Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 (Kamerstuk 32317-1003)
JBZ-Raad
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D26540, datum: 2026-06-02, bijgewerkt: 2026-06-03 15:05, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (JA21)
- Mede ondertekenaar: M.C. Burger, adjunct-griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 (Kamerstuk 32317-1003)
Onderdeel van kamerstukdossier 32317 -1004 JBZ-Raad.
Onderdeel van zaak 2026Z11632:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-03 13:05 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
32 317 JBZ-Raad
Nr. 1004 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juni 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister en de staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid
Geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 (Kamerstuk 32 317,
nr. 1003);
Verslag van de JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 998);
Antwoorden op vragen commissie over de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 995); Reactie verslag Europese Commissie evaluatie Europol (Kamerstuk 22 112, nr. 4295); Fiche: Richtlijn bestrijding van de illegale handel in vuurwapens (Kamerstuk 22 112, nr. 4309); Fiche: Mededeling Terrorismebestrijdingsagenda EU (Kamerstuk 22 112, nr. 4308).
De vragen en opmerkingen zijn op 29 mei 2026 aan de minister en staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van 2 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie,
Burger
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de
bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geannoteerde agenda en de aanvullende stukken met betrekking tot de Raad
Justitie en Binnenlandse Zaken van 4 en 5 juni 2026. Deze leden
onderstrepen het belang van effectieve Europese samenwerking op het
terrein van justitie en veiligheid, maar hechten tegelijkertijd grote
waarde aan de bescherming van grondrechten, waaronder privacy, en aan
robuuste democratische waarborgen in de Europese samenwerking. Tegen
deze achtergrond hebben de aan het woord zijnde leden nog de volgende
vragen.
De leden van de D66-fractie constateren dat verschillende dossiers op de agenda, waaronder de implementatie van interoperabele IT-systemen, de terrorismebestrijdingsagenda en de versterking van Europol, gepaard gaan met een verdere intensivering van gegevensverwerking en -uitwisseling. Kan de minister uiteenzetten hoe bij de verdere uitrol van grootschalige databanken zoals het Europese inreis-uitreissysteem EES, IT-database Eurodac en ETIAS (European Travel Information and Authorisation System) wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verzameld, en hoe ‘function creep’ wordt voorkomen?
Bij de totstandkoming van de wet- en regelgeving die ziet op
de totstandkoming van deze Europese IT-systemen, is getoetst aan de
Europese kaders voor gegevensbescherming, waaronder de Algemene
Verordening Gegevensbescherming (AVG) en, waar van toepassing, de
Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (RGB) en zijn er
data protection impact assessments (DPIA’s) uitgevoerd. De
verwerking van persoonsgegevens is rechtstreeks gebaseerd op de Europese
verordeningen voor elk betreffend systeem, waarin doelbinding,
toegangsrechten, bewaartermijnen en verantwoordelijkheden zijn
vastgelegd. Dit zorgt er voor dat de informatie niet voor andere
doeleinden gebruikt kan worden. Daarnaast waarborgen deze verordeningen
onafhankelijk toezicht door nationale toezichthouders (Autoriteit
Persoonsgegevens).
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat in de context van de terrorismebestrijdingsagenda en de samenwerking met derde landen wordt gekeken naar het delen van gegevens buiten de EU. Welke concrete voorwaarden stelt de minister aan gegevensdeling met derde landen, in het bijzonder landen met een minder robuuste rechtsstaat? Kan de minister toelichten hoe wordt geborgd dat persoonsgegevens van EU-burgers in dergelijke gevallen een gelijkwaardig beschermingsniveau behouden?
Zoals verwoord in het BNC-fiche over de Mededeling betreffende de nieuwe EU Terrorismebestrijdingsagenda1 zal het kabinet zorgvuldig afwegen of en, zo ja, onder welke voorwaarden het delen van uit Nederland afkomstige gegevens in Europese informatiesystemen met derde landen opportuun is, ook gelet op het waarborgen van fundamentele rechten en gegevensbescherming. Het kabinet hecht eraan dat uit Nederland afkomstige gegevens in Europese informatiesystemen alleen met derde landen worden gedeeld als de fundamentele rechten van de betrokkenen voldoende gewaarborgd kunnen worden. Een belangrijke voorwaarde voor het kabinet om gegevens te verstrekken aan derde landen is daarnaast een gedegen niveau van gegevensbescherming in dat land. Er zal steeds zorgvuldig worden beoordeeld of het derde land daaraan voldoet.
Het kabinet acht het voorts van belang dat eventuele gegevensdeling zorgvuldig wordt ingekaderd en het verstrekken van gegevens vanuit EU-Lidstaten voldoet aan de strenge eisen die uit de EU-regelgeving voortvloeien. Dit betekent onder andere dat de inzet is dat gegevensdeling wordt vormgegeven op basis van een gelaagd model met menselijke tussenkomst en niet door middel van automatische verstrekking. Daarnaast mogen de verstrekte gegevens niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt. Het kabinet benadrukt hierbij het veiligstellen van waarborgen, zoals noodzakelijkheid en proportionaliteit, gericht op de bescherming van de grondrechten binnen de EU.
De leden van de D66-fractie constateren over de verordening inzake Child Sexual Abuse Material (CSAM) dat er terecht door rapporteur Sippel van het Europees Parlement gewaarschuwd wordt dat in de tijdelijke stoplapwet er een gebrek aan sturing en handhaving is vanuit de Commissie, en dat de handhaving hiervan buitensporig afhankelijk is van de techbedrijven zelf. De techbedrijven hebben aangegeven zich te blijven inzetten voor het naleven van de controle op CSAM. Kan de minister de Kamer informeren over de laatste stand van zaken wat betreft de CSAM-verordening en hoe hij voorts aankijkt tegen de impasse met betrekking tot de verplichte screening op CSAM-materiaal?
De triloog over de tijdelijke derogatie op de ePrivacy-Richtlijn heeft niet tot overeenstemming geleid. Omdat er geen akkoord is bereikt over de verlenging van de tijdelijke derogatie is deze op 3 april 2026 verlopen. Momenteel wordt er nog wel onderhandeld tussen Commissie, Raad en het Europees Parlement in de triloog over de CSAM-verordening. Er is daarin nog niet gesproken over detectiebevelen. Het huidige Cypriotische voorzitterschap hoopt binnenkort op dit onderwerp met een compromisvoorstel te komen dat aan de drie partijen zal worden voorgelegd; het kabinet zal zich daar dan over buigen.
Het kabinet onderstreept de urgentie van een spoedig, permanent juridisch kader. Nederland zal zich in dat kader blijven inzetten om te komen tot een effectief en slagvaardig Europees kader voor de aanpak van online seksueel kindermisbruik.
De leden van de D66-fractie constateren dat de onderhandelingen over de verordening inzake grensoverschrijdende erkenning van ouderschap zich in een impasse lijken te bevinden, met name vanwege verschillen tussen lidstaten over draagmoederschap. Welke mogelijkheden ziet de minister om zich in te zetten om deze impasse te doorbreken?
De onderhandelingen verlopen traag. Dat komt deels door principiële verschillen tussen lidstaten, onder meer wat betreft de opvattingen over draagmoederschap, maar ook doordat het om een omvangrijk en juridisch-technisch complex voorstel gaat, dat zowel de rechterlijke bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en aanvaarding van buitenlandse beslissingen en akten als de Europese akte van afstamming regelt. Dat neemt niet weg dat er actief wordt gezocht naar oplossingen. Zo zijn twee jaar geleden in de JBZ‑Raad verschillende oplossingen voor draagmoederschap besproken waarmee in elk geval voor een deel van de lidstaten aan de bestaande zorgen tegemoet lijkt te zijn gekomen. Voor Nederland geldt dat er weinig ruimte is voor concessies zonder afbreuk te doen aan het doel van de verordening: non-discriminatoire grensoverschrijdende erkenning van ouderschap voor alle kinderen. Het kabinet blijft zich constructief opstellen bij de technisch-juridische uitwerking.
Voornoemde leden lezen dat ‘nauwere samenwerking’ (enhanced cooperation) als mogelijke route wordt verkend indien unanimiteit uitblijft. Bereidt de minister zich actief voor op een scenario waarin een groep lidstaten via nauwere samenwerking verdergaat met deze verordening?
Het kabinet geeft de voorkeur aan een instrument voor alle 27 lidstaten. Pas indien unanimiteit niet haalbaar blijkt, dan is de logische vervolgstap de procedure van de nauwere samenwerking te verkennen. De keuze voor nauwere samenwerking zal een nieuwe weging vragen van voor- en nadelen van een instrument als de Ouderschapsverordening. Daarbij zal tevens mee moeten wegen welke concrete problemen die samenwerking oplost en welke aanpassingen een dergelijke samenwerking zal vergen van de nationale regeling voor de erkenning van afstamming uit het buitenland.
Is de minister voornemens om zich in een dergelijk scenario aan te sluiten bij een kopgroep van lidstaten die grensoverschrijdende erkenning van ouderschap mogelijk wil maken?
Het kabinet heeft nog geen definitief standpunt ingenomen over deelname aan een instrument op basis van nauwere samenwerking. Dit hangt af van de uiteindelijke tekst en de vraag of de kern van het voorstel – non-discriminatoire grensoverschrijdende erkenning van ouderschap voor alle kinderen – onverkort behouden blijft. Ook weegt mee in welke mate andere lidstaten aansluiten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 4 en 5 juni 2026 en de geagendeerde BNC-fiches2. Zij stellen nog enkele vragen.
Ten aanzien van de verordening inzake de grensoverschrijdende totstandbrenging en erkenning van ouderschap achten de leden van de VVD-fractie het wenselijk dat er Europese afspraken worden gemaakt over het erkennen van ouderschap. Deze leden steunen de inzet van het kabinet voor een ruimhartige, laagdrempelige erkenningsregeling. Gelet op de moeizame onderhandelingen hierover, vragen voornoemde leden of en, zo ja, welke concessies de minister bereid is te doen om unanimiteit te bereiken.
De ruimte voor inhoudelijke concessies is beperkt. Het kabinet steunt het doel en het uitgangspunt van het Commissievoorstel dat ouderschap dat in een lidstaat rechtsgeldig is vastgesteld, in alle andere lidstaten wordt erkend. Dit geldt voor alle kinderen, ongeacht de gezinssamenstelling (dus ook voor regenbooggezinnen) en ongeacht de wijze waarop het kind is verwekt of geboren. Op deze kernonderdelen ziet het kabinet geen ruimte voor concessies, omdat dit het doel van het voorstel zou ondergraven. Het kabinet stelt zich tijdens de onderhandelingen wel zoveel mogelijk constructief op bij de technisch-juridische uitwerking, op voorwaarde dat de regeling werkbaar en juridisch solide is.
En onder welke voorwaarden en op welk moment acht de minister het opportuun om een mogelijk alternatief te bespreken als het echt niet mogelijk is unanimiteit te bereiken?
Een mogelijk alternatief komt pas in beeld wanneer de onderhandelingen over de volledige tekst nagenoeg zijn afgerond en alle hoofdstukken, waaronder die over de Europese akte van afstamming, inhoudelijk zijn behandeld. Dan pas zal duidelijk zijn waar precies de blokkades zitten. Kortom, eerst zal vast moeten staan dat unanimiteit onhaalbaar blijkt. Met een volledig zicht op de eindtekst en resterende geschilpunten wordt het ook pas zinvol om opties te wegen en de alternatieve route van nauwere samenwerking te verkennen. Een concreet tijdpad is daarvoor nu nog niet te geven.
Welke lidstaten blokkeren op dit moment overeenstemming en op welke punten precies?
Tussen lidstaten bestaan verschillen van inzicht, met name over ouderschap na draagmoederschap en de erkenning van regenbooggezinnen. Zo kennen verschillende lidstaten een verbod op draagmoederschap in eigen land. In deze landen bestaat de vrees dat een verordening die draagmoederschap niet expliciet uitsluit, internationaal draagmoederschap zou faciliteren via erkenning. Andere lidstaten staan draagmoederschap (onder voorwaarden) toe of werken aan wetgevingsinitiatieven op dit terrein, zoals Nederland. Tegen deze achtergrond is het ingewikkeld om unanimiteit te bereiken. Het kabinet blijft inzetten op oplossingen die het belang van het kind en de rechtszekerheid centraal stellen. Twee jaar geleden zijn binnen de JBZ‑Raad al verschillende oplossingen voor draagmoederschap besproken waarmee in elk geval voor een deel van de lidstaten aan zorgen tegemoet lijkt te zijn gekomen. Het kabinet staat ervoor open om nog andere oplossingen te onderzoeken, mits die de kern van het voorstel – de grensoverschrijdende erkenning van ouderschap voor alle kinderen – niet uithollen.
De leden van de VVD-fractie steunen zeer het doel van de Terrorismebestrijdingsagenda om de strategische richting te bepalen voor een hernieuwde en omvattende aanpak van terroristische en gewelddadige extremistische dreigingen. Deze leden vragen bij welke gelegenheid of brief en wanneer de Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van de gesprekken over de Europese agenda.
De EU-agenda voor het voorkomen en bestrijden van terrorisme is op 26 februari 2026 door de Europese Commissie gepubliceerd. De nadere vormgeving en de uitvoering van de voorstellen die in de agenda zijn aangekondigd worden nauwlettend gevolgd. Ingeval van nieuwe voorstellen wordt uw Kamer zoals gebruikelijk per BNC-fiche geïnformeerd. Het kabinet kijkt in deze context uit naar de resultaten van de Europese evaluatie van de Terroristische Online Inhoud (TOI)-verordening, die dit jaar wordt verwacht. De opbrengst van deze evaluatie zal naast de uitkomsten van de nationale evaluatie van de Uitvoeringswet TOI worden gelegd om integraal te bezien waar verdere verbeteringen mogelijk of noodzakelijk zijn. Deze nationale evaluatie wordt uitgevoerd via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) en naar verwachting dit najaar afgerond. Uw Kamer zal hierover voor het eind van het jaar nader worden geïnformeerd.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er onder andere wordt gesproken over concrete voorstellen voor een werkbare definitie van gewelddadige extremistische content. Kan de minister nader verduidelijken wat de inzet van het kabinet is ten aanzien van het vaststellen van deze definitie?
Het kabinet zet zich actief in om te komen tot een werkbare definitie van extremistische content, ter uitvoering van de motie van het lid Michon-Derkzen.3 De afgelopen periode hebben hierover gesprekken plaatsgevonden met relevante ketenpartners, waaronder de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en de Nationale Politie. De gespreksfocus lag op de ‘werkbaarheid’ van een definitie en de reikwijdte van het begrip ‘content’.
Ketenpartners hebben laten weten dat er is behoefte is aan verduidelijking ten aanzien van online ‘extremistische content’, maar dat er ook aanzienlijke uitdagingen zijn om tot een eenduidige, werkbare definitie te kunnen komen, zowel op EU- als nationaal niveau. Dit komt onder andere door de verschillende taken en bevoegdheden die de betrokken organisaties hebben en de verschillende doelen die een mogelijke definitie dient. Tot op heden is het uitgangspunt dat het de voorkeur geniet om aansluiting te zoeken bij de definitie van extremisme uit de Nationale Extremisme Strategie. Aanvullend wordt onder meer onderzocht hoe deze definitie verder kan worden toegespitst op online content. Hiertoe vinden nog aanvullende gesprekken plaats.
Op Europees niveau spant het kabinet zich in om een werkbare definitie van extremistische content als onderwerp op de agenda te plaatsen. Eind 2026 wordt uw Kamer nader geïnformeerd over deze inspanningen op nationaal en Europees niveau.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie inzet op het versterken van wetgeving omtrent vuurwapenhandel en -misdrijven, precursoren voor explosieven en pyrotechnische artikelen, met als doel de toegang tot middelen te beperken waarmee aanslagen worden gepleegd. Welke initiatieven worden er op dit punt verwacht en op welke wijze dringt Nederland aan op versnelling van deze wijzigingen? Wanneer wordt de Kamer hierover nader geïnformeerd en in hoeverre zijn deze initiatieven ook prioriteit van het huidige en komende voorzitterschap?
Momenteel is het richtlijnvoorstel betreffende de bestrijding van de illegale handel
in vuurwapens en andere misdrijven in verband met vuurwapens zowel bij het Europees Parlement als bij de Raad in behandeling. Over het te verwachten behandelingsproces is uw Kamer op 10 april jl. geïnformeerd.4 Het voorstel is met prioriteit en met grote voortvarendheid door het Cypriotische voorzitterschap opgepakt. Een Raadspositie op het voorstel zal niet meer onder het Cypriotische voorzitterschap kunnen worden bereikt. Het is echter de verwachting dat het inkomend Ierse voorzitterschap hier het komende semester op zal inzetten. Het kabinet zal uw Kamer op de hoogte houden van het wetgevingsproces, zoals gebruikelijk, in de geannoteerde agenda’s van de JBZ-Raad en het kwartaaloverzicht met lopende wetgevingsvoorstellen.
Daarnaast vindt op dit moment de Europese evaluatie van de EU-verordening over precursoren voor explosieven plaats.5 Het formele Commissievoorstel voor een herziening met mogelijke aanscherpingen wordt in het derde kwartaal van dit jaar verwacht.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 4 en 5 juni 2026. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan de minister hierover.
De leden van de CDA-fractie vragen of de minister een update kan geven inzake de onderhandelingen over de CSAM-verordening. Welk standpunt zal de minister innemen rondom de zogenoemde detection orders?
In de triloog over de CSAM-verordening is nog niet gesproken over detectiebevelen. Het huidige Cypriotische voorzitterschap hoopt binnenkort op dit onderwerp met een compromisvoorstel te komen dat aan de drie partijen zal worden voorgelegd. Het kabinet zal zich daar dan over buigen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Verordening inzake de grensoverschrijdende totstandbrenging en erkenning van ouderschap al verscheen in 2022, maar dat nog geen grote doorbraken zijn geweest. Kan de minister toelichten wat de reden hiervan is?
Dat de onderhandelingen al zo lang onderweg zijn en grote doorbraken zijn uitgebleven, komt zowel door principiële verschillen tussen lidstaten, met name rond draagmoederschap en de erkenning van regenbooggezinnen, als door de breedte en complexiteit van het voorstel, dat ziet op rechterlijke bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning en aanvaarding van buitenlandse beslissingen en akten, én de Europese akte van afstamming.
Welke lidstaten zijn kritisch op deze Verordening en zullen naar verwachting aansturen op verdere onderhandelingen?
Lidstaten die draagmoederschap in eigen land verbieden, hebben de vrees dat een verordening die draagmoederschap niet expliciet uitsluit, hen zal verplichten ook ouderschap na draagmoederschap te erkennen. Zij zijn om deze reden kritisch op het voorstel. Ook lidstaten die bezwaren hebben tegen erkenning van ouderschap van paren van gelijk geslacht en andere regenbooggezinnen, zijn kritisch op het voorstel. De verwachting is dat de meerderheid van de lidstaten, ongeacht of zij kritisch zijn op het voorstel, zal aansturen op verdere onderhandelingen, omdat nog niet alle onderdelen van het voorstel inhoudelijk zijn besproken.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het Cypriotische voorzitterschap de lidstaten gaat vragen welke elementen van het voorstel voor hen essentieel zijn en wat de weg voorwaarts zou moeten zijn in dit dossier. Gaat Nederland expliciete voorstellen doen op dit punt?
Voor het kabinet is het essentieel dat alle kinderen onder het bereik van de verordening vallen, ongeacht de samenstelling van het gezin waarvan zij deel uitmaken en ongeacht de wijze waarop zij zijn verwekt of geboren. Na 3,5 jaar onderhandelen is het wenselijk dat de onderhandelingen vlot worden afgerond; Nederland zal daaraan bijdragen met een constructieve opstelling. Op het voor Nederland essentiële punt blijft de lijn ongewijzigd: non-discriminatoire grensoverschrijdende erkenning van ouderschap in alle lidstaten is niet onderhandelbaar. Wanneer unanimiteit onhaalbaar blijkt, acht het kabinet het passend om de mogelijkheid van nauwere samenwerking tussen een deel van de lidstaten te verkennen.
En kan de minister nader ingaan op wat hij bedoelt met een “ruimhartige, laagdrempelige regeling” en delen andere lidstaten dit standpunt?
Nederland hanteert op dit moment een ruimhartige regeling voor de erkenning van ouderschap dat is ontstaan in andere landen (artikel 10:100 BW en artikel 10:101 BW), met zeer beperkte weigeringsgronden. Het kabinet ziet meerwaarde in een EU-verordening die dit uitgangspunt EU-wijd hanteert: brede erkenning van ouderschap met slechts nauw omschreven weigeringsgronden, waarbij lidstaten zeer beperkte ruimte hebben om de erkenning van ouderschap te weigeren. Dat principe wordt door veel lidstaten gedeeld, al hebben sommige lidstaten – met name waar het gaat om ouderschap na draagmoederschap – meer moeite met een dergelijke ruimhartige erkenningsregeling.
De leden van de CDA-fractie lezen dat vanwege politieke gevoeligheden in dit dossier het bereiken van unanimiteit lastig zal zijn en dat het voor de hand ligt te verkennen of nauwere samenwerking tussen een deel van de lidstaten de weg voorwaarts is. Kan de minister aangeven welke zorgen er bestaan die maken dat andere lidstaten kritisch zijn op het voorstel?
Zoals eerder aangegeven, hebben lidstaten die draagmoederschap in eigen land verbieden, de vrees dat een verordening die draagmoederschap niet expliciet uitsluit, hen zal verplichten ook ouderschap na draagmoederschap te erkennen. Zij zijn om deze reden kritisch op het voorstel. Ook lidstaten die bezwaren hebben tegen erkenning van ouderschap van paren van gelijk geslacht en andere regenbooggezinnen, zijn kritisch op het voorstel. De verwachting is dat de meerderheid van de lidstaten, ongeacht of zij kritisch zijn op het voorstel, zal aansturen op verdere onderhandelingen, omdat nog niet alle onderdelen van het voorstel inhoudelijk zijn besproken.
Is de minister van mening dat hier inderdaad voldoende animo voor is bij andere lidstaten, nu er minstens negen lidstaten voor nodig zijn en wat zal hierin het Nederlandse standpunt zijn?
Het kabinet heeft nog geen definitief standpunt ingenomen over deelname aan een instrument op basis van nauwere samenwerking. Dit hangt af van de uiteindelijke tekst en de vraag of de kern van het voorstel – non-discriminatoire grensoverschrijdende erkenning van ouderschap voor alle kinderen – onverkort behouden blijft. Daarbij zal tevens meewegen welke concrete problemen een nauwere samenwerking oplost en welke aanpassingen een dergelijke samenwerking vergt van de huidige ruimhartige nationale regeling. Ook andere lidstaten hebben op dit punt nog geen duidelijkheid gegeven. Het is daarmee op dit moment niet duidelijk of er voldoende animo bestaat voor een nauwere samenwerking.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de minister of hij tijdens de lunchbespreking ook in gesprek gaat met andere lidstaten met als doel om van elkaar te leren in de aanpak van hate crimes en hate speech. Zo ja, kan de minister deze bevindingen delen?
Het doel van de lunchbespreking is om lidstaten met elkaar in gesprek te brengen en om van elkaar te leren. In het verslag van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026 aan uw Kamer zal een korte terugkoppeling van de lunchbespreking worden opgenomen.
Verwacht de minister dat het voorstel van het Franse EU-voorzitterschap om hate crime en hate speech in de lijst van artikel 83 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op te nemen, binnenkort verder wordt uitgewerkt?
In de op 20 januari 2026 gepresenteerde EU Anti-Racism Strategy 2026-2030 geeft de Commissie aan dat zij overweegt om definities van online haatdelicten te harmoniseren. Uit de agendering van het onderwerp tijdens deze JBZ-Raad blijkt bovendien dat er (hernieuwde) aandacht is voor het onderwerp. Of dit op korte termijn zal leiden tot een concreet voorstel van de Commissie is nog niet duidelijk.
De leden van de CDA-fractie vragen of de minister tijdens het lunchgesprek ook aandacht zal vragen voor de noodzaak om uitingen van hate crimes, hate speech en andere extremistische uitingen offline te halen en te verkennen welke aanvullende instrumenten daarvoor nodig zijn. Tevens vragen deze leden of de minister daarbij ook aandacht wil vragen voor de verantwoordelijkheid van platforms in het modereren van deze content.
Het kabinet deelt de noodzaak om (online) haatdelicten en haatspraak te bestrijden, waarbij een breed palet aan instrumenten moet worden ingezet. Nederland zal tijdens het lunchdebat aangeven dat het indien nodig aanvullende instrumenten verwelkomt om de bestrijding van haatdelicten die online worden gepleegd te verbeteren.
Op grond van de Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) dragen platformen al een verantwoordelijkheid om online haat tegen te gaan. In het geval van illegale hate crimes of hate speech moeten online platforms dergelijke informatie verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij er kennis van hebben, zoals naar aanleiding van een melding. Doen de platforms dat niet, dan kunnen zij aansprakelijk worden gesteld. De DSA schrijft bovendien voor dat online platforms zulke meldingen mogelijk moeten maken. Daarnaast is op 25 januari 2025 de Code of Conduct on Countering Illegal Hate Speech Online geïntegreerd in het raamwerk van de DSA. Daarmee is naleving van die gedragscode een mogelijke maatregel die zeer grote online platforms en zoekmachines kunnen nemen om eventuele systeemrisico’s van hun diensten te mitigeren.6
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
stukken van de minister. Zij hebben daarover een enkele vraag.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet positief staat
tegenover het richtlijnvoorstel inzake het tegengaan van illegale
wapenhandel. Het richtlijnvoorstel stelt voor een aantal vergrijpen
minimale maximumstraffen voor die de lidstaten dienen te hanteren (voor
onder meer het bezit, verhandelen en vervaardigen van illegale
vuurwapens). Hoe verhouden deze eisen zich tot de huidige nationale
wetgeving ter zake?
Zoals in het BNC-fiche7 is aangegeven, geldt voor verreweg de meeste van de voorgestelde bepalingen in het voorstel dat deze al op voldoende wijze een plaats hebben in het Nederlands recht. Specifiek met betrekking tot de minimale maximumstraffen kan gepreciseerd worden dat met de inwerkingtreding van de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II per 1 januari dit jaar, waarmee ook artikel 55, derde lid van de Wet wapens en munitie is gewijzigd, bij een ongewijzigde tekst van het richtlijnvoorstel geen verdere wetsaanpassing nodig is.
BNC-Fiche Mededeling Terrorismebestrijdingsagenda EU, Kamerstukken II, 22112, nr. 4308.↩︎
Fiche Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.↩︎
Motie van 2 oktober 2025, Kamerstukken II, 2025-26, 29754, nr. 758↩︎
BNC-fiche Richtlijn bestrijding van de illegale handel in vuurwapens, Kamerstukken II, 22112, nr. 4309.↩︎
Verordening (EU) 2019/1148.↩︎
https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/code-conduct-countering-illegal-hate-speech-online↩︎
BNC-fiche Richtlijn bestrijding van de illegale handel in vuurwapens, Kamerstukken II, 22112, nr. 4309.↩︎