[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Veegbrief openstaande moties en toezeggingen op het gebied van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026

Brief regering

Nummer: 2026D26053, datum: 2026-05-29, bijgewerkt: 2026-06-01 09:55, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36800 XIV-85 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026.

Onderdeel van zaak 2026Z11440:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Als bewindspersonen van het ministerie van LVVN hechten wij aan een goede informatievoorziening aan de Kamer over de uitvoering van aangenomen moties en door ons en onze voorgangers gedane toezeggingen. Helaas lukt het door uiteenlopende redenen niet altijd om de Kamer tijdig een terugkoppeling te geven. Moties lenen zich soms thematisch niet om meegenomen te worden in een bepaalde brief, de uitvoering kan erg complex blijken, of moties kunnen worden ingehaald door de actualiteit.

Wij hebben een inventarisatie laten maken van de moties en toezeggingen in onze interne administratie waar uw Kamer de afgelopen jaren nog niet op een afrondende wijze over is geïnformeerd. Middels deze brief trachten wij uw Kamer een zo goed mogelijk beeld te geven van de opvolging van de diverse verzoeken. De moties en toezeggingen zijn met het oog op de leesbaarheid zoveel mogelijk thematisch geclusterd.

Strategie, Kennis en Onderzoek

De motie Boswijk c.s. over stimuleren dat meer provincies gaan werken met Maatwerk met Meetwerk als onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak (33576-310)
In 2025 is in opdracht van provincies en LVVN onder het Nationaal Kennisprogramma Stikstof een gezamenlijk onderzoeksprogramma voor het regionaal meten en berekenen van stikstof in de buitenlucht gestart. Onder andere voor regionale, fijnmazige monitoring van emissiereductiedoelen. Als onderdeel van dit onderzoeksprogramma is ook het meetnetwerk dat onderdeel was van de pilot Maatwerk met Meetwerk voortgezet. Hiermee is invulling gegeven aan de motie.

De gewijzigde motie Van Campen c.s. over een plan van aanpak voor een landelijk dekkend meetsysteem voor emissie en depositie van NH3 en NOx (33576-301) en de motie Van Campen c.s. over heldere doelen in het uitvoeringsprogramma Nationaal Kennisprogramma Stikstof (36277-40)
De uitvoering van deze moties is onderdeel geworden van het Nationaal Kennisprogramma stikstof waarover uw Kamer periodiek geïnformeerd wordt. We beschouwen de moties daarmee als afgedaan.

De gewijzigde motie Tjeerd de Groot over er bij de nieuwe Europese Commissie op aandringen de toelating van alternatieve eiwitten zoals kweekvlees op te nemen in het werkprogramma (36410-XIV-94)
Het programma van de EC voor 2026 is gepubliceerd. Daarin is opgenomen dat de wetgeving voor veiligheid voor voedingsmiddelen wordt vereenvoudigd. Daarmee is de motie afgedaan.

EU

De motie Van der Plas over zo veel mogelijk gebruikmaken van bestaande certificeringsschema's voor duurzaamheidsstreefdoelen (21501-32-1418)

Middels de motie heeft mevrouw Van der Plas de regering verzocht om zoveel als mogelijk gebruik te maken van bestaande certificeringsschema’s en daar bij aan te sluiten. Deze motie had betrekking op de nadere uitwerking van de Farm-to-Fork strategie van de Europese Commissie. Bij de nadere uitwerking is geen gebruik gemaakt van de in de motie genoemde certificeringsschema's en inmiddels is deze strategie afgerond. Hierdoor kan de motie niet worden uitgevoerd. Ik beschouw deze motie daarom als afgedaan.

De motie Van Campen c.s. over jaarlijks met de begroting van LNV een Brusselstrategie delen met de Kamer (36200-XIV-27)

In deze motie wordt de regering verzocht om jaarlijks met de begroting van LVVN een Brusselstrategie te delen met de Kamer. Sindsdien heeft de Kamer twee Kamerbrieven met de LVVN inzet in de EU ontvangen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1635 en 21501-32, nr. 1691). Het voornemen is om dit ieder jaar te blijven doen. De eerstvolgende brief ontvangt de Kamer voorafgaand aan het Commissiedebat EU-LVVN van 10 juni a.s.. Daarmee is de motie afgedaan.

De motie Van Campen over een routekaart met besluitvormingsmomenten voor toelating van landbouwinnovaties als uitkomst van de strategische dialoog (21501-32-1613)

De Strategische Dialoog was een door de Europese Commissie georganiseerde dialoog met een diverse groep stakeholders uit de agrarische sector. De EU-lidstaten waren niet betrokken bij deze dialoog. Beïnvloeding van de uitkomsten van de Strategische Dialoog door de Nederlandse regering was daarom niet aan de orde. De Europese Commissie presenteerde het eindrapport van de Strategische Dialoog op 4 september 2024. De Kamer is eerder geïnformeerd dat het kabinet tevreden is dat er in het eindverslag volop aandacht is voor het voedselsysteem en de positie van de boer daarin1. Hiermee beschouwen we de motie als afgedaan.

De motie Kostić over de Kamer vooraf informeren indien wordt besloten om een standpunt van Nederland te wijzigen (36600-XIV-22)

Het verzoek uit de motie is meegenomen in de algemene werkwijze rondom het innemen van standpunten. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

De motie Tjeerd de Groot en Boswijk over het monitoren van de afname van grasland op nationaal, regionaal en bedrijfsniveau (33037-475)

Over de jaren 2024 en 2025 was er een afname van blijvend grasland van 748.923 hectare naar 743.256 hectare. Het aandeel blijvend grasland ten opzichte van het totale areaal landbouwgrond is daarmee afgenomen van 42,68% in 2024 naar 42,06% in 2025.

Ter opvolging van deze motie wordt de Kamer sinds 2022 jaarlijks apart geïnformeerd over de ontwikkelingen van het areaal blijvend grasland. Dat gebeurt op basis van de monitoring en rapportageverplichtingen van het GLB. Hiermee beschouwen wij de motie afgedaan.

Toezegging aan het lid Koekkoek om het evaluatierapport van het Nationaal Strategisch Plan wanneer deze klaar is in 2025 naar de Kamer te sturen (TZ202309-004)

Het rapport van de tussentijdse evaluatie van het GLB-NSP is met de brief van 16 december 2025 met uw Kamer gedeeld2. Daarmee is de toezegging afgedaan.

Agro-economie

De motie Nijhof-Leeuw/Grinwis over in gesprek gaan met de banken over financiering voor gezonde bedrijven (36600-XIV-31) en de toezegging om met de banken in gesprek gaan om de mogelijkheden voor financiering van bedrijfsovername door jonge boeren te bezien (TZ202401-014)

De motie Nijhof-Leeuw/Grinwis verzoekt de regering in gesprek te gaan met banken over financiering voor gezonde bedrijven. Dit onderwerp betrek ik bij het reguliere overleg met banken, evenals de toezegging (TZ202401-014) om met banken in gesprek te gaan over financiering van bedrijfsovername door jonge boeren. Daarmee beschouwen we deze motie en toezegging als afgedaan.

De nader gewijzigde motie van het lid Beckerman c.s. over onderzoeken welke wetgeving met als doel de vergoeding voor dierenwelzijnsmaatregelen voor de boeren te beschermen in Nederland ingesteld kan worden (35746-37)

In de gesprekken die gevoerd worden rondom het convenant dierwaardige veehouderij benadrukt het kabinet het belang van afspraken over vergoedingen voor dierenwelzijnsmaatregelen. Het op nationaal niveau wettelijk vastleggen van vergoedingen of minimale kostprijzen is geen garantie op een goede prijs en bescherming van de positie van de boer in de keten. In een sterk internationaal georiënteerde markt is het voor de Nederlandse land- en tuinbouw noodzakelijk om internationaal te kunnen concurreren en zich goed te positioneren met kwalitatief goede producten. Ik heb de mogelijkheid laten onderzoeken om een vergoeding voor bovenwettelijke eisen te verplichten, zoals aanvullende leveringsvoorwaarden op het gebied van dierenwelzijn of duurzame productie.3 Geconcludeerd wordt dat een dergelijke verplichting niet aansluit bij het uitgangspunt van contractvrijheid in het Nederlandse contractenrecht. Contractvrijheid op dit punt inperken op nationaal niveau is bovendien geen garantie voor een extra vergoeding voor Nederlandse boeren, aangezien afnemers ook contracten kunnen afsluiten buiten Nederland. Er bestaat reeds wetgeving in het kader van het versterken van de positie van de boer in de keten, zoals de Wet Oneerlijke Handelspraktijken (OHP wet). Deze OHP wet bevat een aantal Europees vastgelegde verboden die als oneerlijke handelspraktijk zijn aangemerkt. De Europese Commissie verkent momenteel mogelijke aanpassingen aan de Richtlijn OHP. Met de bovenstaande toelichting en de genoemde onderzoeken beschouwen wij de motie als afgedaan.

De motie Bisschop over de oprichting van lokale landcoöperaties stimuleren (35570-XIV-66)

Via het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) ondersteunt het kabinet landcoöperaties die investeren in de omschakeling naar vormen van toekomstbestendige bedrijfsvoering. Landcoöperaties met een, door de onafhankelijke deskundigencommissie, goedgekeurd omschakelplan en private cofinanciering kunnen tegen gunstige voorwaarden een deel van hun investeringen in de primaire agrarische bedrijfsvoering financieren. Investeringen in grondaankoop zijn via het IDL grotendeels uitgesloten vanwege Europese staatssteunkaders.

De Borgstelling MKB landbouw- en visserijkredieten biedt onder voorwaarden ondernemers in de land- en tuinbouw, visserij en aquacultuur die vanwege een zekerhedentekort niet zelfstandig een lening af kunnen sluiten bij een bank of andere financier de mogelijkheid om gebruik te maken van een rijksborgstellingsregeling. Indien zekerhedentekort de reden is dat een investering niet gefinancierd kan worden, dan zorgt de borgstelling ervoor dat verstrekken van financiering wel mogelijk is, waarmee de regeling bijdraagt aan economische bedrijvigheid. Wanneer lokale landcoöperaties voldoen aan de criteria uit de regeling voor ‘LV-ondernemer’, overnemer of starter, dan behoren ook zij tot de doelgroep van deze regeling.

De motie Van der Plas c.s. over het verplicht stellen van een verdienvermogentoets bij de totstandkoming van nieuw agrarisch beleid en nieuwe maatregelen (36410-XIV-82)

In december 2024 is de Kamer geïnformeerd dat invulling van deze motie plaatsvindt door het toevoegen van een verdienvermogenstoets aan de bestaande Bedrijfseffectentoets (BET) in het Beleidskompas4. Destijds is aangegeven dat onderzocht zal worden op welke wijze aangesloten kan worden bij het Beleidskompas. Dit onderzoek is afgerond en het is naar voren gekomen dat met behulp van een ontwikkelde methodiek door Wageningen Social & Economic Research (WSER) een gestandaardiseerde doorrekening gemaakt kan worden als verdienvermogenstoets, op basis van bedrijfseconomische indicatoren voor standaardbedrijfstypen. Deze methodiek zal ingezet worden via de BET. Hiermee is de uitvoering van deze motie afgerond.

De motie Koekkoek/Boswijk over een sociaal-economische impactanalyse verplicht onderdeel laten uitmaken van het gebiedsplan (33576-315)

Om invulling te geven aan de motie Koekkoek/Boswijk heeft Wageningen Social & Economic Research (WSER) in opdracht van LVVN het bijgevoegde rapport ‘Methodiek voor het bepalen van het economisch perspectief van de landbouwsector’ opgesteld (bijlage 1)5. Dit rapport bevat een beschrijving van de nieuw ontwikkelde methode om een agro-economische impactanalyse uit te voeren. Daarnaast beschrijft het rapport de lessen die zijn geleerd uit de pilots die in drie gebieden zijn uitgevoerd met deze methodiek. Dit project is begeleid door IPO, provincies en LVVN. Onder andere n.a.v. de motie van de leden Koekkoek en Boswijk was er in de handreiking voor de NPLG gebiedsprogramma’s een verplichting opgenomen om de agro-economische effecten van de NPLG-maatregelen in kaart te brengen in het gebiedsprogramma. De ontwikkelde methode die in het bijgevoegde rapport wordt omschreven is ontwikkeld om invulling te geven aan deze verplichting. Met het versturen van dit rapport aan uw Kamer is de uitvoering van deze motie afgerond.

De gewijzigde motie Grinwis/Boswijk over onafhankelijk uiteen laten zetten wat de gevolgen, kansen en bedreigingen zijn van klimaatverandering voor de land- en tuinbouw (36200-XIV-114)
Bij deze brief bieden wij uw Kamer twee rapporten aan die in onze opdracht door Wageningen Social & Economic Research (WSER) zijn opgesteld met betrekking tot klimaatverandering en de landbouw (zie bijlagen 2 en 3). In het eerste rapport6 wordt ingegaan op de vraag hoe klimaatverandering wereldwijd invloed heeft op productiezones en wat dit betekent voor internationale handel en voedselzekerheid. De opdracht voor het tweede rapport7 is gegeven naar aanleiding van de motie. Met de aanbieding van dit rapport aan uw Kamer is de motie afgedaan.

Samen laten deze rapporten helder zien dat klimaatverandering serieuze gevolgen kan hebben voor het voedselsysteem zowel wereldwijd als op het Europese en Nederlandse niveau. De rapporten versterken het inzicht dat klimaatverandering niet alleen een ecologische, maar ook een strategische en economische uitdaging vormt voor Europese voedselzekerheid. Er worden waardevolle inzichten aangeboden om het Europese en Nederlandse voedselsysteem weerbaarder te maken en te investeren in een toekomstbestendige land- en tuinbouw. Er wordt op vele manieren in samenwerking met verschillende partijen in het voedselsysteem gewerkt aan deze opgaven. Zo zet het kabinet in op voedselzekerheid door het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen vanuit een ‘all-hazard’ benadering. Hiermee wordt voedsel onderdeel van de Nationale vitale infrastructuur, waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen, inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. De inzichten uit deze rapporten zullen helpen in het verder vormgeven dat de toekomstrichting van het Nederlandse voedselsysteem en zullen worden benut bij het vormgeven van beleid.

De motie Koekkoek over een rol in de Europese voedselstrategie voor afspraken in de keten over verduurzaming en verdienvermogen (36410-XIV-73)

De ACM biedt gevraagd en ongevraagd kennis aan rondom de toepassing van de mogelijkheden die er zijn om ketenafspraken te maken binnen de mededingingskaders, bijvoorbeeld in de Leidraad Samenwerking Landbouwers.8 In de Landbouw- en Visserijraad heeft het kabinet de kansen van deze leidraad benadrukt. Inmiddels is de Visie op Landbouw en Voedsel van de Europese Commissie uitgebracht.9 Gesprekken met de Commissie en andere EU lidstaten over de uitvoering van die EU-visie vinden onder meer plaats in de Landbouw- en Visserijraad.
Sinds enkele jaren verzoekt LVVN de ACM om ontwikkelingen te volgen rondom vergoedingen en verdeling van marges in de keten, ook waar het gaat om aanvullende leveringsvoorwaarden rond duurzaamheid en dierenwelzijn. Deze Agro-Nutri Monitor is vorig jaar door de ACM gepubliceerd10 en betreft onderzoeksperiode 2021-2023. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

Internationaal

De motie Van der Plas over eenduidige regels voor de productie van voedsel (21501-32-1476), de motie Nijhof-Leeuw/Grinwis over een compleet overzicht van de algemene kosten van producten van eigen bodem (36410-XIV-32) en de motie Thijssen en Bromet over inzetten op internationale productiestandaarden voor de import van agrarische producten (21501-32-1390)

Het kabinet zet zich via verschillende fora in op het verhogen van duurzaamheid en het verhogen van productiestandaarden. Allereerst via multilaterale activiteiten, bijvoorbeeld bij de WTO. Op het gebied van de bilaterale activiteiten, zoals de handelsverdragen met Nieuw Zeeland en Mercosur is de inzet van het kabinet richting de Europese Commissie gericht op zowel het vergroten van het gelijke speelveld, als het verhogen van (productie)standaarden11. Tevens kan de Europese Unie, onder bepaalde voorwaarden uiteengezet in de studie over de toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten12, zogenaamde autonome maatregelen treffen. Daarbij geldt wel dat “maatregelen” alleen omwille van het behoud van de concurrentiepositie van EU-bedrijven indruisen tegen de WTO-regels waar de EU en NL aan gebonden zijn. In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Het kabinet heeft in het BNC-fiche13 aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen. Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd. Hiermee is de inzet op het verhogen van productiestandaarden ingebed in het beleid en zijn de moties uitgevoerd.

Toekomst Veehouderij

De motie Podt over de overheid als launching customer voor nieuwe eiwitproducten (30252-198)

In deze motie wordt gestreefd naar een groter aanbod van nieuwe eiwitten. Dit draagt bij aan de verduurzaming van de eiwitconsumptie. Over dit onderwerp delen wij ook graag twee rapporten met uw Kamer, de Eiwitmonitoren 2024 en 2025 (bijlage 414 en 515) en de Versnellingsagenda Eiwittransitie (bijlage 616).

Uw Kamer heeft in de motie gevraagd om te verkennen of het Innovatiekrediet zo aangepast kan worden dat de lening conditioneel wordt toegekend vóór volledige financiering, om meer privaat kapitaal aan te trekken. Daarnaast wil uw Kamer dat de rijksoverheid een rol neemt als launching customer voor nieuwe eiwitproducten, zoals in Denemarken en Duitsland.

Kijkende naar het eerste gedeelte van de motie (aanpassing Innovatiekrediet) bestaat de mogelijkheid al om conditioneel toe te kennen (met ontbindende voorwaarde voor financiering in de verleningsbeschikking) als er bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voldoende vertrouwen is dat de financiering door private investeerders in afzienbare tijd rondkomt. Aan de ontbindende voorwaarde dient normaliter binnen 4-8 weken te worden voldaan (met mogelijkheid tot uitstel). Wel is het zo dat veel ondernemers nog niet bekend zijn met deze mogelijkheid en daardoor wellicht niet aan een aanvraag beginnen, waardoor mogelijk minder privaat kapitaal wordt aangetrokken. Bij de appreciatie is afgesproken dat het kabinet de motie zo mag interpreteren dat het ministerie van Economische Zaken samen met RVO in gesprek gaat over het beter informeren van de doelgroep. Daartoe heeft het ministerie van Economische Zaken reeds overleg gehad met Hollandbio, de branchevereniging voor biotech ondernemingen, waarin o.a. is aangegeven dat het mogelijk is om conditioneel toe te kennen en dat in de praktijk ook wordt toegepast. Door aanpassing van de website neemt RVO de doelgroep daarnaast nu duidelijker mee in de voorwaarden voor financiering en blijft RVO nadrukkelijk aandacht besteden aan dit onderwerp in o.a. haar communicatie uitingen-, (oriënterende) gesprekken-, en informatiebijeenkomsten met de doelgroep.

Voor het tweede gedeelte van de motie is er een verkenning gedaan door RVO bij de grote cateraars van het Rijk, waarbij is gevraagd welke nieuwe eiwitproducten zij nu al gebruiken en waar in de toekomst verder op ingezet kan worden. Met nieuwe eiwitbronnen worden eiwitbronnen bedoeld die binnen het huidige Nederlandse eetpatroon niet of minder gebruikelijk zijn17. Om de rol van de overheid als launching customer voor nieuwe eiwitbronnen te verstevigen, verkennen wij samen met RVO de mogelijkheden om binnen de rijkscontracten en aanbestedingen van catering de afname van nieuwe eiwitbronnen te stimuleren. De Kamer wordt dit najaar verder geïnformeerd over deze verkenning en de te nemen stappen.

De motie Van der Plas over een jaarlijkse "Week van de (H)eerlijke Hollandse Hap" (30252-193)

In de motie wordt gevraagd om alle cateraars van rijksoverheidsinstanties te stimuleren om jaarlijks een Week van de (H)eerlijke Hollandse Hap te organiseren, waarbij de focus ligt op het aanbieden van lokaal Nederlands geproduceerd en seizoensgebonden voedsel van al onze boeren, tuinders, telers en vissers. In oktober 2025 is voor het eerst een Week van de (H)eerlijke Hollandse Hap georganiseerd in veel bedrijfsrestaurants van het Rijk, waaronder in ons eigen ministerie. Met de week vestigden we de aandacht op het Nederlandse voedselsysteem en lokaal voedsel. Wij zetten ons ervoor in dat de georganiseerde week jaarlijks wordt herhaald. Hierover worden met RVO, de verschillende opdrachtgevers van het Rijk en de cateraars afspraken gemaakt. Hiermee is de motie afgedaan.

In aanvulling op de motie Van der Plas en de hierboven genoemde motie Podt (30252-198) attenderen wij de Kamer ook graag op het rapport van CE Delft ‘Monitoringskader MVOI catering’18. Met dit rapport adviseert CE Delft ons over de inhoudelijke opzet van een monitor voor de rijkscatering, specifiek de inkoopcategorie Consumptieve Dienstverlenging (catering en warme- en koudedrankenvoorziening). Met een monitoring van de rijkscatering willen wij inzichtelijk maken hoe de overheid direct bijdraagt aan een gezonde, duurzame en betaalbare eetomgeving, waarbij nu gestart wordt met duurzaamheidsindicatoren. Binnen mijn ministerie wordt, in samenwerking met RVO, gewerkt aan de verdere uitwerking van deze monitor.

De motie Vedder/Holman over de uitvoeringskracht van de landbouw versterken door de PO's en de BO's beter te laten aansluiten op de mogelijkheden die de Europese regelgeving biedt (36600-XIV-44)

De motie verzoekt om maatregelen voor het versterken van de uitvoeringskracht van de landbouw, door de werkzaamheden van de huidige Producentenorganisaties (PO’s) en Brancheorganisaties (BO’s) in de praktijk beter aan te laten sluiten op de mogelijkheden die de Europese regelgeving biedt. Het kabinet wijst erop dat de reeds bestaande nationale juridische kaders het algemeen verbindend verklaren van collectieve afspraken mogelijk maken en volledig aansluiten bij Europese regels. Deze nationale kaders bevorderen de toepassing van Europese regelgeving voor PO’s en BO’s. Vanuit juridisch oogpunt zijn er in de nationale regelgeving geen belemmeringen voor PO’s en BO’s om de mogelijkheden te benutten die de Europese regels bieden.

Het gewijzigde amendement van de leden Ouwehand en Grinwis ter vervanging van nr. 27 over middelen voor subsidie voor Stichting Public Food (Kamerstuk 36 600 XIV nr. 72).

Ter opvolging van het amendement verleent het ministerie van LVVN de Stichting Public Food in vier opvolgende jaren € 10.000 subsidie om te verkennen of de opschaling van het in Rotterdam gevestigde initiatief Mensa Mensa naar andere steden mogelijk is. Ondersteunend aan het amendement is opdracht uitgezet om de impact van het initiatief in kaart te brengen. Bijgaand stuur ik u het rapport van New Economy ‘Maatschappelijke waarde Mensa Mensa’ (bijlage 719).​ Uit het rapport komt naar voren dat het concept Mensa Mensa vooral verschil kan maken in wijken waar gezond eten niet vanzelfsprekend is. Voor deze wijken kan het concept Mensa Mensa gemeenten concrete handvatten bieden om via een wijkgerichte aanpak kwetsbare groepen te bereiken.

Mestbeleid

De motie Pierik/Flach over mogelijkheden onderzoeken om RENURE toe te passen in de Nederlandse veehouderij en eventuele belemmeringen hiervoor wegnemen (30252-156) en de motie Van Campen over anticiperend op toestemming van de Europese Commissie voor RENURE alvast starten met het opstellen van een landelijk gebruiksvoorschrift (30252-165)

Ten aanzien van de moties over Renure verwijs ik naar mijn brief van 7 november 2025, waarin ik de inhoud en de start van de internetconsultatie voor de benodigde regelgeving heb aangekondigd20. Ik ben zeer verheugd dat het Nitraatcomité op 19 september 2025 positief heeft besloten over RENURE. Inmiddels is ook op 8 januari de bezwaartermijn van de Raad en het Europees Parlement verlopen. Na de formele vaststelling door de Europese Commissie is RENURE dan ook een feit.

In de tussentijd wordt gewerkt aan de benodigde nationale regelgeving. De inzet is om deze zomer van kracht te laten zijn. Hiermee beschouw ik deze moties als afgedaan.

De motie Van Campen/Holman over bij weegmomenten monitoren hoe de leasemarkt voor pluimvee- en varkensrechten zich ontwikkelt en eventuele ongewenste effecten tegengaan (36618-30)

Ten aanzien van deze motie verwijzen wij naar de brief van de minister van LVVN over het eerste weegmoment van 18 september 202521. In de cijfers over transacties van pluimvee- en varkensrechten is ook de leasemarkt expliciet meegenomen. Daarnaast werkt de minister van LVVN aan de voornemens die hierover zijn aangegeven in het coalitieakkoord. Wij beschouwen deze motie daarmee afgedaan.

De motie Van Campen c.s. over een nulmeting van de huidige situatie van het mestbeleid (33037-384)

Er is een evaluatie van de meststoffenwet uitgevoerd22. In dit onderzoek zijn de effecten in beeld gebracht van het mestbeleid. Hiermee is de motie afgedaan.

Akkerbouw

De motie Grinwis c.s. over het ondersteunen van de naleving van teeltvoorschriften door het garanderen van voldoende flexibele handhavingscapaciteit bij de NVWA (27858-689)

De NVWA ontvangt een extern geoormerkt budget om de flexibele handhavingscapaciteit van de teeltvoorschriften te garanderen. Omdat dit budget onderdeel is van de begroting van LVVN is het in de begrotingssystematiek niet mogelijk om het jaarlijks beschikbare handhavingsbudget over verschillende jaren te benutten. Dit maakt dat we de motie helaas niet uit kunnen voeren. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

Natuur

De motie Bromet/Beckerman over de door Rotterdam The Hague Airport opgekochte stikstofruimte inzetten voor het legaliseren van PAS-melders, natuurherstel en woningbouw (29665-506) en de motie Vedder c.s. over de Schiphol Group verzoeken verworven stikstofdepositieruimte aan te bieden bij de overheid voor het legaliseren van PAS-melders (29665-509)

De mogelijkheid om het overschot aan stikstofruimte in te zetten voor PAS-melders en woningbouw is ingehaald door de Rendac-uitspraak. Door die uitspraak is extern salderen nog lastiger uitvoerbaar, dit vanwege de aangescherpte additionaliteitstoets. Ook is de Royal Schiphol Group nog afwachtend in hoeverre ze de ruimte zelf nodig zouden hebben. Mede omdat de benodigde toestemmingen/natuurvergunningen voor de luchthavens onder de Royal Schiphol Group nog niet onherroepelijk zijn. Gelet op het voorgaande is uit de gesprekken met de Royal Schiphol Group gebleken dat het inzetten van de betreffende stikstofruimte nu niet opportuun is. Hiermee beschouwen wij de moties als afgedaan.

De toezegging van de minister voor Natuur en Stikstof om de Kamer schriftelijk nader informeren over de gevolgen van de ingebrekestelling door de NAM (TZ202309-030)

Op 28 november 2025 is de Kamer door de Minister van KGG geïnformeerd over de overeenkomst met de NAM (Kamerstuk 33529, nr. 1345). Inmiddels is de aanvraag van de voorgenomen gaswinning Ternaard ingetrokken. De toezegging is hiermee afgedaan.

De motie Vedder c.s. over een evaluatie van de agrarische praktijktoets (30252-187)

De motie verzoekt de regering om samen met de betrokken sectoren een evaluatie van de agrarische praktijktoets (geïntroduceerd in 2021) uit te voeren en de Kamer voor het einde van 2025 te informeren over de uitkomsten en concrete voorstellen ter verbetering van het toepassen van de toets. Het door de Kamer gevraagde evaluatieonderzoek is in december 2025 door het departement afgerond. De hoofdvraag van deze evaluatie was: “in hoeverre is de agrarische praktijktoets een bruikbare kwaliteitseis voor beleid?”

Op basis van het onderzoek blijkt dat het uitvoeren van de agrarische praktijktoets leidt tot nieuwe inzichten en kennis over voorgenomen beleid, en dat deze bevindingen zeer waarschijnlijk worden gebruikt in het beleidsvormingsproces om wet- en regelgeving te verbeteren. Deelnemers geven aan dat de panelgesprekken hebben geleid tot constructieve interactie tussen beleid en het veld, dat de ontvangen verslagen duidelijk waren en dat de terugkoppeling helder inzicht bood in welke input wel of niet kon worden meegenomen. Sommige deelnemers geven aan dat zij na deelname aan de toets geen gebruik meer maken van Internetconsultatie, omdat zij de kwaliteit van input en interactie na de praktijktoets hoger inschatten. Beleidsmedewerkers bevestigen dat de toets hen een breder en realistischer beeld geeft van mogelijke gevoeligheden en praktische belemmeringen, en dat de directe wisselwerking met het veld de kwaliteit van wet- en regelgeving vergroot.

Ten tijde van de evaluatie was het LVVN-beleid koploper in het aantal uitgevoerde MKB-toetsen binnen het Rijk. De toets is in circa 93 procent van de gevallen uitgevoerd, wat goed is voor dit type kwaliteitseis van het Beleidskompas. Ondanks dat de ingevoerde wet- en regelgeving zeer waarschijnlijk van verbeterde kwaliteit is, kan er geen causale relatie worden vastgesteld tussen het uitvoeren van de agrarische praktijktoets en het voorkomen van nieuwe dossiers, die leiden tot extra regeldruk. De toets wordt in het beleidsproces uitgevoerd als er een nieuwe wet- of regelgeving is voorgesteld (Europees of nationaal) met substantiële impact op de bedrijfspraktijk. De toets heeft daardoor geen impact op het aantal voorgenomen nieuwe wet- en regelgeving. Echter betekent dit niet dat er geen relatie is met het voorkomen van onnodige en ervaren regeldruk. Als de kwaliteit van nieuwe wet- en regelgeving beter wordt door de toets, kan de ervaren onnodige regeldruk in potentie afnemen. Deze hypothese gaat echter voorbij aan de scope van dit onderzoek, maar is mogelijk een positief neveneffect.

Uit de evaluatie bleek tevens dat de naam agrarische praktijktoets verwarring veroorzaakt binnen het departement, bij deelnemers en breder binnen het Rijk, aangezien de toets en diens handreiking inhoudelijk gelijk zijn aan de MKB-toets. De evaluatie adviseerde daarom de naam te wijzigen in de MKB-toets, wat het ministerie overneemt, omdat dit de doeltreffendheid en doelmatigheid van de toets vergroot en verwarring bij vissers en andere ketenpartijen in het LVVN-beleid voorkomt. De overige aanbevelingen uit de evaluatie worden eveneens in 2026 binnen het departement geïmplementeerd, waaronder het formaliseren van aanspreekpunten, het waarborgen van capaciteit en procesborging, en het verbeteren van de voorlichting op de interne website. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

De toezegging aan het lid Graus over bijensterfte (TZ202502-166)

Tijdens het commissiedebat NVWA van 11 februari 2025 heb ik de heer Graus (PVV) toegezegd terug te komen op de bijensterfte. Wilde bestuivers en honingbijen zijn belangrijk voor onze voedselvoorziening en er zijn meerdere drukfactoren die deze bijenpopulaties ondervinden, zoals de varroamijt, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de aanwezigheid van de Aziatische hoornaar (voortaan geelpoothoornaar).

De varroamijt is een van de belangrijkste veroorzakers van wintersterfte bij honingbijen. Met de Sectorale Interventie Bijen (SIB) worden subsidies (gezamenlijk van de EU en nationaal) verstrekt aan initiatieven die bijdragen aan het verkleinen van de impact van de varroamijt. Daarnaast worden initiatieven zoals "Bijen@WUR" gesteund om kennis over aanpak van de varroamijt te verspreiden onder imkers.

Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen is in Europees verband het bijenrichtsnoer ontwikkeld om bij de beoordeling de effecten van gewasbeschermingsmiddelen nog beter te toetsen. Uw Kamer is met regelmaat geïnformeerd gedurende de totstandkoming van dit bijenrichtsnoer. De Europese Commissie zal naar verwachting eind 2026 een definitief voorstel aan de lidstaten voorleggen om het bijenrichtsnoer vast te stellen en te implementeren, waar ik uw Kamer vervolgens over zal informeren.

De geelpoothoornaar is een nieuwe drukfactor voor bijen en helaas niet meer tegen te houden. Op 15 april 2025 heeft het lid Pierik vragen gesteld over de geelpoothoornaar. In de beantwoording van die vragen is mijn voorganger verder ingegaan op de inzet van Rijk en provincies wat betreft deze invasieve exoot (2025Z07499).

Om de negatieve trend in de (wilde) bestuiverspopulaties te keren, is het naast de beschreven aanpak van drukfactoren van belang de drukfactoren stikstof en verdroging aan te pakken. Het verminderen van al deze drukfactoren is randvoorwaardelijk voor het keren van de negatieve bestuiverstrend. Middels de aanpak van deze drukfactoren is het mogelijk om de voedsel- en nestgelegenheden voor bestuivers te vergroten en te verbeteren. Daarnaast kunnen bestuiversvriendelijke maatregelen worden genomen door diverse partners van de Nationale Bijenstrategie (NBS), opgericht door LVVN als antwoord op de achteruitgang van het aantal soorten en populaties van bestuivers. De verbetering van leefgebieden voor bestuivers, waaronder bijen, zal ook via de herstelmaatregelen van de Natuurherstelverordening (NHV) worden meegenomen. In de NHV staan ook doelstellingen met betrekking tot bestuivers. De verordening verplicht lidstaten om effectieve maatregelen te treffen om de negatieve trend van bestuiverpopulaties te keren in uiterlijk 2030. Om vervolgens een stijgende trend in te zetten tot een bevredigend niveau bereikt is. In het Natuurplan wordt de Nederlandse inzet op de NHV uitgewerkt. Het voornemen is om het Ontwerp-Natuurplan 1 september 2026 naar de Europese Commissie te verzenden.

Kennisproduct korte koolstofkringloop

Zoals toegezegd in het Regeerprogramma van het Kabinet Schoof23 en in de Kamerbrief Routekaart Koolstofverwijdering24 heeft het ministerie van LVVN onderzoek laten doen naar de mogelijkheid om rekening te houden met een correctiefactor voor de onttrekking van CO2 aan de atmosfeer in gras en voedergewassen/voedsel in de korte koolstofkringloop. Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen University and Research (WUR) in samenwerking met het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM). Het opgeleverde kennisproduct kunt u op de website van WUR vinden25. Een van de conclusies is dat de tijdelijke koolstofopname in gras, voedergewassen en voedsel wel wordt meegenomen in de emissieboekhouding, maar dat deze niet zorgt voor een significante verandering in de koolstofvoorraad in levende biomassa, omdat ze binnen een jaar geconsumeerd worden. De emissieboekhouding hoeft derhalve niet gecorrigeerd te worden.

Doelsturing

De motie Grinwis c.s. over het emissiebeleid langs de lijnen van de aangenomen moties en de gemaakte afspraken concreet invullen, inclusief een tijdlijn (35334-309)

De Kamer is via verschillende brieven geïnformeerd over de invulling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat26 27 28. In deze brieven is uw Kamer geïnformeerd over dat in 2026 de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat zullen worden vastgesteld. Hiertoe zal ook een besluit genomen worden over de eenheid/KPI waarin de norm wordt vormgegeven (per hectare, per (fosfaat)recht of per dierplek) en de hoogte van de norm. Daarmee beschouwen wij de motie als afgedaan.

Ten aanzien van doelsturing op waterkwaliteit geldt dat de uitwerking van de systematiek wordt voortgezet en dat beoogd wordt in het najaar van 2026 te starten met N-mineraalmetingen. De vorm en de reikwijdte van het systeem van doelsturing, ook in het licht van de KRW, wordt gewogen in relatie tot het op te stellen 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn.

Stikstof: overig

De motie Podt over de randvoorwaarden voor gebiedsspecifieke zonering rond Natura 2000-gebieden op orde brengen (28973-279)

De motie Podt verzoekt de regering om de randvoorwaarden voor zonering rond Natura 2000-gebieden op orde te brengen en op basis van doorrekeningen door kennisinstellingen diverse varianten van de omvang van zonering voor te leggen aan de Kamer voor Prinsjesdag29. Voor varianten m.b.t. zonering heeft het RIVM in 2025 inzichtelijk gemaakt welke bedrijfsaantallen, hectares en stikstofemissie en depositie in verschillende zones rond Natura 2000-gebieden voorkomen. Deze gegevens zijn openbaar gedeeld30. Ook het kennisconsortium van PBL, Deltares, RIVM & WUR heeft gereflecteerd op het maatregelenpakket van de MCEN en zonering31. De uitkomst hiervan wordt betrokken bij de verdere uitwerking van zonering door de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. De ambitie van de Taskforce is om voor de zomer helderheid te bieden over de beleidsvoornemens voor zonering en daarna hierover in gesprek te gaan met medeoverheden en maatschappelijke partners. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

De motie Van der Graaf over de indicatieve reductieopgave van 25% van de NOx-emissies tussen 2019 en 2030 voor de mobiliteitssector specifiek laten gelden voor de luchtvaart (31936-1124)

De motie verzoekt de regering de indicatieve reductieopgave van 25% van de NOx-emissies tussen 2019 en 2030 voor de mobiliteitssector specifiek te laten gelden voor de luchtvaart. In het coalitieakkoord is gekozen voor één emissie-doelstelling per sector, ter vervanging van depositiewaarden in de Omgevingswet. Het kabinet kiest niet voor een invulling met additionele doelstellingen voor subsectoren, in dit geval de luchtvaart en zodoende heeft het kabinet ervoor gekozen motie Van der Graaf niet uit te voeren. Dat betekent niet dat de luchtvaart geen bijdrage levert aan de NOX-emissiereductie door de sector mobiliteit. Zo wordt gewerkt aan elektrificatie van het platformverkeer, de inzet van meer walstroom en de implementatie van elektrisch taxiën.

De motie Podt over decentrale overheden ondersteunen door de ruimtelijke instrumenten voor te bereiden (35334-335)

De motie benoemt dat de inzet van ruimtelijke instrumenten grondige voorbereiding en samenwerking vraagt van Rijk en medeoverheden. De motie vraagt om voorbereiding van ruimtelijke instrumenten, zodat het Rijk exact weet wat er nodig is om decentrale overheden te ondersteunen bij de acute inzet van ruimtelijke instrumenten.

Als onderdeel van het contact met medeoverheden en koepels over de uitwerking van ruimtelijke keuzes voor landbouw en natuur besteden wij aandacht aan de informatie- en kennisdeling tussen het Rijk en decentrale overheden. Hier is al veel materiaal op beschikbaar. Zo bevat de Instrumentenkoffer Landelijk Gebied32 al veel informatie over bestaande instrumenten voor het realiseren van opgaven in het landelijk gebied. Daarnaast zijn er andere hulpmiddelen, zoals een overzicht van wettelijke instrumenten die kunnen worden ingezet voor het reguleren van waterkwaliteit33 en een informatiedocument dat decentrale overheden een overzicht biedt van mogelijkheden om bij te sturen op veranderend grondgebruik34. Daarnaast is een informatiedocument beschikbaar gesteld over de inzet van grondbeleid35. De genoemde documenten beschrijven naast het instrumentarium ook concrete voorbeelden uit de uitvoeringspraktijk van medeoverheden. In interbestuurlijk overleg met medeoverheden en koepels heeft en houdt verbetering van de informatie-uitwisseling onze aandacht. Dit temeer omdat het ruimtelijke instrumentarium een belangrijk onderdeel is in de aanpak van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, onder andere bij de gebiedsgerichte inzet. Zie hiervoor de brief van de Minister van LVVN van 27 maart 202636. Uw Kamer zal via de Taskforce over deze aanpak worden geïnformeerd. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

De motie Podt over de CO2-emissiereductie uit het NPLG als uitgangspunt hanteren voor de alternatieve gebiedsplannen (36600-XIV-38)

Het kabinet wil met ambitie aan de slag met de opgaven in het landelijk gebied. De klimaatdoelen voor de landbouw en landgebruik zijn daarvoor belangrijk. De inzet op stikstofreductie hangt nauw samen met de opgaven voor klimaat. Daarom kijkt het kabinet ook naar de bijdrage van de stikstof reducerende maatregelen aan de klimaatopgave.

In een recente Kamerbrief over de Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof heeft het kabinet aangegeven op welke manieren bij de uitwerking van de stikstofopgave wordt gewerkt aan de reductie van broeikasgasemissies37. Het kabinet werkt aan de klimaatopgave met onder andere bedrijfsspecifieke emissienormen voor broeikasgassen, een vrijwillige beëindigingsregeling, normering op de inzet van methaanremmers in veevoer en de inzet op veenweide en de bossenstrategie. Voor de zomer zal de Kamer worden geïnformeerd over de verdere uitwerking van de samenhangende aanpak. Ook zal aan het PBL en andere kennisinstellingen worden gevraagd hierop te reflecteren.

Verschillende provincies zetten een stap naar voren en ontwikkelen provinciale plannen voor de opgaven in het landelijk gebied. Het is van belang dat ook deze plannen in samenhang worden bezien met de klimaatopgave zodat de opgaven in synergie met elkaar kunnen worden gerealiseerd. Specifiek stuurt het kabinet niet meer op de totstandkoming van gebiedsplannen. De motie kan daarom in de vorm zoals ze is geschreven niet worden uitgevoerd. Wanneer provincies mij vragen om een reactie op eigen plannen zullen wij hen wijzen op het belang van de klimaatopgave. We beschouwen de motie hiermee als afgedaan.

De motie Van Campen/Grinwis over bij uitwerking van de stikstofplannen onafhankelijk advies vragen over varianten voor het vergunningenstelsel (35334-305)

De motie verzoekt de regering om bij de uitwerking van stikstofplannen ook stil te staan bij het huidige vergunningstelsel, en daarbij onafhankelijk advies te vragen, bijvoorbeeld door ABD Topconsult. In de toelichting hierop werd door het lid Van Campen aangegeven dat het van belang was dat bij de opgave van het kabinet ten aanzien van de stikstofplannen ook kritisch moest worden gekeken naar hoe ons stelsel eruit ziet. Op 24 januari 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de MCEN38 en de bijbehorende inzet op vier sporen. Onderdeel van deze inzet was het kritisch bezien van ons stelsel en het ophalen van adviezen hoe hierin toe te werken naar een houdbaar systeem. In de brief van 21 maart 202539 is aangegeven dat het kabinet diverse adviezen heeft ontvangen met maatregelen die bijdragen aan oplossingen voor de complexe problematiek. Ook in de periode daarna zijn diverse onafhankelijke adviesrapporten opgeleverd. Deze voorstellen hebben er onder andere toe geleid dat dit kabinet inzet op aanpassingen in het stelsel, zoals de omslag naar een doelsturingssystematiek gestoeld op bedrijfsgerichte emissienormen40. Door op bovenstaande wijze adviezen te benutten voor de stikstofplannen beschouwen wij de motie als afgedaan.

De motie Flach c.s. over juridische duidelijkheid over de ruimte voor intern salderen (35334-392)

De motie verzoekt de regering te bezien hoe door aanpassing van de Omgevingsregeling juridische duidelijkheid gegeven kan worden over de ruimte voor intern salderen in de voortoets als sprake is van activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en dit mee te nemen bij de uitwerking van het startpakket Nederland van het slot. Naar deze mogelijkheid is gekeken. Vastgesteld is dat op dit moment in de wetgeving geen regels zijn gesteld over de voortoets. Er zijn alleen regels gesteld over de reikwijdte van de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten, in artikel 5.1 van de Omgevingswet en paragraaf 11.1.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) op grond van de Omgevingswet. Daarnaast zijn regels gesteld over de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, eveneens een AMvB op grond van de Omgevingswet. In de Omgevingsregeling, een ministeriële regeling, kunnen technische regels worden gesteld over de aanvraag voor een omgevingsvergunning en de daarbij over te leggen gegevens. Er is echter geen grondslag om in die regeling een nieuwe toets te introduceren die vooraf gaat aan het al dan niet aanvragen van een vergunning en om over de invulling daarvan – bijvoorbeeld in relatie tot activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn - nadere regels te stellen. Dat zou een wetswijziging vergen. Daarbij moet goed worden afgewogen of de daarmee gepaard gaande extra regels en verplichtingen opwegen tegen de ‘juridische duidelijkheid’ die dan zou kunnen worden geboden over de vraag of activiteiten onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Bij dat laatste geldt dan ook dat Europeesrechtelijk begrippen in de jurisprudentie verder zullen uitkristalliseren en dat ervoor gewaakt moet worden dat nationale regels in strijd komen met het Europese recht.41 Gelet op het voorgaande kiest het kabinet ervoor om op dit moment geen extra regels en verplichtingen op te nemen wet- en regelgeving en de motie dus niet verder uit te voeren. Daarmee beschouwen wij de motie als afgedaan.

De motie Grinwis c.s. over het toezicht op vergunningverlening voor stikstofuitstoot door de industrie versterken (33576-308)

De motie verzoekt om het toezicht op de industrie te versterken en daartoe de informatiepositie van het bevoegd gezag te verbeteren, zodanig dat dit leidt tot een gelijkwaardige stikstofbehandeling met de agrarische sector.

Het kabinet onderschrijft het streven naar een gelijkwaardige behandeling van industriële en agrarische ondernemers bij de aanpak van stikstofuitstoot. In het algemeen kunnen we stellen dat de bevoegd gezagen hun informatiepositie meer aandacht geven. De brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat over de Staat van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving42 richt zich weliswaar vooral op het milieudeel, maar de aanbevelingen versterken voor een deel ook de informatiepositie voor natuur en daarmee voor stikstof.

Voor de grootste industriële complexen beschikt de provincie als bevoegd gezag al over een integrale informatiepositie. De provincie is verantwoordelijk voor zowel de milieuvergunning als de natuurvergunning. Hierdoor zijn alle relevante gegevens over emissies en technische standaarden op één plek beschikbaar.

Voor industriële bedrijven waarvoor de provincie geen bevoegd gezag is voor de milieuvergunning, is de situatie anders. De informatiepositie voor toezicht op stikstofuitstoot is daar vergelijkbaar met die van agrarische ondernemers.

Er is in die gevallen dus sprake van een gelijkwaardige uitgangspositie. Of de sterkere of gelijkwaardige informatiepositie ten aanzien van stikstofuitstoot door de industrie leidt tot een gelijkwaardige stikstofbehandeling is aan het bevoegd gezag om te bepalen per situatie en context. Met deze toelichting beschouwen wij deze motie als afgedaan.

De motie Meulenkamp/Vedder over vaart maken met het verder concretiseren van geborgde en structurele emissiereductie (36755-36), de motie Koekkoek over de Kamer periodiek informeren over de bijeenkomsten en de voortgang van de ministeriële commissie (35334-344) en de toezegging van de minister van LVVN om in maart 2025 de terugkoppeling op het emissiereductieplan van Natuurmonumenten, Natuur & Milieu, Koninklijke Bouwend Nederland, VNO-NCW, MKB-Nederland naar de Kamer te sturen (TZ202412-116)

De motie Meulenkamp/Vedder verzoekt de regering vaart te maken met het verder concretiseren van geborgde en structurele emissiereductie, daarbij de genoemde documenten als een basis te gebruiken en hierover in gesprek te treden met de betrokken partijen. De afgelopen jaren hebben opeenvolgende kabinetten diverse voorstellen ontvangen om Nederland van het slot te halen. Het gaat hierbij onder meer om het Bouwstenendocument emissiereductie landbouw van IPO, LTO, NAJK, VNG en de Unie van Waterschappen, het Bouwsteendocument Natuur van IPO, VNG, Unie van Waterschappen, Natuurmonumenten, LandschappenNL, Unie van Bosgroepen en de Federatie Particulier Grondbezit, evenals het dit jaar gepresenteerde emissiereductieplan Een stabiele route uit de stikstofcrisis (opvolger van het Versnellingsplan uit 2024) van VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuur & Milieu en Natuurmonumenten. Elementen uit deze plannen zijn al opgenomen in het kabinetsbeleid. De genoemde plannen bieden daarnaast ook aanknopingspunten voor de verdere uitwerking van geborgde en structurele emissiereductie. Er is regelmatig ambtelijk en bestuurlijk contact met deze organisaties om hun voorstellen inhoudelijk te bespreken. Ook nemen deze organisaties deel aan het bestuurlijk overleg met medeoverheden of het maatschappelijk overleg in het kader van de Ministeriële Taskforce. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan. De motie Koekkoek over de betrokkenheid van partijen is afgedaan in de Kamerbrief Startpakket Nederland van het slot43; de daarbij horende toezegging over het Versnellingsplan is hiermee ook afgedaan.

Moties uit de tijd van het Landbouwakkoord

In 2022 heeft uw Kamer middels meerdere moties het kabinet van toen opgeroepen om binnen afzienbare tijd tot afspraken te komen met de agrarische sector om te komen tot een economisch en ecologisch duurzaam toekomstperspectief voor de vele gezinsbedrijven in de agrarische sector. Deze moties zijn ingediend in aanloop naar en naar aanleiding van het Landbouwakkoord, maar zijn ook hierna onderdeel gebleven van de werkzaamheden van het ministerie. Het gaat om de volgende moties:

  • De motie Bisschop over meerjarige afspraken met een brede vertegenwoordiging van de sector (35300-XIV-48)

  • De motie Bisschop over een duurzaam en langjarig toekomstperspectief voor de agrarische sector (35600-43)

  • De motie Tjeerd de Groot/Boswijk over in de uitwerking van kringlooplandbouw operationele doelen formuleren (35925-XIV-107)

  • De motie Grinwis/Van Campen over lessen trekken uit succesvolle voorbeelden van Europees bronbeleid uit andere sectoren (35925-XIV-119)

  • De gewijzigde motie Bisschop over meer inzetten op emissiereductie op het boerenerf (35925-XIV-153)

  • De motie Bromet/Thijssen over innovatieve grondgebonden natuurinclusieve veehouderij ondersteunen (36200-XIV-46)

  • De motie Grinwis c.s. over zo snel mogelijk na het zomerreces komen met een visie, strategie en overlegstructuur om de landbouw in ons land een toekomst te bieden (30252-113)

  • De motie Graus c.s. over afspraken over een goed verdienvermogen voor boeren en tuinders (36200-XIV-24)

De moties verzoeken de regering onder andere om sturing op basis van emissiereductie, metingen en praktijkervaringen die recht doen aan de diversiteit van ondernemers en daarbij rekening houdend met een duurzaam en innovatief toekomstperspectief en goed verdienvermogen voor de ondernemer. Daarnaast wordt gevraagd om meer experimenteerruimte en erkenning van innovatieve technieken.

In de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof worden maatregelen uitgewerkt die boeren duidelijkheid en perspectief moeten geven en in het kader van deze taskforce is een Maatschappelijk Overleg ingesteld met verschillende maatschappelijke partijen. Aan het sturen op basis van emissiereductie en bedrijfsspecifieke metingen wordt invulling gegeven door de ontwikkeling van het doelsturingssysteem. Aan het ontwikkelen en uitrollen van innovaties en duurzame bedrijfsvormen, die mede bijdragen aan het verdienvermogen van boeren en tuinders, wordt invulling gegeven met onder andere de subsidieregelingen voor Samenwerken aan innovatie (EIP) en digitalisering, de subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) en het Investeringsfonds Duurzame Landbouw. Hiermee beschouwen wij deze moties als afgedaan.

Emissiereductie in de landbouw

De Kamer heeft verschillende moties aangenomen over innovatie en de rol bij emissiereductie:

  • De motie Van der Plas c.s. over alsnog de aangenomen motie-Van Campen c.s. over innovatieve technologieën uitvoeren (36410-XIV-59)

  • De motie Van Campen c.s. over bezien welke innovaties succesvol zijn of grote potentie hebben voor vermindering van stikstofemissies (33576-304)

  • De motie Holman en Van Campen over de bijdrage aan emissiereductie van innovaties per dierlijke sector inzichtelijk maken (33037-578)

  • De motie Grinwis/Vedder over samen met melkveehoudersorganisaties komen tot een emissiereductieplan (28973-273)

Zoals is aangegeven bij de appreciatie van de motie Holman/Van Campen over de bijdrage aan emissiereductie van innovaties per dierlijke sector inzichtelijk maken (33037-578), kan niet op voorhand gezegd worden wat er uit de innovatieprocessen komt vanwege het grote aantal innovaties en het doorlopende ontwikkelende karakter ervan. Het is daarom niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van die innovaties. Zonder uitputtend te zijn bestaan er voor verschillende doeleinden wel overzichten van innovaties (en de potentie er van) zoals een onderzoek van WUR uit januari 202544, of het overzicht van de projecten die subsidie kregen uit de Sbv-innovatiemodule45 en meer recent via het nationaal innovatieloket veehouderij46. Wij zetten ons in voor de reductie van emissies in de landbouw, onder andere in op bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat vanaf 2035. Bij het vaststellen van de normen zal gekeken worden naar wat technisch haalbaar is in verschillende veehouderijsectoren. Ook wordt er gekeken naar de bedrijfsmatige impact van de maatregelen. In het ingroeipad zullen dan via informeren, stimuleren en uiteindelijk afrekenen de normen worden gehaald. Bij de ontwikkeling van deze normen en maatregelen wordt uiteraard ook samengewerkt met verschillende sectorpartijen, waaronder melkveehouderorganisaties. Hiermee beschouwen wij deze moties als afgedaan.

Landelijke beëindigingsregelingen veehouderijlocaties

De motie Grinwis/Van Campen over de brede beëindigingsregeling zo snel mogelijk in 2025 openstellen en dit bij de voorjaarsbesluitvorming betrekken (36618-21) en toezegging aan het lid Holman om in januari 2025 duidelijkheid te geven over de invulling van de brede beëindigingsregeling (TZ202411-024)

Met de brief van 19 september 202547 is uw Kamer geïnformeerd over hoe de contouren van de Vrijwillige beëindigingsregeling eruit komen te zien. Daaropvolgend is uw Kamer bij brief van 19 december 202548 geïnformeerd over de voortgang inzake de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr). Daarbij heeft het kabinet aangegeven dat, afhankelijk van hoe snel de stappen doorlopen kunnen worden, de regeling naar verwachting medio 2026 wordt opengesteld. De internetconsultatie van de Vbr is reeds afgerond en de regeling is voor informele pre-notificatie aangeboden aan de Europese Commissie49. Hiermee beschouwen wij de motie en toezegging als afgedaan.

De motie Van Campen/Meulenkamp over het wegnemen van belemmeringen voor de doorstart van ondernemingen op locatie (33576-410)

De motie verzoekt de regering in overleg met decentrale overheden belemmeringen weg te nemen en daarbij regelingen zoals Rood voor Rood als voorbeeld te gebruiken. Uw Kamer is geïnformeerd over problematieken in de uitvoering van de Lbv en Lbv-plus en hoe hiermee is omgegaan50 en over hoe de Rood voor Rood-regeling gebruikt kan worden in combinatie met de Lbv-regelingen51. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.

De toezegging van de minister van LNV aan het lid Ouwehand om de Kamer te informeren over het gesprek dat hij met de kalverhouderij sector aangaat inzake wat er gebeurt met kalfjes wanneer een bedrijf stopt (TZ202303-020)

De kalverhouderij kon in aanmerking komen voor de (inmiddels gesloten) regelingen Lbv-plus en Lbv-kleinere sectoren. De veehouder had in deze regelingen 6 maanden de tijd vanaf de datum van de positieve beslissing om de voor subsidieverstrekking (eerste voorschot) vereiste modelovereenkomst te tekenen en terug te sturen. Daarna heeft de ondernemer, om aanspraak te kunnen maken op het tweede voorschot, 12 maanden de tijd om de dieren en dierlijke mest af te voeren. In het kader van dierenwelzijn is in deze regelingen gekozen voor een ruime periode van 12 maanden waardoor er voldoende tijd is om te voorkomen dat drachtige dieren en niet slachtrijpe vleeskalveren geslacht moeten worden. Hiermee beschouwen wij de toezegging als afgedaan.

Reactie op brief ‘Verzoek om reactie op brief NVP m.b.t. Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijen en LBV+ (36410-L-10)’

Op 29 februari 202452 verzocht de Commissie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het kabinet om te reageren op een brief van de Nederlandse Vakbond voor Pluimveehouderij (NVP) van 14 februari 2024 over de reactie van de NVP met betrekking tot de Lbv en Lbv-plus. Door een administratieve fout is het verzoek helaas niet op de juiste manier bij het ministerie geregistreerd. Middels deze brief reageren wij alsnog op de brief van de NVP.

Met haar brief geeft de NVP het belang aan van het driesporenbeleid, welke toeziet op een gelijke openstelling van subsidieregelingen voor extensivering, innovatie en beëindiging. Zij stellen dat, door het niet gelijktijdig aanbieden van de keuzemogelijkheden, veehouderijen niet in de mogelijkheid worden gesteld om een gedegen beslissing te nemen. Binnen de ‘Aanpak piekbelasting’ is het altijd de inzet geweest om de regelingen zo veel als mogelijk gelijktijdig open te stellen. Iedere subsidieregeling kent echter een eigen traject en tijdpad. Dit maakt dat sommige subsidieregelingen een eerdere openstellingsperiode hadden dan andere regelingen. Uiteindelijk zijn alle regelingen binnen de ‘Aanpak piekbelasting’ opengesteld, waardoor alle veehouders binnen de doelgroep de mogelijkheid hebben gehad om zich in te kunnen schrijven voor een van de regelingen.

De motie Van Campen c.s. over het met de sector uitwerken van een partiële beëindigingsregeling in samenhang met de aangekondigde brede beëindigingsregeling (33037-574) en de motie Beckerman c.s. over een uitgewerkt plan voor de begroting van 2025 hoe ketenpartijen gaan bijdragen aan de bestrijding van de mestcrisis en het verbeteren van de inkomenspositie van boeren (33037-553)

De motie Van Campen c.s. verzoekt de regering om voor 1 maart 2025, samen met de sector, in samenhang met de aangekondigde brede beëindigingsregeling en binnen de budgettaire kaders een partiële beëindigingsregeling uit te werken, waarbij niet-latent zijnde fosfaatrechten definitief uit de markt worden gehaald. De motie verzoekt tevens om de sector aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid en aan te sturen op een substantiële private bijdrage die ten goede komt aan de regeling voor deelnemende melkveehouders. Zoals gemeld aan uw Kamer is de prenotificatie van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ondertussen afgerond en is de formele notificatie bij de Europese Commissie gestart. In de Kamerbrief van 15 april 2026 bent u geïnformeerd over de goedkeuring door de Europese Commissie en het vervolgproces53.

Naast de motie Van Campen c.s. verzoekt de motie Beckerman c.s. de regering om voor de begroting van 2025 met een uitgewerkt plan te komen voor hoe ketenpartijen gaan bijdragen aan de bestrijding van de mestcrisis en het verbeteren van de inkomenspositie van boeren. Eerder is aan uw Kamer gemeld dat de banken te kennen hebben gegeven rentekortingen te willen verstrekken voor nieuwe duurzame investeringen door deelnemende melkveebedrijven. De sector werkt aan de uitwerking van deze private bijdrage. Hiermee beschouwen wij beide moties als afgedaan.

Diergezondheid, dierziekten en zoönosen

De motie Van Campen c.s. over de nadere uitwerking van verdere wet- en regelgeving aan de Kamer doen toekomen (35398-17)

In 2021 is de EU-diergezondheidsverordening54 van kracht geworden. De motie verzoekt nadere wet- en regelgeving nieuwe EU-diergezondsheidsregels uit Brussel voor parlementaire behandeling te ontvangen. De Kamer wordt doorlopend geïnformeerd over veranderingen rondom diergezondheid en de Europese regelgeving. We beschouwen de motie daarmee als afgedaan.

De motie Van der Plas over onderzoeken of en in welke mate waterrijke natuurgebieden nog van invloed zijn op de verspreiding van vogelgriep (28807-319)

De motie betreft een verzoek om te onderzoeken of en in welke mate waterrijke natuurgebieden nog van invloed zijn op de verspreiding van vogelgriep en uw Kamer daarover te informeren. Er is door Wageningen Bioveterinary Research uitvoerig onderzoek gedaan naar verschillende risicofactoren voor de insleep van het vogelgriepvirus op commerciële pluimveebedrijven in Nederland.55 Uit dit onderzoek zijn verschillende risicofactoren gebleken die betrekking hebben op landschapskenmerken, waaronder de nabijheid van water. Nederland is een waterrijk land dat op de trekroute ligt van veel vogelsoorten. Dit betekent dus dat er een verhoogd risico op insleep van vogelgriep vanuit wilde vogels bij pluimveebedrijven is in waterrijke gebieden. In dit onderzoek is gekeken naar data uit de periode 2014-2022. In de huidige reeks uitbraken sinds oktober 2025, zien we dat er uitbraken verspreid over heel Nederland voorkomen, zowel in waterrijke gebieden als niet-waterrijke gebieden, en in pluimveedichte gebieden en in pluimveearme gebieden. Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. Hiermee beschouwen we deze motie als afgedaan.

Jaimi van Essen

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Silvio P.A. Erkens

Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


  1. Kamerstuk 21501-32, nr. 1691↩︎

  2. Kamerstuk 28625, nr. 379↩︎

  3. https://research.wur.nl/en/publications/duurzaamheidseisen-zonder-transparante-kostendekkende-vergoeding-/↩︎

  4. Kamerstuk 30252, nr. 178↩︎

  5. Bijlage 1 - Methodiek voor het bepalen van het economisch perspectief van de landbouwsector↩︎

  6. Bijlage 2 - Climate change impacts on global food production, international trade and food security in the EU↩︎

  7. Bijlage 3 - Opportunities and threats for the Dutch agricultural sector arising from shifting climate zones in Europe↩︎

  8. Leidraad samenwerking landbouwers vernieuwd voor duurzaamheidsinitiatieven | ACM↩︎

  9. A Vision for Agriculture and Food, Europese Commissie↩︎

  10. Agro-Nutri Monitor 2025: monitor prijsvorming voedingsmiddelen | ACM↩︎

  11. Kamerstuk 31 985, nr. 80 en Kamerstuk 31 985, nr. 107↩︎

  12. VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten - Publications Office of the EU↩︎

  13. Kamerstuk 22 112, nr. 4016↩︎

  14. Bijlage 4: Eiwitmonitor 2024, Wageningen University & Research↩︎

  15. Bijlage 5: Eiwitmonitor 2025, Wageningen University & Research↩︎

  16. Bijlage 6: Versnellingsagenda Eiwittransitie 2025, Wageningen University & Research↩︎

  17. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2015-0176.pdf↩︎

  18. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zakendoen-met-het-rijk/inkoopcategorieen/categorie-consumptieve-dienstverlening↩︎

  19. Bijlage 7: Impactanalyse Mensa Mensa, New Economy, 2026↩︎

  20. Kamerstuk 22 112, nr. 4200↩︎

  21. Kamerstuk 33 037, nr. 611↩︎

  22. Kamerstuk 33 037, nr. 561: Evaluatie van de meststoffenwet 2024↩︎

  23. Hoofdstuk 4. Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, p.48.↩︎

  24. Kamerstuk 32813, nr. 1500↩︎

  25. https://research.wur.nl/en/publications/de-korte-koolstofkringloop-wat-is-het/↩︎

  26. Kamerstuk 35 334, nr. 331↩︎

  27. Kamerstuk 30 252, nr. 209↩︎

  28. Kamerstuk 35 334, nr. 413↩︎

  29. Kamerstuk 28 973, nr. 275↩︎

  30. https://www.rivm.nl/publicaties/emissies-en-deposities-uit-zones-rondom-natura-2000-gebieden↩︎

  31. PBL, Deltares, RIVM & WUR (2025), Reflectie op MCEN-maatregelenpakket spoor 2, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, Delft: Deltares, Bilthoven: Rijksinstituut voor Voedselveiligheid en Milieu, Wageningen: Wageningen University en Research.↩︎

  32. Instrumentenkoffer landelijk gebied: https://werkplaatsvoorlandbouwennatuur.nl/aan-de-slag/instrumentenkoffer-landelijk-gebied-tool↩︎

  33. Factsheet aanpassen grondgebruik voor KRW: https://werkplaatsvoorlandbouwennatuur.nl/sites/default/files/documents/Factsheet%20aanpassen%20grondgebruik%20-%20definitief%20-%20versie%202.pdf↩︎

  34. Sturing op grondgebruik: https://werkplaatsvoorlandbouwennatuur.nl/aan-de-slag/ondersteuning-voor-gemeenten/sturing-op-grondgebruik-hulpmiddelen↩︎

  35. Grond voor verbinding - Verkenning naar een werkbare grondstrategie voor overgangszones rondom N2000-gebieden: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/07/17/grond-voor-verbinding-verkenning-naar-een-werkbare-grondstrategie-voor-overgangszones-rondom-n2000-gebieden↩︎

  36. Kamerstuk 36800-XIV, nr. 80↩︎

  37. Kamerstuk 36800-XIV, nr. 80↩︎

  38. Kamerstuk 33 334, nr. 417↩︎

  39. Kamerstuk 33 334, nr. 357↩︎

  40. Kamerstuk 35 334, nr. 331↩︎

  41. Kamerstuk 22 343, nr.436↩︎

  42. Kamerstuk 35334, 362↩︎

  43. https://www.wur.nl/nl/nieuws/innovatie-biedt-kansen-voor-minder-stikstof-en-broeikasgassen-uit-de-landbouw-maar-extensivering↩︎

  44. Projectenoverzicht | Projecten Database NL↩︎

  45. https://nationaalinnovatieloketveehouderij.nl/↩︎

  46. Kamerstuk 28 973, nr. 282↩︎

  47. Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 11↩︎

  48. Kamerstuk 28 973, nr. 288↩︎

  49. Kamerstuk 35 334, nr. 400↩︎

  50. Kamerstuk 35 334, nr. 302↩︎

  51. Kenmerk 2024Z02545/2024D07295↩︎

  52. Kamerstuk 28 973, nr. 298↩︎

  53. Vo 2016/429↩︎

  54. https://edepot.wur.nl/586242↩︎