36753, bijgewerkt t/m nr. 7 (NvW d.d. 26 mei 2026)
Wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking tot DNA-onderzoek
Bijgewerkte tekst
Nummer: 2026D26395, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-01 16:07, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2025Z10547:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-03 14:30 â Ter informatie. (Besluit)
- 2026-01-13 15:10 â Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2025-12-18 13:00 â Aanmelden voor plenaire behandeling. (Besluit)
- 2025-09-04 14:00 â Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2025-07-03 12:00 â Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 4 september 2025 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2025-06-19 14:15 â Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2025-05-28 13:15 â Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2025-05-28 13:15 â In handen gesteld van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (Besluit)
- 2025-05-28 13:15: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-06-05 12:00: Procedures en brieven (zal geen doorgang vinden) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2025-06-19 14:15: Extra procedurevergadering commissie Justitie en Veiligheid (groslijst controversieel verklaren) (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2025-07-03 12:00: Procedures en brieven (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2025-09-04 14:00: Wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking tot DNA-onderzoek (36753) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2025-12-18 13:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-03 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-09-07 00:00: Wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking tot DNA-onderzoek (36753) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (đ origineel)
| Bijgewerkt t/m nr. 7 (NvW, 26 mei 2026) | |
| 36 753 | Wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking tot DNA-onderzoek |
| GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET | |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de effectiviteit van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden te vergroten door op een eerder moment in de procedure celmateriaal af te nemen, de reikwijdte van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ten aanzien van minderjarigen te beperken en enkele wijzigingen aan te brengen in de regeling over DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt als volgt gewijzigd:
A
Onder vernummering van artikel 2 tot artikel 2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2
1. Van de verdachte die wegens verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in verzekering is gesteld, wordt celmateriaal afgenomen, tenzij:
a. de verdachte ten tijde van het feit waarvan hij wordt verdacht de leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt;
b. op grond van deze wet of het Wetboek van Strafvordering al celmateriaal van de verdachte is afgenomen en bewaard. Indien dat celmateriaal zou moeten worden vernietigd, blijft het niettemin bewaard op grond van het eerste lid.
2. Indien gedurende de in het eerste lid bedoelde periode geen celmateriaal is afgenomen en de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt het celmateriaal alsnog afgenomen.
3. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. Aan de verdachte wordt voorafgaand aan de afname van het celmateriaal schriftelijk kennis gegeven van:
a. het doel van de afname van het celmateriaal;
b. de gevallen waarin het celmateriaal kan worden gebruikt om een DNA-profiel te bepalen en verwerken;
c. de mogelijkheid, bedoeld in artikel 7, om een bezwaarschrift in te dienen tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel.
5. Aan een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de kennisgeving in een voor hem begrijpelijke taal gedaan.
6. Het op grond van het eerste of tweede lid afgenomen celmateriaal wordt bewaard in een beveiligde centrale opslag. Het kan alleen worden gebruikt voor het bepalen en verwerken van het DNA-profiel:
a. indien de verdachte wordt veroordeeld en is voldaan aan het bepaalde in artikel 2a, eerste lid;
b. indien de officier van justitie of de rechter-commissaris DNA-onderzoek verricht als bedoeld in de artikelen 151a en 195a van het Wetboek van Strafvordering.
7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het afnemen, bewaren en vernietigen van het celmateriaal.
B
Artikel 2a (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âbeveelt dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profielâ vervangen door âbeveelt dat het celmateriaal dat op grond van artikel 2 is afgenomen van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt gebruikt ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profielâ.
2. In het eerste lid, onder a, wordt na âis verwerkt overeenkomstigâ ingevoegd âdeze wet ofâ.
3. In het eerste lid, onder b, wordt na âis gepleegdâ ingevoegd â, waaronder de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf,â.
4. Onder vernummering van het tweede tot en met zevende lid tot het derde tot en met achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. Indien geen celmateriaal is afgenomen op grond van artikel 2 beveelt de officier van justitie dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, tenzij één van de in het eerste lid onder a en b genoemde uitzonderingen van toepassing is.
5. In het derde lid (nieuw) wordt in de eerste zin na âis verwerkt overeenkomstigâ ingevoegd âdeze wet ofâ en wordt âhet eerste lid, aanhefâ vervangen door âhet eerste of tweede lidâ. In de laatste zin wordt âhet eerste lid, aanhefâ vervangen door âhet eerste of tweede lidâ.
6. In het vierde lid (nieuw) wordt na âHet bevel, de tenuitvoerlegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging van het bevelâ ingevoegd â, bedoeld in het tweede lid,â.
7. In het vijfde lid (nieuw) wordt na âhet bevelâ ingevoegd â, bedoeld in het eerste of tweede lid,â.
8. In het achtste lid (nieuw) wordt âderde en vierde lidâ vervangen door âvierde en vijfde lidâ.
Ba
Na artikel 2a (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2b
1. De gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de identiteit van de verdachte of veroordeelde wiens celmateriaal is afgenomen op grond van deze wet of het Wetboek van Strafvordering en de grondslagen voor het bewaren van dat celmateriaal worden verwerkt in een centrale administratie.
2. De artikelen 1, onderdelen i, j, l tot en met z, 3, 7 tot en met 7b, 7d tot en met 7f, 15, 17a, 17b, 20, 22 tot en met 26h en 27, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens zijn van overeenkomstige toepassing op de verwerking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister van Justitie en Veiligheid is verwerkingsverantwoordelijke in de zin van die wet voor de administratie, bedoeld in het eerste lid.
3. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken van Onze Minister van Justitie en Veiligheid uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende gegevens, bedoeld in het eerste lid, en, wanneer dat het geval is, om die gegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in artikel 18, onderdelen a tot en met g, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens te verkrijgen. Onze Minister van Justitie en Veiligheid doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende gegevens, tenzij hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk plaats.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de administratie, bedoeld in het eerste lid.
C
Artikel 3, eerste lid, komt als volgt te luiden:
1. Het bevel, bedoeld in artikel 2a, eerste of tweede lid, is gedagtekend en ondertekend. Het bevel, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, bevat indien mogelijk tevens de plaats waar en de datum en het tijdstip waarop het bevel ten uitvoer zal worden gelegd.
D
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt âartikel 2, eerste lid, aanhefâ vervangen door âartikel 2a, tweede lidâ.
2. In het zesde lid wordt âartikel 2, eerste lid, aanhefâ vervangen door âartikel 2a, tweede lidâ.
E
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Een arts, een verpleegkundige of een persoon die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen neemt het celmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen, of, voorzover de veroordeelde verblijft in een inrichting of instelling, niet zijnde een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten, de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder h, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Celmateriaal in de vorm van wangslijm of haarwortels wordt afgenomen door een persoon die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Indien bloed moet worden afgenomen, verricht een arts of een verpleegkundige de afname.
3. In het derde lid wordt âover de wijze van uitvoering van dit artikel nadere regels gesteldâ vervangen door ânadere regels gesteld over het afnemen van het celmateriaalâ.
Ee
In artikel 6, eerste lid, wordt âartikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteldenâ vervangen door âartikel 1, onder h, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteldenâ.
F
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. De veroordeelde kan tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, dan wel de rechtbank in het arrondissement waar tegen de strafbeschikking verzet had kunnen worden gedaan. De zesde afdeling van Titel I van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
2. Onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot het vierde tot en met zevende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:
2. Het bezwaarschrift wordt ingediend binnen veertien dagen na de dag waarop het bevel, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aanhef, in persoon is betekend, dan wel, indien toepassing is gegeven aan artikel 2a, tweede lid, binnen veertien dagen na de dag waarop het celmateriaal is afgenomen. Indien toepassing is gegeven aan artikel 6, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen veertien dagen na de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, is betekend.
3. Als het bevel, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aanhef, niet in persoon is betekend, wordt het bezwaarschrift ingediend binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bevel de veroordeelde bekend is.
3. Het zesde lid (nieuw) komt als volgt te luiden:
6. Zolang tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel een bezwaarschrift kan worden ingediend en zolang een ingediend bezwaarschrift niet is ingetrokken of daarop niet is beslist, wordt op basis van het celmateriaal van de veroordeelde geen DNA-profiel bepaald. In afwijking van de eerste zin mag van de veroordeelde een DNA-profiel worden bepaald en verwerkt wanneer het bevel, bedoeld in artikel 2a, eerste lid, aanhef, niet in persoon is betekend en er veertien dagen zijn verstreken sinds de dag van de betekening.
4. In het zevende lid (nieuw) wordt âterstondâ vervangen door âbinnen een weekâ en wordt een zin toegevoegd, luidende: Indien van de veroordeelde al een DNA-profiel is verwerkt en bepaald, moet ook het DNA-profiel dat uit dat celmateriaal is verkregen worden vernietigd, evenals het verslag van de resultaten van het DNA-onderzoek en andere gegevens over de veroordeelde die zijn bewaard.
G
In artikel 13 wordt âartikel 2, eerste lid, aanhefâ vervangen door âartikel 2a, eerste lidâ.
ARTIKEL II
Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 151a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vijfde lid komt te luiden:
5. De officier van justitie geeft, ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan op grond van het eerste lid afgenomen celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal, waaronder celmateriaal dat is afgenomen op grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, geeft hij de verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Buiten het geval, bedoeld in het vierde lid, wijst hij de verdachte daarbij op het bepaalde in het zesde en zevende lid.
2. In het tiende lid wordt â232â vervangen door â228, vierde lid,â.
B
Artikel 151b wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. Een arts, een verpleegkundige of een opsporingsambtenaar neemt het celmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen. Celmateriaal in de vorm van wangslijm of haarwortels wordt afgenomen door een opsporingsambtenaar die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Indien bloed moet worden afgenomen, verricht een arts of een verpleegkundige de afname.
2. In het vierde lid wordt in de laatste zin, na âof aan celmateriaal, datâ ingevoegd âop grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is afgenomen of datâ.
C
Na artikel 151b wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 151ba
1. Indien al celmateriaal van de verdachte is afgenomen en bewaard op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, wordt het onderzoek, bedoeld in artikel 151a, eerste lid, verricht met dat celmateriaal. Indien het niet gaat om een verdachte van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan het celmateriaal alleen worden gebruikt met schriftelijke toestemming van de verdachte.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien in het belang van het onderzoek opnieuw celmateriaal van de verdachte moet worden afgenomen.
D
Artikel 151da wordt als volgt gewijzigd:
1. De derde zin van het eerste lid vervalt.
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid. Indien het DNA-onderzoek wordt verricht met behulp van het merendeel of alle DNA-profielen, die zijn verwerkt overeenkomstig dit wetboek of een andere wet, kan het bevel alleen worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 109, 110, 141, tweede lid, onder 1°, 181, onder 2°, 182, 241, eerste lid, en 245, eerste lid, 281, eerste lid, onder 1°, 290, 300, tweede en derde lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de officier van justitie dit resultaat in het opsporingsonderzoek gebruiken.
3. Onder vernummering van het vierde tot het vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
4. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
E
Artikel 195a, vierde lid, komt te luiden:
4. De rechter-commissaris geeft, ingeval het onderzoek heeft plaatsgevonden aan op grond van het eerste lid afgenomen celmateriaal, de onderzochte persoon zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Indien het onderzoek heeft plaatsgevonden aan ander celmateriaal, waaronder celmateriaal dat is afgenomen op grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, geeft hij de verdachte, indien deze bekend is, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat schriftelijk kennis van de uitslag van het onderzoek. Buiten het geval, bedoeld in het derde lid, wijst hij de verdachte daarbij op het bepaalde in artikel 195b.
F
Artikel 195d wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. Een arts, een verpleegkundige of een opsporingsambtenaar neemt het celmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen. Celmateriaal in de vorm van wangslijm of haarwortels wordt afgenomen door een opsporingsambtenaar die voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Indien bloed moet worden afgenomen, verricht een arts of een verpleegkundige de afname.
2. In het vierde lid wordt in de laatste zin, na âof aan celmateriaal, datâ ingevoegd âop grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is afgenomen of datâ.
G
Na artikel 195d wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 195da
1. Indien al celmateriaal van de verdachte is afgenomen en bewaard op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, wordt het onderzoek, bedoeld in artikel 195a, eerste lid, verricht met dat celmateriaal. Indien het niet gaat om een verdachte van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan het celmateriaal alleen worden gebruikt met schriftelijke toestemming van de verdachte.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien in het belang van het onderzoek opnieuw celmateriaal van de verdachte moet worden afgenomen.
H
Artikel 195g wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:
3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid. Indien het DNA-onderzoek aan de hand van het merendeel of alle verwerkte DNA-profielen wordt verricht, kan het bevel alleen worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 109, 110, 141, tweede lid, onder 1°, 181, onder 2°, 182, 241, eerste lid, en 245, eerste lid, 281, eerste lid, onder 1°, 290, 300, tweede en derde lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 195a, eerste lid, leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de rechter-commissaris dit resultaat gebruiken bij onderzoekshandelingen die hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 verricht.
2. Onder vernummering van het vierde tot het vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
4. DNA-profielen worden slechts verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal.
ARTIKEL III
De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 9:11, eerste en derde lid, wordt âartikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ vervangen door âartikel 2a, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ.
ARTIKEL IV
De Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 51, eerste en derde lid, wordt âartikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ vervangen door âartikel 2a, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ.
ARTIKEL V
De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 33, eerste en vierde lid, wordt âartikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ vervangen door âartikel 2a, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ.
ARTIKEL VI
De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 22, eerste en derde lid, wordt âartikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ vervangen door âartikel 2a, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ.
ARTIKEL VII
De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 28, eerste en vierde lid, wordt âartikel 2, eerste lid, aanhef, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ vervangen door âartikel 2a, tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenâ.
ARTIKEL VIII
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie en Veiligheid,