Antwoord op vragen van het lid Heutink over het bericht ‘Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland’
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D26447, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-02 11:53, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
- Mede namens: E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z08246:
- Gericht aan: E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Gericht aan: H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
AH 2102
Antwoord van staatssecretaris Aerdts (Economische Zaken en Klimaat), mede namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 1 juni 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr.
1953
1
Bent u op de hoogte van het artikel?
Antwoord
Ja.
2
Kunt u zich herinneren dat in het plenaire debat van 11 februari 2026, in reactie op vragen van het lid Heutink over het driesporenbeleid, u heeft geantwoord dat er, totdat de processen van die drie sporen zijn doorlopen, er niets zou gebeuren? Zo nee, wat heeft u dan wel gezegd?
Antwoord
In het plenaire debat van 11 februari 2026 is door de toenmalige minister van Economische Zaken aangegeven dat het kabinet, zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT, hoofdstuk 14a, Telecommunicatiewet) voorschrijft, de beoordeling van het BTI, en daarnaast het oordeel van de ACM, afwacht. Aanvullend is door mijn voorganger aangegeven dat er tot die tijd geen onomkeerbare stappen gezet kunnen worden en een overname pas doorgang kan vinden als er groen licht wordt gegeven.
Op 11 februari 2026 was de geschetste situatie de realiteit. De concentratietoets door de ACM op grond van de Mededingingswet is afgerond zonder bezwaar, op 26 februari 2026. Met het afronden van de concentratietoets, ontstond een situatie waarin de transactie wel doorgang kon vinden, maar er een verbod of verbod onder opschortende voorwaarden opgelegd zou kunnen worden conform de WOZT.
De WOZT kent, in tegenstelling tot andere wettelijke investeringstoetsen en de ACM-toets die toen nog niet was afgerond, geen expliciete standstill-verplichting die een overname tussen partijen verbiedt zolang de toetsing loopt. De WOZT biedt wel de mogelijkheid om bestaande of aanstaande overwegende zeggenschap te verbieden, of een verbod op te leggen onder opschortende voorwaarden, als de overwegende zeggenschap kan leiden tot een bedreiging van het publiek belang.
De uitspraak dat er geen onomkeerbare stappen gezet konden worden betekent dat de kopende partij middels de WOZT verplicht kan worden om de zeggenschap terug te brengen zodat niet langer sprake is van overwegende zeggenschap.
Op 25 mei 2026 heb ik, gezien het risico voor het publiek belang, de overname op advies van het BTI volledig verboden. Dit verbod is opgelegd, voordat de transactie daadwerkelijk geïmplementeerd werd.
3
Klopt het dat er na afronding van spoor twee al een handtekening door de koper en verkoper gezet zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Spoor 2 had geen invloed op het zetten van een handtekening. Door koper en verkoper was reeds een koopcontract ondertekend waarin rekening was gehouden met een mogelijke ACM-toets en een mogelijke toetsing onder de WOZT.
4
Als blijkt dat er na afronding van spoor twee al een handtekening gezet zou kunnen worden, hoe kunt u dan zeggen dat er totdat de drie sporen zijn doorlopen er niets zou gebeuren?
Antwoord
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2 en vraag 3.
5
Bestaat er een mogelijkheid dat u in uw reactie geantwoord heeft vanuit de context? Zo ja, kunt u dit uitgebreid toelichten en de context delen met de Kamer? Zo nee, waar komt dit antwoord dan vandaan?
Antwoord
Het kabinet is van oordeel dat de informatievoorziening inhoudelijk juist en volledig is geweest. De uitspraken in het debat van 11 februari 2026 waren gedaan in de feitelijke en juridische context op dat moment. Het antwoord op die vraag is en blijft ontkennend.
6
Deelt u de mening dat u de Kamer destijds gerust heeft gesteld door te stellen dat er niets zou gebeuren, en er dus ook geen handtekening zou worden gezet, totdat de drie sporen zijn afgerond? Deelt u deze mening, nu u dit artikel leest, nog steeds?
Antwoord
Het kabinet deelt deze lezing niet. De uitspraken in het debat zagen op het voorkomen van onomkeerbare stappen door de koper en verkoper. Dat standpunt is onveranderd.
Het aangehaalde artikel in de Volkskrant betreft de publieke uitingen van een functionaris van Logius over door hem ervaren risico’s. Deze uitingen zijn en worden op persoonlijke titel gedaan, dus niet namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit of Logius.
De toetsing is inmiddels afgerond en heeft geleid tot een volledig verbod op de overname op 25 mei 2026. Dit doet geen afbreuk aan de juistheid van de ingenomen positie in het debat.
7
Uit welke wet blijkt dat het treffen van mitigerende maatregelen randvoorwaardelijk is om tot koop en verkoop door partijen over te gaan? Graag een uitgebreide toelichting.
Antwoord
Zoals in de eerdere antwoorden hierboven is aangegeven en in het debat van
11 februari 2026 is overgebracht, was een beoordeling door de ACM op grond van de Mededingingswet en een toetsing op grond van de WOZT voor de transactie vereist. Daarom geldt er op grond van beide wetten een meldingsplicht aan de hand waarvan vervolgens een beoordeling of toetsing plaatsvindt. Of er mitigerende maatregelen opgelegd zouden worden op grond van de resultaten van deze beoordeling door de ACM of op grond van de toetsing op grond van de WOZT, hing af van de specifieke weging van de feiten en de gevolgen voor respectievelijk de mededinging op de Nederlandse markt en de bedreiging van het publiek belang als bedoeld in de WOZT. Als op grond van één van beide wetten mitigerende voorschriften zouden worden opgelegd, dan volgt daaruit dat de transactie niet kan worden gerealiseerd of de transactie moet worden teruggedraaid als niet aan de voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 41, vierde lid, Mededingingswet of artikel 14a.4, eerste lid, en 14a.7, eerste lid, Telecommunicatiewet). In het geval van deze casus is niet aan mitigerende voorschriften toegekomen, omdat de ACM geen vergunning noodzakelijk achtte en krachtens de WOZT een verbod is opgelegd.
8
Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te zetten en dus geen goedkeuring te verlenen inzake de overname van Solvinity door Kyndryl voordat alle feiten op tafel liggen en voordat de Kamer hier een uitspraak over heeft gedaan?
Antwoord
Het kabinet merkt op dat er geen onomkeerbare stap, in de zin van de daadwerkelijke eigendomsoverdracht, is gezet. Op 25 mei 2026 heb ik de overname op advies van het BTI volledig verboden. Er heeft geen eigendomsoverdracht plaatsgevonden voor 25 mei 2026.
In algemene zin heeft de Kamer in de systematiek van de WOZT geen formele rol in het toetsingsbesluit. De beslissingsbevoegdheid berust bij de Staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat, op basis van onafhankelijk advies van het BTI. Dit is een bestuursrechtelijke procedure; het besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Parlementaire goedkeuring vooraf maakt geen deel uit van dit wettelijk kader. Wel heb ik conform de aangenomen motie (Kamerstukken II 2025/26, 26 643, nr. 1474) de Kamer een vertrouwelijke technische briefing aangeboden.
9
Kunt u garanderen dat deze klokkenluider beschermd wordt en op geen enkele wijze benadeeld wordt en nu en in de toekomst op een veilige plek zijn werk kan verrichten?
Antwoord
Vanuit goed werkgeverschap en ter bescherming van de privacy van betrokkene(n) worden geen uitspraken gedaan over (de behandeling van) individuele casuïstiek. In zijn algemeenheid geldt dat zowel interne als externe meldingen van integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden vertrouwelijk worden behandeld conform de daarvoor geldende wettelijke en/of departementale kaders. Hierbij hoort ook dat melders geen benadeling mogen ondervinden vanwege het doen van een melding.