[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Financiële uitsluiting en onveilige vermogensgrenzen voor Wajonggerechtigden

Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Brief regering

Nummer: 2026D26036, datum: 2026-05-29, bijgewerkt: 2026-06-03 13:56, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 24515 -821 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting.

Onderdeel van zaak 2026Z11433:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


24515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 821 Brief van de minister van Werk en Participatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 mei 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 9 maart een brief ontvangen van D.K. met betrekking tot financiële uitsluiting en onveilige vermogensgrenzen voor Wajonggerechtigden. In de procedurevergadering van 24 maart 2026 heeft de commissie besloten van mij een reactie op deze brief te willen ontvangen. Hierbij reageer ik op de gestelde punten in de brief.

In de brief spreekt de brievenschrijver over de financiële positie en de toekomstzekerheid van Wajonggerechtigden. Hij schetst een beeld van de drempels waar hij tegenaan loopt, specifiek met betrekking tot pensioenopbouw, de vermogensgrenzen voor toeslagen en de behoefte aan een veiligheidsbuffer in onzekere tijden. Hij vraagt daarom om de vermogensgrenzen voor mensen met een arbeidsbeperking bij toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget) fors te verhogen of af te schaffen, en om te zorgen dat pensioenopbouw voor Wajonggerechtigden toegankelijk en betaalbaar wordt zonder dat dit invloed heeft op toeslagen die zij ontvangen.

Ik bewonder zijn wens om zelfredzaam te zijn en een stabiele financiële reserve op te bouwen. Zijn pleidooi voor meer perspectief voor mensen met een levenslange beperking is invoelbaar. Tegelijkertijd is het aan mij om hem, en uw Kamer, te informeren over de kaders van het huidige wettelijke beleid en de redenen waarom de door hem voorgestelde wijzigingen niet worden doorgevoerd.

Hieronder ga ik hierop in.

1. Toegankelijkheid van pensioenopbouw

Het is bewonderenswaardig dat de brievenschrijver kijkt naar mogelijkheden om voor later te sparen. De advies- of afsluitkosten voor een lijfrenteverzekering of bankspaarproduct worden echter niet vergoed via de bijzondere bijstand. Deze kosten worden bepaald door de markt en maken deel uit van de dienstverlening van financiële instellingen.

Hoewel de overheid via de fiscale ‘jaarruimte’ pensioensparen stimuleert, is er geen regeling die de bijbehorende advies- of afsluitkosten subsidieert voor uitkeringsgerechtigden. De bijzondere bijstand is bedoeld voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en die de draagkracht te boven gaan.

Gemeenten beoordelen of hiervan sprake is en bepalen of deze kosten vergoed moeten worden. Het opbouwen van een privaat aanvullend pensioen wordt binnen de huidige wetgeving niet als een dergelijke noodzaak gezien, aangezien de AOW-uitkering van overheidswege, indien van toepassing aangevuld met toeslagen, wordt beschouwd als een toereikend sociaal minimum voor de oude dag.

2. De vermogensgrens voor toeslagen

De brievenschrijver vindt de vermogensgrens voor de huurtoeslag (circa
€ 38.000)1 aanvoelen als een straf op zuinig leven. Wie te veel spaart, verliest zijn toeslag, wat zelfredzaamheid belemmert en dwingt tot armoede. Hij vraagt waarom iemand met een levenslange beperking geen grotere financiële buffer mag opbouwen.

Dit raakt aan een belangrijk uitgangspunt van hoe ons toeslagenstelsel is ingericht. Toeslagen zijn bedoeld als een tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten voor huur, zorg en (de opvang voor) kinderen. Daarbij is het uitgangspunt dat mensen die een bepaald inkomen of vermogen hebben (beter) zelf in de kosten van voorzieningen kunnen voorzien. Dit uitgangspunt geldt voor iedereen die de betreffende toeslag ontvangt. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar persoonlijke situaties of naar verdienvermogen. Ik begrijp dat dit in sommige situaties als oneerlijk kan worden ervaren. Een onderscheid zou echter het stelsel ingewikkelder maken, wat ongewenst is.

3. Veiligheid en reserves in crisistijd

De brievenschrijver is bezorgd over de mondiale onveiligheid en de daarmee gepaarde gaande kwetsbaarheid van zijn positie. Dat is begrijpelijk. Een financiële buffer biedt rust. De brievenschrijver vindt echter dat de huidige vermogensgrenzen bij de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget ervoor zorgen dat hij onvoldoende reserves mag opbouwen voor echte noodsituaties. Dit geeft hem een gevoel van onveiligheid.

Zoals ik hiervoor al heb aangegeven geldt het uitgangspunt dat voor de aanspraak op tegemoetkomingen rekening wordt gehouden met iemands inkomen of vermogen. En ook hier geldt dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar persoonlijke situaties of naar verdienvermogen.

Ik begrijp dat dit antwoord voor de brievenschrijver teleurstellend is, maar ik hoop dat deze toelichting hem, en uw Kamer, meer inzicht geeft in de achterliggende keuzes van het huidige wettelijke beleid.

De minister van Werk en Participatie,

A.A. Aartsen


  1. Voor een alleenstaande. Met een toeslagpartner is dat ongeveer € 77.000. De vermogensgrens voor de zorgtoeslag voor een alleenstaande is ongeveer € 146.000. Met een toeslagpartner is dat ongeveer € 184.000. Cijfers per 2026.↩︎