluiten. Waarom heeft het kabinet de wens van de Kamer niet gerespecteerd? Kan de staatssecretaris ook toelichten wat het kabinet de Kamer vlak voor aanbreken meireces met dit briefje wilde bereiken?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan goed onderwijs en zij menen dat dit ermee gediend is dat betrokkenen de gelegenheid krijgen om te reflecteren op de onderwijspraktijk. Hoewel zij onderkennen dat bezoekers zelf mogen weten wat hen tot een museumbezoek motiveert en wat zij erin waarderen, zien deze leden de meerwaarde van een onderwijsmuseum niet zozeer in nostalgie of een toeristische attractie, maar vooral in kennisname van de onderwijsgeschiedenis, met alle dwaalwegen en stappen vooruit, die hierbij werden gezet. Doordat Nederland een rijke onderwijsgeschiedenis kent, met dwaalwegen en stappen vooruit, biedt een Nationaal Onderwijsmuseum juist een waardevolle kans om lessen te trekken uit ons onderwijsverleden. In hoeverre het kabinet deze visie? Hoe past zijn visie bij een keuze om het voortaan maar te doen zonder een onderwijsmuseum?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de “afbouw” van het Nationaal Onderwijsmuseum, die de staatssecretaris voor ogen staat, niet alleen betekent dat dit museum binnen afzienbare tijd verdwijnt, maar tevens op termijn een afbouw van de collectie van dit museum zodat deze verloren gaat. Deze leden vrezen dat zo definitief iets waardevols verloren gaat wat moeilijk meer valt te herstellen. Hoe weegt het kabinet dit verlies? Wat blijft er alles welbeschouwd van de collectie nog over met de toegezegde eenmalige projectsubsidie voor de afbouw van de collectie in 2027?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de staatssecretaris haar keuze verklaart om de subsidie niet structureel voort te zetten en deze niet te verhogen naar € 945.000, met de “flinke taakstelling” op het departement, waar zij nog steeds niet omheen zou kunnen. Deze leden kunnen moeilijk geloven dat er op een OCW-begroting van € 57 miljard echt nergens het benodigde bedrag te vinden zou zijn. Heeft het kabinet wel serieus gezocht, vóórdat het concludeerde dat het geld niet gevonden kon worden? Welke posten zijn dan zoal bij het kabinet in beeld geweest en waarom moest het elk van deze mogelijkheden afwijzen? Bovendien wijzen de leden de staatssecretaris erop dat de Kamer zich niet gebonden acht aan het financieel kader van het coalitieakkoord4, zodat deze het kabinet meer ruimte biedt dan gesuggereerd. Heeft het kabinet ook deze mogelijkheid voldoende serieus overwogen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de staatssecretaris haar desbetreffende brief aan het Nationaal Onderwijsmuseum beëindigde met het uitspreken van het vertrouwen “dat de gesprekken over de afbouw op een constructieve manier kunnen worden voortgezet”.5 Kan de staatssecretaris toelichten wat zij zich precies voorstelt bij zo’n constructieve afbouw?

Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe het kabinet alsnog de structurele en verhoogde subsidie aan het Nationaal Onderwijsmuseum denkt te gaan regelen omdat er nu eenmaal een Kamermeerderheid vóór is.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum. Op dit moment hebben deze leden geen aanvullende vragen.

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben de brief over de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum gelezen en zij hebben daarover vooralsnog geen vragen.

Inbreng van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris, waarin voorbijgegaan wordt aan de kennelijke bedoeling van de Kamer om het museum structureel van toereikende bekostiging te voorzien. Deze leden vinden het belangrijk dat spoedig duidelijkheid ontstaat over de manier waarop het Onderwijsmuseum op basis van toereikende middelen een toekomstbestendige positie kan krijgen, conform de bedoeling van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk.

De leden van de SGP-fractie vinden het opmerkelijk dat de staatssecretaris van OCW in korte tijd opnieuw pogingen doet om afbreuk te doen aan een duidelijke uitspraak van de Kamer. Zo al gesproken wordt van een onwenselijk precedent, zoals in de beslisnota benoemd, dan is het dat het budgetrecht van de Kamer wordt genegeerd. Deze leden vragen allereerst of de staatssecretaris onderkent dat de dekking in amendementen slechts het betreffende begrotingsjaar kan betreffen en dat dit als zodanig niet als verwijt aan de Kamer kan worden tegengeworpen. Bovendien vinden de leden het opmerkelijk dat wordt vermeld dat geen sprake zou zijn van een juiste dekking omdat het amendement de staatssecretaris zou noodzaken tot scherpe keuzes. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het aangegeven dekkingsartikel ook vanaf 2027 hoog genoeg is om het benodigde bedrag beschikbaar te kunnen stellen? Zo ja, waarom zou deze bewuste keuze van de Kamer als een onjuiste dekking getypeerd mogen worden?

De leden van de SGP-fractie constateren dat het Onderwijsmuseum momenteel eigenlijk de enige plek is waar de kennis van en zorg voor de onderwijsgeschiedenis gestalte krijgt, een functie die ook voor de ontwikkeling van het onderwijs en het onderwijsbeleid relevant is. Deze leden vragen hoe de staatssecretaris naar deze functies kijkt en hoe zij deze richting de toekomst of toereikende wijze zou willen waarborgen, waar mogelijk in samenwerking met de onderwijssector en andere instellingen. Hoe weegt zij hierbij dat dit museum reeds sinds 1895 subsidie ontvangt en daarmee altijd een vaste plaats in de begroting heeft ingenomen, zoals onderstreept is door opeenvolgende bewindspersonen van het departement van OCW? Waarom zou een radicale breuk nu toelaatbaar zijn?

De leden van de SGP-fractie vragen waarop de staatssecretaris de stelling baseert dat het Onderwijsmuseum voor de grootte van het museum relatief weinig bezoekers trekt. Hoe verhoudt de situatie van het museum zich tot andere musea, waaronder musea die rijksbekostiging ontvangen, en hoe wordt daarin rekening gehouden met het beperkte subsidiebedrag dat het Onderwijsmuseum ontving en de beperkte personele bezetting? Welke verwachtingen zijn reëel voor de toekomst als het gaat om bezoekersaantallen en gaat de staatssecretaris hierover het gesprek aan met het museum?

De leden van de SGP-fractie vragen of de staatssecretaris in een tabel kan weergeven welke bedragen in de afgelopen tien jaren zijn uitgekeerd aan het Onderwijsmuseum. Deze leden vragen om daarbij ook aan te geven hoe deze bedragen zich verhouden tot de ontwikkeling van de inflatie en lonen en de ontwikkeling van de vergoedingen die binnen de cultuurportefeuille aan musea zijn uitgekeerd. Hoe reageert zij op de kritiek dat de vergoedingen juist tien jaar lang niet zouden zijn geïndexeerd en dat dit de stabiele basis van het museum onder druk heeft gezet? Klopt het dat de extra bedragen die OCW heeft uitgekeerd tezamen nog steeds minder bedragen dan het bedrag dat bij indexatie door het museum zou zijn ontvangen?

De leden van de SGP-fractie vragen welke routes de staatssecretaris mogelijk en wenselijk acht om in lijn met de bedoeling van het amendement samen met het museum een solide plan voor de toekomstbestendige exploitatie te verzekeren. Deze leden vragen in hoeverre een positionering van het Onderwijsmuseum onder het begrotingsartikel cultuur, mogelijk als Rijksmuseum, daaraan dienstbaar kan zijn. Ook vragen de leden om een vergelijking met de positie van de diverse defensiemusea binnen de begroting Defensie. Hoe kan gewerkt worden aan een beleidskader dat meer stabiliteit biedt dan in de afgelopen jaren het geval was en dat ook richting kan bieden om gezamenlijke inhoudelijke ambities vorm te geven? Op welke wijze wordt de onderwijssector hierbij betrokken?

De leden van de SGP-fractie vragen of de staatssecretaris in beeld heeft welk risico bestaat dat delen van de collectie van het Onderwijsmuseum vernietigd kunnen worden indien niet tijdig voldoende middelen ter beschikking zijn. Onderkent de staatssecretaris dat vernietiging een reel risico is voor onderdelen van de collectie die nog niet zijn geregistreerd en die ook niet verkocht kunnen worden? Vindt zij ook dat, gezien de historische betekenis, vernietiging in geen geval aan de orde mag zijn zonder dat een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en op welke wijze wil zij erop laten toezien dat dit scenario zich niet voltrekt?

De leden van de SGP-fractie vragen of er een plan is en welke voorwaarden zouden gelden als het museum zou besluiten de collectie aan te bieden aan de Staat om vernietiging te voorkomen. Aan welke verplichtingen, bijvoorbeeld op grond van de Erfgoedwet, zou het museum moeten voldoen en welke middelen zouden dan minimaal nodig zijn?

De leden van de SGP-fractie vragen waarop de staatssecretaris baseert dat de eenmalige projectsubsidie van € 300.000 voor een jaar toereikend zou zijn om de specifieke collectie van het Onderwijsmuseum op verantwoorde wijze te registreren en elders onder te brengen. Kan zij inzichtelijk maken hoe dit bedrag is opgebouwd en in hoeverre dit berust op het karakter van de collectie en gesprek met het Onderwijsmuseum?

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de staatssecretaris aankijkt tegen de suggestie om het Nationaal Onderwijsmuseum verder te ontwikkelen tot een eigentijdse ‘nationale werkplaats’ voor onderwijsgeschiedenis en maatschappelijk onderwijsdebat, op grond van een stabiele financiering vanuit het Rijk en een gezonde basis van eigen inkomsten.

De leden van de SGP-fractie vragen of de staatssecretaris ruim voor het zomerreces duidelijkheid kan bieden richting het museum over de wijze waarop de toekomst kan worden vormgegeven, waarmee ook tijdig duidelijkheid voor het personeel en de vele vrijwilligers ontstaat.

II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap


  1. Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 77↩︎

  2. Kamerstuk 32 820, nr. 550↩︎

  3. Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 77.↩︎

  4. De Kamer heeft immers de motie van het lid Klaver c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 34) aangenomen.↩︎

  5. Brief naar aanleiding van aangenomen amendement voor voortzetting subsidie Onderwijsmuseum met referentie 63272240.↩︎