[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag voorjaarsvergadering 2026 Wereldbank van 13-18 april 2026

Vergaderingen Interim Committee en Development Committee

Brief regering

Nummer: 2026D26281, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-04 16:09, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 26234 -321 Vergaderingen Interim Committee en Development Committee.

Onderdeel van zaak 2026Z11522:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


26 234 Vergaderingen Interim Committee en Development Committee

Nr. 321 Brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2026

Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Financiën, het verslag van de voorjaarsvergadering van de Wereldbank die van 13 t/m 18 april jl. in Washington D.C. plaatsvond. In het verslag ga ik tevens in op de motie-Van Ark c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 38), waarin de regering wordt verzocht in kaart te brengen hoe schuldverlichting en innovatieve financieringsinstrumenten kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen.

De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma

Verslag van de voorjaarsvergadering van de Wereldbankgroep 2026 in Washington D.C.

In de week van 13 tot en met 18 april 2026 vond de voorjaarsvergadering van de Wereldbankgroep (‘de Bank’) en het Internationaal Monetair Fonds (‘IMF’) plaats in Washington D.C.

De vergadering vond plaats tegen de achtergrond van toenemende geopolitieke spanningen, oplopende financieringsbehoeften in lage- en middeninkomenslanden en druk op publieke middelen. Voorafgaand aan de voorjaarsvergadering waarschuwden de hoofden van de Bank, het IMF en het Internationaal Energieagentschap (IEA) in een gezamenlijke verklaring voor de negatieve economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, waaronder stijgende energie- en voedselprijzen, verstoringen van toeleveringsketens en toenemende inflatiedruk. De instellingen kondigden aan hun samenwerking te intensiveren via een gezamenlijke coördinatiegroep, gericht op monitoring, beleidsadvies en het mobiliseren van financiële steun, met bijzondere aandacht voor landen met beperkte beleidsruimte en hoge schulden.

De voorjaarsvergadering bevestigde het belang van de Bank als centrale speler in internationale ontwikkelingsfinanciering. Tegelijkertijd werd zichtbaar dat het aandeelhoudersveld complexer wordt: over de operationele agenda van de Bank bestaat brede steun, terwijl verschillen op thema’s als klimaatambitie zichtbaar blijven.

Development Committee

Het Development Committee, het overlegorgaan van de Bank op ministerieel niveau, kwam bijeen op 16 april 2026. De vergadering stond in het teken van de banenagenda van president Ajay Banga, die werkgelegenheid positioneert als organiserend kader voor de bredere hervormingsagenda van de Bank. Deze agenda richt zich op drie sporen: investeren in menselijk en fysiek kapitaal, verbetering van het ondernemingsklimaat en mobilisatie van private financiering.

Nederland steunt deze koers. Werkgelegenheid en economische ontwikkeling zijn essentieel voor stabiliteit, perspectief en weerbaarheid, juist in landen waar de opgave het grootst is. Daarbij heeft Nederland benadrukt dat de focus op banen hand in hand moet gaan met hoge standaarden, governance en duurzame financiering.

De interventie1 van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking benadrukte drie lijnen: koers vasthouden door klimaatambitie, hoge standaarden en governance binnen de Bank te borgen; opschalen wat werkt door private sectorontwikkeling en banencreatie te versterken, juist in de moeilijkste contexten; en financiële houdbaarheid borgen door middelen gericht in te zetten en financiering sterker te koppelen aan hervormingen en ontwikkelingsimpact. Deze inzet werd door verschillende aandeelhouders ondersteund.

Tegelijkertijd bleven verschillen tussen aandeelhouders zichtbaar. Net als in de afgelopen vier jaar bleek een gezamenlijk communiqué niet haalbaar, met name door aanhoudende meningsverschillen over de formulering van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne. Anders dan in eerdere jaren is daarom dit keer al vooraf besloten geen communiqué na te streven. In plaats daarvan is door de Zweedse voorzitter een voorzitterschapsverklaring uitgebracht.2 Deze vereist geen unanimiteit en was grotendeels neutraal geformuleerd. Het uitblijven van een communiqué doet niet af aan de brede steun voor de operationele agenda van de Bank op banen, groei en hervormingen.

Ook de afronding van de Shareholding Review3 stond op de agenda. Dit is het vijfjaarlijkse proces waarin de verdeling van stemrechten binnen de Bank wordt herbekeken. Zoals eerder gemeld4, bestond er gedurende het proces onder aandeelhouders geen consensus over een aanpassing van de stemverhoudingen. De reden hiervoor is dat in alle besproken scenario’s lage-inkomenslanden, maar ook Europese landen zoals Nederland, stemrecht zouden verliezen, terwijl grote middeninkomenslanden relatief meer stemrecht zouden krijgen. Die consensus is ook dit voorjaar niet ontstaan. Daarom is tijdens de vergadering besloten de Review af te ronden zonder wijziging van de stemverdeling. Het zogenoemde Voice-spoor, gericht op versterking van de capaciteit, invloed en betrokkenheid van lage-inkomenslanden in het bestuur en de besluitvorming van de Bank, wordt wel voortgezet. Dit spoor ziet niet op een aanpassing van stempercentages, maar op bredere maatregelen om lage-inkomenslanden beter in staat te stellen hun positie binnen de Bank effectief in te brengen, bijvoorbeeld via betere ondersteuning van kiesgroepen, sterkere vertegenwoordiging en meer praktische betrokkenheid bij besluitvorming. Nederland steunt deze inzet.

De drie lijnen uit de Nederlandse interventie kwamen ook terug in de belangrijkste gesprekken en bijeenkomsten tijdens de voorjaarsvergadering. Bij regionale crises en wederopbouw stond vooral de vraag centraal hoe de Bank effectief kan bijdragen aan stabiliteit, herstel en institutionele weerbaarheid, onder duidelijke randvoorwaarden. Bij thematische prioriteiten lag de nadruk op het vasthouden van ambitie en standaarden, en op het opschalen van inzet waar de Bank aantoonbaar meerwaarde heeft.

Tegen deze achtergrond worden hieronder de belangrijkste regionale en thematische onderwerpen uitgelicht.

Regionale crises en wederopbouw

Oekraïne

Oekraïne bleef een centraal thema tijdens de voorjaarsvergadering. Tijdens de negende Ministeriële Rondetafelbijeenkomst over Steun aan Oekraïne, waarbij de minister van Financiën namens Nederland het woord voerde, werd opnieuw brede steun geuit voor Oekraïne in het kader van de al ruim vier jaar voortdurende Russische aanvalsoorlog. De Wereldbank heeft sinds het begin van de Russische invasie een belangrijke rol gespeeld in het mobiliseren en coördineren van internationale steun. Inmiddels is via de Bank meer dan USD 77 miljard aan steun gemobiliseerd, grotendeels gericht op herstel van kritieke infrastructuur, continuïteit van basisvoorzieningen en ondersteuning van de private sector.

De wederopbouwopgave blijft zeer groot. De vijfde Rapid Damage and Needs Assessment (RDNA) raamt de wederopbouwbehoefte voor de komende tien jaar op circa USD 588 miljard. Tijdens de vergadering werd breed onderstreept dat Oekraïne ook de komende jaren afhankelijk blijft van internationale betrokkenheid, voorspelbare financiering en nauwe coördinatie tussen donoren en internationale financiële instellingen.

Ook Nederland heeft blijvende steun aan Oekraïne bevestigd en heeft benadrukt dat financiering moet worden gekoppeld aan hervormingen, institutionele versterking en het mobiliseren van private investeringen. Dit is van belang om publieke middelen effectief in te zetten en Oekraïne op termijn economisch weerbaarder te maken.

Gaza

De situatie in Gaza kwam in verschillende gremia aan bod. De Bank heeft sinds december 2023 haar reguliere activiteiten in Gaza opgeschort vanwege de veiligheidssituatie en operationele beperkingen. Hervatting van activiteiten is afhankelijk van toegang en uitvoerbaarheid ter plaatse.

Onder aandeelhouders bestaat brede steun voor een rol van de Wereldbank bij wederopbouw, mede vanwege de kennis, standaarden en instrumenten van de Bank. Tegelijkertijd werd breed onderstreept, onder meer tijdens het Development Committee, dat voortgang afhankelijk is van humanitaire toegang, veiligheid, adequate governance-structuren en bredere politieke randvoorwaarden.

Nederland heeft benadrukt dat het van groot belang is dat de Wereldbank betrokken blijft bij steun aan de Palestijnse Gebieden, en heeft het management van de Bank opgeroepen actief te blijven verkennen wat binnen de operationele mogelijkheden van de Bank ten aanzien van Gaza kan worden gedaan. Daarbij heeft Nederland onderstreept dat een effectieve inzet van de Bank vraagt om transparante besluitvorming, controleerbare financieringsstromen en stevige verantwoordingsmechanismen. Dit geldt in het bijzonder voor eventuele nieuwe financieringsconstructies, waarbij voor Nederland ook Palestijnse betrokkenheid een noodzakelijke voorwaarde is.

Thematische prioriteiten

Klimaat

De discussie over klimaatbeleid binnen de Wereldbank liet duidelijke verschillen tussen aandeelhouders zien. Het huidige klimaatbeleid van de Bank, het Climate Change Action Plan (CCAP), loopt op 30 juni 2026 af. Er is nog geen duidelijkheid over of er een opvolgend kader komt, en welke vorm en inhoud dit zal aannemen.

Nederland heeft, samen met een brede groep gelijkgezinde aandeelhouders, ingezet op behoud van klimaatambitie binnen de Bank. Multilaterale ontwikkelingsbanken spelen een grote rol bij het behalen van internationale klimaatdoelen en bij het toekomstbestendig maken van investeringen in sectoren als water, landbouw, energie en infrastructuur. Voor Nederland is daarbij van belang dat klimaat een dwarsdoorsnijdend thema blijft dat ontwikkelingsinvesteringen zowel duurzamer als weerbaarder maakt.

In bilaterale gesprekken gaf het management aan dat de Bank een pragmatische benadering voorstaat, waarin klimaatdoelen worden geïntegreerd in bredere ontwikkelingsprioriteiten. Nederland zal de komende periode blijven sturen op een volwaardige opvolging van het CCAP, met behoud van meetbare ambitie en aandacht voor zowel mitigatie als adaptatie.

Water

Mede dankzij Nederlandse inzet is water tijdens de voorjaarsvergadering nadrukkelijk op de agenda gezet. Nederland heeft de afgelopen periode actief gepleit voor een sterkere rol van de Bank op waterzekerheid, mede vanuit de overtuiging dat water een randvoorwaarde is voor economische ontwikkeling, werkgelegenheid en weerbaarheid.

Het High-Level Panel on Water en het Water Forward-initiatief gaven hier concreet invulling aan. Met Water Forward richt de Bank zich op het verbeteren van waterzekerheid voor 1 miljard mensen in 2030, waarvan circa 400 miljoen via de inzet van de Wereldbank.

De aanpak combineert nationaal geleide hervormings- en investeringsagenda’s via zogenoemde Water Compacts met financiering uit verschillende bronnen, waaronder bilaterale donoren, multilaterale ontwikkelingsbanken, private partijen en filantropie. Tijdens de vergadering committeerden tien multilaterale ontwikkelingsbanken zich aan eigen doelstellingen en presenteerden verschillende landen hun nationale plannen.

De inzet op water sluit nauw aan bij Nederlandse expertise en biedt concrete kansen voor verdere samenwerking tussen de Bank, Nederlandse kennisinstellingen, bedrijven en posten. De Water Compacts bieden een concreet aanknopingspunt om Nederlandse waterexpertise gerichter in te zetten in landen waar de behoefte aan waterbeheer, waterveiligheid en klimaatadaptatie groot is.

Gezondheid

Ook gezondheid kwam nadrukkelijk aan bod. Rond de Global Financing Facility (GFF) vond een bijeenkomst plaats waarin Nederland, Duitsland en Noorwegen nieuwe bijdragen aankondigden. De Nederlandse bijdrage van USD 186 miljoen tot en met 2030 werd breed gewaardeerd. Daarmee blijft Nederland een belangrijke partner op het gebied van moeder- en kindzorg, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en versterking van gezondheidssystemen. Nederland zet die positie in om, samen met gelijkgezinde partners, de aandacht voor vrouwen, meisjes en kwetsbare groepen hoog op de internationale gezondheidsagenda te houden.

Tijdens gesprekken met het management van de Bank en andere partners kwam ook de druk op publieke financiering voor mondiale gezondheid aan de orde. Teruglopende bilaterale bijdragen van verschillende donoren vergroten het belang van effectieve multilaterale kanalen zoals de GFF. Juist via zulke kanalen kan steun gericht blijven op kwetsbare groepen en op de versterking van gezondheidssystemen.

Met dit verslag geeft het kabinet graag ook opvolging aan de motie Van Ark c.s. (36800-XVII-38), ingediend tijdens het begrotingsdebat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 15 januari 2026, waarin de regering werd verzocht “om in kaart te brengen op welke wijze substantiële schuldverlichting in combinatie met innovatieve oplossingen zoals ‘schuld in ruil voor zorg’-programma’s en publiek-private matching funds vorm zou kunnen krijgen en hoe dit zou kunnen bijdragen aan de zelfredzaamheid van Afrikaanse landen”5. Ter invulling van deze motie heeft het kabinet verschillende opties onderzocht en navraag gedaan bij andere landen, wetenschappers, NGO’s en partners.

Uit deze verkenning komt naar voren dat schuldverlichting en schuld-voor-sector swaps, waaronder ‘schuld in ruil voor zorg’-programma’s, vaak geen structurele oplossing vormen voor de versterking van gezondheidssystemen. Ervaringen met eerdere schuldverlichtingsinitiatieven6 laten zien dat schuldverlichting tijdelijk fiscale ruimte kan creëren, maar dat dit instrument beperkt bijdraagt aan structurele verbeteringen en niet vanzelf leidt tot structureel extra uitgaven aan de gezondheidszorg. 7 Alleen wanneer vrijvallende middelen stevig zijn ingebed in bredere hervormingen, beleidsdialoog en resultaatgerichte inzet voor de gezondheidssector kan een dergelijke aanpak meerwaarde hebben.

Schuld-voor-sector swaps en vergelijkbare constructies gaan daarnaast gepaard met relatief hoge transactiekosten en zijn ingewikkeld om goed vorm te geven. Ook worden deze instrumenten vaak toegepast in landen waar de schuldpositie niet het meest problematisch is.8 Voor bilaterale ‘schuld in ruil voor zorg’-programma’s geldt bovendien dat de landen waar schulden uitstaan over het algemeen niet dezelfde landen zijn als de focuslanden voor het mondiale gezondheidsbeleid. Daarnaast ontbreekt in dergelijke instrumenten doorgaans een stevige koppeling met bredere hervormingen in publieke financiën en institutionele capaciteit, die juist bepalend zijn voor zelfredzaamheid van landen op de langere termijn.

Nederland is daarom terughoudend ten aanzien van schuld-voor-zorgswaps als structureel instrument, maar blijft openstaan voor innovatieve financieringsvormen wanneer deze aantoonbaar bijdragen aan betere gezondheidsuitkomsten en duurzame versterking van gezondheidssystemen. Mede daarom kijkt Nederland met belangstelling naar een recent initiatief dat door de GFF wordt verkend. De GFF onderzoekt of op basis van bestaande structuren van de Wereldbank commerciële schulden kunnen worden geherstructureerd tegen langere looptijden en lagere rente, waarbij de vrijvallende middelen langdurig en gericht worden ingezet voor de gezondheid van vrouwen, kinderen, pasgeborenen en kwetsbare groepen. Het gaat hierbij niet om bilaterale schuld, maar om het verlagen van dure private schulden, bijvoorbeeld door inzet van een garantie van de Wereldbank.

Ook voor dit initiatief gelden duidelijke randvoorwaarden. Zo moet een land kredietwaardig zijn, moet er een lopend gezondheidsfinancieringsprogramma van de Wereldbank bestaan, moet sprake zijn van dure private schulden die door een Wereldbankgarantie kunnen worden verlaagd, en moet het land bereid zijn de rentebesparingen in te zetten voor de gezondheidssector. De landen bepalen vervolgens zelf, in dialoog met de Wereldbank en de GFF, waaraan het geld binnen de gezondheidssector wordt uitgegeven. De GFF draagt bij aan de voorbereiding en transactiekosten van deze constructies en ziet toe op een correcte uitvoering.

Het voorstel bevindt zich nog in een voorfase, maar behoort binnen de onderzochte opties tot de meer kansrijke varianten, juist omdat het wordt gekoppeld aan bestaande Wereldbankprogramma’s, gezondheidsfinanciering en resultaatgerichte inzet. De Nederlandse bijdrage aan de GFF draagt eraan bij dat dit soort innovatieve financieringsvormen verder kan worden verkend en ontwikkeld. Nederland zal dit initiatief daarom met aandacht blijven volgen en bezien of hiermee kansen ontstaan om de gezondheid van de meest kwetsbare groepen structureel te verbeteren. Daar blijft dit kabinet zich actief voor inzetten.

IDA: financiële houdbaarheid en crisisparaatheid

De implementatie van de eenentwintigste middelenaanvulling van de International Development Association (IDA21) is in volle gang en verloopt naar verwachting. Voor Nederland, de zevende donor aan deze middelenaanvulling, blijft het concessionele loket van de Wereldbank een onmisbaar instrument om beleidsprioriteiten en -belangen na te streven. Elke ingelegde euro genereert een veelvoud aan financieringscapaciteit voor investeringen in stabiliteit, werkgelegenheid, voedsel- en waterzekerheid en klimaatadaptatie en -mitigatie in de armste landen.

IDA werkt direct met overheden om nationale systemen te versterken en eigenaarschap te bevorderen. De schok- en crisisbestendigheid die dit oplevert, is in een tijd van opeenvolgende crises steeds relevanter. De situatie in het Midden-Oosten onderstreept dit opnieuw: IDA-middelen en beleidsondersteuning helpen landen om economische en sociale schokken op te vangen.

Nederland heeft in de discussie over IDA21 benadrukt dat maatregelen om de financieringscapaciteit te vergroten hand in hand moeten gaan met financiële houdbaarheid, gerichte inzet van middelen, en aandacht voor schuldhoudbaarheid en schuldbeheer. Daarbij blijft voor Nederland van belang dat financiering wordt gekoppeld aan hervormingen en ontwikkelingsimpact. De Bank onderzoekt ook maatregelen om leningsvoorwaarden en leenvolume slimmer op elkaar af te stemmen en zo de totale IDA-financieringsenvelop te vergroten. Nederland is voorstander van deze inzet, waarbij van belang is dat de schuldhoudbaarheid van lenende landen voldoende wordt geborgd.


  1. Interventie voorafgaand aan het Development Committee↩︎

  2. DC Chair Statement↩︎

  3. Shareholding Review↩︎

  4. Kamerstuk 26 234, nr. 314, Verslag Jaarvergadering 2025 Wereldbank↩︎

  5. Kamerstuk 36 800 XVII nr. 38↩︎

  6. De Initiative for Heavily Indebted Poor Countries (HIPC 1996) en het Multilateral Debt Relief Initiative MDRI 2005) zijn de grootste en meest omvattende schuldsaneringsprogramma’s van het IMF, de Wereldbank en andere crediteuren. Ze bieden schuldverlichting aan arme landen met onhoudbare schuldenlast met de intentie dat landen meer kunnen doen aan armoedebestrijding.↩︎

  7. https://www.cgdev.org/blog/what-happened-after-debt-was-forgiven-lessons-hipcmdri-countries↩︎

  8. Wereldbank & IMF, Debt for Development Swaps – An Approach Framework, 2024↩︎