Antwoord op vragen van het lid Ceder inzake de uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D26416, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-02 11:48, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van zaak 2026Z08715:
- Gericht aan: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2101
Antwoord van staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 1 juni 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 1914
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel ‘Klarna geeft toe
incassowerkzaamheden uit te voeren’ 1) en de bindende uitspraken van het
Kifid 2) waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van
kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is
vereist?
Antwoord op vraag 1
Ja.
Vraag 2
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende
maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd
in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Antwoord op vraag 2
Het is mij niet bekend of de registratie van Klarna het gevolg is van handhavend optreden, van de beantwoording van eerdere Kamervragen, of dat deze uit eigen beweging heeft plaatsgevonden.
De Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) doet geen
uitspraken over individuele gevallen. Op grond van artikel 3 lid 5 van
de Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna: Wki) wordt uitsluitend
informatie over schorsingen en doorhalingen actief openbaar gemaakt.
Opgelegde sancties zoals boetes en dwangsommen worden weliswaar in het
register opgenomen, maar maken geen onderdeel uit van het openbare deel
van het register en zijn daarmee niet voor iedereen te raadplegen.
Buiten het register om bestaat in de Wki geen andere grondslag om
handhavend optreden in individuele gevallen openbaar te maken.
Vraag 3
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid
gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om
adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Antwoord op vraag 3
Ja, de Inspectie heeft signalen afgegeven over de effectiviteit van haar instrumentarium en bevoegdheden. Ik neem deze signalen serieus.
In de brief van 9 maart 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de invoeringstoets die wordt uitgevoerd naar de werking van de Wki in de praktijk. De beleidsreactie op deze invoeringstoets ontvangt uw Kamer binnenkort, waarin ik nader inga op de signalen van de Inspectie en de maatregelen die ik naar aanleiding daarvan tref.
Vraag 4
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu
aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit
Incassodienstverlening?
Antwoord op vraag 4
De beoordeling of een individuele incassodienstverlener voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Wki is aan de Inspectie als toezichthouder. Zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 is de Inspectie niet bevoegd om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Vraag 5
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak
die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van
deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja,
welke?
Antwoord op vraag 5
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van het Kifid over Klarna, evenals van vergelijkbare uitspraken in de rechtspraak, waarover eerder vragen zijn beantwoord.1 Het kabinet treedt niet in individuele gevallen, maar verwacht wel dat aanbieders hun werkwijze toetsen aan geldende wet- en regelgeving en relevante uitspraken.
Het uitgangspunt blijft dat het hanteren van een verdienmodel waarbij wordt geanticipeerd op niet-nakoming van een consument niet mogelijk is zonder te voldoen aan de voorschriften van de CCDI.2 In enkele uitspraken in de rechtspraak en van het Kifid, heeft Klarna niet kunnen onderbouwen dat deze kosten geen onderdeel uitmaken van een verdienmodel. Klarna heeft aangegeven voornemens te zijn in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van het Kifid. Tegelijkertijd zijn in de rechtspraak ook andersluidende oordelen geveld. Twee rechtbanken oordelen juist dat Klarna voldoende heeft onderbouwd dat de bedongen rente en incassokosten geen deel uitmaken van haar verdienmodel.3
Bovengenoemde uitspraken zijn alle gedaan tussen partijen en hebben in beginsel alleen rechtsgevolgen voor die specifieke zaak. Het Kifid heeft aangegeven elke klacht op zijn eigen merites te beoordelen en is bekend met de uitspraken waarin Klarna in het gelijk is gesteld. Het is niet bekend of in die zaken dezelfde vragen zijn gesteld als de Geschillencommissie van het Kifid heeft gedaan en welke antwoorden door Klarna zijn gegeven. Tegelijkertijd heeft het Kifid aangegeven klachten in vergelijkbare gevallen in beginsel langs dezelfde lijn te beoordelen. Dit betekent dat de uitspraak mogelijk bredere uitwerking kan hebben voor andere klanten van Klarna die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
Consumenten die menen dat zij hierdoor zijn benadeeld, kunnen zich
wenden tot het Kifid of tot de rechter om hun individuele situatie te
laten beoordelen. Het is daarbij wel belangrijk om te vermelden dat in
uitspraken in hoger beroep, zowel bij het Kifid als in rechtspraak, een
ander oordeel kan worden geveld.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Antwoord op vraag 6
Op dit moment vallen BNPL-aanbieders in bepaalde gevallen nog onder een
uitzondering in de wet, namelijk wanneer sprake is van ‘onbetekenende
kosten’. Indien kosten, zoals aanmanings- of incassokosten, echter op
zichzelf een verdienmodel vormen, is geen sprake meer van onbetekenende
kosten. De uitzondering is dan niet van toepassing, waarmee de regels
voor kredietverlening van toepassing zijn, inclusief de verplichting tot
kredietwaardigheidstoetsing.
Het is aan het Kifid om in individuele zaken te oordelen hoe BNPL-dienstverlening moet worden gekwalificeerd. Daarbij kijkt het Kifid naar het huidige wettelijke kader en de toepasselijke feiten en omstandigheden van het geval. De interpretatie van het Kifid kan richtinggevend zijn voor de praktijk, maar laat onverlet dat uiteindelijk ook de rechter hierover kan oordelen.
Vanaf het moment van implementatie van de herziene Europese richtlijn
consumentenkrediet zullen aanbieders van uitgestelde betaling onder het
kredietregime vallen.4 Dit betekent dat aanbieders
verplicht worden om een kredietwaardigheidstoets uit te voeren en aan
dezelfde strenge regels moeten voldoen als andere kredietverstrekkers.
Tot het moment van inwerkingtreding blijft het huidige wettelijke kader
van toepassing. De toepassing en interpretatie daarvan worden nader
ingevuld in de rechtspraak en mede beïnvloed door oordelen van het
Kifid.
Vraag 7
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
Antwoord op vraag 7
Het kabinet werkt aan de implementatie van de herziene
richtlijn consumentenkrediet, waarmee ook BNPL-aanbieders onder het
kredietregime worden gebracht. Het wetsvoorstel is recent aan de Tweede
Kamer aangeboden. Het implementatiebesluit herziene richtlijn
consumentenkrediet wordt nog vóór het zomerreces gedurende een periode
van vier weken aan uw Kamer voorgelegd in het kader van een
voorhangprocedure.5
In het implementatiewetsvoorstel is een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voorgesteld, die rekening houdt met de kenmerken van het krediet, zoals aard, duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument. Deze norm wordt verder uitgewerkt in het implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet, in lijn met de vereisten uit de richtlijn. Zoals gebruikelijk bij andere typen kredietovereenkomsten, zal de norm in de praktijk worden ingevuld door de markt, in overleg met de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Daarnaast zullen aanvullende waarborgen gaan gelden, zoals een verbod op het aanbieden van BNPL aan minderjarigen en de verplichting voor aanbieders om zich aan te sluiten bij het Kifid.
1) FTM, 2 april 2026, Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren (https://www.ftm.nl/artikelen/klarna-geeft-toe-incassowerkzaamheden-uit-te-voeren?share=HLb02XWrCwL5XNIcujyOuEBy8lHS7H3wR0sfYYAyERlXtZtBbCfs%2FlU7SpN5Y1o%3D).
2) Kifid, 2 april 2026, Kifid: Klarna voldoet niet aan verplichtingen kredietovereenkomst (https://www.kifid.nl/nieuws/kifid-klarna-voldoet-niet-aan-verplichtingen-kredietovereenkomst/).
In antwoorden op Kamervragen van het lid Welzijn (NSC) zijn eerder twee uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland aan bod gekomen. Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2274.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 27879, nr. 108.↩︎
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 december 2026, ECLI:NL:RBZWB:2025:9662 en Rechtbank Oost-Brabant, 4 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7952.↩︎
Behalve waar het gaat om aanbieders van krediet in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering. Daarvoor wordt een uitgestelde inwerkingtreding van zes maanden voorgesteld in artikel I, onderdeel C en artikel IV van het ontwerp van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.↩︎
De voorhangprocedure wordt voorgeschreven op grond van artikel 4:25, derde lid Wft. Het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet wijzigt het BGfo en maakt daarvoor gebruik van de grondslag van artikel 4:25, eerste lid Wft.↩︎