Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden over de Slotwet Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2025 (Kamerstuk 36945-IX)
Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D26481, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-01 17:54, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (PVV)
- Mede ondertekenaar: R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z11605:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 10:00 ⇒ Betrokken bij het op 3 juni 2026 gehouden Verantwoordingsdebat voor het jaar 2025. (Besluit)
- 2026-06-04 10:00: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
Vraag 1
Kunt u nader toelichten waarom de uitgaven voor overige personeelskosten bij artikel 1 (Belastingen) per saldo 26,6 miljoen euro hoger zijn uitgevallen dan verwacht, ondanks dat er voor 57,6 miljoen euro minder aan inhuurcontracten voor 2026 is afgesloten?
Antwoord op vraag 1
De aangegane verplichting voor overige personeelskosten is 26,6 miljoen euro hoger uitgevallen doordat de verplichting voor de Regeling Vervroegd Uittreden (RVU) voor 2026 eind 2025 is aangegaan in plaats van begin 2026. Dit staat los van de lagere verplichtingen voor inhuurcontracten in 2026 (57,6 miljoen euro), want deze vallen niet onder overige personeelskosten maar onder externe inhuur, waardoor de totale personele verplichtingen per saldo 29,0 miljoen euro lager zijn dan begroot.
Vraag 2
Vraag 2
De rentelasten op de vlottende schuld (artikel 11) zijn 49 miljoen euro hoger uitgevallen door een hoger renteper-centage. Welke concrete scenario's hanteert u voor de komende jaren indien de marktrente voor kortlopende financiering verder stijgt?
Antwoord op vraag 2
Ten aanzien van de ontwikkeling van de lange en korte rentepercentages wordt de raming van het Centraal Planbureau (CPB) aangehouden. In deze raming stijgt het rentepercentage op vaste schuld sterker dan het rentepercentage op vlottende schuld. Het minimale streefniveau van de gemiddelde looptijd van de staatsschuld, en daarmee ook de verdeling tussen vaste en vlottende schuld, wordt jaarlijks geëvalueerd en kan aangepast worden als blijkt dat dit wenselijk is. Zo is het minimale streefniveau met ingang van 2026 verlaagd van 8,0 jaar naar 7,5 jaar. Dit minimale streefniveau wordt opgenomen in het jaarlijkse financieringsplan van het Agentschap van de Generale Thesaurie.
Vraag 3
Vraag 3
In de toelichting op de ICT-opdrachten bij de Belastingdienst wordt gesteld dat de realisatie 120,6 miljoen euro lager is uitgevallen, onder andere door lagere kosten voor de vervanging van de Teradata-omgeving. Kunt u garanderen dat deze lagere realisatie voortkomt uit efficiëntie en niet uit een vertraging van noodzakelijke ICT-vervangingen?
Antwoord op vraag 3
De lagere realisatie van aangegane verplichtingen à 120,6 miljoen euro bij ICT-opdrachten is met name het gevolg van vertraging van de aanbesteding van Teradata en het onderhoud van netwerkverbindingen. Per saldo leidt dit meerjarig gezien niet tot lagere uitgaven.
Hoe verklaart u de toename van de boeteontvangsten van De Nederlandsche Bank (DNB), die 3,3 miljoen euro hoger uitvielen dan begroot bij de tweede suppletoire begroting?
Antwoord op vraag 4
De overige ontvangsten zijn met 3,3 miljoen euro hoger uitgevallen dan begroot bij de tweede suppletoire begroting. Dit komt met name doordat er meer boeteontvangsten van De Nederlandse Bank (DNB) waren, namelijk circa 2,4 miljoen euro. De toegenomen boete-inkomsten voor dit jaar zijn het gevolg van het onherroepelijk worden van een aanzienlijk aantal door DNB opgelegde boetes in het voorgaande jaar. Het is vooraf niet geheel te voorspellen welke boetes worden opgelegd, hoe hoog ze zijn en wanneer ze binnen komen. Boetes worden pas geïnd nadat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden, met andere woorden: zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures zijn afgerond.
Vraag 5
Vraag 5
Ten aanzien van TenneT wordt vermeld dat een gereserveerde kapitaalinjectie van drie miljard euro in 2025 niet is aangewend omdat er «structurele oplossingen» zijn uitgewerkt. Kunt u klip en klaar uitleggen wat deze oplossingen inhouden en in hoeverre de belastingbetaler hiermee definitief ontlast is van deze kapitaalbehoefte?
Antwoord op vraag 5
Zie het antwoord op vraag 7 bij de beantwoording van de Kamervragen op het jaarverslag Financiën en Nationale Schuld (IX).
Vraag 6
Vraag 6
Kunt u nader toelichten waarom de Nederlandse garantie aan het Next Generation EU (NGEU) fonds met 576,4 miljoen euro naar boven is bijgesteld? Hoe heeft de rente zich ontwikkeld?
Antwoord op vraag 6
De bijstelling betreft een reguliere actualisatie op basis van de ontwikkeling van de geraamde rente en het Nederlandse bni-aandeel binnen de EU. Door de hogere verwachte rentestanden nemen de geraamde financie-ringskosten van de nog uit te geven NGEU-middelen toe, waardoor ook de Nederlandse garantiestand opwaarts is bijgesteld.
Vraag 7
Vraag 7
De Nederlandse garantie aan het Next Generation EU (NGEU) fonds is met maar liefst 576,4 miljoen euro naar boven bijgesteld als gevolg van de renteontwikkeling. Bent u bereid om in Europees verband kritisch te interveniëren op de alsmaar stijgende garantierisico's voor de Nederlandse staat die voortvloeien uit dit fonds?
Antwoord op vraag 7
Op de totale uitstaande garantie van 29 miljard euro (zie tabel 8.1 in de bijlage van het FJR) is de bijstelling het gevolg van de renteontwikkeling op de financiële markten. Naast de ontwikkelingen in de marktrente fluctueert de Nederlandse garantie voor NGEU op basis het aandeel van het Nederlandse bni in het EU-bni en de totaalomvang van de NGEU-leningen. Dit zijn externe effecten waar Nederland niet direct invloed op heeft. In algemene zin benadrukt het kabinet in Europees verband het belang van het terugdringen van hoge schulden en begrotingste-korten en de naleving en handhaving van de Europese begrotingsregels in dat kader.
Ten aanzien van het ESM wordt opgemerkt dat een geplande verhoging van de Nederlandse garantie van 1,4 miljard euro is verschoven naar 2026. Kunt u bevestigen of Nederland zich bij deze herziening van de kapitaalsleutel maximaal inspant om de nationale blootstelling aan dit noodfonds te beperken?
Antwoord op vraag 8
De ESM kapitaalsleutel bepaalt de financiële contributie van elk lid aan de kapitaalvoorraad van het ESM, dit betreft het ingelegde- en oproepbare kapitaal van het ESM. De ESM kapitaalsleutel is gebaseerd op de kapitaalsleutel van de ECB. Op dit moment maakt het ESM gebruik van de ECB-sleutel van 2009 en op basis daarvan draagt Nederland momenteel 5,6% bij aan de kapitaalvoorraad van het ESM. De ECB sleutel is voor elke EU lidstaat gebaseerd op twee factoren: het aandeel van de lidstaat in de totale bevolking- en het bbp van de EU. Het ESM-verdrag schrijft twee situaties voor waarin de kapitaalsleutel van het ESM wordt aangepast: bij het toetreden van een nieuw lid bij het ESM, of wanneer de twaalfjarige correctieperiode op de kapitaalinleg van een lidstaat bij het ESM ten einde komt. Dit was voorzien bij de beëindiging van de twaalfjarige correctieperiode op de kapitaalinleg van Letland en bij toetreding van Bulgarije tot het ESM. Dit zou hebben geleid tot een extra kapitaalinleg en hogere garantie, wat in de begroting was voorzien voor 2026. De Raad van Gouverneurs kan, conform het ESM-verdrag, echter besluiten om af te zien van het actualiseren van de kapitaalsleutel. In december 2025 was er onvoldoende draagvlak om
de kapitaalsleutel te actualiseren en heeft de Raad van Gouverneurs besloten om hiervan af te zien. De Raad van Gouverneurs kan op een later moment besluiten om de kapitaalsleutel alsnog te actualiseren. Tot dat moment blijft de huidige kapitaalsleutel van het ESM, gebaseerd op de ECB-sleutel van 2009, van kracht en wordt de Nederlandse garantie niet verhoogd.
Vraag 9
Vraag 9
Kunt u nader toelichten hoe het komt dat de aan gemeenten en provincies uitbetaalde declaraties per saldo 216,8 miljoen euro hoger zijn uitgevallen?
Antwoord op vraag 9
De aan gemeenten en provincies uitbetaalde declaraties zijn per saldo 216,8 miljoen euro hoger uitgevallen dan geraamd bij de tweede suppletoire begroting. Deze afwijking dient bezien te worden in de context van de systematiek van het Btw-compensatiefonds (BCF): Het BCF is een declaratiegedreven regeling: gemeenten en
provincies kunnen betaalde btw op niet-ondernemersactiviteiten declareren, waardoor de feitelijke uitgaven van het fonds rechtstreeks samenhangen met de ingediende declaraties.
De hoogte van deze declaraties hangt samen met de daadwerkelijke investeringen en uitgaven van medeoverheden gedurende het jaar. In de praktijk blijkt dit lastig exact te ramen, omdat onder andere prijsontwikkelingen, taakmutaties, investeringsritmes en de mate van uitbesteding van invloed zijn op de hoogte van de compensabele btw van medeoverheden.
Het BCF kent een vooraf vastgesteld plafond. Afwijkingen tussen de gerealiseerde uitgaven en dit plafond worden verrekend met het Gemeentefonds (GF) en Provinciefonds (PF). Hogere dan geraamde declaraties binnen het BCF leiden daardoor per saldo niet tot hogere uitgaven op de Rijksbegroting, maar werken door via een lagere afdracht aan dan wel hogere onttrekking uit het GF en PF. Het plafond is in 2025 niet overschreden.
Vraag 10
Vraag 10
Bij artikel 13 (Toeslagen) valt de verplichtingenrealisatie op personeel 105 mln. euro lager uit, onder andere door het verschuiven van herstelactiviteiten naar latere jaren. Betekent dit dat gedupeerden van het toeslagenschandaal door deze verschuiving wéér langer moeten wachten op de definitieve afhandeling van hun dossier?
Antwoord op vraag 10
Een deel van de voor 2025 geplande activiteiten is doorschoven naar 2026 en 2027. De ambitie blijft om eind 2027 het financieel herstel af te ronden.
Waarom is de productie van de «aanvullende schaderoutes» in 2025 achtergebleven, waardoor de uitgaven hiervoor 41,8 miljoen euro lager uitvielen dan begroot?
Antwoord op vraag 11
Het heeft voor zowel de Stichting (Gelijk)waardig Herstel als voor het ministerie meer tijd gevraagd om het aantal afgehandelde aanvragen op te schalen. Daardoor is de besteding in 2025 achtergebleven bij het begrote bedrag.
Vraag 12
Vraag 12
Op het kerndepartement (artikel 8) zijn de uitgaven voor externe inhuur drie miljoen euro hoger uitgevallen dan begroot, ondanks een algemene onderbezetting. Kunt u uitleggen waarom er niet meer wordt ingezet op eigen personeel in plaats van de dure inhuur voor ICT- en HR-werkzaamheden?
Antwoord op vraag 12
Financiën blijft inzetten op het terugdringen van externe inhuur. De externe inhuur bij het kerndepartement kent twee redenen.
Door de krapte op de arbeidsmarkt kan Financiën vacatures niet altijd snel genoeg invullen, waardoor het ministerie voor bepaald werk terugvalt op externe inhuur.
In bepaalde situaties die specifieke kennis vereisen, huurt Financiën externen in. Deze externen voeren tijdelijke opdrachten uit en vergroten de kennis in de organisatie. Dat zorgt ervoor dat Financiën ook op lange termijn aan de maatschappelijke opgaven kan werken.
Vraag 13
Vraag 13
Kunt u nader toelichten hoe het komt dat er in 2025 728 mln. euro meer schuld is uitgegeven op de kapitaalmarkt dan waarmee in de begroting rekening werd gehouden?
Antwoord op vraag 13
Van de totale financiering op de kapitaalmarkt wordt aan het begin van het jaar slechts een indicatie gegeven. Afhankelijk van de verwachte financieringsbehoefte in het komende jaar, marktomstandigheden en andere exogene factoren wordt aan het einde van het jaar de definitieve financieringsomvang op de kapitaalmarkt bepaald. Dit heeft in 2025 geleid tot een overschrijding van 1,8% van de initiële indicatie van de uitgifte van vaste schuld.
Vraag 14
Vraag 14
Kunt u nader toelichten hoe het komt dat de rentelasten op het kasbeheer 164 miljoen euro hoger zijn uitgevallen dan bij de tweede suppletoire begroting werd geraamd?
Antwoord op vraag 14
De rentelasten op het kasbeheer bestaan uit rentevergoedingen betaald aan deelnemers aan het schatkistbankieren over het saldo op hun rekeningen-courant en in deposito’s. Het ministerie van Financiën is de uitvoerder van schatkistbankieren en heeft geen zicht op de beweegredenen van deelnemers om meer of minder middelen aan te houden in de schatkist. De toename van de betaalde rentevergoedingen is voornamelijk het gevolg van een toename van de middelen aangehouden door de sociale fondsen.