Stand van zaken moties en toezeggingen erfgoed
Nieuwe visie cultuurbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D26579, datum: 2026-06-02, bijgewerkt: 2026-06-03 13:29, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Adviesvraag in het kader van het Programma Erfgoed en Overheid
- Eindrapport Evaluatie monumentenwet BES
- Beslisnota bij Kamerbrief Stand van zaken moties en toezeggingen erfgoed
Onderdeel van kamerstukdossier 32820 -575 Nieuwe visie cultuurbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z11650:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-11 10:00 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-03 13:05: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-11 10:00: Erfgoed (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-18 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
32 456 Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2010)
Nr. 575 Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juni 2026
Hierbij informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van een aantal moties en toezeggingen met betrekking tot erfgoed. Tevens informeer ik uw Kamer over enkele actualiteiten binnen het erfgoedbeleid. Dit alles met het oog op het aankomende commissiedebat Erfgoed van 11 juni.
1. Stand van zaken moties
Motie over het evalueren van de Monumentenwet BES
Uw Kamer heeft de regering in november 2023, via de motie Wuite, opgeroepen om de werking van de Monumentenwet BES te evalueren.1 Als bijlage bij deze brief treft u het door onderzoeksbureau Ecorys opgestelde evaluatierapport. Dit is in nauwe samenspraak met betrokkenen op de eilanden tot stand gekomen.
Een belangrijke conclusie van het rapport is dat “hoewel de wet op papier een stevige juridische basis biedt en voldoende ruimte laat voor lokale invulling via de monumenten-eilandsverordeningen, de uitvoering in de praktijk op alle drie de eilanden blijkt te haperen”. Dit is een zorgelijke bevinding.
Op 18 mei 2026 is het rapport gepresenteerd aan de Openbare Lichamen van Bonaire, St. Eustatius en Saba. Daarbij is afgesproken dat mijn ministerie samen met de eilanden gaat werken aan concrete verbetervoorstellen. Daarbij zal ook gekeken worden welke ondersteuning er mogelijk is vanuit het programma Erfgoed en Overheid. Op basis hiervan kom ik eind 2026 met een uitgebreidere beleidsreactie op het rapport.
Motie over het uitwerken van een scenario waarbij één van de scheepswrakken bij de rede van Texel wordt opgegraven.
Naar aanleiding van het commissiedebat Cultuur op 12 juni 2025 is een motie van de leden Beckerman, Mohandis en Krul aangenomen die de regering oproept om – in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), overheden en anderen – een scenario uit te werken waarbij één van de scheepswrakken bij de rede van Texel wordt opgegraven. Het moet daarbij gaan om een opgraving met een langere doorlooptijd, om zo te komen tot kenniswinst, spin-off richting publiek en verbetering van de maritieme archeologie. De motie vraagt om hierover medio 2026 aan uw Kamer te rapporteren.2
In de afgelopen periode heeft de RCE op mijn verzoek dit scenario verkend. Vanuit de bestaande expertise en ervaringen komen zij tot onderstaande bevindingen. Op basis daarvan constateer ik dat het gevraagde scenario om dermate forse randvoorwaarden vraagt wat betreft organisatie en financiering, dat uitvoering op korte termijn niet mogelijk is. In de eerste plaats omdat hiertoe de middelen ontbreken, in de tweede plaats omdat de bestaande faciliteiten en capaciteit voor onderzoek, conservering, beheer en presentatie niet toereikend zijn en het tijd kost om deze op te bouwen.
Een langjarig en grootschalig onderzoek zoals in de motie beschreven,3 vraagt om stabiele, meerjarige financiering. Het voorbereiden van het onderzoek (waaronder het opbouwen van de nodige capaciteit en faciliteiten), het uitvoeren daarvan, het verwerken van de gegevens, conserveren van de vondsten en het vormgeven van de gewenste publieksactiviteiten, beslaat naar verwachting ten minste tien jaar. In een eerdere studie, schatte de RCE dat daarvoor een bedrag tussen de €15 en €20 miljoen nodig is.4
Vanwege de grote schaal vereist zowel het onderzoek zelf, als de voorbereiding, uitwerking en presentatie daarvan, een aanpak waarbij diverse partijen samenwerken. De bestaande netwerken van (inter)nationale kennis-, onderzoeks- en opleidingsinstellingen, gespecialiseerde marktpartijen, vrijwilligers, musea en overheden moeten daarvoor worden uitgebouwd en versterkt. Dit vraagt om meerjarige coördinatie, vanuit een projectorganisatie die wordt ingericht voor de volledige looptijd van het project. Deze projectorganisatie scherpt de projectdoelen aan, selecteert het scheepswrak dat daar het beste bij aansluit, komt voor dit specifieke wrak tot een strategie voor de voorbereiding en uitvoering van het onderzoek en ziet toe op de voortgang.
Vanwege het bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak, is het belangrijk dat in deze projectorganisatie diverse belanghebbende partijen en netwerken zijn vertegenwoordigd. Met het oog op de daar aanwezige expertise, ligt het voor de hand om deze organisatie onder te brengen bij de RCE. Door tevens nauw samen te werken met een onderwijsinstelling, komt de nieuwe generatie maritieme archeologen intensief in aanraking met alle facetten van de voorbereiding en uitvoering van een grootschalig onderzoek. Het inpassen van deze werkzaamheden binnen de bestaande taken, capaciteit en middelen van de RCE zal echter zonder meer ten koste gaan van het beheer en de instandhouding van veel ander belangrijk erfgoed onder water. De projectorganisatie moet daarom financieel en organisatorisch losstaan van de reguliere werkzaamheden. Zo kan continuïteit worden geborgd, ook over meerdere kabinetsperiodes heen.
Zoals gezegd, ontbreekt het op dit moment aan afdoende financiering, capaciteit en faciliteiten voor het op korte termijn laten uitvoeren van een grote opgraving conform een scenario zoals bedoeld in de motie. Ik zie dus nu geen mogelijkheid om deze in gang te zetten. Via onder meer het Impulsprogramma Maritieme Archeologie, dat dit jaar is gestart bij de RCE, blijf ik echter werken aan verbetering van de maritieme erfgoedzorg in Nederland. De kennis en ervaring die binnen dit programma wordt opgedaan kan ook worden benut bij een grootschalige opgraving onder water, mocht hiertoe in de toekomst worden besloten.
Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.
2. Stand van zaken toezeggingen
Toezegging over de aankoop van een middeleeuwse gouden ring
Mijn ambtsvoorganger Bruins heeft toegezegd uw Kamer te informeren over het vervolg van de aankoop van de middeleeuwse gouden ring. Deze ring is een beschermd cultuurgoed in de zin van artikel 3.7 van de Erfgoedwet. Mijn ambtsvoorganger Bruins heeft eerder bedenkingen geuit tegen de mogelijke uitvoer buiten Nederland van deze ring.5 Ik kan u melden dat de ring wordt aangekocht voor de Rijkscollectie voor een bedrag van €83.150. Deze middelen komen uit het Museaal Aankoopfonds. De ring zal in bruikleen worden gegeven aan een nog nader te bepalen museum in Nederland. Met deze aankoop is dit bijzondere culturele erfgoed behouden voor de Collectie Nederland en voor toekomstige generaties.
Toezegging over het uitwerken van een nationaal
uitvoervergunningensysteem voor cultuurgoederen en verzamelingen in
particulier bezit
Naar aanleiding van het advies van de Commissie Collectie
Nederland heeft mijn ambtsvoorganger staatssecretaris Uslu toegezegd de
invoering van een nationaal uitvoervergunningensysteem voor
cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit nader uit te
werken.6 Mijn ambtsvoorganger minister Bruins
gaf vervolgens aan dat hij werkte aan een oplossing die bescherming
regelt, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid.7
De afgelopen periode is een nationaal uitvoervergunningensysteem ambtelijk nader onderzocht. Daarbij is bezien in hoeverre invoering van een dergelijk systeem een effectieve, proportionele en uitvoerbare bijdrage kan leveren aan de bescherming van cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit. Op basis van deze afweging is geconcludeerd dat dit niet het geval is. Onderdeel van deze afweging is dat invoering van een nationaal uitvoervergunningensysteem zou leiden tot (hoge) administratieve lasten en aanzienlijk benodigde middelen en ambtelijke capaciteit.
Nederland beschikt over een beschermingsstelsel op grond van de Erfgoedwet. Naar aanleiding van het Commissie-advies is dit stelsel in de afgelopen jaren verder versterkt, onder andere via een actiever beleid met betrekking tot het aanwijzen van objecten als beschermde cultuurgoederen en verbeterde ondersteuning van particuliere eigenaren. Deze inzet biedt voldoende waarborgen voor het behoud van beschermwaardige cultuurgoederen in Nederland.
Op basis van deze overwegingen zie ik af van de invoering van een nationaal uitvoervergunningensysteem. Hiermee wordt de toezegging als afgedaan beschouwd.
3. Actualiteiten
Kabinetsreactie op advies ‘Kan dit weg? Ja’
Uw Kamer heeft mij gevraagd om een kabinetsreactie op het advies ‘Kan dit weg? Ja’ van het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI).8 Op dit moment werk ik de aanbevelingen uit in een beleidsreactie, in afstemming met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Ik integreer in deze reactie ook het advies van de algemene rijksarchivaris van het Nationaal Archief over het belang en beheer van concepten. U kunt mijn reactie verwachten in het najaar van 2026.
Landsdekkende Heritage Impact Assessment
In opdracht van landelijk netbeheerder TenneT is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke impact van hoogspanningsprojecten op werelderfgoed. Het doel hiervan is het zorgdragen voor een zorgvuldige inpassing van deze projecten in de omgeving van werelderfgoed, om zo mogelijke vertraging in de realisatie van deze projecten te voorkomen. De bevindingen van deze ‘landsdekkende’ Heritage Impact Assessment9 en mijn advies hierover zullen worden meegenomen in de ontwerp-voorkeursbesluiten die in 2026 en 2027 worden genomen door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Subsidie grote restauraties
Op 19 februari 2026 is de subsidieregeling voor grote restauraties gepubliceerd. Over de inhoud en uitgangspunten van deze subsidieregeling is uw Kamer eerder geïnformeerd.10 Voor de regeling is in totaal €45 miljoen beschikbaar, verdeeld over twee aanvraagrondes in het najaar van 2026 en 2027. Zoals toegezegd in het tweeminutendebat over de uitgangspunten voor de subsidieregeling voor grote restauraties zal ik uw Kamer na de eerste aanvraagronde informeren over het verloop van de aanvraagronde. Ik verwacht dat dit in het voorjaar van 2027 zal zijn.
Subsidie monumentale woonhuizen in Caribisch Nederland
Op 8 april 2026 is een subsidieregeling gepubliceerd voor restauratie van monumentale woonhuizen in Caribisch Nederland. Voor de uitvoering van deze regeling is een bedrag van eenmalig $1,1 miljoen (€1 miljoen) beschikbaar. Op 20 juni 2024 is uw Kamer hierover geïnformeerd.11 De regeling is bedoeld als pilot om praktijkervaring op te doen met het verstrekken van subsidies voor instandhouding in Caribisch Nederland. De lessen uit dit traject zullen, samen met de uitkomsten van de evaluatie van de Monumentenwet BES, worden gebruikt bij de versterking van het monumentenbeleid op de eilanden. In september 2026 kunnen eigenaren op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba de subsidie aanvragen.
Nominatiebeleid Werelderfgoed
Na de inschrijving van het Eise Eisingaplanetarium te Franeker in 2023 kent Nederland een terughoudend nominatiebeleid voor Werelderfgoed. Het westerse deel van de wereld is momenteel oververtegenwoordigd op de lijst; daarom kiest Nederland ervoor om in te zetten op potentiële sites in het Caribisch deel van het koninkrijk. Het natuurlijk en cultureel erfgoed in deze regio is nu nog ondervertegenwoordigd op de Werelderfgoedlijst; vooralsnog staan het Plantagesysteem van West-Curaçao en Bonaire National Marine Park op de Voorlopige Lijst.
Ondanks het voor Europees Nederland terughoudende nominatiebeleid, wil ik voor Nederlandse sites de ruimte bieden om aan te sluiten bij bestaande seriële inschrijvingen van andere lidstaten.12 Dit naar aanleiding van een recent verzoek van de gemeente Breda om aan te sluiten bij de Vlaamse inschrijving van Begijnhoven. Aangezien een voordracht of definitieve aanwijzing verantwoordelijkheden met zich meebrengt, is bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak daarbij onontbeerlijk.
Versterking Nationaal Restauratiefonds
Vorig jaar is uw Kamer geïnformeerd over de druk die is ontstaan op de laagrentende leenmogelijkheden die via het Nationaal Restauratiefonds (NRF) beschikbaar zijn voor monumenteneigenaren.13 Als onderdeel van de aanpak van de financieringsproblematiek bij grote monumenten zijn toen maatregelen getroffen waarmee het NRF tot en met de eerste helft van 2026 in een groter deel van de leenbehoefte kon voorzien. Omdat de vraag naar leningen nog steeds onverminderd groot is en om te voorkomen dat NRF vanaf de tweede helft van 2026 geen nieuwe leningen in behandeling kan nemen, heb ik besloten om een incidenteel bedrag van €30 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van de leenfaciliteiten bij het NRF. Ik stel €10 miljoen beschikbaar voor de Restauratiefondsplus-hypotheek (RFH+)14, €15 miljoen voor de Duurzame Monumentenplus-Lening (DML+)15 en €5 miljoen voor de Duurzame Monumentenlening (DML)16. De maatregel wordt gedekt uit de beschikbare middelen op de OCW begroting voor de monumentenzorg en verduurzaming.
Met deze impuls kan NRF tot medio 2027 in de leenbehoefte van eigenaren voorzien. De versterking is ook van belang voor het functioneren van het financieringsstelsel voor monumentenzorg als geheel. In het stelsel geldt namelijk ’lenen waar het kan, subsidie waar het moet’ als centraal uitgangspunt. Omdat de fondsen bij het NRF een revolverende werking hebben, kunnen ontvangen rente en aflossingen weer worden benut voor het verstrekken van nieuwe leningen.
Programma Erfgoed en Overheid
Mijn ambtsvoorganger Bruins informeerde u eerder over het programma Erfgoed en Overheid.17 Via deze stimuleringsaanpak ondersteunt mijn ministerie – samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) – gemeenten en provincies bij het versterken van de uitvoering van hun taken op het gebied van onroerend cultureel erfgoed (archeologie, gebouwd en aangelegd erfgoed, stedenbouw en landschap).
De afgelopen periode zijn er diverse belangrijke stappen gezet. Bij de RCE is een kwartiermakersteam aangesteld met vertegenwoordiging vanuit het werkveld. Dit team buigt zich over de programmadoelen voor de komende jaren en een daarbij passende organisatievorm, waarbij de duurzame versterking van het werkveld en de betrokkenheid van de drie overheidslagen centraal blijft staan. Er is (co-)financiering toegekend aan een eerste ronde van projecten waarmee gemeenten en provincies hun erfgoedzorg kunnen versterken. In totaal hebben 89 initiatieven een bijdrage ontvangen. De tweede aanvraagronde is op 1 mei 2026 gesloten en zal binnenkort leiden tot een nieuwe reeks toekenningen. Voor deze ronde is dermate veel belangstelling dat de vraag het beschikbare budget (ver) overschrijdt. Hieruit blijkt dat gemeenten en provincies het programma goed weten te vinden en dat dit voorziet in een grote behoefte. De komende jaren blijft het programma dan ook dergelijke projecten ondersteunen, waarbij de nadruk steeds meer zal komen te liggen op integrale verbeterplannen.
In dit licht is er behoefte aan een onafhankelijk perspectief op de vraag hoe gemeenten, provincies en het rijk samen de erfgoedzorg toekomstgericht kunnen vormgeven en borgen. Ik heb hierover advies gevraagd aan de Raad voor Cultuur. Aangezien het hier ook duidelijk een bestuurskundig vraagstuk betreft, heb ik de Raad verzocht hier tevens de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) bij te betrekken. Als bijlage bij deze brief treft u mijn adviesvraag aan. Ik verwacht dit advies in het eerste kwartaal van 2027, waarna ik het zal delen met uw Kamer.
Door voor gemeenten en provincies inzichtelijk te maken op welke manier zij hun erfgoedzorg kunnen versterken en ze hierbij concreet te ondersteunen, kunnen zij het belang van erfgoed in de fysieke leefomgeving – als nationaal belang opgenomen in de ontwerp-nota Ruimte18 – op een steeds volwaardigere manier betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit stelt hen tevens in staat om op een positieve manier bij te dragen aan een soepel verloop van de grote transities in onze leefomgeving en het draagvlak voor deze transities te vergroten.
Ik hoop uw Kamer hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Kamerstuk vergaderjaar 2023–2024, 31 511, nr. 63↩︎
Kamerstuk 32820, nr. 547.↩︎
Het uitvoeren van een opgraving is één methode om een archeologische vindplaats te onderzoeken. Dergelijk onderzoek bestaat in de regel echter uit diverse onderzoeksmethoden en -stadia; zeker wanneer het gaat om een project van de schaal en doorlooptijd waartoe de motie oproept. Daarom wordt in deze brief de term onderzoek gehanteerd in plaats van de term opgraving.↩︎
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2025: De BZN17 op koers! Perspectieven voor onderzoek en behoud van de BZN17 – ‘het Palmhoutwrak’, Amersfoort.↩︎
Kamerstuk 32 820, nr. 537.↩︎
Kamerstukken II 2022/23, 32 820, nr. 489.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32 820, nr. 533.↩︎
Brief van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de minister van OCW, d.d. 5 maart 2026, briefkenmerk 2026D09999.↩︎
Hoofdrapport Landsdekkende Heritage Impact Assessment (april 2026) - HSV 380 kV Vierverlaten - Ens↩︎
O.a. kamerstukken 32820, nr. 562 en 556.↩︎
Kamerstuk 32 156, nr. 128.↩︎
Een seriële nominatie is een voordracht of bestaande inschrijving bij UNESCO, waarbij meerdere afzonderlijke locaties samen één Werelderfgoed vormen, omdat ze gezamenlijk een uniek verhaal vertellen. Deze locaties kunnen in hetzelfde land liggen, of verspreid over verschillende landen (transnationale nominatie) zoals de Koloniën van Weldadigheid (met België) of de Neder-Germaanse Limes (met Duitsland).↩︎
Kamerstuk II 2024/25, 32156, nr. 140.↩︎
Fonds voor restauratie niet-woonhuisrijksmonumenten↩︎
Fonds voor verduurzaming niet-woonhuisrijksmonumenten↩︎
Fonds voor verduurzaming woonhuisrijksmonumenten↩︎
Kamerstuk II 2024/25, 32156, nr. 140.↩︎
https://open.overheid.nl/documenten/92b68715-89c4-41a7-9053-4d7c2f4e91f9/file↩︎