Verslag van een schriftelijk overleg Antwoorden op vragen commissie over geannoteerde agenda informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026 (Kamerstuk 21501-28-304)
Defensieraad
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D26393, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-02 12:17, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie (D66)
- Mede ondertekenaar: N.E. Manten, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 28-306 Defensieraad.
Onderdeel van zaak 2026Z11564:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Defensie
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 09:45 ā Agenderen voor eerstvolgende commissiedebat over de Raad Buitenlandse Zaken Defensie. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-04 09:45: Procedurevergadering Defensie (Gewijzigde tijd) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Defensie
Preview document (š origineel)
| > Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag | |
|---|---|
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag |
|
| Datum | 1 juni 2026 |
| Betreft | Beantwoording schriftelijke overleg over de informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026 |
Ministerie van Defensie
Plein 4
MPC 58 B
Postbus 20701
2500 ES Den Haag
www.defensie.nl
Onze referentie
MINDEF20260039974
Geachte voorzitter,
Hierbij ontvangt u de antwoorden op de schriftelijke vragen zoals gesteld namens de vaste commissie voor Defensie over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) Defensie van 12 mei 2026.
Hoogachtend,
DE MINISTER VAN DEFENSIE
Dilan YeÅilgƶz-Zegerius
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026 en zien op dit moment af van het maken van inhoudelijke opmerkingen en het stellen van aanvullende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026. Wel hebben de leden enkele vragen.
Vraag 1
De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen dat de invoering van AGILE kan leiden tot meer dwingende EU-inmenging in de Nederlandse krijgsmacht. Deze zorgen worden versterkt doordat in Nederland betrekkelijk weinig vooraanstaande producenten van militaire eindsystemen zijn gevestigd, waardoor het risico bestaat dat Nederlandse bedrijven binnen Europese defensieprogrammaās afhankelijk worden van grote buitenlandse concerns. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat de Nederlandse zeggenschap en autonomie binnen AGILE gewaarborgd blijven? Tot welke concrete innovaties kan het AGILE-programma leiden die de Nederlandse defensie-industrie daadwerkelijk versterken?
Antwoord 1
Het midden en kleinbedrijf (mkb) is belangrijk voor defensie, omdat het de innovatiekracht, productiecapaciteit en concurrentievermogen van de defensie-industrie vergroot. Door deelname aan AGILE zijn mkb-bedrijven, die nu nog niet of slechts voor een klein deel actief zijn in de defensiemarkt, in de gelegenheid hun producten en diensten te demonstreren en zodoende beter in staat om contracten binnen te halen. Het programma richt zich daarbij op opkomende en disruptieve technologieƫn, maar er zijn nog geen specifieke technologiegebieden gedefinieerd. Nederland zal zich tijdens de komende onderhandelingen over de inhoud inzetten voor de speerpunten die in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) zijn vastgelegd. Ook zal Nederland onder andere met inzet van RVO het mkb helpen bij het deelnemen aan AGILE. Nederland heeft relatief veel innovatieve mkb-bedrijven en heeft daarom een goede uitgangspositie om van het programma te profiteren. De EU krijgt geen zeggenschap over de bedrijven of over de resultaten van AGILE-projecten.
Vraag 2
De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de verdere uitwerking van de wederzijdse bijstandsclausule van de EU, Artikel 42.7 VEU. Dit artikel verplicht EU-lidstaten om andere lidstaten hulp en bijstand te verlenen wanneer zij op hun grondgebied worden aangevallen. Hoewel dit artikel al bestaat, hebben deze leden zorgen over de manier waarop de EU dit artikel steeds verder politiek en praktisch probeert in te vullen. Deze leden zijn van mening dat de NAVO de hoeksteen van onze collectieve verdediging moet blijven en dat Europese defensiesamenwerking nooit mag leiden tot verdringing van de NAVO of tot meer EU-zeggenschap over de Nederlandse krijgsmacht. Kan de minister garanderen dat Nederland bij de verdere bespreking van Artikel 42.7 blijft inzetten op een sterke NAVO, zonder dat de EU enige zeggenschap krijgt over onze krijgsmacht?
Antwoord 2
De NAVO is en blijft de hoeksteen van onze collectieve veiligheid. Binnen de NAVO maken we Europa sterker. Dat doen we door een versnelde opbouw van Europese defensiecapaciteiten en verstevigde Europese samenwerking. Artikel 42.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is een wederzijdse bijstandsverplichting tussen lidstaten en is volgens het kabinet een nuttige aanvulling op artikel 5 van het NAVO-verdrag. Nederland is voorstander van verdere gesprekken over het operationaliseren van artikel 42, lid 7, van het VEU om de weerbaarheid en slagvaardigheid van de EU - en daarmee ook de NAVO ā te versterken. In besprekingen over artikel 42.7 VEU benadrukt Nederland het belang van coƶrdinatie en samenwerking met de NAVO, een heldere taakverdeling tussen de EU en de NAVO en het voorkomen van onnodige duplicatie tussen beide organisaties.
De zeggenschap over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht blijft te allen tijde bij de Nederlandse regering liggen; zij beslist uiteindelijk hoe en met welke middelen aan de wederzijdse bijstandsverplichting wordt voldaan.
Vraag 3
Daarnaast constateren de leden van de PVV-fractie dat Artikel 42.7 spreekt over hulp en bijstand met āalle middelen waarover zij beschikkenā. Kan de minister toelichten hoe deze bepaling zich verhoudt tot de nationale soevereiniteit van Nederland en wie uiteindelijk bepaalt welke militaire, financiĆ«le of materiĆ«le steun Nederland eventueel levert?
Antwoord 3
De lidstaat die het verzoek om bijstand doet, zal in eerste instantie moeten aangeven wat voor hulp het nodig heeft. De lidstaten zullen beoordelen hoe de steun aan de getroffen lidstaat vervolgens het beste kan worden vormgegeven. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven blijft de zeggenschap over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht te allen tijde bij de Nederlandse regering liggen; zij beslist uiteindelijk hoe en met welke middelen aan de wederzijdse bijstandsverplichting wordt voldaan.
Vraag 4
Ook vragen de leden van de PVV-fractie of de verdere operationalisering van Artikel 42.7 op enige wijze kan leiden tot verplichtingen voor Nederland die verder gaan dan wat het kabinet en de Tweede Kamer wenselijk achten. Kan de minister uitsluiten dat Nederland via Artikel 42.7 verplicht kan worden tot militaire inzet zonder nationale politieke besluitvorming?
Antwoord 4
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 aangegeven blijft de zeggenschap over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht te allen tijde bij de Nederlandse regering liggen; zij beslist uiteindelijk hoe en met welke middelen aan de wederzijdse bijstandsverplichting wordt voldaan.
Vraag 5
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de militaire steun aan OekraĆÆne. Aan de āUkraine Support Loanā zijn hervormingsverplichtingen gekoppeld aan uitbetaling van de lening. De verwachting is dat het OekraĆÆense parlement weerstand biedt tegen sommige hervormingen. Kan de minister aangeven of het weigeren van hervormingsverplichtingen invloed heeft op de Nederlandse militaire en financiĆ«le steun aan OekraĆÆne?
Antwoord 5
De eerbiediging van mensenrechten en democratische mechanismen zijn randvoorwaardelijk voor de uitkering van alle vormen van steun uit de steunlening. Daarnaast geldt voor de uitbetaling van de begrotingssteun dat deze conditioneel is aan het voldoen aan hervormingsstappen zoals vastgelegd in het Oekraïneplan en het overeengekomen memorandum of understanding ten aanzien van de macro-financiële bijstand. Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen uitgesproken over het belang van conditionaliteiten, voortbouwend op de ervaring met de Oekraïnefaciliteit en het programma van het Internationaal Monetair Fonds (IMF).
Vraag 6
Tot slot hebben de leden van de PVV-fractie vragen over de verdere financiering van OekraĆÆne met betrekking tot de āUkraine Support Loanā. De EU heeft met de āUkraine Support Loanā twee derde van de financiering op zich genomen, daarnaast hebben alleen Noorwegen en Japan respectievelijk 7,5 miljard euro en 6 miljard dollar toegezegd. Hierdoor is een gat ontstaan van 35 miljard euro. Kan de minister garanderen dat Nederland niet weer opdraait voor het gat in de begroting, maar dat zij zal inzetten op financiering vanuit partnerlanden zoals afgesproken?
Antwoord 6
De Europese Commissie beoogt met de steunlening van EUR 90 mld. tweederde van de macro-financiële en militaire noden van Oekraïne voor 2026 en 2027 te dekken, uitgaande van de situatie in september 2025. Voor de invulling van de rest blijft aanzienlijke inzet van de internationale gemeenschap nodig. In internationale gremia als het Ukraine Donor Platform, de Ukraine Defence Contact Group en de NAVO vinden hierover gesprekken plaats. Ook spoort Nederland andere EU-lidstaten aan om hun bilaterale steun te verhogen.
Mocht blijken dat Oekraïne een ongedekt financieringstekort heeft, dan is het aannemelijk dat er een brede discussie zal plaatsvinden over de inzet van internationale partners - inclusief de EU - maar bijvoorbeeld ook over aanvullende inzet van internationale financiële instellingen en de fasering van het IMF-programma.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken ter voorbereiding op de informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026. Deze leden hebben hier nog enkele vragen bij.
Vraag 7
De leden van de CDA-fractie lezen in het non-paper dat Nederland heeft ingediend met daarin de Nederlandse prioriteiten voor de Europese veiligheidsstrategie dat het kabinet onder andere inzet op het verder operationaliseren van artikel 42.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Dit artikel verplicht EU-lidstaten om hulp en bijstand te verlenen wanneer een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen. Deze leden begrijpen dat hierover meer duidelijkheid nodig is. Tegelijk zien zij artikel 5 van het NAVO-verdrag als leidend voor onze bondgenootschappelijke verdediging. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet precies kan aangeven wat de Nederlandse inzet is bij de bespreking over artikel 42.7 tijdens deze Raad. Welke concrete stappen wil Nederland zetten om artikel 42.7 beter uitvoerbaar te maken? Denkt het kabinet daarbij bijvoorbeeld aan het uitwerken van scenarioās en besluitvormingsprocedures of het doen van gezamenlijke oefeningen?
Antwoord 7
Nederland is voorstander van verdere gesprekken over het operationaliseren van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) om de weerbaarheid en slagvaardigheid van de EU, en daarmee de grotere Europese verantwoordelijkheid binnen de NAVO die het kabinet nastreeft, versterkt. Artikel 42, lid 7, VEU is een wederzijdse bijstandsverplichting tussen lidstaten en is volgens het kabinet een nuttige aanvulling op artikel 5 van het NAVO Verdrag vanwege complementariteit. Coƶrdinatie en samenwerking met NAVO en een heldere taakverdeling tussen de EU en de NAVO is hierbij van belang.
Concreet gaat het verder operationaliseren van artikel 42, lid 7, VEU om een effectiever gebruik van het EU-instrumentarium en een nadere uitwerking van hoe de brede EU-toolbox effectiever ingezet en versterkt kan worden; onder meer op het gebied van sanctiebeleid, civiele bescherming en hybride dreigingen. Dit draagt bij aan een betere voorbereiding van de EU en EU-lidstaten op een crisis. EU-instellingen en -instrumenten kunnen in een situatie waarin artikel 42, lid 7, wordt ingeroepen een belangrijke ondersteunende rol spelen, op verzoek van EU-lidstaten. De EU heeft veel instrumenten waarop een getroffen lidstaat een beroep kan doen. Het doorexerceren hiervan via scenario-based discussies draagt bij aan het versterken van de handelingsopties hieromtrent waarbij samenwerking met de NAVO een belangrijk aandachtspunt is.
Vraag 8
Welke rol ziet het kabinet voor artikel 42.7 bij hybride aanvallen, cyberaanvallen, sabotage van vitale infrastructuur en terroristische aanvallen? Waar ligt volgens het kabinet de grens tussen een ernstige hybride dreiging en een gewapende aanval?
Antwoord 8
Bij het beroep op artikel 42, lid 7, VEU moet sprake zijn van een gewapende aanval van buiten het grondgebied. Cyber- en hybride vormen van āaanvallenā zijn daar niet bij voorbaat van uitgesloten. Het is niet mogelijk noch wenselijk te speculeren over wanneer exact sprake is van een gewapende aanval in die situatie.
Vraag 9
De leden van de CDA-fractie lezen dat EU-ambassadeurs een simulatie-oefening hebben gehouden over artikel 42.7. Kan het kabinet de Kamer, desnoods vertrouwelijk, informeren over de belangrijkste lessen uit deze oefening? Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat de EU en de NAVO langs elkaar heen werken. Is er al een gezamenlijke EU-NAVO werkwijze voor situaties waarin zowel artikel 42.7 VEU als artikel 5 van het NAVO-verdrag aan de orde kan zijn?
Antwoord 9
Het kabinet is het eens met de leden van de CDA-fractie dat het van groot belang is dat voorkomen wordt dat EU en NAVO langs elkaar heen werken in een crisissituatie. Daarom is het doorexerceren van artikel 42.7 van het Verdrag van de EU van groot belang. Met het operationaliseren van art. 42.7 VEU wordt onder andere beoogd dat bestaande EU-instrumenten zo goed mogelijk kunnen worden ingezet in een scenario waarin artikel 5 van het NAVO Verdrag en artikel 42.7 van het Verdrag van de Europese Unie worden ingeroepen. In dit geval is van belang dat de EU de NAVO zo goed mogelijk ondersteunt bij de collectieve verdediging van het Europese continent.
De verslaglegging van de oefening in het kader van artikel 42. 7 VEU is EU-vertrouwelijk gerubriceerd (EU-restricted), dit betekent dat lidstaten deze informatie niet openbaar mogen delen. Het kabinet treedt in overleg met de organisatoren van de oefening om te bezien welke mogelijkheden er zijn om de Kamer vertrouwelijk te informeren over de belangrijkste lessen uit de oefening.
Vraag 10
De leden van de CDA-fractie vragen specifiek aandacht voor het Koninkrijk der Nederlanden. Kan het kabinet aangeven in hoeverre artikel 42.7 van toepassing is op de BES-eilanden en de Caribische landen binnen het Koninkrijk?
Antwoord 10
Op dit moment is een dergelijk scenario niet aan de orde voor de landen en gebieden overzee. Het verdient aanbeveling niet publiekelijk te speculeren over de toepasselijkheid van artikel 42, lid 7, VEU op specifieke scenarioās. De reikwijdte van het artikel zal blijvend meegenomen worden in toekomstige discussies. Buiten kijf staat dat het Koninkrijk het gehele grondgebied zal verdedigen.
Vraag 11
OekraĆÆne
De leden van de CDA-fractie lezen dat binnen de EU wordt nagedacht over een grotere rol bij vredesbesprekingen. Welke voorwaarden stelt het kabinet aan een eventuele Europese vertegenwoordiger of gezant bij vredesbesprekingen?
Antwoord 11
Het kabinet acht het van groot belang dat Europa, wanneer het gaat om veiligheid, stabiliteit en vrede op het eigen continent, actief en effectief opkomt voor zijn belangen. Op dit moment ligt er in EU-verband geen concreet voorstel voor een EU-vertegenwoordiger. De eventuele inzet van een EU- of Europese vertegenwoordiger, en diens mandaat, toegevoegde waarde en tijdigheid, dienen zorgvuldig te worden afgewogen. Daarbij is voor het kabinet essentieel dat (de discussie over) een dergelijke vertegenwoordiger eraan bijdraagt dat Europa koers houdt en eenheid bewaart in de voortgezette steun aan OekraĆÆne en de druk op Rusland.
Vraag 12
AGILE: snelle defensie-innovatie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche over AGILE. Zij steunen de inzet om defensie-innovatie te versnellen, zeker voor het mkb, start-ups en scale-ups. Deze leden vragen of het kabinet kan aangeven welke concrete Nederlandse doelstellingen het heeft voor AGILE. Voor welke Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen biedt AGILE de meeste potentie? Denkt het kabinet daarbij aan sensoren, kwantumtechnologie, slimme materialen, ruimtevaarttechnologie, intelligente systemen en de maritieme maakindustrie? Hoe gaat het kabinet Nederlandse mkb-bedrijven, start-ups en scale-ups actief helpen om mee te doen aan AGILE? De minister schrijft dat Nederlandse bedrijven vaak sterk zijn in dual-use technologie, maar minder vaak hoofdaannemer zijn van grote militaire eindproducten. De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet ervoor gaat zorgen dat Nederlandse bedrijven toegang krijgen tot Europese waardeketens. Deze leden vragen tevens of het kabinet bereid is om in Brussel te pleiten voor duidelijke deelnamecriteria die voorkomen dat grote defensiebedrijven uit grote lidstaten het programma domineren, aangezien innovatie doorgaans juist van kleinere start-ups en scale-ups komt.
Antwoord 12
AGILE is specifiek gericht op innovatieve midden- en kleinbedrijven (mkb) die technologie ontwikkelen die relevant kan zijn voor defensietoepassingen. Het mkb draagt bij aan innovatiekracht, productiecapaciteit en concurrentievermogen van de defensie-industrie. Het programma richt zich daarbij op opkomende en disruptieve technologieƫn, maar er zijn nog geen specifieke technologiegebieden gedefinieerd. Nederland zal zich tijdens de komende onderhandelingen over de inhoud inzetten voor de speerpunten die in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) zijn vastgelegd. Ook zal Nederland onder andere met inzet van RVO het mkb helpen bij het deelnemen aan AGILE. Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen ingezet en zal zich blijven inzetten om AGILE exclusief toegankelijk te laten zijn voor het mkb. Juist de unieke focus op het mkb zal eraan bijdragen dat deelnemende bedrijven zich in de kijker kunnen spelen van hoofdaannemers van militaire eindproducten.
Vraag 13
Het budget voor AGILE van 115 miljoen euro wordt overgeheveld uit bestaande EU-programmaās, waaronder het Europees Defensiefonds, EDIP, het EU Space Programme en het Secured Connectivity Programme. De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan aangeven welke activiteiten binnen deze programmaās worden verminderd of stopgezet. Deelt de minister de zorg dat een nieuw programma niet ten koste mag gaan van lopende defensie-, ruimtevaart- of connectiviteitsdoelen?
Antwoord 13
Het kabinet is van mening dat de doelstellingen van de programmaās die budget inleveren ten gunste van AGILE overeind moeten blijven. In het werkprogramma van het Europees Defensiefonds (EDF) van 2027 komen de development-calls voor mkb te vervallen. Het geld dat daarmee vrijkomt gaat deels naar de research-calls voor mkb en naar AGILE. Omdat het mkb in beide gevallen profiteert, blijft het oorspronkelijke doel van het EDF overeind. Het deel uit het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP) van het AGILE-budget wordt gehaald uit ondersteunende acties binnen EDIP die specifiek zijn gericht op het mkb; ook daarmee blijft de oorspronkelijke doelstelling dus overeind. Tenslotte hebben zowel het EU Space Programme als het connectiveitsprogramma onderdelen die speciaal gericht zijn op het mkb. AGILE zal ook toegankelijk zijn voor mkb-bedrijven die actief zijn in de ruimtevaart, vervoer, energie en digitalisering en daardoor blijven ook de doelstellingen van die programmaās overeind.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Informele Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026 en het fiche over het voorstel voor flexibele en snelle defensie-innovatie, AGILE. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Vraag 14
De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de informele Raad wordt gesproken over de wederzijdse bijstandsclausule van de EU, artikel 42.7 VEU. Deze leden onderschrijven dat Europa zijn eigen weerbaarheid moet versterken, maar vragen de minister te bevestigen dat artikel 42.7 geen alternatief mag worden voor artikel 5 van de NAVO. Hoe borgt het kabinet dat eventuele operationalisering van artikel 42.7 aanvullend blijft op de NAVO en niet leidt tot dubbele structuren, onduidelijke commandolijnen of een politiek signaal dat de NAVO-garantie minder centraal zou staan?
Antwoord 14
De NAVO is en blijft de hoeksteen van onze collectieve veiligheid. Binnen de NAVO neemt Europa een grotere verantwoordelijkheid. Dat doen we door een versnelde opbouw van Europese defensiecapaciteiten en verstevigde Europese samenwerking. Een sterker EU-Gemeenschappelijk Veiligheids- en Buitenlandbeleid draagt bij aan een sterkere NAVO. Nederland is voorstander van verdere gesprekken over het operationaliseren van artikel 42.7 VEU om de weerbaarheid en slagvaardigheid van de EU, en daarmee ook de NAVO te versterken. Coƶrdinatie en samenwerking met NAVO en een heldere taakverdeling tussen de EU en de NAVO en het voorkomen van onnodige duplicatie is hierbij van belang.
Vraag 15
De leden van de BBB-fractie lezen dat onder meer wordt gesproken over scenarioās waarin artikel 42.7 kan worden ingeroepen bij een aanval op een EU-lidstaat die geen NAVO-lid is, of bij hybride aanvallen waarbij artikel 5 van de NAVO niet van toepassing is. Kan de minister aangeven welke inzet Nederland kiest bij deze discussie? Welke grenzen stelt Nederland aan de operationalisering van artikel 42.7, en hoe wordt voorkomen dat lidstaten via open formuleringen verplichtingen aangaan waarvan de militaire, financiĆ«le en politieke gevolgen vooraf onvoldoende duidelijk zijn?
Antwoord 15
Zie ook antwoorden bij vragen 4 en 8. Een gewapende aanval wordt onder het internationaal recht aangemerkt als een aanval van enige omvang of met enige destructieve uitwerking. Aanvallen met kinetische middelen en dodelijke slachtoffers vallen daar in ieder geval onder. Zowel in NAVO als EU verband wordt niet uitgesloten dat bijvoorbeeld ook een (of meerdere) cyberaanvallen of hybride aanvallen als gewapende aanval kunnen worden aangemerkt. Het is onwenselijk maar ook in de praktijk niet mogelijk definitieve uitspraken te doen over de exacte drempels of grenzen voor toepassing. Er worden op voorhand niet meer (maar ook niet minder) verplichtingen aangegaan dan uit de plicht tot wederzijdse bijstand volgt. Hoe groot die plicht is en welke middelen beschikbaar zijn en kunnen worden ingezet is niet op voorhand te bepalen noch af te bakenen en sterk afhankelijk van de concrete situatie. Voor de lidstaten die lid zijn van de NAVO geldt dat verbintenissen en de samenwerking op dit gebied in overeenstemming moeten zijn met de verbintenissen en samenwerking zij binnen de NAVO zijn aangegaan, omdat dat de grondslag en het instrument van hun collectieve defensie blijft.
Vraag 16
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe artikel 42.7 zich verhoudt tot het Koninkrijk der Nederlanden. Kan de minister nader toelichten wat wordt bedoeld met de eerdere uitspraak dat artikel 42.7 āniet onverkortā van toepassing is op het Caribische deel van het Koninkrijk? Welke gevolgen heeft dit voor de veiligheid van de BES-eilanden en de Caribische landen binnen het Koninkrijk?
Antwoord 16
Op dit moment is een dergelijk scenario niet aan de orde voor de landen en gebieden overzee. Het verdient aanbeveling niet publiekelijk te speculeren over de toepasselijkheid van artikel 42, lid 7, VEU op specifieke scenarioās. De reikwijdte van het artikel zal blijvend meegenomen worden in toekomstige discussies. Buiten kijf staat dat het Koninkrijk het gehele grondgebied zal verdedigen.
Vraag 17
De leden van de BBB-fractie lezen dat mogelijk ook wordt gesproken over militaire steun aan OekraĆÆne, veiligheidsgaranties en de Europese Vredesfaciliteit. Deze leden blijven steun aan OekraĆÆne van groot belang vinden, maar hechten aan duidelijke controle op besteding, lastenverdeling en militaire effectiviteit. Kan de minister aangeven welke inzet Nederland kiest ten aanzien van de geblokkeerde en nog openstaande middelen uit de Europese Vredesfaciliteit, mede gezien de reeds door Nederland ingediende declaraties?
Antwoord 17
Militaire steun aan OekraĆÆne is en blijft voor het kabinet een grote prioriteit, ook juist in EU-verband, samen met alle andere lidstaten. Hongarije blokkeert al ruime tijd de militaire steun aan OekraĆÆne via de Europese Vredesfaciliteit (EPF). Nederland spant zich actief in voor het vinden van een oplossing. Indien de blokkade wordt opgeheven zullen lidstaten gezamenlijk besluiten hoe deze middelen tot uitbetaling komen. Nederland zet erop in dat deze middelen voor een groot deel tegemoet komen aan de door lidstaten ingediende declaraties voor geleverde militaire steun aan OekraĆÆne. De aandacht gaat nu eerst uit naar het vinden van een oplossing voor de blokkade.
Vraag 18
De leden van de BBB-fractie vragen ook hoe het kabinet aankijkt tegen de koppeling tussen EU-leningen aan OekraĆÆne en hervormingsverplichtingen. Hoe wordt geborgd dat steun voorspelbaar en effectief blijft, terwijl tegelijkertijd wordt vastgehouden aan voorwaarden op het gebied van financieel beheer, belastinginning, besteding en parlementaire controle in OekraĆÆne?
Antwoord 18
De Commissie voert doorlopend het gesprek met OekraĆÆne over het belang van hervormingen. Ook zijn in het OekraĆÆneplan en met het Memorandum of Understanding voor de steunlening afspraken vastgelegd met OekraĆÆne over passende conditionaliteiten. Indien OekraĆÆne niet voldoet aan hervormingsstappen vanuit de OekraĆÆne-faciliteit, dan heeft het twaalf maanden om deze stappen alsnog door te voeren. Ook kan de Commissie er onder omstandigheden voor kiezen om tot gedeeltelijke uitbetaling over te gaan. Tot slot is het ook mogelijk om vanuit de OekraĆÆne-faciliteit buitengewone financiering te verstrekken, wanneer OekraĆÆne onderbouwd niet aan de stappen kan voldoen vanwege de oorlogssituatie.
Voor het kabinet staat daarbij voorop dat de daadwerkelijke militaire en financiële noden van Oekraïne leidend moeten zijn bij het leveren van de steun. Tegelijkertijd hecht het kabinet waarde aan het belang van conditionaliteiten om noodzakelijke hervormingen mogelijk te maken.
Vraag 19
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet positief is over AGILE, omdat dit programma snelle defensie-innovatie moet stimuleren en mkb-bedrijven, startups en scale-ups beter toegang moet geven tot de defensiemarkt. Deze leden steunen die richting. Nederlandse bedrijven zijn vaak innovatief, civiel begonnen en gespecialiseerd in technologieƫn die ook militair toepasbaar zijn. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat Nederlandse mkb-bedrijven daadwerkelijk toegang krijgen tot AGILE en niet alsnog worden overvleugeld door grote defensiebedrijven uit lidstaten met een veel grotere defensie-industrie?
Antwoord 19
Het kabinet heeft zich tijdens de onderhandelingen ingezet voor uitsluitende deelname door het mkb aan het instrument. Op dit moment zijn de onderhandelingen in de betreffende raadswerkgroep nog aan de gang. Het ziet ernaar uit dat dit programma niet open zal zijn voor grote defensiebedrijven. Op de website van de Europese Commissie kunnen bedrijven een mkb-toets doen. Een mkb heeft volgens de Europese Commissie minder dan 250 werknemers, een jaaromzet van minder dan ā¬50 miljoen of een balanstotaal van minder dan ā¬43 miljoen.
Vraag 20
Deze leden lezen dat AGILE bedoeld is voor innovaties die binnen ƩƩn tot drie jaar tot toepassing kunnen leiden en dat de Commissie mikt op een beoordeling binnen vier maanden. Kan de minister aangeven hoe wordt voorkomen dat dit alsnog verzandt in Europese aanvraagprocedures, verantwoordingslasten en lange besluitvorming? Welke rol ziet het kabinet voor RVO, Defensie en EZ om Nederlandse bedrijven praktisch te helpen bij deelname?
Antwoord 20
Het AGILE-instrument is een uniek programma dat de Europese Commissie heeft geĆÆntroduceerd aan het einde van de looptijd van het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK). AGILE dient als een proefballon en kan een blauwdruk vormen voor defensieprogrammaās in het volgende MFK. De insteek van AGILE is dat het makkelijk toegankelijk moet zijn voor het mkb door versimpelde aanvraagprocedures en kortere doorlooptijden. Het kabinet heeft in het BNC-fiche AGILE ook zijn positieve beoordeling hierover geuit.
De RVO speelt een belangrijke rol in het aanbieden van advies over deelname aan het Europees Defensiefonds en het Europees Defensie-industrie Programma. De rol die de RVO zal spelen binnen AGILE is nog niet bekend, omdat het werkprogramma pas begin 2027 gepubliceerd zal worden. Het kabinet overweegt om de adviseringsrol van de RVO te verruimen om ook het mkb te adviseren over praktische deelname aan AGILE.
Vraag 21
De leden van de BBB-fractie lezen dat het budget van 115 miljoen euro wordt gehaald uit bestaande programmaās, waaronder het Europees Defensiefonds, EDIP, het EU Space Programme en het Secured Connectivity Programme. Kan het kabinet aangeven welke activiteiten binnen deze bestaande programmaās daardoor worden verminderd of geschrapt? Is het kabinet bereid niet in te stemmen met verdere opschaling van AGILE in het volgende MFK zolang niet duidelijk is wat de pilot concreet oplevert voor innovatie, militaire toepasbaarheid en Nederlandse bedrijven?
Antwoord 21
Zie ook het antwoord op vraag 13.
De Europese Commissie heeft in de onderhandelingen aangegeven dat de herallocatie de impact van de programmaās waar het budget vandaan komt niet negatief zal beĆÆnvloeden. Het kabinet heeft zich aanvankelijk kritisch geuit ten opzichte van het āweghalenā van budgetten uit bestaande programmaās om tot nog een nieuw programma te komen. Desalniettemin, het kabinet steunt een efficiĆ«nte besteding van de Europese gelden, en is positief over de extra steun die het mkb zal genieten wanneer zij meedingen aan dit programma.
Vraag 22
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot hoe bij AGILE wordt geborgd dat gevoelige kennis, data en technologie veilig blijven. Kan de minister bevestigen dat deelname alleen mogelijk is onder strikte voorwaarden rond zeggenschap, vestiging, veiligheidsscreening en bescherming tegen ongewenste invloed van derde landen?
Antwoord 22
Omdat de verordening nog niet is uitonderhandeld, kan het kabinet nog niet bevestigen dat dezelfde eisen zullen gelden voor dit programma als voor andere Europese defensieprogrammaās, zoals het EDF en het EDIP.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben met interesse kennisgenomen van de stukken over de Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 7 en 8 juni 2026. Genoemde leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Vraag 23
Genoemde leden lezen dat de Commissie ernaar streeft om de definitieve beoordeling van ingediende voorstellen binnen vier maanden na de aanvraagtermijn af te ronden. Welke waarborgen zijn er om misbruik van deze middelen te voorkomen en te verzekeren dat de subsidies uitsluitend worden aangewend voor het beoogde doel?
Antwoord 23
Het kabinet staat positief tegenover de ambitieuze plannen van de Europese Commissie om tot een snelle beoordeling te komen van ingediende voorstellen onder AGILE. De Europese Commissie zal onafhankelijke experts uitnodigen om deze voorstellen te beoordelen op inhoud. Zowel de Europese Commissie als nationale auditinstanties, de Europese Rekenkamer en in voorkomende gevallen European Anti-Fraud Office kunnen controles uitvoeren om misbruik te voorkomen.
Vraag 24
Genoemde leden zijn benieuwd welke technologieƫn of producten de minister met dit programma hoopt te ontwikkelen.
Antwoord 24
De financiering van AGILE wordt gevonden in programmaās als het Europees Defensiefonds, het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP) en het EU Space Programme. Binnen deze bestaande programmaās en in het aankomende AGILE-werkprogramma maakt het kabinet zich in de onderhandelingen hard voor de positionering van de Nederlandse defensie-industrie, conform de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII).
Vraag 25
Genoemde leden vragen zich af of uitsluitend mkb-bedrijven (inclusief startups en scale-ups) aanspraak kunnen maken op de subsidie, of dat ook grote beursgenoteerde bedrijven hiervoor in aanmerking komen.
Antwoord 25
Op dit moment vinden de onderhandelingen over AGILE nog plaats in de Raadswerkgroepen in Brussel. Het kabinet is positief over het AGILE-instrument ten aanzien van het versnellen van defensiespecifieke innovatie en steunt het vergroten van de toetredingsmogelijkheden voor het mkb. Het kabinet zet zich in de onderhandelingen in om het programma uitsluitend toegankelijk te laten zijn voor mkb-bedrijven.
Vraag 26
Genoemde leden vragen zich af hoe de overheid bedrijven die AGILE-subsidie hebben ontvangen verder ondersteunt op het gebied van regelgeving.
Antwoord 26
Naar waarschijnlijkheid zal het werkprogramma van AGILE pas volgend jaar gepubliceerd worden. Op dit moment hebben nog geen bedrijven AGILE-subsidie ontvangen.