Verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op onderzoek herintroductie verzorgingshuizen (Kamerstuk 29389-158)
Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D26468, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-03 17:27, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (PRO)
- Mede ondertekenaar: M. Heller, adjunct-griffier
- Adviesrapport Verkenning inzet ondersteuningsteam voor realisatie woonzorgconcepten
- Beslisnota bij verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op onderzoek herintroductie verzorgingshuizen (Kamerstuk 29389-158)
Onderdeel van kamerstukdossier 29389 -167 Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z11600:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-10 10:15 ⇒ Betrokken bij het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-10 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
29 389 Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid
Nr. 167 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 17 september 2025 over de reactie op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen (Kamerstuk 29389, nr. 158).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 november 2025 aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 1 juni 2026 zijn de vragen, mede namens de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
Reactie van de minister
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris over de mogelijke herintroductie van verzorgingshuizen, en delen de zorg dat een kwetsbare groep ouderen tussen wal en schip dreigt te vallen.
De leden van de D66-fractie zijn echter kritisch over het teruggrijpen naar modellen uit het verleden die financieel onhoudbaar zijn, geen maatschappelijk draagvlak hebben, en een enorm beslag leggen op schaarse middelen.
De leden van de D66-fractie benadrukken hierbij dat de focus op een herintroductie van het verzorgingshuis geen passende oplossing biedt voor de bestaande kloof tussen thuis en verpleeghuis, doordat dit model financieel onhoudbaar is gezien de dubbele vergrijzing, de druk op schaarse zorgprofessionals onverantwoord vergroot, en afleidt van de benodigde ontwikkeling van nieuwe, passende woonvormen. Daarnaast heeft de herintroductie van de verzorgingshuizen geen draagvlaak bij betrokken organisaties, zoals ActiZ, VNG, Zorgverzekeraars Nederland en anderen.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om dit gebrek aan maatschappelijk draagvlak voor verzorgingstehuizen en vragen of de staatssecretaris deze zorgen deelt en waarom zij er alsnog voor kiest om de herintroductie van de verzorgingshuizen verder te onderzoeken. Ook vragen de leden hoe zij deze herintroductie door zou wensen te voeren zonder steun van veel van de betrokken organisaties.
De leden van de D66-fractie vernemen dat de staatssecretaris zowel de herintroductie van de verzorgingshuizen als de mogelijke rol van zorgzame buurten in dit dossier onderzoekt. Ze geeft hierbij aan dat ze ook wil onderzoeken op welke wijze zorgzame gemeenschappen het beste gestimuleerd kunnen worden.
De leden van de D66-fractie delen deze wens om het realiseren van de zorgzame buurten meer prioriteit te geven. Dit sluit beter aan bij de wensen van senioren, en is ook realistischer met het oog op de consequenties die het herintroduceren van verzorgingshuizen zou hebben op de financiën en de arbeidsmarkt.
De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris dan ook of zij het met deze leden eens is dat de focus niet moet liggen op het heropbouwen van verzorgingshuizen, maar dat meer prioriteit moet worden gegeven aan het versnellen van de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen, waar ouderen hun privacy en autonomie behouden.
De leden van de D66-fractie horen dat in de praktijk corporaties, gemeenten en zorgpartijen tegen verschillende obstakels aan lopen. Welke processen lopen er nu om die obstakels weg te nemen en is dat afdoende om de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen te realiseren in lijn met de ambities van het kabinet?
De leden van de D66-fractie constateren op basis van het uitgevoerde PwC-onderzoek én cijfers van ANBO-PCOB dat ouderen een duidelijke voorkeur hebben voor zelfstandige woonconcepten. Slechts acht procent van de thuiswonende ouderen wil verhuizen naar een verzorgingshuis.
De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris uit te leggen waarom er in beleidstermen alsnog voortdurend gesproken wordt over de "herintroductie van het verzorgingshuis", terwijl de doelgroep zelf vraagt om zelfstandige woningen met zorg in de nabijheid. Hoe reflecteert zij op deze eenduidige vraag vanuit senioren en wat betekent het gebrek aan maatschappelijke steun voor de beoogde herintroductie van de verzorgingshuizen?
De leden van de D66-fractie wijzen op het PwC-rapport waaruit blijkt dat de zorgkosten per oudere in de onderzochte scenario's met 46 tot wel 124 procent stijgen. Ook blijkt uit het PwC-rapport dat het aannemelijk is dat de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen zal stijgen, daar zij een latente zorgbehoefte hebben. Hierbij wordt benoemd dat dit een kans biedt om delen van de zorgbehoefte op alternatieve wijze in te vullen. Zij vragen de staatssecretaris welke andere alternatieve woonvormen worden onderzocht die wél betaalbaar blijven, door in te zetten op wat ouderen zelf nog kunnen, aansluitend bij de afspraken over reablement uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO).
De leden van de D66-fractie constateren uit het PwC-rapport dat het verwachte personeelstekort in de sector zorg en welzijn in 2034, bovenop het reeds voorspelde tekort van 265.600 medewerkers, verder zal toenemen met 2.799 extra medewerkers in scenario 1 (onzelfstandige kamers) en met 6.345 extra medewerkers in scenario 2 (zelfstandige appartementen).
De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris om een nadere toelichting of de inzet van verzorgingshuizen daadwerkelijk haalbaar is gezien de huidige tekorten in de zorg en op welke wijze zij van plan is de toenemende zorgvraag bij de introductie van verzorgingshuizen te mitigeren en zo beheersbaar te houden voor de toekomst.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de staatssecretaris op de gepresenteerde cijfers, waarin zij inzet op een invulling met meer welzijnswerkers en reablement in verzorgingshuizen om de berekende extra vraag naar duizenden zorgmedewerkers te dempen. Echter, de leden vragen zich af of deze aanpak voldoende zal zijn om het totale personeelstekort in de sector, dat in 2034 wordt geraamd op 265.600, effectief aan te pakken. Bovendien stellen deze leden de vraag aan de staatssecretaris of deze middelen en maatregelen (voor welzijn en reablement) op zichzelf niet beter ingezet kunnen worden ter directe verlichting van de huidige personeelstekorten in de zorg.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat van de ouderen die openstaan voor verhuizen, volgens ANBO-PCOB negentig procent de voorkeur geeft aan een zelfstandig appartement met eigen voordeursleutel en zorg op afroep, boven een kamer in een verzorgingshuis. Zij vragen of de staatssecretaris bereid is de beleidsfocus te verleggen van 'verzorgingshuizen' naar woonvormen waarin wel aan de wens van ouderen kan worden voorzien.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de staatssecretaris erkent en inziet dat de behoeften van de huidige en toekomstige generaties senioren niet overeenkomen met wat het verzorgingshuis van vroeger kan bieden. Zij vragen de staatssecretaris of het, om verwarring en valse verwachtingen te voorkomen, niet beter is om definitief afscheid te nemen van de term "herintroductie verzorgingshuis" en de aandacht, middelen en inzet te verleggen naar innovatieve woonconcepten voor senioren.
De leden van de D66-fractie signaleren de grote behoefte aan aantrekkelijke ontmoetingsruimtes waar senioren elkaar kunnen treffen ter bevordering van de samenredzaamheid. Echter, zij horen ook dat veel van dit soort waardevolle initiatieven stagneren vanwege uitdagingen in de financiering en exploitatie.
Daarom vragen genoemde leden de staatssecretaris om te onderzoeken en toe te lichten welke verschillende financierings- en exploitatiemogelijkheden zij ziet voor dergelijke initiatieven. Hierbij vragen zij specifiek aandacht voor een samenwerkingsmodel met cruciale partners zoals gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars, en willen zij weten welke concrete stappen de regering kan zetten om deze samenwerking te faciliteren en de initiatieven vlot te trekken.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de in het PwC-rapport becijferde uitkomsten, waaronder de kostenstijging van 535,7 miljoen euro per jaar in 2040, de cumulatieve onrendabele top van 846,7 miljoen euro, én de benodigde 6.345 extra voltijds zorgmedewerkers in 2034. Deze leden vragen de staatssecretaris om een toelichting op de wijze waarop zij de kosten en de benodigde capaciteit van dit geschetste scenario doelmatig en effectief acht, gelet op de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de personeelstekorten en de dubbele vergrijzing.
Ook vernemen de leden van de D66-fractie graag of de staatssecretaris breder kijkt naar alternatieve beleidsscenario's die een mogelijk positiever effect kunnen hebben op zowel de financiële houdbaarheid als de personele inzetbaarheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van de staatssecretaris op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
In het onderzoek van PwC wordt gewerkt met twee scenario’s. In het eerste met onzelfstandige kamers en in het tweede met zelfstandige appartementen. Kan de staatssecretaris toelichten waarom in haar brief vooral wordt voortgeborduurd op
het scenario met zelfstandige appartementen? Betekent dit dat varianten met meer onzelfstandige, klassieke verzorgingshuisachtige woonvormen voor haar al zijn afgevallen?
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de zorginzet in de nieuwe woonvorm hoger is dan in de huidige thuissituatie, omdat de huidige zorg voor deze groep ouderen vaak ontoereikend is. De staatssecretaris geeft tegelijk aan dat volgens haar niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn als vroeger in het verzorgingshuis. Genoemde leden zouden dit graag nader toegelicht willen zien. Kan de staatsecretaris dit nog duidelijker specificeren? De staatssecretaris schrijft dat zij de zorg- en ondersteuning in een modern verzorgingshuis wil laten aansluiten bij de ingezette lijn, om meer uit te gaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen en van reablement. Kan de staatssecretaris enkele voorbeelden noemen van initiatieven waar dit momenteel optimaal functioneert? Wat betekent “meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen” concreet voor de feitelijke zorginzet per dag en per etmaal voor deze specifieke, kwetsbare groep?
De staatssecretaris geeft aan te zoeken naar een invulling die relatief minder arbeidskrachten vraagt en minder inzet van verzorgenden, door meer in te zetten op welzijnswerkers. Kan de staatssecretaris concreet toelichten welke taken volgens haar door welke type professional kunnen worden overgenomen, en waar volgens haar de grens ligt omwille van kwaliteit en veiligheid van zorg? Hoe worden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en andere toezichthouders hierbij betrokken? Hoe wordt voorkomen dat complexe zorgvragen van ouderen terechtkomen bij medewerkers zonder de vereiste verpleegkundige of verzorgende kwalificaties? Welke minimumvereisten stelt de staatssecretaris aan de aanwezigheid van welzijnswerkers? En aan gediplomeerde verzorgenden en verpleegkundigen? Hoe verhouden zich de aantallen tussen deze functieprofielen ten opzichte van verschillende hoeveelheden ouderen? Op welke manier investeert de staatssecretaris in het behoud en aantrekken van verzorgenden? Verzorgenden en de verzorgenden I.G zijn essentieel om de zorg in de eerste lijn overeind te houden. Juist hier is er nog steeds geen antwoord op de loonkloof, het bekende ‘buikje’. Is de staatssecretaris nog bereid of bezig om hier een antwoord op te hebben? Zo nee, waarom niet?
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de extra zorg en ondersteuning leidt tot een extra arbeidsvraag van enkele duizenden medewerkers, bovenop de al verwachte grote tekorten in zorg en welzijn, en in het bijzonder de ouderenzorg. Genoemde leden willen graag specifieker weten hoe PwC aan de getallen is gekomen voor wat betreft de impact op het verwachtte arbeidsmarkttekort. Hoe komt men tot deze cijfers? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen deze aanvullende arbeidsvraag, zoals geschetst in het onderzoek van PwC? Welke concrete maatregelen neemt zij om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk niet neerkomt op “lichtere” zorgpakketten omdat het benodigde personeel simpelweg niet beschikbaar is? De staatssecretaris benadrukt het belang van “levende gemeenschappen”, gemeenschappelijke activiteiten en het betrekken van de buurt, onder meer in het kader van zorgzame buurten. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat het concept “zorgzame buurt” in de praktijk vooral leidt tot het verminderen van professionele zorg, terwijl de zorgvraag van bewoners onverminderd hoog blijft? Op welke wijze wordt inzichtelijk gemaakt welk deel van de benodigde ondersteuning daadwerkelijk door professionals wordt geleverd en welk deel door vrijwilligers en mantelzorgers?
In het onderzoek wordt ook gewezen op mogelijke besparingen, bijvoorbeeld door minder ziekenhuiszorg en geriatrische revalidatiezorg. Kan de staatssecretaris uiteenzetten in hoeverre zij bij de verdere uitwerking rekening houdt met deze potentiële besparingen? Genoemde leden zien deze besparingen graag systematisch in kaart worden gebracht.
Uitgaande van het scenario met zelfstandige appartementen, blijkt er behoefte aan circa 20.000 extra zorggeschikte woningen tot en met 2030, die binnen de bestaande opgave van 290.000 ouderenwoningen worden ingepast. Hoe wordt geborgd dat juist de meest kwetsbare ouderen daadwerkelijk als eerste profiteren van deze nieuwe zorggeschikte woningen? Hoe verhoudt de beoogde verschuiving in de bouwopgave zich tot de signalen dat de bestaande ouderenhuisvestingsopgave al moeilijk haalbaar is? Verwacht de staatssecretaris dat het toevoegen van extra eisen (zorggeschikt, geclusterd, ontmoetingsruimte) de realisatietermijn verder vertraagt? Zo ja, welke extra maatregelen neemt zij om de realisatie toch vlot te trekken?
De onrendabele top voor de bouw van deze zorggeschikte woonvormen loopt in de scenario’s op tot honderden miljoenen. Op welke wijze is de staatssecretaris voornemens deze onrendabele top (gedeeltelijk) te dekken? Worden zorgaanbieders en woningcorporaties hiervoor structureel gecompenseerd, of verwacht de staatssecretaris dat deze partijen de extra risico’s grotendeels zelf dragen? Hoe wordt voorkomen dat de rekening uiteindelijk bij de oudere bewoner wordt neergelegd in de vorm van hogere huren of bijkomende kosten?
In het onderzoek worden forse extra zorg- en ondersteuningskosten en een aanzienlijke onrendabele top voor de bouw geraamd. Deelt de staatssecretaris de onderliggende aannames van het onderzoek volledig? Op welke punten wijkt zij af en wat betekent dat – volgens haar eigen inschatting – voor de budgettaire impact? Kan zij uiteenzetten hoe de kosten zich verhouden tot de kosten van niets doen, bijvoorbeeld meer crisissituaties, valincidenten, extra ziekenhuisopnames en zwaardere verpleeghuiszorg op termijn? Hoe wordt voorkomen dat financiële en arbeidsmarkt-overwegingen zwaarder gaan wegen dan de daadwerkelijke zorgbehoefte van kwetsbare ouderen?
De staatssecretaris erkent dat veel initiatieven worstelen met de exploitatie van de ontmoetingsruimte en dat professionele ondersteuning nodig is om gemeenschapsvorming op gang te brengen. Is de staatssecretaris bereid hiervoor een structurele financieringslijn te ontwikkelen, in plaats van tijdelijke of projectmatige subsidies? Hoe wordt voorkomen dat ontmoetingsruimten na enkele jaren weer moeten sluiten door wegvallende financiering, waardoor bewoners hun ontmoetingsplek en onderlinge samenhang verliezen?
De staatssecretaris verwijst naar middelen oplopend tot enkele honderden miljoenen euro’s vanaf 2030 vanuit de aanvullende post voor kwaliteit van ouderenzorg. Hoe verhouden deze middelen zich tot de geraamde extra zorgkosten en onrendabele toppen in de bouw in 2040? Zijn deze middelen uitsluitend bedoeld voor moderne verzorgingshuizen en zorgzame gemeenschappen, of worden hier ook andere beleidsprioriteiten uit gefinancierd?
Kan de staatssecretaris per jaar en per regeling inzichtelijk maken welke middelen beschikbaar zijn, zodat te volgen is of dit voldoende is om de ambities waar te maken?
Omdat de herintroductie van moderne verzorgingshuizen voorlopig nog niet gerealiseerd is, willen genoemde leden ingaan op de situatie van vandaag de dag. Deze week was wederom in het nieuws dat ouderen die kleiner willen wonen op verschillende problemen stuiten1. Het gebrek aan geschikte seniorenwoningen bijvoorbeeld, maar ook de financiële en fiscale nadelen waar ouderen mee te maken kunnen krijgen. Welk antwoord heeft de staatssecretaris op deze financiële en fiscale nadelen? Wordt hier actief aan gewerkt? Genoemde leden ontvangen graag een overzicht van de inspanningen van de staatssecretaris hieromtrent, per financieel en fiscaal nadeel. Hoe wordt met het oog op deze problemen samengewerkt met andere bewindspersonen en ministeries? Wat is er nog nodig om de financiële en fiscale nadelen voor ouderen die kleiner willen wonen weg te nemen?
Verder werd ruim een jaar geleden de motie-Thiadens/Eerdmans2 aangenomen, welke verzocht de regering uit te laten spreken dat intramuraal verblijf niet hetzelfde is als thuis. Is de staatsecretaris het met genoemde leden eens dat in de huidige situatie intramuraal verblijf niet verward mag worden met ‘thuis’? Genoemde leden constateren namelijk dat private investeerders nog steeds miljarden verdienen in de commerciële ouderenzorg, vanwege het feit dat woon-zorgcomplexen niet worden gezien als zorg met verblijf (intramuraal), maar als ‘thuis’ wonen waardoor deze investeerders het winstverbod omzeilen. Is de staatsecretaris bereid om hier iets tegen te doen? Of heeft zij dit al gedaan? Zo ja, wat precies? Zo nee, waarom niet? Hoe zal de situatie er bij een herintroductie van verzorgingshuizen gaan uitzien, als we het hebben over het scheiden van wonen en zorg? Hoe wordt voorkomen dat de herintroductie van verzorgingshuizen in welke vorm dan ook duurder uitpakt dan nodig, omdat private investeerders er hoge winsten uit willen behalen?
Daarnaast willen genoemde leden van de staatssecretaris weten hoe zij ervoor gaat zorgen dat de enveloppe ouderenzorg (600 miljoen euro/jaar 2027-2029) daadwerkelijk ingezet gaat worden voor betere ouderenzorg. Hoe waarborgt zij dat deze behouden blijft voor onze ouderen en niet wordt leeggeroofd ten behoeve van bijvoorbeeld defensie?
De staatssecretaris geeft aan begin 2026 terug te komen op de resultaten van de verkenning met het veld. Is de staatssecretaris bereid de Kamer uiterlijk een week voorafgaand aan de plenaire behandeling van de begroting van VWS de beantwoording op dit schriftelijk overleg te doen toekomen, inclusief een tussenstand van de resultaten van de verkenning mochten deze nog niet volledig zijn? Kan de staatssecretaris daarbij ook aangeven welke keuzes nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen tijdig en voldoende worden gerealiseerd, zodat ouderen die nu tussen wal en schip dreigen te raken daadwerkelijk uitzicht krijgen op een veilige en fijne woonplek?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat PwC uitgaat van een groep van 56.385 ouderen die potentieel naar een geclusterde woning zouden verhuizen. Kan de staatssecretaris aangeven of zij de huidige woningvoorraad in staat acht om minstens een deel van deze groep onderdak te geven. Mocht dit het geval zijn, blijft dan de noodzaak over om extra geclusterde woonvormen bij te bouwen?
De leden van de VVD-fractie lezen ook dat de Raad van Ouderen heeft geschat dat 200.000 woningen nodig zijn binnen geclusterde woonvormen, terwijl PwC zoals benoemd berekend heeft dat een groep van 56.385 ouderen potentieel naar een geclusterde woning zou verhuizen. Kan de staatssecretaris aangeven waar dit verschil in zit? Welk cijfer acht zij het meest nauwkeurig en waarom?
De leden van de VVD-fractie noteren dat er 2799 tot 6345 extra zorgverleners nodig zullen zijn om de woonvormen zoals genoemd in het PwC-rapport te bemensen. Kan de staatssecretaris aangeven of zij mitigerende maatregelen voor zich ziet, die ervoor kunnen zorgen dat het personeelstekort minder snel stijgt? Vindt zij een maatregel gerechtvaardigd, als deze een dergelijk aantal extra zorgverleners vereist, terwijl het tekort in 2034 al geraamd wordt op 265.600? Waarom wel, of waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lezen in het rapport van PwC dat onder ouderen het gevoel heerst dat er geen privacy is in verzorgingshuizen. Aan de andere kant worden het sociale contact en de sociale omgeving genoemd als positieve aspecten van verzorgingshuizen. De leden van de VVD-fractie vragen aan de staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen dat privacy gewaarborgd wordt, terwijl tegelijkertijd het sociale contact in verzorgingshuizen kan blijven doorgaan.
Ook observeren de leden van de VVD-fractie in het PwC-rapport dat er meerkosten zijn in het realiseren van de woonvorm (16.426,37 euro in scenario 1, 23.645,07 euro in scenario 2). Dit rapport heeft in de berekeningen geen rekening gehouden met transformatie van bestaande bouw en noemt dit een beleidskeuze. Kan de staatssecretaris aangeven aan de leden van de VVD-fractie, na samen met het veld te kijken naar de mogelijkheden in de bestaande bouw, wat de totale meerkosten worden en hoeveel er met bestaande bouw gewerkt kan worden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen en de reactie van het kabinet hierop. Zij hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verkenning mede is ingegeven door de forse toename van het aantal ouderen met dementie de komende jaren. Zou nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich heeft ontwikkeld in de afgelopen tien jaar? Zou tevens nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich naar verwachting zal ontwikkelen in de komende tien jaar? Op welke wijze worden dementievriendelijke buurten gestimuleerd?
Genoemde leden lezen daarnaast dat er wordt geconstateerd dat een deel van de ouderen behoefte heeft aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap. Zij herkennen dit ook en ontvangen deze signalen ook vaak in hun gesprekken met ouderen en organisaties. Welke rol voorziet de staatssecretaris voor zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels bij het voorzien in deze behoefte aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap? Welke rol ziet zij voor zichzelf bij deze zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen terug dat er geconstateerd wordt dat er wegens hervormingen in de langdurige zorg mogelijk een gat zou zijn ontstaan in het woon- en zorgaanbod voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aan de orde is. Om welke specifieke hervormingen gaat dit? Welke politieke keuzes liggen eventueel ten grondslag aan deze hervormingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gekozen is voor een verkenning naar de herintroductie van verzorgingshuizen om het gat in het woon- en zorgaanbod voor ouderen te overbruggen. Kan nader toegelicht geworden, op basis van argumenten, welke afwegingen zijn gemaakt voor de keuze voor verzorgingshuizen? Welke andere alternatieven zijn er naast verzorgingshuizen? Op welke wijze zouden verzorgingshuizen eventueel gecombineerd kunnen worden met initiatieven omtrent intergenerationeel wonen, voorzorgcirkels en zorgzame gemeenschappen?
Welke maandelijkse kosten, waaronder bijvoorbeeld huur, zouden bewoners van een verzorgingshuis hebben? In hoeverre draagt de herintroductie van verzorgingshuis eventueel bij aan de kloof tussen verschillende inkomensklassen?
Welke concrete maatregelen zouden er eventueel genomen kunnen worden om erop toe te zien dat de mate van kwaliteit van wonen en zorg voor ouderen niet gaan afhangen van hun inkomen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de staatssecretaris voornemens is om het komende halfjaar te onderzoeken hoe de zorg en ondersteuning voor de groeiende groep thuiswonende ouderen eruit zou kunnen zien. Zou er een concreet tijdspad aangeleverd kunnen worden, waarin ook inzichtelijk wordt gemaakt op welke momenten de Kamer geïnformeerd wordt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen het overigens op prijs dat de staatssecretaris aan de slag gaat met de motie-Kröger om in de visie op de ouderenzorg ook zorgzame buurten mee te nemen als alternatief voor verpleegplekken. Zij kijken ernaar uit om de resultaten te ontvangen van de inventarisatie van de staatssecretaris naar de stimuleringsmogelijkheden voor zorgzame gemeenschappen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van staatssecretaris en het onderzoek door PwC naar de herintroductie van de verzorgingshuizen. Deze leden hebben de brief van de staatsecretaris gelezen en delen het uitgangspunt dat woonvormen tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis voor ouderen nodig zijn.
Het onderzoek van PwC laat zien dat herintroductie van verzorgingshuizen leidt tot hogere zorguitgaven in de Wet langdurige zorg (Wlz), hogere woonlasten voor ouderen, een verdere vergroting van het arbeidstekort en een aanzienlijke onrendabele top. Dit staat haaks op de bevindingen van het rapport IBO Ouderenzorg ‘Niets doen is geen optie’, waarin juist wordt benadrukt dat betaalbaarheid en beschikbaarheid van personeel onder druk staan. Hoe beziet de staatsecretaris deze twee rapporten? Waarom denkt de staatssecretaris dat de herintroductie van verzorgingshuizen, zoals omschreven in het rapport, een toekomstbestendige route is? Denkt de staatsecretaris dat er voldoende personeel voor beschikbaar is? Waarom wel of waarom niet?
Wordt in het vervolgonderzoek expliciet de variant uitgewerkt waarin wonen en zorg gescheiden zijn en waarin sociale binding, omzien naar elkaar en gemeenschappelijkheid de basis vormen? Hoe denkt de staatsecretaris dat samenredzaamheid vorm moet krijgen? De leden van de CDA-fractie zien nieuwe sociale woonvormen, waarin wonen en zorg gescheiden zijn en ontmoeting en onderlinge hulp centraal staan. Dit is de sleutel voor de toekomst van de ouderenzorg. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren?
Veel van de randvoorwaarden voor passende extramurale woonzorgconcepten liggen niet in de zorg, maar in het woondomein. Er wordt onvoldoende gebouwd dat geschikt is voor ouderen. Denk in dit geval aan de onrendabele top bij de bouw, de financiering van gemeenschappelijke ruimten en de regels rond huurtoeslag die bepalend zijn voor de betaalbaarheid voor ouderen. Het is van belang dat de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) hierin nadrukkelijk eigenaarschap neemt. Het nationale bouw- en woonprogramma biedt hiervoor een goede insteek, aangezien zorgwoningen daarin al expliciet zijn opgenomen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de minister en zijn ministerie bij het vervolgonderzoek worden betrokken? Genoemde leden vinden dat de slagingskans van zo zelfstandig mogelijk wonen en samen redzaam zijn ook afhankelijk is van de locatie waar de ouderenwoningen staan. Is er een bushalte, zijn er winkels in de buurt en is de huisarts om de hoek? Neemt de staatsecretaris dit punt in de gesprekken met de VNG mee?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het onderzoeksrapport over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben hierover meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van de staatssecretaris dat zij van mening is dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte van vroegere verzorgingshuizen. Daarbij noemt ze een aantal denkrichtingen, zoals minder arbeidskrachten, minder verzorgenden en meer werk vanuit opbouw- of welzijnswerkers. Kan de staatssecretaris concreet maken hoe ze dit voor zich ziet – met name bezien vanuit de zorgkwaliteit die dan geleverd wordt? En heeft ze een indicatie van wat dit eventueel zou opleveren ten opzichte van de budgettaire impact uit bijlage 6 van het PwC-rapport.
De berekeningen van PwC laten duidelijk zien dat meer ouderen naar een verzorgingshuis zouden willen verhuizen onder scenario 2 (zelfstandig appartement) dan onder scenario 1 (onzelfstandige kamer). Steunt de staatssecretaris de wens van de ouderen om zich in te spannen voor het realiseren van scenario 2 ten opzichte van scenario 1?
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat de meerkosten een onrendabele top hebben van respectievelijk 197,1 miljoen euro (scenario 1) en 846,7 miljoen euro (scenario 2). In hoeverre zijn er (zorg)partijen bereid om zich aan deze onrendabele top te committeren? Wordt hier al onderzoek of een verkenning naar gedaan? Daarnaast zijn de leden van de JA21-fractie benieuwd of er andere keuzemogelijkheden bestaan om de om de kosten van de onrendabele top zoveel als mogelijk te mitigeren. Als deze er zijn, zien zij graag een overzicht hiervan van deze mogelijkheden inclusief de impact die het zou kunnen maken.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat in beide scenario’s het totaal personeelstekort in de (ouderen)zorg toeneemt. In hoeverre zijn er mogelijkheden om een deel hiervan op te vangen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie in verzorgingshuizen en/of de inzet van Artificiële Intelligentie (AI)? En is er een indicatie met hoeveel medewerkers het tekort hiermee ingekrompen zou kunnen worden?
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat PwC stelt dat zij niet kunnen kwantificeren wat de verhouding is tussen de mogelijkheden voor nieuwbouw versus mogelijkheden binnen bestaand vastgoed. Is de staatssecretaris van plan, of is ze bezig, met het uitvoeren van een onderzoek wat de verhouding is qua potentie voor verzorgingshuizen tussen nieuwbouw en bestaand vastgoed? En als ze dit doet, zijn hier al cijfers van en zijn deze eventueel deelbaar?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben de volgende vragen aan de staatssecretaris.
Na jaren van afbouw van de ouderenzorg is er eindelijk beweging. De leden van de BBB-fractie hebben zich vanaf het begin uitgesproken voor het terugbrengen van verzorgingshuizen, niet als terugkeer naar het verleden, maar als eigentijdse woonvorm voor ouderen die niet meer zelfstandig kunnen wonen, maar ook nog niet in aanmerking komen voor verpleeghuiszorg.
De herintroductie van verzorgingshuizen is geen vrijblijvende verkenning, maar een noodzakelijke koerswijziging. De praktijk laat zien dat ouderen vereenzamen, mantelzorgers overbelast raken en de wijkverpleging tekortschiet. De behoefte aan beschutte woonvormen is groot, breed gedragen en urgent. Verzorgingshuizen kunnen bovendien bijdragen aan het ontlasten van de wijkverpleging, doordat zorg geconcentreerd en efficiënter georganiseerd kan worden binnen een vaste woonomgeving, met minder reistijd en betere samenwerking tussen zorgverleners.
Worden de nieuwe verzorgingshuizen gerealiseerd als zelfstandige nieuwbouwprojecten, of wordt ook gekeken naar integratie in bestaande beschutte woonomgevingen zoals geclusterde ouderenwoningen, Thuisplusflats of herbestemde gebouwen? Hoe wordt hierin regionale maatwerk en ruimtelijke spreiding geborgd? Kan de staatssecretaris aangeven wanneer de eerste verzorgingshuizen nieuwe stijl daadwerkelijk worden gerealiseerd, en hoe voorkomt de staatssecretaris dat deze koerswijziging verzandt in verkenningen zonder concrete oplevering?
In de begroting is een bedrag van 125 miljoen euro beschikbaar voor de ontwikkeling van deze woonvorm, oplopend naar 470 miljoen euro vanaf 2031. Kan de staatssecretaris toelichten hoe deze middelen concreet worden ingezet? Wordt er onderscheid gemaakt tussen bouw en ondersteuning van gemeenschapsvorming? Hoe wordt geborgd dat deze middelen ook terechtkomen bij kleinschalige initiatieven in dorpen en regio’s, en niet uitsluitend bij grote zorgorganisaties in stedelijke gebieden? Is bij de staatssecretaris bekend hoeveel deze woonvormen kunnen bijdragen aan verlichting van de werkdruk en verbetering van de continuïteit van de wijkzorg? En zo niet, is de staatssecretaris bereid dit te onderzoeken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op het onderzoek van PwC naar de herintroductie van verzorgingstehuizen. Zij willen hierover graag een aantal vragen stellen.
De leden van de SGP-fractie delen de zorg van de staatssecretaris over het ervaren ‘gat’ tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis en vinden het goed dat er naar een passende oplossing hiervoor wordt gezocht. Ze kijken uit naar de verdere verkenning van de staatssecretaris die begin 2026 met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de SGP-fractie zijn daarbij vooral benieuwd hoe de staatssecretaris het voor elkaar wil krijgen om nieuwe woonvormen te creëren zonder dat dit leidt tot een onevenredige druk op de toch al overbelaste arbeidsmarkt in de zorg. Zij stelt in haar brief dat zij, ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport, van mening is dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die vroeger in het verzorgingshuis hadden. Tegelijkertijd schept de ‘terugkeer’ van het verzorgingstehuis wel bepaalde verwachtingen als het gaat om de zorg en ondersteuning die daar dan geboden zou worden. Er is ook onder opbouw- en welzijnswerkers een groot personeelstekort. Kan de staatssecretaris al meer duidelijkheid geven over hoe zij het risico op het vergroten van het personeelstekort wil tegengaan? Wordt bijvoorbeeld onderzocht hoe het creëren van nieuwe en geclusterde woonvormen wellicht ook bij kan dragen aan vermindering van het personeelstekort? Bijvoorbeeld doordat verpleging en verzorging efficiënter georganiseerd kan worden.
De leden van de SGP-fractie hebben behoefte aan meer feitelijke informatie over vraag naar en aanbod van appartementen in verzorgingstehuizen en nieuwe (geclusterde) woonvormen. Wat betekent de bouw van nieuwe woonvormen bijvoorbeeld voor de vraag naar verzorgingstehuizen? In hoeverre verdwijnt de vraag naar het verzorgingstehuis 2.0 op het moment dat er steeds meer nieuwe woonvormen komen? Wordt bijvoorbeeld leegstand in verpleeghuizen en de opkomst van zorgzame gemeenschappen en nieuwe woonzorgvormen gemonitord? Zo nee, welke stappen zet de staatssecretaris om deze gegevens meerjarig wel te verzamelen, zodat beleid en praktijk beter onderbouwd kunnen worden en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar aansluiten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op het onderzoek naar de herintroductie van de verzorgingshuizen. Zij zijn groot voorstander van de terugkeer van de verzorgingshuizen, maar hebben wel een aantal vragen over de precieze invulling en de tijdslijn hiervan.
De leden van de SP-fractie lezen dat het verzorgingshuis voor veel mensen minder betaalbaar zou zijn dan thuis blijven wonen. Dat vinden zij opmerkelijk, aangezien de zorg in een verzorgingshuis door de kortere reistijd van zorgverleners efficiënter gegeven kan worden en mensen kleiner gaan wonen. Waarom wordt er niet gekeken naar de optie om mensen hun oude huurbedrag mee te laten nemen naar het verzorgingshuis?
De leden van de SP-fractie lezen ook dat de staatssecretaris uitgaat van hogere zorgkosten als mensen naar een verzorgingshuis verhuizen, dan als zij thuis blijven wonen. Anderzijds stelt PwC in hun rapport dat uit onderzoek blijkt “dat de huidige zorginzet voor deze ouderen ontoereikend of niet passend is, en de doelgroep zelf geeft aan behoefte te hebben aan meer zorg en ondersteuning”. Is deze toename van zorguitgaven dan niet sowieso noodzakelijk en dus niet een gevolg van de terugkeer van de verzorgingshuizen? Sterker nog, zou deze zorg niet efficiënter en dus goedkoper kunnen worden geleverd wanneer dit geclusterd plaatsvindt?
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of er bij de verdere invulling van de plannen voor de terugkeer van de verzorgingshuizen ook wordt gekeken naar het model van het zorgbuurthuis. Worden deze los van dit traject gestimuleerd of wordt dit als voorbeeld gebruikt voor de nieuwe verzorgingshuizen?
De leden van de SP-fractie vragen hoe het inmiddels staat met de uitvoering van de aangenomen motie-Dijk3 over een plan om in de komende twee jaar in tenminste honderd buurten in leegstaande panden in Nederland een zorgbuurthuis op te richten en met het amendement-Dobbe4 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de personeelstekorten een probleem kunnen vormen bij de terugkeer van de verzorgingshuizen. Hoe staat het nu met de wervingscampagne voor de zorg waar de Kamer via de motie-Dobbe5 toe heeft opgeroepen?
De leden van de SP-fractie vragen ten slotte om een tijdspad voor de bouw van de nieuwe verzorgingshuizen. Hoeveel hiervan zullen er in welk jaar worden gebouwd? Welke garanties kan de staatssecretaris geven dat deze bouwdoelstellingen wel worden gehaald?
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de staatssecretaris voor de Kamerbrief. Zij hebben nog wel enkele vragen hierbij.
De leden van de 50PLUS-fractie ondersteunen het doel van de staatssecretaris om een oplossing te vinden voor het gat tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis, en een nieuwe vorm van verzorgingshuizen. Zij delen de mening van de staatssecretaris dat een gezellige woonomgeving eenzaamheid voorkomt. Hoe denkt de staatssecretaris dit te realiseren? Het is goed dat de staatssecretaris denkt over meer inzet van opbouwwerkers of welzijnswerkers, maar genoemde leden zien bijvoorbeeld bij zorgbuurthuis ’t Hageltje in Oss dat de gemeente voor kosten gesteld wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, omdat zorgverzekeraars dit geen zorg vinden. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Zou een oplossing zoals in Den Bosch, waar jongeren wonen tussen senioren met een verplichting om een aantal dagdelen bij te dragen aan sociale activiteiten (dit wordt het butterfly effect genoemd), ook kunnen bijdragen?
In Eindhoven en omstreken is de samenwerking tussen Wooninc en Vitalis een goed voorbeeld hoe een en ander kan werken. Senioren huren zelfstandig een appartement en op het moment dat de zorg zwaarder wordt, wordt de woning “omgeklapt” en wordt de zorgaanbieder de huurder. Zo kan een senior blijven wonen in zijn eigen appartement, ook als hij of zij onder de Wlz komt te vallen. Dit geeft veel senioren rust; ze hoeven niet te verhuizen als hun gezondheid ze in de steek laat. Zou dit een goede bijdrage kunnen leveren aan de uitdagingen waar wij voor staan en kan de staatssecretaris kijken of dit breder ingezet kan worden?
Herkent de staatssecretaris de wens van senioren om in hun vertrouwde omgeving te blijven en het sociale netwerk en omgeving waar zij al jaren wonen te behouden? Zeker in kleinere gemeenschappen, wijken en dorpen zijn flats geen oplossing, een kleinschalige zorgvoorziening met zelfstandige appartementen zoals buurtwonen of een zorgbuurthuis is daar naar mening van deze leden meer passend. Hoe ziet de staatssecretaris dit?
Zou een buurt niet meer gestimuleerd zijn om betrokken te zijn als zij dit als zeer geschikte toekomstige oplossing voor zichzelf zien? Is een kleinschalige zorgvoorziening zoals hierboven genoemd niet juist een goede aansluiting bij de pilots van de buurt als ecosysteem?
De staatssecretaris stelt op pagina 3 van de Kamerbrief: “Samen met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik met het veld de mogelijkheid om de bouw van meer zorggeschikte woningen binnen de woningbouwopgave te stimuleren en te versnellen.” Zou de staatssecretaris dit nader willen toelichten? Wat is bijvoorbeeld de insteek van VWS qua tijdsplanning? En wat is de insteek qua hoeveelheid extra zorggeschikte woningen?
De leden van de 50PLUS-fractie zien goede ervaringen met buurtondersteuners en voorzorgcirkels als eerste start om de buurt meer te verbinden. Zou de staatssecretaris dit ook kunnen betrekken bij haar uitwerking?
Genoemde leden zijn zeer enthousiast over het zorgbuurthuis en het reeds genoemde Buurtwonen. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken of en hoe deze financieel haalbaar te maken zijn voor gemeenten? Als er een duidelijke financiële paragraaf is en duidelijkheid waar vanuit de financiële bijdragen komen (Wmo, gemeente, welk deel zorgkantoor of zorgverzekeraar), helpt dit om meer kleinschalige zorgvoorzieningen gerealiseerd te krijgen. Wat kan de staatssecretaris hierin betekenen?
Senioren Netwerk Nederland houdt bijeenkomsten onder de naam “Senioren zelf aan zet, Praat vandaag over morgen”. Inmiddels hebben zij een schat aan kennis en ervaring opgedaan, vanuit de ruim 17000 senioren die deze bijeenkomsten bijgewoond hebben. Van deze bijeenkomsten ging er één specifiek over woonwensen en woonopties. Is de staatssecretaris bereid met het genoemde Netwerk over de opgedane ervaringen en resultaten van deze bijeenkomsten in gesprek te gaan en dit te betrekken bij haar onderzoek?
Reactie van de minister
Mijn voorganger heeft in de brief van 17 september geconstateerd dat er woonvormen nodig zijn voor mensen met beginnend regieverlies, waar bewoners zeker kunnen zijn dat er zorg en ondersteuning direct in de nabijheid is en waar er toezicht in de nacht is.
Het kabinet is van mening dat er geen nieuwe pijler aan woonvormen hoeft te komen, maar dat het vooral gaat om het uitbreiden van bestaande woonvormen. De zorg en ondersteuning kan plaats vinden in woonvormen zoals het Zorgbuurthuis, de Langer Leven thuisflats en de Thuisplusflats of nieuwbouw locaties met een zorg- en welzijnsteam. Deze woonvormen sluiten qua fysieke bouweisen goed aan bij de huidige inzet op geclusterde zorggeschikte woningen. De zorgprofessionals zijn in deze woonvormen minder dominant aanwezig en hebben een meer faciliterende rol dan in woonvormen waarin alle bewoners een zorgvraag hebben zoals in een verzorgingshuis of verpleeghuis.
Met het wegvallen van de enveloppe ouderenzorg is de specifieke financiering van deze plannen weggevallen. Het kabinet is aan het onderzoeken of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij het aanvullend Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Over deze gemeenschapsvorming in woonvormen is uitgebreid gesproken met ActiZ, Aedes, VNG, ZN en de Seniorencoalitie.6 Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde zorggeschikte woningen zijn t/m 2030 nog middelen beschikbaar vanuit de stimuleringsregeling zorggeschikte woningen. Daarnaast zijn middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de minister van VRO.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om dit gebrek aan maatschappelijk draagvlak voor verzorgingstehuizen en vragen of de staatssecretaris deze zorgen deelt en waarom zij er alsnog voor kiest om de herintroductie van de verzorgingshuizen verder te onderzoeken. Ook vragen de leden hoe zij deze herintroductie door zou wensen te voeren zonder steun van veel van de betrokken organisaties.
Het inzicht dat er geen nieuwe woonvormen hoeven te komen naast de woonvormen voor ouderen waar al aan gewerkt wordt, sluit aan bij het gedachtengoed van de partijen die betrokken zijn bij het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen, zoals ook aan de orde is gekomen in de bespreking van de kamerbrief in oktober 2025. Naar aanleiding van de bespreking is het belang geconstateerd van gemeenschapsvorming in woonvormen, zowel in nieuwbouw als bestaande bouw. Zoals in het coalitieakkoord is aangegeven bouwt het kabinet aan zorgzame wijken en buurten door te investeren in de sociale cohesie. Het kabinet wil een verschuiving bereiken van intramurale zorg naar investeren in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning.
Het belang van gemeenschapsvorming wordt breed ondersteund en sluit ook aan bij de brief aan de informateur, de heer Van Haersma Buma, van de samenwerkende woningcorporaties, institutionele beleggers, zorginstellingen in de ouderenzorg, zorgkantoren, gemeenten, Alzheimer Nederland en ouderen. Ook recent hebben ActiZ, Aedes, Alzheimer Nederland, ANBO-PCOB namens de Seniorencoalitie, Sociaal Werk Nederland, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Zorgverzekeraars Nederland en de Coalitie van Zorg naar Gewoon Leven u nog een brief gestuurd om te zorgen voor structurele financiering van zorgzame gemeenschappen voor ouderen.7
De leden van de D66-fractie vernemen dat de staatssecretaris zowel de herintroductie van de verzorgingshuizen als de mogelijke rol van zorgzame buurten in dit dossier onderzoekt. Ze geeft hierbij aan dat ze ook wil onderzoeken op welke wijze zorgzame gemeenschappen het beste gestimuleerd kunnen worden.
De leden van de D66-fractie delen deze wens om het realiseren van de zorgzame buurten meer prioriteit te geven. Dit sluit beter aan bij de wensen van senioren, en is ook realistischer met het oog op de consequenties die het herintroduceren van verzorgingshuizen zou hebben op de financiën en de arbeidsmarkt.
De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris dan ook of zij het met deze leden eens is dat de focus niet moet liggen op het heropbouwen van verzorgingshuizen, maar dat meer prioriteit moet worden gegeven aan het versnellen van de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen, waar ouderen hun privacy en autonomie behouden.
Ja. Daar ben ik het mee eens.
De leden van de D66-fractie horen dat in de praktijk corporaties, gemeenten en zorgpartijen tegen verschillende obstakels aan lopen. Welke processen lopen er nu om die obstakels weg te nemen en is dat afdoende om de ontwikkeling van geclusterde woonvormen en zorgzame gemeenschappen te realiseren in lijn met de ambities van het kabinet? Het is belangrijk om bij de realisatie van geschikte woningen voor ouderen aandacht te hebben voor welke knelpunten generiek van toepassing zijn op de bouw, zoals bijv. stikstof, bezwaarprocedures en netcongestie, en welke knelpunten specifiek t.a.v. deze opgave gelden. Om de woningbouw te versnellen heeft het kabinet de Taskforce Versnellen Woningbouw geïnstalleerd.
Specifieke knelpunten worden geagendeerd in de landelijke Stuurgroep Wonen en Zorg en via het Aanjaagteam Wonen Welzijn en Zorg. Via de Voortgangsrapportages Ouderenhuisvesting informeer ik uw Kamer samen met de minister van VRO regelmatig over onze aanpak van de knelpunten die specifiek voor deze opgave gelden. Om kennis te delen met lokale partijen biedt het kennisinstituut Platform31 o.a. handreikingen, bijeenkomsten en webinars aan, heeft het Aanjaagteam regionale ondersteuning geboden bij de opgavebepaling en de slag naar uitvoering en ondersteunt het expertteam huisvesting aandachtsgroepen de totstandkoming van woonzorgvisies. Alle vraagstukken met betrekking tot de bouw kunnen ingediend worden op de landelijke versnellingstafel woningbouw (LVW). De LVW heeft als doel om overheden (gemeenten en provincies), woningcorporaties en woningmarktpartijen te ondersteunen bij het realiseren van de gemaakte bestuurlijke woningbouwafspraken.
De leden van de D66-fractie constateren op basis van het uitgevoerde PwC-onderzoek én cijfers van ANBO-PCOB dat ouderen een duidelijke voorkeur hebben voor zelfstandige woonconcepten. Slechts acht procent van de thuiswonende ouderen wil verhuizen naar een verzorgingshuis.
De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris uit te leggen waarom er in beleidstermen alsnog voortdurend gesproken wordt over de "herintroductie van het verzorgingshuis", terwijl de doelgroep zelf vraagt om zelfstandige woningen met zorg in de nabijheid. Hoe reflecteert zij op deze eenduidige vraag vanuit senioren en wat betekent het gebrek aan maatschappelijke steun voor de beoogde herintroductie van de verzorgingshuizen?
In het regeerakkoord van het kabinet Schoof was aangekondigd om de terugkeer van het verzorgingshuis te onderzoeken. Deze term is gekoppeld aan woonvormen tussen thuis en een verpleeghuis, waarbij de beoogde woonvorm verzorgingshuizen relatief dichter tegen het verpleeghuis aan zit. Zoals hierboven aangegeven gaat het vooral om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd en is daarmee de term verzorgingshuis niet nodig. Het kabinet geeft daarom de voorkeur om aan te sluiten bij de terminologie van de geclusterde zorggeschikte woning, zoals die is geïntroduceerd in het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen. In de brief van 17 september had mijn voorgangster overigens reeds aangegeven dat voor haar het uitgangspunt is dat woonvormen zelfstandige appartementen hebben.
De leden van de D66-fractie wijzen op het PwC-rapport waaruit blijkt dat de zorgkosten per oudere in de onderzochte scenario's met 46 tot wel 124 procent stijgen. Ook blijkt uit het PwC-rapport dat het aannemelijk is dat de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen zal stijgen, daar zij een latente zorgbehoefte hebben. Hierbij wordt benoemd dat dit een kans biedt om delen van de zorgbehoefte op alternatieve wijze in te vullen. Zij vragen de staatssecretaris welke andere alternatieve woonvormen worden onderzocht die wél betaalbaar blijven, door in te zetten op wat ouderen zelf nog kunnen, aansluitend bij de afspraken over reablement uit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO).
De berekening in het PWC-rapport gaat uit van de kosten indien aan alle ouderen uit de doelgroep een zorgzwaartepakket 2 en 3 zou worden aangeboden.
In mijn gesprekken met de veldpartijen wordt het beeld bevestigd dat met een goede combinatie van de beschikbare welzijn-, ondersteunings- en zorgactiviteiten (zoals wijkverpleging) in de behoefte van ouderen kan worden voorzien. Daarbij wordt bij de verlening van de zorg aangesloten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen, dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van dergelijke woningtypen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de minister van VRO.
De leden van de D66-fractie constateren uit het PwC-rapport dat het verwachte personeelstekort in de sector zorg en welzijn in 2034, bovenop het reeds voorspelde tekort van 265.600 medewerkers, verder zal toenemen met 2.799 extra medewerkers in scenario 1 (onzelfstandige kamers) en met 6.345 extra medewerkers in scenario 2 (zelfstandige appartementen).
De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris om een nadere toelichting of de inzet van verzorgingshuizen daadwerkelijk haalbaar is gezien de huidige tekorten in de zorg en op welke wijze zij van plan is de toenemende zorgvraag bij de introductie van verzorgingshuizen te mitigeren en zo beheersbaar te houden voor de toekomst.
Het scenario van PwC ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. In de brief van 17 september is reeds aangegeven dat ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn zoals we die vroeger in het verzorgingshuis hadden. Ik vind het belangrijk om de zorg- en ondersteuning te laten aansluiten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen, dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Dit sluit ook aan bij de afspraken over reablement zoals opgenomen in het HLO. Hiermee ga ik ook op zoek naar een invulling van de zorg en ondersteuning die relatief minder arbeidskrachten vraagt.
Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. PwC gaf hierover aan. “Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een “verzorgingshuis nieuwe stijl”. Er zijn veel goede voorbeelden die de inzet van professionele zorg kunnen verlagen. Een lagere inzet van professionele zorg dan nu verondersteld zou de budgettaire belasting verlagen en tevens invloed kunnen hebben op de verwachte tekorten op de arbeidsmarkt binnen de zorgsector.”8
Met het inzetten op gemeenschapsvorming, en met het organiseren van veel activiteiten door bewoners zelf zal minder zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte van situatie dat er geen gemeenschapsvorming is in een woonvorm. Indien de woonvorm ook een buurtfunctie heeft, kan dit ook voor de buurt gelden. Naast een efficiëntere manier van Zvw zorg en Wmo ondersteuning te bieden, zal er ook minder personeel zijn in verpleeghuizen omdat minder mensen naar verpleeghuizen zullen gaan. Bovenal zal gelden dat de thuiszorg veel minder reistijd heeft als er gewerkt wordt met een preferente zorgaanbieder (zie ook het antwoord op de volgende vraag).
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de staatssecretaris op de gepresenteerde cijfers, waarin zij inzet op een invulling met meer welzijnswerkers en reablement in verzorgingshuizen om de berekende extra vraag naar duizenden zorgmedewerkers te dempen. Echter, de leden vragen zich af of deze aanpak voldoende zal zijn om het totale personeelstekort in de sector, dat in 2034 wordt geraamd op 265.600, effectief aan te pakken. Bovendien stellen deze leden de vraag aan de staatssecretaris of deze middelen en maatregelen (voor welzijn en reablement) op zichzelf niet beter ingezet kunnen worden ter directe verlichting van de huidige personeelstekorten in de zorg.
Met de inzet op gemeenschapsvorming en het verleiden van deze groep met beginnend regieverlies om in een geclusterde woonvorm te gaan wonen verwacht ik juist dat er op termijn minder zorgmedewerkers nodig zijn. Ik verwacht om meerdere redenen dat de totale vraag naar zorg en welzijn lager zal zijn:
Mensen kunnen in deze woonvorm vaak langer blijven wonen dan als iemand ongeclusterd zelfstandig woont als de zorgvraag toeneemt, zeker als er een zorg- en welzijnsteam aanwezig is.
Het is voor partners van mensen met (beginnende) dementie beter vol te houden en veel aantrekkelijker om bij de partner te blijven wonen dan als iemand naar het verpleeghuis moet.
Iemand kan na een ziekenhuisbezoek soms niet meer naar huis gaan en gaat dan naar geriatrische revalidatiezorg of een verpleeghuis. Als iemand al in een geclusterde zorggeschikte woning woont, is het vaak nog wel
goed mogelijk om terug te keren naar de woning waar het zorg- en welzijnsteam kan dan – soms met het oogje in het zeil van medebewoners – de benodigde zorg en welzijn kan geven.
Het vermindert de zorgvraag die voortkomt uit eenzaamheid.
Er is minder formele zorg nodig in de vorm van dagbesteding of begeleiding omdat ouderen zelf veel meer organiseren.
Het empoweren van de (mensen in de) gemeenschap zorgt daarbij voor een betere mentale gezondheid en voor een lagere zorg- en welzijnsvraag.
Als gewerkt wordt met een preferente zorgaanbieder en er voldoende mensen zijn met een zorgvraag in de woonvorm zullen zorgverleners ook aanzienlijk minder reistijd hebben.
Ook zal de woonvorm in veel gevallen een buurtfunctie hebben, zodat ook voor de mensen in de buurt minder zorg en ondersteuning nodig is. Los hiervan wordt ook in de zorg ingezet op reablement. Ook dat is makkelijker vorm te geven in een geclusterde zorggeschikte woning dan in een woning waar bijvoorbeeld drempels aanwezig zijn of die niet geschikt is voor het plaatsen van hulpmiddelen (bijv. in de badkamer). Om het totale tekort aan zorgmedewerkers te verhelpen zijn meer maatregelen nodig; het inzetten op gemeenschapsvorming kan daar wel aan bijdragen.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat van de ouderen die openstaan voor verhuizen, volgens ANBO-PCOB negentig procent de voorkeur geeft aan een zelfstandig appartement met eigen voordeursleutel en zorg op afroep, boven een kamer in een verzorgingshuis. Zij vragen of de staatssecretaris bereid is de beleidsfocus te verleggen van 'verzorgingshuizen' naar woonvormen waarin wel aan de wens van ouderen kan worden voorzien.
Ja, dat ben ik. Zoals ik al eerder aangaf gaat het vooral om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd. In de brief van 17 september is reeds aangegeven dat het uitgangspunt is dat woonvormen uit zelfstandige woningen bestaan. De reeds geformuleerde bouweisen bij een zorggeschikte woning sluiten aan bij de behoefte van de doelgroep voor verzorgingshuizen. Met deze bouweisen kunnen allerlei innovatieve woonconcepten voor ouderen worden gerealiseerd.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de staatssecretaris erkent en inziet dat de behoeften van de huidige en toekomstige generaties senioren niet overeenkomen met wat het verzorgingshuis van vroeger kan bieden. Zij vragen de staatssecretaris of het, om verwarring en valse verwachtingen te voorkomen, niet beter is om definitief afscheid te nemen van de term "herintroductie verzorgingshuis" en de aandacht, middelen en inzet te verleggen naar innovatieve woonconcepten voor senioren.
Het verzorgingshuis is een term die is gekoppeld aan woonvormen tussen thuis en een verpleeghuis, waarbij veel mensen het verzorgingshuis associëren met een woonvorm waar de zorg voorop staat. En daarmee op de schaal van zelfstandig thuis tot verpleeghuis, relatief dicht bij het verpleeghuis staat. Het heeft mijn voorkeur om aan te sluiten bij de terminologie van de geclusterde zorggeschikte woning, zoals die is geïntroduceerd in het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen.
De leden van de D66-fractie signaleren de grote behoefte aan aantrekkelijke ontmoetingsruimtes waar senioren elkaar kunnen treffen ter bevordering van de samenredzaamheid. Echter, zij horen ook dat veel van dit soort waardevolle initiatieven stagneren vanwege uitdagingen in de financiering en exploitatie.
Daarom vragen genoemde leden de staatssecretaris om te onderzoeken en toe te lichten welke verschillende financierings- en exploitatiemogelijkheden zij ziet voor dergelijke initiatieven. Hierbij vragen zij specifiek aandacht voor een samenwerkingsmodel met cruciale partners zoals gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars, en willen zij weten welke concrete stappen de regering kan zetten om deze samenwerking te faciliteren en de initiatieven vlot te trekken.
Ik ben aan het onderzoeken of ik de bevordering van gemeenschapsvorming kan laten meelopen in het aanvullend HLO-akkoord.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de in het PwC-rapport becijferde uitkomsten, waaronder de kostenstijging van 535,7 miljoen euro per jaar in 2040, de cumulatieve onrendabele top van 846,7 miljoen euro, én de benodigde 6.345 extra voltijds zorgmedewerkers in 2034.
Deze leden vragen de staatssecretaris om een toelichting op de wijze waarop zij de kosten en de benodigde capaciteit van dit geschetste scenario doelmatig en effectief acht, gelet op de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de personeelstekorten en de dubbele vergrijzing.
De berekening van de zorgkosten in het PWC-rapport gaat uit van de kosten indien aan alle ouderen uit de doelgroep een zorgzwaartepakket 2 en 3 zou worden aangeboden. Mijn verwachting is dat met een goede combinatie van de beschikbare welzijn-, ondersteunings- en zorgactiviteiten (zoals wijkverpleging) in de behoefte van ouderen kan worden voorzien en daarmee de door PwC berekende extra zorgkosten (en inzet van zorgprofessionals) zich in veel mindere mate zullen voordoen.
Daarnaast houdt PwC rekening met een toename naar de vraag naar zorggeschikte geclusterde woningen van ouderen. Dit wordt onderdeel van de woondealafspraken die door het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) met de provincies en de gemeenten worden gemaakt. Onderzoek wijst uit dat de realisatie van deze woningen (via nieuwbouw of transformatie) extra kosten met zich brengt.9 Met VRO breng ik momenteel in kaart welke financiële inzet vanuit het Rijk nodig en mogelijk is om de realisatie van deze woningtypen financieel ook na 2030 haalbaar te maken.
Ook vernemen de leden van de D66-fractie graag of de staatssecretaris breder kijkt naar alternatieve beleidsscenario's die een mogelijk positiever effect kunnen hebben op zowel de financiële houdbaarheid als de personele inzetbaarheid.
Zoals hierboven aangegeven wordt reeds op een alternatieve wijze gekeken om de ouderen met beginnend regieverlies passend te huisvesten. Doordat daarmee vooral een uitbreiding van de bestaande woonvormen nodig is en daarbij inzet op gemeenschapsvorming, biedt dit meer mogelijkheden dat bewoners veel meer zelf organiseren aan activiteiten waardoor minder zorg en ondersteuning door formele zorg- en welzijnsverleners nodig is. Hiermee is er ook een positiever effect op de financiële houdbaarheid en personele inzetbaarheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van de staatssecretaris op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
In het onderzoek van PwC wordt gewerkt met twee scenario’s. In het eerste met onzelfstandige kamers en in het tweede met zelfstandige appartementen. Kan de staatssecretaris toelichten waarom in haar brief vooral wordt voortgeborduurd op het scenario met zelfstandige appartementen? Betekent dit dat varianten met meer onzelfstandige, klassieke verzorgingshuisachtige woonvormen voor haar al zijn afgevallen?
Ja dat klopt. De rapporten van de Raad van Ouderen en de peiling van ANBO-PCOB gaven duidelijk de voorkeur aan van zelfstandige woningen. Hiermee kan een veel grotere groep mensen worden verleid om tijdig te verhuizen naar een geclusterde woonvorm. In de huidige woonvormen die nu gebouwd worden, wordt ook uitgegaan van zelfstandige wonen in een geclusterde woonvorm. Ik ga daarom uit van een grotere groep die wil verhuizen.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de zorginzet in de nieuwe woonvorm hoger is dan in de huidige thuissituatie, omdat de huidige zorg voor deze groep ouderen vaak ontoereikend is. De staatssecretaris geeft tegelijk aan dat volgens haar niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn als vroeger in het verzorgingshuis. Genoemde leden zouden dit graag nader toegelicht willen zien. Kan de staatsecretaris dit nog duidelijker specificeren? De staatssecretaris schrijft dat zij de zorg- en ondersteuning in een modern verzorgingshuis wil laten aansluiten bij de ingezette lijn, om meer uit te gaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen en van reablement. Kan de staatssecretaris enkele voorbeelden noemen van initiatieven waar dit momenteel optimaal functioneert? Wat betekent “meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen” concreet voor de feitelijke zorginzet per dag en per etmaal voor deze specifieke, kwetsbare groep?
De berekening in het PWC-rapport gaat uit van de kosten indien aan alle ouderen uit de doelgroep een zorgzwaartepakket 2 en 3 zou worden aangeboden. Ik vind het belangrijk dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Dit sluit ook aan bij de afspraken over reablement zoals opgenomen in het HLO. Hiermee ga ik ook op zoek naar een invulling van de zorg en ondersteuning die relatief minder arbeidskrachten vraagt. Of een invulling die minder uitgaat van de inzet van verzorgenden, waar juist het grootste tekort op de arbeidsmarkt is, en meer van opbouw- op welzijnswerkers. Een goed voorbeeld in deze is Zorgorganisatie de Zorgboog in Brabant die door een combinatie van zorg- en welzijnsteams de zorgvraag van ouderen sterk heeft beperkt.
Daarnaast zijn er goede voorbeelden te vinden in het door ZonMw uitgevoerde programma over reablement. Als onderdeel van dit programma, is er door de Universiteit Maastricht en zorgorganisaties die bezig zijn met toepassing van reablement een beleidsbrief opgesteld.10 Hierin worden de volgende resultaten uitgelicht:
In de regio West- en Midden-Brabant hebben ruim 1000 cliënten deelgenomen aan het Langer Actief Thuis programma, waarvan ruim de helft na afronding van het programma weer zelfstandig was en bijna een kwart van de cliënten minder zorg nodig had.
In pilotstudies bij Mijzo, Cicero en Samen zijn significante en klinisch relevante verbeteringen zichtbaar met betrekking tot de doelen die door cliënten gesteld zijn.
Uit een gerandomiseerde studie blijkt dat zorgprofessionals die getraind zijn in het gedachtegoed van reablement hun cliënten meer stimuleren om actief te participeren in dagelijkse activiteiten dan niet getrainde zorgprofessionals, met blijvende effecten na 3 maanden.
Verpleeghuisbewoners die op een afdeling woonden waar het ZELF-programma geïmplementeerd werd, maakten gedurende een periode van 6 maanden €584 minder kosten dan verpleeghuisbewoners in de controlegroep; er is een hoge kans op kosteneffectiviteit.
Gemeente Kerkrade, MeanderGroep en drie andere aanbieders Hulp bij het Huishouden toonden aan dat reablement bij 393 cliënten leidde tot 17% minder huishoudelijke ondersteuning én hogere klanttevredenheid.
Cliënten die meedoen aan een reablement programma ervaren meer zelfstandigheid, geluk en regie. Daarnaast wordt de mantelzorger deels ontlast en ervaart de professional meer werkplezier.
De staatssecretaris geeft aan te zoeken naar een invulling die relatief minder arbeidskrachten vraagt en minder inzet van verzorgenden, door meer in te zetten op welzijnswerkers. Kan de staatssecretaris concreet toelichten welke taken volgens haar door welke type professional kunnen worden overgenomen, en waar volgens haar de grens ligt omwille van kwaliteit en veiligheid van zorg? Hoe worden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en andere toezichthouders hierbij betrokken? Hoe wordt voorkomen dat complexe zorgvragen van ouderen terechtkomen bij medewerkers zonder de vereiste verpleegkundige of verzorgende kwalificaties? Welke minimumvereisten stelt de staatssecretaris aan de aanwezigheid van welzijnswerkers? En aan gediplomeerde verzorgenden en verpleegkundigen? Hoe verhouden zich de aantallen tussen deze functieprofielen ten opzichte van verschillende hoeveelheden ouderen?
In Nederland werken ruim 1,6 miljoen mensen in zorg en welzijn. De uitoefening van de individuele gezondheidszorg is in principe vrij voor iedereen. Het is belangrijk om alleen die beroepen wettelijk te reguleren waarvoor dat vanuit patiëntveiligheid nodig is.
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan.
Als het gaat om wijkverpleging is dat niet anders dan de zorg die nu bij mensen thuis wordt geleverd. De kwaliteit zal eerder omhoog gaan als gewerkt kan worden met een preferente zorgaanbieder en er als gevolg daarvan een zorgteam in een woonvorm aanwezig is. In dat geval zal zo nodig sneller kunnen worden gereageerd in acute situaties. Als het gaat om de gemeenschapsvorming komen meerdere beroepen in aanmerking. Dit kan iemand uit het welzijn zijn, maar ook iemand die juist uit de horeca komt of ervaring heeft met het organiseren van evenementen. Als gewenst is om een verbinding met de buurt te maken, kan een opbouwwerker daarbij aan de orde zijn.
Voor de volledigheid geef ik hierbij ook aan hoe de veiligheid bij de zorgverlening verder is geborgd.
Wie welke taken uitvoert en om te garanderen dat de kwaliteit en patiëntveiligheid van zorg is geborgd is enerzijds op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) aan de zorgaanbieder en anderzijds in het kader van de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) aan de individuele BIG geregistreerde zorgmedewerker. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet als toezichthouder toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en jeugdhulp.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders te allen tijde eindverantwoordelijk voor het leveren van goede zorg. Zorgaanbieders dragen de verantwoordelijkheid om te controleren of de zorgverlener geschikt is om de zorg te verlenen en zich ervan te vergewissen dat zij over de juiste kwalificaties beschikken. Dit betekent dat iemand op grond van de Wkkgz bepaalde zorgtaken mag uitvoeren als die persoon de nodige kennis en vaardigheden bezit, in staat is deze handelingen veilig en verantwoord uit te voeren en het (arbeids)verleden niet in de weg staat aan het verlenen van die zorg.
De Wet BIG heeft tot doel om de kwaliteit van zorgverleners te bevorderen en de patiëntveiligheid te bewaken. Rond 385.000 zorgmedewerkers werken in een gereguleerd BIG beroep en zijn ingeschreven in het BIG-register. Omdat de uitoefening van de individuele gezondheidszorg in principe vrij is voor iedereen, hoeven niet alle beroepen en handelingen in de zorg wettelijk te worden gereguleerd. Zoals in de Kamerbrieven van 26 juni 2023 en 12 november 202411 aangegeven biedt de Wet BIG nu al veel flexibiliteit voor de arbeidsmarkt en ruimte om voorbehouden handelingen te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgverleners.12 Voorbehouden handelingen zijn handelingen die een aanmerkelijk risico voor de patiënt kunnen opleveren als zij door ondeskundigen worden uitgevoerd. In de Wet BIG zijn veertien voorbehouden handelingen opgenomen. Deze handelingen mogen niet zelfstandig door een niet BIG-geregistreerde zorgverlener worden uitgevoerd.
Voorbehouden handelingen mogen uitgevoerd worden in opdracht van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde zorgverlener, de ‘opdrachtgever’, zoals bijvoorbeeld een arts. De zorgverlener die de handeling in opdracht gaat uitvoeren, de ‘opdrachtnemer’, moet dan wel bekwaam zijn. Ook moet toezicht en tussenkomst van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde zorgverlener mogelijk zijn. Een zorgverlener is bekwaam als deze op het moment van uitvoering over de benodigde kennis en ervaring beschikt. Dit is de verantwoordelijkheid van de BIG-geregistreerde opdrachtgever en diegene die de handeling uitvoert, de opdrachtnemer. Samen met diverse veldpartijen13 is voorlichting ontwikkeld over de mogelijkheden van deze opdrachtverlening via de Wet BIG. Deze opdrachtregeling zorgt uiteindelijk voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt en draagt het bij aan het beter benutten van ieders talent. De informatie is verspreid onder de doelgroep en te vinden op de site van de Rijksoverheid. 14
Daarnaast is door de organisaties betrokken bij de ondersteuning en zorg voor ouderen het Generiek kompas ‘Samen werken aan kwaliteit van bestaan’ (hierna het Kompas) opgesteld. Het Kompas gaat over kwaliteit van bestaan van mensen met een zorgvraag thuis, in de wijk of in het verpleeghuis. Onder de reikwijdte van het Kompas valt zorg voor een diverse groep mensen met verschillende zorgvragen met verschillende zorgzwaartes. Het Kompas laat de bouwstenen zien die nodig zijn om de kwaliteit van bestaan te versterken. Het is gericht op de mens met een zorgvraag en op de kracht die al dan niet in de eigen en de lokale omgeving aanwezig is. Vervolgens worden handvatten gegeven hoe professionals hierop kunnen aansluiten en wat zij hiervoor nodig hebben en hoe technologie dit kan versterken.
Op welke manier investeert de staatssecretaris in het behoud en aantrekken van verzorgenden?
Het aanpakken van de personeelstekorten in zorg en welzijn heeft grote prioriteit voor dit kabinet. Samen met de minister van VWS geef ik met de afspraken uit het AZWA en HLO invulling aan het arbeidsmarktbeleid in de sector. Als het specifiek gaat om behoud en aantrekken van personeel, dan ligt de primaire verantwoordelijkheid bij werkgevers. Het kabinet ondersteunt hen hierbij, bijvoorbeeld door goede voorbeelden en kennis over het terugdringen van verzuim en verloop te delen. De afspraken die in het AZWA en HLO zijn gemaakt om de tekorten terug te dringen, dragen daarnaast ook bij aan het behouden en aantrekken van specifieke beroepsgroepen zoals verzorgenden. Zo zijn er afspraken gemaakt over het meer, beter en sneller opleiden en ontwikkelen van professionals. De focus ligt hierbij op tekortberoepen, zoals de verzorgende IG, en sectoren buiten het ziekenhuis. In 2027 is hiervoor € 83 miljoen beschikbaar, oplopend tot € 129 miljoen voor 2028 en € 185 miljoen per 2029. Ook zullen bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden met de introductie van het nieuwe loopbaanplatform Zowi en hebben partijen afgesproken om te blijven werken aan een lerende cultuur waarin zeggenschap een centrale plek krijgt. Met deze investeringen zorgen we er samen met partijen in het veld voor dat het aantrekkelijk is en blijft om te werken in zorg en welzijn.
Verzorgenden en de verzorgenden I.G zijn essentieel om de zorg in de eerste lijn overeind te houden. Juist hier is er nog steeds geen antwoord op de loonkloof, het bekende ‘buikje’. Is de staatssecretaris nog bereid of bezig om hier een antwoord op te hebben? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek van SEO uit 2023 blijkt dat het gemiddelde uurloon van zorgmedewerkers redelijk vergelijkbaar is met de vergelijkbare medewerkers in de marktsector. Wel verschilt de marktconformiteit van het salaris tussen verschillende zorgbranches en ook tussen verschillende groepen binnen dezelfde branche. Uit ditzelfde onderzoek blijkt dat verzorgenden ongeveer hetzelfde uurloon verdienen als vergelijkbare personen uit andere sectoren. Op basis van een vergelijking van cao-lonen door AWVN blijkt dat de beloning in het midden van het loongebouw van een aantal cao’s binnen de zorg achterblijft ten opzichte van de markt en de rest van de publieke sector. Voor verzorgenden is dit verschil echter beperkt, waarbij het precieze verschil afhankelijk is van de inschaling binnen de cao en de cao waaronder zij vallen. In zijn algemeenheid kan ik bovendien aangeven dat het kabinet geen ruimte ziet om boven op de jaarlijkse overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling die dit kabinet al beschikbaar stelt, nog extra middelen vrij te maken.
Tot slot wil ik erop wijzen dat er binnen de sector zorg en welzijn geen of slechts in zeer beperkte mate een relatie lijkt te zijn tussen enerzijds de marktconformiteit van het salaris binnen branches en anderzijds de personeelstekorten binnen die branches. Zo hebben de umc’s – waar het salaris ruim boven marktconform ligt – in ongeveer dezelfde mate te maken met personeelstekorten als de andere branches binnen zorg en welzijn. Dit is aanleiding om te vermoeden dat het beschikbaar stellen van extra middelen voor hogere lonen in de zorg geen (kosten-)effectieve maatregel is, als het gaat om het oplossen van de arbeidsmarkttekorten binnen zorg en welzijn.
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de extra zorg en ondersteuning leidt tot een extra arbeidsvraag van enkele duizenden medewerkers, bovenop de al verwachte grote tekorten in zorg en welzijn, en in het bijzonder de ouderenzorg. Genoemde leden willen graag specifieker weten hoe PwC aan de getallen is gekomen voor wat betreft de impact op het verwachtte arbeidsmarkttekort. Hoe komt men tot deze cijfers? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen deze aanvullende arbeidsvraag, zoals geschetst in het onderzoek van PwC?
PwC heeft gekeken naar de zorg- en ondersteuning die mensen kregen bij een zorgzwaartepakket VV2 en VV3. Daarbij is dit vergeleken met de zorg die deze mensen nu in de thuissituatie krijgen. Ook is gekeken naar de verminderde zorg in bijvoorbeeld het ziekenhuis. De extra benodigde arbeidskrachten is een saldo van deze verschillende onderdelen.
Ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport ben ik van mening dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die vroeger in het verzorgingshuis hadden. Ik vind het belangrijk om de zorg- en ondersteuning in het eventuele moderne verzorgingshuis te laten aansluiten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen, dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Ook PwC geeft in de reflectie aan dat er mogelijkheden zijn om de zorg en ondersteuning op een andere manier te verlenen. Daarbij werd toen nog uitgegaan van woonvormen waar alleen mensen met een zorgvraag bij elkaar wonen. Uitbreiding van de bestaande woonvormen en daarbij inzet op gemeenschapsvorming, biedt daarbij meer mogelijkheden dat bewoners veel meer zelf organiseren aan activiteiten. Hierdoor is minder zorg en ondersteuning door formele zorg- en welzijnsverleners nodig.
Welke concrete maatregelen neemt zij om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk niet neerkomt op “lichtere” zorgpakketten omdat het benodigde personeel simpelweg niet beschikbaar is? De staatssecretaris benadrukt het belang van “levende gemeenschappen”, gemeenschappelijke activiteiten en het betrekken van de buurt, onder meer in het kader van zorgzame buurten. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat het concept “zorgzame buurt” in de praktijk vooral leidt tot het verminderen van professionele zorg, terwijl de zorgvraag van bewoners onverminderd hoog blijft?
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding. De partner en kinderen
kunnen hierbij helpen, en in een woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan.
Hulp bij bijvoorbeeld het wassen en aankleden zal niet veranderen en zal hooguit makkelijker te faciliteren zijn als er een preferent zorgteam aanwezig is in een woonvorm. Welzijn zal wel meer door niet professionals worden georganiseerd. Dit zie ik niet als een verschraling maar vooral als een kans. Het organiseren van een gezamenlijke maaltijd door een kookclub of biljarten door een medebewoner zorgt ervoor dat de talenten van mensen benut blijven, mensen actief blijven en kan juist voldoening bieden.
Op welke wijze wordt inzichtelijk gemaakt welk deel van de benodigde ondersteuning daadwerkelijk door professionals wordt geleverd en welk deel door vrijwilligers en mantelzorgers?
Ik vind het onwenselijk om dit in beeld te brengen. Dit zou een hele grote administratieve last betekenen voor de zorgverleners.
In het onderzoek wordt ook gewezen op mogelijke besparingen, bijvoorbeeld door minder ziekenhuiszorg en geriatrische revalidatiezorg. Kan de staatssecretaris uiteenzetten in hoeverre zij bij de verdere uitwerking rekening houdt met deze potentiële besparingen? Genoemde leden zien deze besparingen graag systematisch in kaart worden gebracht.
In figuur 27 op pagina 55 van het rapport heeft PwC de besparingen van een verzorgingshuis op een systematische manier in kaart gebracht. Daarin wordt voor o.a. voor de medisch specialistische zorg, de ziekenhuiszorg, geriatrische revalidatiezorg, eerstelijnsverblijf aangegeven dat er een besparing is als mensen in een verzorgingshuis zitten.
Uitgaande van het scenario met zelfstandige appartementen, blijkt er behoefte aan circa 20.000 extra zorggeschikte woningen tot en met 2030, die binnen de bestaande opgave van 290.000 ouderenwoningen worden ingepast. Hoe wordt geborgd dat juist de meest kwetsbare ouderen daadwerkelijk als eerste profiteren van deze nieuwe zorggeschikte woningen? Hoe verhoudt de beoogde verschuiving in de bouwopgave zich tot de signalen dat de bestaande ouderenhuisvestingsopgave al moeilijk haalbaar is?
De woningtypen wijken qua bouweisen niet af van de zelfstandige geclusterde zorggeschikte woningen die reeds in de bouwprogrammering zitten. Hierdoor is er geen sprake van extra eisen ten opzichte van de huidige woningtypen voor ouderen. Gezien de doorlooptijd van bouwprojecten, zou deze extra opgave aan geclusterde zorggeschikte woningen verwerkt moeten worden in de bouwopgave vanaf 2030. Hiermee voorkomen we ook dat de huidige programmering van deze woningtypen (die loopt tot en met 2030) extra vertraging oploopt doordat deze extra kwantitatieve opgave erin verwerkt zou moeten worden. U stelt terecht dat ook het halen van de huidige opgave tot en met 2030 uitdagend is. Om die reden kijk ik samen met de minister van VRO ook wat er in de bestaande bouw en in de bestaande wooncomplexen voor ouderen mogelijk is om de zorg en ondersteuning toe te voegen die nodig is voor de groep die het onderzoek van PwC geïdentificeerd heeft. Gemeenten, zorgaanbieders en corporaties hebben de benodigde instrumenten om deze woningen toe te wijzen aan personen die dat nodig hebben en kunnen zo nodig afspraken maken over de toewijzing van deze specifieke groep, al dan niet in afstemming met zorgaanbieders. Corporaties moeten zich houden aan wet- en regelgeving bij het toewijzen van de woning, wat ervoor zorgt dat huishoudens met een laag inkomen in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en de huurprijs in verhouding staat tot de hoogte van het inkomen. Om de woningbouw te versnellen is het kabinet de Taskforce Versnellen Woningbouw gestart.
Verwacht de staatssecretaris dat het toevoegen van extra eisen (zorggeschikt, geclusterd, ontmoetingsruimte) de realisatietermijn verder vertraagt? Zo ja, welke extra maatregelen neemt zij om de realisatie toch vlot te trekken?
Afgelopen jaar heeft het ministerie van VRO tezamen met de sector definities vastgesteld voor de woonfuncties zorggeschikt en nultreden met daaraan gekoppelde bruikbaarheidseisen. Deze functies worden vastgelegd in het Bbl en gelden voor nieuwbouw. Er ontstaat dan meer duidelijkheid en uniformiteit voor de sector waardoor minder tijd wordt verloren aan discussies tussen bouwers, gemeenten en de zorgsector over de te stellen eisen aan nultredenwoningen, zorggeschikte – of geclusterde woningen. Daarnaast worden gemeenten door het bepalen van eenduidige definities in staat gesteld hun opgave voor woningen voor ouderen in de bestaande voorraad helder en concreet te maken en kunnen (industriële) bouwers hun woonconcepten standaardiseren op landelijke bouweisen. Het toevoegen van deze eisen leidt daarmee juist tot versnelling van de realisatie.
De onrendabele top voor de bouw van deze zorggeschikte woonvormen loopt in de scenario’s op tot honderden miljoenen. Op welke wijze is de staatssecretaris voornemens deze onrendabele top (gedeeltelijk) te dekken? Worden zorgaanbieders en woningcorporaties hiervoor structureel gecompenseerd, of verwacht de staatssecretaris dat deze partijen de extra risico’s grotendeels zelf dragen? Hoe wordt voorkomen dat de rekening uiteindelijk bij de oudere bewoner wordt neergelegd in de vorm van hogere huren of bijkomende kosten?
De onrendabele top bij zorggeschikte woningen komt voort uit structurele meerkosten. De meerkosten zijn dermate hoog dat ontwikkelende partijen deze niet voor eigen rekening kunnen nemen om tot ontwikkeling te komen. In de vrije marktsegmenten kunnen ontwikkelende partijen deze meerkosten redelijkerwijs doorberekenen in de huur. Voor de middenhuurwoningen wordt een redelijke huurprijs geborgd door regulering via het Woningwaarderingsstelsel (WWS), waarin een puntenopslag voor zorgwoningen zit. Het is niet of nauwelijks mogelijk om meerkosten terug te verdienen in het sociale huursegment, mede door passend toewijzen. Voor het dekken van de onrendabele top bij zorggeschikte woningen, ook voor de groep alleenstaande ouderen met beginnend regieverlies, bestaat reeds een subsidieregeling: de stimuleringsregeling zorggeschikte woningen (SZGW). Ook de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting kan daarbij worden benut. Bij de verdere uitwerking van de plannen kijk ik ook wat mogelijk is en welk financieringsinstrument het meest passend is.
In het onderzoek worden forse extra zorg- en ondersteuningskosten en een aanzienlijke onrendabele top voor de bouw geraamd. Deelt de staatssecretaris de onderliggende aannames van het onderzoek volledig? Op welke punten wijkt zij af en wat betekent dat – volgens haar eigen inschatting – voor de budgettaire impact?
De kosten voor de onrendabele top sluiten aan bij de kosten zoals door KPMG eerder berekend.15 Ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport ben ik van mening dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die vroeger in het verzorgingshuis hadden. Ik vind het belangrijk om de zorg- en ondersteuning in het eventuele moderne verzorgingshuis te laten aansluiten bij de afspraken die zijn gemaakt in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) en het Aanvullende zorg en welzijnsakkoord (AZWA). Dat wil zeggen, dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. Ook PwC geeft in de reflectie aan dat er mogelijkheden zijn om de zorg en ondersteuning op een andere manier te verlenen. Uitgaande van een uitbreiding van de bestaande woonvormen en daarbij inzet op gemeenschapsvorming, biedt daarbij meer mogelijkheden dat bewoners veel meer zelf organiseren aan activiteiten. Hierdoor is minder zorg en ondersteuning door formele zorg- en welzijnsverleners nodig.
Kan zij uiteenzetten hoe de kosten zich verhouden tot de kosten van niets doen, bijvoorbeeld meer crisissituaties, valincidenten, extra ziekenhuisopnames en zwaardere verpleeghuiszorg op termijn?
In figuur 27 op pagina 55 van het rapport heeft PwC de besparingen van een verzorgingshuis op een systematische manier in kaart gebracht. Daarin wordt voor o.a. voor de medisch specialistische zorg, de ziekenhuiszorg, geriatrische revalidatiezorg, eerstelijnsverblijf aangegeven dat er een besparing is als mensen in een verzorgingshuis zitten.
Hoe wordt voorkomen dat financiële en arbeidsmarkt-overwegingen zwaarder gaan wegen dan de daadwerkelijke zorgbehoefte van kwetsbare ouderen?
Bij het stimuleren van woongemeenschappen wordt zowel bereikt dat ouderen fijn en passend kunnen wonen komen als dat er op termijn besparingen voor de rijksoverheid kunnen ontstaan en er minder professionele zorg nodig is.
De staatssecretaris erkent dat veel initiatieven worstelen met de exploitatie van de ontmoetingsruimte en dat professionele ondersteuning nodig is om gemeenschapsvorming op gang te brengen. Is de staatssecretaris bereid hiervoor een structurele financieringslijn te ontwikkelen, in plaats van tijdelijke of projectmatige subsidies? Hoe wordt voorkomen dat ontmoetingsruimten na enkele jaren weer moeten sluiten door wegvallende financiering, waardoor bewoners hun ontmoetingsplek en onderlinge samenhang verliezen?
Ik onderzoek of ik de bevordering van de gemeenschapsvorming mee kan nemen in het nieuw af te sluiten Wlz-akkoord.
De staatssecretaris verwijst naar middelen oplopend tot enkele honderden miljoenen euro’s vanaf 2030 vanuit de aanvullende post voor kwaliteit van ouderenzorg. Hoe verhouden deze middelen zich tot de geraamde extra zorgkosten en onrendabele toppen in de bouw in 2040?
Bij een uitbreiding van de bestaande woonvormen en daarbij inzet op gemeenschapsvorming, zijn er minder kosten aan de zorg- en welzijnspakketten dan in het geval van woonvormen waarin alleen mensen met een zorgvraag bij elkaar wonen (waar in het PwC-rapport van wordt uitgegaan).
Bij zorggeschikte woningen is sprake van structurele meerkosten conform het onderzoek van KPMG en PwC, zoals rolstoelgeschikte woonplattegrond, ontmoetingsruimte en brandveiligheid. Deze kosten komen bovenop andere onrendabele toppen die voortkomen uit het realiseren van betaalbare woningen. Om deze meerkosten te dekken is een langjarige stimulans nodig, waardoor de businesscase van deze woningen aantrekkelijk genoeg wordt gemaakt voor ontwikkeling.
Zijn deze middelen uitsluitend bedoeld voor moderne verzorgingshuizen en zorgzame gemeenschappen, of worden hier ook andere beleidsprioriteiten uit gefinancierd?
Met het coalitieakkoord zijn de middelen uit de enveloppe ouderenzorg geschrapt. Voor gemeenschapsvorming ga ik onderzoeken of ik dit kan financieren in het kader van het aanvullend HLO-akkoord. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde zorggeschikte woningen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de minister van VRO.
Kan de staatssecretaris per jaar en per regeling inzichtelijk maken welke middelen beschikbaar zijn, zodat te volgen is of dit voldoende is om de ambities waar te maken?
Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen is een bedrag van in totaal € 312 miljoen voor de periode 2023-2026 beschikbaar gesteld voor de realisatie van zorggeschikte woningen met een sociale huurprijs. Daarnaast is samen met het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening sinds 2022 circa €69 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting. Dit kabinet heeft daarnaast voor de lopende bouwopgave op deze woningtypes (t/m 2030) aanvullende middelen gereserveerd onder de Realisatiestimulans. De huidige middelen zijn voldoende om de huidige bouwafspraken van zorggeschikte woningen te dekken.
Omdat de herintroductie van moderne verzorgingshuizen voorlopig nog niet gerealiseerd is, willen genoemde leden ingaan op de situatie van vandaag de dag. Deze week was wederom in het nieuws dat ouderen die kleiner willen wonen op verschillende problemen stuiten16. Het gebrek aan geschikte seniorenwoningen bijvoorbeeld, maar ook de financiële en fiscale nadelen waar ouderen mee te maken kunnen krijgen. Welk antwoord heeft de staatssecretaris op deze financiële en fiscale nadelen? Wordt hier actief aan gewerkt? Genoemde leden ontvangen graag een overzicht van de inspanningen van de staatssecretaris hieromtrent, per financieel en fiscaal nadeel. Hoe wordt met het oog op deze problemen samengewerkt met andere bewindspersonen en ministeries? Wat is er nog nodig om de financiële en fiscale nadelen voor ouderen die kleiner willen wonen weg te nemen?
Middels het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt gewerkt aan betere informatievoorziening voor ouderen over hun woon- en financieringsmogelijkheden en aan het verbeteren van hypotheekfinancieringsmogelijkheden voor ouderen. In de periodieke bijeenkomsten die in het kader van het convenant vanuit het ministerie van VRO worden georganiseerd, wordt de voortgang op de afspraken uit het convenant besproken.
Een van de financieringsmogelijkheden die is besproken bij het convenant is het aanbod van losse overbruggingshypotheken (dus niet in combinatie met een vaste hypotheek). Losse overbruggingshypotheken zijn voor veel kredietverstrekkers relatief duur om aan te bieden, en zijn vaak alleen beschikbaar voor bestaande klanten of uitsluitend in combinatie met een (kleine) reguliere hypotheek. Een deel van de ouderen dat een losse overbruggingshypotheek nodig heeft, kan wel op andere manieren door kredietverstrekkers worden geholpen. Omdat de verwachting is dat de groep ouderen die een losse overbruggingshypotheek nodig heeft zal toenemen, wordt verkend of er meer en een beter passend aanbod kan komen. Ook wordt er gekeken naar andere mogelijkheden, zoals het opzetten van een fonds dat deze specifieke doelgroep kan bedienen. De uitkomsten van deze verkenning worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer gedeeld.
Ook kunnen er financiële gevolgen zijn voor AOW’ers wanneer zij gaan samenwonen. De minister van SZW heeft in een kamerbrief ter aanbieding van de maatschappelijke kosten-batenanalyse AOW benoemd dat er aanknopingspunten zijn om de AOW te vereenvoudigen middels een objectief partnerbegrip. Naar verwachting zorgt vereenvoudiging van de AOW ervoor dat meer ouderen gaan samenwonen17. In de brief over de Taskforce Versnelling Woningbouw18 heeft het Kabinet aangegeven de komende maanden te werken aan opties voor harmonisering van het aantal leefvormvarianten in de AOW, inclusief (indien nodig) dekking.
Verder werd ruim een jaar geleden de motie-Thiadens/Eerdmans19 aangenomen, welke verzocht de regering uit te laten spreken dat intramuraal verblijf niet hetzelfde is als thuis. Is de staatsecretaris het met genoemde leden eens dat in de huidige situatie intramuraal verblijf niet verward mag worden met ‘thuis’? Genoemde leden constateren namelijk dat private investeerders nog steeds miljarden verdienen in de commerciële ouderenzorg, vanwege het feit dat woon-zorgcomplexen niet worden gezien als zorg met verblijf (intramuraal), maar als ‘thuis’ wonen waardoor deze investeerders het winstverbod omzeilen. Is de staatsecretaris bereid om hier iets tegen te doen? Of heeft zij dit al gedaan? Zo ja, wat precies? Zo nee, waarom niet?
De motie van de leden Thiadens en Eerdmans (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 61) verzoekt de regering uit te spreken dat intramuraal verblijf niet hetzelfde is als thuis. In reactie daarop wil ik aangeven dat ook de regering vindt dat intramuraal verblijf niet hetzelfde is als zorg thuis.
In de constateringen bij de motie wordt aangegeven dat winstuitkering bij zorg met verblijf verboden is, maar dat het winstverbod wordt omzeild doordat woon-zorgcomplexen op basis van het scheiden van wonen en zorg (waarbij mensen zelf hun woonlasten betalen) worden gezien als zorg thuis, waarmee private investeerders grote winsten kunnen maken in de ouderenzorg.
In reactie hierop wil ik aangeven dat het aan cliënten zelf is om de zorg en wonen daar in te kopen waar zij een goede prijs/kwaliteit verhouding krijgen. Ik zie dat als een extra keuzemogelijkheid naast het intramurale verblijf. In een eerdere beantwoording van Kamervragen heb ik aangegeven voornemens te zijn om
samen met de minister van VRO met de sector in gesprek te gaan over het markeren van een duidelijke scheidslijn tussen welke zorgwoningen wel en niet onder de huurprijsregulering vallen.20
Hoe zal de situatie er bij een herintroductie van verzorgingshuizen gaan uitzien, als we het hebben over het scheiden van wonen en zorg? Hoe wordt voorkomen dat de herintroductie van verzorgingshuizen in welke vorm dan ook duurder uitpakt dan nodig, omdat private investeerders er hoge winsten uit willen behalen?
Als het gaat om de zorg en ondersteuning voor de groep die PwC heeft geïdentificeerd, dan gaat het om zorg waarbij op dit moment al sprake is van het scheiden van wonen en zorg. Het gaat daarbij immers om ouderen die weliswaar kwetsbaar zijn maar geen aanspraak maken op zorg vanuit de Wlz. Daarmee komen ze op dit moment niet in aanmerking voor verblijf in een instelling.
Daarnaast willen genoemde leden van de staatssecretaris weten hoe zij ervoor gaat zorgen dat de enveloppe ouderenzorg (600 miljoen euro/jaar 2027-2029) daadwerkelijk ingezet gaat worden voor betere ouderenzorg. Hoe waarborgt zij dat deze behouden blijft voor onze ouderen en niet wordt leeggeroofd ten behoeve van bijvoorbeeld defensie?
Zoals toegelicht in de beantwoording van feitelijke vragen over de VWS-begroting 202621 was een deel van de oorspronkelijke enveloppe ad € 600 miljoen reeds ingezet voor andere doelen. De overige middelen van de enveloppe ouderenzorg zijn met het coalitieakkoord geschrapt. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde zorggeschikte woningen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de minister van VRO. Ik onderzoek de mogelijkheden om de financiering van de gemeenschapsvorming in woonvormen te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord.
De staatssecretaris geeft aan begin 2026 terug te komen op de resultaten van de verkenning met het veld. Is de staatssecretaris bereid de Kamer uiterlijk een week voorafgaand aan de plenaire behandeling van de begroting van VWS de beantwoording op dit schriftelijk overleg te doen toekomen, inclusief een tussenstand van de resultaten van de verkenning mochten deze nog niet volledig zijn? Kan de staatssecretaris daarbij ook aangeven welke keuzes nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen tijdig en voldoende worden gerealiseerd, zodat ouderen die nu tussen wal en schip dreigen te raken daadwerkelijk uitzicht krijgen op een veilige en fijne woonplek?
Op basis van het nieuwe coalitieakkoord waren de geplande middelen voor gemeenschapsvorming niet meer beschikbaar. Ik ga onderzoeken of ik bevordering van gemeenschapsvorming kan betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat PwC uitgaat van een groep van 56.385 ouderen die potentieel naar een geclusterde woning zouden verhuizen. Kan de staatssecretaris aangeven of zij de huidige woningvoorraad in staat acht om minstens een deel van deze groep onderdak te geven. Mocht dit het geval zijn, blijft dan de noodzaak over om extra geclusterde woonvormen bij te bouwen?
De groep van 56.385 mensen is de groep die mogelijk extra zorg en ondersteuning nodig heeft. Het gaat om een deel van de ouderen die tot 2013 en 2014 in aanmerking kwamen voor een indicatie VV2 of VV3 in de langdurige zorg; specifiek ouderen die een hoge leeftijd hebben, alleen wonen, en daarnaast geen of een zwak sociaal netwerk, een laag inkomen en laag opleidingsniveau hebben. PwC heeft berekend dat hiervan 20.237 mensen zouden willen verhuizen naar een zelfstandig appartement in een geclusterde woonvorm.
In de huidige bouwopgave voor ouderen is in kwantitatieve zin rekening gehouden met de groep die PwC het onderzoek identificeert. Het onderzoek geeft aanleiding om voor deze personen ook zorggeschikte woningen te realiseren, vanwege de zorg- en ondersteuningsbehoefte. Hier is in de bouwopgave geen rekening mee gehouden; het uitgangspunt onder de gebruikte prognose was dat deze personen in een nultredenwoning of in een reguliere geclusterde woonvorm zouden komen te wonen. Aangezien deze extra opgave aan zorggeschikte woningen in de bouwopgave vanaf 2030 wordt verwerkt, kijk ik samen met de minister van VRO ook wat er in de bestaande bouw en in de bestaande wooncomplexen voor ouderen al mogelijk is om de zorg en ondersteuning toe te voegen die nodig is voor de groep die het onderzoek van PwC geïdentificeerd heeft. Gezien de toenemende vergrijzing en het toenemend aantal oudere huishoudens tot 2070, verwachten we dat het nodig is om ook na 2030 extra zorggeschikte woningen te bouwen. De minister van VRO zal de bouwopgave voor ouderen meenemen in de actualisatie van de woondealafspraken tot en met 2036 die in het najaar plaatsvindt en begin 2027 tot geactualiseerde woondeals moet leiden.
De leden van de VVD-fractie lezen ook dat de Raad van Ouderen heeft geschat dat 200.000 woningen nodig zijn binnen geclusterde woonvormen, terwijl PwC zoals benoemd berekend heeft dat een groep van 56.385 ouderen potentieel naar een geclusterde woning zou verhuizen. Kan de staatssecretaris aangeven waar dit verschil in zit? Welk cijfer acht zij het meest nauwkeurig en waarom?
De Raad van Ouderen heeft een ruwe inschatting gemaakt van het aantal mensen dat wil verhuizen naar een geclusterde woonvorm en ook niet echt gekeken naar de specifieke doelgroep met beginnend regieverlies. PwC heeft op verschillende manieren bekeken hoe grote de potentiële doelgroep is met beginnend regieverlies en daarnaast hoeveel mensen daarvan zouden willen verhuizen naar een kamer of appartement in een verzorgingshuis. Het cijfer van PwC acht ik het meest betrouwbaar en heb ik als uitgangspunt genomen voor de potentiële bouwopgave.
De leden van de VVD-fractie noteren dat er 2799 tot 6345 extra zorgverleners nodig zullen zijn om de woonvormen zoals genoemd in het PwC-rapport te bemensen. Kan de staatssecretaris aangeven of zij mitigerende maatregelen voor zich ziet, die ervoor kunnen zorgen dat het personeelstekort minder snel stijgt? Vindt zij een maatregel gerechtvaardigd, als deze een dergelijk aantal extra zorgverleners vereist, terwijl het tekort in 2034 al geraamd wordt op 265.600? Waarom wel, of waarom niet?
Zoals ik in de inleiding bij de beantwoording van deze vragen heb ik aangegeven is een uitbreiding van bestaande woonvormen en inzet op gemeenschapsvorming nodig. De gemeenschapsvorming en een vast zorg- en welzijnsteam zorgen ervoor dat mensen minder snel naar een verpleeghuis hoeven; dat minder zorg- en welzijn hoeft te worden geleverd omdat bewoners dit veel meer zelf doen. Voor partners van bewoners met dementie is dit een aantrekkelijke woonvorm om in te blijven wonen; na een opname in het ziekenhuis kan iemand terug naar huis in plaats dat iemand naar een geriatrisch revalidatiecentrum moet. Ook hoeft iemand minder snel naar het Eerstelijnsverblijf. Het verminderen van eenzaamheid heeft ook een positief effect op de gezondheid. En er is minder formele zorg nodig in de vorm van dagbesteding of begeleiding omdat ouderen zelf veel meer organiseren.
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan. Daarbij vind ik het belangrijk dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. In een woonvorm waar zorg voorop staat is de kans groter dat veel vragen bij de zorgverleners terecht komen die ook door familie of buren kunnen worden beantwoord. Ten slotte geldt dat er veel minder reisbewegingen voor de thuiszorg zijn in een geclusterde woonvorm ten opzichte van de situatie dat mensen verspreid over de wijk wonen.
De leden van de VVD-fractie lezen in het rapport van PwC dat onder ouderen het gevoel heerst dat er geen privacy is in verzorgingshuizen. Aan de andere kant worden het sociale contact en de sociale omgeving genoemd als positieve aspecten van verzorgingshuizen. De leden van de VVD-fractie vragen aan de staatssecretaris hoe zij ervoor gaat zorgen dat privacy gewaarborgd wordt, terwijl tegelijkertijd het sociale contact in verzorgingshuizen kan blijven doorgaan.
Bij de uitwerking van de vraag naar woningen voor mensen met beginnend regieverlies, ga ik uit van zelfstandige appartementen. In mijn visie staat in deze woonvormen het wonen voorop en woont iedereen zelfstandig. Hierbij is privacy optimaal gewaarborgd en is het zorgteam te gast. Tegelijkertijd is gemeenschapsvorming in deze woonvormen van belang zodat er veel sociaal contact is.
Ook observeren de leden van de VVD-fractie in het PwC-rapport dat er meerkosten zijn in het realiseren van de woonvorm (16.426,37 euro in scenario 1, 23.645,07 euro in scenario 2). Dit rapport heeft in de berekeningen geen rekening gehouden met transformatie van bestaande bouw en noemt dit een beleidskeuze. Kan de staatssecretaris aangeven aan de leden van de VVD-fractie, na samen met het veld te kijken naar de mogelijkheden in de bestaande bouw, wat de totale meerkosten worden en hoeveel er met bestaande bouw gewerkt kan worden?
Het benutten van de bestaande voorraad is één van de manieren waarop in de ouderenopgave kan worden voorzien. Er zijn al mooie voorbeelden van geclusterde - en/of zorggeschikte woningen in de bestaande voorraad, zoals zogenoemde Thuisplusflats of de LangLevenThuisflat. Ik ga met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening met de veldpartijen in overleg in hoeverre de bestaande voorraad benut kan worden voor de ouderenopgave. Daarbij dient te worden bezien in welke mate aanpassingen aan de bestaande voorraad nodig zijn en welke kosten hiermee gepaard gaan. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal uw Kamer verder informeren over benutten van de bestaande voorraad op ouderenhuisvesting voor de zomer van 2026.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen en de reactie van het kabinet hierop. Zij hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verkenning mede is ingegeven door de forse toename van het aantal ouderen met dementie de komende jaren. Zou nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich heeft ontwikkeld in de afgelopen tien jaar? Zou tevens nader toegelicht kunnen worden hoe het aantal ouderen met dementie zich naar verwachting zal ontwikkelen in de komende tien jaar? Op welke wijze worden dementievriendelijke buurten gestimuleerd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de ontwikkeling van het aantal mensen met dementie. Momenteel hebben ongeveer 310.000 mensen in Nederland dementie. De verwachting is dat dit aantal door de vergrijzing toeneemt. In onderstaande tabel staat de (verwachte) ontwikkeling tussen 2010 en 2040.22
| 2010 | 2020 | 2025 | 2030 | 2040 | 2050 |
|---|---|---|---|---|---|
| 220.000 | 260.000 | 310.000 | 390.000 | 500.000 | 610.000 |
Ook wordt gevraagd hoe dementievriendelijke buurten worden gestimuleerd. In het kader van de Nationale Dementiestrategie werkt VWS met Alzheimer Nederland samen aan het programma Samen dementievriendelijk, waarin beeldvorming centraal staat. Mensen worden via online en lokale trainingen geleerd hoe zij met mensen met dementie kunnen omgaan, waarbij verengingen en buurten actief worden betrokken. Er is extra aandacht voor diverse doelgroepen en het verminderen van stigma via campagnes. Daarnaast wordt samen met gemeenten ingezet op een buurtgerichte aanpak om wijken inclusiever en beter toegankelijk te maken voor mensen met dementie. Onderdeel van dit programma is het stimuleren van dementievriendelijke buurten door het, samen met gemeenten, betrekken van vrijwilligers van buurthuizen, verenigingen en clubs. Zo worden deze vrijwilligers gestimuleerd om samen met iemand met dementie te kijken wat er nodig is om zo lang mogelijk mee te blijven doen. Daarnaast wordt via het ZonMw programma ‘Dagactiviteiten voor thuiswonende mensen met dementie’ ingezet op het blijven meedoen ook met dementie. Met subsidie wordt gestimuleerd dat organisaties, bijvoorbeeld musea, bibliotheken en sportclubs, hun reguliere activiteiten langer toegankelijk en aantrekkelijk houden voor thuiswonende mensen met dementie.
Voorts onderzoek ik de mogelijkheden om de financiering van gemeenschapsvorming in woonvormen te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord. Gemeenschapsvorming in woonvormen zorgt op twee manieren ervoor dat buurten meer dementievriendelijk worden: deze woonvormen met ook vitale bewoners zijn ook aantrekkelijker voor partners van mensen met dementie en door de gemeenschap kunnen zij het ook langer vol houden. Een gemeenschapscoach kan werken aan een inclusieve gemeenschap waarbij een deel van de activiteiten ook interessant kunnen zijn voor mensen met dementie.
Hiermee geef ik invulling aan de motie Kröger over extra stappen in het stimuleren van dementievriendelijke buurten.23
Genoemde leden lezen daarnaast dat er wordt geconstateerd dat een deel van de ouderen behoefte heeft aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap. Zij herkennen dit ook en ontvangen deze signalen ook vaak in hun gesprekken met ouderen en organisaties. Welke rol voorziet de staatssecretaris voor zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels bij het voorzien in deze behoefte aan zorg en ondersteuning in de buurt en extra gezelschap? Welke rol ziet zij voor zichzelf bij deze zorgzame gemeenschappen en voorzorgcirkels?
Ik zet mij in om gemeenschapsvorming in de buurt en voorzorgcirkels te stimuleren via het uitvoeren van de gemaakte afspraken in het AZWA over het versterken van de basisinfrastructuur en het ontwikkelen en delen van kennis over burgerinitiatieven. Hiervoor zijn middelen beschikbaar in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg.
Daarnaast zet ik me in om gemeenschapsvorming in woonvormen te stimuleren. Met de gemeenschapsvorming in de woonvormen is er ook een mogelijkheid om daarbij verbinding te zoeken met de buurt. De ontmoetingsruimte kan worden gebruikt voor bewoners in de buurt. De kracht van bewoners in de buurt kan daarmee gebruikt worden. Het kennis maken op deze manier van buurtbewoners met een woonvorm kan ook de stap van een eventuele verhuizing verkleinen. Voorzorgcirkels kunnen ook goed onderdeel uit maken van de gemeenschapsvorming.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen terug dat er geconstateerd wordt dat er wegens hervormingen in de langdurige zorg mogelijk een gat zou zijn ontstaan in het woon- en zorgaanbod voor wie een plek in het verpleeghuis nog niet aan de orde is. Om welke specifieke hervormingen gaat dit? Welke politieke keuzes liggen eventueel ten grondslag aan deze hervormingen?
Met de maatregelen voorafgaand aan de hervormingen van de langdurige zorg in 2015 werd het voor nieuwe cliënten niet meer mogelijk om met een Zorgzwaartepakket Verpleging en Verzorging 2 en 3 ook verblijf vanuit de AWBZ (en later de Wlz) bekostigd te krijgen. Deze keuze was mede ingegeven door de - al lange tijd gaande - daling in de vraag naar verzorgingshuizen en de noodzaak om de financiële beheersbaarheid van de uitgaven aan langdurige zorg te vergroten. De hervormingen waren er daarbij ook op gericht om te faciliteren dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis konden blijven wonen.
De moeilijkere toegang tot verzorgingshuizen zorgde er mede voor dat de vraag naar verzorgingshuizen versterkt afnam en er risico op leegstand was. Er verdwenen ca. 150-200 verzorgingshuizen.24 De dreiging van leegstand zorgde er tevens voor dat beperkt nieuwe woonvormen werden gebouwd – woonvormen tussen zelfstandig wonen en het verpleeghuis - voor mensen die anders naar het verzorgingshuis zouden zijn gegaan. Daarbij moet er ook rekening mee worden gehouden dat het bouwen van nieuwe woonvormen 7 jaar kan duren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er gekozen is voor een verkenning naar de herintroductie van verzorgingshuizen om het gat in het woon- en zorgaanbod voor ouderen te overbruggen. Kan nader toegelicht geworden, op basis van argumenten, welke afwegingen zijn gemaakt voor de keuze voor verzorgingshuizen? Welke andere alternatieven zijn er naast verzorgingshuizen? Op welke wijze zouden verzorgingshuizen eventueel gecombineerd kunnen worden met initiatieven omtrent intergenerationeel wonen, voorzorgcirkels en zorgzame gemeenschappen?
Mijn voorgangster heeft in de brief van 17 september25 geconstateerd dat er woonvormen nodig zijn voor mensen met beginnend regieverlies, waar bewoners zeker kunnen zijn dat er zorg en ondersteuning direct in de nabijheid is en waar er toezicht in de nacht is. Dit gaat vooral om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd. Deze woonvormen kunnen ook jongere bewoners hebben zoals we bijvoorbeeld ook zien bij locaties van Humanitas. De woonvormen kunnen daarbij een buurtfunctie hebben, waarbij bewoners van de woonvorm samen met bewoners in de buurt onderdeel uitmaken van voorzorgcirkels.
Welke maandelijkse kosten, waaronder bijvoorbeeld huur, zouden bewoners van een verzorgingshuis hebben? In hoeverre draagt de herintroductie van verzorgingshuis eventueel bij aan de kloof tussen verschillende inkomensklassen?
Wanneer ouderen niet intramuraal wonen, zijn zij zelf verantwoordelijk voor hun woonlasten, zoals huur, energie en woonverzekeringen. Afhankelijk van de zorgvorm kunnen maaltijden wel of niet onderdeel zijn van het pakket. Voor zorg thuis geldt eveneens een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage. Zelfstandig wonende ouderen hebben daarnaast mogelijk recht op huurtoeslag.
De bestaande woonvormen verandert niets aan de toegankelijkheid van zorg. De eigen bijdrage blijven inkomensafhankelijk en daarmee blijft de toegang tot de zorg financieel gewaarborgd. De verschillen tussen inkomensgroepen worden niet groter of kleiner; de effecten hangen sterk af van individuele situaties.
Welke concrete maatregelen zouden er eventueel genomen kunnen worden om erop toe te zien dat de mate van kwaliteit van wonen en zorg voor ouderen niet gaan afhangen van hun inkomen?
Om te voorkomen dat de kwaliteit van wonen en zorg voor de lagere inkomensgroepen onbetaalbaar wordt is de eigen bijdrage inkomensafhankelijk. Daardoor blijft de zorg voor iedereen financieel toegankelijk. Daarnaast ondersteunt de huurtoeslag ouderen die in een huurwoning wonen bij het betalen van hun woonlasten en biedt het Rijk financiële ondersteuning om zorggeschikte woningen te realiseren die tegen een sociale huurprijs worden aangeboden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de staatssecretaris voornemens is om het komende halfjaar te onderzoeken hoe de zorg en ondersteuning voor de groeiende groep thuiswonende ouderen eruit zou kunnen zien. Zou er een concreet tijdspad aangeleverd kunnen worden, waarin ook inzichtelijk wordt gemaakt op welke momenten de Kamer geïnformeerd wordt?
Op basis van het coalitieakkoord zijn geen middelen voorzien voor de gemeenschapsvorming in woonvormen. Ik onderzoek nu of de gemeenschapsvorming kan worden betrokken bij het aanvullend HLO-akkoord. Omdat de gesprekken hierover nog moeten starten kan ik nog geen concreet tijdspad geven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van staatssecretaris en het onderzoek door PwC naar de herintroductie van de
verzorgingshuizen. Deze leden hebben de brief van de staatsecretaris gelezen en delen het uitgangspunt dat woonvormen tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis voor ouderen nodig zijn.
Het onderzoek van PwC laat zien dat herintroductie van verzorgingshuizen leidt tot hogere zorguitgaven in de Wet langdurige zorg (Wlz), hogere woonlasten voor ouderen, een verdere vergroting van het arbeidstekort en een aanzienlijke onrendabele top. Dit staat haaks op de bevindingen van het rapport IBO Ouderenzorg ‘Niets doen is geen optie’, waarin juist wordt benadrukt dat betaalbaarheid en beschikbaarheid van personeel onder druk staan. Hoe beziet de staatsecretaris deze twee rapporten? Waarom denkt de staatssecretaris
dat de herintroductie van verzorgingshuizen, zoals omschreven in het rapport, een toekomstbestendige route is? Denkt de staatsecretaris dat er voldoende personeel voor beschikbaar is? Waarom wel of waarom niet?
Allereerst vind ik het belangrijk om te benadrukken dat er een groep mensen is die nu thuis woont, maar graag zou willen verhuizen naar een meer passende woonomgeving.
Er hoeft geen nieuwe pijler aan woonvormen te komen; het gaat vooral om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd. In mijn gesprekken met de veldpartijen wordt het beeld bevestigd dat met een goede combinatie van de beschikbare welzijn-, ondersteunings- en zorgactiviteiten (zoals wijkverpleging) in de behoefte van ouderen kan worden voorzien. Met deze focus ben ik ervan overtuigd dat dit beleid aansluit bij het IBO rapport Ouderenzorg. De gemeenschapsvorming en een vast zorg- en welzijnsteam zorgen er juist voor dat mensen minder snel naar een verpleeghuis hoeven; dat minder zorg- en welzijn hoeft te worden geleverd omdat bewoners dit veel meer zelf doen. Voor partners van bewoners met dementie is dit een aantrekkelijke woonvorm om in te blijven wonen; na een opname in het ziekenhuis kan iemand terug naar huis in plaats dat iemand naar een geriatrisch revalidatiecentrum moet. Ook hoeft iemand minder snel naar het Eerstelijnsverblijf. Het verminderen van eenzaamheid heeft ook een positief effect op de gezondheid. En in plaats dat dagbesteding door zorg- of welzijnsverleners wordt georganiseerd, kunnen er activiteiten binnen de woongemeenschap worden georganiseerd die beter aansluiten bij de wensen van mensen. Dit kunnen activiteiten zijn die onderdeel zijn van het gewone leven in een woonvorm.
Wordt in het vervolgonderzoek expliciet de variant uitgewerkt waarin wonen en zorg gescheiden zijn en waarin sociale binding, omzien naar elkaar en gemeenschappelijkheid de basis vormen? Hoe denkt de staatsecretaris dat samenredzaamheid vorm moet krijgen? De leden van de CDA-fractie zien nieuwe sociale woonvormen, waarin wonen en zorg gescheiden zijn en ontmoeting en onderlinge hulp centraal staan. Dit is de sleutel voor de toekomst van de ouderenzorg. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren?
Zoals ik in het vorige antwoord aangaf ben ik het met deze leden eens. Onderlinge hulp is daarbij niet iets dat vanzelf gebeurt. Het iets beter kennen van elkaar zorgt ervoor dat je ook iets voor elkaar binnen de woongemeenschap wil doen. Daarbij is gemeenschapsvorming van belang maar ook de manier dat woonvormen zijn gebouwd. Toevallige ontmoetingen zorgen er mede voor dat mensen elkaar vaker zien en beter leren kennen.
Veel van de randvoorwaarden voor passende extramurale woonzorgconcepten liggen niet in de zorg, maar in het woondomein. Er wordt onvoldoende gebouwd dat geschikt is voor ouderen. Denk in dit geval aan de onrendabele top bij de bouw, de financiering van gemeenschappelijke ruimten en de regels rond huurtoeslag die bepalend zijn voor de betaalbaarheid voor ouderen. Het is van belang dat de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) hierin nadrukkelijk eigenaarschap neemt. Het nationale bouw- en woonprogramma biedt hiervoor een goede insteek, aangezien zorgwoningen daarin al expliciet zijn opgenomen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de minister en zijn ministerie bij het vervolgonderzoek worden betrokken? Genoemde leden vinden dat de slagingskans van zo zelfstandig mogelijk wonen en samen redzaam zijn ook afhankelijk is van de locatie waar de ouderenwoningen staan. Is er een bushalte, zijn er winkels in de buurt en is de huisarts om de hoek? Neemt de staatsecretaris dit punt in de gesprekken met de VNG mee?
De minister van VRO en ik werken nadrukkelijk samen aan de bouwopgave voor ouderen. De minister van VRO is ook vanaf het begin betrokken geweest bij de uitwerking van het onderzoek naar verzorgingshuizen, om telkens de verbinding te kunnen leggen naar de bouw- en woonopgave. Daarbij hebben we oog voor de bouweisen aan de woning (bijvoorbeeld een grotere badkamer en geen drempels in huis), het woongebouw (bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte) en de directe omgeving van het woongebouw (bijvoorbeeld de afstand tot voorzieningen). Hierbij betrekken we uiteraard ook gemeenten, corporaties en ontwikkelaars. Bij het maken van de woonzorgvisie vragen we gemeenten ook rekening te houden met de voorzieningen in de buurt en of de omgeving uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het onderzoeksrapport over de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben hierover meerdere vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen in de Kamerbrief van de staatssecretaris dat zij van mening is dat niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig zijn ten opzichte van vroegere verzorgingshuizen. Daarbij noemt ze een aantal denkrichtingen, zoals minder arbeidskrachten, minder verzorgenden en meer werk vanuit opbouw- of welzijnswerkers. Kan de staatssecretaris concreet maken hoe ze dit voor zich ziet – met name bezien vanuit de zorgkwaliteit die dan geleverd wordt? En heeft ze een indicatie van wat dit eventueel zou opleveren ten opzichte van de budgettaire impact uit bijlage 6 van het PwC-rapport.
De zorg voor deze alleenstaande mensen met beginnend regieverlies bestaat voor een belangrijk deel uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd die ook aan de vraag van deze groep voldoet. Daarnaast doen medebewoners van woonvormen vaak kleine klusjes voor elkaar en houden ze een oogje in het zeil.
Daarbij vind ik het belangrijk dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. In een woonvorm waar zorg voorop staat is de kans groter dat veel hulpvragen die ook door familie of buren kunnen worden beantwoord, bij de zorgverleners terecht komen. Ten slotte geldt dat er veel minder reisbewegingen voor de thuiszorg zijn in een geclusterde woonvorm ten opzichte van de situatie dat mensen verspreid over de wijk wonen.
Ik onderzoek of ik de bevordering van de gemeenschapsvorming mee kan nemen in het nieuw af te sluiten Wlz-akkoord.
De berekeningen van PwC laten duidelijk zien dat meer ouderen naar een verzorgingshuis zouden willen verhuizen onder scenario 2 (zelfstandig appartement) dan onder scenario 1 (onzelfstandige kamer). Steunt de staatssecretaris de wens van de ouderen om zich in te spannen voor het realiseren van scenario 2 ten opzichte van scenario 1?
Ja dat steun ik.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat de meerkosten een onrendabele top hebben van respectievelijk 197,1 miljoen euro (scenario 1) en 846,7 miljoen euro (scenario 2). In hoeverre zijn er (zorg)partijen bereid om zich aan deze onrendabele top te committeren? Wordt hier al onderzoek of een verkenning naar gedaan? Daarnaast zijn de leden van de JA21-fractie benieuwd of er andere keuzemogelijkheden bestaan om de om de kosten van de onrendabele top zoveel als mogelijk te mitigeren. Als deze er zijn, zien zij graag een overzicht hiervan van deze mogelijkheden inclusief de impact die het zou kunnen maken.
Er is reeds onderzoek gedaan naar de meerkosten van zorggeschikte woningen (KMPG 2022).26 Sindsdien zijn de vereisten voor deze woningen verder geconcretiseerd. De minister van VRO heeft een voorstel in behandeling om deze bouweisen te standaardiseren en toe te voegen als aparte categorie binnen het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl). Op basis van deze eisen worden meerkosten in de eerste helft van 2026 geactualiseerd door een consortium van onderzoekers. Hierbij zal een overzicht gemaakt worden van de mogelijkheden om complexen met zorggeschikte woningen uit te rusten in uiteenlopende ontwerpvarianten en bijbehorende kosten. Om een deel van de kosten te mitigeren zet het ministerie van VRO ook in op het stimuleren van industriële bouw. Het Netwerk Conceptueel Bouwen heeft voor deze woningen al productmarktcombinaties (PMC’s) ontworpen waarmee nieuwe complexen kunnen worden ontworpen.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat in beide scenario’s het totaal personeelstekort in de (ouderen)zorg toeneemt. In hoeverre zijn er mogelijkheden om een deel hiervan op te vangen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie in verzorgingshuizen en/of de inzet van Artificiële Intelligentie (AI)? En is er een indicatie met hoeveel medewerkers het tekort hiermee ingekrompen zou kunnen worden?
In het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) is ingegaan op de mogelijkheden om personeelstekorten terug te dringen door middel van soepelere regelgeving/bureaucratie (in verzorgingshuizen) en de inzet van Artificiële Intelligentie (AI) In het HLO heb ik samen met partijen de ambitie uitgesproken om met de afspraken uit het HLO het arbeidsmarkttekort te verkleinen met 50 duizend personen. In het HLO zijn verschillende afspraken gemaakt over onder andere de inzet van AI en het verminderen van administratieve lasten in de ouderenzorg. Deze twee onderwerpen hebben grote potentie om de vraag naar personeel in de ouderenzorg te verlagen. Hoeveel fte er precies bespaard kan worden met deze maatregelen is onbekend.
De leden van de JA21-fractie lezen in het onderzoeksrapport dat PwC stelt dat zij niet kunnen kwantificeren wat de verhouding is tussen de mogelijkheden voor nieuwbouw versus mogelijkheden binnen bestaand vastgoed. Is de staatssecretaris van plan, of is ze bezig, met het uitvoeren van een onderzoek wat de verhouding is qua potentie voor verzorgingshuizen tussen nieuwbouw en bestaand vastgoed? En als ze dit doet, zijn hier al cijfers van en zijn deze eventueel deelbaar?
De mogelijkheden voor het benutten van de bestaande voorraad zijn talrijk, ook voor de ouderenopgave. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is bezig om deze mogelijkheden te inventariseren, waarna onderzocht kan worden wat de potentie is van deze mogelijkheden en mogelijke woningaantallen die dit kan opleveren. De minister van VRO heeft provincies gevraagd om deze potentie reeds te gaan inventariseren met gemeenten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen. Zij hebben de volgende vragen aan de staatssecretaris.
Worden de nieuwe verzorgingshuizen gerealiseerd als zelfstandige nieuwbouwprojecten, of wordt ook gekeken naar integratie in bestaande beschutte woonomgevingen zoals geclusterde ouderenwoningen, Thuisplusflats of herbestemde gebouwen? Hoe wordt hierin regionale maatwerk en ruimtelijke spreiding geborgd? Kan de staatssecretaris aangeven wanneer de eerste verzorgingshuizen nieuwe stijl daadwerkelijk worden gerealiseerd, en hoe voorkomt de staatssecretaris dat deze koerswijziging verzandt in verkenningen zonder concrete oplevering?
Passende woonvormen voor de groep met beginnend regieverlies die PwC heeft geïdentificeerd kunnen zowel bestaan uit nieuwbouw of in de bestaande bouw worden gerealiseerd. Het Rijk vraagt gemeenten en provincies om de eigen opgave in de Woondeals en (zodra de Wet versterking Regie Volkshuisvesting is aangenomen) in het Volkshuisvestingsprogramma vast te leggen. Hiervoor is het relevant om ook de bestaande voorraad te benutten. Met de gemeenschapsvorming in woonvormen wordt ook nadrukkelijk ingezet op het langer zelfstandig wonen in de bestaande bouw. We zien in de bestaande bouw daarbij dat veel flats met de toevoeging van vaste zorg- en welzijnsteams extra mogelijkheden bieden om passend te kunnen wonen. Daarbij ga ik ervan uit dat de woonvormen die nu reeds worden gebouwd ook passend zijn voor mensen met beginnend regieverlies.
In de begroting is een bedrag van 125 miljoen euro beschikbaar voor de ontwikkeling van deze woonvorm, oplopend naar 470 miljoen euro vanaf 2031. Kan de staatssecretaris toelichten hoe deze middelen concreet worden ingezet? Wordt er onderscheid gemaakt tussen bouw en ondersteuning van gemeenschapsvorming? Hoe wordt geborgd dat deze middelen ook terechtkomen bij kleinschalige initiatieven in dorpen en regio’s, en niet uitsluitend bij grote zorgorganisaties in stedelijke gebieden?
Op basis van het coalitieakkoord zijn deze middelen niet meer beschikbaar. Ik bekijk desalniettemin hoe verder om te gaan met gemeenschapsvorming in woonvormen. Daarbij is het de bedoeling dat investeringen niet voorbehouden zijn aan grote zorgorganisaties in stedelijke gebieden of aan nieuwbouw, maar ook inzetbaar voor kleinschalige initiatieven in dorpen en regio’s of bij bestaande bouw. Ik onderzoek de mogelijkheden om dit te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord. Om tegemoet te komen aan de onrendabele top van geclusterde zorggeschikte woningen zijn reeds middelen gereserveerd onder de realisatiestimulans bij de minister van VRO.
Is bij de staatssecretaris bekend hoeveel deze woonvormen kunnen bijdragen aan verlichting van de werkdruk en verbetering van de continuïteit van de wijkzorg? En zo niet, is de staatssecretaris bereid dit te onderzoeken?
Dit is niet bekend. Het is op dit moment niet bekend in welke mate deze woonvormen bijdragen aan verlichting van de werkdruk en verbetering van de continuïteit van de wijkzorg. Indien toekomstige ontwikkelingen of signalen daar aanleiding toe geven, zal worden bezien of nader onderzoek wenselijk is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie op het onderzoek van PwC naar de herintroductie van verzorgingstehuizen. Zij willen hierover graag een aantal vragen stellen.
De leden van de SGP-fractie delen de zorg van de staatssecretaris over het ervaren ‘gat’ tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis en vinden het goed dat er naar een passende oplossing hiervoor wordt gezocht. Ze kijken uit naar de verdere verkenning van de staatssecretaris die begin 2026 met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de SGP-fractie zijn daarbij vooral benieuwd hoe de staatssecretaris het voor elkaar wil krijgen om nieuwe woonvormen te creëren zonder dat dit leidt tot een onevenredige druk op de toch al overbelaste arbeidsmarkt in de zorg. Zij stelt in haar brief dat zij, ten opzichte van de berekening in het PwC-rapport, van mening is dat we niet dezelfde pakketten zorg en ondersteuning nodig hebben zoals we die vroeger in het verzorgingshuis hadden. Tegelijkertijd schept de ‘terugkeer’ van het verzorgingstehuis wel bepaalde verwachtingen als het gaat om de zorg en ondersteuning die daar dan geboden zou worden. Er is ook onder opbouw- en welzijnswerkers een groot personeelstekort. Kan de staatssecretaris al meer duidelijkheid geven over hoe zij het risico op het vergroten van het personeelstekort wil tegengaan? Wordt bijvoorbeeld onderzocht hoe het creëren van nieuwe en geclusterde
woonvormen wellicht ook bij kan dragen aan vermindering van het personeelstekort? Bijvoorbeeld doordat verpleging en verzorging efficiënter georganiseerd kan worden.
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding. De partner en kinderen kunnen hierbij helpen, en in een woonvorm waarin een sterke gemeenschap is kunnen veel activiteiten worden georganiseerd en kleine klusjes voor elkaar worden gedaan.
Ik ben van mening dat ook de bestaande woonvormen een passende woonvorm kunnen zijn om deze veiligheid te kunnen bieden. Daarbij staat in deze woonvormen het wonen en het creëren van een woongemeenschap meer voorop.
De gemeenschapsvorming en een vast zorg- en welzijnsteam zorgen ervoor dat mensen minder snel naar een verpleeghuis hoeven; dat minder zorg- en welzijn hoeft te worden geleverd omdat bewoners dit veel meer zelf doen. Voor partners van bewoners met dementie is deze woonvorm, waar ook mensen zonder zorgvraag wonen, een aantrekkelijke woonvorm om in te blijven wonen; na een opname in het ziekenhuis kan iemand terug naar huis in plaats dat iemand naar een geriatrisch revalidatiecentrum moet. Ook hoeft iemand minder snel naar het Eerstelijnsverblijf. Het verminderen van eenzaamheid heeft ook een positief effect op de gezondheid. En er is minder formele zorg nodig in de vorm van dagbesteding of begeleiding omdat ouderen zelf veel meer organiseren.
Daarbij vind ik het belangrijk dat we niet meteen alle zorg en ondersteuning over nemen, maar meer uitgaan van wat ouderen en hun omgeving nog zelf kunnen. In een woonvorm waar zorg voorop staat is de kans groter dat veel vragen bij de zorgverleners terecht komen die ook door familie of buren kunnen worden beantwoord. Ten slotte geldt dat er veel minder reisbewegingen voor de thuiszorg zijn in een geclusterde woonvorm ten opzichte van de situatie dat mensen verspreid over de wijk wonen.
De leden van de SGP-fractie hebben behoefte aan meer feitelijke informatie over vraag naar en aanbod van appartementen in verzorgingstehuizen en nieuwe (geclusterde) woonvormen. Wat betekent de bouw van nieuwe woonvormen bijvoorbeeld voor de vraag naar verzorgingstehuizen? In hoeverre verdwijnt de vraag naar het verzorgingstehuis 2.0 op het moment dat er steeds meer nieuwe woonvormen komen? Wordt bijvoorbeeld leegstand in verpleeghuizen en de opkomst van zorgzame gemeenschappen en nieuwe woonzorgvormen gemonitord? Zo nee, welke stappen zet de staatssecretaris om deze gegevens meerjarig wel te verzamelen, zodat beleid en praktijk beter onderbouwd kunnen worden en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar aansluiten?
Ik ben van mening dat ook bestaande woonvormen met een vast zorg- en welzijnsteam en een ontmoetingsruimte, zoals Liv Inn en de Langer thuis flats, een passende woonvorm kunnen zijn om deze veiligheid te kunnen bieden. Deze woonvormen zijn daarmee een invulling van de vraag naar een passende woonvorm voor de groep die PwC heeft geïdentificeerd.
Als we kijken naar de bouweisen van de verzorgingshuizen en de nieuwe geclusterde zorggeschikte woonvormen die nu al gerealiseerd worden, zien we geen verschil. Voor de nieuwe bouwopgave vanaf 2030 zal ook worden gekeken naar de woonwensen van ouderen, waaronder de groep die PwC identificeert. De minister van VRO zal de bouwopgave voor ouderen meenemen in de actualisatie van de woondealafspraken tot en met 2036 die dit najaar plaatsvindt en begin 2027 afgerond moeten zijn. De minister van VRO heeft een systeem opgezet om nieuwe woonvormen te kunnen monitoren. De data hiervan worden ingevuld, waarbij de volledigheid en kwaliteit van de data naar verwachting de komende jaren verder zal toenemen.
Het RIVM is daarnaast bezig met een analyse van de oorzaken van deze leegstand in verpleeghuizen. Vervolgens zal het RIVM ook aanbevelingen doen voor de toekomst van de verpleeghuizen. Daarbij is het van groot belang of het hier structurele of incidentele oorzaken betreft. Ook regionale verschillen spelen hierbij een grote rol.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op het onderzoek naar de herintroductie van de verzorgingshuizen. Zij zijn groot voorstander van de terugkeer van de verzorgingshuizen, maar hebben wel een aantal vragen over de precieze invulling en de tijdslijn hiervan.
De leden van de SP-fractie lezen dat het verzorgingshuis voor veel mensen minder betaalbaar zou zijn dan thuis blijven wonen. Dat vinden zij opmerkelijk, aangezien de zorg in een verzorgingshuis door de kortere reistijd van zorgverleners efficiënter gegeven kan worden en mensen kleiner gaan wonen. Waarom wordt er niet gekeken naar de optie om mensen hun oude huurbedrag mee te laten nemen naar het verzorgingshuis?
Het onderzoek van PWC heeft de huidige huurprijzen vergeleken met de huurprijs wanneer er sprake is van een onzelfstandige eenheid in een verzorgingshuis of een zelfstandige eenheid in een verzorgingshuis. In beide scenario’s komt de huurprijs hoger uit dan in de huidige situatie. De kale huurprijs zal stijgen, maar wanneer er sprake is van een nieuwbouw kan het zijn dat de totale woonlasten van het huishouden afnemen door een lagere gas- en energierekening.
Wanneer de bewoner een woning of kamer huurt van een corporatie en verhuist naar een woning of kamer van deze zelfde verhuurder, kan de verhuurder (in dit geval de corporatie) ervoor kiezen het huurbedrag gelijk te houden. Dit is op dit moment al mogelijk. Het probleem is echter dat de kosten voor de bouw en het beheer van het verzorgingshuis voor de corporatie hoger liggen en de corporatie daarom met een lagere huurprijs niet uitkomt. Dit kan een reden zijn voor corporaties de huurprijs te verhogen wanneer een huishouden verhuist naar een andere woning (in een verzorgingshuis). Daarnaast is het behoud van de huurprijs ook complex in situaties waarbij er sprake is van intermediaire verhuur. Wanneer er sprake is van intermediaire verhuur, waarbij de woningcorporatie het gebouw (in casus verzorgingshuis) verhuurt aan een zorginstelling en de zorginstelling en de bewoner de kamer of woning huurt van de zorginstelling, is het maken van afspraken over het behoud van de huurprijs complex. De bewoner wisselt in dit geval van verhuurder, waarbij doorgaans een nieuw huurcontract met een nieuwe, andere huurprijs en afspraken wordt overeengekomen.
De leden van de SP-fractie lezen ook dat de staatssecretaris uitgaat van hogere zorgkosten als mensen naar een verzorgingshuis verhuizen, dan als zij thuis blijven wonen. Anderzijds stelt PwC in hun rapport dat uit onderzoek blijkt “dat de huidige zorginzet voor deze ouderen ontoereikend of niet passend is, en de doelgroep zelf geeft aan behoefte te hebben aan meer zorg en ondersteuning”. Is deze toename van zorguitgaven dan niet sowieso noodzakelijk en dus niet een gevolg van de terugkeer van de verzorgingshuizen? Sterker nog, zou deze zorg niet efficiënter en dus goedkoper kunnen worden geleverd wanneer dit geclusterd plaatsvindt?
De zorg voor deze mensen bestaat voor een belangrijk deel vooral uit hulp bij het zelfstandig wonen. Dit kan gaan om het onderhouden van relaties, het doen van de boodschappen, het contact met instanties, het beheer van financiën en het hebben van leuke activiteiten of een goede dagbesteding. Het is vaak niet goed mogelijk om aan deze zorg- en welzijnsvraag te voldoen, omdat een zorgverlener niet altijd in de buurt is of kan zijn. Ik ben het met de SP eens dat deze zorgvraag efficiënter kan worden ingevuld als deze geclusterd plaats vindt. Zo zullen zorgverleners als er voldoende zorgvraag is in een geclusterde setting minder
reistijd maken. Daarbij is het van belang dat de zorgverleners niet alle zorgvragen overnemen. In een woonvorm waarbij alleen mensen met een zorgvraag wonen, en zorg meer voorop staat dan wonen, is dit risico groter.
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of er bij de verdere invulling van de plannen voor de terugkeer van de verzorgingshuizen ook wordt gekeken naar het model van het zorgbuurthuis. Worden deze los van dit traject gestimuleerd of wordt dit als voorbeeld gebruikt voor de nieuwe verzorgingshuizen?
Het zorgbuurthuis is een van de voorbeelden waarnaar gekeken wordt als voorbeeld voor de gemeenschapsvorming bij nieuwe woonvormen.
De leden van de SP-fractie vragen hoe het inmiddels staat met de uitvoering van de aangenomen motie-Dijk27 over een plan om in de komende twee jaar in tenminste honderd buurten in leegstaande panden in Nederland een zorgbuurthuis op te richten en met het amendement-Dobbe28 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen.
De motie Dijk acht ik niet goed uitvoerbaar. Ik kan niet sturen op een bepaalde woonvorm: het is aan gemeenten en hun inwoners om te bepalen welke woonvorm er komt. Er is daarbij eerder bekeken of leegkomende politiebureaus van de Rijksgebouwendienst bijvoorbeeld konden worden gebruikt voor ouderenhuisvesting. Hier is uiteindelijk geen locatie uitgekomen. Ik kan wel in algemene zin werken aan de voorwaarden dat er woonvormen voor ouderen komen. Ik verwacht binnenkort te starten met het kwartier maken van een nieuw ondersteuningsteam dat zich richt op het realiseren van nieuwe woonvormen. Bijgevoegd krijgt u ook het onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd.
De leden van de SP-fractie lezen dat de personeelstekorten een probleem kunnen vormen bij de terugkeer van de verzorgingshuizen. Hoe staat het nu met de wervingscampagne voor de zorg waar de Kamer via de motie-Dobbe29 toe heeft opgeroepen?
Een landelijke wervingscampagne voor de sector zorg en welzijn past niet in de lijn die kabinetsbreed is afgesproken, noch is deze wens financieel en uitvoeringstechnisch haalbaar. Om tegemoet te komen aan de brede oproep van de Kamer om werk te maken van de instroom en behoud van personeel in de sector, zijn onder het vorige kabinet gesprekken gevoerd met sociale partners en AZWA-partijen. Er is brede steun vanuit het veld om met middelen uit het AZWA meerjarig te investeren in het voortzetten en integreren van bestaande loopbaaninstrumenten via het nieuwe loopbaanplatform Zowi en de bijbehorende communicatie-inzet die vanaf dit najaar van start gaat. Daarbij is het doel van de motie overeind gebleven: meer mensen enthousiasmeren voor werken in zorg en welzijn. Het middel om tot dit doel te komen is aangepast aan wat uitvoerbaar is binnen de huidige financiële en organisatorische ruimte. Voor meer tekst en uitleg bij deze keuze verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen op dit punt door mijn voorganger30.
Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en is het gelet daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen sectoren wordt onderstreept.31
De leden van de SP-fractie vragen ten slotte om een tijdspad voor de bouw van de nieuwe verzorgingshuizen. Hoeveel hiervan zullen er in welk jaar worden gebouwd? Welke garanties kan de staatssecretaris geven dat deze bouwdoelstellingen wel worden gehaald?
Over het bouwtempo van de opgave voor zorggeschikte woningen (inclusief verzorgingshuizen) zal de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) afspraken maken met corporaties en medeoverheden binnen de woondeals.
Daarbij zijn tussendoelstellingen en het tijdspad onderwerp van gesprek. Het kabinet kan geen garanties geven op realisatie van de bouwopgave gezien de vele factoren die hier invloed op hebben, maar spant zich zoveel mogelijk in om de doelstellingen te realiseren. Voor deze opgave is langjarige financiering van meerkosten essentieel om tot tijdige investeringsbesluiten bij ontwikkelende partijen te komen. Daarnaast voert de minister van VRO regie op de bouwprogrammering voor deze bouwopgave en voert daarom halfjaarlijks gesprekken met medeoverheden over de voortgang via de bestuurlijke overleggen woondeals.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de staatssecretaris voor de Kamerbrief. Zij hebben nog wel enkele vragen hierbij.
De leden van de 50PLUS-fractie ondersteunen het doel van de staatssecretaris om een oplossing te vinden voor het gat tussen zorg en ondersteuning thuis en het verpleeghuis, en een nieuwe vorm van verzorgingshuizen.
Zij delen de mening van de staatssecretaris dat een gezellige woonomgeving eenzaamheid voorkomt. Hoe denkt de staatssecretaris dit te realiseren? Het is goed dat de staatssecretaris denkt over meer inzet van opbouwwerkers of welzijnswerkers, maar genoemde leden zien bijvoorbeeld bij zorgbuurthuis ’t Hageltje in Oss dat de gemeente voor kosten gesteld wordt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, omdat zorgverzekeraars dit geen zorg vinden. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Zou een oplossing zoals in Den Bosch, waar jongeren
wonen tussen senioren met een verplichting om een aantal dagdelen bij te dragen aan sociale activiteiten (dit wordt het butterfly effect genoemd), ook kunnen bijdragen?
Ik ben aan het onderzoeken of ik de financiering van gemeenschapsvorming in woonvormen kan bewerkstelligen door dit te betrekken bij het aanvullend HLO-akkoord. Daarbij gaat het bij uitstek om het organiseren van activiteiten, bij voorkeur door bewoners. Maar ook het zorgbuurthuis en het Butterfly effect zijn goede voorbeelden. De buurtverbinders die binnen het concept van het Butterfly effect bijdragen aan de sociale activiteiten, is een mooi voorbeeld, maar is niet de enige oplossing en ook niet overal toepasbaar.
In Eindhoven en omstreken is de samenwerking tussen Wooninc en Vitalis een goed voorbeeld hoe een en ander kan werken. Senioren huren zelfstandig een appartement en op het moment dat de zorg zwaarder wordt, wordt de woning “omgeklapt” en wordt de zorgaanbieder de huurder. Zo kan een senior blijven wonen in zijn eigen appartement, ook als hij of zij onder de Wlz komt te vallen. Dit geeft veel senioren rust; ze hoeven niet te verhuizen als hun gezondheid ze in de steek laat. Zou dit een goede bijdrage kunnen leveren aan de uitdagingen waar wij voor staan en kan de staatssecretaris kijken of dit breder ingezet kan worden?
Er zijn verschillende contractvormen mogelijk wanneer er sprake is van een tussenpartij, bijvoorbeeld in de situatie dat er een zorgaanbieder is betrokken. Daarbij kan er sprake zijn van intermediaire verhuur, waarbij de verhuurder (corporatie) de woning verhuurt aan de zorgaanbieder en deze de woning doorverhuurt aan de zorgafnemer/client. Ook kan er sprake zijn van een drie partijen overeenkomst, waarbij er een huurcontract is tussen huurder en verhuurder en tegelijkertijd een begeleidingsovereenkomst tussen huurder en zorgaanbieder. In beide gevallen kunnen de (tijdelijke) contracten worden omgeklapt van intermediaire verhuur in een eigen huurcontract of van een overeenkomst voor bepaalde tijd bij goed verhuurderschap en de begeleiding het toelaat in een regulier huurcontract voor onbepaalde tijd.32 Beide contractvormen kunnen gebruikt worden, zolang er duidelijke afspraken worden gemaakt tussen de verhuurder, huurder en betrokken zorgpartij.
Herkent de staatssecretaris de wens van senioren om in hun vertrouwde omgeving te blijven en het sociale netwerk en omgeving waar zij al jaren wonen te behouden? Zeker in kleinere gemeenschappen, wijken en dorpen zijn flats geen oplossing, een kleinschalige zorgvoorziening met zelfstandige appartementen zoals buurtwonen of een zorgbuurthuis is daar naar mening van deze leden meer passend. Hoe ziet de staatssecretaris dit?
Deze wens herken ik. Het is aan de gemeente en haar inwoners om te bezien wat de best passende woonvorm is. In een kleinere gemeente kan dat goed bestaan uit een woonvorm met minder bewoners.
Zou een buurt niet meer gestimuleerd zijn om betrokken te zijn als zij dit als zeer geschikte toekomstige oplossing voor zichzelf zien?
Een woonvorm die openstaat voor de buurt en waar mensen al vaker komen zal de drempel voor een verhuizing naar mijn mening zeker kunnen verlagen. Daarbij zullen ook mensen in de buurt mogelijk kunnen worden verleid om activiteiten te organiseren. Het is aan de bewoners in een woonvorm zelf in hoeverre ze de ontmoetingsruimte open willen stellen voor de buurt.
Is een kleinschalige zorgvoorziening zoals hierboven genoemd niet juist een goede aansluiting bij de pilots van de buurt als ecosysteem?
Dat kan een kleinschalige zorgvoorziening zijn, maar ook een grotere zorgvoorziening. Het gaat vooral om de bereidheid in een woonvorm om de buurt naar binnen te halen. Zodat mensen in de buurt gebruik kunnen maken van de voorzieningen in de woonvorm. Dat levert ook wel extra uitvoeringsvragen op, omdat mensen minder snel bereid zullen zijn voor bijvoorbeeld de ontmoetingsruimte een bijdrage in de servicekosten te betalen als ook de buurt er gebruik van kan maken.
De staatssecretaris stelt op pagina 3 van de Kamerbrief: “Samen met de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik met het veld de mogelijkheid om de bouw van meer zorggeschikte woningen binnen de woningbouwopgave te stimuleren en te versnellen.” Zou de staatssecretaris dit nader willen toelichten? Wat is bijvoorbeeld de insteek van VWS qua tijdsplanning? En wat is de insteek qua hoeveelheid extra zorggeschikte woningen?
Ondanks dat er veel mooie woonvormen voor ouderen gerealiseerd worden, zien de minister van VRO en ik dat de bouw van de afgesproken 40.000 zorggeschikte en 80.000 geclusterde woningen voor ouderen een versnelling en schaalvergroting nodig heeft. Daarom zijn hierover tijdens de Woontop 2024 afspraken gemaakt. Het onderzoek van PwC laat zien dat er een extra groep van circa 20.000 personen is die tot 2030 behoefte heeft aan een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm. Gezien de doorlooptijd van bouwprojecten, zou deze extra opgave aan zorggeschikte woningen pas vanaf 2030 kunnen worden verwerkt in de bouwopgave. De minister van VRO zal de bouwopgave voor ouderen meenemen in de actualisatie van de woondeals tot en met 2036.
De leden van de 50PLUS-fractie zien goede ervaringen met buurtondersteuners en voorzorgcirkels als eerste start om de buurt meer te verbinden. Zou de staatssecretaris dit ook kunnen betrekken bij haar uitwerking?
Vanuit de woonvorm kan er ook voor gekozen worden om een verbinding te maken met de buurt. Daarbij kan er ook gekozen worden om daarbij een voorzorgcirkel op te zetten. Er is voor gekozen om dit niet mee te nemen in de uitwerking, om geen overlap met de uitwerking van het AZWA te krijgen.
Genoemde leden zijn zeer enthousiast over het zorgbuurthuis en het reeds genoemde Buurtwonen. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken of en hoe deze financieel haalbaar te maken zijn voor gemeenten? Als er een duidelijke financiële paragraaf is en duidelijkheid waar vanuit de financiële bijdragen komen (Wmo, gemeente, welk deel zorgkantoor of zorgverzekeraar), helpt dit om meer kleinschalige zorgvoorzieningen gerealiseerd te krijgen. Wat kan de staatssecretaris hierin betekenen?
De haalbaarheid van een concept is van veel factoren afhankelijk. Zo zal het afhangen van de locatie, het aantal bewoners, de zorgvraag van de bewoners, de huur die kan worden gevraagd, de eisen die aan de woningen worden gesteld etc. Het is aan de bouwers zelf om hiervoor de business case te maken. Wel zijn er verschillende stimuleringsregelingen om tegemoet te komen aan de onrendabele top van deze woningtypen in het sociale segment (stimuleringsregeling zorggeschikte woningen) en de kosten voor de ontmoetingsruimte (stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting).
Senioren Netwerk Nederland houdt bijeenkomsten onder de naam “Senioren zelf aan zet, Praat vandaag over morgen”. Inmiddels hebben zij een schat aan kennis en ervaring opgedaan, vanuit de ruim 17000 senioren die deze bijeenkomsten bijgewoond hebben. Van deze bijeenkomsten ging er één specifiek over woonwensen en woonopties. Is de staatssecretaris bereid met het genoemde Netwerk over de opgedane ervaringen en resultaten van deze bijeenkomsten in gesprek te gaan en dit te betrekken bij haar onderzoek?
Ja hiertoe ben ik bereid. Ik ben met het Senioren Netwerk Nederland in gesprek over hun kennis en ervaring op dit gebied en heb het Senioren Netwerk ook financieel ondersteund om de genoemde gesprekken te kunnen organiseren.
AD, 24 november 2025, (https://www.ad.nl/wonen/ouderen-wonen-in-gouden-kooi-onaantrekkelijk-om-te-verhuizen~a1077b02/)↩︎
Kamerstuk 36600-XVI, nr. 61↩︎
Kamerstuk 36 800-IX, nr. 27↩︎
Kamerstuk 36 725-XVI, nr. 7↩︎
Kamerstuk 36 725-XVI, nr. 24↩︎
[1] Omdat er geen moderne verzorgingshuizen als aparte woonvorm worden gebouwd, en met o.a. Actiz is gesproken over de gemeenschapsvorming wordt hiermee ook invulling gegeven aan de motie Joseph die vraagt om brancheorganisaties uit de wijkverpleging te betrekken bij verdere ontwikkeling van moderne verzorgingshuizen (Kamerstuk 23235, nr. 253).↩︎
https://anbo-pcob.nl/media/documents/20260518_Kamerbrief_zorgzame_woongemeenschappen_voor_ouderen.pdf↩︎
PwC, Onderzoek naar de herintroductie van verzorgingshuizen, september 2025. (p.85/86).↩︎
KPMG, 2022, https://open.overheid.nl/documenten/ronlc04be9d3ec51062bff977cea54bba37b89e55408/pdf↩︎
https://www.zonmw.nl/sites/zonmw/files/2025-11/Reablement-beleidsbrief.pdf↩︎
Kamerstukken II 2022/2023, 29282, nr. 522 en Kamerstukken II 2024/25, 29282, nr. 583.↩︎
Artikelen 35 en 38 van de Wet BIG.↩︎
Actiz, Regioplus, V&VN, Groep 34, Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT), Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten (NVM), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), Het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het CIBG.↩︎
Infographic opdrachtregeling Wet BIG – algemeen | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎
KPMG, 2022, https://open.overheid.nl/documenten/ronl-c04be9d3ec51062bff977cea54bba37b89e55408/pdf↩︎
AD, 24 november 2025, (https://www.ad.nl/wonen/ouderen-wonen-in-gouden-kooi-onaantrekkelijk-om-te-verhuizen~a1077b02/)↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 32043, nr. 689↩︎
Brief aan Tweede Kamer 20 april, Eerste resultaten Taskforce Versnelling Woningbouw.↩︎
Kamerstuk 36600-XVI, nr. 61↩︎
Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 399↩︎
Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 16↩︎
https://dementieinkaart.nl/landelijk; https://www.alzheimer-nederland.nl/dementie/feiten-en-cijfers-over-dementie↩︎
Kamerstuk 36635, nr. 4↩︎
ActiZ, Resultaten kwalitatieve analyse Leegstand Verzorgingshuizen, juni 2016.↩︎
Kamerstuk 29 389, nr. 158↩︎
KPMG, 2022, https://open.overheid.nl/documenten/ronlc04be9d3ec51062bff977cea54bba37b89e55408/pdf↩︎
Kamerstuk 36 800-IX, nr. 27↩︎
Kamerstuk 36 725-XVI, nr. 7↩︎
Kamerstuk 36 725-XVI, nr. 24↩︎
Kamerstuk II 2025/2026, nr. 2026Z00788.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 29544, nr. 1260.↩︎
Onderzoek ‘Indirect huren: kosten en baten?’, Platform 31, september 2022.↩︎