Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35386-41)
Voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling)
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D26087, datum: 2026-05-29, bijgewerkt: 2026-06-04 12:42, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat (D66)
- Mede ondertekenaar: G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 35386 -43 Voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling).
Onderdeel van zaak 2026Z11450:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-03 10:15 ⇒ Het lid Vermeer (BBB) heeft in de plenaire Regeling van Werkzaamheden van dinsdag 2 juni jl. verzocht om een tweeminutendebat naar aanleiding van dit schriftelijk overleg. Dit tweeminutendebat heeft op woensdag 3 juni plaatsgevonden, gevolgd door stemmingen op donderdag 4 juni. (Besluit)
- 2026-06-02 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-02 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-03 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
35 386 Voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling)
Nr. 43 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 29 mei 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
inzake de Nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 42) en het Ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 41).
De vragen en opmerkingen zijn op 22 mei 2026 aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 29 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie,
Koerselman
De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan een uitvoerbare en handhaafbare regeling. Kan de staatssecretaris nader toelichten op basis van welke criteria is geconcludeerd dat sprake is van een effectief handhavingsplan?
Het handhavingsplan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid, het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en partners zoals politie, OM, gemeenten, ILT en Douane. Ten behoefte van de coördinatie en inhoudelijke afstemming zijn een bestuurlijke regiegroep en een ambtelijke expertgroep ingericht.
Zoals de voormalig minister van Justitie en Veiligheid tijdens debat van 21 januari en bij brief van 16 maart jl. heeft aangegeven betreft het handhavingsplan een samenhangende bundeling van acties die door betrokken partijen kunnen worden ingezet, aangevuld met voorbeelden en best practices. Het plan biedt het lokaal gezag handvatten om de handhaving van het vuurwerkverbod, inclusief de daarbij behorende ontheffingsmogelijkheid, op een wijze vorm te geven die aansluit bij de lokale omstandigheden en behoeften.
Daarnaast bevat het handhavingsplan diverse acties die in aanloop naar de jaarwisseling worden uitgevoerd. Deze acties zijn gericht op het voorbereiden van betrokken partijen en de samenleving op een jaarwisseling zonder consumentenvuurwerk, evenals op het tegengaan en beperken van mogelijke illegale handel.
Kan zij nader toelichten of er sprake is van een nulmeting en helder geformuleerde indicatoren aan de hand waarvan na afloop kan worden gemeten of het handhavingsplan effectief heeft gewerkt?
Aangezien het handhavingsplan ruimte laat voor lokale invulling van de voorbereiding en uitvoering van de handhaving, zijn geen uniforme nulmeting of effectindicatoren vastgesteld. De lokale context, uitvoeringscapaciteit en beleidsmatige keuzes verschillen per gemeente, waardoor de effectiviteit van maatregelen zich niet zonder meer laat vangen in één landelijk beoordelingskader. Het plan heeft daarom primair een ondersteunend karakter en biedt gemeenten instrumenten en handelingsopties om invulling te geven aan een aanpak die aansluit bij de lokale omstandigheden.
Is zij voornemens om het handhavingsplan na de jaarwisseling te evalueren? Zo ja, gebeurt dat door een externe partij?
Zoals bij vraag 2 is beschreven heeft het handhavingsplan primair een ondersteunend karakter en kan derhalve niet geëvalueerd worden. Wel zal er, zoals gebruikelijk, een landelijk beeld van de jaarwisseling worden opgemaakt. Op basis daarvan en de lokale evaluaties van de jaarwisseling zal in 2027 gekeken worden of aanvullende acties en best practices in het handhavingsplan kunnen worden opgenomen.
Deze leden vragen daarnaast hoe de staatssecretaris kijkt naar het risico van een toename van illegaal vuurwerkgebruik en welke maatregelen worden genomen om dat risico zo veel mogelijk te beperken.
Het traject rondom de implementatie van de Wet veilige jaarwisseling zal na 2026 nog niet volledig zijn afgerond. Ook begin 2027 blijft de regiegroep bijeenkomen om ervaringen uit te wisselen, zodat tijdig kan worden geanticipeerd op eventuele knelpunten en goede praktijken met elkaar kunnen worden gedeeld. Daarbij zal worden bezien of aanvullende acties en best practices kunnen nodig zijn om op opgerichte VNG forum te delen. Van een formele evaluatie is hierbij geen sprake. Het handhavingsplan heeft primair een ondersteunend karakter en leent zich daarom niet voor een zelfstandige evaluatie. Daarnaast zal conform de gebruikelijke werkwijze, een landelijk beeld van de jaarwisseling worden opgesteld. Op basis hiervan kunnen op termijn tevens trends zichtbaar worden van de effecten van het vuurwerkverbod.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de ontheffingsmogelijkheid voor georganiseerde groepen burgers onderdeel vormt van de voorwaarden voor inwerkingtreding. Kan de staatssecretaris toelichten hoe deze regeling in de praktijk werkbaar wordt gemaakt voor gemeenten?
Op initiatief van de Tweede Kamer is een ontheffingsmogelijkheid van het verbod voor consumenten geïntroduceerd in de Wet veilige jaarwisseling. Het kabinet heeft deze nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling. Ten behoeve van de uitvoering van het Besluit veilige jaarwisseling worden diverse instrumenten voor de gemeenten ontwikkeld. Met ondersteuning van de ministeries van JenV en IenW ontwikkelt de VNG een handreiking waarin een afwegingskader en handvatten voor de ontheffingsmogelijkheid wordt beschreven. Daarnaast ontwikkelen de ministeries van JenV en IenW een communicatietoolkit voor gemeenten en biedt het handhavingsplan best practices.
Hoe wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de toepassing van deze bevoegdheid of grote verschillen tussen gemeenten?
Met de bij vraag 5 beschreven instrumenten worden eenduidige handvatten geboden. Uiteraard staat het iedere burgemeester vrij om deze al dan niet toe te passen. Daarnaast zijn er meerdere geluiden dat op regionaal niveau de gemeenten met elkaar in gesprek zijn over de uitvoering van de ontheffingsmogelijkheid; hiermee kunnen grote verschillen binnen de regio voorkomen worden. Verschillen in beleid tussen gemeenten hoeven overigens niet problematisch te zijn. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat, afhankelijk van lokale omstandigheden, verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de hoofdlijnen van de nadeelcompensatieregeling. Deze leden zijn van mening dat het belangrijk is om te komen tot een nette en juridisch houdbare regeling voor ondernemers die door deze wetswijziging worden geraakt. Kan de staatssecretaris nader toelichten hoe de juridische houdbaarheid van de nadeelcompensatieregeling is getoetst?
De hoofdlijnen van de nadeelcompensatieregeling zijn tot stand gekomen in een zorgvuldig proces waarbij de brancheorganisaties van vuurwerkbedrijven zijn betrokken. Met de branchevereniging van de importeurs is op hoofdlijnen overeenstemming bereikt maar met de brancheverenigingen van de detailhandelaren helaas niet.
Door een financieel onafhankelijk expert is geïnventariseerd welke schade vuurwerkbedrijven ondervinden van de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op door vuurwerkbedrijven zelf aangeleverde informatie. Zijn bevindingen heeft hij vastgelegd in het deskundigenrapport. 1
Vervolgens moet worden bepaald welke schade voor vergoeding in aanmerking komt op basis van het nadeelcompensatierecht. Het gaat hier immers om schade als gevolg van rechtsmatig overheidshandelen, waardoor alleen zogenoemd onevenredig nadeel voor vergoeding in aanmerking komt, dat wil zeggen het deel dat boven hun normaal ondernemersrisico uitstijgt. De landsadvocaat is gevraagd hierover te adviseren.
Het initiatiefwetsvoorstel voor het landelijke vuurwerkverbod voor consumenten van de leden Klaver en Ouwehand is in 2020 ingediend. Vanaf dat moment hadden ondernemers kunnen weten dat er een vuurwerkverbod voor consumenten zou kunnen worden ingevoerd en hadden ze hiermee rekening kunnen houden. Op 8 april 2025 is de Wet veilige jaarwisseling aangenomen in de Tweede Kamer en op 1 juli 2025 in de Eerste Kamer.
Uitgangspunt is in dit geval dat onevenredige schade kan worden vermeden door een voldoende lange overgangstermijn in acht te nemen waarin het schadeveroorzakende besluit nog niet geldt. Wat betreft de detailhandelaren heeft de landsadvocaat op basis van andere casuïstiek en de jurisprudentie2 geadviseerd dat een overgangstermijn van een à twee jaar vanaf het moment waarop de wet is aangenomen voldoende is (1 juli 2025). Aangezien de afgelopen jaarwisseling verkoop nog mogelijk was, blijft één jaar vergoeding van de winstderving over. Hiermee is dus niet voor de minimum variant gekozen. Daarbij is – naast de voorzienbaarheid van een dergelijk verbod - zwaarwegend geacht dat de verkoop van consumentenvuurwerk voor de meeste detailhandelaren een nevenactiviteit is. Het gaat bij hen om het verlies van een beperkt deel van het assortiment in een beperkt deel van het jaar.
Wat betreft de importeurs van consumentenvuurwerk heeft de landsadvocaat geadviseerd dat een overgangstermijn van drie à vier jaar vanaf medio 2025 voldoende is. Gelet op de afgelopen jaarwisseling, blijft voor hen daardoor nog maximaal drie jaar winstderving over. Daarbij is in vergelijking met de detailhandelaren zwaarwegend geacht dat het hierbij wel om de hoofdactiviteit van de betreffende bedrijven gaat en dat de in- en verkoopcyclus langer is. Nu aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling de voorwaarde is verbonden een nette en eerlijke compensatieregeling te treffen en door de Tweede Kamer is opgeroepen het overleg met de getroffen bedrijven te zoeken, is ervoor gekozen om zowel voor de detailhandelaren als de importeurs een regeling te treffen die eerlijk en netjes is. Voor de detailhandelaren betekent dit een compensatie van één jaar winstderving vermeerderd met een percentage van 15%. Het kabinet heeft daarnaast bewust aandacht gehad voor kleine detailhandelaren door daar bovenop een extra vast bedrag van € 3.500 toe te kennen. Voor importeurs bestaat de regeling uit compensatie van drie jaar winstderving vermeerderd met de verliesvergoeding van restvoorraden en vergoeding voor afloop van enkele doorlopende bedrijfskosten.
Het kabinet is ervan overtuigd hiermee aan de opdracht van de Kamers te hebben voldaan om te komen tot een nette en eerlijke compensatieregeling, en ook binnen de bandbreedte van het nadeelcompensatierecht te zijn gebleven. De nadeelcompensatieregeling is naar het oordeel van het kabinet houdbaar zowel in het licht van de rechtsplicht nadeelcompensatie te verlenen als in het licht van de rechtsplicht om geen ongeoorloofde staatssteun te verlenen.
Deze leden lezen dat de nadere uitwerking via een convenant en beleidsregel nog volgt. Kan de staatssecretaris toezeggen de Kamer te informeren, zodra het convenant met importeurs en de beleidsregel voor detailhandel definitief zijn vastgesteld?
Ja, zodra het convenant voor de importeurs en de beleidsregel voor de detailhandel definitief zijn, zullen deze naar beide Kamers verzonden worden. Daarnaast zullen beide stukken gepubliceerd worden in de Staatscourant. Hierbij merk ik op dat het niet noodzakelijk is dat de nadeelcompensatieregeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet definitief is vastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waar ondernemers die aan de voorwaarden voldoen aanspraak op kunnen maken.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de staatssecretaris het verdere tijdpad voor zich ziet richting de komende jaarwisseling. Kan zij bij elk van de drie voorwaarden schetsen welke overleggen de komende maanden plaatsvinden in voorbereiding op de jaarwisseling, op welk moment en op welke wijze burgers en getroffen ondernemers actief door het kabinet worden geïnformeerd?
Met betrekking tot de uitvoering van het handhavingsplan vinden periodiek expert- en bestuurlijke overleggen plaats, gericht op kennisdeling, afstemming en wederzijdse ondersteuning in de voorbereiding op de jaarwisseling. Daarnaast zijn voor de afzonderlijke actiepunten uit het handhavingsplan specifieke werkgroepen actief. Binnen deze werkgroepen wordt momenteel onder meer gewerkt aan een communicatiestrategie en de organisatie van vuurwerkinleverdagen. Iedere werkgroep kent haar eigen planning. De communicatiestrategie wordt naar verwachting begin juni opgeleverd. De vuurwerkinleverdagen zullen na de zomer plaatsvinden.
Op basis van de opgestelde communicatiestrategie worden diverse communicatie-instrumenten ontwikkeld die op verschillende momenten ingezet kunnen worden. Het eerste communicatiemoment zal in aanloop naar de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod zijn en is gericht op het algemene publiek. Ook zullen gemeenten met behulp van de instrumenten gaan communiceren over de wijze hoe zij invulling gaan geven over de ontheffingsmogelijkheid.
In het kader van de ontheffingsmogelijkheid ontwikkelt VNG een handreiking voor gemeenten voor de toepassing van de ontheffingsmogelijkheid. Hiervoor is eveneens een specifieke werkgroep samengesteld. Deze handreiking wordt naar verwachting op 1 juli 2026 opgeleverd. Daarnaast heeft de VNG meerdere webinars georganiseerd over de Wet veilige jaarwisseling en heeft er een specifiek overleg plaatsgevonden voor grensgemeenten.
De voortgang van de hierboven genoemde acties worden tevens besproken in bestaande bestuurlijke overleggen, waaronder het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV) en het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP).
Met betrekking tot de nette en eerlijke nadeelcompensatie worden voor het opstellen van een convenant en de beleidsregel nadeelcompensatie gesprekken gevoerd met de vuurwerkbranche. Zodra deze zijn afgerond, worden ze gepubliceerd waarna detailhandelaren aanvragen kunnen indienen bij RVO. RVO richt hiervoor een website in.
Inbreng fracties van GroenLinks-PvdA en Partij voor de Dieren
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren zijn blij dat met de nadeelcompensatieregeling de laatste losse eindjes van het vuurwerkverbod kunnen worden afgehandeld. Na decennia van overlast en vervuiling, schade en letsel, vaak zeer ernstig, is de weg naar een oplossing vrij. Het is haast niet te bevatten hoeveel vingers en ogen in de loop de jaren aan dit vermaak zijn geofferd. Met een einde aan de vrije verkoop van deze explosieven aan het publiek, wordt ook handhaving makkelijker en kunnen we hopelijk de oorlogsachtige taferelen rond de jaarwisseling in onze steden achter ons laten. Deze leden verzoeken de staatssecretaris dan ook om voortvarend alles in het werk te zetten dat nodig is om de nieuwe vuurwerkregels nog dit jaar van kracht te laten worden.
Op dit moment werkt IenW aan de afronding van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. De planning is erop gericht om op 1 juli 2026 het Besluit veilige jaarwisseling te publiceren in het Staatsblad. Vervolgens kunnen de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit dan op 1 augustus 2026 in werking treden. Dit om uitvoerende partijen waaronder gemeenten, voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden. Dit is ook benadrukt in de uitvoeringstoets van de VNG. Het is aan beide Kamers om een besluit te nemen over het inwerkingtredingsbesluit Wet veilige jaarwisseling.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren hebben wel grote twijfels bij de dekking van deze compensatie. De Kamer stemde in 2025 voor het amendement dat de afhandeling onderbracht in de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Maar het dubbel demissionaire kabinet verzuimde om hiervoor reserveringen in de begroting voor 2026 te maken. De noodzaak om nu in reeds toegekende fondsen en posten geld te vinden heeft geleid tot keuzen die voor deze leden moeilijk te dragen zijn. Met name de bezuinigingen op de investeringen van ProRail in verduurzaming en klimaatneutraliteit, is pijnlijk, bijna cynisch. Als we de ene verduurzaming betalen met de middelen voor de andere, gaan we niet vooruit. Deze leden verzoeken het kabinet dan ook om het gat dat hiermee is geslagen bij de volgende Miljoenennota te herstellen en aan te vullen uit de algemene middelen. De maatschappelijke baten van het vuurwerkverbod maken deze compensatie meer dan goed.
De dekking voor de nadeelcompensatie vergt pijnlijke keuzes. Daar is het kabinet zich zeer van bewust en is eerder ook gemeld. Een brede meerderheid van uw Kamer heeft met het amendement Michon-Derkzen echter aangegeven dat de dekking van deze compensatie binnen de IenW-begroting moet worden gevonden. Het kabinet heeft dit amendement destijds ontraden, juist omdat een dergelijke dekking mogelijk grote gevolgen kent voor lopende beleidsopgaven. Indien uw kamer dit toch anders wenst, dan is de begrotingsbehandeling het geëigende moment.
Inbreng fractie PVV
De leden van de PVV-fractie merken op dat de vuurwerkbranche met deze regeling slechts een zeer beperkte compensatie ontvangt. Bedrijven worden door overheidsbeleid gedwongen hun activiteiten te beëindigen, terwijl daar slechts een fractie van de geleden schade tegenover staat. Hoe kan het dat het bedrag dat het kabinet hiervoor wil uittrekken zoveel lager ligt dan de schadebedragen die vanuit de sector zelf worden genoemd?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregeling moest uitwerken. In het licht van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico.
De schadebedragen die vanuit de detailhandelaren worden genoemd zijn gebaseerd op een volledige schadeloosstelling, zoals in het onteigeningsrecht aan de orde is. Dat leunt – onder meer – op het idee dat de winst voor de komende tien jaar zou moeten worden vergoed, tezamen met een vergoeding voor alle andere denkbare schade en kosten. Een dergelijke hoge compensatie is alleen gerechtvaardigd als er een door eigendom beschermd absoluut recht zou zijn geweest om tot in lengte der dagen vuurwerk te blijven verkopen. Dat is niet aan de orde. De nu gekozen insteek past daarentegen wel binnen het nadeelcompensatierecht, waarin alleen de schade wordt vergoed die het ondernemersrisico te boven gaat. Achterliggende gedachte daarbij is dat de branche er in dit geval hoe dan ook, tenminste vanaf 2020, rekening mee moest houden dat consumentenvuurwerk op termijn verboden zou kunnen worden (zie ook antwoord op vraag 7). Voor hoe omgegaan moet worden met de omvang van het normaal ondernemingsrisico is gekeken naar rechtspraak over vergelijkbare situaties.3
De leden van de PVV-fractie lezen dat een ruimere vergoeding volgens de staatssecretaris het risico op ongeoorloofde staatssteun met zich meebrengt. Deze leden vragen wat binnen deze staatssteunkaders dan wél het maximale bedrag is dat aan handelaren kan worden gecompenseerd. Welke ruimte bestaat er bijvoorbeeld om de compensatie over meerdere jaren uit te keren of te verlengen?
Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie (antwoord op vraag 7) is uiteengezet, moet worden vermeden dat ongeoorloofde staatsteun wordt verleend, ook in het belang van de getroffen vuurwerkbedrijven. Ongeoorloofde staatssteun moet immers op last van de Europese Commissie door de lidstaat (vermeerderd met rente) worden teruggevorderd. Geoordeeld is dat voor detailhandelaren vanaf 2025 een overgangsperiode van één tot twee jaar, waarbij zoals gezegd de afgelopen jaarwisseling als het eerste overgangsjaar telt, in de rede ligt en voor importeurs een overgangsperiode van drie tot vier jaar. In aanmerking genomen dat de jaarwisseling 2025-2026 na vaststelling van de Wet veilige jaarwisseling nog heeft kunnen plaatsvinden resteert voor detailhandelaren nog maximaal één jaar nadeelcompensatie en voor importeurs nog maximaal drie jaar. Er is daarmee binnen de bandbreedte van het nadeelcompensatierecht niet gekozen voor de minimum variant.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat ondernemers in de vuurwerkbranche volgens de staatssecretaris altijd rekening moeten houden met overheidsregulering, waaronder een mogelijk verbod. Deze leden vinden dit een vreemde redenering en vragen daarom voor welke andere sectoren deze redenering eveneens zou gelden. Kan de staatssecretaris toelichten waar hierin de grens ligt? En of deze andere sectoren hiervan op de hoogte worden gebracht door de overheid?
Uitgangspunt van het nadeelcompensatierecht is dat rekening gehouden moet worden met overheidsregulering, ook al is niet altijd op voorhand exact te voorzien wanneer en in welke vorm dat zal gaan plaatsvinden. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij sterk gereguleerde sectoren of sectoren die maatschappelijk omstreden zijn.
Ook voor de vuurwerksector geldt dat die al jarenlang onderwerp is van overheidsregulering – met name vanwege het gevaarlijke karakter van zowel het vuurwerk als de opslag en het vervoer daarvan. Vuurwerk is ook al vele jaren een onderwerp van maatschappelijke en politieke discussie. De sector is de afgelopen jaren dan ook al meermaals onderworpen aan strengere regulering. Verscheidene keren zijn verscherpingen van de regelgeving ingevoerd in een poging de uitwassen van de viering van oud-en-nieuw met vuurwerk, zoals letsel en ongeregeldheden, terug te dringen. Ook zijn er op lokaal niveau vuurwerkverboden afgekondigd. Daar komt bij dat ook het onderhavige vuurwerkverbod al langere tijd onderwerp van discussie is, zodat ondernemers in die branche rekening moesten houden met de mogelijkheid dat een dergelijk verbod zou kunnen worden aangenomen.4
Er zijn allerlei andere sectoren waarbinnen soortgelijke risico’s bestaan. Gedacht kan worden aan de tabaksindustrie of industrie die CO2-uitstoot veroorzaakt.
De leden van de PVV-fractie vragen ook of de staatssecretaris erkent dat het beëindigen van deze sector, in combinatie met deze beperkte compensatie, ertoe zal leiden dat veel detailhandelaren hun onderneming moeten sluiten. Dit geldt met name voor ondernemers die afhankelijk zijn van de extra omzet rond de jaarwisseling.
Zoals bij vraag 7 is aangegeven is het initiatiefwetsvoorstel voor een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten in 2020 ingediend. In 2025 heeft een meerderheid van zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer bij de behandeling van de Wet veilige jaarwisseling duidelijk uitgesproken dat er een landelijk vuurwerkverbod moet komen en bij voorkeur zo snel mogelijk. Bij de afweging van een landelijk verbod zijn de gevolgen daarvan voor vuurvuurwerkondernemers door beide Kamers onderkend en meegewogen. Dat heeft geleid tot het aan de inwerkingtreding verbinden van de voorwaarde van een eerlijke en nette nadeelcompensatieregeling.
Als een detailhandelaar zwaar leunt op de vuurwerkverkoop en daarnaast onvoldoende omzet genereert om zijn bedrijf zonder verkoopomzet te kunnen voortzetten, dan behoort ook dit tot het normaal ondernemersrisico. Dat dit in individuele gevallen tot pijnlijke situaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust.
Het kabinet heeft wel bewust aandacht gehad voor kleine detailhandelaren door een extra vast bedrag van € 3.500 toe te kennen bovenop de winstderving en de 15% opslag daarvan.
Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel ondernemers als gevolg van deze maatregel genoodzaakt zullen zijn hun gehele onderneming te beëindigen?
De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranche zijn in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Uit het deskundigenrapport komt naar voren dat de vuurwerkbranche bestaat uit importeurs (circa 12), detailhandelaren die vuurwerkverkoop als nevenactiviteit hebben (circa 770 winkels) en detailhandelaren die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend vuurwerk verkopen (circa 75 winkels). Aangezien de verkoop van F1-vuurwerk aan consumenten nog mogelijk blijft evenals de verkoop van consumentenvuurwerk aan ontheffinghouders is op dit moment niet te zeggen wie zijn gehele onderneming zal beëindigen. De detailhandelaren die de vuurwerkverkoop als nevenactiviteit hebben, kunnen hun hoofdactiviteit in beginsel blijven uitvoeren.
En wat zijn naar verwachting de kosten voor de schatkist wanneer ondernemers als gevolg van deze maatregel noodgedwongen een beroep moeten doen op sociale uitkeringen?
Het is niet zondermeer gezegd dat ondernemers een beroep zullen doen op sociale uitkeringen. De vuurwerkverkoop is voor het merendeel van de ondernemers een nevenactiviteit. Voor de beëindiging van deze nevenactiviteit worden de ondernemers gecompenseerd. De ondernemers kunnen die compensatie ook mede aanwenden om over te stappen op andere bedrijfsmodellen of bedrijfsactiviteiten.
De leden van PVV-fractie zijn principieel tegen een vuurwerkverbod voor de gewone burger en zien dit als een symboolmaatregel die de echte problemen niet aanpakt. Deze leden maken zich grote zorgen over het feit dat er geen eenduidige afspraken binnen de EU zijn. Uit de bronnen blijkt dat in buurlanden, zoals Duitsland, de prijsniveaus voor vuurwerk aanzienlijk lager liggen. Dit verbod zal volgens deze leden leiden tot een enorme toename van (illegaal) vuurwerk uit Duitsland en België, aangezien de grenzen open zijn. Deze leden vragen hoe de staatssecretaris denkt het illegale vuurwerk uit Nederland te weren als het aan de andere kant van de grens gewoon voorhanden blijft. Erkent de staatssecretaris dat dit verbod de illegale handel juist een enorme stimulans geeft?
Nee, uit enquêtes blijkt dat een meerderheid van de samenleving voorstander is van een vuurwerkverbod. Het is daarom aannemelijk dat een groot deel van de bevolking zich aan het verbod zal houden. Daarnaast kunnen burgers in verenigingsverband een verzoek doen bij de burgemeester voor een ontheffing.
De leden van de PVV-fractie zien dat dit verbod zich richt op legaal, gecontroleerd consumentenvuurwerk (F2), terwijl de overlast en incidenten vaak worden veroorzaakt door zwaar illegaal vuurwerk of professioneel vuurwerk dat niet voor particulieren bestemd is. Er wordt gesproken over een effectief handhavingsplan als voorwaarde voor inwerkingtreding. Deze leden vragen hoe de handhaving effectief kan zijn als de politie nu al met een tekort aan capaciteit kampt. Is de staatssecretaris bereid toe te geven dat dit verbod een vorm van collectieve straf is voor de goedwillende burger, terwijl de raddraaiers met illegaal vuurwerk buiten schot blijven?
De Wet Veilige jaarwisseling is op initiatief van de Tweede Kamer tot stand gekomen. Het verbod stelt de politie, ILT, Douane en gemeenten in staat om gerichter op te sporen en te handhaven. Hiermee komen raddraaiers sneller op de radar en kunnen zij hard worden aangepakt. Voor de acties op het terrein van opsporing en handhaving verwijs ik u naar het handhavingsplan.
Zoals eerder vermeld versterken tevens de oprichting van een Benelux-werkgroep gericht op handhaving van zwaar vuurwerk en het aangekondigde voornemen van de Europese Commissie om de pyrotechnische richtlijn te herzien, de internationale aanpak van de illegale vuurwerkhandel.
De leden van de PVV-fractie zien dat uit de analyse van Sman Business Value dat het importeren van vuurwerk voor importeurs de hoofdactiviteit is en dat hun bedrijfsvoering bij een verbod niet langer levensvatbaar zal zijn. Hoewel de staatssecretaris kiest voor scenario B (drie jaar winstderving voor importeurs), dekt dit volgens deze leden op geen enkele wijze de volledige vernietiging van de bedrijfswaarde. Deze leden vragen aan de staatssecretaris waarom er voor detailhandelaren slechts uitgegaan wordt van één jaar winstderving, terwijl voor velen van hen de vuurwerkverkoop essentieel is voor een gezonde bedrijfsvoering in de wintermaanden.
Bij het merendeel van de detailhandelaren betreft de verkoop van vuurwerk een nevenactiviteit (zie ook het antwoord op vraag 7). Uit het deskundigenrapport blijkt dat slechts circa 75 van de 850 winkels uitsluitend of nagenoeg uitsluitend vuurwerk verkopen. Ook dan is het echter geen full-time bedrijfsactiviteit.
Een bedrijfsvoering die in de basis al is gediversifieerd, is vanzelfsprekend eenvoudiger aan te passen om eventuele nadelige gevolgen van (nadere) overheidsmaatregelen zoveel mogelijk te voorkomen. De lengte van de overgangstermijn voor de aanpassing, hangt mede samen met de voorzienbaarheid van het landelijk vuurwerkverbod. Er is de nodige rechtspraak over de situatie waarin een hele branche of de hoofdactiviteit van een onderneming wordt verboden. In die gevallen speelt het al dan niet bestaan van een overgangstermijn een belangrijke rol om te bepalen of de schade het normale ondernemersrisico overstijgt. Voor de detailhandelaren speelt, naast de voorzienbaarheid benoemd in het antwoord op vraag 7, ook een rol dat er door de overheid in de recente geschiedenis geen investeringen verplicht gesteld zijn voor lopende bedrijven. De investeringen die in het verleden zijn gepleegd op basis van wettelijke verplichtingen, zullen bovendien reeds geheel zijn terugverdiend.5
De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch over het feit dat de waardedaling van onroerend goed niet wordt gecompenseerd, omdat dit onder het normaal ondernemersrisico zou vallen. De bronnen tonen aan dat vuurwerkbunkers aan extreem specifieke bouwkundige eisen (PGS-15 richtlijn) moeten voldoen en vaak niet zomaar voor andere doeleinden of gevaarlijke stoffen gebruikt kunnen worden. Deze ondernemers hebben op last van de overheid zwaar geïnvesteerd in deze bunkers. Graag vernemen deze leden hoe de staatssecretaris het kan rechtvaardigen dat deze ondernemers nu met onbruikbare, onverkoopbare panden blijven zitten zonder enige vorm van compensatie voor deze kapitaalvernietiging.
De opslag van vuurwerk is, vanwege de daarmee gepaard gaande gevaren, bij uitstek een risicovolle activiteit. Niet voor niets gelden regels voor de wijze waarop die opslag moet plaatsvinden. Deze regels gelden overigens al lange tijd (2002) waarbij de laatste wijzigingen in 2012 hebben plaatsgevonden. Zoals het deskundigenrapport aangeeft, impliceert dit dat ondernemers de meeste daarmee gepaard gaande investeringen dan ook al inmiddels zullen hebben terugverdiend.6 Ondernemers die met bovenstaande wetenschap starten met de verkoop van vuurwerk, hebben hun investeringsbeslissing hier dus op afgestemd. Dergelijke investeringen en de daarmee gepaard gaande risico’s zijn bij uitstek onderdeel van de normale ondernemersrisico’s van een bedrijf. Bij het doen van een dergelijke investering wordt het risico genomen dat die niet volledig kunnen worden terugverdiend. Voor de vuurwerkbranche geldt echter dat die investeringen in de regel juist wel reeds zijn terugverdiend.
Verder doet waardedaling van een detailhandelslocatie zich altijd voor, ongeacht op welke termijn het vuurwerkverbod in werking zou treden, juist omdat die bebouwing specifiek geschikt is voor de opslag van vuurwerk. In zoverre heeft deze waardedaling geen relatie met de termijn waarop het vuurwerkverbod in werking treedt. Gelet op het omstreden karakter van vuurwerk moesten detailhandelaren dus hoe dan ook rekening houden met het op termijn inwerkingtreden van een vuurwerkverbod en het feit dat de waarde van hun bedrijfsbebouwing dan zal gaan dalen. Dat nadeel behoort dan ook tot hun ondernemersrisico, zeker nu de daarvoor gepleegde investeringen inmiddels zullen zijn terugverdiend.7
De leden van de PVV-fractie lezen dat de staatssecretaris stelt dat restvoorraden deels met margederving in het buitenland verkocht kunnen worden. De praktijk is echter veel weerbarstiger; Duitse labels, gebruiksaanwijzingen en keuringen verschillen van de Nederlandse, en de concurrentie met bestaande buitenlandse leveranciers is moordend. Deze leden vragen waarom van ondernemers wordt verwacht dat zij hun schade beperken door verkoop in het buitenland, terwijl uit de bronnen blijkt dat dit proces complex, duur en vaak onmogelijk is door afwijkende nationale eisen. Deze leden vragen of de staatssecretaris bereid is de margederving op restvoorraden volledig te vergoeden in plaats van slechts het verlies op de inkoopwaarde.
Importeurs van consumentenvuurwerk hebben onder meer in de gesprekken met de onafhankelijk financieel expert aangegeven restvoorraden te hebben. Deze zouden zijn ingekocht voor het besluit tot invoering van de Wet veilige jaarwisseling medio 2025 werd genomen. Deze voorraden vertegenwoordigen een bepaalde waarde, hoewel ze niet meer op de Nederlandse consumentenmarkt kunnen worden verkocht. Er is evenwel ook een Nederlandse professionele markt, er zijn consumentenmarkten buiten Nederland en een deel kan mogelijk aan ontheffinghouders verkocht worden. Logischerwijs mag dan ook van deze importeurs worden verwacht dat zij hun schade beperken door de voorraden alsnog te verkopen. Een van de elementen van het nadeelcompensatierecht is de zogenoemde schadebeperkingsplicht. Houders van restvoorraden hebben in dat licht bezien de plicht de voorraden zo mogelijk voor een dusdanige prijs te verkopen, dat zij daarop geen verlies lijden.
Mochten zij toch verlies lijden, dan kan daar binnen het nadeelcompensatierecht eventueel een compensatie tegenover staan. Voor een vergoeding van de winstderving op de restvoorraden is geen aanleiding. Er wordt immers reeds drie jaar winstderving vergoed. Bovendien is het inkopen van voorraad die uiteindelijk niet kan worden verkocht of slechts tegen een lagere prijs, bij uitstek onderdeel van de normale ondernemersrisico’s van een bedrijf.
Bovendien zou vergoeding van de margederving op restvoorraden leiden tot een ongelijkheid. Importeurs die zeer ruim hebben ingekocht, zouden immers over die inkoop nog eens misgelopen winst ontvangen, terwijl importeurs die conservatiever hebben ingekocht (gelet op een mogelijk vuurwerkverbod), veel minder zouden profiteren van een vergoeding op margederving.
Deze leden vragen of de staatssecretaris naar aanleiding van de bovenstaande redenaties/vragen reden ziet om toch af te zien van de invoering van het consumentenvuurwerkverbod voor dit jaar en komende jaren. Zo ja, welke argumenten zijn er en zo nee waarom niet?
Het landelijk vuurwerkverbod is met een ruime meerderheid aangenomen in de Eerste en Tweede Kamer. Bovendien is er ook een motie in de Tweede Kamer aangenomen die de Regering oproept de Wet veilige jaarwisseling ruim voor de komende jaarwisseling in te laten gaan. Andere partijen zoals Politie roepen op tot een snelle inwerkingtreding van het landelijke vuurwerkverbod voor consumenten. Op dit moment ligt het inwerkingtredingsbesluit in het kader van de voorhang in de Eerste en Tweede Kamer. Het is aan beide Kamers om te bepalen of het landelijk vuurwerkverbod op 1 augustus 2026 in werking kan treden.
Inbreng fractie CDA
De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de financiële compensatie voor vuurwerkondernemingen zorgvuldig, transparant en doelmatig wordt vormgegeven, zodat overcompensatie en daarmee ongeoorloofde staatssteun worden voorkomen. Dat vereist dat ook de daadwerkelijk geleden schade goed in beeld wordt gebracht. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe de monitoring en evaluatie van de compensatieregeling worden ingericht om achteraf te kunnen vaststellen dat geen sprake is geweest van overcompensatie.
Voor een nadeelcompensatieregeling gelden geen wettelijke vereisten van monitoring en evaluatie. Het kabinet vindt het wel wenselijk om de totale kosten van de regeling in beeld te brengen en beide Kamers hierover te informeren. Hiermee krijgen beide Kamers inzicht in de uiteindelijke bedragen.
De compensatieregeling blijft, naar het oordeel van het kabinet, binnen de grenzen van het nadeelcompensatierecht. Bij het vaststellen van de beschikkingen (detailhandelaren) of vaststellingsovereenkomsten (importeurs) worden controles uitgevoerd op de aangeleverde stukken. Op deze manier wordt geborgd dat binnen de uitgangspunten van de regeling wordt gebleven en daarmee overcompensatie wordt voorkomen.
In hoeverre zijn met importeurs en detailhandelaren afspraken gemaakt over de wijze waarop zij hun daadwerkelijk geleden schade moeten aantonen?
De schade/effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de importeurs en de detailhandelaren is in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Hierbij hebben de importeurs en de detailhandelaren hun informatie aangeleverd. Dit rapport is de basis voor de uitgangspunten voor de nadeelcompensatie. In het convenant voor de importeurs en de beleidsregel voor de detailhandelaren worden de voorwaarden voor het verkrijgen van nadeelcompensatie nader uitgewerkt en wordt tevens beschreven welke informatie de ondernemers moeten aanleveren om in aanmerking te kunnen komen. Zo moet bijvoorbeeld het inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel aangeleverd worden, alsmede inkoopfacturen, bewijs dat consumentenvuurwerk verkocht is in 2025-2026, omzetgegevens en de huidige vergunning.
Hoe wordt getoetst of opgevoerde schade daadwerkelijk geleden en proportioneel is? Welke indicatoren, toetsingscriteria en controlemomenten worden daarbij gehanteerd?
De beleidsregel voor de detailhandelaren wordt samen met RVO opgesteld. Bij de uitwerking zijn de verschillende risico’s in beeld gebracht en zijn er beheersmaatregelen opgenomen. Voorbeelden van beheersmaatregelen zijn het aanleveren van inkoopfacturen en creditfacturen, een vergelijking met de omzetcijfers in het kader van de btw-aangifte en een kopie van een vergunning.
Hoe en door wie wordt de daadwerkelijk geleden schade van bedrijven die compensatie ontvangen vastgesteld? Welke onafhankelijke partijen of deskundigen worden betrokken bij de beoordeling en verificatie van de schade?
De uitvoering van de beleidsregeling voor de detailhandelaren wordt door RVO gedaan. De individuele vaststelling van de nadeelcompensatie per importeur wordt waarschijnlijk uitgevoerd door het inschakelen van een schade-expert.
De leden van de CDA-fractie constateren dat bij de vormgeving van de compensatieregeling nadrukkelijk is gekozen voor een ruimhartige benadering. Daarbij zijn ook elementen meegenomen die niet direct samenhangen met het verbod zelf. Deze leden vragen de staatssecretaris waarom ervoor is gekozen om bij de berekening van de winstderving ook de winst op F1-vuurwerk mee te tellen, terwijl het verbod daarop geen betrekking heeft? Waarom zijn de positieve effecten van de Wet veilige jaarwisseling, zoals verkoop aan ontheffinghouders en een verwachte omzettoename van F1-vuurwerk, buiten beschouwing gelaten?
In lijn met de voorwaarde die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is verbonden werk ik aan de uitwerking van een nette en eerlijke compensatieregeling. Uit het deskundigenrapport komt naar voren dat de omzet bij detailhandelaren die gemoeid is met F1-vuurwerk marginaal klein is. Het F1-vuurwerk wordt grotendeels verkocht door andersoortige detailhandelaren zoals supermarkten die geen F2-vuurwerk verkopen. Deze ondernemers worden dan ook niet geraakt door het vuurwerkverbod.
De effecten van de Wet veilige jaarwisseling zoals de verkoop aan ontheffinghouders zijn nog niet bekend en lastig te voorspellen. Uit het deskundigenrapport blijkt dat het reëel is om te veronderstellen dat circa 1 tot 5% van de omzet van consumentenvuurwerk behouden kan worden. Echter, de deskundigen schatten in dat zelfs met behoud van deze zeer beperkte omzet uit F1-vuurwerk (en een deel export), de exploitatie voor een gemiddelde importeur verlieslatend zal worden (of hooguit marginaal positief), en in continuïteit niet levensvatbaar. Derhalve zijn de verkoop van F1 vuurwerk en de effecten van de Wet veilige jaarwisseling buiten beschouwing gelaten.
Deze leden vragen de staatssecretaris duidelijk uiteen te zetten in hoeverre deze ruimhartige benadering strijdig is met het voorkomen van overcompensatie en met het doelmatig inzetten van publieke middelen.
Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie is uiteengezet is binnen het nadeelcompensatierecht gezocht naar een regeling die recht doet aan de door het parlement daaraan verbonden kwalificaties “eerlijk en net”. Voor zowel de detailhandelaren als de importeurs is daaruit een bandbreedte naar voren gekomen. Mede in het licht van de wens van de Tweede Kamer om in overleg met de vuurwerkbranche tot een regeling te komen, is niet gekozen voor de minimumvariant. Langs die lijn is in ieder geval op hoofdlijnen overeenstemming bereikt met de brancheorganisatie van de importeurs. Dat is naar het oordeel van het kabinet niet in strijd met het doelmatig inzetten van publieke middelen. Van overcompensatie is geen sprake omdat binnen de bandbreedte van het nadeelcompensatierecht wordt gebleven.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de compensatieregeling ook rekening wordt gehouden met eventuele restvoorraden vuurwerk, waarbij is ingezet op het zoveel mogelijk beperken daarvan. Dit roept bij hen vragen op over eigendom, verwerking en compensatie van deze voorraden. Zij vragen wat er gebeurt met de resterende vuurwerkvoorraden waarvoor geen afzet in Nederland meer mogelijk is. Wiens eigendom blijven deze restvoorraden na compensatie? Welke restricties, voorschriften of verplichtingen gelden voor opslag, verkoop, export, vernietiging of andere verwerking van deze voorraden? Hoe wordt gecontroleerd dat restvoorraden niet alsnog leiden tot dubbele compensatie of ongeoorloofde staatssteun? Welke rol hebben importeurs zelf bij de verdere afhandeling van deze restvoorraden? Deze leden merken op dat er sinds mei 2025 gesprekken plaatsvinden met importeurs over de compensatieregeling en in het bijzonder de afhandeling van restvoorraden.
De afspraak met de importeurs is gemaakt om restvoorraden zo veel als mogelijk te beheersen en beperken. Bovendien is afgesproken dat importeurs bereid zijn naast de volle verpakkingen (zoals gebruikelijk), ook de aangebroken verpakkingen tegen werkelijk gemaakte kosten op te halen bij de detailhandel. Hiermee wordt de detailhandel ontlast en is compensatie voor de detailhandel op dit punt dan ook niet voorzien.
Met betrekking tot restvoorraden van importeurs is de inzet van het kabinet dat hooguit eventuele verliezen die zij daarop maken voor vergoeding in aanmerking komen. Die verliezen zullen moeten worden aangetoond. De redenen daarvoor zijn uiteengezet in antwoord op vragen van de PVV-fractie. Hierover worden in het kader van het met de importeurs te sluiten convenant nadere afspraken gemaakt. Het ligt op hun weg hun schade zoveel mogelijk te beperken door hun restvoorraden zo goed mogelijk te verkopen. Van dubbele compensatie of ongeoorloofde staatssteun kan geen sprake zijn. Dat is ook in hun belang.
De laatste gesprekken zouden plaatsvinden in de week van 4 mei 2026. Zij vragen wat de uitkomst was van deze laatste gesprekken.
De laatste gesprekken met de importeurs en detailhandelaren hebben inderdaad plaatsgevonden in de week van 4 mei jl. Met de importeurs is op hoofdlijnen tot overeenstemming gekomen over de uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling. Met de vertegenwoordigers van de branchevereniging van de importeurs is afgesproken dat op basis van de uitgangspunten het convenant op korte termijn wordt voorbereid.
In het laatste gesprek met de brancheverenigingen van detailhandelaren zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling toegelicht en is afgesproken dat een concept van de beleidsregel zal worden voorgelegd aan de brancheverenigingen. Met deze brancheverenigingen is niet tot een overeenstemming gekomen omdat er een groot verschil van inzicht is over het aantal jaren winstderving.
Inbreng fractie BBB
De leden van de BBB-fractie constateren dat de discussie over de compensatie voor vuurwerkondernemers op meerdere punten sterke overeenkomsten vertoont met eerdere dossiers waarin ondernemers of burgers pas na langdurige juridische procedures erkenning en compensatie kregen voor schade veroorzaakt door overheidsbeleid. Deze leden vinden dat voorkomen moet worden dat opnieuw een situatie ontstaat waarin ondernemers jarenlang tegenover hun eigen overheid komen te staan om een rechtvaardige compensatie af te dwingen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat nadeelcompensatie juridisch gezien een openeinderegeling betreft waarbij de daadwerkelijke schade leidend behoort te zijn? Hoe voorkomt zij dat het reeds communiceren van een totaalbudget ertoe leidt dat budgettaire begrenzing feitelijk belangrijker wordt dan volledige en zorgvuldige schadevaststelling?
Het is juist dat - anders dan een subsidieregeling - een nadeelcompensatieregeling geen plafond heeft en dat de daadwerkelijk geleden schade die boven het normaal ondernemersrisico uitstijgt in beginsel leidend is voor de hoogte van de compensatie. In beginsel, omdat gelet op het grote aantal detailhandelaren wordt gewerkt met een aantal parameters. Het gereserveerde totaalbedrag is een ruwe en ruime inschatting van de benodigde middelen. De kans dat deze onvoldoende blijken te zijn, acht het kabinet klein. Mocht toch sprake zijn van een overschrijding van het budget, dan zullen aanvullende middelen moeten worden gezocht. De vaststelling van de hoogte van de nadeelcompensatie voor iedere individuele vuurwerkondernemer volgt een zorgvuldig proces. Voor detailhandelaren wordt daartoe een beleidsregel vastgesteld en voor de importeurs een convenant. Op basis daarvan krijgen detailhandelaren een beschikking en worden met importeurs vaststellingsovereenkomsten gesloten. Voor detailhandelaren die zich niet kunnen vinden in de hoogte van de nadeelcompensatie staat bezwaar en beroep open. Een geslaagd bezwaar of beroep moet worden gehonoreerd.
Kan de staatssecretaris bevestigen dat het beschikbare budget of het ontbreken van dekking binnen de begroting juridisch geen zelfstandige grond mag vormen voor het beperken van een schadevergoeding waarop ondernemers recht hebben?
Omdat bij nadeelcompensatie het uiteindelijk benodigde bedrag hoger of lager kan uitvallen, reserveer ik uit voorzorg al een hoger budget van € 100 miljoen dan de geraamde kosten van € 90 miljoen. Dat moet voldoende zijn. De kans dat het budget onvoldoende is lijkt evenwel gering, gelet op het aan de uitgangspuntenbrief ten grondslag liggende deskundigenrapport, juridische advies en de ingebouwde marge. Mocht het beschikbare budget niettemin ontoereikend blijken, dan zal worden bezien hoe dit budget kan worden aangevuld met andere middelen.
Erkent de staatssecretaris dat nadeelcompensatie geen politieke tegemoetkoming is, maar een juridisch afdwingbare verplichting, indien sprake is van een onevenredige last als gevolg van rechtmatig overheidshandelen?
Inderdaad is nadeelcompensatie geen politieke tegemoetkoming, maar een recht op vergoeding van de onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de brief uitgebreid wordt verwezen naar overleg en afstemming met de branche. Tegelijkertijd ontvangen deze leden vanuit de consumentenvuurwerkdetailhandel signalen dat gesprekken vooral werden ervaren als eenzijdige mededelingen vanuit het ministerie, waarbij inhoudelijk weinig tot niets zou zijn gedaan met voorstellen en argumenten vanuit de branche. De Kamer is met de Kamerbrief van 8 mei weliswaar op de hoogte gebracht van alle contactmomenten met de brancheverenigingen, maar uit dat schrijven blijkt niet duidelijk welke voorstellen van de ondernemers besproken zijn. Kan de staatssecretaris specifiek aangeven welke voorstellen vanuit de branche aantoonbaar hebben geleid tot aanpassingen in de regeling? Deze leden vragen niet om de letterlijke inhoud van gesprekken, maar wel een duidelijk overzicht van de voorgestelde aanpassingen van de sector en een overzicht van óf en hoe die voorstellen verwerkt zijn in de uiteindelijke uitwerking.
In het kader van het onderzoek naar de financiële effecten van het landelijk vuurwerkverbod zijn diverse voorstellen van de vuurwerkbranche meegenomen door de onafhankelijk expert. Zo is op voorstel van de branche een categorie-indeling voor de diversiteit van de detailhandelaren ingevoerd.
Verder hebben de brancheverenigingen van de detailhandelaren in gesprekken met IenW een voorstel gedaan voor het hanteren van een vast bedrag als tegemoetkoming voor kleine ondernemers. Dit voorstel is eveneens overgenomen.
Bij de beoordeling welke schade voor vergoeding in aanmerking komt heeft de landsadvocaat vervolgens geoordeeld dat de overige voorstellen zoals meerdere jaren winstderving of een verhoging van het opslagpercentage niet overgenomen worden omdat deze voorstellen niet passen binnen de kaders van het nadeelcompensatierecht zoals ook nader is toegelicht in het antwoord op vraag 12. Daarnaast zijn de voorstellen voor maatwerk per detailhandelaar niet overgenomen gelet op efficiëntie en uitvoerbaarheid.
De leden van de BBB-fractie ontvangen daarnaast signalen dat brancheorganisaties na vrijwel ieder overleg schriftelijk hebben aangegeven het gevoel te hebben dat het ministerie primair stuurde op het zo laag mogelijk houden van de compensatie, onder verwijzing naar staatssteun, normaal ondernemersrisico, voorzienbaarheid en budgettaire beperkingen. Hoe reflecteert de staatssecretaris op deze signalen?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregeling moest uitwerken. In het licht van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. In de Kamerbrief van 27 maart jl. zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbedrijven al gedeeld. In deze brief is gesteld dat de juridische grondslag van de compensatie aan vuurwerkondernemers is gevonden in het nadeelcompensatierecht, dat is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico. Dit punt is altijd in alle gesprekken als uitgangspunt gehanteerd en dus ook in de beoordeling van alle voorstellen van de vuurwerkbranche. Bovendien is binnen de bandbreedte die het nadeelcompensatierecht biedt, voor zowel de detailhandelaren als de importeurs niet gekozen voor de minimale variant waardoor volgens het kabinet wordt uitgekomen op een eerlijke en nette nadeelcompensatieregeling (zie ook het antwoord op vraag 7).
Kan zij alle correspondentie tussen het ministerie en brancheorganisaties over de nadeelcompensatieregeling aan de Kamer doen toekomen, inclusief reacties op voorstellen vanuit de branche?
In het kader van de nadeelcompensatieregeling is het deskundigenrapport het belangrijkste document. Dit rapport is openbaar gemaakt.8 Vervolgens zijn de juridische standpunten uitgewisseld in meerdere overleggen waaronder tussen de advocaten. Het is aan de brancheorganisatie zelf om eigen correspondentie te overleggen.
Uit het, aan u overgelegde feitenrelaas9, blijkt dat vooral mondeling is overlegd. De correspondentie, voor zover ik nu kan overzien, betrof met name het proces.
Kan de staatssecretaris ook bevestigen dat de brancheorganisaties van de consumentenvuurwerkverkopers expliciet hebben aangegeven niet akkoord te zijn met de huidige opzet van de compensatieregeling?
Zoals eerder vermeld bij vraag 31 is er met de importeurs overeenstemming over de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling. De brancheverenigingen van de detailhandelaren hebben in het laatste gesprek aangegeven zich niet te kunnen vinden in deze uitgangspunten omdat er een groot verschil van inzicht is over het aantal jaren winstderving.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de staatssecretaris stelt dat het voorstel van de branche voor schadevaststelling via uitgebreide invulformulieren en steekproefcontroles niet goed uitvoerbaar zou zijn. Deze leden begrijpen dat ondernemers juist hebben voorgesteld om via een dergelijke systematiek de daadwerkelijke schade zorgvuldig per onderneming inzichtelijk te maken. Waarom is dit voorstel niet inhoudelijk verder uitgewerkt? Werd bij het voorstel van de sector gewerkt met dezelfde cijfers als uitgangspunt als bij de uiteindelijk gebruikte systematiek? Zo nee, wat waren daarin de verschillen? En als er van dezelfde gegevens gebruik gemaakt zou worden, is de staatssecretaris het dan met deze leden eens dat het voorstel van de branche wat controleerbaarheid betreft gelijkwaardig is aan het uiteindelijk gekozen systeem? Acht de staatssecretaris het argument dat individuele schadevaststelling “te veel werk” of onvoldoende uitvoerbaar zou zijn verenigbaar met de verplichting van de overheid om onevenredige schade zorgvuldig vast te stellen?
Op dit moment wordt, op basis van de informatie uit het deskundigenrapport en de uitgangspunten10, de beleidsregel voor de detailhandelaren nader uitgewerkt. Het deskundigenrapport is, in afstemming met de brancheverenigingen, opgesteld op basis van informatie van de vuurwerkbranche. Een concept van de beleidsregel wordt, zoals eerder aangegeven bij vraag 31, voorgelegd aan de brancheverenigingen.
De leden van de BBB-fractie maken zich daarnaast ernstige zorgen over de wijze waarop structurele schadeposten grotendeels onder het normaal ondernemersrisico lijken te worden geschoven. In het Sman-rapport worden expliciet schadeposten genoemd, zoals winstderving, huurverplichtingen, afschrijvingen, restvoorraden, waardedaling van investeringen en verlies van bedrijfswaarde. Waarom worden deze posten vervolgens slechts zeer beperkt vergoed? Hoe verhoudt dit zich volgens de staatssecretaris tot artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het vereiste van een “fair balance” waarbij ondernemers niet geconfronteerd mogen worden met een individuele en buitensporige last? Hoe verhoudt het huidige voorstel zich tot artikel 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht, nu de gekozen omvang van de compensatie volgens brancheorganisaties onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd? Wat wordt specifiek en per casus gedaan voor de schrijnende gevallen (als bijvoorbeeld sprake is van lang doorlopende huurcontracten)? Deze leden ontvangen signalen van ondernemers die nog jarenlang vastzitten aan huurcontracten, onderhoudsverplichtingen voor bunkers, sprinklerinstallaties en kosten voor het terugbrengen van panden in oorspronkelijke staat. Deze leden begrijpen niet hoe een forfaitaire opslag van 15% plus € 3.500 per winkel in dergelijke gevallen een redelijke compensatie kan vormen. Kan de staatssecretaris toelichten hoe deze bedragen zich volgens haar verhouden tot de daadwerkelijke lasten waar ondernemers mee geconfronteerd worden?
Naast winstderving is een aantal andere posten in het deskundigenrapport geïnventariseerd. Niet alle schade komt echter voor vergoeding in aanmerking volgens het geldend juridisch kader. Uitsluitend de vergoeding van onevenredige schade die uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico komt voor vergoeding in aanmerking. Dat is in de eerste plaats de winstderving en daarnaast wordt voor de overige posten een opslagpercentage van 15% en een vast bedrag van € 3.500 gehanteerd. Dat het landelijk vuurwerkverbod in individuele gevallen tot pijnlijke situaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust. Tegelijkertijd moet wel binnen de regels van het nadeelcompensatierecht worden gebleven.
In reactie op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het vereiste van een “fair balance” het volgende. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico. De in de vraag genoemde ‘fair balance-toets’ is in hoge mate vergelijkbaar met de toets van het normaal ondernemersrisico in het kader van het nadeelcompensatierecht. Indien namelijk het recht op nadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel gewaarborgd is in het nationale recht, geldt als uitgangspunt dat er sprake is van een fair balance.
Het kabinet is van oordeel dat het voorstel zorgvuldig is voorbereid en draagkrachtig is gemotiveerd en daarmee de toets van artikel 3:2 en 3:46 Awb zal kunnen doorstaan.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de staatssecretaris stelt dat ondernemers rekening hadden moeten houden met verdergaande regulering of zelfs een verbod, mede omdat de discussie over consumentenvuurwerk al langere tijd speelde. Deze leden vinden die redenering moeilijk te volgen. De politieke discussie over vuurwerk bestaat al tientallen jaren, zonder dat er gedurende lange tijd een meerderheid was voor een landelijk verkoopverbod. Kan de staatssecretaris toelichten waarom ondernemers hieruit hadden moeten afleiden dat zij investeringen in veiligheidsmaatregelen, bunkers, sprinklerinstallaties en vergunningstrajecten niet meer mochten vertrouwen? Kan de staatssecretaris bovendien aangeven op welke uitspraken van de Rechtbank Den Haag zij precies doelt? Deze leden merken daarbij op dat ondernemers juist jarenlang hebben geïnvesteerd op basis van steeds strengere overheidsregels en veiligheidseisen. Erkent de staatssecretaris dat ondernemers hierdoor juist mochten vertrouwen op continuering van een gereguleerde legale activiteit? Hoe reflecteert zij op het gevoel bij ondernemers dat de overheid hen eerst verplichtte forse investeringen te doen en vervolgens stelt dat de gevolgen van het verbod grotendeels voor eigen rekening zijn?
De laatste wijzigingen aan de vuurwerkwet- en regeling (m.b.t. opslag- en veiligheidsvereisten) hebben plaatsgevonden in 2012. Investeringen die in die periode hebben plaatsgevonden zijn inmiddels afgeschreven en terugverdiend. In dat kader speelt een rol dat consumentenvuurwerk inherent risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid, de gezondheid, het milieu en de openbare orde. Een ondernemer die vuurwerk verkoopt moet om die reden altijd rekening houden met (nadere) overheidsregulering, inclusief een verbod. Het overheidsbeleid ten aanzien van consumentenvuurwerk is door de jaren heen ook steeds restrictiever geworden. Zo zijn de afgelopen jaren de afsteektijden en de soorten vuurwerk die consumenten mogen afsteken steeds verder ingeperkt. Daarnaast heeft een aantal gemeenten al een lokaal vuurwerkverbod ingesteld. Bovendien was het vuurwerkverbod al meer dan vijf jaar concreet voorzienbaar, doordat al die tijd al de initiatiefwet aanhangig was. Het is niet zo dat een dergelijke maatregel in het kader van het nadeelcompensatierecht pas voorzienbaar wordt, als vaststaat dat er een Kamermeerderheid voor is. Ondernemers moeten ook al in een eerder stadium rekening houden met de mogelijkheid van een dergelijk verbod – ook als nog niet vast staat of dat verbod er echt gaat komen. Deze elementen wegen mee in de beoordeling van het ondernemersrisico.
De uitspraken van de Rechtbank Den Haag waaraan gerefereerd is in de brief van 22 mei jl. t.a.v. het normaal ondernemersrisico betrof ECLI:NL:RBDHA:2025:21169 en ECLI:NL:RBDHA:2022:8566.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de staatssecretaris zich herhaaldelijk beroept op mogelijke kapitalisatierisico’s. Tegelijkertijd wijzen zowel Simmons & Simmons als de Landsadvocaat erop dat compensatie binnen het reguliere nadeelcompensatierecht in beginsel geen verboden staatssteun vormt. Waarom blijft het ministerie staatssteun zo nadrukkelijk als argument gebruiken? Kan de staatssecretaris bevestigen dat binnen het nadeelcompensatierecht geen vaste maximale kapitalisatiefactor bestaat en dat in jurisprudentie factoren van 8 tot 10 bij structurele inkomensschade niet ongebruikelijk zijn? Op basis van welke concrete jurisprudentie concludeert de staatssecretaris dat in dit dossier volstaan kan worden met circa één jaar winstderving?
Bij het uitwerken van een nadeelcompensatieregeling voor de detailhandel en importeurs is het uitgangspunt dat binnen de grenzen van het nadeelcompensatierecht wordt gebleven. Daarmee is dan geen sprake van staatssteun. Indien schade wordt vergoed die wel onder het normaal ondernemersrisico valt, wordt buiten het nadeelcompensatierecht getreden. Daarmee kan er sprake zijn van overcompensatie en daarmee het risico op ongeoorloofde staatssteun.
Verder moet een onderscheid gemaakt worden tussen factoren die gebruikt worden om de totale omvang van schade tot in lengte der dagen te kapitaliseren (bijv. de door u genoemde factor 8 of maximaal factor 10) en de vraag hoeveel jaren winstderving buiten het normale ondernemersrisico valt en dus vergoed moet worden. Zoals hiervoor ook is toegelicht, is er geen rechtvaardiging voor de gedachte dat detailhandelaren tot in lengte der dagen gecompenseerd zouden moeten worden voor de winstderving door het vuurwerkverbod.
Er is niet eerder eenzelfde casus aan de orde geweest in de jurisprudentie. Wel zijn er eerdere lokale vuurwerkverboden ingevoerd, die, voor zover bekend, niet tot compensatie hebben geleid. De rechtbank Den Haag heeft wel tweemaal – in andere situaties – een oordeel gegeven over het ondernemersrisico van de vuurwerkbranche. Dat was in: Rechtbank Den Haag 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8566, r.o. 4.45 e.v. en Rechtbank Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21169, r.o. 5.16. Daarnaast zijn er allerlei voorbeelden uit andere branches waarin regulerend is opgetreden en waarin zonder of met een beperktere compensatie kon worden volstaan.11 Uiteindelijk komt het evenwel aan op een totaalafweging, in het licht van het nadeelcompensatierecht.
Deze leden ontvangen bovendien signalen dat zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte bestaat voor een hogere compensatie dan het gekozen scenario (namelijk hoger dan scenario C) voor detailhandelaren. Klopt dit? Waarom is desondanks gekozen voor wat door ondernemers wordt ervaren als het laagste compensatiescenario? Klopt het dat het kabinet met deze regeling feitelijk kiest voor het laagste compensatiescenario voor detailhandelaren, terwijl zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte bestaat voor een hogere vergoeding? Is de staatssecretaris bereid onafhankelijk juridisch advies openbaar te maken over de vraag welke kapitalisatiefactor binnen het nadeelcompensatierecht in deze specifieke situatie redelijk en juridisch houdbaar is?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een eerlijk en nette compensatieregeling moest uitwerken. In het licht van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico.
Voor de detailhandelaren is gekozen voor compensatie ter hoogte van één jaar winstderving opgehoogd met een opslag van 15%. Om de detailhandelaren tegemoet te komen is het voorstel van een vast bedrag van € 3.500 per ondernemer overgenomen. Hiermee worden vooral de kleinere ondernemers geholpen.
Het onafhankelijk deskundigenrapport dat als basis heeft gediend is reeds openbaar gemaakt. Het advies van de landsadvocaat heeft het karakter van een procesadvies. Bij procesadviezen is verstrekking aan de Kamer – waardoor het openbaar wordt – niet aan de orde, vanwege de mogelijkheid van het schenden van de procespositie van de Staat.
De leden van de BBB-fractie maken zich tevens zorgen over de positie van consumentenvuurwerkverkopers ten opzichte van de importeurs. Deze leden willen benadrukken dat importeurs recht hebben op een eerlijke en rechtvaardige compensatie. Het is wat deze leden betreft dan ook goed dat voor importeurs wordt gekeken naar een regeling die daadwerkelijk aansluit bij de omvang van de schade en de lange inkoop- en verkoopcycli waarmee zij te maken hebben. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat detailhandelaren door deze situatie feitelijk met de rug tegen de muur worden gezet. Wanneer importeurs via convenanten tot overeenstemming komen en stoppen met importeren, terwijl detailhandelaren nog grote bezwaren hebben tegen de hoogte en systematiek van hun eigen compensatieregeling, ontstaat immers de situatie dat detailhandelaren nauwelijks nog een reële onderhandelingspositie hebben. Zij hebben dan mogelijk geen vuurwerk meer om te verkopen, ook niet wanneer procedures of besluitvorming nog lopen. Hoe reflecteert de staatssecretaris op dit risico?
De leden van de BBB-fractie schetsen de hypothetische situatie dat nog niet zou zijn besloten over het moment van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling, terwijl met de importeurs van vuurwerk al wel overeenstemming zou zijn bereikt. Dit is geen reëel scenario. Zolang niet vaststaat wanneer de Wet veilige jaarwisseling in werking treedt kan geen definitieve overeenstemming worden bereikt met de importeurs omdat hun schade en nadeel niet kan worden vastgesteld. Los daarvan, het vaststellen van nadeelcompensatie is geen kwestie van onderhandeling. Zoals in de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie uitgebreid is toegelicht is een zorgvuldig proces voorafgegaan aan de uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling. Daarbij zij nogmaals benadrukt dat zowel voor importeurs als voor detailhandelaren niet is gekozen voor een minimumvariant binnen de bandbreedte voor een nadeelcompensatieregeling zoals die in het advies van de landsadvocaat is geschetst op basis van eerdere nadeelcompensatie en jurisprudentie.
Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat de staatssecretaris het verschil in compensatie tussen importeurs en detailhandelaren onder andere rechtvaardigt door te stellen dat vuurwerkverkoop voor detailhandelaren vaak een nevenactiviteit betreft. Deze leden vinden die redenering moeilijk te volgen. Het feit dat een ondernemer naast vuurwerkverkoop nog andere activiteiten heeft, betekent immers niet automatisch dat de schade die ontstaat door het wegvallen van de vuurwerkverkoop minder groot of minder ingrijpend is. Kan de staatssecretaris toelichten waarom een ondernemer minder recht op compensatie zou hebben, enkel omdat hij naast deze activiteit nog andere bedrijfsactiviteiten heeft? Deze leden ontvangen daarnaast signalen dat vuurwerkverkoop bij veel ondernemers juist verantwoordelijk is voor een substantieel deel van de jaarwinst. Is de staatssecretaris hiermee bekend? Hoe voorkomt zij dat ondernemers die afhankelijk zijn van deze winstcomponent onevenredig hard geraakt worden? Deze leden wijzen er bovendien op dat veel investeringen juist specifiek voor de vuurwerkverkoop zijn gedaan, zoals bunkers, sprinklerinstallaties, veiligheidsvoorzieningen en vergunningstrajecten. Die kosten waren niet nodig geweest zonder de vuurwerkactiviteit. Waarom wordt dit onvoldoende meegewogen?
Het verschil tussen importeurs voor wie de import en verkoop de hoofdactiviteit is en detailhandelaren voor wie de in- en verkoop van vuurwerk een nevenactiviteit is, ligt inderdaad ten grondslag aan de verschillen tussen de overgangstermijnen en daarmee de verschillen tussen het aantal compensatiejaren. Daarmee is niet gezegd dat de Wet veilige jaarwisseling geen ingrijpende gevolgen voor detailhandelaren kan hebben. Daarom wordt het onevenredige deel van hun schade dat uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico vergoed. En ook dat wil niet zeggen dat dit voor sommige detailhandelaren geen ernstige gevolgen kan hebben en in het uiterste geval tot bedrijfsbeëindiging kan leiden. Als een detailhandelaar al te zeer leunt op de vuurwerkverkoop en daarnaast onvoldoende omzet genereert om zijn bedrijf zonder verkoopomzet te kunnen voortzetten, dan behoort ook dit tot het normaal ondernemersrisico. Dat dit in individuele gevallen tot pijnlijke situaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust. Tegelijkertijd moet wel binnen de regels van het nadeelcompensatierecht worden gebleven. Het kabinet heeft wel bewust aandacht gehad voor kleine detailhandelaren.
Ook vragen deze leden waarop precies is gebaseerd dat detailhandelaren juridisch gezien “minder ingrijpend” geraakt zouden worden dan importeurs. Beschikt de staatssecretaris over cijfers waaruit blijkt hoeveel importeurs uitsluitend afhankelijk zijn van vuurwerkverkoop en hoeveel detailhandelaren daarnaast géén of juist wél substantiële andere inkomstenbronnen hebben? Kan zij deze cijfers met de Kamer delen?
De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranche zijn in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Deze expert heeft hiervoor informatie opgevraagd zowel bij de importeurs als bij de detailhandelaren. Hierbij is gekeken naar andere inkomstenbronnen. De resultaten van zijn analyses zijn opgenomen in het deskundigenrapport dat als bijlage is meegezonden met de Kamerbrief van 8 mei jl.12
De leden van de BBB-fractie lezen dat bij het opstellen van de regeling geen rekening is gehouden met toekomstige verkoopmogelijkheden via verenigingen en stichtingen. Tegelijkertijd wijst de staatssecretaris wel op deze mogelijkheid. Deze leden vragen hoe realistisch deze mogelijkheid daadwerkelijk is, gelet op de grote beleidsvrijheid van burgemeesters en signalen dat veel gemeenten zeer terughoudend zullen omgaan met vergunningverlening. Is de staatssecretaris bereid te erkennen dat deze markt in de praktijk mogelijk zeer beperkt zal blijken?
Of van de ontheffingsmogelijkheid in de Wet veilige jaarwisseling niet of nauwelijks gebruik zal worden gemaakt, is nog niet te zeggen. In het Ontwerpbesluit is ruimte gelaten voor een lokale invulling van de ontheffingsmogelijkheid. Hiermee heeft de burgemeester de ruimte om het gesprek met zijn inwoners te voeren over de ontheffingsmogelijkheid en de wijze waarop hier door de gemeente invulling aan wordt gegeven.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast waarom nog steeds geen duidelijkheid bestaat over de fiscale behandeling van de compensatiebedragen. Klopt het dat hierover nog geen definitief standpunt is ingenomen? Erkent de staatssecretaris dat deze onzekerheid grote gevolgen heeft voor de netto compensatie die ondernemers uiteindelijk daadwerkelijk overhouden?
Mede op verzoek van de vuurwerkbranche is in het deskundigenrapport de jaarlijkse winst in beeld gebracht op basis van EBITDA. Dit betekent de winst voor aftrek van rentekosten, belastingen, afschrijving en boekingen. De winstderving wordt, op basis van het deskundigenrapport, dus berekend op basis van de EBITDA. Dit betekent dat hier winst-/inkomstenbelasting over moet worden afgedragen.
Ondernemers zullen de ontvangen nadeelcompensatie moeten opgeven bij de Belastingdienst. Afhankelijk van de individuele situatie van elke ondernemer zal de netto compensatie, afhankelijk van de beoordeling door de Belastingdienst, lager uitvallen. Dat is evenwel niet een gevolg van de wijze van compensatie, maar een gevolg van hun overige fiscale omstandigheden.
De leden van de BBB-fractie hebben ook over de procedurele stappen vragen. Kan de staatssecretaris toelichten waarom het kabinet van mening is dat aan de derde voorwaarde uit het amendement Michon-Derkzen is voldaan, terwijl de daadwerkelijke beleidsregel en concrete schade-uitwerking nog niet gereed zijn?
Nadeelcompensatie is een recht voor ondernemers die aan de relevante voorwaarden voldoen. De uitgangspuntenbrief van 8 mei jl.13 bevat de kaders voor het uitwerken van de nadeelcompensatie voor zowel de importeurs als de detailhandelaren. Uitwerking van het convenant en met name de beleidsregel heeft vooral betrekking op passende invulling en de goede uitvoerbaarheid. Het is niet noodzakelijk dat de nadeelcompensatieregeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet definitief is vastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waar ondernemers die aan de voorwaarden voldoen aanspraak op kunnen maken.
Acht de staatssecretaris het wenselijk dat beide Kamers feitelijk moeten oordelen over de inwerkingtreding van het vuurwerkverbod, terwijl ondernemers nog steeds geen volledige duidelijkheid hebben over de daadwerkelijke omvang van hun compensatie?
Ja. Zoals bij vraag 50 reeds is benoemd, is nadeelcompensatie een recht voor ondernemers die aan de relevante voorwaarden voldoen. Op basis van de uitgangspuntenbrief van 8 mei jl.14 is het voor de ondernemers mogelijk om een inschatting te maken van de omvang van hun compensatie.
De leden van de BBB-fractie willen de staatssecretaris nadrukkelijk wijzen op de parallellen met de eerdere nadeelcompensatieregeling voor pelsdierhouders. Ook in dat dossier werd door de overheid gesteld dat de regeling ruim binnen de juridische kaders van het nadeelcompensatierecht bleef en dat rekening was gehouden met normaal ondernemersrisico. Uiteindelijk heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven echter geoordeeld dat daarbij onterechte kortingen waren toegepast en dat ondernemers dus te weinig compensatie hadden ontvangen. Deze leden maken zich zorgen dat opnieuw een situatie ontstaat waarin de overheid zich beroept op juridische voorzichtigheid, voorzienbaarheid en normaal ondernemersrisico, terwijl pas jaren later via procedures blijkt dat ondernemers structureel tekort zijn gedaan. Hoe reflecteert de staatssecretaris inhoudelijk op deze vergelijking? Welke lessen zijn volgens haar geleerd uit het dossier van de pelsdierhouders bij het vormgeven van de huidige nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkondernemers?
In het kader van de totstandkoming van de hooflijnen voor een nadeelcompensatieregeling is ook gekeken naar de nadeelcompensatieregeling voor pelsdierhouders en de jurisprudentie daarover. Bij de Wet verbod pelsdierhouderij uit 2013 was een – voldoende lange - overgangstermijn van 11 jaar gegeven. Die termijn was vooral ook ingegeven doordat kort voor het verbod de betreffende ondernemers nog van overheidswege waren verplicht om te investeren in hun bedrijfsgebouwen.
Uiteindelijk is genoemde overgangsperiode vanwege de Corona-pandemie met drie jaar ingekort. Vanwege deze inkorting van de aanvankelijk geboden overgangstermijn is alsnog een nadeelcompensatieregeling vastgesteld. Een aantal bedrijven heeft beroep aangetekend tegen de op basis van deze regeling toegekende nadeelcompensatie, onder ander omdat zij het niet eens waren met een aftrek van 15% vanwege het normaal maatschappelijk risico.
In de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waarop de leden van de BBB-fractie doelen, ging het voornamelijk om die aftrek van 15% vanwege het normaal maatschappelijk risico. Het CBb vond deze aftrek niet aanvaardbaar omdat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming van de pelsdierhouderij niet voorzienbaar was. De aanleiding daarvoor was immers gelegen in de Corona-pandemie die dermate uitzonderlijk was dat het optreden daarvan niet in de sfeer van het normaal maatschappelijk risico ligt. Een dergelijke situatie doet zich thans niet voor. Er is bij de vaststelling van de Wet veilige jaarwisseling van meet af aan besloten tot een nadeelcompensatieregeling voor de getroffen vuurwerkbedrijven, juist omdat hen niet een voldoende lange overgangstermijn wordt geboden om zich op de nieuwe situatie in te stellen.
De leden van de BBB-fractie maken zich dus grote zorgen over het risico dat opnieuw een langdurig juridisch traject ontstaat waarin ondernemers pas via de rechter een hogere compensatie moeten afdwingen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris het risico dat ondernemers uiteindelijk via procedures alsnog hogere vergoedingen zullen verkrijgen, vergelijkbaar met eerdere nadeelcompensatiedossiers? Acht de staatssecretaris het, mede gelet op de ervaringen bij de pelsdierhouders, niet juist van groot belang om nu uiterst zorgvuldig en ruimhartig te handelen om langdurige juridische trajecten en noodzakelijk herstel achteraf te voorkomen?
Het is natuurlijk altijd beter om juridische trajecten te voorkomen. Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie uitgebreider is toegelicht, is aan de nadeelcompensatieregeling zoals nu voorgesteld een lang en zorgvuldig traject voorafgegaan met betrokkenheid van getroffen vuurwerkondernemers, een onafhankelijk financieel deskundigenadvies en een juridisch advies opgesteld door de landsadvocaat over de vormgeving van een nadeelcompensatieregeling. Het is juist dat met de detailhandelaren geen overeenstemming is bereikt over de hoofdlijnen van een dergelijke regeling en dat dat zou kunnen leiden tot juridische procedures. Dat is ook hun goed recht. Er is alles aan gedaan om via deze zorgvuldige procedure in afstemming met de vuurwerkbranche te komen tot een eerlijke en nette nadeelcompensatieregeling die de rechtelijke toets zal kunnen doorstaan.
Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
Rechtbank Den Haag 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8566, r.o. 4.45 e.v. en Rechtbank Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21169↩︎
ECLI:NL:RBDHA:2022:8566 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21169↩︎
ECLI:NL:RBDHA:2022:8566 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21169.↩︎
Zie pagina 27 van het deskundigenrapport, Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
Zie pagina 27 van het deskundigenrapport, Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
ECLI:NL:RBDHA:2022:8566 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21169.↩︎
Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
Rechtbank Den Haag 2 februari 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA4654, r.ov. 3.8. Rechtbank Den Haag 2 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4426, Rechtbank Den Haag 9 januari 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8017, Hof Den Haag 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457, r.ov. 3.9, Hof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3072, o.m. r.ov. 36.↩︎
Kamerstuk 35 386, nr. 42, bijlage “Analyse van financiële effecten van een landelijk vuurwerkverbod” (Sman Business Value, 20 oktober 2025).↩︎
Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎
Kamerstuk 35 386, nr. 42.↩︎