Verslag
Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D26082, datum: 2026-05-29, bijgewerkt: 2026-06-01 13:58, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (PRO)
- Mede ondertekenaar: E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36912 -5 Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen).
Onderdeel van zaak 2026Z05881:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-27 14:00 ā Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-05-13 15:30 ā Behandeld. (Besluit)
- 2026-04-07 16:30 ā Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 20 mei 2026 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-04-07 16:30 ā Technische briefing organiseren door ambtenaren van het ministerie van SZW over het wetsvoorstel. (Besluit)
- 2026-04-02 09:30 ā De tijdelijke commissie besluit geen adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (36912) gelet op het dictum en advies van de Raad van State. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ā Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ā In handen gesteld van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Besluit)
- 2026-03-31 16:25: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-02 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-04-07 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-05-13 15:30: Ambtenaren ministerie SZW over Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (36912) (Technische briefing), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-05-27 14:00: Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (š origineel)
36 912 Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen)
Nr. 5 VERSLAG
Vastgesteld 29 mei 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I. Algemeen
Inleiding
Probleemanalyse
Doelen en aard van de maatregelen
Kring van verzekerden
Het recht op uitkering
De hoogte van de uitkering
Claimbeoordeling
Activering
Premieheffing- en inning
Opt-out
Informatie- en medewerkingsverplichting, terugvordering, toezicht en handhaving
Overgangsrecht
Verwerking van persoonsgegevens
Ministeriƫle verantwoordelijkheid
Overig
Internationaalrechtelijke aspecten
Financiƫle gevolgen
Evaluatie
Ontvangen inbreng
II Artikelsgewijze toelichting
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden hebben geruime tijd gewacht op dit wetsvoorstel en zijn verheugd dat deze uiteindelijk de Kamer heeft bereikt. Deze leden hebben op verschillende punten nog vragen over dit wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben grote zorgen over het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Deze leden onderschrijven de doelstelling dat werkenden adequaat beschermd dienen te zijn tegen de financiĆ«le risicoās van arbeidsongeschiktheid. Deze leden maken zich daarentegen zorgen over de wijze waarop de regering dit doel tracht te realiseren en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen en de daarbij behorende stukken.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Deze leden maken van de mogelijkheid gebruik tot het stellen van vragen
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Deze leden constateren dat opnieuw een verplichte collectieve regeling wordt opgetuigd voor een zeer diverse groep zelfstandigen, terwijl veel zelfstandigen juist bewust kiezen voor vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en maatwerk.
Inleiding
De leden van de D66-fractie zijn verheugd te vernemen dat nu een wetsvoorstel voorligt waarmee een belangrijke doorbraak gerealiseerd kan worden in de arbeidsmarktpositie van zelfstandigen. Veel zelfstandigen zijn niet of onvoldoende verzekerd voor arbeidsongeschiktheid, wat zorgt voor een druk op de samenleving of een ongelijk speelveld. Daarnaast is de positie van zelfstandigen die niet in aanmerking komen voor een private verzekering schrijnend en verdient zij aandacht. Het is volgens deze leden een goede zaak dat hier nu een voorstel voor is opgesteld, dat gegrond is in een uitgebreid voortraject waarin veel betrokken partijen zijn meegenomen. Op sommige onderdelen hebben deze leden echter nog vragen, omdat er nog zorgen leven. Die zorgen betreffen bijvoorbeeld of er op deze manier nu echt een goed verzekeringsproduct beschikbaar wordt gesteld aan zelfstandigen, nu dit verplicht wordt. Daarnaast hebben deze leden zorgen over de uitvoering en of de opt-out een reƫle optie is voor zelfstandigen.
In het algemeen merken de leden van de D66-fractie op dat veel beleidsmatige keuzes, zoals de afbakening van de doelgroep of de wachttermijn zijn gemaakt met het oog op de betaalbaarheid. Het valt natuurlijk te prijzen dat uitvoerbaarheid een belangrijk punt van aandacht is geweest bij het opstellen van dit wetsvoorstel. Voorkomen moet echter worden dat politieke, beleidsmatige discussies onmogelijk worden gemaakt omdat problemen in de uitvoering slechts één beleidsmatige keuze mogelijk maken. Kan de regering inzicht bieden per grote beleidskeuze die deel uitmaakt van dit wetsvoorstel in hoeverre die keuze vooral gedreven is door uitvoerbaarheid en in hoeverre andere keuzes überhaupt mogelijk zijn?
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat langdurige arbeidsongeschiktheid grote gevolgen kan hebben voor zelfstandigen. Tegelijkertijd zien deze leden in dit voorstel vooral een nieuw bureaucratisch monster ontstaan dat ondernemers opzadelt met extra lasten, extra regels en extra onzekerheid.
De leden van de PVV-fractie lezen bovendien dat de Raad van State vernietigend kritisch is over de uitvoerbaarheid van dit voorstel en zelfs stelt dat de regeling āniet of nauwelijks uitvoerbaarā is zolang de problemen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) niet zijn opgelost. Kan de regering uitgebreid toelichten waarom zij toch doorgaat met dit voorstel terwijl het UWV nu al kampt met enorme achterstanden binnen de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)?
De leden van de PVV-fractie vrezen dat dit wetsvoorstel uiteindelijk zal uitmonden in hogere lasten, meer bureaucratie en nóg meer druk op uitvoeringsorganisaties die nu al overbelast zijn. Waarom zet de regering desondanks door met een voorstel waarvan de Raad van State waarschuwt dat het nauwelijks uitvoerbaar is? Erkent de regering bovendien dat, ondanks de goede bedoelingen achter dit wetsvoorstel, de negatieve effecten voor ondernemers, uitvoeringsorganisaties en de uitvoerbaarheid van het socialezekerheidsstelsel uiteindelijk mogelijk zwaarder zullen wegen dan de beoogde voordelen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering met dit wetsvoorstel drie doelen nastreeft, namelijk inkomensbescherming voor zelfstandigen, een gelijker speelveld en minder afwenteling op algemene voorzieningen. Deze leden vragen of de regering per doel kan aangeven welke concrete en meetbare resultaten na invoering moeten zijn bereikt om de wet als geslaagd te kunnen beoordelen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad van State grote zorgen heeft over de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel, mede vanwege de bestaande problemen bij de WIA. Deze leden vragen welke concrete uitvoeringsindicatoren volgens de regering minimaal op orde moeten zijn voordat de Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz) daadwerkelijk in werking kan treden.
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat het wetsvoorstel in feite een nivelleringsoperatie is waarbij goedbetaalde zelfstandigen zonder personeel (zzpāers) buitenproportioneel worden geraakt in hun vermogen om te ondernemen. Deze leden constateren dat de regering aan de ene kant tot in het extreme van zzpāers vraagt zich te verantwoorden als ondernemer, maar tegelijkertijd een verplichte verzekering opdringt. Goedbetaalde zzpāers zullen onder de nieuwe wetgeving meer betalen voor hun verzekering dan in de huidige situatie. Dit is wat deze leden betreft ontoelaatbaar.
De leden van de Groep Markuszower hebben ernstige zorgen over de gevolgen van deze verplichte verzekering voor kleine zelfstandigen, eenpitters en ondernemers met lage marges. Deze leden vragen de regering uitgebreid te motiveren waarom zelfstandigen gedwongen moeten worden deel te nemen aan een publiek stelsel, terwijl een aanzienlijk deel reeds particuliere voorzieningen heeft getroffen of bewust geen verzekering wenst af te sluiten.
Probleemanalyse
De leden van de D66-fractie herkennen de probleemanalyse en merken voorts op dat uit onderzoek blijkt dat onverzekerde zelfstandigen vaker zwaar en gevaarlijk werk doen dan verzekerde zelfstandigen. Kan de regering nader ingaan op deze stelling?
De leden van de D66-fractie delen de zorgen dat veel zelfstandigen op dit moment niet of onvoldoende verzekerd zijn en dit tot schrijnende situaties kan leiden. Dit wordt ook ondersteund door vele cijfers die goed onderbouwd worden in de memorie van toelichting. Deze leden merken echter op dat de cijfers over de omvang van het probleem voornamelijk betrekking hebben op het aantal zelfstandigen die op dit moment risico lopen op arbeidsongeschiktheid, maar weinig ondersteunende cijfers worden geleverd op het aantal arbeidsongeschikte zelfstandigen die op dit moment moeite hebben met rondkomen omdat zij onvoldoende verzekerd zijn. Heeft de regering ook cijfermatige onderbouwing van de omvang en de zwaarte van arbeidsongeschikte zelfstandigen op dit moment?
De leden van de PVV-fractie hebben grote vragen over de wachttijd van 104 weken. Hoeveel zelfstandigen zullen volgens de regering in die twee jaar alsnog moeten terugvallen op spaargeld, schulden of zelfs de bijstand? Zeker voor zzpāers zonder enig vangnet, voor wie dit wetsvoorstel oorspronkelijk bedoeld was, dreigt deze lange wachttijd juist averechts uit te pakken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering zorgen heeft over zelfstandigen zonder adequate voorziening tegen arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen of de regering nader kan kwantificeren welk deel van deze groep financieel kwetsbaar is, welk deel eigen vermogen of partnerinkomen inzet als voorziening, en welk deel zich aantoonbaar niet of slechts beperkt privaat kan verzekeren.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel zelfstandigen met lage inkomens door dit wetsvoorstel daadwerkelijk beter beschermd worden dan onder het huidige vangnet van de Participatiewet, mede gelet op de wachttijd van 104 weken, partnerinkomen, vermogenstoetsen en de hoogte van de uiteindelijke Baz-uitkering.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel zelfstandigen naar verwachting tijdens de wachttijd van 104 weken alsnog een beroep zullen doen op spaargeld, partnerinkomen, broodfondsen, gemeentelijke ondersteuning, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen of de Participatiewet.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de wijze waarop de wet tot stand is gekomen. In de memorie van toelichting refereert de regering aan de brede maatschappelijke discussie en de adviezen van de Stichting van de Arbeid die aan dit wetsvoorstel voorafgingen. Deze leden vragen hoe de regering beoordeelt dat een dermate ingrijpende verplichting voor zelfstandigen voortkomt uit een polderakkoord waarin voornamelijk de traditionele werkgevers- en werknemersorganisaties een centrale rol speelden. Is de regering van mening dat zelfstandigen bij de totstandkoming van deze afspraak in 2019 voldoende en evenredig waren vertegenwoordigd? In hoeverre is bij de totstandkoming van het pensioenakkoord daadwerkelijk met de zelfstandigen zelf over de basisverzekering gesproken? Hoe reflecteert de regering op het gegeven dat blijkens achterbanonderzoek van de Vereniging ZZP Nederland ruim 81% van de zelfstandigen zich uitspreekt tegen de introductie van de voorgestelde basisverzekering? Hoe kijkt de regering aan tegen het gebrek aan draagvlak onder de directe doelgroep?
De leden van de JA21-fractie vragen in dat kader ook welke zelfstandigenorganisaties sinds het pensioenakkoord structureel en op gelijkwaardige basis zijn betrokken bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Welke bezwaren hebben zij ingebracht ten aanzien van de proportionaliteit, de betaalbaarheid, de keuzevrijheid, de vormgeving van de opt-out en de feitelijke uitvoerbaarheid, en op welke concrete onderdelen is het wetsvoorstel naar aanleiding daarvan aangepast? Kan de regering inzichtelijk maken welke aanpassingen voortkomen uit de opmerkingen van zelfstandigenorganisaties, en aanpassingen die zijn gedaan primair ingegeven door technische bezwaren van uitvoeringsorganisaties, de wensen van sociale partners, of budgettaire randvoorwaarden van de regering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is, mede in het licht van het geconstateerde minieme draagvlak onder zelfstandigen en het uiterst kritische advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, de verdere behandeling van het wetsvoorstel op te schorten om opnieuw met zelfstandigenorganisaties in gesprek te gaan. Is de regering bereid om tijdens dit overleg de fundamentele vraag centraal te stellen of de basisverzekering in de huidige vorm wel de juiste route is? Is de regering bereid de Kamer voorafgaand aan de verdere parlementaire behandeling te informeren over de uitkomsten van dat hernieuwde overleg, inclusief het antwoord op de vraag of er onder zelfstandigen voldoende draagvlak bestaat voor dit voorstel?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering heeft onderzocht in hoeverre bestaande private voorzieningen voor zelfstandigen reeds voorzien in passende dekking. Wat waren daarvan de resultaten?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of informatie bekend is over hoeveel van de zelfstandigen die zich op enigerlei wijze hebben verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid (via ofwel spaargeld, een verzekering of een broodfonds) een verzekering hebben die minstens net zo hoog of vergelijkbaar is met de door de regering voorgestelde basisverzekering.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd of de regering een inschatting kan maken wat de omvang is van de huidige groep voormalig zelfstandigen die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geraakt en die geen voorziening hadden getroffen om te kunnen voorzien in hun levensonderhoud. Waar vallen deze mensen over het algemeen op terug om rond te kunnen komen? En wat zijn de materiƫle gevolgen van hun arbeidsongeschiktheid?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat er de afgelopen jaren een lichte stijging te zien is van zelfstandigen die aangeven een voorziening te treffen tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Dat is positief. Deze leden vragen of ook bekend is of de voorziening die zelfstandigen treffen van een voldoende niveau is om daadwerkelijk te kunnen rondkomen wanneer de zelfstandige onverhoopt (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt raakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij een beeld heeft in welke sectoren zelfstandigen juist wel en juist geen voorziening hebben getroffen tegen het risico op arbeidsongeschiktheid. Voorts vragen deze leden welke inzet de regering de afgelopen jaren heeft getroffen om zelfstandigen te bewegen een (voldoende) voorziening te treffen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om toe te lichten wat de redenen waren om de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te sluiten. Hoe verhouden de argumenten die toentertijd zijn gebruikt tot de huidige situatie?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie waarom niet gekozen is om de aanmeldtermijn voor vrijwillige verzekering bij UWV te verlengen van 13 weken naar een jaar. De regering heeft niet uiteengezet wat de reden is waarom voor vrijwillige verzekering bij UWV de zelfstandige eerst in loondienst moet zijn geweest. Deze leden vragen de logica hierachter toe te lichten is en aan te geven of overwogen is om deze voorwaarde aan te passen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat uit onderzoek uit 2016 bleek dat 27% van de zelfstandigen niet op eigen kracht een inkomen op sociaal minimumniveau kon verdienen tot de Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd. Deze leden vragen of bij deze cijfers ook het inkomen van de eventuele partner en het vermogen van het huishouden zijn meegerekend.
De leden van de Groep Markuszower vragen op welke concrete cijfers de regering baseert dat sprake zou zijn van een maatschappelijk probleem dat een verplichte verzekering rechtvaardigt. Hoeveel zelfstandigen raken jaarlijks langdurig arbeidsongeschikt zonder enige voorziening? Kan de regering tevens aangeven hoeveel zelfstandigen uiteindelijk afhankelijk raken van bijstand of andere publieke voorzieningen wegens het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering? Deze leden vragen daarnaast hoeveel zelfstandigen bewust afzien van een verzekering vanwege hoge premies, wantrouwen richting verzekeraars of omdat zij beschikken over eigen vermogen of een partnerinkomen.
Doelen en aard van de maatregelen
De leden van de D66-fractie kunnen de overwegingen van de regering bij de verschillende alternatieven in het algemeen goed volgen. Voor de volledigheid willen deze leden de regering op enkele punten van deze overwegingen nog bevragen. In haar overwegingen om niet te kiezen voor een uniform stelsel voor alle werkenden lijkt de regering echter te suggereren dat in een dergelijk stelsel gekozen moet worden voor een risicoavers stelsel met hoge premies dan wel voor een minder risicoavers stelsel met lagere premies. Deze leden merken op dat een stelsel ook vorm te geven is met een vrije keuze tussen verschillende polissen, waarbij de ene polis een bredere dekking biedt tegen een hogere premies dan de andere polis. Werkenden, los van hun positie in de werkkring, kunnen dan een polis afsluiten die aansluit bij hun risicovoorkeuren. Door middel van risicoverevening zijn gedragseffecten te mitigeren, zoals nu ook in het zorgverzekeringsstelsel geschiedt. Deze leden vragen of dergelijke mogelijkheden ook in de afweging van de regering zijn meegenomen en of deze opties ook meegewogen worden in toekomstige hervormingen van het arbeidsongeschiktheidsstelsel, mede gelet op het feit dat de regering terecht aangeeft dat de geschetste alternatieven pas op de langere termijn te verwezenlijken zouden zijn dan hun voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat als tegenargumenten voor het invoeren van een volledig privaat stelsel voor arbeidsongeschikten worden opgevoerd dat A) een risicovereveningsystematiek lastig uitvoerbaar zou zijn en B) dat er onzekerheid bestaat over het zijn van zelfstandig ondernemer en de (verwachte) winst uit onderneming. Deze leden zijn benieuwd naar een verdere onderbouwing van deze argumenten, met name in verhouding tot het feit dat A) het wetsvoorstel een stabiliteitsbijdrage kent die overeenkomsten vertoont met een dergelijke risicovereveningsystematiek en B) het wetsvoorstel dezelfde problematiek rond het afbakenen van zelfstandig ondernemerschap en winst uit onderneming kent.
De leden van de PVV-fractie hebben grote zorgen over de enorme complexiteit van het voorstel. Vooral voor ondernemers die deels in loondienst werken en deels zelfstandig ondernemer zijn. Kan de regering concreet uiteenzetten hoe het systeem in de praktijk gaat werken voor mensen die bijvoorbeeld 18 uur in loondienst werken en daarnaast 18 uur als zzpāer actief zijn? Hoeveel aparte beoordelingen moeten dan plaatsvinden? Hoeveel (extra) administratieve handelingen worden daarbij verwacht van ondernemers?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de Baz vormgeeft als een basisverzekering met een uitkering van maximaal het wettelijk minimumloon na een wachttijd van 104 weken. Deze leden vragen of de regering kan aangeven voor welke inkomensgroepen deze verzekering vooral een reƫle inkomensbescherming biedt en voor welke inkomensgroepen vooral sprake is van een minimumvangnet.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat zelfstandigen de mate van bescherming door de Baz overschatten, bijvoorbeeld doordat zij wel verplicht premie betalen maar bij arbeidsongeschiktheid pas na twee jaar en tot maximaal het wettelijk minimumloon dekking krijgen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering kiest voor een apart stelsel voor zelfstandigen en tegelijkertijd erkent dat samenloop met andere stelsels complex kan zijn. Deze leden vragen welke concrete vereenvoudigingen de regering nog mogelijk acht in dit wetsvoorstel zonder de kern van de verzekering aan te tasten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering bij het bepalen van het moment van inwerkingtreding het actuele oordeel van UWV en de Belastingdienst over uitvoerbaarheid, beschikbare capaciteit en ICT-gereedheid betrekt. Deze leden vragen of de regering bereid is de Kamer voorafgaand aan inwerkingtreding een actueel invoeringsbeeld te sturen, waarin in ieder geval het oordeel van UWV en de Belastingdienst op deze punten is opgenomen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering heeft gekeken naar alternatieven voor de voorgestelde basisverzekering, waaronder varianten met een uniform stelsel voor alle werkenden. Deze leden lezen ook dat de regering uiteindelijk kiest voor een afzonderlijk stelsel voor zelfstandigen, mede omdat een breder uniform stelsel ingrijpender zou zijn en meer tijd zou vergen. Deze leden vragen de regering in hoeverre de keuze voor het voorliggende model inhoudelijk is ingegeven door de beste bescherming voor zelfstandigen, en in hoeverre door de wens om tijdig invulling te geven aan afspraken in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan. Kan de regering concreet aangeven welke ontwerpkeuzes zijn gemaakt om tempo te houden, en welke nadelen daarbij zijn aanvaard?
De leden van de JA21-fractie vragen in het bijzonder waarom niet is gekozen voor aansluiting bij het bestaande stelsel voor werknemers, bijvoorbeeld via premieafdracht aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Deze leden vragen of is onderzocht of zelfstandigen kunnen aansluiten bij bestaande structuren voor arbeidsongeschiktheid zonder dat het werknemersstelsel als geheel hoeft te worden omgebouwd. Kan de regering uiteenzetten of deze variant afzonderlijk is doorgerekend, en hoe deze zich verhoudt tot het voorliggende voorstel qua premiehoogte, uitkeringshoogte, uitvoeringskosten, invoeringstermijn en gevolgen voor private aanvullende verzekering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft onderzocht of aansluiting bij het bestaande stelsel eenvoudiger zou kunnen zijn dan het voorliggende voorstel. Dit wetsvoorstel introduceert immers een eigen kring van verzekerden, een afzonderlijke premieheffing, een opt-out, een stabiliteitsbijdrage, gegevensuitwisseling tussen verschillende partijen en een eigen claimbeoordeling. Kan de regering onderbouwen waaruit blijkt dat dit nieuwe stelsel eenvoudiger en beter uitvoerbaar is dan aansluiting bij bestaande arbeidsongeschiktheidsregelingen? Welke uitvoeringswinst levert het gekozen model concreet op ten opzichte van een variant via het Arbeidsongeschiktheidsfonds?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering, mede gelet op het kritische advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over de uitvoerbaarheid, bereid is opnieuw te bezien of het voorgestelde stelsel daadwerkelijk de meest doelmatige en uitvoerbare route is. Deze leden vragen of het verantwoord is om een nieuw en complex stelsel op te tuigen terwijl er nog grote druk bestaat op de uitvoering van bestaande arbeidsongeschiktheidsregelingen. Kan de regering aangeven welke concrete randvoorwaarden vervuld moeten zijn voordat invoering verantwoord is, en of zij bereid is de invoering te heroverwegen indien blijkt dat aansluiting bij bestaande regelingen eenvoudiger, beter uitvoerbaar of beter uitlegbaar is?
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal kritische vragen aan het regering. Deze leden constateren dat goedverdienende zelfstandigen per saldo financieel nadeel kunnen ondervinden van het wetsvoorstel, doordat de maximale dekking van de publieke verzekering relatief laag is ten opzichte van hun inkomen. Hoe rechtvaardigt de regering deze achteruitgang voor deze groep, met name gezien het feit dat zij vaak wel risicoās willen nemen en zich bewust niet (of anders) verzekeren? Hoe beoordeelt de regering de proportionaliteit van een verplichte, relatief sobere basisverzekering voor hoger verdienende zzpāers?
De leden van de BBB-fractie wijzen op de parallelle invoering van het rechtsvermoeden in het arbeidsrecht, waardoor schijnzelfstandigen laagdrempelig het bestaan van een arbeidsovereenkomst bij de rechter kunnen claimen. Deelt de regering de analyse dat met deze maatregel schijnzelfstandigheid wordt teruggedrongen en dat hierdoor de noodzaak van een verplichte verzekering, die in sterke mate wordt gerechtvaardigd door het fenomeen schijnzelfstandigheid, mogelijk vervalt voor deze groep?
De leden van de BBB-fractie vragen of de regering bereid is om bij de evaluatie van de wet expliciet te onderzoeken of de verplichte verzekering leidt tot een (verdere) terugtrekking van goedbetaalde zzpāers uit het ondernemerschap, bijvoorbeeld door overgang naar een BV-constructie of uitstroom naar loondienst, en of daarmee het beoogde economische en maatschappelijke doel ā een dynamische en innovatieve arbeidsmarkt ā mogelijk juist wordt ondermijnd.
Tot slot zijn de leden van de BBB-fractie van mening dat de Baz niet als stoplap voor de begroting gebruikt dient te worden en de premie-inkomsten enkel kostendekkend mogen worden ingezet. Deze leden vragen of de regering dit kan garanderen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de verzekering betaalbaar moet zijn voor de samenleving en daarom budgetneutraal wordt ingericht. Dat houdt in dat er evenveel premie moet worden geheven, als er aan uitkeringen en uitvoeringskosten wordt uitgegeven. Deze leden onderschrijven dit uitgangspunt van harte. Zij vragen wel hoe dit uitgangspunt zich verhoudt tot de uitgangspunten voor de arbeidsongeschiktheidspremie die wordt geheven voor werknemers en de huidige praktijk hieromtrent waar de verhouding tussen inkomsten en kosten ver uit het lood is geslagen. In hoeverre ontstaat hier een discriminerend verschil tussen de hoogte van de premie voor zelfstandigen en werknemers? Kan de regering de wettelijke vereisten en de huidige praktijk nader duiden en onderbouwen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering met de gekozen invulling voor een relatief beperkte verzekering niet verder dan noodzakelijk gaat om de nagestreefde doelen te behalen. Hoe verhoudt deze keuze zich tot de conclusie van de Raad van State dat de beoogde doelen van inkomenszekerheid en een gelijker speelveld voor alle werkenden slechts ten dele worden bereikt. In hoeverre heeft de kritiek van de Raad van State meegewogen bij de bewust beperkte vormgeving van de verzekering? Welke alternatieven zijn overwogen om tegemoet te komen aan de kritiek van de Raad van State?
Er zullen twee separate stelsels voor publieke verzekering tegen arbeidsongeschiktheid komen. Twee separate stelsels is inherent inefficiƫnt, zo vinden de leden van de ChristenUnie-fractie. Echter kunnen deze leden begrijpen, dat gezien de complexiteit en problematische uitvoering van de WIA de keuze is gemaakt voor een separaat stelsel. Deze leden vragen of het wel de ambitie van de regering is om op termijn de twee stelsels samen te voegen tot ƩƩn stelsel. Aanvullend vragen deze leden of in de uitvoering, bijvoorbeeld in de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, wel uitgevoerd wordt door dezelfde verzekeringsartsen en medewerkers van UWV.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om het percentage van 142,86% van het wettelijk minimumloon uit te leggen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting een onderbouwing van het gekozen stelsel. Evenwel vragen deze leden of de regering kan toelichten waarom niet gekozen is voor een verplichte basisverzekering voor alle zelfstandigen, zonder opt-out, met vrijwillige private bijverzekering. Welke voor- en nadelen kleven aan dit alternatief? Zou een dergelijk alternatief niet gemakkelijker uitvoerbaar zijn?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom de regering kiest voor een verplichte verzekering in plaats van stimulering van vrijwillige private oplossingen. Waarom is niet gekozen voor fiscale stimulansen, vrijwillige collectieven of lichtere alternatieven? Deze leden vragen voorts of de regering erkent dat deze maatregel opnieuw leidt tot hogere lasten en meer regeldruk voor ondernemers.
Kring van verzekerden
De leden van de D66-fractie lezen dat de onmogelijkheid tot fiscale aftrek van de premie, waardoor de feitelijke kosten voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering hoger voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) zouden zijn, ten grondslag ligt aan de keuze om DGAās niet te verzekeren. Deze leden zijn benieuwd of en, zo ja, welke mogelijkheden de regering heeft verkend om deze onmogelijkheid tot fiscale aftrek op een andere manier te mitigeren opdat er de feitelijke kosten tussen IB-ondernemers en DGAās voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering gelijk zijn.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat ondernemers zelf zorg dienen te dragen voor de betaling van de premie en het eventueel aanvragen van een voorlopige betaling. Deze leden zijn benieuwd hoe de regering ondernemers hier actief op gaat wijzen zodat situaties waarin het achteraf eisen grote sommen verschuldigde premies zoveel mogelijk wordt voorkomen.
De leden van de VVD-fractie vragen of IB-ondernemers met personeel uitgezonderd kunnen worden van een verplichte verzekering. Deze leden zouden ook graag willen weten als dat niet mogelijk is waarom dat dan zo is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) niet onder de kring van verzekering valt.
Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie om een beschouwing over de omvang van de groepen die onder de kring van verzekering vallen in verhouding tot het voorstel van de Stichting van de Arbeid. Tevens vragen deze leden per groep een beschouwing te geven over het gelijktrekken van het speelveld en de prikkelwerking om zich voor te doen als een andere categorie werkende.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting het volgende: āHet zou in theorie ook mogelijk zijn om DGAās via de werknemersverzekeringen te verzekeren, bijvoorbeeld door intrekking van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016. Ook dit acht de regering op dit moment niet wenselijk, nu daarmee de DGA ook voor de andere werknemersverzekeringen (Ziektewet (ZW) en Werkloosheidswet (WW)) verzekerd zou worden.ā Deze leden vragen wat hier precies mee bedoeld wordt. Tevens vragen deze leden wat deze regeling precies regelt en wat er zou gebeuren als deze wel ingetrokken zou worden. Ook vragen deze leden om hoeveel mensen het hierbij gaat.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over gemoedsbezwaren. Deze leden vragen hoe dit er in de praktijk uitziet en om hoeveel mensen het ongeveer gaat. Ook vragen deze leden hoe groot deze groep is bij andere regelingen. Verder vragen deze leden of met zekerheid gesteld kan worden dat mensen de verzekeringsplicht niet vanwege oneigenlijke redenen proberen te omzeilen en hoe hierop gecontroleerd wordt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering aansluit bij fiscale begrippen om de kring van verzekerden uitvoerbaar af te bakenen. Deze leden vragen welke grensgevallen de regering hierdoor verwacht, bijvoorbeeld bij meewerkende partners, resultaatgenieters, DGAās, hybride werkenden en ondernemers met wisselende fiscale kwalificatie.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe groot de regering het risico acht dat zelfstandigen hun rechtsvorm aanpassen om buiten de verzekeringsplicht te vallen, en welke gevolgen dit heeft voor de premiegrondslag, solidariteit en het doel van een gelijker speelveld.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de wet uitpakt voor familiebedrijven en agrarische ondernemingen waarin winst, arbeid, gezinsinkomen en meewerkende partners vaak nauw met elkaar verweven zijn, en of de regering bereid is deze groep afzonderlijk te monitoren.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de keuze is gemaakt dat niet enkel zelfstandigen onder de kring van verzekerden vallen, maar alle IB-ondernemers met inbegrip van eenmanszaken. Waarom is hiervoor gekozen, en welke nadelige consequenties heeft dit voor niet-zelfstandigen?
De leden van de SGP-fractie zijn teleurgesteld dat de regering de aangenomen motie-Flach c.s. (Kamerstuk 36 600-XV, nr. 75) niet heeft uitgevoerd, waardoor een uitzondering voor de agrarische sector in dit wetsvoorstel ontbreekt. Terwijl bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord een uitzonderingspositie voor de agrarische sector is overeengekomen, vanwege de specifieke positie van de sector ten opzichte van andere sectoren. Die specifieke positie wordt in het adviesrapport Keuze voor zekerheid ook uitvoerig onderbouwd. Daarnaast blijkt uit een eerdere verkenning dat het voor de Belastingdienst mogelijk is om zelfstandig ondernemers in de agrarische sector af te bakenen; uitvoeringstechnisch zijn er dus geen zwaarwegende bezwaren. Deze leden zijn van mening dat de regering zwaarwegende redenen moet kunnen aanvoeren om een dergelijke Kameruitspraak naast zich neer te leggen. Is de regering bereid alsnog een opt-out voor deze sector op te nemen in het wetsvoorstel, ter uitvoering van genoemde motie?
De leden van de SGP-fractie doen de suggestie bijvoorbeeld bestaande sectorale vervangings- en waarborgregelingen in de land- en tuinbouw als equivalent aan te merken voor de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV), mits zij aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen voldoen. Zo kent de agrarische sector al jaren een praktische en solide reductieregeling: wanneer een boer door ziekte of ongeval tijdelijk uitvalt, kan via een agrarisch uitzendbureau bedrijfsverzorging worden ingezet tegen gereduceerd tarief, zodat het bedrijf kan doordraaien en inkomen behouden blijft. Deze regeling heeft een collectief karakter, borgt continuĆÆteit van het bedrijf, en kent duidelijke toegangs- en kwaliteitscriteria. Welke mogelijkheden ziet de regering voor implementatie van dit voorstel in de wet?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering wenste een onderscheid te maken tussen zelfstandigen met en zonder personeel maar dat dit uitvoeringstechnisch te complex zou zijn. Deze leden vragen wat de verwachtingen zijn of veel zelfstandigen met personeel gaan kiezen voor de opt-out. Is hier informatie over of zijn hier signalen over bekend?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom zij niet gekozen heeft om een uitzondering te maken voor zelfstandigen in de agrarische sector, daar er meerdere Kameruitspraken liggen om deze uitzondering te realiseren.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de verwachte omvang van het aantal gemoedsbezwaarden.
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom vrijwel alle zelfstandigen onder de regeling worden gebracht, ongeacht inkomen, vermogen of reeds getroffen voorzieningen. Kan de regering aangeven waarom zelfstandigen met substantiƫle vermogens, beleggingen of andere financiƫle buffers niet worden uitgezonderd? Voorts vragen deze leden hoe wordt omgegaan met hybride werkenden die zowel in loondienst als zelfstandig werkzaam zijn.
Het recht op uitkering
De leden van de D66-fractie merken op dat in het wetsvoorstel verschil wordt aangebracht tussen het einde van het recht wanneer de verzekerde in staat is om ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen enerzijds en het einde van recht wanneer de verzekerde daadwerkelijk arbeid verricht en daarmee ten minste het wettelijk minimumloon verdient. Deze leden zijn benieuwd hoe in het eerste geval het āin staat zijn het minimumloon te verdienenā wordt vastgesteld. Controleert UWV dit of is dit iets dat uitsluitend door de verzekerde zal moeten worden aangeven, zo vragen deze leden. En in geval beĆ«indiging via deze weg gedeeltelijk of voornamelijk leunt op een signaal vanuit de verzekerde, waarom zouden verzekerden dit doen als zij hiermee een veel kortere uitlooptermijn verkrijgen dan wanneer zij feitelijk arbeid verrichten?
De leden van de D66-fractie merken op dat mensen ontheven kunnen worden van de plicht tot verzekering indien zij aangeven gemoedsbezwaard te zijn. Om hoeveel mensen schat de regering in dat dit gaat en is de regering voornemens maatregelen te nemen indien deze uitzondering oneigenlijk door veel meer mensen gebruikt wordt? Bijvoorbeeld als dit aantal gemoedsbezwaarden opeens veel hoger ligt dan bij de Zorgverzekeringswet? Hoe wordt de vervangende belasting vastgesteld voor deze groep en wordt deze minstens even hoog gesteld als de premie, zodat mensen geen financiƫle prikkel hebben om zichzelf als gemoedsbezwaarde te laten aanmerken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering een beschouwing te geven van situaties waarin de arbeidsrelatie onjuist wordt gekwalificeerd, bijvoorbeeld wanneer achteraf blijkt dat sprake was van werknemerschap in plaats van zelfstandigheid (schijnzelfstandigheid) of andersom. Zo vragen deze leden hoe de situatie eruit ziet dat iemand denkt zelfstandige te zijn, maar dat achteraf dit niet het geval blijkt. Deze leden vragen in dit antwoord mee te nemen hoe er om wordt gegaan met onterecht (niet) afgedragen premies voor de Baz of juist onterecht (niet) afgedragen premies voor de WIA. Tevens vragen deze leden in welke gevallen er al dan niet met terugwerkende kracht sprake zal zijn van recht of het vervallen van recht van zowel de Baz als de WIA.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er sprake is van āgeen premie, wel rechtā. Deze leden vragen dit te duiden in de context van de basisverzekering. Daarnaast vragen deze leden of het klopt dat er, net zoals bij andere regelingen, sprake is van het verzekeren van het risque social en niet alleen van het risque professionnel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering nader te onderbouwen waarom er niet voor is gekozen om een wachttijd van 52 weken te hanteren. Deze leden merken op dat wel wordt toegelicht waarom niet is gekozen voor differentiatie, maar niet waarom is afgeweken van het advies van de Stichting van de Arbeid ten aanzien van de duur van de wachttijd in algemene zin.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe precies wordt gecontroleerd wat de eerste ziektedag is en of iemand op dat moment al ziek was. Tevens vragen deze leden of er gesjoemeld kan worden met de meldingstermijn van 13 weken.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over het geval dat er alleen recht bestaat op een WIA-uitkering of alleen recht bestaat op een uitkering op basis van de Wet Baz, terwijl de persoon in kwestie zowel zelfstandige is als werknemer. Deze leden merken op dat in de memorie van toelichting uitgebreid wordt toegelicht wat er gebeurt als er alleen sprake is van een uitkering op basis van de wet WIA. Deze leden merken op dat dit niet het geval is voor de situatie dat er alleen recht is op een Baz-uitkering. Deze leden vragen of dit hypothetisch ook mogelijk is en in welke scenarioās dit zich zou kunnen voordoen, bijvoorbeeld bij een relatief laag loon en lage inkomensvermindering waardoor de WIA-drempel niet gehaald wordt, maar iemand wel minder dan het minimumloon kan verdienen. Tevens vragen deze leden of dit niet mogelijk is omdat de franchise alle denkbare scenarioās afdekt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering kijkt naar situaties waarbij iemand een vervolguitkering in de WIA krijgt, niet de restverdiencapaciteit verdient en daarmee onder minimumloonniveau zakt. Deze leden merken op dat in de voorliggende wet een franchise is geregeld, waarbij het uitgangspunt is dat wanneer iemand kan terugvallen op het minimumloon, er geen noodzaak is voor een uitkering op basis van de wet Baz. Deze leden begrijpen die gedachte, maar denken dat deze redenering in dit geval spaak loopt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het volgende schrijft: āTen tweede zal de betreffende zelfstandige, indien de zelfstandige bij arbeidsongeschiktheid in de regel uitzicht heeft op een uitkering ter hoogte van het wettelijk minimumloon, ook als dat gedeeltelijk of geheel op grond van de Wet WIA is, in de regel ook geen beroep doen op de algemene voorzieningen. In samenhang met het bovenstaande acht de regering de noodzaak van dekking op grond van de in dit wetsvoorstel geregelde basisverzekering afhankelijk van de omvang van het voor de Wet WIA verzekerde loon respectievelijk geheel niet en gedeeltelijk niet langer aanwezig.ā Deze leden vragen hoe de regering op deze tekst reflecteert, indachtig situaties waarbij sprake is van een Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-)uitkering onder minimumloonniveau.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het kwalificatievraagstuk van de arbeidsrelatie binnen dit wetsvoorstel wordt bekeken. Deze leden vragen of het klopt dat dit in principe buiten dit wetsvoorstel plaatsvindt, maar dat de kwalificatie uiteraard wel gevolgen heeft voor de behandeling als werknemer of zelfstandige.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over het einde van de uitkering in het geval iemand weer beter wordt. Verbetering van de belastbaarheid kan ertoe leiden dat de verzekerde op basis van algemeen geaccepteerde arbeid weer in staat is om ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen. In dat geval is de verzekerde niet langer arbeidsongeschikt. Deze leden vragen hoe dit wordt getoetst en wanneer een dergelijke beoordeling aan de orde komt.
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het volgende: āAls de volgende eindigingsgronden zich niet meer voordoen, herleeft het recht op uitkering mits is voldaan aan de overige voorwaarden: Het recht op uitkering is geĆ«indigd omdat de verzekerde niet meer arbeidsongeschikt is. Als de betrokkene opnieuw arbeidsongeschikt wordt, herleeft het recht op uitkering als de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op basis waarvan de betrokkene eerder recht op uitkering had. In dit geval geldt een herlevingstermijn van vijf jaar vanaf de datum van de beĆ«indigde uitkering.ā Deze leden vragen waarom er in dat geval geen nieuwe uitkering ontstaat. Tevens vragen deze leden wat het voordeel is van het laten herleven van de uitkering. Vervolgens lezen deze leden dat het in de volgende bullet gaat over opnieuw arbeidsongeschikt worden, waarbij een herlevingstermijn van vier weken geldt vanaf de datum van de beĆ«indigde uitkering. Deze leden vragen waarom is gekozen voor een termijn van vier weken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de wachttijd van 104 weken mede is gekozen vanwege betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en aansluiting bij de WIA. Deze leden vragen hoeveel zelfstandigen naar verwachting onvoldoende financiƫle buffer hebben om deze wachttijd te overbruggen en welke groepen daarbij het grootste risico lopen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering scenarioās kan uitwerken van varianten op de wachttijd, waaronder 52 weken, 78 weken en een gedifferentieerde wachttijd, met daarbij de gevolgen voor premie, uitvoeringscapaciteit, beroep op bijstand, schuldenrisico en bescherming van kwetsbare zelfstandigen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdige ziekmelding van belang is voor het recht op uitkering. Deze leden vragen welke waarborgen de regering treft om te voorkomen dat zelfstandigen door onbekendheid, psychische klachten, laaggeletterdheid, beperkte digitale vaardigheden of geleidelijke uitval te laat melden en daardoor rechten verliezen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Baz een absoluut arbeidsongeschiktheidscriterium kent, waarbij wordt beoordeeld of iemand nog het wettelijk minimumloon per maand kan verdienen met arbeid. Deze leden vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gevallen naar verwachting geen recht op uitkering ontstaat terwijl de zelfstandige het eigen beroep of de eigen onderneming niet meer kan voortzetten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij het arbeidsongeschiktheidscriterium wordt voorkomen dat de beoordeling voor oudere zelfstandigen, zelfstandigen in zware beroepen of zelfstandigen met zeer specialistische beroepservaring te theoretisch uitpakt.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot personen die tevens recht hebben op een Wajong-, WIA-, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-) of Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-)uitkering en daarnaast als zelfstandige actief zijn. In hoeverre krijgen zij ook recht op een AOV-uitkering?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welke gevolgen het voor de wachttijd en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft wanneer een zelfstandige na ziekmelding alsnog inkomen genereert, al dan niet hoger of lager dan het wettelijk minimumloon.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom gekozen is voor een termijn van 13 weken, waarom niet 12 of 14 of 10 weken, maar specifiek 13.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het arbeidsongeschiktheidscriterium uit voorliggend wetsvoorstel verschilt ten opzichte van de wet WIA. De beoordeling ziet sec op de vraag of iemand in staat is zelfstandig het wettelijk minimumloon te verdienen en houdt geen rekening met eerder inkomen. Deze leden vragen hoe UWV dit kan beoordelen en welke instrumenten zij hiertoe tot haar beschikking heeft. Aanvullend vragen deze leden in hoeverre werknemers van UWV die nu WIA-beoordelingen verrichten in staat zijn om dergelijke beoordelingen te doen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten voor hoelang de uitkering wordt verstrekt, wat er gebeurt wanneer de zelfstandige weer inkomen uit de onderneming of inkomen uit dienstbetrekking genereert ten tijde van de uitkeringsperiode. Aanvullend vragen deze leden wat de verwachting van de regering is of zelfstandigen die een uitkering genieten op grond van voorliggend wetsvoorstel voor de hoogte van de uitkering in aanmerking komen voor het verkrijgen van een hypotheek.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe wordt voorkomen dat langdurige procedures en bureaucratische claimbeoordelingen ontstaan, vergelijkbaar met eerdere problemen binnen sociale zekerheidssystemen. Kan de regering tevens toelichten hoeveel bezwaar- en beroepsprocedures jaarlijks worden verwacht?
De hoogte van de uitkering
De leden van de D66-fractie lezen dat de uitkering waar op grond van dit wetsvoorstel recht op kan bestaan, wordt aangepast aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Deze leden begrijpen de koppeling aan de reguliere indexatie van het wettelijk minimumloon om zo de koopkracht van uitkeringsontvangers te waarborgen. Deze leden zouden wel graag een nadere motivering zien om de hoogte van de uitkering te koppelen aan een beleidsmatige verhoging van het wettelijk minimumloon. Zorgt een beleidsmatige verhoging van het wettelijk minimumloon ook voor hogere premies, zo vragen deze leden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om te werken met het minimumloon per maand en waarom er niet voor is gekozen om het uurloon als basis te nemen. De gedachte achter het invoeren van het minimumuurloon was immers dat wordt gekozen voor ƩƩn duidelijke definitie die voor mensen herkenbaar is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering een inschatting te geven van de hoogte van de uitkering en van het aantal mensen dat deze hoogtes ontvangt. Deze leden verzoeken de regering dit weer te geven in een tabel of grafiek.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat het mogelijk is om onder het sociaal minimum of onder 100% van het minimumloon te zakken als sprake is van een laag inkomen en dus een lage grondslag. Tevens verzoeken deze leden de regering inzicht te geven in hoeveel mensen in dat geval moeten worden aangevuld via de bijstand en een inschatting te geven van de omvang van al deze groepen in aantallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan uitsluiten dat ervoor is gekozen om de tegemoetkoming arbeidsongeschikten niet toe te kennen aan zelfstandigen vanwege budgettaire overwegingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ervoor is gekozen om uitkeringen op grond van de Baz niet aan te vullen via de Toeslagenwet. Deze leden vragen of hiervoor is gekozen omdat privaat verzekerden anders met een extra uitvoerende partij te maken zouden krijgen, of dat hier andere redenen aan ten grondslag liggen. Daarbij merken deze leden op dat publiek verzekerden hierdoor juist ook met een extra partij te maken krijgen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat publiek verzekerden die wel bij UWV zitten, niet worden aangevuld via de Toeslagenwet. Indien dat het geval is, constateren deze leden dat publiek verzekerden voor een aanvulling tot het sociaal minimum op de bijstand worden aangewezen om een gelijke behandeling met privaat verzekerden te creƫren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in hoeveel zelfstandigen momenteel een beroep doen op de bijstand, hoeveel van hen dat doen vanwege arbeidsongeschiktheid en hoeveel niet-gebruik de regering momenteel ziet. Voorts vragen deze leden of het Rijk gemeenten niet zou moeten compenseren voor deze kosten. Daarbij merken zij op dat zelfstandigen ook nu al een beroep doen op de bijstand wanneer zij onder het sociaal minimum zakken. Tevens vragen deze leden of de keuze om aanvulling niet via de Toeslagenwet te laten verlopen mede is ingegeven door budgettaire overwegingen vanuit het Rijk.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ervoor is gekozen om geen ondergrens te hanteren voor zogenoemde kruimeluitkeringen, omdat juridisch de vraag speelt of dit zou leiden tot ongerechtvaardigde indirecte discriminatie. Deze leden merken op dat bij de WW wel een ondergrens wordt gehanteerd en verzoeken de regering toe te lichten waarom een ondergrens voor uitkeringen bij de WW deze juridische toets wel doorstaat.
De leden van de PVV-fractie constateren verder dat ondernemers straks mogelijk jarenlang premie betalen terwijl de maximale uitkering uiteindelijk slechts op minimumloonniveau ligt. Hoe rechtvaardigt de regering dat ondernemers met hoge lasten, investeringen of personeel uiteindelijk slechts aanspraak kunnen maken op een zeer beperkte basisuitkering?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan laten zien hoe de Baz-uitkering uitpakt voor zelfstandigen met verschillende inkomensniveaus voordat er arbeidsongeschiktheid plaatsvindt, bijvoorbeeld ⬠15.000, ⬠25.000, ⬠40.000 en ⬠60.000 winst per jaar, inclusief de vraag of aanvullende bijstand nodig kan zijn.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de uitkeringsgrondslag samenhangt met winst uit onderneming en dat een middelingsregeling geldt. Deze leden vragen of de regering met concrete voorbeelden kan laten zien hoe dit uitpakt voor starters, seizoensondernemers en ondernemers met een incidenteel laag winstjaar door investeringen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om voor de wetsbehandeling inzichtelijk te maken wat een langere middelingsperiode, bijvoorbeeld drie of vijf jaar, zou betekenen voor rechtvaardigheid, uitvoerbaarheid, premiehoogte en terugvorderingsrisicoās.
De leden van de JA21-fractie willen in het bijzonder stilstaan bij de verhouding tussen de te betalen premie en de geboden inkomensbescherming. De regering stelt meermaals dat dit wetsvoorstel noodzakelijk is om een gelijker speelveld op de arbeidsmarkt te creƫren tussen werknemers en zelfstandigen. Deze leden wensen de onderbouwing van deze stelling aan de hand van concrete cijfers te toetsen. Deze leden vragen de regering daarom concreet inzichtelijk te maken hoe de premie- en uitkeringsverhouding onder de Baz zich verhoudt tot die van werknemers in loondienst. Daarbij merken deze leden op dat zij de werkgeversafdrachten voor arbeidsongeschiktheid, waaronder de Arbeidsongeschiktheidfonds (Aof-) en Werkhervattingskas (Whk-)premies, bezien als onderdeel van de loonruimte van de werknemer en ze daarom graag beide meeneemt in de voorbeelden. Kan de regering tegen deze achtergrond voor verschillende inkomensniveaus laten zien hoeveel premie een zelfstandige naar verwachting betaalt en welke maximale uitkering daar bij arbeidsongeschiktheid tegenover staat? Kan de regering in datzelfde overzicht tevens inzichtelijk maken hoe dit zich verhoudt tot de totale premieafdracht, inclusief de genoemde werkgeverslasten, en de geboden inkomensbescherming die een werknemer met een vergelijkbaar inkomen geniet bij arbeidsongeschiktheid? Welke premie zou naar verwachting horen bij een WIA- of WGA-achtig regime voor zelfstandigen, en welke dekking zou daartegenover staan? Deelt de regering de opvatting dat een iets hogere premie beter uitlegbaar kan zijn wanneer daar een ruimere inkomensbescherming tegenover staat?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering vervolgens te reflecteren op de uitkomsten van deze vergelijking. Kan de regering voorts verder toelichten hoe dit stelsel daadwerkelijk bijdraagt aan een gelijker speelveld tussen werknemers in loondienst en zzpāers? Deze leden vragen waarom bij zelfstandigen niet is gekozen voor een systematiek waarbij de dekking, vergelijkbaar met de regeling voor werknemers, sterker is gekoppeld aan het daadwerkelijke inkomen of de historische winst. Welke alternatieven zijn onderzocht om zelfstandigen voor een vergelijkbare premie een ruimere en beter uitlegbare inkomensbescherming te bieden, bijvoorbeeld met een verzekerde grondslag die vergelijkbaar is met het maximumdagloon in de werknemersverzekeringen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering een nadere duiding te geven van de verhouding tussen de gekozen hoogte van de uitkering en de verwachte premiehoogte. Zelfstandigen zullen zich privaat willen verzekeren wanneer ze verwachten dat ze in de publieke verzekering āgeen waar voor hun geldā krijgen. Hoe ziet de regering dit risico?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom gekozen is voor de voorgestelde hoogte van de uitkering. Acht de regering het risico aanwezig dat zelfstandigen veel premie gaan betalen voor een relatief beperkte uitkering? Kan de regering inzicht geven in voorbeeldberekeningen voor zelfstandigen met lage, midden- en hogere inkomens?
Claimbeoordeling
De leden van de D66-fractie lezen dat voor de claimbeoordeling basisfuncties worden geselecteerd uit het huidige Claimbeoordeling- en borgingssysteem (CBBS) van UWV, wat een subset betreft van alle functies in loondienst waarmee ten minste het wettelijk minimumloon per maand verdiend kan worden. Deze leden merken op dat de verzekerden voor de arbeidsongeschiktheid werk hebben gedaan als ondernemer. In hoeverre verwacht de regering dat de functies in loondienst als referentiekader volstaan voor ondernemers, zo vragen deze leden. In hoeverre heeft dit impact op de begrijpelijkheid van de verzekering?
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat voor zelfstandigen die zowel voor de WIA als op grond van het wetsvoorstel zijn verzekerd de bevindingen uit het WIA-onderzoek zoveel mogelijk worden betrokken bij de belastbaarheidsvraag. Deze leden zijn benieuwd of de regering nader kan toelichten hoe zij dit voor zich ziet en in hoeverre de in het kader van de WIA vastgestelde restverdiencapaciteit ook bruikbaar is voor de vaststelling van het recht op de aan dit wetsvoorstel verbonden publieke verzekering. Voorts zijn de leden benieuwd of, ondanks het voornemen om dubbele werkzaamheden te voorkomen, het in praktijk toch kan voorkomen dat de belastbaarheid bij de WIA significant anders wordt ingeschat dan bij de aan dit wetsvoorstel verbonden verzekering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verschillende vragen over de invulling van de basisfunctie via lagere regelgeving. Deze leden verzoeken de regering nader toe te lichten wat in de praktijk wordt verstaan onder āalgemeen geaccepteerde arbeid, die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert, met een minimale belastingā. Tevens verzoeken zij de regering uiteen te zetten om welke beroepen het hierbij gaat. Deze leden vragen om nadere uitleg.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het in dit geval gaat om een beroep met minimale belasting. Deze leden vragen hoe een dergelijke functie per persoon wordt gekozen en in hoeverre een dergelijke functie in de praktijk altijd beschikbaar is. Tevens vragen zij of het niet lastig is om werk te vinden dat enerzijds minimale belasting kent, maar anderzijds nog aansluit bij iemands vaardigheden en werkervaring. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten hoe deze afweging is gemaakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen voorts in hoeverre deze basisfuncties aansluiten bij de beleving van mensen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast of deze beroepen voldoende dekkend zijn voor de arbeidsmarkt, zodat iedereen in zijn of haar eigen omgeving een dergelijk beroep kan uitoefenen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat een termijn van 89 weken geldt voordat de mogelijkheid ontstaat om de uitkering aan te vragen. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten waarom specifiek voor een termijn van 89 weken is gekozen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het UWV het wetsvoorstel technisch uitvoerbaar acht, maar dat daadwerkelijke implementatie alleen mogelijk is als voldoende capaciteit beschikbaar is voor de benodigde sociaal-medische beoordelingen. Deze leden vragen hoeveel extra claimbeoordelingen, herbeoordelingen en bezwaarzaken UWV jaarlijks verwacht door de invoering van de Baz, uitgesplitst naar de eerste vijf jaar na invoering en de structurele situatie. Ook vragen deze leden hoeveel extra verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en sociaal-medische ondersteuners hiervoor nodig zijn, hoeveel daarvan op dit moment beschikbaar zijn en welk tekort resteert bij ongewijzigd beleid.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom in de claimbeoordeling onderscheid gemaakt wordt of het wettelijk minimumloon verdiend kan worden via de eigen arbeid of via algemeen geaccepteerde arbeid. Wat voegt de dubbele toets toe?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat het recht op uitkering kan worden beƫindigd wanneer de verzekerde wegens een verbetering van de belastbaarheid weer in staat kan worden geacht een basisfunctie uit te oefenen. Op welke wijze wordt dit door UWV getoetst? Hoe regelmatig moeten verzekerde opnieuw getoetst worden of hun recht op uitkering blijft bestaan?
De leden van de Groep Markuszower vragen welke instantie verantwoordelijk wordt voor de claimbeoordeling en hoe wordt voorkomen dat grote achterstanden ontstaan, mede gezien eerdere problemen bij uitvoeringsinstanties zoals het UWV. Kan de regering aangeven hoeveel extra personeel nodig is voor de uitvoering van deze wet?
Activering
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering thans geen Arbocentrum voor zelfstandigen uitwerkt. Is dit wel overwogen en, zo ja, waarom heeft de regering besloten hiervan af te zien?
De leden van de D66-fractie lezen dat in het kader van activering een werkhervattingsvisie, een re-integratieplan (tijdens ziekteperiode, voor uitkering), een re-integratievisie en een re-integratieplan (tijdens uitkeringsperiode) kunnen worden opgesteld. Deze leden zijn benieuwd of het onderscheid tussen deze instrumenten voor de verzekerde afdoende duidelijk is en hoe de regering er zorg voor draagt dat het traject van ziekte naar uitkering naar re-integratie begrijpelijk is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over activering tijdens en na de wachttijd. Deze leden lezen dat tijdens de wachttijd ondersteuning vanuit het UWV mogelijk is. Tegelijkertijd lezen zij dat het niet nakomen van afspraken met het UWV aanleiding kan zijn om een beschikking te herzien of in te trekken. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten hoe dit er in de praktijk uitziet en welke afwegingen zijn gemaakt ten aanzien van de aantrekkelijkheid van deze ondersteuning.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat na de wachttijd in voldoende mate moet worden geprobeerd passende arbeid te verkrijgen of passende arbeid te verrichten. Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten hoe dit er in de praktijk concreet uitziet. Daarbij vragen zij of sprake is van een sollicitatieplicht en of er mogelijkheden bestaan voor om- of bijscholing. Tevens verzoeken deze leden de regering een vergelijking te maken tussen de concrete uitwerking van de rechten en plichten die gaan gelden voor de Baz en de rechten en plichten die momenteel gelden binnen de verschillende werknemersverzekeringen enerzijds en de bijstand anderzijds.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor heeft gekozen om de inzet van de no-riskpolis en proefplaatsing alleen beschikbaar te stellen voor publiek verzekerde zelfstandigen, omdat deze verzekerden gebruik kunnen maken van publieke instrumenten. Deze leden verzoeken de regering deze keuze nader toe te lichten. Tevens vragen zij of vanuit het perspectief van zelfstandigen is overwogen om ook zelfstandigen met een opt-outverzekering in aanmerking te laten komen voor de no-riskpolis.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Baz pas na 104 weken tot een uitkering kan leiden. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat zelfstandigen in de eerste twee ziektejaren daadwerkelijk tijdig ondersteuning krijgen bij herstel, re-integratie, aanpassing van de onderneming, omscholing of overgang naar ander werk.
De leden van de JA21-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering preventie een noodzakelijke voorwaarde noemt voor een adequate aanpak van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Deze leden lezen tevens dat de regering erkent dat de preventieve diensten van arbobedrijven en bedrijfsartsen weliswaar beschikbaar zijn voor zelfstandigen, maar daar in de praktijk niet of nauwelijks gebruik van wordt gemaakt. Deze leden vragen hoe de regering voorkomt dat de Baz vooral een vangnet achteraf wordt, terwijl zelfstandigen juist voor langdurige uitval moeilijk toegang vinden tot preventieve arbeidsgerelateerde zorg.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Stichting van de Arbeid eerder heeft geadviseerd om een Arbocentrum voor zelfstandigen op te richten, gefinancierd uit premie-inkomsten, en dat de regering dit voorstel in de memorie van toelichting noemt maar niet uitwerkt. Kan de regering toelichten waarom dit voorstel niet in het wetsvoorstel is opgenomen? Is onderzocht of een deel van de premie-inkomsten of uitvoeringsmiddelen kan worden benut om zelfstandigen laagdrempelig toegang te geven tot bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen of andere arboprofessionals?
De leden van de JA21-fractie lezen voorts dat de regering in reactie op consultatiereacties wijst op re-integratieondersteuning door UWV tijdens de wachttijd en op bredere initiatieven buiten dit wetsvoorstel, zoals de Arbovisie 2040. Deze leden vragen waarom de regering ervoor kiest preventie grotendeels buiten dit wetsvoorstel te laten, terwijl het voorstel zelfstandigen wel verplicht laat deelnemen aan een publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deelt de regering de opvatting dat een verplichte verzekering niet alleen inkomensverlies moet opvangen nadat uitval is ontstaan, maar ook moet bijdragen aan het voorkomen van langdurige arbeidsongeschiktheid?
De leden van de JA21-fractie vragen welke concrete preventieve ondersteuning beschikbaar is voor zelfstandigen die beginnende gezondheidsklachten ervaren maar nog niet arbeidsongeschikt zijn. Hoe wordt geborgd dat zelfstandigen tijdig deskundig en onafhankelijk advies kunnen krijgen over werk, gezondheid en inzetbaarheid? Is de regering bereid voor invoering van de Baz nader uit te werken hoe preventieve arbeidsgerelateerde zorg voor zelfstandigen toegankelijker kan worden gemaakt?
Voorkomen is beter dan genezen, is de algemene uitdrukking. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering op welke wijze laagdrempelige preventieve zorg voor zelfstandigen verbeterd kan worden. Aanvullend vragen deze leden om een nadere toelichting hoe de ālaagdrempelige ondersteuningsfaciliteit voor alle werkendenā eruit kan komen te zien, wat hiervoor de ambitie van het kabinet is inclusief tijdpad.
De leden van de Groep Markuszower vragen welke verplichtingen arbeidsongeschikte zelfstandigen krijgen opgelegd in het kader van re-integratie en activering. Hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen geconfronteerd worden met disproportionele verplichtingen, controles en sancties?
Premieheffing- en inning
De leden van de D66-fractie lezen dat de premiegrondslag maximaal 142,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt. Kan de regering door middel van een tabel of histogram inzichtelijk maken welk aandeel van de verzekerde kring (naar verwachting) een grondslag op of boven het maximum heeft en hoe de populatie qua grondslag onder dit maximum is verdeeld, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie ondersteunen de keuze om de premie lastendekkend vast te stellen (samen met de solidariteitsbijdrage). Hoe zal deze lastendekkendheid precies worden gerealiseerd in de vaststelling van het premiepercentage en welke mate van beleidsvrijheid bestaat hiervoor? Hoe wordt voorkomen dat dit alsnog een koopkrachtinstrument wordt en er meerjarige tekorten of overschotten worden opgebouwd? Op basis van welke ramingen gebeurt dit? Waarom is er niet gekozen voor een systeem waarin het premiepercentage ieder jaar zo wordt vastgesteld dat een tekort of overschot direct binnen een jaar zou moeten verdwijnen?
De leden van PVV-fractie lezen dat het voorstel uitgaat van ƩƩn uniform premiepercentage ongeacht beroep of sector. Waarom vindt de regering het rechtvaardig dat een administratief adviseur en een ondernemer in een zwaar fysiek beroep, zoals de landbouw of bouw, binnen hetzelfde systeem vallen terwijl de risicoās sterk verschillen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering met concrete voorbeelden kan laten zien wat de bruto en netto premie-effecten zijn voor zelfstandigen met verschillende winsthoeveelheden (bijvoorbeeld ⬠15.000, ⬠30.000, ⬠50.000 en ⬠70.000 winst per jaar), en daarbij kan aangeven in welke gevallen de premie tot financiële knelpunten kan leiden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Belastingdienst voor de uitvoering afhankelijk is van schaarse ICT-capaciteit. Deze leden vragen welke fiscale moderniseringen, vereenvoudigingen of beleidswijzigingen door de implementatie van de Baz mogelijk worden vertraagd of verdrongen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de verwachte premie-opbrengsten en premie-uitgaven zijn van de publieke verzekering. De premie is gemaximeerd op 142,86% van het wettelijk minimumloon. Hoeveel procent van de zelfstandigen wordt verwacht dat zij deze maximale premie moeten betalen?
Hoe verhoudt de hoogte van het premiepercentage en de uitkeringshoogte zich tot huidige private verzekeringen van vergelijkbare uitkeringshoogte, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De premie zal elk jaar worden bijgesteld naar het kostendekkende niveau. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering op welk moment de premie jaarlijks wordt vastgesteld en hoe verzekerden hierover worden geĆÆnformeerd.
Er is de mogelijkheid om bij een forse bijstelling stapsgewijs de premie te verhogen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe deze mogelijkheid wettelijk is geborgd en wat kwalificeert als een āforse bijstellingā.
De leden van de Groep Markuszower vragen wat de verwachte gemiddelde premielast wordt voor zelfstandigen per maand en per jaar. Kan de regering tevens aangeven hoeveel zelfstandigen volgens haar financiƫle problemen zullen ervaren door de verplichte premieafdracht? Deze leden vragen daarnaast welke gevolgen de maatregel heeft voor het ondernemerschap en het aantal stoppende zelfstandigen.
Opt-out
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering de invloed van mogelijke wetswijzigingen die in de toekomst zouden plaatsvinden ten aanzien van de pensioengerechtigde leeftijd heeft nader geduid, omdat deze van invloed zijn op het duale stelsel en private verzekeringen in het bijzonder. Deze leden zijn benieuwd of het stopzetten van wijzigingen aan de AOW-leeftijd gevolgen heeft voor dit onderdeel van het wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie onderstrepen dat een eventuele toekomstige extra verhoging van het wettelijk minimumloon, bovenop de wettelijke indexatie, een moeilijk verzekerbaar risico vormt. Om te voorkomen dat verzekeraars hoge premie-opslagen moeten rekenen om dit risico af te dekken, zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat verzekeraars de hoogte van de uitkering voor eenmaal lopende uitkeringen jaarlijks mogen indexeren met de consumentenprijsindex (CPI) in plaats van het wettelijk minimumloon. Deze leden zijn benieuwd of is overwogen om in plaats hiervan de indexatie van zowel de publieke als de private uitkering los te koppelen van beleidsmatige verhogingen van het wettelijk minimumloon.
De leden van de D66-fractie lezen dat UWV niet expliciet toetst of een private verzekering voldoet aan het toetsingskader. Zou de regering dit nader kunnen motiveren, zo vragen deze leden. Acht de regering, gezien de complexiteit van de regelgeving, zelfstandigen zelf voldoende in staat om na te gaan of de private verzekering voldoet aan het toetsingskader?
De leden van de D66-fractie hebben zorgen over de balans tussen de publieke optie en de private alternatieve verzekeraars indien de zogenaamde āgoede risicoāsā zich concentreren in private opties vanwege de bredere dekking die zij kunnen bieden voor eenzelfde prijs aangezien zij aanvullende voorwaarden kunnen stellen, terwijl de zogenaamde āslechte risicoāsā zich concentreren in de publieke verzekering. Deelt de regering deze zorgen? Deze leden merken op dat de premie van de publieke verzekering steeds verder toeneemt als dit zich voordoet, waarop de private verzekeraars ook gedwongen zullen worden op basis van het wetsvoorstel hun premie te verhogen zonder dat daar navenante uitgaven tegenover staan. Deze leden begrijpen dat hiervoor de zogenaamde solidariteitsbijdrage zal worden gevraagd van verzekeraars, maar hoe kan die precies genoeg worden vastgesteld om het voornoemde effect daadwerkelijk te kunnen voorkomen. Deelt de regering de zorgen van deze leden dat een imperfecte risicoverevening kan leiden tot een steeds groter compensatiegat dat een zelfversterkend effect zal hebben? En hoe kan dit gemitigeerd worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verschillende vragen over de opt-out, de noodzaak daarvan en de wijze waarop deze is vormgegeven. Deze leden constateren dat de opt-out de uitvoeringstechnische complexiteit vergroot en dat er verschillen ontstaan vanwege de inherente vormgeving van zowel het publieke als het private stelsel, bijvoorbeeld door verschillen tussen omslagfinanciering en kapitaaldekking, maar ook vanwege de mate waarin de overheid toezicht en grip kan uitoefenen. Deze leden constateren dat hierdoor ruimte ontstaat tussen de private markt en het publieke stelsel en verzoeken de regering hierop te reflecteren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over selectie-effecten en vragen of de risicoverevening voldoende effectief is vormgegeven. Deze leden merken op dat de duale markt in belangrijke mate staat of valt met het juist vaststellen van de stabiliteitsbijdrage. Zij verzoeken de regering daarom toe te lichten met welke mate van zekerheid de genomen stappen voldoende zicht bieden op een adequate vaststelling van deze bijdrage. Tevens vragen deze leden of tussentijds wordt gemonitord hoe de risicoverevening uitpakt en, indien dat het geval is, op welke wijze dit gebeurt.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden fundamenteel dat sprake moet zijn van solidariteit binnen de regeling. Deze leden erkennen dat het beprijzen van de private markt daaraan kan bijdragen, maar merken op dat dit alleen het geval is indien de juiste prijs wordt gehanteerd. Deze leden geven aan dat solidariteit binnen ƩƩn regeling waarbij goede risicoās via een uniforme premie bijdragen aan slechte risicoās hun voorkeur heeft en verzoeken de regering hierop te reflecteren.
Op dit onderwerp brengen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het rapport van de commissie Borstlap in herinnering. Dit rapport constateert dat een opt-out de solidariteit ondergraaft in het stelsel van werknemersverzekeringen. De commissie schrijft: āDe Commissie acht dat niet gewenst omdat dit de houdbaarheid van deze collectieve regelingen potentieel uitholt en het draagvlak hiervoor ondergraaftā. Deze leden vragen de regering hierop te reflecteren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de premie van de private verzekering minimaal gelijk moet zijn aan de premie van de publieke verzekering en dat concurrentie op de premiehoogte daarmee volgens de regering wordt uitgesloten. Deze leden vragen of tegelijkertijd kan worden uitgesloten dat een vliegwieleffect ontstaat ten aanzien van de ruimheid van de dekking. Daarbij vragen zij of het mogelijk is dat de publieke verzekering op termijn te veel goede risicoās verliest doordat private verzekeringen aantrekkelijkere dekkingen bieden, waardoor relatief meer slechte risicoās in het publieke stelsel achterblijven. Tevens verzoeken deze leden de regering uiteen te zetten welke andere risicoās en scenarioās zij op dit punt ziet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen met welke mate van zekerheid de regering verwacht dat de private markt uit ongeveer 300.000 zelfstandigen zal bestaan. Tevens verzoeken deze leden de regering inzicht te geven in de marges en onzekerheden behorend bij deze cijfers.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe in de praktijk inhoudelijk wordt getoetst of bij een private verzekering sprake is van het minimale dekkingsvereiste en specifiek van de voorwaarde dat de hoogte van de uitkering ten minste gelijkwaardig is aan de uitkering die de publieke verzekering zou bieden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er binnen het voorgestelde overgangsrecht gevallen bestaan waarin mensen vanwege een bepaalde eindleeftijd buiten de publieke verzekering vallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat private verzekeringen geen medische uitsluitingen mogen bevatten. Deze leden vragen of private verzekeringen wel andere vormen van uitsluiting mogen hanteren. Tevens vragen zij hoe deze voorwaarde zich verhoudt tot het ontbreken van een acceptatieplicht. Daarbij verzoeken deze leden de regering uiteen te zetten in welke gevallen zelfstandigen in de praktijk geen toegang zullen hebben tot een verzekering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat roekeloosheid alleen binnen de publieke verzekering een grond kan vormen voor weigering van de uitkering en niet binnen private verzekeringen. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten welke afweging hieraan ten grondslag ligt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ervoor is gekozen verzekeraars de mogelijkheid te bieden de hoogte van de uitkering te verhogen met de CPI in plaats van met de ontwikkeling van het minimumloon. Deze leden vragen of verzekeraars dit niet zullen aangrijpen om standaard kosten te drukken indien die mogelijkheid zich voordoet. Zij verzoeken de regering hierop te reflecteren. Tevens vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om de contractloonontwikkeling te hanteren. Ook vragen de leden waarom er niet voor is gekozen dat een andere methode alleen toegepast kan worden als er sprake is van een extra verhoging van het minimumloon.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in de totale omvang van de stabiliteitsbijdrage en de macro-economische gevolgen daarvan.
De leden van de PVV-fractie zijn daarnaast kritisch op de enorme administratieve constructie rondom de opt-out. Tegelijkertijd vinden deze leden juist dat ondernemers maximale vrijheid moeten behouden om zelf verantwoordelijkheid te nemen.
De leden van de PVV-fractie zien graag een ruimere en minder bureaucratische opt-outmogelijkheid voor zelfstandigen die aantoonbaar zelf voldoende financiƫle voorzieningen hebben getroffen om langdurige arbeidsongeschiktheid op te vangen. Waarom kiest de regering ervoor om ondernemers vrijwel uitsluitend richting collectieve verzekeringsconstructies te duwen, terwijl veel zelfstandigen bewust voorzieningen hebben opgebouwd, zoals bestaande private verzekeringen, eigen vermogen, beleggingen, spaargeld, bedrijfsreserves, schenkkringen, broodfondsen of andere aantoonbare financiƫle buffers? Waarom wordt de keuzevrijheid van zelfstandigen op dit punt zo beperkt?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering daarnaast of zij erkent dat veel ondernemers dit voorstel ervaren als een vorm van gedwongen collectivisering waarbij zij verplicht premie moeten betalen voor een regeling die niet aansluit op hun persoonlijke situatie. Kan de regering bovendien exact toelichten hoe hoog de totale lasten voor ondernemers gemiddeld zullen uitvallen inclusief: premie, stabiliteitsbijdrage, administratieve lasten, aanvullende private verzekeringen en fiscale effecten?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat private verzekerden via de stabiliteitsbijdrage alsnog moeten meebetalen aan het publieke systeem. Waarom acht de regering het rechtvaardig dat ondernemers die bewust kiezen voor een private verzekering alsnog financieel worden belast voor een publieke regeling waar zij geen gebruik van maken?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering met concrete rekenvoorbeelden kan laten zien hoe de publieke Baz zich verhoudt tot private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Kan de regering daarbij, voor zover mogelijk op basis van representatieve marktgegevens, voorbeelden geven voor zelfstandigen van 30, 45 en 60 jaar, met lichte en zware beroepen, met ⬠25.000, ⬠50.000 en ⬠75.000 winst per jaar, en daarbij premie, wachttijd, dekking, eindleeftijd, uitsluitingen, stabiliteitsbijdrage en re-integratieondersteuning vergelijken.
De leden van de JA21-fractie lezen dat zelfstandigen onder voorwaarden kunnen kiezen voor een private arbeidsongeschiktheidsverzekering in plaats van deelname aan de publieke basisverzekering. Deze leden vinden keuzevrijheid belangrijk, maar vragen hoe reĆ«el en duurzaam deze opt-out in de praktijk zal zijn. Hoe voorkomt de regering dat de opt-out vooral aantrekkelijk wordt voor jonge en gezonde zelfstandigen, terwijl oudere zelfstandigen, zelfstandigen met gezondheidsrisicoās en zelfstandigen in zwaardere beroepen uiteindelijk in de publieke basisverzekering achterblijven?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft doorgerekend wat er gebeurt met de publieke premie indien een relatief groot deel van de lage risicoās gebruikmaakt van de opt-out. Wat betekent dit voor de betaalbaarheid van de publieke basisverzekering? Kan de regering aangeven bij welke mate van uitstroom naar private verzekeringen de publieke premie onder druk komt te staan?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat private verzekeraars de ākrenten uit de papā halen door vooral zelfstandigen met een gunstig risicoprofiel aan te trekken, terwijl zelfstandigen met hogere risicoās minder makkelijk toegang krijgen tot een betaalbare private verzekering. Welke waarborgen bevat het wetsvoorstel om te voorkomen dat de publieke basisverzekering achterblijft met relatief hoge risicoās en daardoor nog duurder wordt?
De leden van de JA21-fractie vragen specifiek aandacht voor de beĆ«indigingsleeftijd van private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Indien private verzekeraars de eindleeftijd van opt-outverzekeringen structureel lager vaststellen, bijvoorbeeld op 55 jaar, kan dit ertoe leiden dat zelfstandigen op latere leeftijd zijn aangewezen op de publieke basisverzekering, juist op het moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico toeneemt. Hoe voorkomt de regering dat private verzekeraars lage risicoās tijdelijk verzekeren, maar hogere risicoās op latere leeftijd alsnog doorschuiven naar de publieke basisverzekering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering het wenselijk acht dat private verzekeringen die toegang geven tot de opt-out kunnen eindigen ruim vóór de AOW-leeftijd. Hoe wordt geborgd dat een private verzekering die toegang geeft tot de opt-out voldoende duurzaam is voor de gehele periode waarin een zelfstandige anders onder de publieke basisverzekering zou vallen? Wat gebeurt er wanneer een zelfstandige na beëindiging van een private verzekering instroomt in de publieke verzekering?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te reflecteren op de vraag of sprake kan zijn van ongelijke behandeling naar leeftijd indien private verzekeraars in de praktijk stelselmatig lagere eindleeftijden hanteren of oudere zelfstandigen alleen tegen aanzienlijk slechtere voorwaarden verzekeren. Heeft de regering beoordeeld of de vormgeving van de opt-out, in combinatie met private acceptatievoorwaarden en beĆ«indigingsleeftijden, risicoās op leeftijdsdiscriminatie met zich meebrengt? Is de regering bereid dit juridisch te laten toetsen?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is voorwaarden over de minimale looptijd en eindleeftijd te verbinden aan private verzekeringen die toegang geven tot de opt-out. Is de regering van mening dat de opt-out niet mag leiden tot een situatie waarin private verzekeraars alleen de gunstige risicoās selecteren en de publieke basisverzekering achterblijft met de hoogste risicoās?
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre bij de vormgeving van dit wetsvoorstel rekening is gehouden met de verschillen tussen typen zelfstandigen, zoals bijverdieners, fulltimezelfstandigen, studenten en zelfstandigen met sterk variƫrend inkomen.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen die al een voorziening hebben getroffen niet, als gevolg van dit wetsvoorstel, slechter uitkomen als zij niet in de opt-out passen.
De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor freelancers die via een platform reeds verzekerd zijn tijdens opdrachten. Deze wet lijkt de bestaande dekking niet te erkennen binnen de voorwaarden van de opt-outregeling. Hierdoor ontstaat het risico dat incidentele bijverdieners alsnog worden verplicht aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen af te sluiten die financieel disproportioneel zijn ten opzichte van hun beperkte werkzaamheden en inkomsten. Deze leden verzoeken de regering op dit zorgpunt uitgebreid in te gaan.
De leden van de SGP-fractie ontvangen graag alle alternatieven die op tafel hebben gelegen bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Welke mogelijkheden ziet de regering voor maatwerk, uitzonderingen of alternatieve invullingen voor groepen zelfstandigen voor wie het standaardregime niet passend is?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat dekking en premie van een private verzekering ten minste equivalent moet zijn aan de publieke verzekering. Kan de regering een nadere duiding en uitleg geven van het begrip āequivalentā?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom de voorwaarden voor een opt-out relatief streng zijn vormgegeven. Waarom krijgen zelfstandigen niet meer vrijheid om zelf invulling te geven aan hun arbeidsongeschiktheidsvoorziening? Kan de regering aangeven hoeveel zelfstandigen naar verwachting gebruik zullen maken van de opt-outregeling?
Informatie- en medewerkingsverplichting, terugvordering, toezicht en handhaving
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in welke gevallen UWV zal besluiten om niet tot terugvordering over te gaan of bedragen niet te herzien. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat het UWV hiervan kan afzien in geval van dringende redenen en verzoeken de regering nader toe te lichten hoe dit criterium wordt ingevuld. Tevens vragen deze leden welke lessen worden getrokken uit de problematiek bij UWV rondom de uitvoering van werknemersregelingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke concrete stappen de regering op korte termijn zet om duidelijkheid te bieden aan zelfstandigen en uitvoerders, zodat zij goed kunnen voorbereiden op de Wet Baz.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe wordt gehandhaafd dat een verzekeraar daadwerkelijk premies int. Tevens vragen deze leden of het mogelijk is de verzekeringsplicht te ontduiken door aan te sluiten bij een partij waarbij in de praktijk geen premies worden geĆÆnd.
De leden van de JA21-fractie uiten ernstige zorgen over de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. Deze leden wijzen op de bestaande capaciteitsproblemen en achterstanden bij het UWV, in het bijzonder bij de sociaal-medische beoordelingen binnen de WIA. De Afdeling advisering van de Raad van State is bovendien zeer kritisch over de uitvoerbaarheid van het voorstel. Tegen die achtergrond vragen deze leden hoe de regering het verantwoord acht om het UWV te belasten met de claimbeoordeling en re-integratiebegeleiding van een nieuwe, omvangrijke groep zelfstandigen, terwijl de uitvoering van de bestaande arbeidsongeschiktheidsregelingen al zwaar onder druk staat.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering concreet aan te geven hoeveel extra sociaal-medische beoordelingen, herbeoordelingen en re-integratietrajecten jaarlijks worden verwacht als gevolg van de Baz. Hoeveel extra verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en andere uitvoeringscapaciteit zijn daarvoor nodig? Kan de regering aangeven of deze capaciteit op dit moment beschikbaar is, en zo nee, op welke termijn zij realistisch beschikbaar zal zijn?
De leden van de JA21-fractie vragen welke harde uitvoeringsvoorwaarden vervuld moeten zijn voordat deze wet verantwoord in werking kan treden. Kan de regering toezeggen dat de wet niet in werking treedt zolang UWV niet aantoonbaar in staat is de nieuwe taken uit te voeren zonder verdere verslechtering van de uitvoering van de WIA en zonder langere wachttijden voor zieke werknemers die momenteel op een beoordeling wachten?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat zieke zelfstandigen straks de dupe worden van wachttijden, voorlopige beoordelingen, fictieve beslissingen of hersteloperaties achteraf. Welke rechtszekerheid heeft een zelfstandige indien het UWV niet tijdig tot een beoordeling komt? Heeft de zelfstandige in dat geval recht op voorschotten, en hoe wordt voorkomen dat later terugvorderingen ontstaan door fouten of vertragingen in de uitvoering?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van de premieheffing en -inning door de Belastingdienst beoordeelt. De regeling vergt gegevensuitwisseling, inkomensvaststelling, correcties en afstemming met de verzekeringsplicht. Hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen te maken krijgen met complexe naheffingen, correcties of onduidelijkheid over hun verzekeringspositie, zeker bij wisselende inkomsten of achteraf vastgestelde winst uit onderneming?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie of de regering bereid is het wetsvoorstel aan te houden indien UWV en Belastingdienst niet ondubbelzinnig kunnen aantonen dat de uitvoering op tijd, betrouwbaar en zonder risicoās voor de rechtszekerheid van zelfstandigen of huidige uitkeringsgerechtigden kan plaatsvinden. Deelt de regering de opvatting dat een verplichte verzekering pas verantwoord is wanneer zelfstandigen er ook daadwerkelijk op kunnen vertrouwen dat premieheffing, claimbeoordeling en uitbetaling tijdig en correct verlopen? Op welk moment verwacht de regering de kamer te informeren over de herijking van de uitvoeringstoets en de uitvoerbaarheid van het voorstel?
De leden van de Groep Markuszower vragen welke sancties kunnen worden opgelegd bij overtreding van informatie- of medewerkingsverplichtingen. Hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen door administratieve fouten geconfronteerd worden met hoge terugvorderingen of boetes?
Overgangsrecht
De leden van de CDA-fractie vragen hoeveel bestaande private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen naar verwachting onder het overgangsrecht vallen, hoeveel bestaande verzekeringen naar verwachting niet voldoen, en hoe zelfstandigen voor inwerkingtreding individuele zekerheid krijgen over de vraag of hun bestaande verzekering onder het overgangsrecht valt.
De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de voorgestelde bepalingen omtrent het overgangsrecht, in het bijzonder de zogeheten eerbiedigende werking voor zelfstandigen die reeds een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten. Deze leden constateren dat in de markt inmiddels een duidelijke anticipatiebeweging op gang lijkt te komen, waarbij private verzekeraars in de aanloop naar de wetgeving adverteren met het argument dat ondernemers nu nog een private polis met een lage premie kunnen afsluiten alvorens het minimumtarief van de basisverzekering gaat gelden. Deze leden vragen hoe de regering deze marktontwikkeling beoordeelt. Heeft de regering voorafgaand aan het indienen van dit wetsvoorstel geanalyseerd welk effect een substantiƫle instroom van relatief gezonde zelfstandigen in private overgangspolissen heeft op de initiƫle samenstelling, kapitalisatie en financiƫle soliditeit van de publieke basisverzekering? Indien een aanzienlijk deel van de gezonde zelfstandigenpopulatie zich via het overgangsrecht langdurig aan de publieke basisverzekering onttrekt, in hoeverre zijn de budgettaire ramingen en premie-inkomsten van de Baz dan nog houdbaar?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft doorgerekend bij welke mate van anticiperend gedrag door zelfstandigen en verzekeraars de publieke basisverzekering financieel kwetsbaarder wordt dan in de huidige ramingen is verondersteld. Welke maatregelen overweegt de regering om te voorkomen dat het overgangsrecht onbedoeld leidt tot een ongunstige risicoselectie in de publieke basisverzekering nog voordat de wet effectief in werking is getreden?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom niet is gekozen voor een ruimere overgangsperiode voor bestaande zelfstandigen. Kan de regering aangeven hoeveel zelfstandigen reeds langdurige private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen hebben afgesloten en mogelijk dubbel worden belast?
Verwerking van persoonsgegevens
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het volgens de regering noodzakelijk is een zelfstandigenadministratie op te bouwen, wat volgens het UWV ten minste 36 maanden in beslag zal nemen. Deze leden vragen of de regering verwacht dat het UWV deze zelfstandigenadministratie kan vormgeven met behulp van beperkte aanpassingen aan de bestaande polisadministratie.
De leden van de CDA-fractie lezen dat vanwege het duale stelsel gegevensdeling nodig is tussen UWV, Belastingdienst, Sociale Verzekeringsbank (SVB), private verzekeraars en toezichthouders. Deze leden vragen welke gegevens worden gedeeld, met welk doel, op welke wettelijke grondslag, met welke bewaartermijn en met welke waarborgen voor medische en fiscale gegevens.
De leden van de Groep Markuszower vragen welke medische en financiƫle persoonsgegevens worden verwerkt en gedeeld binnen het stelsel. Hoe wordt gegarandeerd dat privacygevoelige gegevens adequaat beschermd blijven?
Ministeriƫle verantwoordelijkheid
De leden van de Groep Markuszower vragen wie uiteindelijk politiek verantwoordelijk wordt voor fouten, uitvoeringsproblemen of onterechte afwijzingen binnen dit stelsel.
Overig
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er zelfstandigen zijn met een hoger inkomen en een dermate hoog arbeidsongeschiktheidsrisico, dat zij niet, of tegen een premie die als niet betaalbaar wordt ervaren, tot een private (aanvullings)verzekering zullen worden toegelaten. Daarvoor is het arbeidsongeschiktheidsrisico dat de private verzekeraar moet inprijzen te hoog. De Stichting van de Arbeid zag in 2020 voor deze groep zelfstandigen een mogelijkheid om een Onderling Waarborgfonds te creƫren, met een publiekrechtelijke basis, privaatrechtelijke uitvoering en acceptatieplicht om te borgen dat iedere zelfstandige zich aanvullend aan de publieke basisverzekering, op betaalbare wijze, privaat kan verzekeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering het Onderling Waarborgfonds niet wenselijk acht, maar wel alternatieven onderzoekt. Deze leden verzoeken de regering de Kamer te informeren over de stand van zaken van de in 2024 gestarte verkenning naar alternatieven voor het Onderling Waarborgfonds en over de wijze waarop betaalbaarheid en toegankelijkheid voor zelfstandigen met een verhoogd risico worden gewaarborgd. Tevens verzoeken deze leden de regering toe te lichten welke concrete varianten momenteel worden onderzocht.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de publieke verzekering een basisdekking biedt en dat zelfstandigen daarnaast aanvullende private verzekeringen of andere aanvullende voorzieningen kunnen treffen. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen ten onrechte denken dat zij met de publieke Baz volledig verzekerd zijn tegen inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid. Kan de regering aangeven hoe zelfstandigen actief worden geĆÆnformeerd over de beperkte dekking van de publieke Baz en over de mogelijkheid of noodzaak van aanvullende dekking?
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering erkent dat deze maatregel opnieuw leidt tot uitbreiding van de verzorgingsstaat en verdere inperking van de keuzevrijheid van ondernemers. Kan de regering daarnaast aangeven welke alternatieven serieus zijn onderzocht voordat gekozen werd voor een verplichte verzekering?
Internationaalrechtelijke aspecten
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering voornemens is bijlage XI bij verordening 883 te wijzigen. Op welke termijn verwacht de regering instemming te verkrijgen van de Europese Commissie voor aanpassing van bijlage XI? Welke invloed heeft de herziening van verordening 883 op dit proces?
De leden van de Groep Markuszower vragen in hoeverre Europese regelgeving of internationale afspraken van invloed zijn geweest op de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Bestond er enige verplichting vanuit de Europese Unie om tot deze maatregel te komen?
Financiƫle gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich grote zorgen over de passages in paragraaf 17.1 van de memorie van toelichting waarin wordt gesproken over het maken van een nieuwe afweging tussen enerzijds het belang van een stabiele duale markt met een realistische mogelijkheid voor zelfstandigen om te kiezen voor een opt-out en anderzijds de financiƫle toegankelijkheid van de publieke verzekering voor zelfstandigen die niet kunnen of willen kiezen voor een private verzekering. Deze leden verzoeken de regering deze passage nader toe te lichten. Tevens vragen de leden de regering te bevestigen dat dit toch niet zou kunnen betekenen dat de stabiliteitsbijdrage op termijn geheel komt te vervallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast om een inschatting van de omvang van de verschillende groepen waarnaar in paragraaf 17.2 wordt verwezen. Deze leden verzoeken de regering dit inzichtelijk te maken in aantallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in de totale omvang van de stabiliteitsbijdrage en de macro-economische gevolgen daarvan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast meerdere vragen over de rentehobbelopslag. Deze leden verzoeken de regering een nadere onderbouwing te geven van de cumulatieve omvang van ⬠18 miljard en deze ontwikkeling uit te zetten over de tijd. Deze leden vragen om welke opbouwperiode het gaat en om hoeveel het per jaar gaat. Deze leden vragen hoe de afweging is gemaakt tussen het voldoende op peil houden van een reserve en het drukken van kosten voor zelfstandigen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering tevens de ontwikkeling van de rentehobbelopslag af te zetten tegen de hoogte van de premie en de stabiliteitsbijdrage en ook deze bedragen over de tijd inzichtelijk te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de minister voorts te reflecteren op twee kostprijsverhogende mechanismen binnen het voorgestelde stelsel. Deze leden merken op dat de rentehobbelopslag de kostprijs van de publieke verzekering verhoogt, terwijl de stabiliteitsbijdrage de kostprijs van private verzekeringen verhoogt. Deze leden vragen of de minister erkent dat beide mechanismen op elkaar inwerken en gezamenlijk leiden tot een te hoge premie. Deze leden vragen de regering om handelingsperspectief te schetsen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een sensitiviteitsanalyse kan geven van de premieontwikkeling bij hogere instroom in de Baz, lagere deelname aan de opt-out, hogere uitvoeringskosten, langere uitkeringsduur, lagere premiegrondslag en meer rechtsvormarbitrage dan geraamd. Kan de regering daarbij aangeven bij welk premiepercentage de betaalbaarheid voor zelfstandigen volgens de regering onder druk komt te staan?
De leden van de Groep Markuszower vragen wat de totale structurele uitvoeringskosten van deze wet bedragen. Kan de regering tevens inzicht geven in de verwachte kostenoverschrijdingen en risicoās voor de Rijksbegroting? Voorts vragen deze leden hoeveel extra uitvoeringskosten worden verwacht bij het UWV, de Belastingdienst en andere betrokken instanties.
Evaluatie
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is een invoeringstoets en een tussenevaluatie wettelijk vast te leggen, waarbij in ieder geval wordt gekeken naar uitvoerbaarheid, sociaal-medische capaciteit, premieontwikkeling, wachttijd, niet-gebruik, bezwaar en beroep, opt-out, regeldruk, inkomenseffecten, beroep op bijstand, rechtsvormarbitrage en gevolgen voor kleine ondernemers.
De leden van de Groep Markuszower vragen wanneer en op welke wijze de wet geƫvalueerd zal worden. Kan de regering toezeggen dat specifiek wordt gekeken naar effecten op ondernemerschap, regeldruk, uitvoeringsproblemen en het aantal stoppende zelfstandigen?
Ontvangen inbreng
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de aard is van de uitvoeringstoets die het UWV drie jaar voor inwerkingtreding zal uitvoeren. Tevens vragen deze leden de regering om toe te lichten welke invloed de toets volgens de regering kan hebben op het tijdpad.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast vragen over de combinatie van de Baz en pensioenopbouw, mede indachtig de opmerkingen die hierover tijdens de internetconsultatie zijn gemaakt. Deze leden merken op dat de verplichte Baz mogelijk een stimulans kan vormen om meer te doen aan pensioenopbouw wanneer beide voorzieningen in ƩƩn product worden gecombineerd. Tevens merken deze leden op dat beroepspensioenfondsen, zoals die voor artsen, medisch specialisten of schilders, mogelijk ook de Baz voor hun beroepsgroep zouden kunnen organiseren. Deze leden vragen daarom of de minister mogelijkheden ziet voor een Baz-polis als onderdeel van een zzp-pensioenproduct. Daarbij verzoeken deze leden de regering te reflecteren op een combinatie van een lijfrenteproduct met een Baz-verzekering binnen de derde pijler, dan wel een combinatie van ouderdomspensioen en een Baz-verzekering in de tweede pijler.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Belastingdienst aangeeft dat invoering pas onder voorwaarden mogelijk is vanaf 2030. Hoe realistisch acht de regering de huidige planning nog?
De leden van de CDA-fractie lezen dat naar aanleiding van de kritische uitvoeringstoetsen aanpassingen zijn gedaan, onder meer rond de wachttijd, ziekmelding, terugvordering, opt-out en overgangsrecht. Deze leden vragen of de regering per aanpassing kan aangeven welk concreet uitvoeringsknelpunt van UWV of de Belastingdienst daarmee is verminderd, welk uitvoeringsrisico nog resteert en of UWV en de Belastingdienst deze resterende risicoās aanvaardbaar achten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat UWV in de herijkte uitvoeringstoets aangeeft dat drie jaar voorafgaand aan de beoogde implementatie een herijking van de financiƫle impact noodzakelijk is en dat daarin ook een definitief oordeel over het capaciteitsvraagstuk wordt gegeven. Deze leden vragen hoe de Kamer het wetsvoorstel op dit punt goed kan beoordelen zolang het definitieve oordeel over de beschikbare capaciteit nog volgt.
De leden van de SGP-fractie lezen dat UWV het wetsvoorstel enkel uitvoerbaar acht als er voldoende capaciteit beschikbaar is. Terwijl daar op dit moment reeds sprake is van een fors capaciteitstekort. Hoe wil de regering ervoor zorgen dat dit wetsvoorstel uitvoerbaar is bij inwerkingtreding, gelet op deze omstandigheden?
Welke concrete stappen zet de regering om op korte termijn duidelijkheid te geven aan zelfstandigen en uitvoerders, zodat zij zich tijdig en reƫel kunnen voorbereiden op implementatie, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
UWV heeft aan gegeven een derde uitvoeringstoets nodig te hebben drie jaar voor de beoogde invoeringsdatum in 2030. De leden van de SGP-fractie zijn geĆÆnteresseerd in de reden hiervan. De uitvoeringstoetsen zijn immers inmiddels gedaan en mede op basis daarvan behandelt de Kamer nu de wet. Wat is de gedachte achter deze aanvullende toets, waarom heeft UWV dat nodig en hoe wordt deze toets vormgegeven? Welke informatie moet daaruit blijken, en in hoeverre kan die informatie niet ook relevant zijn voor de behandeling in beide Kamers?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering toe te zeggen dat de derde uitvoeringstoets enkel zal gaan over het tijdpad en niet zal leiden tot inhoudelijke aanpassingen van het wetsvoorstel, aangezien de Kamer deze nu immers inhoudelijk behandelt en daar wel of niet mee instemt. Onder welke omstandigheden is het voor de regering aanvaardbaar dat uitkomsten van deze derde toets leiden tot uitstel of afstel van de beoogde implementatie in 2030?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat op dit moment het beoogde tijdpad is voor de implementatie van het wetsvoorstel, en welke stappen daarin zeker of juist nog onzeker zijn
De leden van de Groep Markuszower vragen welke kritiekpunten vanuit ondernemersorganisaties, zelfstandigenorganisaties en uitvoeringsinstanties door de regering niet zijn overgenomen en waarom niet.
II Artikelsgewijze toelichting
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Wat is het beoogde tijdpad voor implementatie van het wetsvoorstel, welke stappen moeten hier, afgezien van parlementaire behandeling, nog voor gezet worden en hoe zeker is dat de mijlpalen gehaald zullen worden? Welke concrete stappen zet de regering om op korte termijn duidelijkheid te geven aan zelfstandigen, het UWV en de private verzekeringsmarkt, zodat zij zich tijdig en reƫel kunnen voorbereiden op de Wet Baz?
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering per relevant artikel nader toe te lichten: welke uitvoeringslasten voortvloeien uit het betreffende artikel; welke administratieve verplichtingen voor zelfstandigen ontstaan; welke handhavings- en sanctiebevoegdheden worden geĆÆntroduceerd; en welke gevolgen deze bepalingen hebben voor kleine zelfstandigen en eenpitters.
De voorzitter van de commissie,
Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie,
Van den Broek