[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Lijst van vragen over het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025 (Kamerstuk 36945-1)

Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025

Lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D26483, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-02 14:35, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36945 -5 Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025.

Onderdeel van zaak 2026Z11607:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


1 juni 2026

REACTIE VERZOEK COMMISSIE RIJKSUITGAVEN NAAR AANLEIDING VAN DE PUBLICATIE VAN HET DASHBOARD BLIK OP NEDERLAND VAN DE ALGEMENE REKENKAMER

Op 25 maart 2026 heeft de Algemene Rekenkamer het dashboard ‘Blik op Nederland: Dashboard Doelen en Resultaten’ (hierna: dashboard) gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft de Commissie Rijksuitgaven van de Tweede Kamer een aantal verzoeken1ingediend. De Commissie vraagt om een reactie van het kabinet over het dashboard en de door de Algemene Rekenkamer geselecteerde indicatoren. Daarnaast verzoekt de Commissie de bedoelingen uit het coalitieakkoord aan te scherpen en te concretiseren. Tot slot verzoekt de Commissie in de Miljoenennota 2027 een zo integraal mogelijk beeld te geven van de voortgang op een door het kabinet

gekozen overzichtelijke set van hoofddoelen en bredere welvaartsontwikkelingen, en aan te geven hoe de begroting daaraan bijdraagt.

Het kabinet heeft met interesse kennis genomen van het dashboard van de Algemene Rekenkamer. De afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor niet-financiële informatie in onder andere begrotingsstukken. Zowel bij het opstellen van de begroting als bij de verantwoording heeft het kabinet oog voor de brede ontwikkelingen in de samenleving. Het kabinet vindt het belangrijk dat de ontwikkeling van brede welvaartsaspecten en afruilen inzichtelijk gemaakt worden. Het dashboard ondersteunt hierbij door informatie van verschillende bronnen, waaronder het CBS, overzichtelijk weer te geven. Daarnaast waardeert het kabinet dat de Algemene Rekenkamer doelen heeft gekoppeld aan indicatoren.

Het kabinet ziet het dashboard als aanvulling op bestaande brede welvaartsproducten zoals de Monitor Brede Welvaart en de SDG’s en de Factsheets Brede Welvaart van het CBS. De meest recente versie van zowel de Monitor als de Factsheets Brede Welvaart zijn op Verantwoordingsdag door het CBS gepubliceerd. 2,3

In de Miljoenennota 2027 en bijbehorende begrotingen zal het kabinet invulling geven aan onder andere motie van der Lee4. Hierbij worden departementen gevraagd een aantal doelen in de ontwerpbegroting 2027 op te nemen en hierop te reflecteren in het jaarverslag 2027. De doelen zijn een vertaling van de ambities uit het coalitieakkoord. Ditzelfde wordt op hoofdlijnen gedaan in de Miljoenennota 2027 en het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2027. Hiermee wordt ook het verzoek van de Commissie om bedoelingen aan te scherpen geadresseerd.

1 Verzoeken naar aanleiding van de publicatie van het dashboard Blik op Nederland van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 2026Z09843)

2 MBW en SDG's 2026

3 Factsheets Brede Welvaart 2026

4 Motie Van der Lee (Kamerstuk 36 740, nr. 7): rapporteren over concrete en meetbare doelen en resultaten.

Vraag 1

Waarom is het kabinet er in 2025 opnieuw niet in geslaagd om de overheidsfinanciën beter op orde te brengen?

Antwoord op vraag 1

Het kabinet voert trendmatig begrotingsbeleid. Dit houdt in dat uitgaven en beleidsmatige aanpassingen in de belastingen en premies bij de start worden vastgesteld. De afgelopen Voorjaarsnota was vanwege de aanvang van het kabinet Jetten ook de Startnota met de bijbehorende budgettaire kaders. In de Startnota is aangegeven dat de marges krap zijn, zo raamt het kabinet voor 2027 een saldo van ‒ 2,9% bbp, dichtbij de maximale Europese tekortnorm van 3%. Het tekort neemt in de jaren erna naar verwachting wel af naar 2,1% bbp in 2030. Het kabinet staat voor de afgesproken financiële kaders, en eventuele overschrijdingen en tegenvallers zullen moeten worden voorzien van budgettaire dekking. Het kabinet blijft zich inzetten voor begrotingsdiscipline. Naast de huidige internationale onzekerheid dreigt de staatsschuld op de lange termijn op te lopen als we niets doen. Beheersing van de groei van de vergrijzingsgevoelige uitgaven, onder meer voor zorg en sociale zekerheid, is dan ook belangrijk. Gezonde overheidsfinanciën zijn immers een belangrijke randvoorwaarde voor de welvaart van huidige en toekomstige generaties.

Vraag 2

Vraag 2

Hoe verklaart u de afwijking tussen begrote en gerealiseerde uitgaven in 2025?

Antwoord op vraag 2

De begrotingen van de departementen worden opgesteld op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is zoals op basis van de Macro Economische Verkenning van het Centraal Planbureau. Gedurende het jaar verandert de wereld en daarmee ook de aannames over bijvoorbeeld economische groei en inflatie waarop de ramingen van de begrotingen zijn gebaseerd. Daarnaast vinden er ook beleidswijzigingen plaats gedurende het jaar. Deze wijzigingen in de ramingen en in het beleid worden tussentijds verwerkt in de suppletoire begrotingen en aan uw kamer aangeboden, bijvoorbeeld bij de Voorjaarsnota en de Najaarsnota. De gerealiseerde uitgaven zoals weergegeven in het Financieel Jaarverslag Rijk wijken daarmee af van de geraamde uitgaven bij de oorspronkelijke begroting. Vraag 22 gaat in op de specifieke verschillen tussen het geraamde en gerealiseerde EMU-saldo in 2025.

Vraag 3

Vraag 3

Welke departementen veroorzaakten de grootste financiële tegenvallers?

Antwoord op vraag 3

In het FJR 2025 toont Tabel 2.1.2 Kadertoets de grootste veranderingen binnen en buiten het uitgavenkader in het jaar 2025. Een uitgebreide toelichting op de grootste financiële tegenvallers per begroting is te vinden in de bijlage Verticale toelichting bij Miljoenennota 2025, Voorjaarsnota 2025, Miljoenennota 2026, Najaarsnota 2025, Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025, en in de departementale jaarverslagen.

Vraag 4

Vraag 4

Welke posten zijn in 2025 het meest uit de pas gelopen?

Antwoord op vraag 4

In het FJR 2025 geeft Tabel 2.1.1.2 de onderuitputting per departement weer. Verder toont Tabel 2.1.2 Kadertoets in FJR 2025 de grootste veranderingen binnen en buiten het uitgavenkader in het jaar 2025. Een uitgebreide toelichting op de grootste veranderingen per begroting is te vinden in de bijlage Verticale toelichting bij Miljoenennota 2025, Voorjaarsnota 2025, Miljoenennota 2026, Najaarsnota 2025, Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025, en in de departementale jaarverslagen.

Hoeveel geld is in 2025 uitgegeven zonder dat de Kamer daar tijdig goed zicht op had?

Antwoord op vraag 5

Ik wil benadrukken dat de Kamer voor het overgrote deel tijdig wordt geïnformeerd via het reguliere begrotings-proces en de begrotingswetten. Dit is ook te zien aan het beperkte aantal ingediende incidentele suppletoire begrotingen (6). Hoewel wij voortdurend streven naar zorgvuldig financieel beheer, zijn fouten helaas niet altijd volledig te voorkomen. Wij blijven ons inzetten om het financieel beheer verder te versterken.

Vraag 6

Vraag 6

Waarom blijft de overheid geld uitgeven zonder dat daar aantoonbaar genoeg resultaat tegenover staat?

Antwoord op vraag 6

In het coalitieakkoord hebben de regeringspartijen afspraken gemaakt over maatregelen die nodig zijn om Nederland weer vooruit te krijgen en welke middelen het kabinet daarvoor beschikbaar stelt. Zowel voor de korte als de lange termijn. De beleidsbrieven die per ministerie zijn opgesteld en verstuurd naar de Tweede Kamer

zijn daar een uitwerking van op specifieke beleidsonderwerpen. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de uitvoerbaarheid van maatregelen. Vanaf de ontwerpbegroting 2027 krijgen de hoofddoelen een vaste plaats in begrotingsstukken. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan risico’s, bijvoorbeeld in de uitvoering, en de beheersing daarvan. De jaarverslagen over 2027 zullen een reflectie bevatten van de in de ontwerpbegrotingen opgenomen doelen en risico’s.

Vraag 7

Vraag 7

Welke maatregelen neemt u om de begrotingsdiscipline te herstellen?

Antwoord op vraag 7

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 8

Vraag 8

Hoe voorkomt het kabinet dat financiële overschrijdingen opnieuw worden doorgeschoven?

Antwoord op vraag 8

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 9

Vraag 9

Welke tegenvallers drukken het zwaarst op de Rijksfinanciën voor de komende jaren?

Antwoord op vraag 9

In de Voorjaarsnota 2026 is de meest actuele meerjarenraming weergegeven en zijn ook de mee- en tegenvallers verwerkt voor zover bekend. Een overzicht hiervan is te vinden in Tabel 4 in de Voorjaarsnota 2026.

Hoe beoordeelt u de ontwikkeling van de staatsschuld in 2025?

Antwoord op vraag 10

De staatsschuld bedroeg 44,4% bbp en het begrotingstekort was 1,6% bbp in 2025. Daarmee bleven de schuld en het saldo in 2025 ruim binnen de Europese normen van een schuldquote van maximaal 60% en een tekort van maximaal 3% bbp. Vooruitkijkend zijn de marges tot de Europese normen gering; we zitten dicht tegen de tekortnorm van 3% bbp en zonder aanvullend beleid zal op de middellange termijn de schuldquote hoger uitvallen dan 60% bbp. Dit onderstreept het belang van begrotingsdiscipline en de budgettaire kaders die zijn opgesteld in de Startnota en laat zien dat ook volgende kabinetten stappen zullen moeten zetten voor gezonde overheidsfinanciën.

Vraag 11

Vraag 11

Waarom lukt het het kabinet niet om structureel te besparen op ondoelmatige uitgaven?

Antwoord op vraag 11

Met het coalitieakkoord heeft het kabinet maatregelen genomen om de houdbaarheid van de Rijksbegroting te verbeteren. Het kabinet blijft zich inzetten om ondoelmatige uitgaven zoveel mogelijk te voorkomen. Hierover wordt u in de begrotingsstukken geïnformeerd.

Vraag 12

Vraag 12

Welke bezuinigingen zijn in 2025 niet gerealiseerd?

Antwoord op vraag 12

Het Financieel Jaarverslag Rijk blikt terug op het jaar 2025 vanaf Miljoenennota 2025. Bezuinigingen met effect in 2025 die niet zijn gerealiseerd, hebben geleid tot besparingsverliezen bij VWS en SZW. In onderstaande tabel staan de besparingsverliezen in 2025.

Besparingsverliezen

Begrotingsstuk

VWS en SZW

Dep.

2025

Besparingsverlies (in miljoenen euro)

2025
Miljoenennota 2025

VWS

Aanpassing Wet Geneesmiddelenprijzen

58
Miljoenennota 2025

VWS

Behandeling Wlz

170
Miljoenennota 2025

VWS

Doorontwikkeling kwaliteitskader Wlz

200
Miljoenennota 2025

VWS

Meerjarig contracteren Wlz

245
Miljoenennota 2025

VWS

Trancheren eigen risico

318
Voorjaarsnota 2025

SZW

Banenafspraak overheid

35
Voorjaarsnota 2025

SZW

Banenafspraak markt

22

Een uitgebreide toelichting op de tegenvallers per begroting is te vinden in de bijlage Verticale toelichting bij Miljoenennota 2025 en Voorjaarsnota 2025.

Hoe wordt voorkomen dat extra uitgaven leiden tot meer lasten voor burgers en bedrijven?

Antwoord op vraag 13

Het kabinet investeert onder meer in defensie, onderwijs en woningbouw voor de veiligheid en toekomst van Nederland. Hier is gezocht naar een balans tussen collectieve uitgaven en de collectieve lasten, zoals gepresenteerd in de Startnota. Gedurende de rit voert het kabinet trendmatig begrotingsbeleid, met een scheiding van inkomsten en uitgaven. Als er een wens is tot hogere uitgaven, dan moeten deze ook worden voorzien van budgettaire dekking aan de uitgavenkant. Op die manier wordt voorkomen dat gedurende de rit extra uitgaven zouden leiden tot hogere lasten.

Vraag 14

Vraag 14

Welke concrete verbeteringen volgt u op uit het Financieel Jaarverslag 2025?

Antwoord op vraag 14

Vanuit mijn kaderstellende rol zal ik mij blijven inzetten voor de versterking van het financieel beheer. Zo

wordt via verschillende trajecten zoals het Programma Versterking Financieel Beheer en de Toekomst Financiële Administratie gewerkt aan de verbetering van het financieel beheer bij de rijksoverheid. Dit doe ik bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van regelgeving, zoals afgelopen jaar de Regeling Financieel beheer en het versterken van kennisuitwisseling via verschillende interdepartementale gremia.

Vraag 15

Vraag 15

Waarom moet de Kamer opnieuw constateren dat financiële grip op de rijksoverheid tekortschiet?

Antwoord op vraag 15

Hoewel ik voortdurend streef naar zorgvuldig financieel beheer, zijn fouten helaas niet altijd volledig te voorkomen. De ontvangsten en uitgaven zijn de afgelopen jaren binnen de norm gebleven, alleen de verplichtingen zitten nog boven de tolerantiegrens van 1%. Ministeries werken daarbij hard aan het oplossen van hun onvolkomenheden. Voor alle verbetermaatregelen geldt dat geen snelle oplossing is en dat niet alle problematiek overal voorkomt. Oplossingen vragen om tijd en maatwerk. Ik blijf mij inzetten om het financieel beheer verder te versterken.

Vraag 16

Vraag 16

Hoeveel is een m3 gas en kwh elektra in prijs gestegen in de afgelopen drie jaar?

Antwoord op vraag 16

De gemiddelde prijs die consumenten betalen voor aardgas (hierna: de leveringsprijs) is gedaald van 1,80 euro/m35 in 2023 naar 1,29 euro/m3 voor huishouden in april 20266 (inclusief belastingen en btw). Grootverbruikers betaalden lagere tarieven door het degressieve systeem van de energiebelasting. De leveringsprijs voor elektriciteit is ook gedaald van 0,27 euro/kWh in 2023 naar 0,25 euro/kWh in april 2026. Ook hierbij geldt dat grootverbruikers in deze periode lagere tarieven betaalden door het degressieve belastingstelsel.

De afgelopen maanden zijn de gasprijzen volatiel door de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten.7 De consumentenprijzen voor nieuwe gascontracten kenden een sterke stijging in maart. Vervolgens zijn de gasprijzen binnen nieuwe contracten weer gedaald. Op 22 mei is het gemiddelde tarief voor een nieuw 1-jaar-vast contract 1,44 euro/m3. Dit is 0,15 euro/m3 hoger dan het gemiddelde wat huishoudens op dit moment betalen per m3.

5 StatLine - Eindverbruikersprijzen aardgas en elektriciteit

6 CBS, verdeling energietarieven 2026

7 Gasprijs vandaag | Wat betaal ik per m3?

Hoeveel belasting en btw betaalt de consument relatief op een liter benzine, m3 gas, kwh elektra? Hoeveel was dit percentage in de afgelopen periode van 20 jaar?

Antwoord op vraag 17

Onderstaande tabel laat voor benzine en diesel de gemiddelde pompprijs van het betreffende jaar zien, het accijnstarief dat dat jaar gold, het gemiddelde aandeel accijns per liter benzine of diesel en het aandeel aan btw. De gegevens rond benzine en diesel zijn vanaf 2011 weergegeven. Op 1 oktober 2012 en 1 juli 2022 is het btw-tarief gewijzigd, en op 1 april 2022 en 1 juli 2023 zijn de accijnstarieven gewijzigd. Daarom worden die jaren opgesplitst. Bij een wijziging in het btw-tarief is voor het accijnsdeel de volledige accijnsperiode genomen.

Tabel 1 Gemid

delde pompprijs

Benzine

, accijnstarie

f en aandeel

accijns voor benzine

Diesel

en diesel in

2011 t/m 2025

Beide

Gemiddelde pompprijs

Accijnstarief

Aandeel accijns

Gemiddelde pompprijs

Accijnstarief

Aandeel accijns

Aandeel btw

2011

€ 1,640

€ 0,71827

44%

€1,348

€0,424

31%

16%

1-1-2012

tot 1-10-2012

€ 1,759

€ 0,73048

42%

€1,444

€0,431

30%

16%

1-10-2012

tot 1-1-2013

€ 1,759

€ 0,73048

42%

€1,444

€0,431

30%

17%

2013

€ 1,736

€ 0,74655

43%

€1,421

€0,440

31%

17%

2014

€ 1,695

€ 0,75924

45%

€1,401

€0,478

34%

17%

2015

€ 1,558

€ 0,76607

49%

€1,230

€0,482

39%

17%

2016

€ 1,477

€ 0,76990

52%

€1,134

€0,484

43%

17%

2017

€ 1,552

€ 0,77221

50%

€1,221

€0,486

40%

17%

2018

€ 1,618

€ 0,77839

48%

€1,335

€0,490

37%

17%

2019

€ 1,647

€ 0,78773

48%

€1,356

€0,496

37%

17%

2020

€ 1,562

€ 0,80033

51%

€1,237

€0,504

41%

17%

2021

€ 1,815

€ 0,81314

45%

€1,461

€0,522

36%

17%

1-1-2022

tot 1-4-2022

€ 2,109

€ 0,82371

39%

€1,843

€0,528

29%

17%

1-4-2022

tot 1-7-2022

€ 2,059

€ 0,65071

32%

€1,992

€0,417

21%

17%

1-7-2022

tot 1-1-2023

€ 2,059

€ 0,65071

32%

€1,992

€0,417

21%

8%

1-1-2023

tot 1-7-2023

€ 1,823

€ 0,65071

36%

€1,619

€0,417

26%

17%

1-7-2023

tot 1-1-2024

€ 2,018

€ 0,78910

39%

€1,805

€0,516

29%

17%

2024

€ 1,969

€ 0,78910

40%

€1,722

€0,516

30%

17%

2025

€ 1,921

€ 0,78910

41%

€1,691

€0,516

31%

17%

De percentages zijn berekend als aandeel van de totale consumentenprijs inclusief belastingen. Bij de interpretatie van het btw-aandeel is van belang dat de btw niet 21% van de consumentenprijs bedraagt. Het btw-tarief van 21% wordt namelijk geheven over de prijs exclusief btw. Uitgedrukt als aandeel van de totale prijs inclusief btw bedraagt het effectieve aandeel daarom circa 17% (21/121). Hetzelfde geldt bij het aandeel btw bij de energierekening.

Over het verbruik van gas en elektriciteit wordt energiebelasting geheven. Deze belasting kent een degressieve structuur met vier schijven waarbij huishoudens in de eerste schijf vallen. In de eerste schijf betaalt men momenteel 60,65 cent per m3 aardgas en 9,25 cent per kwh elektriciteit. De jaarlijkse energiebelasting wordt ook nog verminderd met de belastingvermindering van 529,10 euro. De totale energierekening bestaat uit nettarieven, leveringstarieven, en energiebelasting.

Over de totale energierekening, inclusief energiebelasting, wordt ook nog 21% btw geheven. De energiebelasting als aandeel van de totale energierekening bedraagt voor een huishouden met een gemiddeld8 gebruik 9% en de btw 17%. In de onderstaande tabel is de opbouw van de energierekening van een gemiddeld huishouden in de voorgaande jaren weergegeven.

Voor de jaren vóór 2020 zijn er geen gedetailleerde jaar-op-jaar reeksen beschikbaar. In 2005 bedroeg het aandeel energiebelasting en btw respectievelijke 22% en 16%.

Tabel 2 Jaarlijkse energier

ekening in euro's

2020

(prijspeil 20

2021

26)

2022

2023 2024 2025 2026
Netwerktarieven 459 459 429 505 566 592 618
Vaste leveringskosten 142 142 136 135 152 155 157
Variabele leveringskosten 564 562 1397 987 777 777 777
Energiebelasting 496 479 ‒ 44 207 224 195 194
Btw 349 345 288 385 361 361 366
Totaal

2.009

1.987

2.206

2.218

2.079

2.079

2.112

Aandeel energiebelasting 25% 24% ‒ 2% 9% 11% 9% 9%
Aandeel btw 17% 17% 13% 17% 17% 17% 17%

Vraag 18

Vraag 18

Kunt u een volledige verklaring geven voor de hoge inflatie in 2022, 2023, 2024 en 2025?

Antwoord op vraag 18

In 2025 heeft het vorige kabinet een brief naar de Kamer gestuurd die de hoge inflatie in deze jaren verklaart.9 Inflatie wordt in de kern bepaald door de mate van balans tussen vraag en aanbod in de economie. Inflatie is de afgelopen jaren vooral gedreven door het samenspel van exogene schokken en monetair en begrotingsbeleid.

In de periode voorafgaand aan de coronapandemie werd gekenmerkt door lage inflatie en accomoderend beleid van de ECB. In reactie op de coronapandemie heeft de ECB haar toen al vrij expansieve monetaire beleid nog verder verruimd, met als doel om financiële markten en de economie te stabiliseren en om daarmee de inflatie niet verder onder de doelstelling te laten gaan. Daarnaast voerden overheden in de EU ook zeer ruim expansief begrotingsbeleid om de negatieve schok van de pandemie te absorberen. Deze overheidssteun was effectief in het verzachten van de economische gevolgen. Ook liepen hierdoor begrotingstekorten en overheidsschulden op in de eurozone.

Door het expansieve monetaire- en begrotingsbeleid en het snelle economische herstel na de eerste lockdowns nam de vraag naar goederen en diensten snel toe. Tegelijkertijd waren er tijdens de pandemie aanleveringspro-blemen in productieketens ontstaan waardoor het aanbod stokte. Doordat het aanbod de vraag niet kon bijhouden, liep de wereldwijde inflatie op, waaronder in het eurogebied en Nederland. Vervolgens stegen de energieprijzen in 2022 flink door de sterke vraag en het tegenvallende energieaanbod en ontstond de energiecrisis na de inval van Rusland in Oekraïne. Deze schokken werkten langdurig door in de economie en heeft de inflatie in de jaren erna verhoogd. In Nederland waren de effecten op de inflatie sterker dan in de rest van het eurogebied, vanwege onze relatief lage werkloosheid en hoge economische groei.

8 Een gemiddeld huishouden heeft in 2026 een jaarlijks verbruik van 900 m3 aardgas en 1920 kwh elektriciteit.

9 Kamerbrief met een analyse van de Nederlandse inflatie | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl

De ECB is primair verantwoordelijk voor prijsstabiliteit. De ECB richt zich echter op de eurozone als geheel, terwijl de Nederlandse inflatie tot vorige maand hoger was dan in de rest van de eurozone. Dat maakte het monetaire beleid lange tijd minder passend voor Nederland. Hierdoor kwam de hoge inflatie minder gemakkelijk omlaag.

Met hoeveel zijn de prijzen van boodschappen in de afgelopen jaren gestegen t.o.v. 2022? Graag per jaar aangeven?

Antwoord op vraag 19

Zie onderstaand de ontwikkeling van de Consumentenprijsindex (CPI) in de afgelopen jaren sinds en ten opzichte van 2022. Het CPI laat de ontwikkeling van een gemiddeld boodschappenmandje zien. Dit is een boodschappen-mandje in de brede zin van het woord, in die zin dat het uitgaven van huishoudens in brede zin beslaat. Vandaar dat onder ook specifiek de ontwikkeling sinds 2022 voor voedingsmiddelen is weergegeven.

Tabel 3

Jaar

CPI (2022=100)

CPI voedingsmiddelen (2022=100)

2022

100,0

100,0

2023

103,8

112,1

2024

107,3

113,3

2025

110,8

117,2

Bron: CBS

Vraag 20

Vraag 20

Met hoeveel zijn een liter benzine en diesel in de afgelopen jaren gestegen t.o.v. 2022? Graag per jaar aangeven.

Antwoord op vraag 20

Zie onderstaand de ontwikkeling van de Consumentenprijsindex (CPI) in de afgelopen jaren voor benzine en diesel sinds en ten opzichte van 2022.

Tabel 4

Jaar

CPI benzine (2022=100)

CPI diesel (2022=100)

2022

100,0

100,0

2023

92,8

87,7

2024

95,7

88,7

2025

93,4

87,0

Bron: CBS

Vraag 21

Vraag 21

Met hoeveel zijn de huren gestegen in de afgelopen jaren gestegen t.o.v. 2022? Graag per jaar aangeven.

Antwoord op vraag 21

Zie onderstaand de ontwikkeling van de Consumentenprijsindex (CPI) in de afgelopen jaren voor woninghuur sinds en ten opzichte van 2022. Onderliggend kunnen er verschillen zijn tussen sociale huur, middenhuur en vrije sector.

Tabel 5

Jaar

CPI woninghuur (2022=100)

2022

100,0

2023

102,5

2024

106,3

2025

111,7

Bron: CBS

Hoe verklaart u het dat het EMU-saldo 13,8 miljard euro positiever was dan vooraf was ingeschat bij de MJN 2025? Kunt u vanaf het jaar 2022 per jaar aangeven hoeveel het EMU-saldo was bij de MJN dat jaar en hoeveel het was bij de FJR?

Antwoord op vraag 22

In tabel 2.1.1.1 in het FJR staat toegelicht hoe het EMU-saldo van ‒ 2,8% bij Miljoenennota 2025 komt tot ‒ 1,6% in het FJR. De grootste correctie tussen Miljoenennota en FJR zijn de kastransverschillen. Deze corrigeren het EMU-saldo voor het verschil tussen het moment van de kasuitgave en het moment van relevantie voor het EMU-saldo. Niet voor elke regeling is het makkelijk te voorspellen wanneer het moment van economische handeling plaatsvindt. Kastransverschillen zorgen niet voor structurele budgettaire ruimte. De kastransverschillen die het EMU-saldo in 2025 hebben verbeterd, zullen het EMU-saldo in andere jaren namelijk belasten.

Onderstaande tabel weergeeft het EMU-saldo in de Miljoenennota van dat jaar en de realisatie bij FJR. Naar aanleiding van deze realisaties heeft de expertgroep realistisch ramen in maart 2025 het advies «Op drift of op koers» uitgebracht. Het kabinet zet stappen om de aanbevelingen van de expertgroep uit te voeren, zo is de bergoting in een realistische kasritme gezet.

Tabel 6 EMU-saldo Miljoenennota en FJR

In miljarden euro

2022 2023 2024 2025
EMU-saldo Miljoenennota ‒ 21,3 ‒ 29,6 ‒ 31,7 ‒ 32,6
EMU-saldo FJR 0,1 ‒ 3,5 ‒ 10,1 ‒ 18,7
Verschil 21,4 26 21,6 13,8

Vraag 23

Vraag 23

Kunt u de onderuitputting nader specificeren? Hoe is te verklaren dat de onderuitputting 1,4 mld. euro lager uitkwam?

Antwoord op vraag 23

Tabel 2.1.1.2 in het FJR toont de onderuitputting per departement. Een uitgebreide toelichting op de onderuitputting per begroting is te vinden in de bijlage Verticale toelichting bij Miljoenennota 2025, Voorjaarsnota 2025, Miljoe-nennota 2026, Najaarsnota 2025, Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025, en in de departementale jaarverslagen. Door een hogere realisatie dan eerder verwacht is de aanvullende onderuitputting niet volledig ingevuld (de onderuitputting komt 1,4 mld. lager uit dan eerder verwacht).

Vraag 24

Vraag 24

Hoeveel mensen leefden er in 2025 in armoede (absolute getallen)? Om hoeveel kinderen ging het?

Antwoord op vraag 24

De realisatiecijfers van mensen in armoede zijn nog niet definitief voor 2025. Deze worden aan het einde van dit jaar definitief vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Volgens de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB)[1]10 was het aantal personen onder de armoedegrens 520.000 in 2025. Het aantal kinderen in armoede was 84.000 in 2025. Dit is op basis van de armoededefinitie van CBS, Nibud en SCP. De afgelopen

jaren is de armoede fors afgenomen. Zo leefden in 2018 nog 1,2 miljoen personen en 290.000 kinderen onder de armoedegrens. Het kabinet streeft ernaar om de armoede tijdens de kabinetsperiode verder te laten afnemen.

10 CPB (2026) CEP 2026 (link)

Kunt u nader toelichten waarom er meer werd uitgegeven aan asiel?

Antwoord op vraag 25

Uit het jaarverslag 2025 van Asiel en Migratie (Kamerstukken Kamerstukken II 2025/26, 36 945 XX, nr. 1) blijkt dat minder is uitgegeven aan asiel, exclusief opvang ontheemden, (totaal circa 5,4 miljard euro) dan geraamd bij Ontwerpbegroting 2025 Asiel en Migratie (totaal circa 5,6 miljard euro). Dit komt o.a. door meevallers door een lagere asielstroom dan geraamd, lagere uitgaven aan eerstejaarsasielopvang die zijn teruggeboekt naar het ministerie van BHO en een meevaller bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) die via een kasschuif is ingezet in latere jaren.

In de vraag wordt verwezen naar de tegenvaller asiel die vermeld staat in de kadertoets in het Financieel Jaarverslag Rijk (pagina 25). Dit betreft de optelsom van enerzijds tegenvallers die relevant zijn voor het kader zoals meerkosten crisisnoodopvang en extra stortingen in de voorziening voor dwangsommen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), en anderzijds meevallers, zoals de lagere uitgaven door een lagere asielinstroom dan geraamd bij COA, IND en Stichting Nidos.

Overboekingen tussen begrotingen passen het kader niet aan wanneer deze onder het kader blijven en kasschuiven worden als een post voor alle departementen samen meegenomen (en nader uitgesplitst in paragraaf 2.1.1 in het Financieel Jaarverslag). Dit verklaart het verschil tussen het beeld uit het jaarverslag van Asiel en Migratie en

de kadertoets.

Vraag 26

Vraag 26

Hoeveel is er in 2022, 2023 en 2024 uitgegeven aan Oekraïne? Graag eenzelfde soort onderscheid maken als in Tabel 2.1.3.

Antwoord op vraag 26

Tabel 2.1.4 in FJR 2024, Tabel 1.3.3 in FJR 2023 en Tabel 1.3.2. in FJR 2022 tonen de uitgaven aan Oekraïne.

Vraag 27

Vraag 27

Hoeveel was de stand van de Miljoenennota wat betreft de uitgaven aan Oekraïne? Hoe is het verschil met wat er uiteindelijk is uitgegeven aan Oekraïne in 2025 te verklaren?

Antwoord op vraag 27

In Miljoenennota 2025 was 7,2 miljard euro geraamd aan uitgaven aan Oekraïne (Tabel 3 en in Bijlage 22 van MJN 2025). FJR 2025 toont in Tabel 2.1.3 dat de uitgaven zijn uitgekomen op in totaal 8,4 miljard euro. Het verschil wordt met name verklaard door aanvullende uitgaven voor militaire ondersteuning ter continuering van de steun. Een deel is versneld in 2025 geplaatst waarmee onder meer drones zijn gekocht, in samenwerking met de Oekraïense industrie (zie Paragraaf 3.3.1 Oekraïne - VJN 2025).

Hoe valt te verklaren dat er meer is binnengehaald bij de loon- en inkomensheffing?

Antwoord op vraag 28

Onderliggend zijn drie aanwijsbare oorzaken belangrijk. Ten eerste is de groei van de werkgelegenheid in 2025 groter geweest dan verwacht (+1,06% in plaats van 0,26%). Dit leidt tot hogere inkomsten uit de loonheffing.

Ten tweede zijn er hogere inkomsten uit inkomensheffing dan geraamd. De inkomensheffing heeft betrekking op verschillende type grondslagen (zoals winst van ondernemers, box 2, box 3). Uit de beschikbare kasinformatie kunnen deze componenten niet worden afgeleid. Wel is zichtbaar dat met name de kasontvangsten die betrekking hebben op belastingjaar 2024 ('t-1') hoger zijn uitgekomen dan verwacht. Deze ontvangsten hebben grotendeels betrekking op de jaarlijkse aangiftecampagne. Ook dit effect komt tot uitdrukking in hogere endogene groei. Een derde effect is een positieve doorwerking van de ontvangsten over 2024 en een (ongeveer even grote) negatieve bijdrage van beleid. Deze twee posten houden met elkaar verband en zijn voornamelijk technisch van aard. Na de Miljoenennota 2025 (namelijk bij Najaarsnota) is de wijze waarop de geraamde kosten van de Hoge Raad-uitspraken over box 3 verwerkt worden, gewijzigd. Dit leidt er kort gezegd toe dat minder kosten zijn toegerekend aan 2024, terwijl de mate waarin kosten worden toegerekend aan 2025 grotendeels onveranderd is. Deze wijziging komt in de tabel tot uitdrukking door een positieve ‘doorwerking’ uit 2024 en juist een negatieve bijdrage van beleid in 2025.

Vraag 29

Vraag 29

Kunt u de verdeling van de belastingontvangsten over arbeid, kapitaal en consumptie ook uitsplitsen voor de periode 2000 tot nu?

Antwoord op vraag 29

Vanaf 2006 is het mogelijk om deze splitsing te maken, zie onderstaande figuur

Afbeelding1Figuur 1 Uitsplitsing belastingontvangsten over arbeid, kapitaal, consumptie en zorgpremie

Hoe verhoudt figuur 2.2.2.1 zich tot de eerdere analyse dat de grondslag arbeid fors is gegroeid en de grondslag kapitaal fors is gedaald? (Bron: Figuur 1.2 uit Bouwstenen voor een beter belastingstelsel, 2020)?

Antwoord op vraag 30

De analyse uit het rapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel (2020) beslaat de periode 2001 tot 2021, waarbij figuur 2.2.2.1 specifiek betrekking heeft op de jaren 2018 tot 2025. Een blik verder terug in de tijd laat zien dat ook destijds het aandeel arbeid toenam en het aandeel kapitaal daalde (zie tevens het antwoord op vraag 29). Voor de meer recente periode van 2020 tot 2025 is daarentegen een omgekeerde ontwikkeling zichtbaar: hierbij stijgt het aandeel kapitaal, terwijl het aandeel arbeid juist daalt.

Daarnaast is het van belang om een methodologisch onderscheid te maken. De analyse in Bouwstenen kijkt naar de mutatie van de belastinggrondslagen, uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp). Dit verschilt wezenlijk van een benadering waarbij de grondslagen worden uitgedrukt als percentage van de totale belastinginkomsten. Waar de laatstgenoemde methode het relatieve aandeel van een specifieke grondslag in de totale opbrengsten weergeeft, richt de mutatie-analyse zich op de jaar-op-jaar verandering.

Vanwege dit fundamentele verschil in berekeningswijze laten de uitkomsten van beide analyses zich niet goed met elkaar vergelijken.