Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D26524, datum: 2026-06-01, bijgewerkt: 2026-06-02 09:52, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-06-01 14:00: Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden) (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden)
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft op 1 juni 2026 overleg gevoerd met de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, over:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden (Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden) (36867).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Biekman
De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties,
Hessing-Puts
Voorzitter: Biekman
Griffier: Manten
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Biekman, Tijs van den Brink, Ceder, Heera Dijk, Den Hollander, Tseggai en Vlottes,
en de heer Van der Burg, staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid.
Aanvang 14.01 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag, bon tardi en good afternoon. Hierbij open ik deze
vergadering van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties. Wij voeren
vandaag een wetgevingsoverleg met de staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties over de Wet verhoging aantal
eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden. Van harte welkom aan de
staatssecretaris. Ook van harte welkom aan mijn collega-Tweede
Kamerleden en aan de mensen die online meekijken. Mijn naam is Anouschka
Biekman en ik ben de voorzitter van deze mooie commissie. Ik zal ook nog
even de Kamerleden voorstellen: de heer Ceder namens de ChristenUnie, de
heer Tijs van den Brink namens het CDA, mevrouw Tseggai namens
GroenLinks-PvdA, mevrouw Heera Dijk namens D66, mevrouw Den Hollander
namens de VVD en de heer Vlottes namens de PVV. Welkom.
Voor de eerste termijn hebben de Kamerleden al een spreektijd
doorgegeven. Ik stel voor om voor de eerste termijn vijf interrupties
toe te laten. Ik geef nu graag het woord aan het lid Ceder voor zijn
inbreng. U heeft tien minuten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Good day, goedendag en bon dia.
Voorzitter. Onze Nederlandse democratie is gebouwd op het huis van
Thorbecke. Iedere overheidslaag heeft zijn eigen taak en
verantwoordelijkheid. Gemeenten staan daarbij als bestuurslaag het
dichtst op de inwoners. Vaak zijn zij ook de meest zichtbare
bestuurslaag, met gekozen raadsleden en wethouders die hun inwoners
vertegenwoordigen en besluiten nemen. Dat is een systeem om te
koesteren, maar ook een systeem om te verbeteren als dat noodzakelijk
is. In het geval van de samenstelling van het aantal eilandsraadsleden
en eilandgedeputeerden op Bonaire, Statia en Saba is verandering zeer
noodzakelijk. Ik ben blij dat het wetsvoorstel er ligt en dat we het
snel behandelen, ook met het oog op de verkiezingen van volgend
jaar.
Voorzitter. Ik moet zeggen dat ik aanvankelijk zeer kritisch was, juist
omdat de eilandsraadsleden, in ieder geval een aantal van hen, te kennen
hadden gegeven dat ze de huidige opzet onvoldoende vonden. Ik heb
begrepen dat de eilandsraden, mede dankzij de inzet van de
bewindspersoon en de ambtenaren over en weer de afgelopen weken, zich nu
in groten getale achter het huidige voorstel kunnen scharen. Ik denk dat
dat een compliment waard is.
Voorzitter. Het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden op de
BES-eilanden staat al lange tijd niet in verhouding tot het aantal
inwoners en de aantallen in Europees Nederland. De gemeente Bunschoten
heeft bijvoorbeeld 22.000 inwoners en 19 raadsleden. Bonaire heeft
26.000 inwoners en maar 9 eilandsraadsleden, terwijl Bonaire een eiland
met andere en ook meer verantwoordelijkheden is; het heeft bijvoorbeeld
een eigen vliegveld. Kortom, dat het aantal eilandsraadsleden moet
worden verhoogd, is in mijn ogen een no-brainer, ook met het oog op de
versterking van de democratische legitimiteit. Dit voorstel was
oorspronkelijk onderdeel van de totale herziening van de Wet openbare
lichamen BES. Dit deel is nu losgetrokken. Gezien de snelheid van de
behandeling begrijp ik dat, maar dat betekent niet dat de totale
herziening van de Wet openbare lichamen BES en de Wet financiën openbare
lichamen BES op een zijpad moet worden geschoven.
Voorzitter. Met dit wetsvoorstel wordt het aantal eilandsraadsleden op
een gelijkwaardig niveau met Europees Nederland gebracht. Voor meer
gelijkwaardigheid en versterking van de democratie is het ook
noodzakelijk om de andere aanpassingen door te voeren, zoals een andere
benoemingsprocedure van de gezaghebber.
Voorzitter. Dan de vraag. De herziening van de Wet openbare lichamen BES
duurt in mijn ogen te lang. Die is in 2023 geconsulteerd en daarna is er
tijdens de werkconferentie over gesproken met eilandsraadsleden. Ik
vraag de staatssecretaris naar de stand van zaken. Kan hij toezeggen dat
het wetsvoorstel voor het einde van het jaar in behandeling genomen
wordt? Kan hij dat concreet toezeggen, of in ieder geval in een brief
aangeven wanneer de behandeling kan plaatsvinden?
Voorzitter. Bovendien wordt de functie van Rijksvertegenwoordiger in het
voorstel toch behouden. Daar was discussie over. Mijn vraag is ook:
waarom? Wat is de nut en noodzaak van die Rijksvertegenwoordiger? Hoe
ziet de staatssecretaris dit in het kader van het "comply or
explain"-principe? Gemeenten hebben immers ook geen
Rijksvertegenwoordiger. In hoeverre heeft dit besluit het
wetgevingstraject vertraagd? Graag een reflectie van de
staatssecretaris, ook op het handelen van zijn voorganger.
Voorzitter. Het wetsvoorstel zelf is vrij helder en duidelijk. Toch heb
ik, ook gezien de amendementen die ik heb ingediend, een aantal vragen,
allereerst rond de verhogingen van het aantal eilandsraadsleden. Die
verhogingen vinden stapsgewijs plaats. Er is afgesproken dat er tussen
de verhogingen een evaluatie plaatsvindt. Deze evaluatie is echter niet
wettelijk vastgelegd. Waarom is hier niet voor gekozen, vraag ik de
staatssecretaris. Bovendien werd er in de afspraken een uitzondering
gemaakt voor Sint-Eustatius? Daar zou geen evaluatie voor nodig zijn.
Waarom, vraag ik.
Ik heb de wet op dit punt dan ook geamendeerd en stel voor de evaluatie
wel wettelijk te verankeren, ook voor Statia. Dat is niet omdat ik de
verhogingen wil bemoeilijken of niet zou steunen, allesbehalve, maar
juist om gebruikt te kunnen maken van de kansen die deze evaluatie biedt
qua verbeteringen. Ik denk bijvoorbeeld dat het ook slim is om te kijken
naar de opvolging van de gemaakte afspraken tussen het Rijk en de
eilandsbesturen. Ik heb verschillende mensen op de eilanden gesproken.
Zij maken zich toch zorgen of Nederland de afspraken die zijn gemaakt
tijdens de werkconferentie daadwerkelijk gaat waarmaken. Daar ligt een
evidente zorg. Ik vraag aan de staatssecretaris of die terecht is. Voor
de vormgeving van de evaluatie heb ik dus aangesloten bij de afspraken
die gemaakt zijn tijdens de werkconferentie. Ik ben benieuwd naar de
appreciatie van de staatssecretaris.
Voorzitter. Ook over de bezoldiging van de eilandsraadsleden zijn bij de
werkconferentie belangrijke afspraken gemaakt. De bezoldigingen voor
eilandsraadsleden in Caribisch Nederland liggen namelijk een stuk lager
dan die voor gemeenteraadsleden in Europees Nederland, terwijl we weten
dat de levenskosten op de eilanden hoger zijn dan hier in Europees
Nederland. Dat is wat mij betreft niet uit te leggen. In de wet wordt in
de financiële paragraaf uitgegaan van de huidige bezoldigingsafspraken.
Waarom?
Ik vind de afspraken rond bezoldiging dusdanig belangrijk dat ik een
amendement heb ingediend om de inwerkingtreding afhankelijk te maken van
het nieuwe rechtspositiebesluit. Ik begrijp dat dit een nogal zwaar
instrument is, maar wat mij betreft kan het verhogen van het aantal
eilandsraadsleden, een oprechte poging om de democratische legitimiteit
te versterken, niet zonder ook een passende bezoldiging en concrete
afspraken daarover. Ik wil dan ook vragen wanneer de staatssecretaris
dit gaat regelen en of er voldoende middelen zijn vrijgemaakt door dit
kabinet. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren en daarmee ook
misschien de zorgen wegnemen van de mensen die momenteel
meekijken?
Voorzitter. Ook rond ondersteuning en huisvesting van de
eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden zijn afspraken gemaakt en dat
is goed. Bij de gemaakte afspraken lees ik dat de minister jaarlijks in
ieder geval €350.000 beschikbaar stelt voor de ondersteuning van de
eilandsraadsleden. Mijn vraag is of deze financiële middelen ook direct
beschikbaar zijn zodra de wet ingaat, of dat de minister daarmee wacht
tot de inwerkingtreding van de Herzieningswet WolBES en FinBES. Is de
minister het met mij eens dat het logisch zou zijn om dit geld per
direct beschikbaar te stellen bij het ingaan van de wet en niet te
wachten op de herzieningswet, ook omdat de nodige fysieke en materiële
zaken aangepast zullen moeten worden om de verkiezingen en de
uitbreiding na de uitslag mogelijk te maken? Ook rond huisvesting, heel
praktisch bijvoorbeeld de plek waar vergaderd wordt en een mogelijke
uitbreiding daarvan, ben ik benieuwd naar de stand van zaken van de
gemaakte afspraken.
Voorzitter. Het uiteindelijke doel van deze wet is het versterken van de
democratie en de democratische legitimiteit van het bestuur van de
openbare lichamen. Het verhogen van het aantal eilandsraadsleden en
eilandgedeputeerden is daarom ook een stap in de goede richting. Dat is,
voor zover ik heb begrepen, inmiddels ook het standpunt van alle
eilandsraden. Dat betekent echter niet dat we het nu voor gezien kunnen
houden en achterover kunnen leunen. Daarom ben ik blij om te zien dat er
een samenwerking op touw gezet wordt tussen de eilanden en de VNG en de
Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. Mijn vraag is of de
staatssecretaris een beeld kan geven bij de initiatieven die er nu lopen
tussen de VNG, de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden en de
eilandsraadsleden en hoe deze versterkt zouden kunnen worden.
Voorzitter, tot slot. Ik hoop dat de resultaten van dit wetsvoorstel en
de herzieningswetten die eraan komen, bijdragen aan een gelijkwaardiger
bestuur, met als uiteindelijk resultaat de bloei van de eilanden en hun
inwoners, zowel economisch als op sociaal gebied.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. U heeft nog ruim drie minuten over, dus u
had ook in een minder rap tempo kunnen praten.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Ik hoop dat de andere collega's dit voorbeeld zullen
volgen.
De voorzitter:
Die hebben minder tijd. Ik zie een interruptie van mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Ik wilde het betoog afluisteren; vandaar dat ik even heb gewacht met
mijn interrupties. Ik heb twee vragen. U had het over de
Rijksvertegenwoordiger; ik ben benieuwd hoe de ChristenUnie daar zelf
tegenover staat. Ik hoorde u ook over de evaluatie, maar volgens mij
staat er in de stukken dat ze zelf hebben aangegeven dat ze geen
evaluatie willen. Ik ben dus ook benieuwd hoe de ChristenUnie
daartegenover staat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ten aanzien van het eerste punt: ik volg daarin de eilandsraden die
hebben aangegeven — dat was volgens mij ook de afspraak — dat er geen
Rijksvertegenwoordiger meer zou komen en dat dat in de wet die eraan
komt, ook geregeld zou moeten worden. Het vorige kabinet, het
kabinet-Schoof, heeft in tegenstelling tot de gemaakte afspraken toch
het besluit genomen om die nog wel te behouden. Dat vind ik ongelukkig,
omdat er in gemeenteland geen vertegenwoordiger zit tussen de
eilandsraden, de gezaghebber en misschien ook de minister. Dat doen we
hier nu wel. Ik denk dat de groei in verantwoordelijkheden van de
eilandsraden dusdanig stagneert dat het een betere ontwikkeling zou zijn
om die afspraken na te komen. Ik overweeg dan ook een motie. Dit
wetsvoorstel komt eraan, maar ik weet niet wat het kabinet-Jetten van
plan is met de afspraken die het kabinet-Schoof gemaakt heeft. Daarom
ben ik benieuwd of dit er alsnog uit gehaald wordt. Ik ben er dus
voorstander van om die afspraken na te komen en de
Rijksvertegenwoordiger eruit te halen. Ik ben benieuwd of het
kabinet-Jetten dat standpunt deelt.
Ten aanzien van het tweede punt … Kunt u me even helpen door te herhalen
waar dat ook alweer over ging?
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dat ging over de evaluatie. Ze hebben zelf aangegeven dat ze die niet
willen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Bij zo'n stevige wijziging — ik denk dat de uitbreiding van het aantal
raadsleden een stevige wijziging is — is het vrij gebruikelijk dat je
daar een evaluatie aan koppelt. Ik denk dat dat ook noodzakelijk is,
omdat de stap die we nu zetten, eigenlijk onontgonnen gebied is. We gaan
die stap zetten en ik denk ook dat dat noodzakelijk is, gezien het
aantal inwoners, maar als er kinderziektes ontstaan, is het belangrijk
dat niet alleen de eilandsraadsleden, maar ook wij als Kamerleden, die
er ook de verantwoordelijkheid voor hebben dat het daar goed gaat met
het bestuur, daar kennis van kunnen nemen.
Ik hoop dat de uitbreidingen doorgaan zoals voorzien is in het tijdpad,
maar mochten er uit de evaluatie indicaties naar voren komen dat we het
misschien niet moeten doen, ook in overleg met de eilandsraadsleden
uiteraard, dan kunnen we voor een land misschien een pas op de plaats
maken. Het lijkt me echter niet wenselijk om de optie om geen evaluatie
te doen, op tafel te laten. Uiteindelijk zijn namelijk niet alleen de
eilandsraadsleden, maar ook wij als Kamerleden er medeverantwoordelijk
voor dat het huis van Thorbecke staat. Vanwege die gedeelde
verantwoordelijkheid vind ik het wel belangrijk om die in de wet te
plaatsen.
De voorzitter:
Ik zie nog een vervolginterruptie van mevrouw Dijk. Daarna ga ik over
naar het lid Den Hollander; zij had ook een interruptie.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank voor de toelichting en de heldere uitleg. Voor mij blijft alleen
het punt van de Rijksvertegenwoordiger over, want volgens mij heeft de
Rijksvertegenwoordiger een belangrijke rol vervuld in het
Selibondossier. Dus als de Rijksvertegenwoordiger er nu uit wordt
gehaald, heb je die rol niet meer. Hoe staat de ChristenUnie daar dan
tegenover?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil zeggen dat de Rijksvertegenwoordiger, zoals we die kennen,
fantastisch werk geleverd heeft, ook zoals ik hem de afgelopen maanden
heb zien optreden. Dus complimenten daarvoor. Dit is dus ook niets
persoonlijks. Dit gaat over de vraag of we het in het kader van comply
or explain kunnen verantwoorden om een extra tussenlaag te plaatsen
tussen eilandbestuurders, zeg maar het college van B en W en de
gemeenteraden, en de minister, want die laag hebben we niet in andere
gemeentes, zoals Amsterdam of Boxtel of welke gemeente dan ook. Ik heb
er lang over nagedacht. Los van de persoonlijke waardering denk ik wel
dat we naar de andere rol toe moeten gaan, juist ook omdat de
eilandsraadsleden daarmee ook de ruimte krijgen om die
verantwoordelijkheid wat meer naar zich toe te trekken. Ik ben er niet
per se over uit hoe dat eruitziet. In de gemeenten hier zouden de
Provinciale Staten of zou de commissaris van de Koning nog in een andere
rol kunnen functioneren, maar die gaat veel minder ver dan zoals we het
nu geborgd hebben door middel van de Rijksvertegenwoordiger. Daarmee ga
je voorbij aan de afspraken die eigenlijk al gemaakt waren maar die
teruggedraaid zijn tijdens het kabinet-Schoof.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wat ik wilde zeggen in mijn interruptie is eigenlijk al grotendeels in
de interruptie van mevrouw Dijk aan de orde gekomen; die ging over de
Rijksvertegenwoordiger en de relatie met Selibon. Ik zou aan de heer
Ceder willen vragen of hij denkt dat de inwoners van Bonaire misschien
wél het belang inzien van de Rijksvertegenwoordiger, maar misschien de
bestuurders van Bonaire minder. Zou hij zich daar iets bij kunnen
voorstellen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat kan. Ik ben dienstbaar aan wat werkt. De eilandsraadsleden hebben
als getrapte vertegenwoordiger die afspraken gemaakt. Als ik het signaal
krijg dat de mensen op Bonaire eigenlijk heel graag nog een
Rijksvertegenwoordiger willen, ben ik daar natuurlijk niet ongevoelig
voor, alleen heb ik die signalen niet in die concrete mate om af te
wijken van de afspraken die eerder gemaakt zijn. Daarnaast heb ik al
eerder uitgelegd dat ik denk dat de uitbreiding van de eilandsraadsleden
en het neerleggen van een zwaardere verantwoordelijkheid bij de
eilandsraadsleden ook goed kan zijn voor de groei en het gevoel van
verantwoordelijkheid bij zowel eilandsraadsleden als bij degenen die
bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor het dossier over Selibon en
andere dossiers. Dat zorgt, denk ik, ook voor een directere lijn tussen
enerzijds de staatssecretaris en de dynamiek die speelt, waarbij ook, in
dit geval, het ministerie van IenW betrokken is en waarbij ze soms ook
te maken hebben met het ministerie van SZW. Ik denk dat een directere
lijn misschien tot een sneller resultaat kan leiden op het moment dat
dit soort dossiers spelen. Dat is wel een wezenlijk verschil ten
opzichte van Europese gemeenten. Maar als ik signalen krijg dat men op
Bonaire heel graag in meerderheid een Rijksvertegenwoordiger wil hebben,
ga ik mijn wil, om het zo te zeggen, niet doordrukken, maar volgens mij
is de indicatie die ik tot nu toe heb teruggekregen dat men die
verantwoordelijkheid wel bij de eilandsraadsleden wil beleggen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Tijs van den Brink voor
zijn inbreng. Meneer Van den Brink, u heeft daarvoor vijf minuten.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Goeiemiddag, good afternoon en bon dia. Het is
goed dat het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden wordt
uitgebreid. Bonaire, Statia en Saba zijn Nederlandse openbare lichamen,
zeg maar bijzondere gemeenten, met een groter takenpakket dan andere
gemeenten. Het CDA vindt het belangrijk dat het bestuur van de eilanden
goed is uitgerust en zijn werk goed kan doen. Uitbreiding van het aantal
eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden past daarbij. Er is nu een
grote hoeveelheid werk die niet past bij het lage aantal
eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden. Ook in de in het wetsvoorstel
gekozen stapsgewijze opbouw van de uitbreiding kan mijn fractie zich
vinden. Er is een zorgvuldig proces ingericht, waarbij ook rekening is
gehouden met de zorgen van de eilanden.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van een groter pakket
aan wijzigingen, dat overeengekomen is in De Bilt. Het onderdeel dat wij
vandaag bespreken is daaruit gehaald en met het oog op de
eilandverkiezingen van volgend jaar ingediend. Ik begrijp dat daar wat
onvrede over is ontstaan, vooral over het uitstel van de herzieningswet,
maar ik kan het besluit van de regering om dit onderdeel alvast naar
voren te halen wel volgen. Dat laat natuurlijk onverlet dat het wel
belangrijk is dat de herzieningswet doorgang vindt. Ligt de
staatssecretaris op schema om die wet voor de zomer in te dienen bij de
Raad van State? Is het streven nog steeds om de herzieningswet per 1
januari 2029 in werking te laten treden, of kan dat ook per 1 januari
'28?
Dan kom ik bij mijn volgende punt. Dat is het flankerend beleid, de
extra maatregelen die de regering treft om deze wet goed te laten
uitpakken. Het CDA vond het goed om in de beantwoording van onze vragen
te lezen dat deze maand het initiatief van start is gegaan om de
interesse in het lidmaatschap van de eilandsraden te bevorderen. Ook
lazen we dat de bezoldiging, de vergoeding van de eilandsraadsleden en
de eilandgedeputeerden, inmiddels is verhoogd. Ik heb een aantal vragen
over andere maatregelen. In het wetsvoorstel lees ik dat er extra geld
beschikbaar gesteld wordt het versterken van de ondersteuning van de
eilandsraad c.q. het bureau van de griffier. Hoe wordt dit geregeld, is
onze vraag. Ook komt er een ondersteuningsprogramma, met trainingen,
opleidingen, intervisies en coaching. Wat is de stand van zaken op dit
moment?
Voorzitter, ik sluit af. Dit wetsvoorstel is wat het CDA betreft een
goede en noodzakelijke stap bij het versterken van het lokaal bestuur op
Bonaire, Statia en Saba. Het CDA steunt het wetsvoorstel en roept de
regering op om voortvarend aan de slag te gaan met de beloofde
herzieningswet.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Ik kan de heer Ceder melden dat u
ook zijn voorbeeld heeft gevolgd, want u zat ruim binnen de tijd. Dan
geef ik het woord aan mevrouw Tseggai voor haar inbreng.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. Ik zal mijn best doen om het goede voorbeeld van mijn
collega's te volgen. Allereerst: goedemiddag, good afternoon en bon dia
aan iedereen die meekijkt. We behandelen vandaag de wetswijziging die
beoogt het aantal eilandsraadsleden van de openbare lichamen te
verhogen, alsmede het aantal eilandgedeputeerden. Ook wordt de
mogelijkheid van deeltijdeilandgedeputeerden, dat een leuk Scrabblewoord
is, geïntroduceerd. Voor mijn fractie zijn dit op zichzelf allemaal
voorstellen waarvan wij denken dat ze goed kunnen bijdragen aan het
versterken van het bestuur op Bonaire, Statia en Saba. Dat is, mede
gelet op de toegenomen omvang van de taken van de eilandsbesturen, van
groot belang. Ook wordt met deze wetswijziging het stelsel op de
eilanden meer gelijkgetrokken met hoe we hier, in Europees Nederland,
het lokale bestuur hebben georganiseerd. Dat past weer goed bij het
toepassen van het "comply or explain"-principe waarover het net ook al
even ging.
Toch heeft mijn fractie een aantal belangrijke vragen waarover we graag
een goede uitleg willen van de staatssecretaris. Toen eerder over deze
voorstellen werd gesproken met de BES-eilanden, was het de bedoeling dat
deze wetswijziging onderdeel zou zijn van een breder pakket aan
afspraken, dat van 2024 in De Bilt. De regering en de eilanden kwamen
gezamenlijk overeen dat die afspraken gemaakt zijn. Daarna heeft het
vorige kabinet ervoor gekozen om de afspraken eenzijdig open te breken
en alleen datgene wat wij vandaag bespreken aan de Kamer voor te leggen.
Wij hebben moeite met dit proces, omdat we het belangrijk vinden dat we
als landelijke overheid de afspraken die we maken met lokale overheden
ook nakomen, of dat nou in Caribisch Nederland is of in Europees
Nederland. Daarnaast kregen we de afgelopen tijd veel verschillende
signalen van de eilanden. Niet alle eilandsraden gaven op dit moment aan
positief te staan tegenover het uitbreiden van het aantal zetels, met
name vanwege de haalbaarheid en de financiën. Graag hoor ik van de
staatssecretaris hoe hij dit nu ziet. Wat is op dit moment het standpunt
van de drie eilandsraden over de uitbreiding van het aantal
zetels?
Voorzitter. Daarnaast kwam tijdens de begrotingsbehandeling dit
wetsvoorstel al uitgebreid aan bod. De staatssecretaris zat er toen ook
bij, in zijn voorgaande rol, en was wat kritisch. Maar vandaag verdedigt
hij hier natuurlijk het wetsvoorstel van zijn voorganger. Ik ben dan ook
benieuwd wat hem heeft doen overtuigen waarom het toch verstandig is om
eenzijdig deze afspraken aan te passen en een deel van de afspraken nu
in een wet op te nemen. Zoals gezegd vindt mijn fractie het van groot
belang dat het Rijk goede verhoudingen heeft met de BES-eilanden. Dat
gaat natuurlijk veel breder dan alleen de zaken die in dit wetsvoorstel
zitten, maar het is belangrijk dat juist ook op dit vlak de gemaakte
afspraken worden nagekomen. Daarom is de vraag aan de staatssecretaris
wanneer we het volgende wetsvoorstel kunnen verwachten, waarin de
overige afspraken voorliggen die met de eilanden zijn gemaakt. Dat is
eigenlijk wat de heer Van den Brink net ook vroeg. Wat komt daar
concreet in? Is hij van plan dit zo spoedig mogelijk naar de Kamer te
sturen, zodat alsnog uitvoering gegeven kan worden aan alle afspraken
die in maart 2024 tussen het Rijk en de BES-eilanden gemaakt zijn?
Voorzitter. Ik wil graag aandacht vragen voor de financiële gevolgen van
dit wetsvoorstel. Dat is eigenlijk misschien wel het belangrijkste punt
voor mijn fractie. Wanneer het aantal eilandsraadsleden wordt
uitgebreid, betekent dit namelijk logischerwijze ook dat er meer
vergoedingen worden uitgekeerd. Daar zijn wij helemaal niet op tegen,
want lokale volksvertegenwoordigers moeten gewoon een adequate
vergoeding ontvangen. Collega Ceder heeft op dit punt ook een amendement
ingediend. Daar staan wij zeer sympathiek tegenover, maar het is wel van
belang dat de eilanden ook voldoende middelen krijgen om die uitbreiding
goed te kunnen financieren en dat het niet ten koste gaat van andere
belangrijke zaken op de BES-eilanden. De maatschappelijke opgaven op de
eilanden zijn immers heel groot en er is eerder meer dan minder geld
nodig voor het goed organiseren van belangrijke voorzieningen en
infrastructuur op Bonaire, Statia en Saba. Daarom hoor ik graag van de
staatssecretaris of de extra middelen die voor dit wetsvoorstel nodig
zijn, niet ten koste gaan van de noodzakelijke investeringen op de
eilanden.
Vanuit de eilanden horen we namelijk dat de middelen die nu voor dit
wetsvoorstel voor de eilanden gezamenlijk worden ingeschat, te weinig
zijn als we ook de ondersteuning van de eilandsraden en de
bestuurscolleges goed willen regelen. Herkent de staatssecretaris dit?
Is hij het met ons eens dat we niet mogen vergeten dat de ondersteuning
goed op orde moet zijn omdat de uitbreiding anders haar doel
voorbijschiet? Voor mijn fractie is het van cruciaal belang dat er
voldoende middelen zijn en dat deze uitbreiding niet ten koste gaat van
andere belangrijke zaken. Op de totale rijksbegroting gaat het om heel
weinig geld als we het over een paar ton hebben, maar voor de eilanden
is het wel heel veel geld. Ik zou daarom de toezegging willen krijgen
van de staatssecretaris dat hij samen met de eilanden gaat kijken of de
nu gereserveerde middelen toereikend zijn en dat hij de Kamer daar ook
snel over informeert.
Tot slot heb ik op dit punt nog een vraag over de gevolgen van het
advies van het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdragers over
de vergoedingen van volksvertegenwoordigers en bestuurders. Wanneer komt
het kabinet met een reactie hierop? Wat betekent dit voor eventuele
toekomstige verhogingen van vergoedingen voor ambtsdragers op de
BES-eilanden in relatie tot dit wetsvoorstel, en wat zijn de financiële
consequenties daarvan? Ik zie uit naar de beantwoording.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie twee interrupties. Ik begin met mevrouw Den
Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Een gloedvol betoog van de fractie van GroenLinks-PvdA. Het was
natuurlijk te verwachten dat deze vraag over de financiële bijdrage zou
komen. Wat ik me wel afvraag, is het volgende. Ik hoor dat best veel
gemeenten in Europees Nederland claimen te weinig financiële middelen te
hebben om alle uitdagingen het hoofd te bieden. Vindt de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid dan ook dat we die gemeenten allemaal
tegemoet moeten komen met extra bijdragen en, zo ja, waarvan gaan we dat
dan betalen?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat vindt GroenLinks-PvdA zeker. In ons verkiezingsprogramma kunt u
ook zien dat wij wel een oplossing hebben voorgesteld voor bijvoorbeeld
het ravijnjaar en de herziening van de gemeentefondsen en de provinciale
fondsen. Wij hebben daarbij andere keuzes gemaakt dan deze coalitie.
Maar ik zou niet een soort tegenstelling willen creëren tussen Europees
Nederland en Caribisch Nederland. Ik denk namelijk dat als deze
uitbreiding van raadsleden in Europees Nederland had plaatsgevonden en
er dan een paar extra ton nodig waren geweest, we deze discussie
waarschijnlijk niet eens gehad hadden.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik denk dat het "comply or explain"-principe altijd twee richtingen op
moet werken. Ik ben zelf wethouder geweest in de gemeente Westerveld,
waar ook extra raadsleden bij zouden komen. Daar moest de raadzaal ook
aangepast worden. Die kosten waren gewoon allemaal voor de gemeente, dus
waarom geldt het "comply or explain"-principe dan niet in die situatie?
Er komt ook geen extra bijdrage vanuit het Rijk voor de extra raadsleden
in de gemeente Westerveld.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ben niet bekend met de situatie in Westerveld, maar ik kan wel in
algemene zin zeggen dat wij het als GroenLinks-PvdA belangrijk vinden
om, zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland, gemeenten
voldoende middelen te geven: zonder taken geen knaken. Nee, andersom:
zonder knaken geen taken, zou ik willen zeggen. Dat geldt wat
GroenLinks-PvdA betreft zowel in Europees Nederland alsook in Caribisch
Nederland. Wij hebben dat in ons verkiezingsprogramma allemaal netjes
uiteengezet.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een van de onderwerpen waar in ieder geval de afgelopen maanden veel om
te doen was, is de Rijksvertegenwoordiger. Complimenten voor die rol in
de afgelopen maanden. Tegelijkertijd roept de vernieuwing van het bestel
ook de vraag op of het een passende rol is. Of zou je de
eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden moeten oproepen tot meer
verantwoordelijkheid en directe verhoudingen met de verantwoordelijke
ministers? Ik neig naar dat tweede, ook op grond van de afspraken die
eerder tussen het kabinet en de eilandsraadsleden zijn gemaakt, maar ik
ben ook benieuwd hoe u dat weegt.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik deel de vergelijking die de heer Ceder net maakte met Europees
Nederland, al heb je daar natuurlijk wel de provincie als toezichthouder
van gemeenten, zeker in financiële zin. Ik vind wat de eilandsraden hier
zelf van vinden eigenlijk vooral heel belangrijk. Ik vind het daarom ook
jammer dat dit pakket met afspraken zo wordt behandeld. Ik vind dat dat
de onderlinge relaties tussen Den Haag en de BES-eilanden ook geen goed
doet. Ik heb dus mijn bedenkingen bij die Rijksvertegenwoordiger, maar
ik vind het eigenlijk belangrijker wat het bestuur op de eilanden zelf
ervan vindt en hoe die wordt ervaren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn geen overige interrupties, dus dan geef ik het woord
aan mevrouw Dijk voor haar inbreng. U heeft daarvoor vijf minuten.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Voorzitter, dank u wel. Bon dia en good morning voor de mensen op de
eilanden en goedemiddag voor de mensen hier en de kijkers thuis. Tot
vorig jaar was ik zelf raadslid en onderdeel van de lokale politiek. Dat
was een eervolle taak, want dan ben je bezig met de dingen die ertoe
doen voor je stad. Het is heel erg belangrijk dat je, als je lokaal
bezig bent, goede ondersteuning hebt om die belangrijke taak uit te
voeren. Daarom ben ik blij dat we vandaag de herziening van FinBES
bespreken. Er is al een aantal goede dingen gezegd, maar ik zal braaf
mijn eigen spreektekst delen. Ik vind het namelijk wel leuk om mijn
standpunten te delen.
Ik heb het al gehoord bij de andere collega's: het aantal zetels is niet
evenredig aan Europees Nederland en de bordjes van de eilandsraadsleden
liggen overvol. Daarom is het goed dat met de voorliggende wet het
aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden stapsgewijs wordt
verhoogd. Wat D66 betreft is dit comply or explain zoals het hoort.
Mensen op Bonaire, Statia en Saba hebben net zo veel recht om
vertegenwoordigd te worden in de lokale politiek als bijvoorbeeld de
mensen in mijn woonplaats Delft. Het biedt meer ruimte aan de
vertegenwoordiging van minderheden en meer uitvoeringskracht. Wij hebben
het in de commissie vaker gehad over de uitvoeringskracht. Daarom is dit
een goed onderdeel.
Voorzitter. Zelf heb ik ook mogen ervaren dat het goed kunnen uitvoeren
van je werk als volksvertegenwoordiger niet alleen gaat om de grootte
van de raad of je fractie, maar voor een groot deel ook om de juiste
ondersteuning. Wat doe je als je nieuw bent? Bij wie kun je terecht met
al je vragen? Dat is ook een voorbehoud dat Bonaire noemt in zijn
reactie. Hier gaat het kabinet ook concreet op in door in te zetten op
aanvullende maatregelen zoals trainingen, versterking van het kantoor
van de griffier en het bevorderen van het burgerschapsonderwijs.
Collega's hebben het ook al gevraagd, maar ik ben benieuwd hoe de
staatssecretaris dit concreet gaat invullen. Eigenlijk ben ik ook
benieuwd of de middelen en het budget daarvoor toereikend genoeg zijn.
Kunnen er combinaties worden gemaakt met Europees Nederland,
bijvoorbeeld met trainingen?
Dan wil ik nog vragen stellen over de volmacht. Waar het
verkiezingsseizoen in Nederland gelukkig weer is gaan liggen, gaan de
mensen op Bonaire, Saba en Statia op 17 maart 2027 naar de stembus om
nieuwe eilandsraadsleden te kiezen. Terugkijkend naar de vorige
verkiezingen, maak ik me zorgen over het mogelijk ronselen van
volmachten. In 2023 werd op Statia 36,7% van de stemmen uitgebracht per
volmacht. Ter vergelijking: in Nederland ligt dat meestal tussen de 8%
en 12%. Dit ging bovendien gepaard met meerdere meldingen van fraude,
wat destijds reden genoeg was voor de regeringscommissaris om aan de bel
te trekken.
Ook een waarnemersdelegatie van de Organisatie van Amerikaanse Staten,
de OAS, adviseerde na de verkiezingen om het stemmen per volmacht in
Caribisch Nederland verder aan banden te leggen. Die wees expliciet op
het hogere percentage volmachten en de risico's op misbruik, en
adviseerde om maximaal één volmacht per persoon toe te staan. Ik ben
benieuwd hoe de staatssecretaris daartegenover staat en of we naar één
volmacht per persoon gaan. Daarnaast ben ik benieuwd of hij de signalen
herkent van de OAS-delegatie.
Tot zover. Dat was mijn inbreng. Dank u wel.
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Den Hollander. U heeft eveneens
vijf minuten.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik neem aan dat ik al die extra minuten ook kan gebruiken, of
niet?
De voorzitter:
Ik denk dat u het wel binnen de vijf minuten houdt.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dan ga ik gauw beginnen.
Voorzitter. De bijzondere gemeenten Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
kennen grote uitdagingen op het gebied van infrastructuur,
volkshuisvesting, connectiviteit, klimaatbescherming en een gezonde
leefomgeving. Deze woorden heb ik van de week ook al uitgesproken bij
het BES-debat, maar het is goed om daar nog een keer aandacht voor te
vragen. Tegelijkertijd is er geconstateerd dat het financieel beheer van
Bonaire nog steeds te wensen overlaat en dat op alle eilanden in het
Caribisch gebied nog veel te winnen is qua integriteit van bestuur en
bestuurlijke verhoudingen. Om al deze uitdagingen het hoofd te bieden is
een daadkrachtig en slagvaardig bestuur nodig op de eilanden. Het is in
onze ogen dan ook goed dat er wordt gewerkt aan herziening van de Wet
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en de Wet financiën
openbare lichamen. Onderdeel van deze wet was het verhogen van het
aantal eilandsraadsleden en het aantal eilandgedeputeerden. Gezien het
urgente karakter van die specifieke vraag en het feit dat de behandeling
van de WolBES en de FinBES langer op zich laat wachten, is de VVD van
mening dat het verstandig is om, vooruitlopend op de genoemde wetgeving,
de omvang van de eilandsbesturen te vergroten met de Verhogingswet,
zodat per 2027 een eerste stap naar uitbreiding van het aantal
eilandsraadsleden kan worden gezet.
In het kader van comply or explain is niet uit te leggen dat de
verhouding totaal zoek is. Dat punt laat ik even zitten, want dat is net
al voorgerekend door een aantal voorgangers van mij, die zeiden dat het
echt enorm uit de pas loopt met Europees Nederland. Het is wel goed dat
dit stapsgewijs plaatsvindt, om te voorkomen dat je hier ineens een
enorm grote vernieuwingsslag krijgt. Daarmee zou je namelijk heel veel
onrust kunnen veroorzaken.
Ik wil wel kort aandacht vragen voor het aantal eilandgedeputeerden. In
de gemeenten van Europees Nederland is er via de Gemeentewet een directe
relatie tussen het aantal wethouders en het aantal raadsleden. Volgens
de Gemeentewet mag het aantal wethouders in de gemeenten maximaal 20%
van het aantal raadsleden bedragen, met een absoluut minimum van twee.
In dit voorstel wordt een afwijking van de Gemeentewet opgenomen wat
betreft het aantal eilandgedeputeerden dat er maximaal mag zijn bij een
bepaald aantal eilandsraadsleden. Dat is omdat het beter aansluit bij de
erkenning van de zwaardere bestuurslast die leidt tot een afwijking van
dit stelsel. Maar er zijn ook een heleboel kleine gemeenten in Nederland
die een pittige bestuurslast hebben. Kan de staatssecretaris aangeven
hoe dit zich verhoudt tot het motto "comply or explain"? Hoe kan deze
vergelijking mank gaan bij met name kleinere gemeenten in Europees
Nederland, die in sommige gevallen ook te maken hebben met een zware
bestuurslast?
Voorzitter. Naast de verhoging van het aantal eilandsraadsleden en
eilandgedeputeerden worden ook enkele andere belangrijke zaken geregeld
met het voorliggende wetsvoorstel. Zo wordt het onder andere mogelijk om
deeltijdgedeputeerden aan te stellen, zoals collega Tseggai ook al zei.
De verlof- en vervangingsregeling bij zwangerschap, bevalling en ziekte
van gedeputeerden wordt ingevoerd. Dat lijkt ons heel passend in de
moderne democratie, zoals we ook in de rest van Nederland hebben.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik merk dat ik me toch een beetje stoor aan de eenzijdige uitleg van de
VVD van het "comply or explain"-principe. Dat lijkt toch een beetje neer
te komen op: de BES-eilanden mogen nooit meer krijgen dan gemeenten in
Europees Nederland. Maar ik ken niet zo heel veel gemeenten in Europees
Nederland, als ik ze überhaupt al ken — ik ben eigenlijk even aan het
nadenken — die eigen vliegvelden hebben en een vuilstort hebben die in
de fik staat, om maar even een paar voorbeelden te noemen. Het is dan
toch niet zo heel gek dat je zegt: zij mogen iets meer bestuurders dan
gemeenten in Europees Nederland, juist om dat daadkrachtige bestuur vorm
te geven?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Het was natuurlijk nooit mijn bedoeling om een gevoel van storing te
veroorzaken bij mevrouw Tseggai, dus excuses als dat het gevolg was van
mijn betoog. Ik zeg ook niet dat het helemaal niet mag, maar ik vind wel
dat comply or explain twee kanten opgaat. Je moet het over en weer
kunnen uitleggen. Ik hoor juist in deze commissie heel vaak dat er meer
geld naar de eilanden moet, dat er van alles meer moet, terwijl ik denk:
we moeten ook eerlijk zijn. Het zijn ook gewoon gemeenten van Nederland,
die een gelijke behandeling verdienen; daar pleiten wij als VVD voor.
Maar "gelijk" betekent ook "over en weer". Anders is het niet meer
gelijk.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Hoe ziet dat "over en weer" er dan uit bij de VVD? Tot nu toe hoor ik de
VVD in ieder debat alleen maar over financiële daadkracht,
onafhankelijkheid van de eilanden en bestuurlijke integriteit. Maar ik
heb ze nog niet zo heel veel horen zeggen over de achterstand die de
Nederlandse overheid creëert op de eilanden, zoals recent benoemd in het
rapport van de NCDR. Ik vraag mij dan toch een beetje af hoe die relatie
er van twee kanten dan uitziet volgens de VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik denk dat het heel belangrijk is dat je niet meer niet-integere en
kwalitatief mindere bestuurders krijgt, maar dat je betere en integere
bestuurders krijgt. Als u goed heeft geluisterd in het vorige debat, kon
u horen dat juist het gebrek aan integriteit heel erg leidt tot
economische malaise en allerlei andere kwetsbaarheden voor de eilanden.
Ik denk dat we dus vooral moeten inzetten op een verbetering van het
bestuur. Daarbij ben ik best positief over deze verhogingswet; ik zie
best veel goede kanten eraan. Maar u mag mij niet kwalijk nemen dat er
ook enkele kritische punten van onze kant komen.
De voorzitter:
Dit is uw derde interruptie, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, voorzitter. Ik betwijfel ook helemaal niet dat er bestuurlijke
problemen zouden kunnen zijn op de BES-eilanden. Ik vind het alleen zo
fascinerend dat de VVD in ieder debat in deze commissie altijd alleen
maar begint over die financiële onafhankelijkheid en die bestuurlijke
integriteit, en dan terloops ook nog even komt met een
initiatiefwetsvoorstel, waarin dan staat dat als landen dat willen, zij
ook uit het Koninkrijk kunnen stappen. Ik vind het gewoon zo'n
fascinerende blik op Koninkrijksrelaties, waarin ik niet echt de
tweezijdigheid van het "comply or explain"-principe terugzie. Ik zou de
VVD dus willen uitdagen om er wat meer wederkerigheid in terug te laten
komen.
De voorzitter:
In principe hoorde ik geen vraag.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik ook niet.
De voorzitter:
Het was een uitdaging, hoor ik mevrouw Tseggai nu zeggen.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Volgens mij proberen wij juist de wederkerigheid beide kanten op goed in
te vullen. Maar ik hoorde ook geen vraag, dus ik denk dat ik maar gewoon
doorga met het betoog.
De voorzitter:
Ja, gaat u door.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. De huisvesting van de grotere eilandsraden is primair de
verantwoordelijkheid van de eilanden zelf. Er worden echter wel middelen
vrijgemaakt om de BES-eilanden hierin te ondersteunen. Volgens de
BES-eilanden zouden die middelen onvoldoende zijn. Deelt de
staatssecretaris met de VVD dat zorgen voor de huisvesting van het
bestuur en de raad primair een verantwoordelijkheid is van de eilanden
zelf, net als dat het geval is bij de gemeenten in Europees
Nederland?
De uitbreiding van het aantal eilandsraadsleden en eilandgedeputeerden
kost dan uiteraard ook geld. Voor de eilandsraadsleden gaat het om
€230.000. Daarnaast acht de regering het redelijk om de BES-eilanden te
compenseren voor de verhoging met één eilandgedeputeerde per eiland. Het
gaat daarbij nog eens om ongeveer €220.000. Het voorstel om dit via één
verhoging te doen, past volgens ons bij de situatie zoals wij die hier
kennen. Het is daarmee voor ons een goed voorstel.
Voorzitter. Tot slot hebben we nog enkele algemene vragen aan de
staatssecretaris. Rond de zomer van 2026 wordt besloten of de eerste
verhoging per maart 2027 haalbaar is. Kan de staatssecretaris aangeven
hoe hij in de wedstrijd zit? Is dat inmiddels al wat helderder?
Dan de tweede vraag. Er is al enige tijd sprake van weerstand uit
Caribisch Nederland tegen de verhogingswet. Kan de staatssecretaris
toelichten hoe een en ander op dit moment wordt ervaren? Hij is daar
immers zelf geweest. Wat zijn de laatste geluiden van de eilanden?
Met het voorliggende amendement van het lid Ceder wordt de evaluatie
wettelijk verankerd. We zijn benieuwd of de staatssecretaris dit een
verbetering van het wetsvoorstel vindt en hoe de eilanden daar dan weer
tegen aankijken.
Voorzitter, tot slot. Er zijn met de eilanden afspraken gemaakt over de
ondersteuning bij de implementatie, zoals mevrouw Dijk net al zei. Kan
de staatssecretaris kort toelichten waaruit die ondersteuning exact
bestaat? Hoe verhoudt die zich tot de ondersteuning die geboden wordt
bij de verhoging van het aantal raadsleden in Europees Nederland of bij
bijvoorbeeld de vierjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. U was ook binnen de tijd. Tot slot geef ik het woord aan de
heer Vlottes voor zijn inbreng.
De heer Vlottes (PVV):
Veel dank, voorzitter. Ik maak graag gebruik van de marge die voorgaande
sprekers mogelijk hebben overgelaten.
Voorzitter. Het uitbreiden van het aantal eilandsraadsleden en
-gedeputeerden was onderdeel van een groter pakket; voorgaande sprekers
hadden het er al over. De nu aankomende wijzigingen zien vooral op de
FinBES en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Met
het oog op de verkiezingen heeft de staatssecretaris haast en heeft hij
besloten om dit wetsvoorstel apart te behandelen en de uitbreiding niet
pas in te laten gaan bij de verkiezingen van 2031, maar al bij de
verkiezingen van 2027.
Voorzitter. Dit leidt gelijk tot de eerste vraag: waarom? Waarom deze
haast? Het is niet alsof de bestuurlijke en financiële chaos zoals die
op de eilanden heerst met dit wetsvoorstel van vandaag op morgen is
opgelost. Die speelt immers al jaren. Maar volgens dit kabinet moet het
voorstel nu worden behandeld vanwege de grote opgave en de grotere
behoefte aan bestuurskracht, zo kunnen we lezen in de memorie van
toelichting.
Nou ja, dan toch even een blik op die omstandigheden. Het probleem zit
'm namelijk niet in het gebrek aan hippe Haagse termen zoals
"bestuurskracht", maar in de manier en de mate van besturen. De eilanden
van Caribisch Nederland hebben hun begroting of hun financiën namelijk
nog niet eens op orde. In het geval van Bonaire heeft de commissie
financieel toezicht meermalen aangegeven dat de begroting nog altijd
verre van realistisch is. Op Statia is pas vorig jaar een goedkeurende
accountantsverklaring verstrekt en op Saba wordt nog altijd gezocht naar
de begrotingsstukken, maar zijn die sinds vorig jaar toch eindelijk eens
een keertje aangeleverd.
Voorzitter. Neem ook Selibon. Selibon is een verantwoordelijkheid van
het bestuurscollege op Bonaire zelf, maar er gebeurt gewoon niets en dat
al vele jaren lang. Ergens eind vorig jaar heeft het bestuurscollege op
Bonaire gemeend om 3 miljoen dollar te moeten investeren om de problemen
op Selibon op te lossen door middel van trucks, shovels,
afvalverwerkers; in ieder geval moet er van alles komen. Deze
investering zou dan leiden tot een structureel voordeel van 1,4 miljoen
dollar. Ook als woordvoerder Financiën vind ik dat een hele wonderlijke
berekening, maar ik zou graag een nadere toelichting van de
staatssecretaris horen over hoe dat in elkaar zit. Los daarvan zijn de
omstandigheden bij de vuilstortplaats alleen maar erger geworden. En nu
is Nederland gevraagd om die verantwoordelijkheid op zich te nemen voor
— daar zijn ze weer — de trucks en de shovels. Dat is inmiddels ook
toegezegd. Dit wordt dan dus wel de tweede keer in twee jaar tijd dat
Nederland ingrijpt. De vorige keer was op grond van taakverwaarlozing,
en nu dan om de regie van de vuilstortplaats Selibon dan maar helemaal
over te nemen. Oftewel: Nederland staat twee keer voor hetzelfde
probleem.
Voorzitter. Dan zijn we er nog niet. Want kennelijk lijkt de overname
door Nederland een opmaat naar de resterende verantwoordelijkheden,
zoals die nu nog belegd zijn bij de openbare lichamen, de eilanden. Want
tijdens het uitje van premier Jetten naar de Cariben heeft de
eilandsraad op Bonaire Nederland gevraagd om regie te nemen op in totaal
vijf dossiers, waardoor het op dit moment zoeken is met een vergrootglas
naar wat er dan nog zoal overblijft voor de eilanden. Op zichzelf kan
dat een interessant idee zijn, maar hoe kijkt de staatssecretaris naar
deze oproep? En hoe verhoudt zich dit dan tot die zogenaamde enorme
opgave en het gebrek aan bestuurskracht, die de aanleiding en de
motivatie voor dit wetsvoorstel zouden zijn? Graag een reactie.
Voorzitter. Een ander argument dat wordt aangedragen voor dit
wetsvoorstel om het aantal eilandsraadsleden uit te breiden, is een
betere weerspiegeling van de politieke overtuigingen van de bevolking.
Maar terugblikkend op de afgelopen jaren, zien we toch vooral twee
dingen: chaos en veel van hetzelfde. Ik geef even een kleine
samenvatting: op Saba is er al jaren een absolute meerderheid van één
partij ongeacht de zeer hoge opkomstcijfers van zo'n 90%. Op Statia werd
de partij die deel uitmaakte van de coalitie, die er ook al jarenlang
zat, door Nederland in 2018 naar huis gestuurd vanwege grove
taakverwaarlozing. Met als gevolg: bij de daaropvolgende verkiezingen
werd diezelfde partij tot twee keer toe met absolute meerderheid
verkozen. Op Bonaire wordt het dan helemaal bont: daar heeft de coalitie
de afgelopen twaalf jaar maar één keer de termijn volgemaakt, en die
kwam ook steeds weer in dezelfde samenstelling terug. Sinds eind 2023
zou er dan een nieuwe coalitie zijn, van één partij met twee
afsplitsers, maar ook deze coalitie is per 1 april 2026 vervangen door
diezelfde partijen die er al jarenlang zitten. Kortom, ook hiervan komt
voor nieuwe partijen niets terecht. In de praktijk komen dan ook vooral
dezelfde partijen weer terug.
Voorzitter. Dan nog een puntje over de gedeputeerden en de
deeltijdgedeputeerden. De PVV-fractie heeft gelezen dat het uitbreiden
van het aantal eilandgedeputeerden oorspronkelijk vooral een verzoek was
van de bestuurscolleges zelf. Kan de staatssecretaris hierop reageren?
Oftewel: ook op de eilanden staat de deur altijd open voor een mooi
baantje. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt met dit wetsvoorstel ook
nog eens toegestaan om deeltijdgedeputeerden mogelijk te maken. Wat de
PVV-fractie betreft, voeren de gedeputeerden al bar weinig uit en zijn
het vooral hangmatgedeputeerden. Het enige wat je materieel gaat
wijzigen met de deeltijdgedeputeerden is dat je een soort
deeltijdhangmatgedeputeerden gaat krijgen. Dat is niet wat we moeten
willen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik wil een punt van orde maken. Ik vind het eigenlijk niet zo netjes om
lokale bestuurders als "hangmatgedeputeerden" weg te zetten.
De voorzitter:
Dank u wel voor dit punt. Het is zo dat wij in deze Kamer niet over de
woorden van andere Kamerleden gaan, helaas. U heeft er een notitie van
gemaakt. Ik nodig de heer Vlottes uit om zijn inbreng te vervolgen. U
zit al een beetje op uw eindtijd, dus ik vraag me af hoelang ...
De heer Vlottes (PVV):
Ik heb nog drie zinnen en dan ben ik er. We zijn er bijna.
De voorzitter:
Oké, prima.
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, ik ga over mijn eigen woorden; u zei dat heel terecht,
voorzitter. Als ik meen de bestuurders daar "hangmatgedeputeerden" te
moeten noemen, dan noem ik ze nog altijd "hangmatgedeputeerden".
Voorzitter, afrondend; daar zijn we al! Er is geen enkele reden om aan
te nemen dat het uitbreiden van de eilandsraden, zoals eerder besproken,
de problemen op de eilanden ook maar op enige manier zal gaan
verbeteren. Er verandert immers al jaren niks op de eilanden. Als het
moeilijk wordt, wordt er nog altijd naar Nederland gewezen, en naar de
daaropvolgende zak geld.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie een aantal interrupties. Ik begin met
de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Begin dit jaar zijn we met een Kamerdelegatie op reis geweest. De heer
Vlottes was daarbij. Ik weet niet of dat een zakenreis was of een
tripje; ik weet niet hoe hij dat zelf inschat. Toen zijn we in gesprek
geweest, in ieder geval in het Caribische deel. Daar zagen we dat
Nederland, of het nou om de CAS-landen gaat of om de BES, wel degelijk
iets van verantwoordelijkheid heeft, alleen al omdat we als Tweede Kamer
ook verantwoordelijk zijn voor wat daar gebeurt. Ik vroeg mij het
volgende af. Ik ga ervan uit dat de heer Vlottes gaat proberen om dit
wetsvoorstel weg te stemmen. Maar welke alternatieven of welk plan ziet
hij dan wél? We weten dat de heer Wilders voorheen heeft aangeboden om
de eilanden voor €1 op Marktplaats te zetten. Ik denk dat we die fase
inmiddels voorbij zijn. Tenminste, ik zie de heer Vlottes kijken alsof
ik te snel een conclusie trek. Maar wat stelt u dan wel voor voor de
verkiezingen van volgend jaar? Ik ben benieuwd wat volgens de PVV de
oplossing is van de situatie die u schetst.
De heer Vlottes (PVV):
Een heel verhaal. Om te beginnen: ik was er inderdaad bij en de heer
Ceder was er ook bij. Dat was in de CAS-landen, zoals de heer Ceder ook
zei. Dat is ook het eerste dat mij is geleerd: die moet je zeker niet op
één hoop gooien met de eilanden, zoals die nu zijn. Die fungeren in ons
Koninkrijk namelijk als openbaar lichaam. Dan zijn de landen toch echt
wel van een hele andere orde. Die moeten dat vooral echt zelf uitzoeken.
Ze moeten wel nog even de leningen terugbetalen die wij nog steeds voor
hen financieren en ook blijven financieren.
De heer Ceder verwees naar het Marktplaatsverhaal. Ja, ja, €1 ... Dat is
nog best een hoge opbrengst, denk ik. Maar los daarvan: ik ben hier niet
om de oplossing aan te dragen. Dat is vooral aan het kabinet. Ik
constateer dat er bar weinig van terechtkomt. De CAS-landen schuif ik
even terzijde, maar bij de openbare lichamen zie ik dat er gewoon bar
weinig van terecht komt. Dat is al jarenlang zo. We draaien met z'n
allen in een rondje, met name in deze commissie. We kunnen met z'n allen
wel in de kumbayamodus zitten en hopen dat we het allemaal wel gaan
oplossen met een zak geld, maar daar lijkt het in ieder geval niet op.
Ik meen ook dat Bonaire heeft aangegeven op nog een vijftal dossiers
toch heel graag hulp te willen; ik heb daar ook aan gerefereerd in mijn
spreektekst. Dan heb ik het echt over grote thema's, zoals huisvesting
en voedselzekerheid. Dat betreft de rijksverantwoordelijkheid van
Nederland. Ik zie een interessante gedachte, maar ik zou wel graag van
de staatssecretaris willen weten hoe dat eruit zou moeten gaan
zien.
De voorzitter:
Heeft u nog een vervolginterruptie, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, eigenlijk wel. Ik ben na de reactie van de heer Vlottes benieuwd
naar het PVV-standpunt ten aanzien van de openbare lichamen. We hebben
hiervoor een kabinet gehad, het kabinet-Schoof, met een PVV-minister die
verantwoordelijk was voor de BES en die volgens mij ook een wat
constructievere houding had aangenomen; tenminste, dat dacht ik. Maar
goed, we bevinden ons nu in een nieuwe periode. Toen ik verwees naar de
opmerking van de heer Wilders over de eilanden voor een euro op
Marktplaats zetten, maakte u de opmerking — ik parafraseer misschien —
dat een euro misschien zelfs te veel verwacht is qua opbrengst. Begrijp
ik het goed dat de PVV dus wil dat Bonaire, Statia en Saba geen
onderdeel meer zijn van dit Koninkrijk? Ik ben gewoon even benieuwd naar
uw standpunt, want dat lijkt verschoven te zijn ten opzichte van het
afgelopen jaar.
De heer Vlottes (PVV):
Nee, niet eens zozeer. Nee, helemaal niet. Nogmaals — ik herhaal weer —
ik heb in mijn tekst duidelijk aangegeven dat ook de BES-eilanden zélf
nu aangeven dat er behoefte is aan rijksverantwoordelijkheid op een
aantal hele grote thema's, waarvan je toch inmiddels zou verwachten … Ik
noem toch maar weer eventjes Selibon. Dat was primair de
verantwoordelijkheid van Bonaire zelf. Daar is niks van terechtgekomen.
Woningmarkt, onderwijshuisvesting, voedselzekerheid: dat zijn
verantwoordelijkheden van Bonaire zelf. Er komt niks van terecht. Dan
komen ze wel terug met: nou, misschien moet er rijksverantwoordelijkheid
worden genomen; misschien moet het Rijk dat allemaal maar van ons
overnemen. Nou, dat kan best een hele interessante gedachte zijn, maar
dan hebben ze natuurlijk ook niks meer te zeggen; dat is natuurlijk
evident.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga het toch proberen, want de PVV is een grote partij en heeft
volgens mij ook wat stemmen op de eilanden gehaald. Ik ben gewoon
benieuwd naar uw standpunt. Aan de ene kant zegt u dat u geen afstand
neemt van het voorstel van de heer Wilders om de eilanden voor een euro
op Marktplaats te zetten, dus er eigenlijk afstand van te doen. Aan de
andere kant pleit u ervoor om alle regie van de eilanden zelf terug over
te hevelen naar Nederland, waardoor ze direct onder de Tweede Kamer
zouden vallen. Ik weet niet precies wat u bedoelt. Zou u eens kunnen
toelichten wat het standpunt van de PVV is ten aanzien van Bonaire,
Statia en Saba de komende jaren? Volgens mij lijken die twee dingen
namelijk tegenstrijdig, maar misschien begrijp ik u verkeerd.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Ik wil u erop wijzen dat u nog één interruptie
heeft.
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, ik ga mezelf niet herhalen. De BES-eilanden hebben, los van de
CAS-landen, zelf aangegeven dat ze meer rijksverantwoordelijkheid willen
op een aantal hele grote thema's. Nou, dat kan. Vooralsnog zitten ze in
het Koninkrijk. Dat kan, maar ja, dan hebben ze natuurlijk ook helemaal
niets meer te vertellen. Maar nogmaals, ik wil ook graag van de
staatssecretaris horen hoe hij dat voor zich ziet, want het kan
natuurlijk niet zo zijn dat we een zak geld naar voren schuiven en dan
denken dat het zich vanzelf wel op gaat lossen, zoals we de afgelopen
jaren constant hebben gedaan, want dat gaat dus niet gebeuren.
De voorzitter:
Meneer Ceder, uw laatste interruptie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Even een vraagje: gelden de interrupties ook richting de
staatssecretaris of alleen voor de eerste termijn?
De voorzitter:
Voor de eerste termijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
En de heer Vlottes is toch de laatste spreker?
De voorzitter:
Ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan gebruik ik mijn laatste interruptie graag voor de laatste spreker!
Ik dacht: ik dubbelcheck het even. Ik ga nog een poging doen. Dat doe ik
omdat veel mensen kijken en veel mensen erover schrijven. De PVV heeft
in het kabinet-Schoof met de heer Szabó een PVV-staatssecretaris gehad,
die ook op bezoek is geweest. De heer Vlottes lijkt een standpunt in te
nemen dat daar volgens mij in ieder geval van afwijkt. Ik probeer het te
begrijpen. Stelt u nou voor dat de eilandsraadsleden en de
eilandgedeputeerden buitenspel worden gezet dan wel opgeheven en dat die
direct onder toezicht komen van de verantwoordelijke staatssecretaris?
Zo nee, waar pleit u dan voor? Ik kan namelijk geen touw vastknopen aan
wat uw voorstel is, behalve dan dat u een klaagzang houdt. Ik ben gewoon
benieuwd naar de bestuurlijke oplossingen die u heeft. Dus even
concreet: u stelt voor de eilandsraden en -gedeputeerden buitenspel te
zetten. Vindt u dan dat de eilanden alle drie onder de directe
verantwoordelijkheid van staatssecretaris Van der Burg zouden moeten
vallen? Of heeft u een ander voorstel?
De heer Vlottes (PVV):
Ik ga nog een keer een bandrecorder meenemen; dan kan ik die hier
neerzetten. Nogmaals, de CAS-landen laat ik even voor wat ze zijn. Voor
wat betreft de BES-eilanden: de openbare lichamen hebben aangegeven dat
ze meer rijksverantwoordelijkheid willen op een aantal hele grote
thema's. Dat is een interessante gedachte. Daar heb ik ook naar verwezen
in mijn tekst. Ik wil graag weten hoe de staatssecretaris daarover
denkt. En ja, het zou kunnen. Maar ja, dan hebben ze natuurlijk ook
helemaal niets meer te vertellen. Dat is natuurlijk logisch. Op het
moment dat een ander dan Nederland zegt "wij bepalen", dan heb je
natuurlijk als openbaar lichaam ook helemaal niets meer te vertellen;
dat is logisch. Maar ik herhaal mijzelf.
De voorzitter:
Ik zag een interruptie van mevrouw Tseggai en volgens mij ook van
mevrouw Dijk. Ik geef eerst het woord aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Als de heer Vlottes hier een bandrecorder zou neerzetten, zou dat al
meer inbreng van de PVV zijn dan de afgelopen tijd in deze commissie.
Maar leuk dat hij er vandaag wel is. De heer Vlottes heeft het erover
dat als de eilanden onder de verantwoordelijkheid van Nederland zouden
vallen, ze dan ook niks meer te vertellen hebben. Pleit hij er dan voor
dat de inwoners van de eilanden ook geen stemrecht meer hebben?
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, ik hoor heel graag hoe de staatssecretaris dat precies vorm
zou willen geven. En nogmaals, dit is ook een verzoek dat vanuit, in dit
geval, Bonaire komt. Bonaire heeft daartoe opgeroepen en heeft gezegd:
wij willen meer rijksverantwoordelijkheid op de grote thema's die er
spelen. Overigens is dit ook de basis van dit wetsvoorstel. Op basis van
al die verantwoordelijkheden moet het aantal eilandsraadsleden en
gedeputeerden uitgebreid worden. Ik wacht dus graag de staatssecretaris
af.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het een beetje vervelend, want mijn interruptie vervalt nu
terwijl ik op mijn vraag aan de PVV geen antwoord heb gekregen.
De voorzitter:
Zo gaat het soms in de commissie. U heeft nog één interruptie. Ik weet
niet of u hier een vervolginterruptie aan wil plakken?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is eigenlijk gewoon: pleit de PVV hier nu voor een soort
terugkeer van het kolonialisme, waarbij de BES-eilanden weer onder de
verantwoordelijkheid van Nederland vallen en ze vervolgens niks meer te
zeggen hebben? Dat werd hier namelijk net gezegd. Daarom vraag ik aan de
PVV: wat bedoelt u nu eigenlijk, wat stelt u nu voor? Het is een beetje
jammer dat — de heer Vlottes kijkt nu verontwaardigd — ik geen antwoord
krijg op mijn vraag. Ik vraag me gewoon af wat de PVV nu eigenlijk
precies voorstelt.
De heer Vlottes (PVV):
Dan zou ik tegen mevrouw Tseggai willen zeggen: in plaats van een
verwijzing te maken naar mijn al dan niet aanwezigheid, pak dan toch
maar die bandrecorder. Dat lijkt mij beter, want dan kan ze het nog eens
herluisteren en kan ze het nog tien keer nog een keer beluisteren.
Misschien helpt haar dat in haar begrip.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Ik heb geluisterd naar het betoog van meneer Vlottes. Ik was gewoon
benieuwd naar het volgende. Het gaat veel over wat er niet goed gaat,
maar ik ben benieuwd of er volgens de PVV dingen wél goed gaan. Kan daar
een reactie op komen?
De heer Vlottes (PVV):
Poeh, dat is een hele algemene vraag. Ik zou zeggen: met het aantreden
van dit kabinet-Jetten eigenlijk helemaal niets. Het gaat alleen maar
slechter. Om het dan maar op de ABC-eilanden te betrekken: het is er
mooi weer.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Volgens mij hebben we het over de BES-eilanden. Maar ik denk dat ik het
hierbij laat. Laten we de sfeer gewoon plezierig houden.
De voorzitter:
O, de heer Tijs van den Brink heeft ook nog een interruptie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Een van de argumenten van meneer Vlottes om tegen de uitbreiding van het
aantal eilandsraadsleden te zijn is dat de samenstelling van de
eilandsraden niet veranderd is. Wilt u democratie afhankelijk maken van
de uitkomst?
De heer Vlottes (PVV):
Nee, in het geheel niet. Het is meer om aan te tonen — dat is eigenlijk
ook de argumentatie in de memorie van toelichting; ik ben ervan
overtuigd dat het CDA die ook heeft gelezen — dat de bestuurskracht
versterkt moet worden. Maar je ziet gewoon een bepaalde continuïteit,
ook in relatie tot de opkomstcijfers en het aantal kiesgerechtigden.
Daarin zie je een bepaalde continuïteit in de coalitievorming. Ook al
mocht er een andere coalitie zijn, dan zie je daar ook weer een
verschuiving in komen of zie je dat bestaande coalities, zoals die er al
tien jaar zijn, weer terugkomen. Dit was meer gewoon een feitelijke
constatering over hoe het de afgelopen jaren is gegaan. En inderdaad,
maar dat is meer a contrario met wat de heer Van den Brink zegt, staat
deze uitbreiding ook niet gelijk aan meer of minder democratie. Dat was
meer de redenering van mijn betoog.
De voorzitter:
Ik zie geen vervolginterruptie. Dan dank ik de Kamerleden voor hun
inbreng in deze eerste termijn. Ik schors de vergadering voor twintig
minuten, dus dat is tot 15.20 uur. We kijken uit naar de antwoorden van
de bewindspersoon straks.
De vergadering wordt van 14.58 uur tot 15.20 uur geschorst.
De voorzitter:
Hierbij hervat ik de vergadering. Welkom terug. We gaan verder met dit
wetgevingsoverleg. In de eerste termijn van de beantwoording door het
kabinet sta ik vijf interrupties toe. Ik kijk ook even hoe het gaat,
want we zitten wel ruim in de tijd, zeg ik met enige kans op gevaar. Ik
geef nu eerst het woord aan de staatssecretaris Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties.
Staatssecretaris Van der Burg:
Voorzitter, dank. Ik doe eerst de wet, dan de implementatie en dan
overig. Dat is de leidraad voor hoe ik mijn verhaal opbouw.
Het was mevrouw Tseggai die er al op wees: het kan verkeren. Drieënhalve
maand geleden waren mevrouw Tseggai en ik behoorlijk kritisch richting
de toenmalige bewindspersoon. Dat had onder andere te maken met het feit
dat de vraag op tafel lag: hoe denken de eilandsraden en de
eilandbestuurders hier zelf over? Ik heb in eerdere
commissievergaderingen tegen u gezegd dat ik daarom dus ook met de drie
eilandsraden en de drie eilandbesturen zou gaan praten om hun mening
daarover te horen. Dat heb ik zowel digitaal gedaan alsook toen ik op de
eilanden was, in de informele settings die ik toen met een aantal mensen
heb gehad. Het was onder andere de heer Ceder die daarnaar verwees: de
eilandsraden geven nu ook aan dat zij willen dat we dit verhaal
doorzetten op deze manier. De vorige keer zei ik nog tegen u: "Wilt u
alstublieft doorgaan met de schriftelijke voorbereiding? Dan kan ik het
eventueel nog intrekken als ik een ander geluid krijg van de eilanden.
Zo niet, dan zijn we in ieder geval op tijd." Ik ben in ieder geval blij
dat u heeft meegewerkt door hier een WGO van te maken, waardoor wij
ervoor kunnen zorgen dat dit op tijd door de Tweede en de Eerste Kamer
kan en deze wet volgend jaar kan ingaan. In tegenstelling tot in
Europees Nederland, waar de verkiezingen dit jaar waren, zijn de
verkiezingen op Bonaire, Statia en Saba namelijk volgend jaar.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende, zijn er twee belangrijke redenen om
deze wet hier nu op tafel te hebben liggen. De ene is door een aantal
van u al genoemd: comply or explain oftewel, in normaal Nederlands, voer
uit of leg uit. We proberen ervoor te zorgen dat we de 3 zo veel
mogelijk laten lijken op de 342 en dat we een goede reden hebben als we
dat niet doen, de ene kant op of de andere kant op, zoals mevrouw Den
Hollander terecht zegt. We zien in ieder geval dat deze eilanden een
substantieel kleinere vertegenwoordiging hebben. De getallen zijn
natuurlijk al genoemd door onder andere de heer Ceder. Kijk naar
Schiermonnikoog, het kleinste eiland dat we hier hebben, als gemeente.
Als je dat vergelijkt met Saba of Statia, dan zie je echt aanmerkelijke
verschillen. Dat is één.
De tweede reden raakt een beetje aan wat anderen ook hebben gezegd: de
opgaven op die eilanden zijn eerder groter dan kleiner als je ze
vergelijkt, voor zover ze bestaan, met die in vergelijkbare gemeentes in
Nederland. Dat is niet alleen omdat er geen waterschappen zijn en er
geen provinciaal bestuur is, maar ook omdat er omstandigheden zijn die
je daar wel hebt en hier niet of omgekeerd. Als hier een kleine gemeente
te maken heeft met problematiek, kunnen we behalve gebruikmaken van de
kennis van waterschap of provincie ook gebruikmaken van de buren. De
buren van Bonaire zijn echter geen gemeentes, maar twee andere landen,
en de dichtstbijzijnde buurgemeente ligt gewoon op 900 kilometer
afstand. Ook wat betreft allerlei andere voorzieningen woon je hier in
de ene gemeente, maar kom je vervolgens te werken in een andere
gemeente. Ook dat werkt niet bij deze eilanden. Denk bijvoorbeeld ook
aan de ambtelijke capaciteit die op een eiland aanwezig is. Van heel
veel gemeentes in Nederland zit de helft of meer van de medewerkers in
gemeentes omliggend aan die gemeente. Dat kan daar allemaal niet, want
daarvoor zijn de afstanden veel te groot.
Daarnaast heb je de kustlijn; die is al genoemd, ik meen door mevrouw
Tseggai. Dat geldt natuurlijk in Nederland voor de zes Waddeneilanden en
uiteraard gedeeltelijk voor de kustgemeentes, maar het is toch anders.
Er zijn maar weinig gemeentes met een vliegveld, iets wat deze drie
gemeentes alle drie kennen, waarbij Bonaire zelfs een vliegveld kent dat
nadrukkelijk ook nog groter is. Dat zijn allerlei redenen om te zeggen:
we gaan dit op een vergelijkbare manier uitvoeren met elkaar. Daarom
ligt dit voorstel hier nu.
Voorzitter. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. We weten hoe de
PVV gebekt is, maar ik heb me toch buitengewoon gestoord aan de bijdrage
van de PVV. Ik kan me niet voorstellen dat als diezelfde bijdrage was
geleverd over bijvoorbeeld drie eilanden in Europees Nederland, dan niet
de pleuris in het land was uitgebroken over wat daarin was weergegeven.
Er wordt gesproken over "hangmatgedeputeerden" of mensen die de kantjes
er maar vanaf lopen en op zoek zijn naar "baantjes". Ik zou u graag
wijzen op de periode 2023-2025 en het aantal PVV-Kamerleden met meerdere
baantjes in de politiek, of op het aantal Provinciale Statenleden dat
tevens gemeenteraadslid is. Wees dus terughoudend als je een balk in je
eigen oog hebt, om het te hebben over mogelijke splinters bij een
ander.
Voorzitter. U zult zien dat ik in mijn bijdrage verder niet al te veel
inhoudelijk inga op de bijdrage van de PVV, niet omdat ik niet wil
ingaan op bijdragen — ik ga op iedereen in, ongeacht het standpunt dat
wordt ingenomen — maar omdat het onderwerp van vandaag de
uitbreidingswet is. Een aantal andere zaken die door de PVV aan de orde
zijn gesteld, zijn de afgelopen tijd aan de orde geweest in de debatten
waarin we daar met elkaar over hebben gesproken, maar toen kon of wilde
de heer Vlottes daar niet bij zijn. Verder begreep ik uit zijn bijdrage
dat de heer Vlottes bij de IPKO-bijeenkomst op Aruba was, dus ik neem
aan dat hij komende zaterdag ook bij de IPKO-bijeenkomst in de Eerste
Kamer is. Daar kunnen we verder stilstaan bij een aantal zaken op het
moment dat ik daar in gesprek ga met de IPKO-mensen.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende …
De heer Vlottes (PVV):
Ik twijfel even; ik denk dat het een punt van orde is, maar ik ga ervan
uit dat de vragen die ik heb gesteld, natuurlijk gewoon beantwoord
worden. Dat de staatssecretaris meent dat ergens anders te moeten doen
of al dan niet ergens anders te hebben moeten gedaan, dat mag de
staatssecretaris vinden; waarvan akte. Ik ga ervan uit dat de concrete
vragen die ik heb gesteld, worden beantwoord. Maar daarvoor kijk ik de
voorzitter ook even aan, of die daar wel op let. Ik heb namelijk hele
concrete vragen gesteld. Misschien heeft de staatssecretaris dat niet
begrepen, maar ik ben ervan overtuigd dat zijn ambtelijke ondersteuning
heeft meegeschreven.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vlottes. We houden het in de gaten; dat kan ik hierop
antwoorden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik houd het toch bij het onderwerp van dit debat. Dit debat gaat over de
uitbreidingswet. Bovendien wil ik ook niet in herhaling treden, want dan
steel ik tijd van al die mensen die wel de moeite hebben genomen om de
afgelopen keren bij de debatten aanwezig te zijn.
Dat gezegd hebbende, begin ik met de vraag van onder anderen mevrouw Den
Hollander en mevrouw Tseggai over hoe de eilanden tegen de verhogingswet
aankijken. Ik heb al aangegeven dat verschillende eilanden nu hebben
aangegeven door te willen gaan. Ik kom hier zo nog op terug, want er
zijn wel vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over de
ondersteuning.
Mevrouw Den Hollander vroeg ook hoe het aantal gedeputeerden zich tot de
comply or explain verhoudt. We kiezen hier namelijk voor een andere
systematiek. Doordat we voor die andere systematiek kiezen, zo zei
mevrouw Den Hollander terecht, kan het zijn dat het aantal iets hoger
uitkomt dan bij het aantal wethouders. Dat klopt, alleen zit daarin de
uniciteit van het feit dat we hier te maken hebben met bestuurders die
geen waterschappen of provinciale bestuurders hebben op wie zij kunnen
terugvallen en die meer verantwoordelijkheid hebben aangaande zaken die
in een andere gemeente vaak bij andere organen belegd zijn.
"De verhoging van het aantal eilandgedeputeerden was oorspronkelijk het
verzoek van het College zelf." Is dat zo, vroeg de heer Vlottes. Ja.
Alle Bestuurscolleges en eilandsraadsleden hebben herhaaldelijk
aangegeven dat die behoefte er is.
Is de eerste verhoging per de verkiezingen van 2027 haalbaar, vroeg
mevrouw Den Hollander. Ja, u werkt daar buitengewoon goed aan mee
middels dit WGO. Uiteraard hangt dit wel af van de Eerste Kamer. Ik heb
geen reden om aan te nemen dat het bij de Eerste Kamer niet zou lukken,
maar u weet: de Tweede Kamer gaat niet over de agendering in de Eerste
Kamer en het tempo dat men daarbij hanteert.
De heer Vlottes vroeg ook: waarom haast maken met dit wetsvoorstel? Dit
voorstel is inderdaad gelicht uit de afspraken die in 2024 door mijn
voor-voor-voorganger zijn gemaakt, om ervoor te zorgen dat het in 2027
kan worden gerealiseerd; dat is ook al gezegd door de heer Ceder. Je
ziet bijvoorbeeld bij de WolBES en de FinBES dat we het kunnen laten
doen en dat het vervolgens kan worden ingevoerd wanneer het kan worden
ingevoerd. Maar als het gaat om de verkiezingen, dan is het 2027 of 2031
en kun je niet tussendoor nog wat doen.
Ik zie uw hand bij de microfoon, voorzitter, en daarom ben ik geneigd nu
te zwijgen.
De voorzitter:
Dank u wel daarvoor, want ik zag dat meneer Ceder een interruptie
heeft.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die gaat over het volgende punt. Fijn dat we dit nu doen met elkaar. De
staatssecretaris heeft gelijk dat de Eerste Kamer er ook nog een ei over
moet leggen. Kan de staatssecretaris aangeven wat de uiterlijke datum
zou zijn om volgend jaar nog een ordentelijke verkiezing te kunnen
organiseren? Kan hij toezeggen dat hij, in ieder geval binnen zijn
macht, probeert om bijvoorbeeld via een briefje naar de Tweede of Eerste
Kamer aan te geven aan de verantwoordelijke commissies wat de uiterlijke
datum zou moeten zijn, willen we in 2027 nog een verkiezing op die
eilanden organiseren? Volgens mij is dat in ieder geval de wens van de
mensen daar.
De voorzitter:
Ik kijk naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Eind oktober. Doordat u het nu bespreekt en aangezien de amendementen
waarschijnlijk volgende week in stemming komen, wordt er over twee weken
in de Tweede Kamer over de wet gestemd. Wij kunnen die dan voor het
reces naar de Eerste Kamer sturen. Dat zou dan voor eind oktober moeten
lukken, met de kanttekening dat ik niet over de agenda van de Eerste
Kamer ga. Uiteraard zal ik daar wel hetzelfde proberen te doen als wat
ik met u heb gedaan. Waarom zou men daar niet doen wat u hier heeft
gedaan?
Dan het wettelijk verankeren van die evaluatie. Ik vind het niet nodig,
maar het kan natuurlijk wel. Ik maak daarbij wel de kanttekening dat
tijdens die bijeenkomst in 2024 nadrukkelijk door twee van de drie is
gevraagd om die evaluatie, niet door de derde. Op het moment dat u het
in de wet opneemt, dan gaat het ook voor Sint-Eustatius gelden. Het
geldt namelijk voor alle drie, of het geldt voor niemand. Daarom denk ik
dat je het niet zou moeten doen, maar het is uiteraard aan de Kamer om
te bepalen of u die wettelijke verankering wel wilt opnemen. Dat geldt
dan alleen ook voor Statia. We hebben dus eigenlijk niet iets niet
gedaan bij Statia, maar iets extra's gedaan voor Bonaire en Saba. Dat is
ook meteen een antwoord op de vragen van de heren Van den Brink en Ceder
op dit punt.
Als we dan kijken naar het amendement van de heer Ceder, zeg ik: het kan
wat de heer Ceder doet, maar het geldt dan wel voor alle drie. Dat
gezegd hebbende, laat ik het oordeel aan de Kamer als het gaat om het
amendement-Ceder op stuk nr. 11 over evaluatie en stapsgewijze
inwerkingtreding.
Uiteraard kom ik later in mijn verhaal natuurlijk nog terug op het
andere amendement, zeg ik tegen de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank in ieder geval dat u het oordeel aan de Kamer overlaat. Dit heeft
volgens mij wel een technisch gevolg, namelijk dat als er in het geval
van Statia geen evaluatie komt, wij als Kamer onvoldoende inzicht hebben
in de gevolgen van die eerste verhoging, zowel positief als negatief.
Kan de staatssecretaris schetsen wat de gevolgen zijn als we wel
doorgaan met die stapsgewijze verhogingen zonder evaluatie? Is het
inderdaad mogelijk dat daar onwenselijkheden in zitten waar de Kamer en
ook de eilandsraadsleden dan pas later van op de hoogte worden gesteld?
Je kunt hier juist op bijsturen. Een evaluatie is geen inperking van de
soevereiniteit van de eilandsraden, maar geeft ons als Kamerleden wel de
mogelijkheid om al dan niet gewenst bij te sturen, mocht uit de
evaluatie blijken dat er onwenselijkheden zijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
We hebben het hier natuurlijk wel over een wet die Bonaire — laat ik
daarmee beginnen — gelijktrekt met Bunschoten, om bij het voorbeeld van
de heer Ceder te blijven en zijn vergelijking door te trekken. Ik zou
niet kunnen bedenken waarom wij nu zeggen: op Bonaire kan men het niet
met net zo veel vertegenwoordigers af als in Bunschoten; in Bunschoten
kan dat wel. We doen het alleen stapsgewijs, zodat het niet in één keer
een heel groot aantal is met de verkiezingen, die al volgend jaar zijn.
Ik zei net al dat de wet, als het goed is, in oktober rond is. Dan gaat
die een halfjaar later dus al in. Dat is een best korte tijd. Ik kom zo
meteen nog op de implementatie terug. Maar dat is dus de reden dat we
het stapsgewijs doen. Idealiter zou je zeggen: waarom zou je niet in
2027 al Bonaire gelijktrekken met Bunschoten? Dat doen we niet, omdat de
stappen daarvoor te groot zijn. Dat is waar de spanning zit. Dan hebben
we het bovendien sec over de uitbreiding. Alle andere zaken,
bijvoorbeeld of er genoeg training en van alles en nog wat is gegeven,
of er andere dingen zijn geregeld, kunnen we namelijk in de WolBES en de
FinBES aan de orde stellen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De staatssecretaris schetst de wet zoals ik 'm ook graag zou willen
zien, namelijk dat het aantal stapsgewijs verhoogd wordt. Maar volgens
mij maakt de systematiek zoals die is opgeschreven in de wet het ook
mogelijk dat de verhoging niet doorgaat. Tenminste, die optie wordt
geboden in de wet. Dat zou ik er liever niet in willen hebben, maar zo
wordt het wel geformuleerd. Dan is het toch logisch om, alvorens men tot
dergelijke rigoureuze stappen komt, met elkaar te kijken — dat hoeft
geen gigantische evaluatie te zijn — waar we staan in relatie tot niet
alleen de verhoging, maar ook de randzaken. U heeft gelijk dat dat ook
op andere manieren geregeld kan worden, maar dit is een goed
toetsingsmoment. Kunt u aangeven waarom het wel mogelijk zou zijn om die
verhoging niet voort te zetten? Volgens mij biedt de wet namelijk de
mogelijkheid om die te blokkeren.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, dat klopt. Alleen is het eindbeeld wat mij betreft wel het
eindbeeld, want ook als je kritisch kijkt naar het functioneren van een
raad, of dat nou op Bonaire, Statia of Saba is, of in een van de 342
gemeentes in Europees Nederland, is de conclusie niet dat we dan het
aantal raadsleden verminderen of op een bepaald niveau houden. Dat is
indirect ook meteen een antwoord aan de heer Vlottes. Het gaat er heel
nadrukkelijk om hoe we ervoor zorgen dat het democratisch proces goed
kan functioneren. Als dat niet goed gaat, moet je kijken hoe je dat kunt
verbeteren, maar wel binnen de context dat iedere burger van Nederland
zich op dezelfde wijze gerepresenteerd moet zien en altijd binnen de
context van het minimale en maximale aantal raadsleden dat in de wet
staat genoemd.
De voorzitter:
Sorry, staatssecretaris, ik zie ook een interruptie van de heer Van den
Brink.
Staatssecretaris Van der Burg:
Daar hoeft u geen sorry voor te zeggen, voorzitter; hoe meer
interrupties, hoe beter.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Even voor mijn begrip: is de enige reden dat die evaluatie niet in de
wet verankerd wordt, dat u Statia de gelegenheid wilt geven om de
evaluatie niet uit te voeren?
Staatssecretaris Van der Burg:
Er is in 2024 door die andere twee om gevraagd, vandaar dat die door
mijn voorganger in de wet is opgenomen. Er is door Statia niet om
gevraagd; dat is de reden dat het niet gebeurd is. Nogmaals, daarom zeg
ik ook: u kunt dit doen, maar omdat u het dan in de wet opneemt, geldt
het wel voor alle drie en niet voor twee van de drie. Besef dat u dat
dan ook voor Statia doet en niet alleen voor Bonaire en Saba. Ik heb net
ook op die manier gereageerd op de woorden van de heer Ceder, maar ook
op die van een aantal anderen.
Voorzitter, ik ga door met de implementatie. Daar zijn door
verschillende mensen vragen over gesteld, onder anderen door mevrouw Den
Hollander. Er komt een ondersteuningsprogramma voor politieke
gezagsdragers, er komt een oriëntatieprogramma voor aspirant-politici,
er komt een impuls aan burgerschapsonderwijs op scholen, er komen
uiteraard financiële middelen voor de ondersteuning en een
adviesaanvraag bij het ARPA. Daar kom ik zo nog even op terug in het
kader van het amendement van de heer Ceder. We kijken ook naar de
huisvestingsgevolgen.
Mevrouw Den Hollander vroeg ook hoe zich dat verhoudt tot wat er in
Nederland gebeurt. Ik noem dit even als voorbeeld: ik ben oud genoeg om
als raadslid te hebben meegemaakt dat we in 2002 overstapten van het
monistisch stelsel naar het dualistisch stelsel, waarmee gemeenteraden
fors werden uitgebreid. Dat had allerlei gevolgen voor die
gemeenteraden. Toen is er dus ook — we spraken toen nog in guldens — 33
miljoen gulden toegevoegd aan de uitkeringen aan de gemeentes, om de
kosten voor gemeentes te vergoeden die het gevolg waren van
uitbreidingsbesluiten door ons, omdat bijvoorbeeld raadszalen moesten
worden uitgebreid, de bankjes voor de wethouders moesten worden
uitgebreid, et cetera et cetera. Dat is in die zin dus vergelijkbaar met
wat hier gebeurt. Het is anders dan bij gemeentelijke fusies, waardoor
je ook grotere aantallen kunt krijgen.
De heer Van den Brink stelde nog een specifieke vraag over de
ondersteuning met training et cetera. We zijn daarmee gestart. Ik zeg
"we", maar als ik spreek over 2025, dan begrijpt u dat dat "we" weinig
persoonlijk "we" en veel staatsrechtelijk "we" was. De uitvoering is
gestart via de beroepsverenigingen die er zijn om gezagsdragers,
eilandsecretarissen en eilandgriffiers verder te professionaliseren. Het
Nederlands Genootschap van Burgemeesters, de Wethoudersvereniging, de
Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, de Vereniging van
Gemeentesecretarissen en de Vereniging van Griffiers hebben daar een rol
in gespeeld. Al die programma's lopen in het najaar af. Wat mij betreft
gaan we die meerjarig verlengen, want straks moet je ook werken in de
nieuwe situatie, dus dan heb je ze ook nog in de periode 2027-2031,
zodat je die eerste vier jaar, ten behoeve van een evaluatie in twee van
de drie of drie van de drie — dat is aan u — kunt meenemen.
Verder zijn we nu ook bezig, samen met ProDemos en het Nederlands
Instituut voor Meerpartijendemocratie, om te kijken naar de aanwas.
Daarin zien we hele mooie resultaten. Meer dan honderd mensen hebben
zich daarvoor aangemeld. Op Bonaire werd zelfs de sluitingsdatum van de
inschrijving iets vervroegd, omdat het helemaal vol zat. Het is
buitengewoon mooi dat dat heeft kunnen gebeuren.
De heer Ceder vroeg nog nadrukkelijk: is er een beeld van initiatieven
rond de VNG? Ja, dat is er zeker. Ik noemde het net al, meneer Ceder.
Dat doen we samen met de verschillende beroepsverenigingen, met de
onderdelen die je daarvoor binnen de VNG hebt. De samenwerking met de
VNG loopt ook nog eens via de Caribendesk van de VNG.
Mevrouw Den Hollander en de heer Ceder vroegen nog specifiek naar de
huisvesting: is dat een primaire taak van de eilanden? Ja, net als van
de 342 gemeentes hier. Als de gemeenteraad besluit — dat is toevallig
net in mijn eigen gemeente Amsterdam gebeurd — om het gemeentehuis weer
eens te vertimmeren, dan zeg ik: dat mag, gemeenteraad; daar heeft u een
eigen budget voor. Je gaat er zelf over of je een nieuw gemeentehuis
wilt bouwen et cetera. Daar ga je zelf over. Daar ben je zelf voor
verantwoordelijk. Dat zijn echt de autonome keuzes die horen bij de
gemeentes en dus ook bij de drie eilandsraden. Die keuzes maken ze zelf.
Maar als het gaat om iets specifieks wat vanuit ons in wetgeving wordt
neergelegd, dan spelen wij daar dus een bijzondere rol in.
De heer Ceder en ook anderen vroegen hoe het nu staat met die
huisvesting. We zijn nog steeds in gesprek, dus er is nog geen eenduidig
idee over hoe nu wat te gaan doen. Duidelijk is het volgende. We hadden
daar drie ton voor uitgetrokken. Dat was ook wel enigszins krap begroot
aan onze kant, dus daar moet ook wel ruimte aan mijn kant in zitten,
maar we zijn nog met de verschillende besturen in gesprek om te kijken
hoe dat op een goede manier kan worden gerealiseerd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit is een van de grote zorgen onder de eilandsraadsleden en dat snap ik
ook wel: als je opeens heel veel extra raadsleden hebt maar nog
hetzelfde gebouw hebt, dan wordt dat krap. Ik ben ook in de raadshuizen
geweest. Ik wil gewoon dat het goed loopt voordat er verkiezingen zijn
geweest, dus ik snap dat de staatssecretaris in overleg is. Mijn vraag
is of de staatssecretaris in ieder geval kan toezeggen om duidelijk te
maken wanneer daar knopen over worden doorgehakt, misschien ook bij
beslissingen over de extra middelen die misschien nodig zouden zijn, en
kan toezeggen de Kamer daarover te informeren. Ik heb wel behoefte aan
die toezegging. Een verkiezing is namelijk leuk, maar als er vervolgens
gedoe ontstaat over de vraag vanuit welke plek ze hun democratische taak
kunnen vervullen, is die duidelijkheid, denk ik, het halve werk.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dit ben ik uiteraard met de heer Ceder eens. Ik zei net: als dit eind
oktober door de Eerste Kamer zou komen, moet men daar ook meteen aan de
slag en dan heeft men op dat moment ook duidelijkheid nodig over de
gelden et cetera. Ik zal u daar dus uiteraard over informeren en ik zal
dit ook actief meenemen in mijn eventuele debat met de Eerste Kamer op
dit specifieke punt, maar voor die tijd hoort de heer Ceder het
natuurlijk samen met de Eerste Kamer. Dit is een toezegging, dus vóór
het Eerste Kamerdebat.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een verhelderende vraag: voor het Eerste Kamerdebat komt de
staatssecretaris dus terug op de financiën en de financiële impact van
dit wetsvoorstel en op de vraag hoe hij dat gaat oplossen?
De voorzitter:
Ik kijk naar de staatssecretaris. Volgens mij is dat correct.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja.
Wanneer komt de in De Bilt overeengekomen substantiële verhoging van de
bezoldiging voor de politie in de BES-eilanden? Dat was een vraag van de
heer Ceder. Daar ligt natuurlijk meteen een link met zijn tweede
amendement, een amendement dat ik zeer ernstig ontraad. Ik zei het met
een glimlach, meneer Ceder, maar ik meen het wel serieus. Ik hoop echt
dat dit amendement überhaupt niet in stemming wordt gebracht, maar als
dat wel zo mocht zijn, dan hoop ik echt dat het amendement niet aan een
meerderheid wordt geholpen door de rest van de Kamer. Eén: het past
fundamenteel niet bij een wet als deze dat je die koppelt aan inkomen.
Dat zijn echt twee verschillende zaken. Twee: als u dat doet, dan
ontstaat ook meteen een buitengewoon groot risico, van bijna 100%, dat
daarmee de wet ook niet in werking kan treden bij de aankomende
verkiezingen. Dat zou ik in ieder geval toch niet willen. Bovendien is
het niet voor niets dat wij niet hebben gezegd dat wij die inkomens op
die eilanden gelijktrekken aan inkomens in Nederland, maar dat wij
daarvoor een onderzoek hebben gevraagd. Wij hebben dat onderzoek
gevraagd omdat er grote verschillen zijn. Ik noem maar even wat zaken
waar je naar moet kijken. Je moet kijken naar de dollarkoers versus de
euro, want wij spreken hier veelal ook over andere munteenheden. Je moet
het hebben over de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden, want die
zijn feitelijk anders, bijvoorbeeld omdat er geen waterschap is en omdat
er geen provincie is. Het gaat over het feit dat je dus veel minder
hulpstructuren hebt. Het gaat over het gemiddeld inkomen daar versus het
gemiddeld inkomen hier. Dus het lijkt mij zeer goed dat wij een
onafhankelijk onderzoek hebben gevraagd dat juist specifiek hiernaar
kijkt. Voor de helderheid hebben we aan het Adviescollege Rechtspositie
Politieke Ambtsdrager gevraagd om daar advies over te geven. Zij zijn
onafhankelijk. Ik kan ze dus ook niet zeggen: hup, hup, boys and girls,
morgenochtend wil ik het hebben. Vandaar dat ik zeg: doe dit niet
middels een amendement, want daarmee loop je de kans dat je het proces
frustreert en dat is zeker niet de bedoeling van de heer Ceder. Zodra ik
het advies heb, neem ik zo snel mogelijk een besluit. Dan is niet zozeer
de heer Ceder als wel de griffier van deze commissie de eerste die het
hoort, maar u, meneer Ceder, vrij vlak daarna.
De voorzitter:
Voor een interruptie geef ik eerst het woord aan de heer Ceder, en
daarna aan mevrouw Tseggai.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is natuurlijk geenszins mijn bedoeling om de impact van dit
wetsvoorstel te vertragen; integendeel zelfs: ik hoop juist dat de
staatssecretaris hierdoor gedwongen wordt om dat zo snel mogelijk te
gaan regelen op het moment dat dat advies er ligt. Daarom heb ik die ook
met elkaar verknoopt. Wat ik níét zou willen, en dat is een zorg die in
ieder geval eerder door de eilandsraden of een deel daarvan is
uitgesproken, is dat we wél dit gaan doen, maar dat het kabinet gewoon
niet over de brug komt met de afspraken waarvan het logisch is dat je
die gelijktijdig of in de buurt van elkaar doorvoert. Ik ben bereid om
deze wetswijziging niet in stemming te laten brengen, want voor mij is
het doel belangrijker dan dat het in de wet komt. Maar ik vraag mij wel
het volgende af. Ik vind het iets te vrijblijvend dat de minister
aangeeft dat er een onderzoek plaatsvindt en hij geen idee heeft wanneer
dat eraan komt. Tenminste, wij hebben altijd wel een idee in welk
kwartaal zoiets komt. Ik vraag mij af of de minister daar iets meer over
zou kunnen vertellen. En als hij dat niet weet, kan hij, de
staatssecretaris, dan misschien toezeggen daar zo snel mogelijk op terug
te komen?
De voorzitter:
U zei twee keer "minister".
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb de heer Van der Burg zeer hoog zitten.
Staatssecretaris Van der Burg:
"What's in a name? That which we call a rose by any other name would
smell as sweet." Dus het maakt niet uit hoe je me noemt, ik weet dat het
over mij gaat. Dat gezegd hebbende: ik weet het nu niet, omdat het ARPA
dat zelf kan beslissen en niet van mij een opdracht kan krijgen. Ik zal
ernaar informeren; dan laat ik het weten. Maar laat er geen misverstand
over zijn, meneer Ceder: zodra het advies er is, ga ik ermee aan de
gang. Daarbij is het grote voordeel van zoiets als dit dat je het altijd
kunt aanpassen en niet gebonden bent aan de cycli die je wel hebt bij de
raadsverkiezingen. Dat is het grote verschil.
De voorzitter:
Meneer Ceder, u bent door uw interrupties heen. Maar ik ben soepel, want
we hebben nog wat tijd. Daarna is er ook nog een interruptie van mevrouw
Tseggai.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn, voorzitter. Dit wil ik niet als interruptie rekenen, maar gezien
het antwoord van de staatssecretaris ga ik ervan uit dat het een
toezegging is dat hij ons informeert over wanneer het ARPA denkt met het
advies te komen. Ik snap dat de staatssecretaris geen opdracht kan
geven. Ik wil het wel noteren, zodat ook voor de eilanden duidelijk is
aan welk tijdskader we zitten te denken. Ik zou het amendement dan
willen intrekken, omdat dit volgens mij een doel is dat ik hoopte te
bewerkstelligen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Zeker mag u dat noteren als een toezegging, want het was een
toezegging.
De voorzitter:
Prima. Dan staat die zo genoteerd.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Hoewel ik het waardeer dat de staatssecretaris hier twee toezeggingen
doet over de financiële implicaties van het wetvoorstel, maar ook van
het uitbreiden van het aantal eilandsraadsledenvergoedingen, merk ik wel
dat ik het lastig vind dat we deze informatie nog niet hebben als we dit
wetsvoorstel in stemming brengen. Voor mijn fractie is het wel vrij
voorwaardelijk dat de financiële implicaties van dit wetsvoorstel
duidelijk zijn, in ieder geval als het gaat over de drie ton die
eigenlijk te krap begroot was. Ik zou niet willen dat we hier een wet
door de Kamer laten gaan waarvan de gevolgen eigenlijk niet kunnen
worden betaald door de eilanden. Daarbovenop vind ik het jammer dat de
heer Ceder zijn amendement intrekt, maar daarvan snap ik nog dat het
misschien iets later zou kunnen. Langzaamaan worden het voor mij wel
veel financiële haken en ogen, merk ik.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik herken niet wat mevrouw Tseggai zegt. Ten eerste, als het gaat om het
laatste punt, dus het amendement: de beloning van Kamerleden is echt
volstrekt onafhankelijk van de vraag of het er 150 zijn of 145 of 155.
Datzelfde geldt voor de beloning van gemeenteraadsleden,
eilandsraadsleden et cetera. Dat zijn twee volstrekt gescheiden
trajecten. In die zin is het in mijn ogen — maar dat zal u niet verbazen
— volstrekt terecht dat de heer Ceder zegt: oké, ik doe die even apart.
Even voor de helderheid: ik heb daarvan al gezegd dat zodra ik van het
ARPA het advies heb gekregen, ik dat snel omzet in mijn besluitvorming
en ik er daarmee dus bij u op terugkom. Als het gaat om de huisvesting,
is die drie ton sowieso geregeld. Dan hebben we het overigens al over
dit jaar. Dat is sowieso geen punt van discussie, want dit jaar moeten
er al zaken in gang worden gezet. Dat geld is er dus gewoon. Dat kwam
vanuit de vrije uitkering BES, die gewoon beschikbaar is. Als dat meer
moet worden, ga ik dat ook gewoon regelen. Daarvoor kom ik ook niet bij
u met begrotingswijzigingen; dat is niet nodig. Dat gaan we dus gewoon
oplossen met elkaar.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mag ik dat dan als de volgende toezegging zien? Als de drie ton die
begroot is, niet genoeg is, lost de staatssecretaris dat hoe dan ook op
zonder begrotingswijziging et cetera. Hij staat er dus voor dat de
eilanden genoeg geld hebben om de uitbreiding van de eilandsraadsleden
goed te faciliteren en uit te voeren.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, met één kleine kanttekening: er kan altijd discussie zijn over wat
ik genoeg vind en wat een eilandsraadslid vindt dat genoeg is, zoals u
en ik ook weleens van mening kunnen verschillen over de vraag of iets
genoeg is of omhoog of omlaag moet. Maar op basis van de gesprekken die
hebben plaatsgevonden, zal ik duidelijk maken — ik kan u alvast zeggen
dat het meer wordt dan die drie ton — wat we gaan doen per eiland.
Daarvan kunnen ze het ook doen.
De voorzitter:
Dank u. U kunt door met de beantwoording.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ja, voorzitter. Dan ga ik naar mevrouw Dijk. Herken ik de signalen van
de OAS-delegatie over het stemmen bij volmacht? Ja, ik herken die
signalen, want er wordt door sommige organen zeer kritisch gekeken naar
het volmachtsysteem zoals we dat in Nederland kennen. Tegelijkertijd
beperkt zich dat niet tot alleen Bonaire, Statia en Saba. We hebben
zelfs nog een herstemming gehad in een gemeente in Nederland. Als je al
zou willen komen tot aanpassing van de wet, zou je dus moeten zeggen:
bij 341 gemeenten is het 2, en in 3 eilandraden en 1 gemeente in
Nederland is het 1, als je het al zou willen. Het is veel beter om te
kijken naar waar de minister mee bezig is. De onderwerpen volmacht en
stemmen vallen niet onder mij. Die vallen onder de minister van
Binnenlandse Zaken. Die is aan het kijken hoe wij om moeten gaan met de
eventuele aanpassing van de Kieswet. Hier geldt dat we hier hetzelfde
doen als bij die andere 342; hier geldt comply or explain. Als de
minister van BZK dan vervolgens op grond van evaluaties tot
veranderingen in de Kieswet aangaande het volmachtverhaal komt — of hij
nu van twee naar zeven gaat of van twee naar één — dan volgen wij daarin
ook gewoon de lijn van de minister van BZK. Althans, dat zou dan mijn
gedachte zijn. Uiteindelijk beslist u over wetswijzigingen. Wij volgen
daarin de minister en zijn voorstellen, want dan hebben we comply or
explain ook gehanteerd. Ik zie niet in waarom we Bonaire, Statia en Saba
op dit punt anders zouden moeten behandelen dan gemeenten in Nederland.
Ik kan u ook in Nederland voorbeelden noemen waarbij mensen zeiden:
klopt het wel hoe daar is omgegaan met volmachten? Er is nog een
verschil tussen vragen hebben over volmachten en dusdanig zware
bedenkingen hebben dat je verkiezingen over moet doen zoals in Gorinchem
is gebeurd, of, nog verdergaand, bewezen fraude, wat bij deze eilanden
niet aan de orde was.
De stand van zaken van de Herzieningswet; ik zou bijna zeggen: wie heeft
er niet naar gevraagd? De heer Van den Brink was wel het meest
duidelijk: is 2029 nog steeds het streven of kan het zelfs 2028 worden?
Het is mijn planning om rond de zomer naar de Raad van State te gaan. Ik
lig daarvoor ook op schema. Daarna duurt het advies van de Raad van
State ongeveer drie maanden. Ook daarvoor geldt, misschien nog wel
sterker dan bij het antwoord van zojuist over het ARPA, dat ik daar
natuurlijk niet over ga, maar dat de Raad van State daarin volstrekt
onafhankelijk is. Daarna hangt het er natuurlijk van af wat we
terugkrijgen. Wordt het een dictum a of b of wordt het een dictum c of
d? Dat beïnvloedt natuurlijk ook heel erg het proces daarna. Vervolgens
stuur ik het naar u. Het ligt voor de hand dat dat het eerste kwartaal
van 2027 is. Ook dan hangt het er weer van af wat u ermee gaat doen.
Theoretisch gesproken is 1 januari 2028 dus mogelijk: als de Raad van
State applaudisseert, u de wave inzet en de Eerste Kamer die afmaakt.
Maar het kan zijn dat 1 januari 2028 daardoor niet wordt gehaald en dan
wordt het 1 januari 2029.
De heer Vlottes stelde nog een vraag over type IV en de andere
onderwerpen van het bestuursakkoord van Bonaire. Dat zijn grotendeels
vragen die niets te maken hebben met het onderwerp dat vandaag aan de
orde is. Daar kun je nog een hoop discussie over hebben met elkaar, maar
de vraag over het overstappen naar type IV is ook echt gesteld aan de
verkeerde staatssecretaris. Dat is namelijk geen besluit geweest van
mij, maar van de staatssecretaris van IenW. Die vraag hoort dus echt
thuis bij een andere staatssecretaris, net zo goed als u mij van alles
en nog wat kan vragen over heel veel andere onderwerpen waar ik niet
over ga.
Dan tot slot nog twee dingen, voorzitter, die aan elkaar gekoppeld zijn.
Verschillende mensen, waaronder Ceder en Tseggai, hebben gevraagd hoe
het staat met de uitvoering van de afsprakenlijst uit De Bilt. Veel
afspraken zijn natuurlijk al uitgevoerd. We komen nog terug op een
aantal zaken in het kader van de WolBES en de FinBES. Die gaan
natuurlijk richting u komen. Uiteraard is deze wet ook een uitvoering
van de afspraken die zijn gemaakt in De Bilt.
Er springt wel één ding uit. Dat is de Rijksvertegenwoordiger, want in
2024 is afgesproken om te stoppen met de Rijksvertegenwoordiger. Even
los van het feit dat de huidige wet nog uitgaat van een
Rijksvertegenwoordiger en dat ik vind dat zolang de huidige wet geldt,
er sowieso sprake moet zijn van een Rijksvertegenwoordiger — dat is
tenslotte de huidige wet zoals die er ligt, dus daar heb je je aan te
houden — is dit een punt van twijfel; zo noem ik het nog maar eventjes,
al was het maar om de simpele reden dat ik daarover nog de discussie
binnen het kabinet moet aangaan. Als ik al moet kiezen welke kant die
twijfel op valt, ben ik op dit moment eerder geneigd de Dijkdoctrine te
volgen dan te zeggen: we stoppen ermee. Dat heeft enerzijds heel
nadrukkelijk te maken met het feit dat we hebben gezien dat de
Rijksvertegenwoordiger echt een rol kan spelen bij moeilijke dossiers,
zoals Selibon. Dat werd genoemd door onder anderen de heer Vlottes en
mevrouw Dijk zelf. Anderzijds missen we hier natuurlijk gewoon een
aantal organen die we wel hebben in Europees Nederland. Denk even aan
een dijkgraaf en aan een commissaris van de Koning. Die kunnen wel
degelijk ook een rol spelen.
Tot slot, voorzitter. Hoe je het wendt of keert: de drie eilanden liggen
toch — ik rond even af — 8.000 kilometer verderop. Dat brengt natuurlijk
geen mentale en digitale afstand met zich mee, want afspraken zijn
vanavond nog gewoon in mijn agenda te zetten, maar het feit dat de
afstand groot is, bemoeilijkt wel een aantal processen. Ik doe hier dus
nog geen ultieme uitspraken, want die komen gewoon terug zodra ik de wet
naar de Kamer stuur, maar dit is er wel eentje waar de twijfel neigt
naar kijken of we dingen toch anders moeten doen dan tot nu toe
gezegd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik moest even achter mijn oren krabben, zo van: wat is nou de
Dijkdoctrine? Maar als we hiermee bedoelen dat mevrouw Heera Dijk in de
historie bekend zal staan als degene die de Rijksvertegenwoordiger
behouden heeft, dan is dat in ieder geval genoteerd voor de
notulen.
Het is eerlijk van de staatssecretaris dat hij twijfelt en zegt dat dit
in het kabinet besproken moet worden. Kijk, ik probeer eraan te
refereren dat er al afspraken zijn gemaakt. U kent de broze relatie
tussen de eilanden en het kabinet wat betreft de afspraken die de
afgelopen zestien jaar zijn gemaakt. U heeft ook gelijk — dat heb ik ook
genoemd — dat de lagen die wij kennen, zoals de dijkgraaf et cetera die
u noemde, daar bekend worden. Ik vraag mij toch wel af of de
staatssecretaris, voordat hij definitief een besluit neemt bij de
behandeling van de WolBES en FinBES, kan toezeggen opnieuw dat gesprek
aan te gaan met de eilandsraden, waarvan een aantal ook in samenstelling
veranderd is. Wil hij kijken of modernisering of juist een afbakening
van taken wenselijk is als die vorm behouden zou worden, of dat zij
juist vinden dat het niet zo zou moeten? Mijn vraag is of de
staatssecretaris kan toezeggen dat gesprek aan te gaan alvorens we de
behandeling hier doen. Ik zou het namelijk ingewikkeld vinden om,
lijnrecht tegen die afspraken in, hier dat voorstel te moeten
behandelen.
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van mevrouw Den Hollander, maar ik geef eerst
het woord aan de staatssecretaris, zodat hij de vraag van de heer Ceder
kan beantwoorden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Formeel is de consultatie al geweest, maar het lijkt me goed dat ik voor
deze wet hetzelfde doe als ik voor de wet die we vandaag bespreken heb
gedaan. Dat heb ik toen ook gedaan. Ik kan me ook heel goed voorstellen
dat we daarmee — de opmerking over de Dijkdoctrine was natuurlijk een
grapje richting mevrouw Dijk — de Dijkdoctrine in ieder geval amenderen,
zou ik zeggen, middels het verbale amendement van de heer Ceder, want
dan kunnen we het ook over modernisering hebben. Nou, nu blijf ik weer
even weg bij de grapjes. Het lijkt mij goed dat we dit specifieke punt
gewoon ook even op dezelfde manier doen als we met deze wet hebben
gedaan. Ik doe dus een rondje langs de velden. Dat mag u noteren als
toezegging, voorzitter.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Fijn, maar voor mij is de tijdlijn wel belangrijk. Wanneer komt de
uitkomst daarvan naar de Kamer?
De voorzitter:
Ik was nog even met de griffier in gesprek over de toezegging, want in
principe noteert de griffier alleen de toegezegde brieven. U kunt
namelijk altijd terugvallen op het verslag van deze commissie.
Staatssecretaris, de heer Ceder vraagt dus bij dezen om een brief. Kunt
u die toezeggen?
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat wilde ik al gaan toezeggen, want ik dacht: dan los ik uw probleem
ook op.
De voorzitter:
Mooi. En een tijdlijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik ga kort na de zomer dit gesprek met die drie aan en dan koppel ik het
daarna middels een brief terug aan de heer Ceder. Daarmee is het een
officiële toezegging geworden volgens de voorzittersdoctrine.
De voorzitter:
Dank u wel. Er was eerst een interruptie van mevrouw Den Hollander,
mevrouw Tseggai. O, u heeft een punt van orde.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Als we het dan nu toch over brieven hebben, dan zou ik het ook wel fijn
vinden als de staatssecretaris per brief terug zou kunnen komen op die
drie ton, hoe het daarmee loopt en of dat goed is afgelopen, ter
geruststelling van mij. De staatssecretaris lacht, maar ik vind dat wel
echt heel belangrijk. Ik zou dat dus prettig vinden.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik snap deze vraag. We moeten ervoor oppassen dat bij alles wat ik zeg,
wordt gezegd: schrijf het nog even op in een brief. We gaan het
binnenkort in een andere commissie hebben over slagvaardige overheid en
hoe we met minder ambtenaren hetzelfde werk moeten gaan doen. Dat gezegd
hebbende, zeg ik op deze vraag van mevrouw Tseggai graag ja.
De voorzitter:
Oké, dat staat dus ook genoteerd als terugkoppeling vanuit de
staatssecretaris door middel van een brief. Dan had mevrouw Den
Hollander ook nog een interruptie.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik ga nog heel even terug naar de wet zelf. Ik wil het even hebben over
het aantal eilandgedeputeerden. Ik heb in de tussentijd artikel 38 van
de wet erbij gezocht om te zien hoe het ook alweer bedacht is. Het is zo
onlogisch. Het aantal raadsleden bepaalt het aantal eilandgedeputeerden;
dat is logisch. Ik begrijp ook dat het iets meer moet zijn dan hier.
Maar als we naar de deeltijdgedeputeerden kijken, zien we dat er een
andere verhouding en een ander aantal raadsleden wordt aangehouden. Voor
fulltime geldt: 15 tot 21 raadsleden geeft 3 tot 5 gedeputeerden. Voor
deeltijdgedeputeerden is er een onderscheid. Daar gaat het over 19 tot
21 eilandsraadsleden en dan is 23 weer een andere categorie. Waarom
wordt het zo complex gemaakt? Waarom wordt er niet gewoon een bepaalde
factor aan opgehangen, net zoals in Nederland? Dan kan je met deeltijd
met meer mensen hetzelfde werk invullen. Hier wordt daadwerkelijk ruimte
geschapen om 10% extra kosten te maken bij deeltijdgedeputeerden. Waarom
maken we het zo complex en wordt er niet gewoon een vaste verhouding
aangehouden?
De voorzitter:
De staatssecretaris. Er is ook nog een tweede termijn.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat de besturen op de drie
eilanden, zowel vanwege de letterlijke ligging … Er zijn namelijk geen
buren in de buurt op wie je kunt terugvallen. Wij bevinden ons 8.000
kilometer verderop. Ik noem ook het feit dat je geen provinciebestuur en
geen waterschapsbestuur hebt. Dat maakt dat we dit hebben gezegd.
Daarmee geven we iets meer ruimte aan het aantal bestuurders. Dat is de
gedachte hierachter.
Op het deeltijdverhaal zal ik even in de tweede termijn terugkomen. Dan
wil ik het onderscheid tussen de optelsom "geheel" en de optelsom
"gedeeltelijk" goed op een rij hebben.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Het gaat me niet om het totaal aantal fte, want zo doen we dat
natuurlijk in Nederland, maar om de systematiek waarmee gerekend wordt
en om de onverklaarbare verschillen tussen de berekening met deeltijd en
de berekening met voltijd. Het gaat om de berekening, niet eens om de
uitkomst.
Staatssecretaris Van der Burg:
Dat doe ik even in de tweede termijn.
De voorzitter:
U bent door uw beantwoording heen. Dat is mooi. Dan zijn we aan het
einde gekomen van de eerste termijn van het kabinet.
Dan gaan we nu naar de tweede termijn van de Kamer. Als iedereen er
klaar voor is, geef ik allereerst het woord aan het lid Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Fijn dat we dit debat vlot hebben kunnen voeren.
Het is, denk ik, belangrijk dat de verkiezingen gewoon doorgaan. Het is
belangrijk dat we ervoor zorgen dat het aantal eilandsraadsleden op
niveau is en dat we daar een belangrijke stap in maken. Nogmaals dank
voor het werk dat de staatssecretaris daarin heeft verzet.
Ten aanzien van de financiën merkte u wat twijfel bij mij, maar ik heb
er vertrouwen in dat de staatssecretaris het gesprek aangaat en dat hij
doet wat nodig is. Om die reden — dat heb ik net al aangegeven, maar dat
doe ik nu officieel — trek ik mijn amendement ten aanzien van de
bezoldiging in. Ik weet even niet het stuknummer uit mijn hoofd. Het
amendement op stuk nr. 7, hoor ik.
De voorzitter :
Het amendement-Ceder (stuk nr. 7) is ingetrokken.
Ik stel vast dat daarmee wordt ingestemd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het amendement op stuk nr. 11, over de evaluatie, laat ik staan. De
situatie dat alleen Statia niet zou evalueren maar de andere eilanden
wel, vind ik onlogisch. Ik denk dat het belangrijk is dat we dat
openbaar met elkaar kunnen bespreken en dat we kunnen tweaken wanneer
dat nodig is. Ik handhaaf dat amendement dus. Ik ben blij met de
appreciatie "oordeel Kamer". Ik hoop dat de Kamerleden het belangrijk
vinden om transparantie en duidelijkheid te krijgen, zodat we kunnen
bijsturen indien nodig. Het uiteindelijke doel is uiteraard dat de
trapsgewijze verhoging gewoon doorgaat, zoals de staatssecretaris ook
graag wil.
Ik ben ook blij met de toezeggingen.
Ik heb nog twee moties om als Kamer het een en ander richting te
geven.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor een goed functionerend bestuur van de openbare
lichamen adequate en voldoende ondersteuning en goede huisvesting
randvoorwaardelijk zijn;
overwegende dat hierover afspraken zijn gemaakt tijdens de
werkconferentie, maar dat onduidelijk is hoe invulling gegeven wordt aan
deze afspraken;
verzoekt de regering concrete afspraken over ondersteuning en
huisvesting te maken, en de Kamer over de uitkomsten en resultaten
hiervan te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Tseggai.
Zij krijgt nr. 12 (36867) (#1).
De heer Ceder (ChristenUnie):
De motie is medeondertekend door mevrouw Tseggai. Als er nog anderen
zijn, hoor ik dat graag.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er met de Wet verhoging aantal eilandsraadsleden en
eilandgedeputeerden nog niet voldaan is aan de tijdens de
werkconferentie gemaakte afspraken over verhoging van de bezoldiging van
eilandsraadsleden en -gedeputeerden;
verzoekt de regering het advies van het ARPA inzake het
bezoldigingsniveau van politieke gezagsdragers van de BES spoedig en met
een positieve grondhouding in behandeling te nemen en daarbij rekening
te houden met de gemaakte afspraken tijdens de werkconferentie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Tseggai.
Zij krijgt nr. 13 (36867) (#2).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik mag uw naam toch ook onder deze motie zetten, mevrouw Tseggai?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, hoor.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. We hebben genoteerd dat het amendement op stuk nr. 7 in
ieder geval is ingetrokken. Ik geef het woord aan de heer Tijs van den
Brink voor zijn inbreng in de tweede termijn.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik kan het kort houden, want mijn
vragen zijn naar tevredenheid beantwoord. Dank daarvoor, zeg ik tegen de
staatssecretaris.
Ik heb de neiging om mee te gaan met het amendement van de heer Ceder
over evaluatie als het enige argument van de staatssecretaris om het
niet te doen, is dat dit nou eenmaal zo is afgesproken met Statia. Het
lijkt mij goed om dit soort dingen te evalueren en daarna tot een
vervolg te komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor
zijn beantwoording. De gedane toezeggingen, zeker die over de financiën,
stellen mijn fractie echt gerust, dus ook dank daarvoor. Maar ik heb
niet voor niets de moties van de heer Ceder — ik zou willen zeggen "ter
plekke", maar eigenlijk was het digitaal — meeondertekend: het lijkt me
wel goed om nog wat richting te geven en ook om door te gaan met dat
proces over de andere afspraken die gemaakt zijn.
Ik hoop ook echt dat we dit in de toekomst niet meer op deze manier
doen. Ik hoop dat als we dan een pakket aan afspraken maken, we niet
eenzijdig een bepaalde wet versnellen of eruit lichten. Ik hoop dat de
staatssecretaris hier eens op kan reflecteren. Dat hoeft niet per se nu,
maar kan misschien in zijn vrije tijd. Het mag ook wél nu, maar ik hoop
dat de staatssecretaris er nog eens goed over nadenkt.
Als laatste wil ik zeggen dat ook wij het amendement van de heer Ceder
wat betreft de wetsevaluatie zullen steunen, want het lijkt mij raar om
op een van de eilanden niet te evalueren.
Daar houd ik het bij, voorzitter. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Voorzitter, dank. Dank voor de beantwoording, ook die over de volmacht.
Ik zie het graag tegemoet.
Verder heb ik niet zoveel. Misschien ga ik ook wel mee met het
amendement, als "Dijkdoctrine". Maar dank voor de toezegging.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. Geen aanvullende vragen meer naast de vraag die nog
openstaat over de complexe berekening van het aantal
gedeputeerden.
Ik hoor de heer Ceder nu vragen of wij meegaan met zijn amendement. Dat
gaan we eerst even bekijken, meneer Ceder.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot de heer Vlottes.
De heer Vlottes (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de beantwoording tot zover.
Ik heb nog twee puntjes. De staatssecretaris refereerde eraan dat het
type IV-besluit ook aan de staatssecretaris van IenW is. Dit ziet op de
situatie met Selibon, maar ik stelde mijn vraag ook in relatie met de
brief en het verzoek van Bonaire voor die andere beleidsterreinen. Ik
snap dat de staatssecretaris van VRO en die van LVVN en dergelijke er
ook wat van vinden, maar ik vraag mij af of de staatssecretaris, die
zelf verklaarde een pain in the ass te zullen zijn voor het Koninkrijk
en de eilanden op andere beleidsterreinen, er nog wat over kan
vinden.
Mijn tweede puntje ziet op de deeltijdgedeputeerde. De staatssecretaris
gaf in zijn beantwoording aan dat vooral belangenverenigingen zoals de
VNG en de Wethoudersvereniging er uitvoerig bij zijn betrokken. Maar dat
vind ik juist zo opmerkelijk, want de Wethoudersvereniging zelf heeft
aangegeven, zoals we vorige week hebben kunnen lezen in in ieder geval
het AD, dat wethouder in deeltijd zijn eigenlijk haast ondoenlijk is,
vanwege de complexiteit en moeilijkheid van het wethouderschap. Met dit
wetsvoorstel zou de staatssecretaris dan ingaan tegen die trend. Juist
gezien de bestuurskracht die nodig is, vraag ik mij af waarom dan toch
die beweging wordt gemaakt naar een deeltijdgedeputeerde. Je zou toch
zeggen dat we dan juist alleen maar moeten inzetten op
voltijdgedeputeerden.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank aan de Kamerleden voor de inbreng in de tweede termijn. We zijn ook
aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamerleden en gaan
over tot de beantwoording door de staatssecretaris. Ik kijk even of hij
meteen door wil gaan of misschien even vijf minuten wil schorsen.
Staatssecretaris Van der Burg:
Op zich kan ik meteen door, voorzitter. Ik heb alleen de teksten nog
niet voor me.
De voorzitter:
Oké. Dan wachten we daar gewoon op.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik kan wel alvast beginnen met de beantwoording van de dingen die ik al
heb gehad.
Over het amendement-Ceder zei ik al wat in de eerste termijn. Dank
overigens dat het andere amendement is ingetrokken. Het eerste
amendement van de heer Ceder krijgt dus oordeel Kamer.
Dan ga ik even naar de heer Vlottes en zijn twee vragen. De eerste ging
over de andere beleidsterreinen. In beginsel is het heel simpel: de
verantwoordelijkheden liggen daar waar ze moeten liggen. Dat doen we zo
bij gemeentes en dat doen we, in dit geval, ook op deze manier bij
openbare lichamen. Wat we niet moeten doen, is een onderscheid maken
door te zeggen: voor Bonaire leggen we het meer daar neer en voor Saba
en Statia leggen we het op een andere plek neer. Eigenlijk ben ik
terughoudend met die vraag vanuit Bonaire. Dat is één.
Twee. De heer Vlottes had een zeer terechte vraag met betrekking tot de
deeltijdwethouders dan wel de deeltijdgedeputeerden. Daar gaat de
eilandsraad dan wel de gemeenteraad alleen zelf over. Ik heb ook wel een
mening, als privépersoon, over of je parttime politicus kunt zijn of
niet. Maar de mogelijkheid bestaat voor de 342, en dus ook voor de 3.
Dan is het verder aan de raad zelf of ze dat doen, ja of nee. De raad
bepaalt zelf maar of ze inderdaad vanaf donderdagmiddag tot
zondagochtend mensen niet aanspreken omdat ze parttimer zijn, of hoe ze
dat ook regelen. Dat is niet aan mij.
Voorzitter, ik heb nu een antwoord gekregen op de vraag van mevrouw Den
Hollander, maar die is zodanig dat ik het nog niet helemaal helder heb.
Wat ik wil afspreken, is dat u voor de besluitvorming in de Tweede Kamer
daarvoor op schrift — toezegging! — een reactie krijgt, waarin ik het
nogmaals op een rijtje zet.
Dat gezegd hebbende, voorzitter, heb ik inmiddels de teksten voor mij.
We gaan naar de eerste motie. Nou ja, zal ik het makkelijk maken,
voorzitter?
De voorzitter:
Dat is heel fijn, hoor.
Staatssecretaris Van der Burg:
Twee keer oordeel Kamer, voorzitter.
De voorzitter:
Dat is mooi. Dat staat genoteerd. De moties op de stukken nrs. 12 en 13
krijgen allebei oordeel Kamer. Volgens mij stond er nog één vraag open
van mevrouw Den Hollander, of heb ik die gemist?
Staatssecretaris Van der Burg:
Daarover heb ik gezegd dat ik die schriftelijk beantwoord vóór de
stemmingen.
De voorzitter:
Ja, dat had ik even gemist. Ik zie ook nog een interruptie van de heer
Tijs van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb nog één vraag, die waarschijnlijk buiten de orde is. Waarom is
het "eilandsraadsleden" en "eilandgedeputeerden"? Weet u dat?
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik heb geen flauw idee.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zou een amendement indienen.
De voorzitter:
Dat is een interessante vraag, meneer Van den Brink.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik hoop niet dat dit de mening van het CDA zodanig verandert dat er een
tegenstem volgt.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik sluit het niet uit.
De voorzitter:
Misschien moeten we dat een keer uitzoeken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een ordevoorstel. Normaal wordt er eerst over de amendementen
gestemd en dan over de wet, maar ik denk dat dit amendement heel weinig
verandert aan de essentie van de wet en er zit ook spoed op. Ik zou dus
eigenlijk willen verzoeken om volgende week dinsdag gewoon over het
amendement en dan gelijk over de wet te stemmen.
De voorzitter:
De stemmingen zijn op 9 juni. Ik weet niet of dat kan. Dat moet ik even
door de griffier laten uitzoeken. Of kan dat als de commissie het wil?
Ik weet niet wat de spelregels zijn. Dat zoeken we dus even uit. Het
staat genoteerd.
Staatssecretaris Van der Burg:
Mochten daar mensen over gaan die meeluisteren: het zou het kabinet in
ieder geval erg helpen, omdat daarmee de snelheid richting de Eerste
Kamer met een week vergroot kan worden.
De voorzitter:
De commissiegriffier gaat het overleggen met de plenaire griffier. U
hoort dat dus nog.
Dan zijn we echt aan het einde gekomen van de tweede termijn van dit
wetgevingsoverleg. Op 9 juni wordt er gestemd over het wetsvoorstel en
de moties.
Ik lees nog even de toezeggingen van de bewindspersoon op. Er ontbreken
nog twee toezeggingen, die van mevrouw Tseggai en die van mevrouw Den
Hollander. Ik begin met het oplezen van de eerste drie toezeggingen.
Wellicht heeft de staatssecretaris de laatste twee ook nog scherp in
beeld.
De staatssecretaris zegt toe om voor het debat in de Eerste Kamer de Kamer nader te informeren over de financiële randvoorwaarden en randafspraken van het wetsvoorstel.
De staatssecretaris zegt toe de Kamer te informeren over wanneer het ARPA verwacht het advies aan te bieden en de Kamer over dat advies te informeren.
De staatssecretaris zegt toe het gesprek met de eilanden aan te gaan over de modernisering van de Rijksvertegenwoordiger en de Kamer hierover na de zomer te informeren.
Dan was er nog een toezegging over de gelden, €300.000. Daar hebben
we de exacte toezegging nog even voor nodig van de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Eventjes voor het beeld: zo heb ik het ook gezegd. Ik ga het dus met de
eilandsraden op dezelfde manier doen als ik het heb gedaan voor deze
wet. Ik ga dat op dezelfde manier vormgeven. Ik zie de heer Ceder
nadrukkelijk knikken.
De voorzitter:
Die staat dan nu genoteerd.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij worden er nu twee toezeggingen opgelezen over hetzelfde. Het
gaat erom dat we voor de stemming in de Eerste Kamer weten of het goed
gaat komen met dat geld.
De voorzitter:
Precies. Dan zit die er wel in.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
U kunt ook één toezegging noteren, wilde ik maar zeggen.
De voorzitter:
Dan zit die er volgens mij wel in, namelijk "nader te informeren over de
financiële randafspraken bij het wetsvoorstel". Dan staat die
genoteerd.
Ik wil de staatssecretaris, de Kamerleden en de belangstellenden die dit
debat online hebben gevolgd van harte bedanken. Het was een interessant
debat. Ik wens u een fijne dag toe. Hierbij sluit ik de vergadering.
Dank u wel.
Sluiting 16.19 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|