Antwoord op vragen van de leden Ceulemans en Boomsma over het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D25947, datum: 2026-05-29, bijgewerkt: 2026-06-01 08:42, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie (Ooit CDA kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z05355:
- Gericht aan: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2072
Antwoord van minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 29 mei 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 1556
Vraag 1
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC
Handelsblad? 1)
Antwoord op vraag 1
Ja.
Vraag2
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het
Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar
ontwikkeld?
Antwoord op vraag 2
Met asielkwesties begrijp ik u dat u doelt op zaken gerelateerd aan
asielverzoeken, inclusief opvang en asielzaken die we niet in
behandeling willen nemen op grond van de Dublinverordening. Zaken die
gerelateerd zijn aan reguliere verblijfsdoelen en -vergunningen, laat ik
hier buiten.
Uitgaande van deze afbakening kan ik u zeggen dat vanaf 2015 in 66 zaken asielgerelateerde prejudiciële vragen zijn gesteld. In 2015 ging het om 2 zaken, in 2016 om 3 zaken, in 2017 om 9 zaken, in 2018 om 1 zaak, in 2019 om 3 zaken, in 2020 om 1 zaak, in 2021 om 13 zaken, in 2022 om 6 zaken, in 2023 om 5 zaken, in 2024 om 5 zaken, in 2025 om 14 zaken en in 2026 (tot nu toe) om 4 zaken.
Vraag 3
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties
is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Antwoord op vraag 3
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De definitie van asielzaken van het
Hof van Justitie van de EU in haar zoekmachine, te vinden op www.curia.europa.eu, lijkt een
andere te zijn dan die door mij gehanteerd.
Vraag 4
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel
terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Antwoord op vraag 4
Dat is feitelijk te constateren omdat deze uitspraken worden
gepubliceerd op openbaar te raadplegen bronnen. De namen van de rechters
worden daarbij vermeld. In zoverre is dus na te gaan welke rechters
daarbij betrokken zijn.
Vraag5
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld
door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en
specificeren?
Antwoord op vraag 5
De wijze waarop een rechter een asielbesluit toetst wordt in grote mate
bepaald door de Procedurerichtlijn, de Vreemdelingenwet, de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en de Grondwet. Belangrijk uitgangspunt is daarbij
dat rechters onafhankelijk en onpartijdig zijn. In algemene zin merk ik
op dat ik geen fundamentele verschillen zie in de manier waarop
asielzaken worden behandeld door rechters van de verschillende
zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. Zo worden in de regel door
alle rechtbanken beroepen tegen de weigering een verblijfsvergunning
asiel te verlenen (of in geval van intrekking) ter zitting behandeld. De
rechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:72 van de Awb
verschillende uitspraakbevoegdheden. Onder andere de achtergrond van de
individuele zaak, de rechtsvraag die voorligt en de motivering van het
besluit zal mede bepalen of een rechter aanleiding ziet om al dan niet
meer regie te voeren, door een geconstateerd motiveringsgebrek te laten
herstellen in beroep, of bijvoorbeeld een zaak door een meervoudige
kamer te laten behandelen.
Uiteraard worden er ook verschillen gezien waarbij bijvoorbeeld de ene rechter vaker aanleiding ziet om een geschil finaal te beslechten (in plaats van na constatering van een motiveringsgebrek terug te verwijzen) dan de ander, of eerder aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen, of dat er door rechters verschillend aangekeken wordt tegen een voorliggende rechtsvraag hetgeen tot verschillende uitkomsten leidt. Zo zien we, of hebben we in het verleden gezien, dat door rechtbanken verschillend wordt aangekeken tegen bijvoorbeeld de wijze waarop de IND de geloofwaardigheid beoordeelt, het landenbeleid (zoals ten aanzien van de huidige 15c situatie in Syrië) danwel of iemand op grond van de Dublinverordening aan een bepaalde lidstaat kan worden overgedragen. Gelet op de onafhankelijkheid van de rechter is divergerende jurisprudentie inherent aan het systeem en belangrijk voor de ontwikkeling van het recht. Indien de IND of de rechtszoekende zich niet in dit oordeel kan vinden kan dit aanleiding zijn om hoger beroep in te stellen. Het instrument hoger beroep is daarmee erg belangrijk om de rechtseenheid te bewaken en te bevorderen, maar eventueel ook om aan de Afdeling te vragen uitspraken te beoordelen, bijvoorbeeld in het geval de IND van mening is dat de vreemdeling – anders dan de rechtbank meent – niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
Vraag 6
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de
asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de
antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de
aanpassingen?
Antwoord op vraag 6
Tussen 2021 en 2026 zijn ongeveer 30 wijzigingen doorgevoerd in
nationale regelgeving of uitvoeringsbeleid naar aanleiding van arresten
gewezen vanuit het HvJEU, in zowel Nederlandse zaken als andere
lidstaten. Sommige van deze wijzigingen hebben een minder vergaande
impact dan andere gehad, bijvoorbeeld omdat de omvang van de betreffende
doelgroep relatief klein was of omdat de wijziging relatief eenvoudig te
implementeren was. Andere uitspraken hebben meer impact gehad, zoals de
volgende twee voorbeelden.
Een eerste voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Y t. Duitsland.1 In deze zaak was door Griekenland een vluchtelingenstatus verleend, maar was het voor Duitsland niet mogelijk om het aldaar gedane verzoek niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake was een reëel risico in Griekenland onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. Het Hof komt in deze zaak tot de conclusie dat Duitsland niet verplicht is om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem in Griekenland is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Als gevolg van dit arrest zal Nederland indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere lidstaat moeten opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te krijgen welke elementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale bescherming in die lidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er desondanks geen verblijfsvergunning wordt verleend. Met het opvragen van het dossier en het vervolgens vertalen van dit dossier gaat veelal veel tijd gemoeid, in deze periode zit de vreemdeling in de opvang bij het COA en zal veelal de inhoud van het dossier niet maken dat IND alsnog de verblijfsvergunning gaat inwilligen. Dit ook omdat de vreemdeling niet altijd (uitgebreid) gehoord is in de betreffende lidstaat.
Een ander voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie van 9
november 20232 waaruit volgt dat bij de beoordeling
van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet langer
volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene
veiligheidssituatie in een bepaald of een bepaald gebied binnen dit
land. Ook individuele en persoonlijke omstandigheden van de
vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of
er een reëel risico is op ernstige schade in de zin van artikel 15,
onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens in
de uitspraak van 17 juli 20243 geoordeeld dat er geen
‘drempel’ is om individuele en persoonlijke omstandigheden in het kader
van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken. Indien er
sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een
internationaal of binnenlands conflict is er een verplichting voor de
IND om deze individuele aspecten te betrekken. Indien de mate van
willekeurig geweld zodanig is dat dit slechts een zeer beperkt aantal
burgerslachtoffers geeft, is niet voorstelbaar dat de individuele
omstandigheden daadwerkelijk aanleiding gaan geven tot de conclusie dat
de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van
artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit geeft daarmee
extra motiveringslasten terwijl het niet leidt tot vaker bescherming
moeten bieden.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds
complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg
van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat
dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te
gaan?
Antwoord op vraag 7
Ik deel de opvatting dat de afgelopen jaren de asielprocedure steeds
complexer en daarmee tijds- en arbeidsintensiever is geworden, wat veel
impact heeft op de uitvoering. Belangrijk is dat migratierecht
uitvoerbaar blijft.
In richtlijnen en verordeningen worden vaak open normen opgenomen, of blijkt dat onderwerpen niet opgenomen zijn of onvoldoende duidelijk zijn ingeregeld. Dit is veelal de aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast toetst het Hof van Justitie aan het Europees recht, zoals de richtlijnen en verordeningen opgenomen in het Migratiepact en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie stelt het recht vast zoals het is en toetst dus niet het mogelijke effect op de uitvoering.
Mijn inzet is dan ook om zoveel mogelijk concrete bepalingen uit te onderhandelen. Dit verkleint het risico op invulling door het Hof op een wijze die de lidstaten niet hebben voorzien. Daarnaast bespreek ik waar nodig met de Commissie en like-minded lidstaten of, en zo ja, op welke wijze aanpassingen van Unierechtelijke bepalingen noodzakelijk zijn. Ook bezie ik na rechterlijke uitspraken kritisch wat de reikwijdte van het arrest is, zodat het effect van de uitspraak zo uitvoerbaar als mogelijk is.
Vraag 8
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling
van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk,
gezien de gevolgen?
Antwoord op vraag 8
In de loop der jaren zijn verschillende aanpassingen gedaan in het
asielbeleid. Het past bij de aard van het migratiebeleid dat dit niet
statisch is, maar evolueert al naar gelang veranderingen in de
geopolitieke situatie, de doelstellingen van kabinet of uw Kamer, of
actuele inzichten. Daaronder kan jurisprudentie van het Hof vallen die
tot wijzigingen noopt, wiens taak het is om ervoor te zorgen dat het
recht van de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt uitgelegd en
toegepast. Het is dus inherent aan het op Europees niveau willen streven
naar één gemeenschappelijk asielsysteem. Het kabinet acht het niet
passend om gelet op de taak en het ambt van het Hof eventuele gevolgen
van de jurisprudentie als “onwenselijk” te typeren. Uiteraard kan het
wel zo zijn -zoals in de beantwoording op vraag 7 ook aangegeven- dat
een uitleg van een Unierechtelijke asielbepaling door het Hof
verstrekkende gevolgen heeft voor de uitvoering. Het kabinet zal bij een
dergelijke uitspraak in Europees verband bespreken of deze uitleg
aanleiding geeft tot een aanpassing en/of verduidelijking van de
betreffende Unierechtelijke bepaling, waarbij ook de opportuniteit ervan
zal worden meegenomen. Als voorbeeld hiervan noemt het kabinet de
Nederlandse inzet op het punt van de toetsing van het beginsel van
non-refoulement in de terugkeerprocedure, hetgeen een weerslag heeft
gevonden in de Raadspositie van de Terugkeerverordening.
Vraag 9
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk
acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke
gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Antwoord op vraag 9
Het kabinet verwijst allereerst naar de Raadspositie op de
Terugkeerverordening waarin, in reactie op de uitleg van het Hof van
bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, enkele bepalingen zijn
verduidelijkt en/of aangepast, met het oog op een effectief
terugkeersysteem. Ook in de verordeningen en richtlijn van het Asiel- en
migratiepact, hebben meerdere van de Nederlandse standpunten een plaats
gekregen. Zoals geantwoord op vraag 8, zal het kabinet ook naar
aanleiding van toekomstige rechterlijke uitspraken, zoals over de uitleg
van de bepalingen van het Asiel- en migratiepact, bezien of de
uitwerking daarvan in de uitvoeringspraktijk aanleiding geeft tot een
aanpassing van de regelgeving. Het behoud van een efficiënte
asielprocedure is een belangrijk uitgangspunt daarbij. Hierbij is ook
van belang dat in enkele van de verordeningen van het Pact is opgenomen
dat de Commissie voor medio 2028, en vervolgens om de vijf jaar, verslag
uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van
deze verordeningen in de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen
voor.
Vraag 10
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een
rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een
asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel
wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren
ontwikkeld?
Vraag 11
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of
enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat
het?
Antwoorden op vraag 10 en 11
Vragen 10 en 11 zal ik tezamen beantwoorden. Het wordt door de IND niet
in de systemen geregistreerd wanneer een rechtbank naast
gegrondverklaring van het beroep tevens de opdracht geeft om een
verblijfsvergunning (asiel) toe te kennen. Om die reden zijn geen
aantallen te noemen. Hoewel exacte cijfers niet worden bijgehouden, komt
dit naar indruk van de IND slechts enkele malen per jaar voor. Voor het
overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Vraag 12
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of
nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen
bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel
en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december
2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de ministers van
en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel
van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Antwoord op vraag 12
Hierover bent u op 22 mei jl. geïnformeerd.
Vraag 13
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft
dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij
oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u
dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te
plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Antwoord op vraag 13
Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in
een specifieke rechterlijke uitspraak. In zijn algemeenheid geldt dat
het de taak is van de rechter om over een concrete zaak te oordelen die
aan hem wordt voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De
rechter heeft verschillende uitspraakbevoegdheden waaronder de
overweging ten overvloede. Bij een overweging ten overvloede maakt de
rechter gebruik van de gelegenheid die het doen van een uitspraak biedt
om in de motivering daarvan iets te zeggen wat voor de uitspraak strikt
genomen niet noodzakelijk is, maar wat hij toch naar aanleiding van de
zaak mee wil geven aan partijen. Dit kan bijvoorbeeld een signaal
betreffen ten behoeve van de uitvoering.
De IND maakt steeds een zorgvuldige afweging bij de beoordeling wel of
geen hoger beroep in te stellen, waarbij zowel de individuele belangen
van de vreemdeling worden meegenomen, als de belangen van de Staat en de
samenleving bij rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vanwege mogelijke
precedentwerking.
Vraag 14
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens
tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en
welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Antwoord op vraag 14
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 past het mij als
bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke
rechterlijke uitspraak. Zoals eveneens aangegeven in het antwoord op
vraag 13, behoort het opnemen in een uitspraak van een overweging ten
overvloede tot de uitspraakbevoegdheden van de rechter. Dit kan
bijvoorbeeld een signaal zijn ten behoeve van de uitvoering.
Rechterlijke uitspraken in zaken die in de maatschappelijke
belangstelling staan kunnen en mogen voorwerp zijn van discussie. Onze
rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, zowel binnen als met de
rechtspraak.
1) NRC Handelsblad, 13 maart 2026, In haar eentje zet deze rechter het hele asielbeleid op scherp (https://www.nrc.nl/nieuws/2026/03/13/in-haar-eentje-zet-deze-rechter-het-hele-asielbeleid-op-scherp-je-moet-veel-meer-kijken-hoe-zijn-de-regels-bedoeld-a4922045).