Conceptverslag Bestrijding conflict-gerelateerd seksueel geweld
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D26609, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 12:51, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-28 10:00: Bestrijding conflict-gerelateerd seksueel geweld (Commissiedebat), vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Bestrijding conflictgerelateerd seksueel geweld
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 28 mei 2026 overleg gevoerd met de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, over:
de brief van de staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp d.d. 9 december 2025 inzake Nederlandse inzet bestrijding van conflict-gerelateerd seksueel geweld (36180, nr. 182);
de brief van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 23 april 2026 inzake regionale aanklagersconferentie in Afrika (36180, nr. 220).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking,
Den Hollander
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking,
Van der Leeden
Voorzitter: Den Hollander
Griffier: Van der Leeden
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bamenga, Dobbe, Den Hollander, Kröger, Nanninga, Stoffer en Verkuijlen,
en de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, goedemorgen. Van harte welkom bij het commissiedebat van
de commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
waarin we spreken over de bestrijding van conflictgerelateerd seksueel
geweld. Hier is vorige week ook een rondetafelgesprek over geweest. Die
input kunnen we vandaag uiteraard meenemen. Ik wil de minister en de
ondersteuning van harte welkom heten, en de leden van de Kamer die
vandaag aanwezig zijn ook.
Ik wil voorstellen om te starten met de eerste termijn. Het voorstel
vanuit onze kant is om vier interrupties toe te staan in de eerste
termijn. Daarbij doe ik het verzoek om de interrupties kort en bondig te
houden, zodat we zo veel mogelijk met elkaar in gesprek kunnen zijn. We
gaan gewoon starten. Mevrouw Dobbe, ik wil u graag als eerste het woord
geven.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel voor deze inleiding, voorzitter. Ik denk dat we vandaag een
belangrijk debat hebben. Seksueel geweld wordt bewust ingezet als wapen,
een gruwelijk wapen om te terroriseren. Het wordt vooral ingezet tegen
vrouwen en meisjes, tegen kinderen, tegen de hele bevolking. Het is een
gruwelijk wapen om het lichaam, het hart en de ziel van mensen, families
en gemeenschappen te raken. Dat doet het namelijk.
En het neemt toe. We zien het in Sudan, in Zuid-Sudan, in de
Democratische Republiek Congo, in Haïti, in Myanmar, in Oekraïne, in de
Palestijnse gebieden en op nog veel meer plekken. Een Sudanese vrouw die
ik sprak, noemde het "de hel op aarde", waaraan zij was ontsnapt. "Als
vrouw ben je nergens en nooit veilig: dat is het gevoel dat je dan hebt.
Ze willen je lichaam en je ziel kapotmaken." Zo beschreef zij het. Wat
wij weten, is het topje van de ijsberg. Waarom neemt het toe? Omdat het
onbestraft blijft. Omdat daders, milities, legers en staten ermee
wegkomen. Wij moeten alles doen wat we kunnen om te zorgen dat dat niet
langer kan.
Het is echt tijd om voorbij woorden, meeleven en verontwaardiging te
gaan. Als wij echt vinden dat dit zo niet kan, dan moeten we concrete
extra maatregelen nemen. Daarom hebben wij de volgende concrete
voorstellen. Ik zou graag op elk van deze voorstellen een reactie
willen. Gaan we dit doen? Wanneer gaan we dat dan doen? Wat is daar
eventueel nog voor nodig? Graag vraag ik de minister om niet alleen op
te sommen wat we nu allemaal al doen. Dat is namelijk niet genoeg. Daar
vraag ik ook niet naar.
Allereerst: straffeloosheid aanpakken. Zonder bewijs gaan daders altijd
vrijuit. Fact-finding missions zoals die in Sudan hebben echt voldoende
structurele middelen nodig om hun werk te blijven doen. Is de minister
bereid om met de fact-finding mission in Sudan in gesprek te gaan over
wat zij nodig heeft naast de steun die ze al krijgt en om daar een
voorstel voor te doen? Graag antwoord. Is de minister bereid om de
aanbeveling van de fact-finding mission in Sudan over te nemen en om
zich in te zetten voor het opzetten van een onafhankelijk juridisch
mechanisme dat samenwerkt met het Internationaal Strafhof om
straffeloosheid tegen te gaan? Graag antwoord.
Het Trust Fund for Victims bij het Internationaal Strafhof geeft
fysieke, psychologische en materiële hulp aan slachtoffers en voert door
het Hof opgelegde schadevergoedingen uit. Het is belangrijk dat zij hun
zijn werk kunnen blijven doen. Daar hebben ze steun voor nodig. Is de
minister bereid om een gesprek met hen aan te gaan en om een voorstel te
doen voor hoe wij hen kunnen ondersteunen in wat zij nodig hebben? Graag
antwoord.
Wat betreft preventie en steun aan slachtoffers van conflictgerelateerd
seksueel geweld zijn organisaties en netwerken van vrouwen en van
overlevers cruciaal. Is de minister het daarmee eens? Ik zie hem
knikken; dat is in ieder geval gunstig. Wat kunnen we extra doen om deze
organisaties, zeker in conflictgebieden, te ondersteunen? Hoe gaat de
minister erop inzetten dat de Afrikaanse regioconferentie concrete
diplomatieke en financiële gevolgen heeft, zodat het niet alleen blijft
bij woorden, maar er ook daadwerkelijk een uitkomst is waar vrouwen en
anderen iets aan hebben?
Als het dan toch over diplomatie gaat, het volgende. We hebben eerder
berichten gezien over het bewapenen van de RSF door de Emiraten. Nieuw
onderzoek van Human Rights Watch geeft aan dat de Emiraten huurlingen
uit Colombia trainen en inzetten bij de RSF en dat die mogelijk ook
kindsoldaten van 11 jaar oud hebben getraind. Wat gaat de minister nu
anders doen om de druk op de Emiraten op te voeren? Ook het inzetten van
seksueel geweld als wapen van de RSF kan alleen maar met steun van
buitenaf voortgaan. Dat moet stoppen.
Is de minister bereid om zich ook in te zetten voor een thematisch
speciaal gezant voor seksueel geweld op het niveau van Nederland en de
EU, zoals ook bestaat voor migratie?
Tot slot. Is de minister bereid om het feministisch buitenlandbeleid dat
door het vorige kabinet is geschrapt te herstellen? Ook dat moet er
namelijk zijn.
Dat was het. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Dobbe. U bent keurig binnen de tijd gebleven. U
heeft nog drie seconden over; dat heeft u fantastisch getimed. Mevrouw
Kröger, gaat uw gang.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad een ongelofelijk belangrijk
debat. Overal ter wereld wordt seksueel geweld, bijna altijd tegen
vrouwen, in conflictgebieden als wapen ingezet. In Sudan omschreef de
VN-Mensenrechtenraad het seksueel geweld van de RSF als grootschalig,
wijdverbreid en systematisch. Alleen al in Darfur behandelde Artsen
zonder Grenzen meer dan 3.000 slachtoffers. Van die slachtoffers is een
op de vijf een kind. Al die slachtoffers die geen hulp konden zoeken
vanwege angst, stigma of beperkte toegang, zitten geeneens in de
cijfers. Voor ons zijn drie zaken belangrijk: meer hulp, gerechtigheid
voor slachtoffers en het pakken van de aanjagers van dit geweld. Het is
namelijk geen incident, maar wordt doelbewust ingezet als strategisch
oorlogswapen.
De Europese en Amerikaanse bezuinigingen op mondiale hulp hebben
gigantische impact. Slachtoffers die vluchten voor seksueel geweld,
zeggen allemaal dat hun eerste prioriteit is om medische zorg te
krijgen, zoals bescherming tegen seksueel overdraagbare ziektes of
veilige abortuszorg. Maar dit wordt geschrapt en verboden door president
Trump. Dat is een regelrechte aanval op de vrouwenrechten. Als Nederland
hebben we op dit vlak altijd een koploperspositie gehad. Ik memoreer
SheDecides. Daarmee hebben we ook een verantwoordelijkheid. Ik wil de
minister dus echt vragen of we meer kunnen doen op het punt van veilige
abortuszorg.
Als voorzieningen wegvallen, zijn het vrouwen die, op zoek naar
brandhout of naar inkomen, nog meer risico lopen op geweld en misbruik.
Als scholen dichtgaan, zijn het meisjes die in gedwongen huwelijken
terechtkomen. Er is dus meer hulp nodig voor vrouwen — voor en door
vrouwen. Er moet worden geïnvesteerd in organisaties die geleid worden
door vrouwen en overlevers van seksueel geweld. Zij leveren de
essentiële diensten, zoals zorg, begeleiding en gemeenschapsgerichte
bescherming. Meer geld is nodig, maar ook flexibel geld en meerjarig
geld.
Voorzitter. Dan recht doen. Slachtoffers verdienen naast zorg en
bescherming ook gerechtigheid. Daders moeten worden vervolgd. Er is
bewijsmateriaal te over. Ngo's op locatie doen goed werk voor het
verzamelen van dat bewijsmateriaal, maar hebben enorme tekorten. Wat kan
Nederland daarin doen?
Daders plaatsen onbeschaamd video's van hun misdaden op sociale media.
Vindt de minister ook dat socialmediabedrijven hier een
verantwoordelijkheid in hebben? Al eerder heeft Human Rights Watch
gerapporteerd dat socialemediaplatforms video's weghalen zonder ze te
archiveren. Zo gaat belangrijk bewijsmateriaal verloren. Wat ons betreft
moeten socialmediabedrijven actief hulp bieden aan het Internationaal
Strafhof en andere VN-mechanismen om die video's op te slaan, zodat ze
ingezet kunnen worden voor rechtszaken. Ook moet het ICC de capaciteit
krijgen om dit te kunnen verwerken.
Over het ICC nog één opmerking, die buiten dit debat ligt. Het ICC wordt
heel hard geraakt door de sancties van de VS. Dit raakt ook de kans op
gerechtigheid voor bijvoorbeeld al die vrouwen in Sudan. Hoe gaat het
kabinet als gastland staan voor het ICC? Wat doen we?
Voorzitter. Tot slot over de druk op de daders. Het geweld is namelijk
geen incident, maar een strategisch wapen, dat doelbewust wordt ingezet
in een oorlog. De partijen die dit aanwakkeren, moeten aangesproken
worden. In het Nederlandse ambtsbericht over Sudan van december 2025 is
te lezen dat zeker ook SAF-soldaten zich schuldig maken aan seksueel
geweld, maar dat dit geweld in het geval van de RSF wijdverbreider en
aanweziger was. De grootste financier van de RSF zijn de Verenigde
Arabische Emiraten. Brengt het kabinet de kwestie van
conflictgerelateerd seksueel geweld en bescherming van vrouwen in
conflicten ter sprake bij de Verenigde Arabische Emiraten? Dit hebben we
natuurlijk al heel vaak aangekaart.
Voor de rest sluit ik me aan bij de specifieke vragen van mevrouw Dobbe
op dit punt. Wat gaat het kabinet meer doen? De huidige route doet
namelijk te weinig.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kröger. We gaan naar mevrouw Nanninga voor haar
inbreng in de eerste termijn.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Het probleem van seksueel geweld als
oorlogswapen is helaas niet nieuw. Kijken we naar de vorige eeuw, dan
zagen we het gebeuren in de Armeense genocide. We hebben gezien hoe de
Japanners in Nederlands Indië en Nanjing huishielden tegen vrouwen en
kinderen. In Vietnam hebben Amerikaanse troepen seksueel geweld
gepleegd. Ik noem ook Rwanda, de Russen in Duitsland en de Marokkanen in
Italië in de Tweede Wereldoorlog. Ik vrees dat wij dit onderwerp niet in
de vorige eeuw hebben achtergelaten. Het gaat maar door.
We hebben daar vorige week, geloof ik, een rondetafelgesprek met experts
en hulpverleners over gehad. Ik haal een heel belangrijk zinnetje uit
een positionpaper van die organisaties aan dat bij mij is blijven
hangen. Ik doe het in Engels, als dat mag, voorzitter. "A survivor who
receives medical treatment, but has no access to justice, does not fully
heal. Healing requires acknowledgment. It requires accountability." Bij
dit onderwerp zou je verwachten dat er één hele heldere ondergrens is:
seksueel geweld als oorlogswapen is altijd verwerpelijk, niet alleen als
de dader ervan je politiek wel of niet goed uitkomt en niet alleen
wanneer het slachtoffer in het juiste narratief past. Het is gewoon
altijd zo.
En daar wringt het, want zodra het gaat over seksueel geweld van Hamas
tegen Israëlische vrouwen, maar ook mannen, en gijzelaars, wordt het
ineens ingewikkeld gemaakt. Ook bij het rondetafelgesprek met nota bene
experts en hulpverleners volgden er mitsen, maren, context,
vergelijkingen en verdachtmakingen. Dan is de eerste reflex niet om te
vragen wat deze slachtoffers is aangedaan, maar komt de politiek om de
hoek kijken. "Ja, maar Israël." Alsof het leed van iemand die verkracht
is — vaak zijn het vrouwen, maar het zijn ook mannen — eerst langs een
geopolitieke ballotagecommissie moet.
Er zijn inmiddels uitgebreide rapporten en getuigenissen over seksueel
geweld op en na 7 oktober. Het gaat over vrouwen die zijn vernederd,
ontkleed, mishandeld, verkracht en in veel gevallen vermoord. Het gaat
over gijzelaars die ook in gevangenschap in Gaza seksueel geweld,
dreiging, vernedering en intimidatie meemaakten. Het gaat over beelden
die Hamas nota bene zelf heeft gemaakt en naar buiten heeft gebracht. Ik
ben op het festivalterrein van Nova geweest. Ik heb die plekken gezien
waar dingen zijn gedaan. Daar zie je nog sporen van in de grond en in de
bomen. Het is onbeschrijfelijk. Ik raad het absoluut niet aan, maar het
is voor iedereen die dat wil te zien, want de beelden zijn
triomfantelijk gedeeld en verspreid door de daders. Toch blijft de
reflex bij sommigen om de getuigenissen van de slachtoffers, voor zover
die nog leven, te nuanceren en te problematiseren, alsof de waarheid pas
welkom is als zij politiek comfortabel is. Dat is moreel failliet.
Ik heb een paar vragen aan de minister. Ik wil graag een reactie van hem
en bijgevolg van de Nederlandse regering. Minister, bent u bekend met
het rapport van de Civil Commission on October 7th Crimes by Hamas
Against Women and Children? Dat rapport heet Silenced No More. Kent de
minister dit rapport? Wat is zijn appreciatie hiervan? Kan de minister
simpelweg, zonder komma, zonder "ja, maar", erkennen dat Hamas extreem
seksueel geweld heeft toegepast op de Israëlische bevolking en dit
veroordelen? Hoe beoordeelt de minister zijn actie om Nederlands
belastinggeld te blijven sturen naar UNRWA, een organisatie die
aantoonbaar geïnfiltreerd was door de daders van dit grove seksueel
geweld?
Voorzitter, tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Nanninga. We gaan naar de volgende spreker. Excuus,
er is een interruptie van mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel voor de inbreng, mevrouw Nanninga. Het debat over UNRWA wil
ik hier niet voeren, want dat hebben we al uitgebreid gedaan. Daar zal
ik nu dus niet op ingaan.
Ik ben het wel met mevrouw Nanninga eens dat seksueel geweld ongeacht
wie het pleegt, verwerpelijk is. Daar zijn we het volledig mee eens. Als
we praten over de waarde van accountability en het tegengaan van
straffeloosheid, moeten we volgens mij ook zorgen dat de mechanismen die
zorgen dat daders niet onbestraft kunnen blijven, wie dat ook zijn ...
Daders mogen nooit onbestraft blijven als ze seksueel geweld plegen. Dat
geldt voor welke context dan ook, maar zeker ook voor conflictgebieden,
omdat het daar zo systematisch wordt ingezet. Dan moeten die mechanismen
wel bestaan. Het Internationaal Strafhof staat bijvoorbeeld onder
druk.
Mijn vraag aan mevrouw Nanninga is dan als volgt. Zo'n Trust Fund for
Victims gaat over reparatie, dus over herstel van slachtoffers, maar
zorgt ook dat schadevergoedingen kunnen worden betaald. Zo kunnen
slachtoffers gerechtigheid krijgen. Op het moment dat dat bijvoorbeeld
extra financiering en extra steun nodig heeft, of als het Strafhof
andere steun nodig heeft om te zorgen dat daders niet onbestraft blijven
en vervolgd kunnen worden, kunnen we dan ook op steun van mevrouw
Nanninga rekenen?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Er lopen twee zaken door elkaar. We zijn natuurlijk voorstander van het
faciliteren van het Internationaal Strafhof. Schadevergoedingen of
verdere afwikkeling van dat soort zaken is natuurlijk aan de daders
zelf. Ik zie er geen rol in voor Nederland om die problemen voor de hele
wereld te gaan oplossen, al dan niet financieel.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, een tweede interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Eén vervolgvraag dan. Het Strafhof heeft een mechanisme, dat Trust Fund.
Op het moment dat er schadevergoedingen betaald moeten worden en daders
dat moeten doen, zorgt dat trust fund ervoor dat daders dat ook doen.
Als een dader dat niet kan, zorgt dat trust fund dat er wel een vorm van
herstel is. Het is beide, dus ook om te zorgen dat daders niet
onbestraft blijven.
Als we dit niet binnen het Strafhof regelen, is er geen ander mechanisme
om dit soort genoegdoening en dit soort herstel voor slachtoffers te
realiseren. Daarom adresseer ik dit. Het is niet bedoeld om de problemen
van de hele wereld op te lossen en iedereen schadevergoedingen te
betalen, maar echt specifiek om te zorgen dat er genoegdoening komt in
zaken waarbij daders zijn bestraft.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik begrijp de vraag, maar ik zie dat gewoon niet als iets wat Nederland
zou moeten financieren. Nee, dat is gewoon niet aan de orde. Dan kunnen
wij wel aan de gang blijven. Dat zegt niks over de ernst van het geweld
dat er plaatsvindt of het feit dat daders bestraft moeten worden. Daar
hebben we dat mooie Strafhof voor. We gaan natuurlijk niet
schadevergoedingen overnemen als daders die zelf niet kunnen of willen
betalen. Dat zou een beetje gek zijn.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het ongelofelijk belangrijk is dat we hier heel duidelijk
maken dat seksueel geweld, zeker in conflictgebieden waar het eigenlijk
strategisch als wapen wordt ingezet, in elke context absoluut om
veroordeling, steun voor slachtoffers en gerechtigheid vraagt. De rol
van het ICC daarin is natuurlijk cruciaal. Afgelopen week heeft
voormalig hoofdaanklager mevrouw Bensouda aangegeven hoe de sancties die
nu door de VS aan het Strafhof zijn opgelegd, het werk van het Strafhof
bijzonder bemoeilijken. Ze heeft aangegeven wat de impact daarvan is,
eigenlijk op alle zaken die het Strafhof probeert te voeren. Hoe kijkt
mevrouw Nanninga daarnaar? Deelt zij mijn mening dat we echt moeten
zorgen dat het Strafhof ongehinderd zijn ongelofelijk belangrijke werk
kan doen?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Mevrouw Kröger overvraagt mij een beetje. De buitenlandportefeuille is
niet van mij, zoals u weet. Ik val in voor de heer Hoogeveen. In
algemene zin kan ik wel wat zeggen over hoe mijn fractie daarover denkt.
Wij voelen niet zo de behoefte om de buitenlandpolitiek die Amerika
voert, te recenseren. Wij zijn verantwoordelijk voor hoe Nederland zich
opstelt tegenover het Internationaal Strafhof. Ik denk dat dat een goede
opstelling is. U overvraagt mij als u echt naar de details vraagt van de
houding van de Amerikanen ten opzichte van het ICC. Ik weet die op dit
moment domweg niet goed genoeg.
De voorzitter:
Dank voor deze interrupties. Dan gaan we naar de heer Verkuijlen voor
zijn eerste termijn.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank, voorzitter. Ook ik was bij die rondetafel. Ik moet eerlijk zeggen
dat het mij moeite kostte om in de vergadering daarna weer mijn focus te
vinden. Het raakt je echt diep. Het is goed dat we dit debat voeren.
Seksueel geweld in conflictgebieden is een van de meest beestachtige en
lafhartige vormen van geweld die er bestaan. We hebben gezegd dat het om
vrouwen, maar ook om mannen gaat. Het betreft beide seksen. Beide
verdienen bescherming. Wat de VVD betreft mag daar nooit en nergens ter
wereld met twee maten over gesproken worden.
We moeten met volledige morele helderheid spreken over de gecoördineerde
seksuele wreedheden die mondiaal plaatsvinden. Dat moeten we ook doen
ten aanzien van die van Hamas op 7 oktober — ze kwamen net bij mevrouw
Nanninga al even voorbij — waarbij verkrachting, verminking en
vernedering doelbewust werden ingezet als terreurwapen.
Op ons eigen Europese continent zien we hoe Russische troepen in
Oekraïne seksueel geweld systematisch gebruiken om gemeenschappen te
breken en angst te zaaien. Slachtoffers worden misbruikt waar
familieleden bij staan. Zelfs kinderen zijn doelwit van deze
oorlogsmisdaden. Ook in Sudan en de Democratische Republiek Congo zien
we hetzelfde patroon: seksueel geweld als oorlogswapen, als instrument
van terreur en ontwrichting.
Voorzitter. Deze misdaden mogen nooit onbestraft blijven, want
straffeloosheid leidt tot meer straffeloosheid. Als we daders echt
achter de tralies willen krijgen, moeten we eerlijk zijn over de harde
werkelijkheid op de grond. Overlevenden worden nu nog veel te vaak van
loket naar loket gestuurd. Ze moeten eerst naar een arts, dan naar de
politie, daarna naar een hulporganisatie en vervolgens moeten ze bij de
aanklager opnieuw hun verhaal doen. Medisch bewijs raakt verloren,
procedures sluiten niet op elkaar aan en slachtoffers raken opnieuw
getraumatiseerd, ditmaal door het systeem dat hen juist zou moeten
helpen. De VVD vindt dat onaanvaardbaar. Juist daarom moeten we inzetten
op geïntegreerde hulpverlening. Daarbij zijn medische zorg, forensisch
bewijs, psychologische ondersteuning en juridische opvolging direct met
elkaar verbonden en niet versnipperd, maar centraal georganiseerd.
Voorzitter. Het bestrijden van straffeloosheid begint voor de VVD
allereerst in Europa. Oekraïne voert niet alleen een militaire strijd,
maar ook een juridische strijd om Russische oorlogsmisdadigers
uiteindelijk veroordeeld te krijgen. Oekraïense aanklagers en
forensische experts werken onder extreem gevaarlijke omstandigheden aan
bewijsverzameling die stand moet houden in internationale
rechtbanken.
Voorzitter. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Hoe
ondersteunt Nederland de Oekraïense justitie concreet bij het
verzamelen, veiligstellen en documenteren van bewijs van
conflictgerelateerd seksueel geweld? Hoeveel Nederlandse expertise en
capaciteit worden momenteel ingezet voor training van forensische
onderzoekers, artsen en aanklagers? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat
deze bewijslast daadwerkelijk bruikbaar is voor het Internationaal
Strafhof en een toekomstig tribunaal voor Russische agressie tegen
Oekraïne?
Voorzitter. We moeten ook lessen durven trekken uit situaties waarin
snel en effectief is gehandeld. Na 7 oktober heeft Israël onder enorme
druk geïntegreerde forensische en klinische protocollen opgezet om
versnippering in de hulpverlening te voorkomen en slachtoffers niet
telkens opnieuw hun verhaal te laten doen. De VVD wil weten welke les
het kabinet trekt uit deze aanpak. Is de minister bereid deze best
practices actief in te brengen bij het Team of Experts van de VN en
tijdens internationale conferenties zoals de aanklagersconferentie in
Nairobi? Is de minister bereid zich internationaal hard te maken voor
één centrale standaard, waarbij medische zorg, bewijsverzameling en
juridische opvolging direct gekoppeld zijn? En hoe wordt gecontroleerd
of VN-programma's daadwerkelijk leiden tot meer vervolgingen en betere
slachtofferzorg?
Mijn laatste vraag aan de minister. Hoe voorkomt Nederland dat
internationale hulpprogramma's vooral bureaucratisch worden in plaats
van effectief voor slachtoffers?
Voorzitter, ik sluit af. Voor de VVD is dit uiteindelijk geen
humanitaire kwestie. Wie verkrachting inzet als oorlogswapen, valt niet
alleen individuele slachtoffers aan, maar probeert complete
samenlevingen te breken. Juist daarom moet de internationale reactie
genadeloos helder zijn: opsporen, vervolgen, veroordelen en hulp
verlenen aan de slachtoffers.
Dank u wel.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het belangrijk is dat we op dit onderwerp zo veel steun
hebben voor een brede en stevige aanpak vanuit het kabinet. Ik had een
vraag over de mogelijkheid om bewijslast zoals video's op sociale media
op te slaan. Ik vroeg of het ICC zou kunnen ondersteunen bij het
opslaan, maar ook of we socialemediabedrijven onder druk kunnen zetten
om die video's te delen. Hoe kijkt de VVD daarnaar?
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik had er bijna een interruptie aan gewijd, mevrouw Kröger, zeg ik via
u, voorzitter. Ik vind dat namelijk een prima voorstel. Laten we vooral
kijken welke kennis we in Nederland op dat gebied hebben. Zo kunnen we
daar zo effectief mogelijk maatregelen op voorstellen.
Mevrouw Dobbe (SP):
De heer Verkuijlen gebruikte het woordje "genadeloos". Dat vind ik heel
goed en terecht. Ik denk namelijk dat het echt tijd is. We zijn allemaal
geraakt door de verhalen. Je ziet brede steun vanuit de Kamer om
daadwerkelijk concreet te worden en te zorgen dat hier een aanpak voor
komt. Daar is natuurlijk wel wat extra's voor nodig.
De heer Verkuijlen noemt een aantal zaken waar ik het heel erg mee eens
ben. Maar uit de rondetafel bleek ook — meerdere sprekers zeiden dat —
dat de kern van welke aanpak dan ook toch ook de steun aan
vrouwenorganisaties en netwerken van slachtoffers is. We weten namelijk
dat seksueel geweld niet alleen degenen raakt die het is overkomen — dat
kunnen vrouwen zijn, maar ook mannen of kinderen — maar de hele
gemeenschap. Gerechtigheid is dus ook een onderdeel van de hele
gemeenschap.
Je kan dus niet uit met een gefragmenteerde aanpak. Juist
vrouwenorganisaties staan qua steun onder druk. Is de heer Verkuijlen
dan ook bereid om te kijken wat we meer kunnen doen om te zorgen dat we
lokale organisaties van vrouwen en slachtoffers kunnen steunen? Dat is
wat betreft de begroting van BHOS namelijk wel een beetje gesneuveld in
de afgelopen jaren.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik ben het zeer met mevrouw Dobbe eens als het gaat over de
slachtoffers. Het vervelende van mijn gebruik van het woordje
"genadeloos" is dat voor die slachtoffers genoegdoening misschien wel
het moeilijkst te realiseren is. Dus als het gaat om ondersteuning denk
ik dat het een uitstekende ingang zal zijn om alles te doen wat in het
vermogen ligt van Nederland om best practices die wij hebben uit te
dragen en daar ook die hulpverleningsorganisaties mee te stutten.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, het is inderdaad uw laatste interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Alleen bleek uit de rondetafel dat het niet alleen gaat over
ondersteuning en hulpverlening. Daar gaat de heer Verkuijlen nu op
antwoorden, maar dat is niet helemaal wat werd bedoeld. Juist die
vrouwenorganisaties, die lokale organisaties en die slachtoffernetwerken
kunnen veel meer doen. Die kunnen ook veel meer doen in preventie. Die
kunnen natuurlijk ook daarna aan de slag met het tegengaan van stigma in
de gemeenschap. Die kunnen ervoor zorgen dat die vrouwen die worden
buitengesloten door wat hen is overkomen, daarna ook ondersteuning
krijgen in hun leven. Ze kunnen zorgen voor medisch-psychosociale hulp.
Ze kunnen signaleren. Ze kunnen beschermen. Het is veel meer ook op het
vlak van preventie. Het is op alle vlakken. Denk aan juridische
ondersteuning om ervoor te zorgen dat straffeloosheid wordt
tegengegaan.
Het gaat dus veel verder dan dat. Het zou echt zonde zijn als er nu een
aanpak komt waarbij juist dat stukje, dat helemaal niet zo heel veel
geld kost maar wat wel prioriteit van ons vraagt, namelijk dat wij dat
belangrijk vinden, niet wordt meegenomen in een eventuele aanpak
hiervan.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik weet niet of mevrouw Dobbe daarover nog een vraag aan mij had, maar
ik ben het zeer met haar eens. Ik denk ook dat het voorkomen van
herhaald slachtofferschap hierin een van de belangrijke punten is. U
heeft een vraag gesteld aan de minister. Ik wacht heel even af wat de
reactie van de minister is en dan zal ik antwoorden op uw vraag over die
steun.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog één vraag over SheDecides. Dat was eigenlijk de wereldwijde
reactie op de vorige keer dat Trump, tijdens zijn eerste presidentschap,
eigenlijk abortuszorg en andere zaken zoals seksuele voorlichting begon
te schrappen. Het wordt nu eigenlijk op een nog veel stevigere manier
door de VS uitgerold. Is de VVD het met mij eens dat we echt moeten
zorgen dat alle hulp voor slachtoffers er is, inclusief rape kits,
inclusief abortuszorg, inclusief seksuele voorlichting, en dat dit ook
echt iets is waar we als Nederland gewoon ons steentje aan bij moeten
dragen?
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank voor die vraag. Het ondermijnen van wetgeving is wat er in feite
gebeurt. Volgens mij hebben wij in Nederland heel progressief op een
aantal gebieden als het gaat om vrouwenrechten hele goeie dingen
voorgesteld. Het kan nooit zo zijn dat die op welke manier dan ook
ondergraven worden. Dus ja, zeker, die rechten moeten gelden, als dat
het antwoord op uw vraag is.
De voorzitter:
Ik zie geen nadere vragen. Mevrouw Nanninga, u mag nog een interruptie
doen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik hoor de heer Verkuijlen namens de VVD wat terughoudend antwoorden op
concrete vragen of er ook financiële actieve steun vanuit Nederland moet
zijn. Is de heer Verkuijlen van de VVD het met mij eens dat het
natuurlijk merkwaardig is om het hier nu over de Verenigde staten te
gaan hebben terwijl je ook heel goed zou kunnen kijken naar bijvoorbeeld
de Golfstaten, die daar niks aan bijdragen. Als je het hebt over
keuzevrijheid voor vrouwen zou je ook eens naar de Arabische wereld
moeten kijken in plaats van met de vinger naar Trump te wijzen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank voor die vraag van mevrouw Nanninga. Volgens mij was dat niet de
vraag die mevrouw Dobbe aan mij stelde. Dat was de vraag of wij willen
ondersteunen dat dat soort organisaties worden versterkt. Dat was ook
precies de reden waarom ik eerst het antwoord van de minister wilde
afwachten op de vraag of hij ziet dat dat financiële of andere
consequenties heeft. Jazeker, in de regio ligt ook een
verantwoordelijkheid om die opvang inhoud te geven.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
We hebben allemaal een verantwoordelijkheid om hulp te bieden. Waar het
hier over gaat, is dat een politiek decreet vanuit de VS eigenlijk
internationale organisaties belemmert om de juiste zorg te bieden aan
slachtoffers van seksueel geweld. Daar gaat het om. Op het moment dat
dat gebeurt, moet daar denk ik vanuit andere landen een reactie op
komen. Die reactie bestaat er dus ook in dat ervoor gezorgd wordt dat
die zorg wel degelijk wel geboden kan worden. Dit is dus een interruptie
om dat te verduidelijken en ook om aan de VVD te vragen: zijn juist
vrouwenrechten en het opkomen voor slachtoffers van seksueel geweld niet
juist zaken waar wij als Nederland een voortrekkersrol in kunnen spelen?
Is dat niet nodig, gegeven het internationale speelveld op dit
moment?
De voorzitter:
Mevrouw Kröger, dit was uw laatste interruptie. De heer Verkuijlen, aan
u om het antwoord te geven.
De heer Verkuijlen (VVD):
Mevrouw Kröger en ik zijn het eens op dit punt. Wij hebben daarin een
rol te spelen. Deze rechten worden alleen vanuit meerdere invalshoeken
ondermijnd. Ik vind dat we als Nederland een rol hebben om daar
uitermate scherp op te zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zie ik nu geen interrupties meer en dan gaan we door
naar meneer Bamenga voor zijn eerste termijn.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. De VN rapporteert een stijging in 2024 van 25%
van conflictgerelateerd seksueel geweld. Deze cijfers zijn schokkend. In
Sudan nam in 2024 de vraag naar levensreddende ondersteuning voor
slachtoffers met 288% toe. Bijvoorbeeld ook in de Democratische
Republiek Congo werden in de eerste maanden van 2025 38.000 nieuwe
gevallen van seksueel geweld geregistreerd. Waar meer dan de helft van
de vrouwen in Congo te maken heeft gehad met geweld, geeft meer dan 27%
aan te maken te hebben gehad met seksueel geweld tijdens het
conflict.
Achter deze cijfers zitten schokkende verhalen, zoals dat van Henriette,
opgetekend door het Rode Kruis. Nadat zij en haar kinderen moesten
vluchten voor geweld en haar man vermist raakte, werd zij tijdens het
verzamelen van hout verkracht door een gewapende man. Zij bleef achter
met trauma, angst en een zwangerschap als gevolg van het geweld. Haar
verhaal laat zien dat seksueel geweld in conflictgebieden niet alleen
lichamen beschadigt, maar ook gezinnen ontwricht, waardigheid afneemt en
slachtoffers confronteert met schaamte, sociale afwijzing en economische
uitsluiting.
Juist daarom is het niet genoeg om alleen te spreken over het voorkomen
van seksueel geweld als oorlogswapen. We moeten ook het taboe doorbreken
dat slachtoffers tot zwijgen dwingt. Wat centraal moet komen te staan is
de verantwoordelijkheid van daders en de steun, bescherming en
waardigheid die slachtoffers verdienen. Zonder die steun blijft herstel
onvolledig. Ik hoor graag hoe het kabinet zich internationaal en
bilateraal inzet om die geïntegreerde steun aan overlevenden, zowel
fysiek als mentaal, te versterken. Ik hoor graag van de minister hoe hij
zich internationaal inzet voor toegang tot veilige abortuszorg, zeker na
verkrachting en seksueel misbruik, juist ook in conflictgebieden.
Voorzitter. Dan de straffeloosheid. Waar daders niet worden vervolgd
blijft dit geweld zich herhalen. Zorg voor overlevenden is onmisbaar,
maar zolang daders wegkomen blijft een volgende groep slachtoffers
ontstaan. Hoe zet Nederland zijn diplomatieke relaties, EU-instrumenten
en sanctiebeleid in om daders en commandanten verantwoordelijk te
houden? Hoe zorgt Nederland ervoor dat bewijsverzameling,
getuigenbescherming en vervolging van conflictgerelateerd seksueel
geweld structureel worden versterkt?
Voorzitter. Ik ben positief over wat Nederland al doet. We steunen de VN
Speciaal Vertegenwoordiger Patten, het UN Team of Experts on the Rule of
Law and Sexual Violence in Conflict, en de initiatieven rondom vrouwen,
vrede en veiligheid. Ook draagt Nederland via het Elsie Initiative Fund
bij aan het wegnemen van barrières voor vrouwelijke vredeshandhavers.
Dat is essentieel, want meer vrouwen in vredesmissies en vredesprocessen
versterkt vertrouwen, informatieposities en bescherming. Ik ben echter
ook benieuwd wat de minister voornemens is te doen met het extra geld
voor vrouwenrechten dat volgend jaar begroot staat.
Daarnaast organiseert Nederland in oktober 2026 mede de regionale
aanklagersconferentie in Nairobi, dat gericht is op betere vervolging
van conflictgerelateerd seksueel geweld in Sub-Sahara-Afrika. Ik wil de
minister vragen zich daar in te zetten voor een blijvend regionaal
netwerk van gespecialiseerde aanklagers en onderzoekers, met toegang tot
gedeelde expertise, bewijsstandaarden en survivor-centered
procedures.
Tot slot, voorzitter. Conflictgerelateerd seksueel geweld stopt niet
vanzelf. Het stopt pas wanneer daders weten dat zij er niet mee
wegkomen. Heling kan pas plaatsvinden als slachtoffers toegang krijgen
tot zorg en recht. Daarom moeten we echt aan de slag.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bamenga. Ik zie geen interrupties, dus dan gaan we
naar de inbreng van de heer Stoffer in de eerste termijn. Gaat uw
gang.
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Conflictgerelateerd seksueel geweld is geen
onvermijdelijk bijproduct van oorlog. Het is niet iets wat nu eenmaal
gebeurt wanneer mannen ver van huis zijn, de discipline verdwijnt of de
remmen losgaan. Seksueel geweld in conflict is in de regel doelbewust.
Het wordt ingezet om gemeenschappen te vernederen, tegenstanders te
demoraliseren en samenlevingen van binnenuit te breken. Het is geen
exces, maar in veel gevallen onderdeel van de strategie. Het is bedoeld
om angst te zaaien en bevolkingen uiteen te drijven, met
intergenerationele trauma's tot gevolg.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers van de vergeten oorlog in
Oost-Congo, van het systematisch seksueel en gendergerelateerd geweld
door de RSF in Sudan, en van de verkrachtingen door bendes in Haïti. Wat
al dit onnoemelijke leed extra schrijnend maakt, is dat daders er
meestal mee wegkomen. Wie dit werkelijk wil bestrijden, moet niet alleen
slachtoffers ondersteunen, maar vooral de cultuur van straffeloosheid
doorbreken.
Dat vraagt om langjarige internationale samenwerking en het versterken
van onderzoekscapaciteit, rechtssystemen en grensoverschrijdende
opsporing en vervolging. Daarmee gaat het om meer dan humanitaire hulp
alleen. Het gaat om het versterken van instituties die misdrijven
voorkomen en bestraffen. Het onderstreept ook de onzinnigheid van het
idee dat alle OS-programma's direct moeten bijdragen aan ons eigen
belang. Wat hier op het spel staat, is het tegengaan van extreem
menselijk leed. De SGP staat hierin voor belangeloze medemenselijkheid
en de fundamentele plicht om het recht te laten zegevieren.
Voorzitter. Ik heb samen met mevrouw Nanninga vorige week in het
rondetafelgesprek al naar voren gebracht dat conflictgerelateerd
seksueel geweld zich niet beperkt tot fragiele staten of landen die in
aanmerking komen voor ontwikkelingsfinanciering. In dit licht mogen we
ook 7 oktober 2023 niet onbenoemd laten. Het is al langer bekend dat
Hamasterroristen zich op die dag op grote schaal schuldig hebben gemaakt
aan verkrachting, seksuele mishandeling en marteling. Twee weken geleden
kwam er een rapport naar buiten waarin meer gruwelijke details openbaar
werden; mevrouw Nanninga refereerde er al aan. De burgercommissie die
hier twee jaar lang onderzoek naar heeft gedaan, sprak met overlevenden
die hun ervaringen alleen in absolute vertrouwelijkheid wilden
delen.
Waar veel slachtoffers van seksueel geweld onzichtbaar blijven, kozen de
terroristen van Hamas er op 7 oktober bewust voor om hun geweld zo
zichtbaar mogelijk te maken. Het vastleggen en digitaal verspreiden van
beelden werd onderdeel van het geweld zelf, als een manier om de
vernedering en het trauma te vergroten. Beestachtige daden werden
gefilmd en verspreid via social media, soms ook via de accounts van de
slachtoffers zelf. Het is nauwelijks te bevatten wat het voor families
betekent om op deze manier geconfronteerd te worden met wat hun
dierbaren, vaak in hun laatste uren, is aangedaan.
In het rapport Silenced No More worden dertien terugkerende patronen
vastgesteld. Een daarvan is het concept "kinocide": het opzettelijk en
systematisch martelen van gezinnen en het inzetten van familiebanden als
wapen, door relaties te vernietigen en uit te buiten met als doel het
lijden te maximaliseren. Kinocidaal seksueel geweld kenmerkt zich door
schade die verder reikt dan het directe slachtoffer, doordat het gezin
zelf wordt aangevallen en daarmee blijvend getraumatiseerd raakt. Is de
minister bereid om te reflecteren op de bevindingen uit dit rapport? Is
hij bekend met het concept "kinocide" en gebruikt hij dit in zijn
analyse van conflictgerelateerd seksueel geweld?
Voorzitter, ter afronding. Seksueel geweld raakt aan wat in de schepping
bedoeld is als een plaats van ultieme verbondenheid. Juist daarom heeft
het radicale kwaad het gemunt op het gezin en de meest intieme
menselijke relaties. De kerk van na Pinksteren — dat mochten we
afgelopen weekend vieren — verlangt daarom reikhalzend naar de
wederkomst van de Heere Jezus Christus, in de overtuiging dat op die dag
recht gedaan wordt waar onrecht nu nog ten hemel schreit.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stoffer. Ik zie dat er geen interrupties meer zijn
aan de kant van de Kamer. Dan wil ik u allen hartelijk danken voor uw
inbreng. We kijken even naar de rechterzijde. Minister, hoeveel tijd
heeft u nodig voor de voorbereiding?
Minister Sjoerdsma:
Ik denk een minuutje of twintig, als dat kan.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat wij hier om 11.00 uur terug zijn voor de eerste
termijn van de kant van het kabinet.
De vergadering wordt van 10.40 uur tot 11.02 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug aan de leden van de Kamer en aan de minister en de
ondersteuning. Als iedereen van de kant van de Kamer daaraan toe is,
gaan we naar de eerste termijn van de minister. Dames en heren, mag ik u
vragen om de focus even terug te brengen naar het debat? Dank u. We
hebben weer ruimte voor vier interrupties aan de kant van de Kamer in
deze eerste termijn van de minister. Minister, bij dezen is het woord
aan u.
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter, dank u wel. Misschien kan ik ter inleiding zeggen dat ik het
best een bijzonder debat vind. Het gebeurt namelijk niet zo heel vaak —
dat was vroeger ook mijn ervaring als Kamerlid — dat de Kamer van links
tot rechts eigenlijk verenigd is, niet alleen verenigd in afschuw, waar
ik zeker nog iets over zal zeggen, maar ook verenigd in het zeggen dat
het volstrekt onacceptabel is, waar, wanneer en door wie het ook
gebeurt. Die eenheid die ik bij de Kamer zie, is er eigenlijk ook bij
het kabinet. Ik denk dat we misschien wel het eerste debat in de
geschiedenis van het parlement hebben waarin de voltallige Kamer en het
kabinet het volledig met elkaar eens zijn. Dat is niet zo gek, want een
aantal van u hebben gesproken over de enorme verschrikking die dit soort
geweld betekent.
Mevrouw Dobbe zei dat het ging over de ziel van mensen en
gemeenschappen. De heer Bamenga had het over het voorbeeld van iemand
die hout gaat sprokkelen en die terugkomt met een last, een trauma, voor
de rest van haar leven. Zo hebben velen van u, denk ik, voorbeelden
aangeraakt die gewoon echt door de ziel snijden. De heer Stoffer had het
over het vergeten conflict in DRC. De heer Verkuijlen en mevrouw
Nanninga hadden het over de verschrikkingen begaan door Hamas; daar zal
ik later ook nog op terugkomen. Het is helaas zo — mevrouw Nanninga zei
dat ook — dat het niet iets nieuws is. Het is van alle tijden, maar we
moeten dit geweld wel uitroeien. Dat heeft u ook allemaal gezegd: het is
namelijk geen natuurramp, het is niet iets wat je overkomt, omdat je
toevallig op de verkeerde plek bent. Het is iets wat doelbewust en met
een strategie gebeurt, een strategie om mensen te breken, om gezinnen te
breken, om gemeenschappen te breken, om regio's te breken en, inderdaad,
om de ziel uit mensen en gemeenschappen te halen.
Het is misschien ook goed om het volgende te zeggen. Veel van wat het
kabinet doet, is te vangen in beleid en financiering en diplomatieke
interventies. Daar zal ik zo zeker ook een aantal dingen over zeggen.
Wat mij altijd is bijgebleven en wat een belangrijke rode draad vormt in
wat ik als Kamerlid heb gedaan en wat ik als minister ook hoop te kunnen
doen, is het hebben van ontmoetingen. Ik denk aan ontmoetingen die ik
zelf in Darfur heb gehad toen ik daar als relatief jonge diplomaat mocht
werken en mocht samenwerken met de Afrikaanse Unie. Dat was in de
periode 2005-2007.
De Afrikaanse Unie werd toen gevraagd om, in het moeilijkste conflict
ter wereld op dat moment, te proberen om toch iets te betekenen.
Soldaten uit Malawi, Zambia en Rwanda waren allemaal gestationeerd naast
de grote vluchtelingenkampen om deze mensen, die daarvoor eigenlijk een
genocide hadden meegemaakt — dat is iets wat we nu opnieuw zien gebeuren
in het conflict — toch iets van bescherming te bieden. Toen ik daar bij
die Afrikaanse soldaten werkte, ging ik natuurlijk ook vaak met hen die
vluchtelingenkampen in.
De gesprekken die we daar voerden zijn mij altijd bijgebleven, eigenlijk
op twee manieren. Eén. Het heeft niet zozeer met dit debat te maken,
maar ik noem de enorme waardigheid die ik zag bij vluchtelingen die
eigenlijk niks meer hadden. Er was ongelofelijke menselijke waardigheid:
in hun nood waren ze ook bereid om dingen te delen die ze eigenlijk zelf
broodnodig hadden. Daarnaast waren er echter ook verhalen van mannen en
vrouwen over wat hen was overkomen. Die gingen over familieleden die ze
waren kwijtgeraakt aan geweld, maar ze gingen ook over zaken die we
vandaag bespreken: seksueel geweld.
Ik zal de vraag van enkele van die vrouwen die daarbij kwam, niet
vergeten: "Dit is mij nu overkomen. Waar kan ik terecht? Waar kan ik
mijn recht halen?" Het antwoord was toen heel belabberd, want dat was
eigenlijk gewoon feitelijk "nergens". Het kon nergens, niet lokaal, niet
regionaal, niet landelijk. Internationaal viel er eigenlijk ook niks te
doen. Ik heb dat nooit vergeten. Die zoektocht naar gerechtigheid, die
zucht naar gerechtigheid, is mij altijd bijgebleven. Dat is eigenlijk
ook een rooie draad in wat ik als Kamerlid heb geprobeerd te doen. Daar
waar er onrecht is, al betreft het maar één persoon, is er toch een
onrecht dat ons allemaal raakt. Zo zie ik het beleid ook.
Dan kom ik tot een vraag die u misschien allemaal impliciet, en sommigen
van u expliciet, hebben gesteld. Dat is de vraag: doen we nou genoeg als
Nederland? Dat is namelijk ook een vraag die ik als Kamerlid op dit
thema vaak heb gesteld aan mijn voorgangers en voorgangsters. Ik wil
daar eigenlijk drie dingen over zeggen. Eén. Toen ik werd bijgepraat
over wat we allemaal doen, ontdekte ik dat Nederland ongelofelijk veel
doet; dat kan ik eigenlijk alleen maar zeggen. We doen ook ongelofelijk
veel waar we trots op kunnen zijn. Op de vraag of het genoeg is, is het
antwoord evident, denk ik, nee. Dat heeft u ook allemaal onderstreept.
Het is niet genoeg. Daarbij moet ik ook wel zeggen dat wij als Nederland
in ons eentje ook niet alles zouden kunnen doen wat op dit terrein nodig
is, zeker niet gelet op wat sommige van onze bondgenoten nu hebben
gedaan of wat anderen gewoon nalaten om te doen.
Is het genoeg? Het antwoord is nee. Kan het beter? Ik ben trots op wat
we doen, maar ik denk ook dat het altijd beter kan. Ik denk dat een
aantal van uw Kamerleden suggesties hebben gedaan — ik zal daar straks
ook op ingaan — waar we weer ons voordeel mee kunnen doen. Ik heb ook
het verslag van de rondetafel gelezen. Ik heb ook met de Speciale
Vertegenwoordiger Patten zelf gesproken. Er kan dus altijd meer en daar
zal ik zeker ook iets over zeggen, in antwoord op uw vragen.
Ik wil misschien wel in algemene zin nog één woord zeggen over de
Nederlandse aanpak. Daar hebben namelijk ook velen van u impliciet naar
gevraagd. Nederland heeft, in tegenstelling tot veel andere landen, een
echt geïntegreerde aanpak waarbij wij proberen hulpverlening te doen
vanaf het moment … We proberen het ook te voorkomen; laten we dat
vooropzetten, maar goed, helaas is niet alles te voorkomen. We proberen
te bereiken dat vrouwen of mannen die dat overkomen is, vanaf het moment
dat er zoiets verschrikkelijks gebeurd is, toegang hebben tot alle
medische zorg die ze nodig hebben. We willen dat er vanuit die medische
zorg ook mogelijkheden zijn om vervolgens — ik ben het geheel eens met
de heer Verkuijlen — snel het verhaal te kunnen doen en op een of andere
manier toegang te krijgen tot het recht. Daar zal ik later nog iets over
zeggen. Die steun betreft fysieke medische steun, en die gaat over
taboedoorbrekende onderwerpen die ook zijn genoemd, zoals toegang tot
veilige abortus. Het gaat natuurlijk ook over psychosociale steun nadat
het gebeurd is. Nederland heeft die hele keten strak voor ogen; dat
geldt niet zo voor iedereen. Het geldt ook niet voor iedereen, voor elk
land en elke organisatie dat men bereid is datgene te doen wat echt
nodig is. Daar kom ik later misschien ook nog wat over te zeggen. Dat
misschien als algemene inleiding.
Ik heb een aantal blokken. Ik noem ze om u te helpen, om te weten waar
ongeveer uw vraag terechtkomt. Ik heb een blok over de steun die wij
verlenen aan organisaties. Ik heb een blok over accountability in
algemene zin; laten we het zo zeggen. Ik heb een blok accountability dat
meer specifiek over bepaalde regio's gaat en soms over een thema. Ik
hoop daar eigenlijk met u doorheen te gaan en te kijken waar we met
elkaar uit kunnen komen. Misschien mag ik aan het einde van deze
inleiding nogmaals het volgende zeggen. Wat u zegt en hoe het u heeft
geraakt, niet alleen deze kwestie maar ook het onderwerp van de
rondetafel, dat sijpelt door naar dit ministerie, deze minister en dit
kabinet.
Mevrouw Dobbe vroeg het volgende. Ik neem die vraag maar als eerste mee.
Ik ben het met haar eens dat netwerken van overlevenden en
vrouwenorganisaties cruciaal zijn. Dat zijn een soort
lotgenotengroeperingen. Dat zijn dus ook organisaties die wij steunen.
Vaak zijn het vrouwenrechtenorganisaties. Nog specifieker, met het
subsidiebeleidskader FemFocus hebben we een instrument van ongeveer 115
miljoen dat specifiek ziet op geweld tegen vrouwen; dat is een groot
kader. Ik denk dat mevrouw Dobbe het ook vaak heeft over de
kleinschalige, lokale netwerken. Dat vermoed ik zo maar. Het gaat over
netwerken die te maken hebben met een bepaald lokaal conflict. Ik ben
bereid om even goed te kijken of we daar nog extra dingen zouden kunnen
doen. Ik moet echter wel even specifiek kijken waar dat dan mogelijk is;
dat is vaak best wel maatwerk. Ik wil daar in algemene zin echter graag
nog naar kijken. Ik zeg wel dat dat in aanvulling is op wat Nederland al
doet, en dat is op dit terrein echt al best veel. Het is een goed idee,
maar het is geen nieuw idee.
Mevrouw Dobbe vroeg ook of de minister bereid is zich in te zetten voor
een thematisch speciaal gezant voor seksueel geweld. Wij steunen
uiteraard een sterke inzet. Ik ben echt bereid om me in te zetten voor
de ontwikkeling van een nieuw EU-actieplan op dit terrein. Ik weet niet
zo goed of wij op EU-gebied de handen op elkaar gaan krijgen voor een
nieuwe speciaal gezant, in die zin dat we al een speciaal gezant hebben
voor mensenrechten in het algemeen. Dat is op dit moment toevallig een
Nederlander, namelijk Kajsa Ollongren. We hebben ook onze eigen gezant
voor vrouwenrechten. Ik ben er wel toe genegen om haar advies te volgen
om dit tot een speciaal aandachtspunt voor deze gezant te maken. Ik wil
wel even kijken of dat past binnen de werkbelasting, want ik heb dat
gewoon niet met de betreffende persoon besproken. Maar ik denk dat het
moet gaan lukken.
Mevrouw Kröger, de heer Bamenga en anderen van u hebben gevraagd wat wij
doen met betrekking tot veilige abortuszorg. Ik moet echt zeggen dat ik
uw zorg zeer deel. Toegang tot veilige abortus is zeker in
conflictsituaties en zeker na seksueel geweld gewoon essentieel. Wij
zijn op zich een stabiele donor van Ipas, een organisatie die werkt aan
verbeterde zorg. Ik zie dus wat u hier vraagt. Ik zie ook dat veel
andere landen niet bereid zijn om zich op dit terrein te bewegen. Ik
snap dat. De heer Bamenga had het ook over taboes die doorbroken moeten
worden. Dit is iets om heel serieus naar te kijken. Ik ben bereid om
goed te luisteren naar hoe uw Kamer dit ziet.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het heel belangrijk dat Nederland hier echt weer leiderschap in
laat zien, zeker nu dit internationaal zo onder druk staat en de interne
politieke agenda van de VS een gigantische impact heeft op vrouwen in
conflictgebieden die geen veilige abortuszorg krijgen. Is er ook ruimte
om te kijken of Nederland meer zou kunnen doen?
Minister Sjoerdsma:
Dank voor deze vraag. Ook mevrouw Dobbe zei dat: het is goed als de
minister niet alleen terugkomt op wat Nederland al doet. Ik wil echter
ook graag onderstrepen hoeveel dat is; ik denk dat dat toch ook van
belang is. Ik ben best bereid om te onderzoeken of daar ruimte zit. Ik
moet wel even kijken waar dat dan het beste terecht kan komen en hoe we
dat het beste kunnen doen. We doen namelijk al best een aantal zaken. Ik
noemde net Ipas, maar we steunen ook UNFPA met meer dan 30 miljoen. Ik
denk dat het essentieel is dat toegang tot veilige abortuszorg onderdeel
is van zo'n noodpakket. Zo'n noodpakket is wel iets breder dan toegang
tot veilige abortuszorg. Het gaat daarbij ook om noodanticonceptie,
soa-testen en hiv-preventiemedicatie. Ik deel die zorg dus en ben bereid
om daarnaar te kijken.
De heer Stoffer (SGP):
Ik twijfel een beetje of ik een interruptie moet plegen. Aangezien de
eensgezindheid daarstraks werd benoemd, doe ik het toch. Ik wil hier
uiteraard geen abortusdebat van maken, maar ik wil wel de aantekening
maken dat ik er op dit punt anders in sta. Ik denk daarmee te markeren
dat dat goed is. Voor de rest wil ik voorkomen dat we er een
abortusdebat van maken, om het hele zware leed waarover we het hier met
elkaar hebben, niet weg te laten lopen. Maar de opmerking wil ik gemaakt
hebben.
De voorzitter:
Helder, meneer Stoffer. Gaat u door met uw betoog, minister.
Minister Sjoerdsma:
Dank aan de heer Stoffer voor de respectvolle wijze waarop hij dat
verschil van mening hier wil markeren. Dat begrijp ik goed.
De heer Bamenga vroeg wat we voornemens zijn te doen met het extra geld
voor vrouwenrechten dat voor volgend jaar begroot staat. Het klopt; er
is voor 2026 en 2027 inderdaad 5 miljoen aan het begrotingsartikel voor
vrouwenrechten en gender toegevoegd. Voor 2026 gaat dat naar het
zogenaamde Leading from the South pooled fund. Dat is een
vrouwenrechtenorganisatie uit het Globale Zuiden. Die organisatie wordt
geleid door mensen om wie het gaat voor mensen om wie het gaat. Zij
bepalen zelf waar de steun het beste kan worden ingezet — beter dan wij,
zeg ik met alle respect voor de experts op het ministerie. Dat is echt
cruciaal. Daarnaast gaan we 2 miljoen extra bijdragen aan het Trust Fund
to End Violence against Women and Girls van de VN. Dat is ook echt een
cruciaal trust fund van de VN, dat geweld tegen vrouwen aanpakt. De
invulling van de extra 5 miljoen zal samenhangen met de verdeling van de
intensiveringsmiddelen. Die zullen bij de begroting van 2027 worden
toegelicht, als die uw Kamer bereikt.
De heer Bamenga en ik denk eigenlijk ook de heer Verkuijlen vroegen naar
de geïntegreerde steun, fysiek en mentaal, aan overlevenden. Daar heb ik
in het begin al wel iets over gezegd, maar misschien moet ik er toch ook
iets uitgebreider op ingaan. Die steun is fysiek en mentaal van belang,
maar ook acuut en op langere termijn. Dat zijn belangrijke assen bij
deze zorg. Kijk naar de Nederlandse humanitaire partners. De heer
Stoffer had het bijvoorbeeld over Congo.
Laat ik er misschien gewoon eentje uitnemen: de Dutch Relief Alliance.
Ik zeg nog maar een keer — ik kan het eigenlijk niet vaak genoeg zeggen
— dat dat gewoon echt de Champions League is wat betreft
noodhulporganisaties wereldwijd. Het is gewoon echt top. Nederlandse
organisaties werken samen. In Congo bieden zij veilige ruimtes voor
vrouwen en meisjes en kindvriendelijke ruimtes voor psychosociale hulp
aan kinderen na dit soort zaken. Op langere termijn geven wij ook steun
aan bijvoorbeeld lokale vrouwenorganisaties, die weer hulp bieden aan
slachtoffers en overlevenden in conflictgebieden. Dat gaan we onder
andere doen met het net door mij genoemde FemFocus-beleidskader, dat dit
jaar van start gaat.
"Acuut" betekent: wat heb je meteen nodig nadat het gebeurt? Soms is dat
medische zorg. Soms is dat noodanticonceptie. Soms zijn dat soatesten.
Soms is het gewoon veiligheid en wegkomen uit de situatie. Soms is het
acute zorg op het gebied van voedsel, water en onderdak. Maar op de wat
langere termijn is het natuurlijk gerechtigheid. Dat hebben velen van u
ook gezegd. Het gaat om toegang tot het recht.
De heer Verkuijlen vroeg hoe we voorkomen dat hulp bureaucratisch wordt.
Als hulp bureaucratisch wordt, loop je ook het risico, om het even
vanuit het slachtoffer te bekijken, dat je hertraumatisering krijgt. Je
hebt echt iets verschrikkelijks meegemaakt. Vervolgens word je gevangen
in een proces waarin je het verhaal keer op keer moet vertellen of niet
de hulp krijgt die je nodig hebt. Dat er iets verschrikkelijks gebeurt,
is al onbestaanbaar, maar dat is al helemaal tergend. De Nederlandse
programma's en de organisaties die wij steunen, gaan echt over
laagdrempelige voorzieningen en over snelheid. Het slachtoffer staat
centraal en er wordt goed samengewerkt met lokale organisaties. Daar ben
ik echt van overtuigd. De evaluaties van dit soort organisaties, die wij
steunen, zijn eigenlijk stuk voor stuk goed. Maar het is wel een
belangrijke vraag. Zeker bij de wat grotere organisaties loop je het
risico dat dit gebeurt. Maar Nederland zit hier echt best scherp
op.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank aan de minister voor dat antwoord. Ik denk dat we op dat vlak
volledig op dezelfde pagina zitten. Mij gaat het om het volgende. Het is
ook een beetje ingegeven door ervaring. Als jonge mensen, vrouwen of
jonge mannen — eigenlijk maakt de leeftijd niet uit, omdat dit geweld
zich niet tot jonge mensen beperkt, maar in de algemene breedte voorkomt
— iedere keer opnieuw een verklaring moeten afleggen, is dat het
herbeleven van een traumatische ervaring. In het rondetafelgesprek
hebben we even gesproken met de commissaris die erover gaat. Die zei dat
je in rurale gebieden niet kunt denken aan ... In Europa is het vrij
gewoon om een video-opname te maken. Dan doe je één keer de verklaring.
Daar zitten alle strafbare elementen keurig netjes in. Dan doe je het
één keer. Nou kan ik me voorstellen dat dat niet bij de eerste keer kan,
maar laat het nou in godsnaam niet vijf keer gebeuren. We moeten ergens
in dat proces toch sneller een wig kunnen steken?
Minister Sjoerdsma:
Ik snap dit goed. Ik denk dat de persoonlijke en professionele
achtergrond van de heer Verkuijlen waardevol is in dit debat. Hij weet
waar hij het over heeft als het gaat om het tegengaan van
straffeloosheid. Laat ik dit dus gewoon meenemen. Ik weet dat mijn
collega's dit net zo belangrijk vinden als de heer Verkuijlen. Laten we
gewoon nog een keer goed nagaan of er nog een stap te zetten valt om dit
te voorkomen.
Ook de realiteitszin van de heer Verkuijlen is volgens mij namelijk
terecht. Het is niet altijd mogelijk, gelet op de situaties waarin dit
gebeurt, maar daar waar het wél kan gebeuren, kunnen we uiteraard onze
partnerorganisaties oproepen om er serieus aandacht voor te hebben en om
het goed te regelen. Ik weet dat ze dat over het algemeen goed proberen
te doen. Vaak loopt het spaak omdat je in situaties terechtkomt waarin
landen lokaal eigenlijk niet de capaciteit of de wil hebben — dat
laatste is natuurlijk nog verschrikkelijker — om iets te doen. Dan
moeten de slachtoffers het eerst vertellen, maar komen internationale
onderzoeksorganen om de hoek kijken en moet het nog een keer. Dat kan ik
niet helemaal voorkomen, denk ik. Dat is namelijk gewoon een beetje hoe
de keten werkt.
Als ik tussen twee kwaden moet kiezen, dan ben ik er gelukkig mee dat er
nog iets bestaat als internationale gerechtigheid. Dan neem ik voor lief
dat daar nog iets aan pijn bij komt. Het perspectief op gerechtigheid is
namelijk vaak het allerbelangrijkste.
Voorzitter. We komen bij het tweede blokje. O, excuus, er is nog een
vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik dacht: ik wacht het blokje even af. Ik heb me voorgenomen om te
kijken of we vandaag concreet kunnen worden en een beetje boven de
algemeenheden kunnen uitstijgen. Ik heb dus een aantal concrete vragen.
Ik hoorde de minister zeggen: we gaan kijken hoe we vrouwenorganisaties
en slachtoffernetwerken kunnen ondersteunen in aanvulling op wat we al
doen. Dan zou ik graag willen vragen hoe en wanneer dan. Zo kan het ook
als toezegging kunnen worden genoteerd.
Ik hoorde de minister zeggen: ik ben bereid me in te zetten voor een
EU-actieplan. Ik zou dezelfde vraag willen stellen: hoe en wanneer gaat
hij dat doen en hoe koppelt hij het terug? Zo kan dat ook als een
toezegging worden genoteerd.
Dan het uitbreiden van het takenpakket van de Ambassadeur Vrouwenrechten
en Gendergelijkheid die nu bestaat, naar aanleiding van mijn vraag om
een speciaal gezant. Ik denk dat dat leidt tot een verwatering van het
brede mandaat dat deze ambassadeur nu al heeft. Mijn vervolgvraag daarop
zou dus als volgt zijn. Is de minister bereid om, als je dan ergens wil
aansluiten, te kijken of het georganiseerd kan worden bij bijvoorbeeld
het Women, Peace and Securityprogramma? Er moet wel iemand zijn die
specifiek kijkt naar conflictgerelateerd seksueel geweld. Het zou
namelijk jammer zijn om juist dit belangrijke onderwerp zo te laten
verwateren door het te beleggen bij iemand die eigenlijk al te weinig
tijd heeft om zijn huidige werk te doen.
De voorzitter:
Dat zijn drie vragen in één interruptie.
Minister Sjoerdsma:
Ja, het zijn drie vragen in één, maar ik snap de vragen van mevrouw
Dobbe goed. Ik wil even voorkomen dat ik hier dingen zeg die ik niet
helemaal kan waarmaken. Ik denk dat beter is om het als volgt te doen.
Ik heb de dingen die mevrouw Dobbe net benoemde, toegezegd. Haar laatste
suggestie zal ik daar ook in meenemen. Laat ik gewoon toezeggen dat ik
op deze punten nog voor de zomer terugkom met een korte en krachtige
brief. Zo is voor de Kamer helder hoe we deze punten precies aan de haak
gaan slaan. Er zullen vast nog wat andere punten bij zitten van de
overige collega's. Ik denk dat dat de handigste manier is.
We kunnen in het EU-actieplan natuurlijk ook de gezant opbrengen. Dat is
geen probleem. Ik heb alleen wel wat realiteitszin over Europese
gezanten. De manier waarop het in Europa is georganiseerd, is net wat
anders dan in Nederland. Het brengt echt iets met zich mee. Ik proef bij
mijn collega's eerder een wens tot minder gezanten dan tot meer, als ik
het zo beluister. Maar dat hoeft onze inzet niet te verhinderen.
Ik hoor mevrouw Dobbe nog iets vragen. Het is één toezegging voor een
brief waarin meerdere toezeggingen zullen terugkomen.
De voorzitter:
De toezeggingen gaan we straks, aan het einde, eventjes
inventariseren.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een interruptie op dit punt over hoe je internationaal toch druk
kunt uitoefenen, bijvoorbeeld via een gezant, maar ook op andere
manieren. Ik zag de declaratie van de International Alliance on
Preventing Sexual Violence in Conflict. Dat is wat anders dan
SheDecides. Dit wordt geleid door het Verenigd Koninkrijk. Dat heeft een
eigen gezant hiervoor. Er zitten een heleboel Europese landen, maar ook
landen uit de rest van de wereld, bij. Net zoals bij SheDecides is dit
weer zo'n lijstje waarvan ik denk: waarom is Nederland daar niet bij?
Kan de minister hier wél onderdeel van uitmaken? Het zijn jaarlijkse
conferenties. Volgens mij is het belangrijk dat je hierin juist samen
met landen optrekt.
Minister Sjoerdsma:
Ik denk dat dat een belangrijke vraag is. Misschien twee korte
antwoorden. Een, over SheDecides: ik weet niet of je dat kan besluiten,
maar ze hebben me geaccepteerd als een SheDecides Champion, dus ik zal
dat ook op die manier invullen. Twee. Op dit terrein volg ik mevrouw
Kröger goed. Dat zullen we ook doen. In alle eerlijkheid: ik had deze
zelf nog niet gezien, maar het is geen ingewikkelde vraag. Het is een
vraag die ik graag omarm.
De voorzitter:
Ik zie dat er verder geen interrupties zijn, dus dan kunt u met het
tweede blokje aanvangen, minister.
Minister Sjoerdsma:
Dat is de accountability, en dan dus niet de regionale kant, maar de
meer algemene kant. De heer Verkuijlen had het over een centrale
standaard, over medische zorg, bewijsverzameling, juridische opvolging
en hoe die gekoppeld zijn. Ik denk dat centrale standaarden van groot
belang zijn. Een van de krachtigste voorbeelden van centrale standaarden
zijn de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie op dit gebied.
Zij zijn hiervoor opgericht, zal ik maar zeggen. Zij zijn hierop echt de
absolute experts. Het is essentieel dat die standaarden worden
nageleefd.
Daarbij is natuurlijk justitiële samenwerking ook van groot belang. Dat
zal de heer Verkuijlen aanspreken, denk ik. Daar heeft Nederland zich in
het verleden hard voor gemaakt en dat doet dit kabinet ook weer,
specifiek door onze inzet op het Ljubljana-Den Haagverdrag. We willen
nog steeds landen aan boord hijsen en ervoor zorgen dat dit wordt
uitgebreid. Dat bevat namelijk heel belangrijke afspraken over
juridische samenwerking op het gebied van opsporen, vervolgen en
berechten van internationale misdrijven. Het vergemakkelijkt ook de
samenwerking, waardoor we die straffeloosheid kunnen aanpakken. Ik
volgde zijn opmerking dus zeer goed.
De heer Bamenga had het eigenlijk over iets soortgelijks. Hij had het
over bewijsverzameling, getuigenbescherming en de vervolging van daders.
Velen van u hebben overigens naar die straffeloosheid gevraagd.
Nederland zet als land van recht natuurlijk nadrukkelijk in op het
tegengaan van straffeloosheid, al vind ik zelf dat het tegengaan van
straffeloosheid helemaal niet goed voelt. De norm moet zijn dat alles
wat strafbaar is gewoon leidt tot berechting. Maar goed, dit is
kennelijk hoe we daarover praten.
Het is kennelijk zo ernstig dat we straffeloosheid willen tegengaan. Dat
doen we op een aantal manieren. Op landenniveau investeert Nederland
vaak in de rechtsketen en in laagdrempelige juridische dienstverlening,
waardoor mensen toch ondersteuning kunnen krijgen en hun recht kunnen
zoeken. Op internationaal niveau is Nederland echt een van de
vooraanstaande steunpilaren en donoren van bewijsvergaringsmechanismes,
zoals bijvoorbeeld de VN fact-finding missions en de Commission of
Inquiry. Er zullen er vast enkele zijn waarbij Nederland niet betrokken
is, maar in verreweg het allergrootste deel is Nederland echt een
cruciale speler. Ook steunt Nederland natuurlijk de Hoge Commissaris
voor de Mensenrechten van de VN zeer intensief. Als het echt gaat om de
allergrootste misdaden, steunt Nederland ook de onderzoekscapaciteit van
het Internationaal Strafhof, overigens inclusief gespecialiseerde
capaciteit op het gebied van gendergerelateerd geweld.
De heer Verkuijlen had het ook over de Nederlandse expertise en
capaciteit, en de meer specifieke vraag hoe die dan wordt ingezet voor
trainingen voor forensisch onderzoekers, artsen en aanklagers. Dat is
natuurlijk cruciaal. Ik had het net over wat er lokaal gebeurt. Soms heb
je de wil niet, omdat de staat ook betrokken is bij deze misdaden of
omdat het gewoon niet als een prioriteit wordt gezien. Soms wordt er
simpelweg niks mee gedaan, hoe verschrikkelijk ook, omdat het vrouwen
betreft. Maar soms ontbreekt ook gewoon de capaciteit om daadwerkelijk
iets te kunnen doen.
We zetten ons er nadrukkelijk voor in. Vanuit ambassades kijken we naar
kansen voor informatie-uitwisseling. Via het VN-mensenrechtenkantoor
werken we bijvoorbeeld ook nauw samen met het Nederlands Forensisch
Instituut, om de hulp en expertise, die toch van ongelofelijke kwaliteit
is, wereldwijd in te zetten bij onderzoek naar dit soort schendingen.
Veel beter dan dat wordt het niet, denk ik, qua expertise die we ter
beschikking hebben.
Mevrouw Dobbe vroeg op dit punt of we bereid zijn het gesprek aan te
gaan met het Trust Fund for Victims en een voorstel te doen voor hoe we
dat kunnen ondersteunen. We staan in nauw contact met dat Trust Fund. We
behoren traditioneel tot de grootste donoren. We ondersteunen ook het
werk van het fonds in de situatielanden van het Strafhof en wij
organiseren ook wel regelmatig events om dit werk van het Hof onder de
aandacht te brengen en om daar steun voor te vergaren.
Mevrouw Kröger vroeg of we de bewijsvergaring kunnen vergemakkelijken
door steun aan ngo's op de grond. Het antwoord is ja. Ook dit is
natuurlijk weer cruciaal. Daar waar het allemaal niet werkt, moet je via
VN-instellingen, onderzoekscommissies of maatschappelijke organisaties
proberen de daders toch boven water te krijgen. Eigenlijk zou ik heel
veel voorbeelden willen noemen van organisaties die we steunen, omdat
het prachtig werk in vervelende omstandigheden is wat ze doen. Wij
ondersteunen, om maar één voorbeeld te noemen, Justice Rapid Response.
Dankzij onze steun detacheerde die organisatie bijvoorbeeld 115 experts
naar 20 landen om juist lokale organisaties en internationale
accountabilitymechanismes te versterken. Ook volgend jaar zetten we die
steun door.
Mevrouw Kröger vroeg in algemene zin nog wat we doen ter ondersteuning
van het Internationaal Strafhof. Het is een beetje een vraag voor de
minister van Buitenlandse Zaken, dus ik verwijs de vraag ook in die zin
door naar het debat dat over de National Security Strategy is gevoerd.
Als gastland zetten we ons natuurlijk echt hartstochtelijk in voor het
functioneren van dit Hof. Wij staan ook al maanden in contact met
eigenlijk alle relevante actoren, inclusief de VS, om er toch voor te
zorgen dat het Hof zo goed mogelijk wordt ondersteund en om deze
sancties af te wenden, maar mocht mevrouw Kröger er echt op willen
doorgaan, dan raad ik haar toch aan om dat met de minister van
Buitenlandse Zaken te bespreken. Die is daar namelijk echt dagdagelijks
mee bezig en dat zit gewoon altijd in zijn hoofd, waar hij ook is.
Dan kunnen we misschien doorgaan naar de regioconferentie.
De voorzitter:
Een moment. Ik zie wat interrupties. Mevrouw Dobbe, u was als
eerste?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja. Het stukje over het ICC, het Internationaal Strafhof, is nu
vermoedelijk klaar. Wat betreft het Trust Fund for Victims snap ik dat
Nederland daar een van de grootste donoren van is, maar daarom was mijn
vraag ook niet om te kijken of we verder kunnen gaan dan wat we al doen.
Er zijn ook gewoon landen die niet zoveel doneren als Nederland; laat ik
het zo zeggen. Je kan dus twee kanten op met het verzoek om met het
Trust Fund in gesprek te gaan om te kijken hoe je dat kan steunen en om
te kijken waar de gaten vallen: zelf bijpassen kan een oplossing zijn,
maar je kan je ook als minister inzetten om te zorgen dat die andere
landen gaan bijpassen. Misschien kan de minister iets meer zeggen over
wat hij dan kan doen.
Minister Sjoerdsma:
Ik vind dat een sympathieke en ook een goede suggestie van mevrouw
Dobbe. Dat ga ik graag doen. De minister van Buitenlandse Zaken is hier
niet bij, maar ik weet zeker dat hij datzelfde zal willen doen tijdens
zijn bezoeken. Misschien is het namelijk goed om in algemene zin het
volgende te markeren. Vandaag hebben we het debat over de Nederlandse
inzet. Deze minister, dit kabinet, gaat zich hier vol voor inzetten,
maar wij kunnen onze slagkracht ook vergroten door anderen ervan te
overtuigen dat ze dit net zo belangrijk gaan vinden als wij en dat zij
daar niet alleen af en toe diplomatiek iets mee doen, maar dat ze daar
ook financieel iets mee doen; dat wordt natuurlijk overigens gesteund
door een ambtenarenteam dat hier echt met enorme passie aan werkt, mag
ik wel zeggen. Dat ga ik zeker meenemen en ik zal ook eens even intern
nalopen bij welke landen het nou eigenlijk de meeste kans heeft om dat
te doen. Ik spreek in een week best veel collega's en er zijn best veel
gelegenheden om dit op te brengen, dus dat doe ik graag.
De voorzitter:
Ik zag eerst nog een aanvullende interruptie van mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Is de minister dan ook bereid om daarop terug te komen? Mijn andere
vraag zag toe op een aanbeveling van de Fact-Finding Mission for the
Sudan. Daarbij is dus aanbevolen om toch nog in samenspraak een soort
parallel traject met het Internationaal Strafhof op te zetten; "een
mechanisme" noemen ze dat dan. Het gaat om een onafhankelijk juridisch
mechanisme om straffeloosheid tegen te gaan. Op die vraag bent u volgens
mij nog niet ingegaan.
Minister Sjoerdsma:
Dat klopt, mevrouw Dobbe. Ik ga u een interruptie besparen; daar kom ik
in het volgende blokje nog op. Ik ga niet specifiek terugkomen op het
punt dat ik net noemde, maar ik ga de Kamer toezeggen dat ik dit, daar
waar dat in de contacten met mijn collega's mogelijk is, wherever, ga
opbrengen. Ik zal niet uitgebreid verslag doen van elk gesprek waarin ik
dat heb gedaan, maar u kunt ervan op aan dat ik dat ga doen.
Ik zie dat mevrouw Dobbe nog iets wil zeggen. Ik heb u één interruptie
bespaard, mevrouw Dobbe.
De voorzitter:
Dat bepaalt u eigenlijk niet, minister. Daar gaat de voorzitter
over.
Minister Sjoerdsma:
U hebt gelijk, voorzitter. Ik zal mijn microfoon weer uitzetten.
De voorzitter:
Mevrouw Kröger, voor haar derde interruptie.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat het blokje ICC is afgerond. Ik hoor de opmerking over de
inzet van de minister van Buitenlandse Zaken en het debat over het snel
in effect brengen van het blocking statute. Maar mijn vraag ging
eigenlijk over socialmediabedrijven onder druk zetten om materiaal
…
Minister Sjoerdsma:
Dat komt nog.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Oké. Dat was een vraag in relatie tot het ICC. De vraag ging erover dat
we ook juist het ICC kunnen ondersteunen om dat materiaal op te kunnen
slaan en te kunnen analyseren.
Minister Sjoerdsma:
Oké. Weet u wat, ik ga die vraag gewoon meteen beantwoorden; dan heeft u
dat. Ik herinner mij van enkele jaren geleden dat er verschrikkelijke
beelden van misdaden werden gewist door grote mediabedrijven of
socialmediabedrijven. Daardoor ging er cruciale data … Dat ging
overigens ook gewoon om sites waar ze op stonden. Als ik het goed heb,
werden zelfs de e-mailaccounts van de onderzoekers die de beelden hadden
opgeslagen, geblokkeerd of verwijderd. Dat gebeurde simpelweg omdat het
beelden zou betreffen die tegen de gedragscode van deze mediabedrijven
zouden ingaan. Ook toen was dit een belangrijk debat. Ik werd toen
benaderd, net zoals u nu waarschijnlijk benaderd bent, door echte
experts op dit gebied, die gewoon hun levenswerk kwijtraken. Ik bedoel
levenswerk in de positieve zin. Zij zijn gewoon bezig met het
documenteren van deze misdaden, zodat er gerechtigheid kan komen. In dit
opzicht zeg ik graag toe dat wij dit in contact met deze bedrijven
zullen opbrengen. Wij zullen hun vragen om in hun beleid …
Ik snap dat zij gedragscodes hebben en in algemene zin bepaalde beelden
willen weren, als het meer gaat om beelden ter vermaak, hoe
verschrikkelijk dat ook is. In dit soort gevallen zou het gewoon moeten
kunnen blijven bestaan. Zo kan het gearchiveerd en gebruikt worden door
organen zoals het ICC, maar ook elders, zeg ik er maar bij, dus niet
enkel door het ICC.
De voorzitter:
Een aanvullende vraag van mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de toezegging over dat gesprek. Ik denk dat mijn vraag ietsje
verder ging, namelijk: kunnen we het ICC of andere gremia ondersteunen
bij het opslaan en analyseren van die beelden? De minister refereert
hier eigenlijk vrij specifiek aan materiaal dat gewist wordt vanuit een
gedragscode, maar je hebt natuurlijk ook beelden via een livestream,
snap of verhaal. Er wordt natuurlijk in allerlei vormen materiaal
gedeeld, die van nature kortstondig zijn. De vraag is natuurlijk: hoe
zorgen we dat dat materiaal meteen gedownload en bewaard wordt, in
afwachting van zaken die bijvoorbeeld door het ICC gebouwd worden? Het
is een grote, moeilijke vraag, maar ik zou van de minister wel … Het
vraagt iets meer dan alleen een gesprek met de socialmediabedrijven. Het
gaat eigenlijk om een strategie over bewijslast via social media, ook
over bewijslast die maar kortstondig in de lucht is.
Minister Sjoerdsma:
Hoewel ik vroeger voor een computertijdschrift heb geschreven, is
datgene wat mevrouw Kröger vraagt in de techniek toch best moeilijk. Ik
denk dat ik er wel iets mee kan. Ik denk dat het belangrijkste wat ik in
de reikwijdte van het kabinet kan doen … Ik heb namelijk ook niet zo
heel veel illusies over wat die mediabedrijven tegen mij gaan zeggen als
ik dit ga aankaarten, gelet op hoe sommige andere conversaties met die
bedrijven op dit moment verlopen. Ten aanzien van wat je vervolgens met
die zaken kan doen en hoe je die kan opslaan, archiveren en registreren,
hebben we echt een fantastisch programma met het Strafhof lopen, zo moet
ik zelf zeggen. Dat is echt een goed programma, dat het Strafhof in
staat heeft gesteld om een digitaal portaal te openen, waarin echt
iedereen ter wereld, waar ook ter wereld, audio- en videomateriaal kan
uploaden. Op die manier komt er ook nu, terwijl we hier zitten, echt een
enorme hoeveelheid potentieel bewijsmateriaal binnen. Ik weet dat we
misschien iets meer willen, maar ik zou hierbij eigenlijk willen
teruggrijpen op iets wat we hebben gedaan en wat echt ongelofelijk goed
werkt. Ook kan er qua analyse met moderne technieken, zoals spraak- en
gezichtsherkenning, heel snel een slag worden gemaakt. Op dit punt zou
ik eigenlijk zeggen: ja, ik ga met die bedrijven praten, maar wat
betreft het opslaan en het registreren van deze dingen, hebben we met
het Strafhof echt iets heel bijzonders gedaan, vind ik zelf. Het is iets
waar Nederland en hopelijk ook de Kamer trots op kan zijn.
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Sjoerdsma:
Dank u.
Ik kom bij de regionale aanklagersconferentie in Nairobi. Verschillende
leden hebben daar vragen over gesteld. Ik denk dat het het belangrijkste
is dat ik kort vertel wat die conferentie inhoudt. We hebben een
conferentie in Den Haag gehad, onder leiding van de toenmalige minister
van Buitenlandse Zaken, Hanke Bruins Slot. Dat was politiek en
diplomatiek gezien een hele belangrijke conferentie. Deze conferentie
gaat eigenlijk niet over de politiek en de diplomatiek, maar juist over
de praktijk. Hoe doe je dit? Hoe zorg je ervoor dat er bewijsstandaarden
en slachtoffergerichte procedures zijn?
Je moet het eigenlijk zien als een soort internationale conferentie voor
aanklagers, die hier samen met het VN-team van experts naar kijken. Ze
bespreken daar: "Laten we even kijken hoe jij dit doet en hoe ik dit
doe. Waar kan het nog een slag beter en waar kunnen we van elkaar
leren?" Het gaat juist om de praktijk. Ik denk dat dat echt cruciaal is.
Diplomatiek en politiek gezien moet u er misschien wat minder van
verwachten, maar des te meer als het gaat om de praktijk. Ik denk dat
deze wereld daar ook om vraagt. Nederland financiert een groot deel van
deze conferentie.
Dat was het blokje accountability algemeen, mevrouw de voorzitter. Ik
heb nog vragen over specifieke, vaak geografische,
accountabilitysituaties.
De voorzitter:
Ik zie geen interrupties, dus gaat uw gang.
Minister Sjoerdsma:
Dan ga ik door.
De heer Verkuijlen vroeg naar de straffeloosheid ten aanzien van
Russisch seksueel geweld in Oekraïne. Ik denk dat zijn analyse zeer
juist is. Net als in andere conflictgebieden gebruikt de Russische staat
seksueel geweld om de Oekraïense geest en weerstand te breken, op
individueel en breder niveau. Ik parafraseer zijn vraag even: hoe zorgen
we ervoor dat de bewijslast daadwerkelijk aankomt bij het Strafhof en
het agressietribunaal?
De verantwoordelijkheid ligt voor een groot deel bij Oekraïne om hier
via het nationale rechtsstelsel aan bij te dragen. Tegelijkertijd
verleent Nederland bilaterale steun via partnerorganisaties voor
capaciteitsversterking van de justitiesector. Denk onder andere aan het
trainen van rechercheurs en openbaar aanklagers om ervoor te zorgen dat
we een slachtoffer- en traumagerelateerde aanpak centraal stellen. Het
agressietribunaal zal geen rechtsmacht hebben over dit soort misdrijven,
maar het Strafhof uiteraard wel. Ik wil daaraan toevoegen dat het goed
is dat Oekraïne, na langdurig contact met Nederland, heeft besloten om
zich aan te sluiten bij het Strafhof. Dat zal ook de positie van
Oekraïne daar versterken.
Mevrouw Nanninga refereerde aan de verschrikkelijke gebeurtenissen van 7
oktober. Zij was overigens niet de enige. Volgens mij zei de heer
Stoffer daar ook iets over. Laat ik hier nog een keer namens het kabinet
zeggen hoezeer wij die terroristische aanvallen veroordelen, in het
bijzonder het seksueel geweld en de gender-based violence. Daar werd nu
ook naar gevraagd. Het werd eigenlijk door u allemaal gezegd: "Waar of
door wie het ook gebeurt, er zijn geen komma's, puntkomma's of pauzes.
Dat kunnen en moeten we met elkaar veroordelen. Punt." "Uitroepteken",
zou ik willen zeggen.
Er zijn meerdere rapporten en getuigenverklaringen over wat daar gebeurd
is. Die zijn stuk voor stuk verschrikkelijk. Daarvoor schieten woorden
tekort. Met u ben ik van mening dat het een vooropgestelde werkwijze
was, een methode van oorlogvoering. Ik kan het eigenlijk niet anders
zeggen. Vanuit deze gedachte en vanwege deze gebeurtenissen is Hamas
vorig jaar op de zwarte lijst van daders geplaatst in het jaarlijkse
VN-rapport, met de volledige steun van Nederland. Ik kan daar heel veel
over zeggen, maar ik hoop dat de kern helder is. Wij veroordelen dit.
Het is onacceptabel en het mag niet zonder gevolgen blijven.
De heer Stoffer had daar nog een specifieke vraag over. Hij vroeg naar
het concept "kinocide". Laat ik daar in algemene zin iets over zeggen.
Excuus, ik ben net bij uw vraag, meneer Stoffer. Ik heb net in algemene
zin iets gezegd over 7 oktober. Het begrip "kinocide" is geïntroduceerd
in dit rapport. Daarbij moet ik een paar dingen zeggen. Wat er in het
rapport beschreven staat — dat heb ik net ook gezegd in uw afwezigheid —
is buitengewoon verschrikkelijk en buitengewoon walgelijk. Het verdient,
net zoals de afgelopen jaren door Nederland is gedaan, opnieuw de
veroordeling.
Het concept kinocide is geen internationaal of juridisch concept waar
verder heel veel mee kan, maar ik snap wel goed dat men heeft geprobeerd
een label te plakken aan deze misdaad. Als het gaat om de ernst van de
misdaden … Wij zitten gewoon bij het Statuut van Rome, het Verdrag van
Genève en de staande internationale juridische kaders, en die zijn hier
passend. Ik snap het gevoel dat hier een extra naam voor nodig lijkt te
zijn, maar ik denk dat de huidige kaders volstaan om met deze
verschrikkingen om te gaan.
Een andere situatie die werd genoemd, is die in Sudan. O, excuus.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik vroeg heel specifiek of de minister kennis had genomen van een
specifiek rapport, namelijk dat van de Civil Commission, October 7
Crimes by Hamas Against Women and Children. Nu kan ik me voorstellen dat
de minister het druk heeft en niet iedere letter die op zijn bureau komt
zelf kan lezen, maar heeft hij dat gelezen of is hij bereid zich door
zijn staf te laten briefen over dat rapport van die commissie?
Minister Sjoerdsma:
U heeft het over het rapport Silenced No More, toch? Ja, absoluut. Dat
is ook de reden dat ik net datgene heb gezegd wat ik heb gezegd. In alle
eerlijkheid, ik weet niet of ik het rapport nodig had om te zeggen, maar
het is denk ik een extra onderstreping van de noodzaak om dat te zeggen
in deze specifieke casus. Mevrouw Nanninga beschreef ook hoe het voor
haar was om terplekke te zijn, op de locatie waar het was gebeurd. Ik
kan me ook goed voorstellen hoe dat indringend is, zeker als er nog
sporen van te zien zijn. Ik hoop dat u dat voldoende beantwoording
vindt.
Qua opvolging hebben we alles gedaan wat we richting Hamas kunnen doen,
zowel in VN-verband als bilateraal als in EU-verband. Het rapport zelf
vind ik echt een driedubbele onderstreping van wat we daarvoor al hebben
gezegd: het kan en mag op geen enkele manier gebeuren en dat het gebeurd
is, is hemeltergend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik had nog een vraag openstaan — misschien komt die nog — over hoe het
financieren van UNRWA hieraan bijdraagt. Dat is aantoonbaar een
organisatie waarbij in appgroepen van UNRWA werd gejuicht over precies
deze beelden van onder meer seksueel geweld, en waar aantoonbaar sprake
was van infiltratie door de daders van dit geweld.
Minister Sjoerdsma:
Ik ga proberen te voorkomen om het debat dat we hebben gevoerd met de
Kamer over UNRWA, ook met de collega van mevrouw Nanninga, de heer
Hoogeveen, geheel opnieuw te doen. Laat ik er in algemene zin over
zeggen dat we, als het gaat om hulpverlening aan Palestijnen, niet om
UNRWA heen kunnen. Als ik kijk naar de onafhankelijke onderzoeken naar
UNRWA, zie ik dat daarin wordt gesteld dat de systemen van UNRWA om te
voorkomen dat zij geïnfiltreerd worden door Hamas, robuust zijn. Er is
zelfs opgetreden tegen enkele mensen, die zijn ontslagen op basis van
bewijs waarvan ik zeker weet dat ze in Nederland op geen enkele manier
ontslagen zouden zijn. De systemen zijn daar dus robuust, maar er is ook
de bereidheid om geen enkele schijn te laten ontstaan en om zelfs zó ver
te gaan dat je eigenlijk de werknemersrechten schendt om maar zeker te
stellen dat er niemand bij je in de buurt komt die te maken heeft met
Hamas. Die bereidheid is zodanig dat Nederland, of in ieder geval dit
kabinet, in september naast de huidige bijdrage een additionele
verhoging van de Nederlandse bijdrage aan UNRWA voorlegt aan uw
Kamer.
De voorzitter:
Mevrouw Nanninga, uw derde interruptie. We moeten zorgen dat we er geen
UNRWA-debat van maken vandaag, maar gaat uw gang.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Daar ben ik het helemaal mee eens, voorzitter. Dat was ook de eerste zin
van mijn derde interruptie. Ik ben het er helemaal mee eens dat we dat
debat niet opnieuw gaan voeren, maar ik vraag wel om grote alertheid
daarop. Ook als het gaat om slachtoffers van seksueel of gendergeweld —
die zijn er natuurlijk ook in Gaza zelf heel veel; we hebben daar niet
precies zicht op, maar die zijn er wel — vraag ik om daar wel echt alert
op te blijven. We moeten zorgen dat we niet met Nederlands belastinggeld
clubs financieren die daar juist aan bijdragen. De vraag of UNRWA de
enige toegangsbron is, is een vraag voor een ander debat, maar ook omdat
alles in Gaza natuurlijk onder de controle van Hamas staat, wordt er op
dit specifieke punt echt alertheid van de minister gevraagd om te zorgen
dat daar onbedoeld niet toch aan wordt bijgedragen met Nederlands
geld.
Minister Sjoerdsma:
Die opmerking snap ik heel goed. In meer algemene zin is het Nederlandse
kabinet maar eigenlijk iedereen op het ministerie van Buitenlandse Zaken
er enorm op gebrand om met Nederlands belastinggeld te doen wat goed is
en op alle mogelijke manieren te voorkomen dat Nederlands belastinggeld
terechtkomt op plekken waarvan wij niet willen dat het daar terechtkomt.
De mechanismen die we daarvoor hebben en de tijd, de energie en de
controle die daarmee gemoeid zijn, zijn enorm. Daarmee kan ik overigens
niet volledig uitsluiten dat er eens een keer iets fout gaat, want dat
zijn de risico's van conflictgebieden, maar de inzet daar en de
aansporing vanuit uw Kamer op dit terrein zijn zeer helder.
Daarbij wil ik wel één opmerking maken over hoe makkelijk het is om dat
te controleren: dat is namelijk heel moeilijk. De toegang tot Gaza, ook
voor organisaties voor absolute noodhulp, is natuurlijk echt belabberd.
Dat is geen natuurverschijnsel; dat komt door de opstelling van de
Israëlische regering en dat gaat gewoon in tegen haar verplichting onder
het internationaal recht. Er is geen balans, want het zijn twee heel
verschillende zaken, maar die twee dingen helpen elkaar niet.
Voorzitter. Dan kom ik bij de situatie omtrent de VAE. Sommigen van u
hebben verwezen naar het rapport van Human Rights Watch dat is
uitgekomen. Dat is in alle opzichten een zorgwekkend rapport, dat
volgens mij bevestigt wat op sommige manieren al bekend was. Sommigen
van u hebben mij gevraagd of dit iets anders betekent voor de
Nederlandse opstelling. In alle eerlijkheid denk ik dat juist niet, want
het onderstreept wat Nederland de afgelopen tijd heeft gedaan. Mede op
aanjagen van uw Kamer zijn wij zeer kritisch op datgene wat in Sudan
gebeurt door externe actoren; ik zeg daarbij dat er meerdere externe
actoren zijn.
Wij zijn zeer, zeer kritisch op wapenleveranties. Wij willen een
wapenembargo voor heel Sudan. Wij zijn zeer kritisch op wapenexport die
omgeleid zou kunnen worden en dat staan we op geen enkele manier toe.
Wij zijn ook helder over hoe wij onze relatie bilateraal en Europees
volgens ons moeten inzetten om de rol die hier door Human Rights Watch
opnieuw wordt beschreven, ingrijpend aan de kaak te stellen. Dat heb ik
laatst ook weer gedaan in de Handelsraad. U kunt zich wel voorstellen
dat niet al mijn collega's volledig betrokken zijn bij deze discussies,
maar ik vind het toch belangrijk om dit ook daar te doen. Ik weet dat
mijn collega, de minister van Buitenlandse Zaken, dat ook doet.
Dan zijn we bij Sudan, via de VAE. Er zijn nog twee vragen van mevrouw
Dobbe over de factfindingmissie. Ik moet daar een aantal dingen over
zeggen. Ten eerste is directe financiering van de factfindingmissie niet
mogelijk. Wij steunen natuurlijk wel allerlei andere
onderzoeksmechanismen. Die leveren dan weer personeel en expertise aan
deze factfindingmissies. Dat is dus een beetje een getrapte bijdrage.
Dat gaat over ongeveer 3,5 miljoen voor de periode 2025-2027. Wij
steunen de factfindingmissie ook politiek en diplomatiek door lid te
zijn van de groep landen die de resolutie in de Mensenrechtenraad trekt.
Daar gaan we ook het gesprek aan over hoe we deze factfindingmissie het
beste kunnen ondersteunen.
Mevrouw Dobbe vroeg ook om een onafhankelijk juridisch mechanisme op te
zetten dat samenwerkt met het Internationaal Strafhof om straffeloosheid
in Sudan tegen te gaan. In algemene zin kampen het multilaterale systeem
en volgens mij ook veel onderzoeksinstellingen eigenlijk met
capaciteitsbeperking en met een heel beperkte financiering. Dit is in
alle eerlijkheid eigenlijk een van de weinige suggesties waarvan ik heel
graag tegen mevrouw Dobbe zou willen zeggen dat we dit gaan doen, maar
kijkend naar die capaciteitsbeperking kan ik dat eigenlijk niet
waarmaken. Ik denk vooral dat de organisaties die hiermee bezig zijn,
dit niet waar kunnen maken, dat we ons hier gewoon moeten richten op de
bestaande instellingen en dat we die zo goed mogelijk moeten
ondersteunen en versterken.
Voorzitter. De heer Bamenga vroeg specifiek hoe Nederland zijn
diplomatieke relaties, EU-instrumenten en sanctiebeleid inzet. Nederland
vraagt natuurlijk internationaal om aandacht voor dit geweld. Ten
aanzien van dit geweld hebben we ook eerder sanctiepakketten in Europa
aangejaagd en aangenomen gekregen. De EU heeft bijvoorbeeld in november
nog sancties aangenomen tegen commandant Dagalo van de RSF. Ik ben wel
bereid om hier toe te zeggen dat wij in landensanctiepakketten — zonder
dat ik specifiek inga op de vraag om welke landenpakketten het dan gaat,
want ik denk dat het verrassingselement van belang is bij sancties —
opnieuw gaan kijken naar de mogelijkheid om sancties in te zetten tegen
daders van dit soort geweld.
Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. U heeft in ieder geval nog een interruptie van
mevrouw Dobbe. Gaat uw gang, het is uw laatste interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil toch even doorgaan op de rol van de Emiraten. In alle eerlijkheid
wil ik het debat voorkomen dat we ook al tweeënhalf jaar over Gaza
voeren. Ik wil voorkomen dat er wordt gezegd: we kaarten dit aan, we
kaarten het stevig aan, we hebben stevige gesprekken. Want dat hoor ik
de minister toch ongeveer zeggen. Uit nieuwe informatie blijkt dat de
Emiraten niet alleen maar wapensteun geven aan een van de grootste
daders van de afschuwelijke oorlog in Sudan en dat seksueel geweld wordt
ingezet als wapen, maar ook dat er onomstotelijk bewijs is dat ze
bijvoorbeeld ook Colombianen aan het trainen zijn om mee te
vechten.
Dan kan het niet zo zijn dat we nu weer terechtkomen in een gesprek met
de minister in de trant van: we gaan gewoon door met die gesprekken. Uit
alle rapporten, ook die van de AIV, over geweld tegen hulphulpverleners
staat: je moet op een gegeven moment wel gaan kijken hoe je gaat
escaleren. Dat betekent dat je niet alleen maar stille diplomatie moet
betrachten, maar ook moet kijken wat daarna volgt. Daar zou ik deze
minister graag over willen horen, want de informatie die we nu hebben
ontvangen is niet mals.
Minister Sjoerdsma:
Nee, die is niet mals. Dat is evident. Die informatie is gewoon heel
belastend — laat ik het zo maar zeggen — en op heel veel manieren
bezwaarlijk. Ik volg niet helemaal de redeneerlijn en de vergelijking
die mevrouw Dobbe maakt met Gaza. Ik zie dat zelf echt heel anders, in
ieder geval mijn eigen rol en de rol van het kabinet. Maar laat ik hier
toezeggen, omdat het voor een groot deel ook het terrein van de minister
van Buitenlandse Zaken betreft, dat we schriftelijk, met een
appreciatie, terugkomen op dit rapport. Ik begreep ook dat er
Kamervragen over zijn gesteld. Misschien dat we dat daarin eventjes
meenemen. Dat geeft mij ook de gelegenheid tot wat ruggenspraak met mijn
collega-minister.
De voorzitter:
U mag heel kort een aanvullende vraag stellen over hetzelfde. Maar dat
is dan ook uw allerlaatste.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Dan zou ik de minister wel willen meegeven dat we echt geen
genoegen nemen met het antwoord dat we "dit in stevige gesprekken aan de
orde stellen". Daar mag het niet bij blijven, want dan zitten we in
hetzelfde debat en komen we er niet uit. Dan moeten wij weer allerlei
voorstellen gaan doen. Laten we dat voorkomen, want deze minister snapt
ook wel dat er meer nodig is en dat je moet opschalen op het moment dat
iets niet werkt. De minister mag zelf met ons delen wat hij daarvoor in
gedachten heeft, maar laten we niet dat gaan doen.
Minister Sjoerdsma:
Gelukkig hebt u de minister niet horen zeggen dat zijn inzet beperkt is
tot een stevig gesprek.
De voorzitter:
We wachten de schriftelijke reactie op de vragen af. Eerst de heer
Bamenga en daarna mevrouw Kröger.
De heer Bamenga (D66):
Dank aan de minister voor alle reacties en ook dank voor de toezegging.
Ik had nog een vraag. Toen het ging over de aanklagersconferentie in
Nairobi gaf de minister aan dat deze over de praktijk gaat. Daarmee
waren mijn vragen volgens mij niet beantwoord, want ik heb zelf gevraagd
of de minister kan inzetten op een blijvend regionaal netwerk van
gespecialiseerde aanklagers en onderzoekers met toegang tot gedeelde
expertise, bewijsstandaarden en survivor-centered procedures. Volgens
mij gaat dit juist over die praktijk.
Minister Sjoerdsma:
Excuus. De heer Bamenga heeft hier helemaal gelijk. Ik ga hier een klein
voorbehoud maken. Ik wil ook even kijken waar zij zelf mee komen. Ik
vind het echt van belang dat we het eigenaarschap leggen bij de mensen
die ermee bezig zijn. Als vanuit deze conferentie deze behoefte naar
voren komt, dan is het antwoord meteen en evident ja. Maar als er andere
behoeftes of prioriteiten zijn, dan volg ik die. Dat vind ik van belang
om de volgende reden. Als we ervoor willen zorgen dat dit niet alleen
onze, maar een gedeelde prioriteit is, en als we ervoor willen zorgen
dat niet alleen wij ons hier eigenaar voelen, maar dat ook de mensen
daar zich eigenaar kunnen voelen, omdat ze de capaciteiten en de
middelen krijgen, dan zullen we hen ook in de gelegenheid moeten stellen
om zelf de route te bepalen. Als ik de heer Bamenga zo mag begrijpen,
dan zitten we op dezelfde lijn, denk ik.
De voorzitter:
Meneer Bamenga, aanvullend.
De heer Bamenga (D66):
Zeker. Het moet natuurlijk wel iets zijn waar behoefte aan is. Dat
kunnen we natuurlijk proactief uitvragen. In het kader daarvan vind ik
het wel fijn als de Kamer na de conferentie geïnformeerd wordt over hoe
we verdergaan.
Minister Sjoerdsma:
Dat zullen we doen. Na de conferentie zullen we de Kamer informeren over
de bevindingen van de conferentie.
De voorzitter:
Dank u wel voor deze toezegging, minister. We gaan naar mevrouw Kröger.
Het is uw laatste interruptie.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het echt belangrijk is dat de minister schriftelijk
terugkomt op hoe Nederland zich op basis van de nieuwste bevindingen
gaat verhouden ten opzichte van de Emiraten. De minister zegt net dat
het niet alleen stevige gesprekken zijn, dat dat op dit moment niet
alleen de inzet is. Maar dat is natuurlijk eigenlijk precies wél het
beeld dat wij als Kamer krijgen. Twee weken geleden zagen we nog dat er
strategischpartnerschapgesprekken zijn. Ondertussen is het onduidelijk
hoe de sancties eruitzien. Mijn vraag is dus eigenlijk om het in de
brief echt concreet te maken. Op welke termijn krijgen we die brief? Er
is namelijk haast bij.
Minister Sjoerdsma:
Hier moet het toch echt even iets scherper. Er wordt de suggestie gewekt
dat Nederland een strategisch partnerschap met de VAE aan het
uitonderhandelen is. Dat is niet het geval. Er is een strategisch
partnerschap tussen de VAE en de Europese Unie. Dat is bestaand. Twee.
Over maatregelen heb ik net gezegd dat we ongelofelijk scherp naar de
wapenexport kijken. Dat zijn geen woorden, hè? Het niet leveren van
wapens vanwege doorgeleidingsgevaar is heel serieus. Dat is een taak die
ons ministerie en ons kabinet, maar ook ikzelf zeer serieus nemen. Het
is echt cruciaal dat we dat doen.
Voor de vragen staan termijnen. Het zal binnen de gestelde termijn
beantwoord worden. Er zijn namelijk Kamervragen gesteld. Dat zal de
gelegenheid zijn waarbinnen we deze vraag gaan beantwoorden. Ik dacht
eerst: we sturen een brief. Toen werd mij ingefluisterd dat er ook
schriftelijke vragen zijn gesteld. Dan ga ik natuurlijk niet twee dingen
tegelijkertijd doen. We zorgen gewoon dat we in de beantwoording van de
schriftelijke vragen ook de vragen die nu bij uw Kamer leven, voor zover
die niet al schriftelijk zijn gesteld, worden meegenomen.
De voorzitter:
Ik zie de aarzeling bij mevrouw Kröger. Ik begrijp die ook. Als u heel
graag een brief wil, kunnen we daar natuurlijk ook een ander instrument
aan koppelen, namelijk een SO. Maar ik begrijp dat de Kamer u vraagt om
toch apart een brief over dit onderwerp te sturen, minister.
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter, met alle respect: dat ga ik niet doen. Dat heeft niet te
maken met de vraag. Ik ga u de informatie die u vraagt geven, maar ik ga
niet een dubbeling doen met de gestelde schriftelijke vragen. Dat vind
ik in alle eerlijkheid gewoon echt een beetje zonde. Als ik zie hoe hard
mijn mensen moeten werken om ervoor te zorgen dat de Kamer de informatie
krijgt die ze verdient, is dit essentieel. Ik begrijp ook dat er een
tweeminutendebat is aangevraagd, dus er is echt nog wel gelegenheid om
hierover te wisselen.
De voorzitter:
Het aanvragen van een tweeminutendebat kan nog gebeuren in de tweede
termijn, maar is volgens mij nog niet gebeurd. De tweede termijn moet
namelijk nog starten. Mevrouw Kröger, ik wil u heel kort de gelegenheid
geven, want ik begrijp uw ongemak.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geheel respect voor het feit dat de minister zijn ambtenaren
probeert te beschermen. Laat ik dat gezegd hebben. Maar dit onderwerp
leeft bijzonder bij diverse Kamerleden in de commissie. Ik ben een van
de leden die hier geen schriftelijke vragen over heeft gesteld, maar die
het in dit debat doet. Op het moment dat de minister een brief schrijft,
kunnen we daarmee gewoon een ander procedureel pad belopen dan als er
schriftelijke vragen beantwoord worden. Ik snap dus eigenlijk niet
geheel het probleem. Ik weet niet op welke tweeminutendebat wordt
gehint.
De voorzitter:
Wellicht mag ik een suggestie doen? U komt voor de zomer nog met een
brief waarin u op een aantal toezeggingen terugkomt; die kunt u dan
combineren.
Minister Sjoerdsma:
Dat kunnen we doen.
De voorzitter:
Dank u, minister, voor deze geste. Dan gaan wij over naar de tweede
termijn van de kant van de Kamer. U heeft maximaal 1 minuut en 20
seconden om nog iets in te brengen en uiteraard eventueel een
tweeminutendebat aan te vragen. Mevrouw Dobbe, mag ik u als eerste het
woord geven?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Zal ik dat dan maar doen? Dan vraag ik bij dezen een
tweeminutendebat aan. Ik heb het gevoel dat daar ook wel behoefte aan
is, ook bij ons.
Ik heb nog een aantal kleine vragen. De minister heeft gezegd aan de
slag te gaan met het Trust Fund for Victims. Dat is heel fijn. Het zou
heel fijn zijn als de minister ons daar wel af en toe over informeert.
Mijn verzoek zou dus zijn dat als er iets van voortgang te melden is en
ook als dat niet zo is, hij ofwel een update meeneemt in de brief, ofwel
dat dat bijvoorbeeld direct na de zomer gebeurt; ik bedoel niet zozeer
dat dat bij elk gesprek gebeurt, maar het gaat er dan gewoon om hoe het
staat met het Trust Fund en of dat nog kan functioneren. Dan kunnen we
het namelijk wel volgen en dat scheelt mij en ambtenaren weer het
stellen van allemaal vragen daarover. Dat is dan ook wel weer
fijn.
Ik heb nog een vraag over de Fact-Finding Missions. Ik snap namelijk ook
dat de minister zegt: waar het kan, steunen wij het lokale en het
nationale systeem van landen. Dat is ontzettend belangrijk om
straffeloosheid tegen te gaan in gevallen waarbij vrouwen iets overkomt
en er seksueel geweld tegen ze wordt gepleegd. Het probleem is hierbij
natuurlijk wel dat het ook wordt gedaan door statelijke actoren. Daarom
zijn die Fact-Finding Missions juist zo belangrijk: je gaat niet naar
het politiebureau van een land waar je de staat gewoon niet kan
vertrouwen. Ik zie de voorzitter gebaren; ik rond af. Mijn vraag was dus
ook of de minister — ik snap dat we niet direct kunnen financieren —
bereid is om met de Fact-Finding Missions en zeker die in Sudan te
bespreken wat zij naast de steun die zij al krijgen nog meer voor hulp
kunnen gebruiken, al is het forensisch, financieel of via andere landen
die meer moeten bijdragen. Maar ook hierbij gaat het erom dat ze gewoon
extra ondersteuning nodig hebben om hun werk goed te kunnen doen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Dobbe. Dan gaan we naar mevrouw Kröger voor haar
tweede termijn.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil eigenlijk heel graag de minister, maar
ook de collega's, bedanken voor de manier waarop we dit debat gevoerd
hebben. Ik denk dat het een ongelofelijk belangrijk onderwerp is dat
echt de zorg en de aandacht heeft gekregen die het nodig heeft. Dat zie
je ook aan de grote hoeveelheid toezeggingen die de minister heeft
gedaan.
Over één specifiek onderwerp heb ik wel echt zorg, namelijk de
capaciteit en de mogelijkheden van het Internationaal Strafhof. Dat
wordt nu heel hard geraakt door de sancties die de VS hebben ingesteld.
Dat gaat dus bijvoorbeeld ook om het gebruik van de Amerikaanse software
om die beelden van seksueel geweld te kunnen analyseren en opslaan. Wij
moeten het ICC hier dus in ondersteunen. Ik vraag de minister dus graag
om specifiek op dit punt het contact met het ICC te hebben over de vraag
wat het Hof nodig heeft, waaronder wat het nodig zou hebben om beelden
die op sociale media verschijnen maar die daar ook snel weer weg zijn,
bijvoorbeeld wel te kunnen opslaan en analyseren. Wat kunnen we nog meer
doen om het te ondersteunen in het licht van die sancties? Over het
blocking statute en de noodzaak om dat snel in te roepen om die sancties
tegen te gaan, zal het zeker in een ander debat verdergaan.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kröger. Dan gaan we naar mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor zijn stellingname en
beantwoording. Dat betekent, denk ik, veel. Ook dank aan de ambtsgenoten
voor hun inbreng.
Ieder legt zijn eigen focus, maar ik heb, denk ik, weinig gehoord waar
we het niet met elkaar over eens zijn. Ik heb verder geen inhoudelijke
bijdrage in de tweede termijn en ik vraag excuses, want ik moet kort
voor 12.30 uur de vergadering verlaten. Dat kan even niet anders. Excuus
daarvoor.
De voorzitter:
Geen probleem, mevrouw Nanninga. Het woord is aan de heer
Verkuijlen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Voorzitter, dank. Ik sluit me graag aan bij de woorden over de manier
waarop we dit debat hebben gevoerd. Wat is besproken is essentieel. De
minister opende met de woorden "volstrekt onacceptabel". Natuurlijk gaat
de minister over zijn eigen woorden, maar ik heb daar altijd moeite mee,
want als we zeggen dat iets volstrekt onacceptabel is, dan volgt er een
komma en dan komt er "dus". Ik vind het aantal veroordelingen dat er
internationaal voor dit onmenselijke delict is nog heel erg
achterblijven. Ik heb vandaag wel — daar blijft voor mij de komma —
gezien dat we constructief met elkaar als Kamer, samen met de minister,
proberen om daar de juiste dingen te doen. Ik zal dus met veel
belangstelling kijken naar de voorstellen die worden gedaan en zal daar
zo constructief mogelijk over meedenken.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Verkuijlen. Dan is het woord aan de heer
Bamenga.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister, maar ook de collega's
bedanken voor een constructief debat over dit belangrijke thema.
Bij het voorbereiden ervan heb ik best wel wat verhalen gelezen van
vrouwen die dit hebben meegemaakt. Ik moet zeggen dat ik het nauwelijks
droog hield. Het zijn echt afschuwelijke verhalen. Dat vertaalt zich er
hier in dat we met we z'n allen, ongeacht politieke kleur, staan voor
beleid dat dit echt aanpakt. Ik hoop gewoon dat we inderdaad —
verschillende collega's hebben het ook gezegd — met beleid komen dat
aanvullend wat kan betekenen. Ik snap dat wij het als Nederland niet
helemaal in ons eentje kunnen, maar laten we kijken hoe we andere landen
erbij kunnen betrekken, hoe we dit beter kunnen coördineren, hoe we
betere strategieën kunnen bedenken. Laten we ons gewoon veel meer
inzetten om de conflicten die er zijn ... Dat is het. Er zijn steeds
meer conflicten in de wereld, die hiervoor zorgen. Laten wij als Europa
ook een bijdrage leveren aan het beëindigen van die conflicten.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bamenga. Minister, heeft u nog behoefte aan een
schorsing of kunt u gelijk door naar uw tweede termijn?
Minister Sjoerdsma:
Nee, we kunnen door.
De voorzitter:
Dat is fijn. Ga uw gang.
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter, dank. Dank aan de leden voor hun vragen en hun persoonlijke
betrokkenheid en de betrokkenheid van hun politieke partijen bij dit
onderwerp. Ook dank voor de eensgezindheid die u allemaal benoemt. Dit
is een prettige uitzondering, denk ik, op veel van de politieke debatten
die we voeren. Het is ook echt een urgente uitzondering. Ik zou het, in
alle eerlijkheid, zeer zorgelijk vinden als hier toch iemand zou zitten
met een andere opvatting. Die gelijkgezindheid moet zich natuurlijk niet
alleen vertalen in een gevoel, maar ook in actie. Die actie zit wat mij
betreft in een heleboel lijnen. Daar hebben we in de eerste termijn vrij
lang over gesproken. Die zit in de directe zorg voor de slachtoffers,
maar ook in ervoor zorgen dat er geen straffeloosheid is.
Ik loop de resterende vragen nog even af. Mevrouw Dobbe vroeg naar
updates over het trustfund. Ik denk dat het misschien het meest
praktisch is als we dat kort na de zomer doen. Dan hebben we meestal een
debat over de inzet van Nederland bij de Algemene Vergadering van de VN.
Daar hebben we meestal ook een goede brief voor. Daarin zou ik het
willen meenemen. Dat is ook een goede gelegenheid om erover te praten.
Dat sluit ook thematisch goed aan, denk ik.
Haar vragen over de factfindingmissie. In alle eerlijkheid zoek ik nog
naar wat ze er graag nog bovenop wil zien, niet omdat ik onwelwillend
ben, maar meer omdat ik denk: met het geld dat wij indirect geven, de
politieke steun, de diplomatieke steun en het uitvragen van de expertise
doen wij volgens mij wat zij vraagt. Als ik nog iets mis of als er nog
iets specifieks is waar mevrouw Dobbe aan denkt, ben ik uiteraard bereid
om dat te bekijken. Maar ik vind in dit geval dat we best wel een heel
... Als je het afzet tegen wat je zou kunnen doen, kan ik niet zo heel
goed bedenken wat we nog meer zouden kunnen doen, in alle eerlijkheid.
Wellicht heeft ze nog een hele concrete suggestie.
De voorzitter:
Het is ook een van de toezeggingen, maar u kunt kort reageren, mevrouw
Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Mijn suggestie zou zijn om met hen specifiek hierover in gesprek te
gaan, dus over wat zij voorstellen. Ik weet namelijk dat zij problemen
ervaren. Wij vinden het allemaal belangrijk dat ze hun werk ongehinderd
kunnen doen. Dat betekent niet dat wij direct de portemonnee moeten
trekken. Misschien wel, maar vraag dat aan hen en koppel dat aan ons
terug, met een voorstel voor wat we daar eventueel mee kunnen, zodat we
ook ... Nu gaat het gewoon niet zoals we allemaal zouden willen.
Minister Sjoerdsma:
Laat ik het dan als volgt opvatten. We hebben doorlopend contact, niet
alleen met deze fact-finding missies, maar ook met andere
onderzoekscommissies. Ik weet niet of daar nieuwe bevindingen uit komen
die we niet al kenden. Mocht het inderdaad zo zijn dat daar nog
suggesties uit komen die, zoals mevrouw Dobbe zegt, echt urgent zijn en
de moeite van het opvolgen waard zijn, en Nederland in de positie is om
die op te volgen, dan zullen we dat doen en dan zullen we daar ook over
rapporteren. Maar dat moet dan wel uit die dingen komen. We zullen dat
dan meenemen in de eerstvolgende reguliere brief over het onderwerp
Sudan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Mag ik daarop reageren?
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
Kan dat ook met de suggesties die worden gedaan die wij niet zelf kunnen
opvolgen, zodat wij als Kamer wel op de hoogte zijn?
Minister Sjoerdsma:
Ja, voor zover die deelbaar zijn en geen vertrouwelijkheid vereisen,
zullen we dat doen.
Mevrouw Kröger had ook een vraag, die ik ook goed snap, over hoe je die
vluchtige socialmediabeelden kan verkrijgen, opslaan of achterhalen.
Laten we dat meenemen in het reguliere contact dat wij hebben met het
ICC. Als gastland — dat is niet zo vreemd — staan we daar eigenlijk
dagelijks mee in contact. Ik denk dat dit ook kan worden meegenomen in
die contacten. Dan komt het misschien wel eerst even op een technisch
niveau terecht, om te kijken wat er überhaupt mogelijk is. Mocht dat tot
iets leiden, dan zullen we dat ook meenemen in de brief aangaande de
inzet van het kabinet bij de AVVN. Ik denk dat dat het nuttigste moment
is.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze belangrijke toezegging. Ik vraag wel speciale aandacht
voor de impact van de sancties op de mogelijkheid om die data te kunnen
analyseren, opslaan et cetera. Er is nogal wat gaande. De vraag is
natuurlijk hoe Nederland en andere lidstaten ervoor gaan zorgen dat er
een alternatieve manier komt om die data veilig te stellen, als dat
nodig is.
Minister Sjoerdsma:
Zo heb ik de vraag ook begrepen. Ik denk dat mevrouw Kröger heel goed
weet dat dat niet zo'n eenvoudige kwestie is. We zullen dat uiteraard
gewoon bespreken en kijken wat er mogelijk is. U zal het horen als er
bevindingen zijn. Hierover zou ik wel zeggen: wat ik op tafel leg, is
een inspanningsverplichting en niet per se een resultaatverplichting,
hoe graag ik het ook anders zou zien. Ik ben zelf meer van de concrete
dingen, maar dat gaat in dit geval lastig worden, denk ik.
De voorzitter:
Mevrouw Kröger, toch nog heel kort, aanvullend.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ja, misschien even heel even om het te snappen. Is dat lastig omdat wij
technisch niet de mogelijkheden hebben om alternatieve software voor
dataopslag et cetera te bieden of omdat het gevoelig ligt? Ik probeer te
snappen waar de zorg van de minister zit. Het lijkt mij dat we er gewoon
voor moeten zorgen dat het ICC, waar wij gastland van zijn, kan
functioneren. Het lijkt mij dat we, als dat functioneren door deze
sancties wordt belemmerd, er alles aan doen om ...
Minister Sjoerdsma:
Van dat laatste kan mevrouw Kröger op aan. Ik denk dat dit kabinet en
ook de minister van Buitenlandse Zaken — dat weet ik zeker — het niet
alleen een erezaak vindt dat het Hof hier is, maar ook dat het moet
functioneren zoals het hoort te functioneren. Het gaat hier met name om
het volgende. Als je je vertrouwelijke data ergens hebt staan en op een
bepaalde manier hebt geordend, is het niet zo heel eenvoudig om dat
zomaar naar een ander systeem te krijgen. Het heeft niet alleen maar te
maken met hoe het nu gaat en dreigende sancties. Het heeft ook gewoon te
maken met technische ingewikkeldheden. Dat is waarom ik zeg: ik weet
zeker, zonder dat ik hoef te overleggen, dat we doen wat we kunnen doen,
maar het is gewoon niet heel eenvoudig. Dat zeg ik zonder dat ik het
belang dat mevrouw Kröger hieraan hecht teniet wil doen, want dat doen
wij namelijk ook.
Voorzitter, tot slot. Volgens mij zijn er geen andere vragen meer. Als
ik de missie die de Kamer het kabinet meegeeft mag samenvatten, dan
blijft mij bij dat we ervoor moeten zorgen dat geen overlevende
onzichtbaar blijft en dat geen dader onaantastbaar is. Dat is een missie
die het kabinet zeer onderschrijft en die wij zullen naleven in alles
wat we doen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, minister, ook voor deze mooie missie. Dat klinkt inderdaad
als een goede dekking van de lading van het debat.
Dan ga ik even met u de toezeggingen doornemen. Dat zijn er een
handjevol.
Ten aanzien van de ondersteuning van kleinschalige slachtoffernetwerken worden extra mogelijkheden bekeken in aanvulling op wat Nederland al doet. Daar komt de minister op terug in de brief van voor de zomer.
De thematisch gezant seksueel geweld is een speciaal aandachtspunt. Ook hier komt de minister op terug in dezelfde brief.
De minister komt in die brief ook terug op de veilige abortuszorg: wat kan Nederland nog meer doen?
In de brief wordt ook teruggekomen op het nagaan of meerdere verklaringen in verband met seksueel geweld kunnen worden voorkomen of teruggebracht.
De minister zal zich inspannen voor het betrekken van andere landen bij het Trust Fund for Victims. De Kamer wordt geïnformeerd.
Zou dat ook in dezelfde brief kunnen of wilt u daarvoor een aparte
brief?
Minister Sjoerdsma:
Daarvan heb ik gezegd dat we die in de brief over de inzet voor de AVVN
zullen meenemen, kort na de zomer.
De voorzitter:
Dat komt in een andere brief, van kort na de zomer, over de inzet voor
de AVVN. Dank u wel, minister.
De socialemediabedrijven worden aangesproken op het verwijderen van materiaal in relatie tot het archiveren van misstanden en het veiligstellen van bewijslast, bijvoorbeeld door het ICC. Dit onderwerp wordt besproken in het reguliere contact met het ICC.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Misschien is het een beetje een klein punt, maar "bewijslast" is echt
iets anders dan "bewijs". Er wordt hier "bewijs" bedoeld. Dat is wel
echt een ander punt.
De voorzitter:
Dan corrigeren we dat in "bewijs" in plaats van "bewijslast". Dank u
wel, mevrouw Nanninga.
Ten aanzien van Sudan komt er inzet op sancties in het kader van de meerlandenpakketten.
Kan die ook in de brief van voor de zomer worden meegenomen,
minister?
Minister Sjoerdsma:
Nee. Misschien even specifiek. Daarover heb ik toegezegd — dat laat zich
niet zomaar in een brief vangen — dat Nederland zich zal inzetten voor
het opnemen van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan het
seksueel geweld dat we vandaag hebben beschreven in bepaalde regionale
sanctiepakketten.
De Kamer zal achteraf, wanneer die sanctiepakketten zijn vastgesteld,
horen welke dat zijn. Ik herhaal dat nogmaals, want op het moment dat we
dat voordien gaan delen met de Kamer, dan delen we het niet alleen met
de Kamer, maar dan delen we het met de hele wereld. Dan kunnen deze
mensen zich voorbereiden op het instellen van de sancties. Ik heb de
Kamer dus heel goed gehoord op dit punt. Dat gaan we ook doen; daar gaan
we achteraan. Maar ik hoop dat de Kamer het kabinet erin wil vertrouwen
dat het achteraf rapporteert welke personen en entiteiten dan op die
lijsten komen.
De voorzitter:
Ik zie instemmend geknik aan de kant van de Kamer. Dank u wel, minister,
voor deze toelichting.
Dan hebben we nog een rapport met betrekking tot de Verenigde Arabische Emiraten. Ook daar komt een schriftelijke reactie op naast de beantwoording van de schriftelijke vragen.
Kunt u die nog duiden? Komt die ook in de brief van voor de
zomer?
Minister Sjoerdsma:
Aangezien er een heldere termijn staat voor schriftelijke vragen, denk
ik dat ik de twee zal combineren qua termijn. Ik denk dat dat het
handigste is. Ik heb niet op dit moment honderd procent scherp wanneer
de vragen bij ons zijn binnengekomen, maar op het uiterste moment dat
die vragen zullen worden beantwoord, zal ook deze brief naar u
komen.
De voorzitter:
Dat lijkt me een heldere termijn; dank u wel.
De Kamer wordt geïnformeerd over de bevindingen van de regionale aanklagersconferentie in Nairobi. U zult achteraf geïnformeerd worden over wat gedeeld kan worden.
Die toezeggingen hebben wij genoteerd. Mevrouw Kröger, mist u er nog
eentje?
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik miste dat Nederland zich gaat toevoegen aan de International
Alliance for Preventing Sexual Violence in Conflict.
De voorzitter:
Ik begreep dat de minister al lid was van de groep.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dat was SheDecides.
Minister Sjoerdsma:
Ik weet niet of dat zich in een brief laat vangen, in alle eerlijkheid.
Het is een toezegging in de zin van dat dit gaat gebeuren. Het gaat
gebeuren.
De voorzitter:
Het gaat gebeuren, maar we komen er niet meer op terug!
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dan zie ik op de website de naam verschijnen.
De voorzitter:
Hartelijk dank, minister en uw ondersteuning. Sorry, ik zie mevrouw
Dobbe nog.
Mevrouw Dobbe (SP):
Sorry, ik mis nog een toezegging. We hebben het namelijk best wel
uitgebreid gehad over de fact-finding mission. De minister zou in een
brief terugkomen op de dingen die we eventueel wel of niet zouden kunnen
doen; ik weet niet meer welke.
Minister Sjoerdsma:
Bij de AVVN gaan we dat doen.
De voorzitter:
Die hadden wij inderdaad in de vijfde toezegging meegenomen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik mis er nog één. De minister heeft zelf genoemd dat hij bereid is om
zich in te zetten voor een EU-actieplan op dit onderwerp. Daar zou hij
ook op terugkomen in die ene notoire brief, die voor de zomer zou
komen.
Minister Sjoerdsma:
Ik zal het makkelijker maken. Het EU-actieplan voor 2027 wordt nu
gemaakt. De punten die uw Kamer daarvoor heeft opgebracht, zal ik daarin
proberen te brengen. De beste manier om daarover te rapporteren, is op
het moment dat het EU-actieplan u gaat bereiken. Op die manier zou ik
dat graag willen doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Dan nog één detail over de eerste toezegging. Daar werd
alleen gerefereerd aan slachtoffernetwerken, maar ik heb expliciet het
gesprek gevoerd over vrouwenorganisaties, women-led organisations.
De voorzitter:
We hadden eerst "vrouwennetwerken" staan. Daar hebben we
"slachtoffernetwerken" van gemaakt, naar aanleiding van het debat. Het
verzoek is dus om het te combineren.
Dank u wel, minister en ondersteuning, voor uw aanwezigheid. Dank u wel,
Kamerleden, voor het debat dat u met elkaar gevoerd heeft. Tot een
volgende keer.
Sluiting 12.24 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|