Antwoord op vragen die het lid Goudzwaard over het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D26376, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-01 16:01, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Antwoord op vragen die het lid Goudzwaard over het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt
Onderdeel van zaak 2026Z08705:
- Gericht aan: E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2091
Antwoord van staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 1 juni 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 1980
Vraag 1
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de
begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen
van het laag btw-tarief op sierteelt?
Antwoord vraag 1
De basis voor deze raming zijn de btw-bestanden van het CBS, waarin de bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeld in tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de bestedingen aan sierteelt, waarvan een uitsplitsing beschikbaar is. De meest recente cijfers zijn van 2024 en er is aangenomen dat de btw op sierteeltproducten meegroeit met de algehele geraamde btw-opbrengsten. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming.1 De achterliggende gedachte hierbij is dat indien consumenten uitwijken naar substituten binnen consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Het ramingsmemo wordt momenteel voorgelegd aan het CPB, welke de ramingen valideert.
Vraag 2
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van
btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie
(2023-120)?
Antwoord vraag 2
Ja. Over dit rapport is reeds op ambtelijk niveau gesproken met de WUR.
Vraag 3
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van
159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro
volgens de Voorjaarsnota?
Vraag 4
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van
2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en
lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen
in de Voorjaarsnota?
Antwoord vragen 3 en 4
Er zijn met name twee redenen dat de raming van de maatregel in de Voorjaarsnota (€ 328 miljoen) afwijkt van de geraamde netto btw-opbrengst uit het WUR-rapport (€ 159 miljoen). Ten eerste worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen in de raming terwijl bij de inschatting van de WUR raming het gedragseffect van consumenten wel is meegenomen. Dat verklaart ongeveer twee derde van het verschil tussen de ramingen. De achterliggende gedachte om geen gedragseffect mee te nemen, is dat indien consumenten uitwijken naar substituten in de vorm van andere consumptieve bestedingen, deze eveneens btw-belast zijn, waardoor er per saldo geen substantieel effect op de btw-grondslag wordt verwacht. Ten tweede maken bredere economische effecten, zoals mogelijk verlies van banen, geen onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel terwijl deze in het WUR-rapport wel worden meegenomen. Dit verklaart ongeveer een derde van het verschil en uit zich bijvoorbeeld in de effecten op sociale zekerheid en andere belastinginkomsten. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven (en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd. Tot slot vinden tegelijkertijd allerlei andere (economische) ontwikkelingen plaats die de belastingontvangsten beïnvloeden, zoals de effecten van hogere inflatie op consumptie. Al deze bredere economische effecten worden meegenomen in de doorrekening door het CPB van de macro-economische ontwikkelingen, waarbij het CPB kijkt naar de effecten van beleid op de totale prijzen, consumptie en inkomens. Op deze CPB doorrekening worden de ramingen van de belastingontvangsten (waaronder die van de btw) zoals terug te vinden in de begrotingsstukken weer gebaseerd. Zo maken deze effecten uiteindelijk wel degelijk onderdeel uit van de inschattingen van het EMU-saldo.
Vraag 5
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten
betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het
besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Antwoord vraag 5
Uit de evaluatie van de verlaagde btw-tarieven van Dialogic (2023) volgt dat het verlaagde btw-tarief op sierteeltproducten doeltreffend is op de hierboven genoemde beleidsdoelen, maar dat dit een ondoelmatig instrument is. Zo komt het fiscale voordeel niet specifiek terecht bij lagere inkomensgroepen en is het bestedingsaandeel aan sierteeltproducten per inkomensgroep vergelijkbaar. Hierdoor profiteren hogere inkomens in absolute zin het meest van dit verlaagde btw-tarief. Ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid geldt dat de kosten volgens de onderzoekers €70.000 tot €100.000 per voltijdsbaan bedragen, méér dan het inkomen dat doorgaans aan deze baan gekoppeld is.
Daarnaast geven onderzoekers aan dat onduidelijk is waarom doelen ten aanzien van omzet en werkgelegenheid specifiek fiscaal voor deze sector moeten worden nagestreefd.
Vraag 6
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan
uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter
blijkt dan geraamd?
Antwoord vraag 6
Er is geen specifiek onderzoek gedaan naar benoemd effect bij
een grotere vraaguitval. Bij btw-tariefswijzigingen worden zoals
toegelicht hierboven in de raming geen gedragseffecten meegenomen voor
het bepalen van de (directe) opbrengst van een maatregel. Deze maatregel
is wel meegenomen in de analyse van het coalitieakkoord door het
CPB.
Vraag 7
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen
voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Antwoord vraag 7
Het kabinet heeft breder gekeken naar negatief geëvalueerde
fiscale regelingen om een deel van de financieringsopgave te vullen en
heeft er voor gekozen om het verlaagde btw-tarief op sierteelt af te
schaffen. Deze maatregel is doelmatig omdat de belastingopbrengsten
worden verhoogd en tegelijkertijd een ondoelmatige fiscale regeling
wordt afgeschaft.
Vraag 8
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op
sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim
25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer
is teruggedraaid?
Antwoord vraag 8
Het kabinet erkent dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal leiden tot een omzetdaling, met name in de detailhandel. De verwachting is echter dat het effect in Nederland minder sterk zal zijn dan destijds in Spanje. Hiervoor zijn een aantal redenen. De maatregel is in Spanje in 2012 ingevoerd ten tijde van de financiële en economische crisis2. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. De btw-verhoging heeft de afname in de vraag naar bloemen en planten in Spanje waarschijnlijk verder versterkt. Daarnaast wordt in Spanje een groter deel van de omzet door binnenlandse consumptie bepaald, terwijl in Nederland circa 80%-85% van de sierteeltsector gericht is op de export. Bij export is in Nederland geen btw verschuldigd en wordt (in lijn met de btw-richtlijn) het btw-nultarief toegepast. De afnemer is hierover dan in zijn lidstaat btw verschuldigd tegen het aldaar geldende btw-tarief.
Vraag 9
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek
gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze
voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
Antwoord vraag 9
De raming is recent geactualiseerd op basis van het CEP 2026. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten, en daarmee prijselasticiteiten, meegenomen in de raming. Bredere economische effecten van beleid worden doorgerekend door het CPB, het ministerie van Financiën baseert de begrotingstukken daar vervolgens weer op.
Vraag 10
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van
vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Antwoord vraag 10
Dit kabinet vindt vergroening belangrijk. Het stimuleren van
vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte is echter niet
voorbehouden aan het hanteren van een verlaagd btw-tarief. Uit de
evaluatie van verlaagde tarieven in 20233
blijkt dat een generieke btw-verlaging in algemene zin geen doelmatig
instrument is om specifieke beleidsdoelen (zoals vergroening) te
realiseren. Een groot aantal gemeenten, provincies en waterschappen
bieden reeds gerichte subsidies aan om vergroeningsmaatregelen te nemen.
Specifiek voor de vergroening van de publieke ruimte geldt daarnaast dat
voor gemeentes en provincies btw-uitgaven voor openbaar groen onder het
btw-compensatiefonds compensabel zijn. Dit betekent dat het overbrengen
van sierteelt naar het algemene btw-tarief voor gemeentes en provincies
niet tot een hogere btw-last leidt.
CPB (2025) Gedragseffecten belastingmaatregelen, p. 27 Te vinden op Gedragseffecten belastingmaatregelen 2025 | CPB Website↩︎
Zie ook het kader in de studie van het WUR hierover: Doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en EU↩︎
Evaluatie van het verlaagde btw-tarief | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎