Conceptverslag Mbo en studiefinanciering
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D26622, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 13:08, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-28 13:30: Mbo en studiefinanciering (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Mbo en studiefinanciering
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 28 mei 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2025 inzake Werkagenda mbo en Stagepact mbo - voortgang halverwege de looptijd (31524, nr. 690);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 december 2025 inzake beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad "Armoede en onderwijs" (36800-VIII, nr. 19);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 november 2025 inzake verschillen normbedragen studiefinanciering en restitutie les- en cursusgeld (24724, nr. 249);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 november 2025 inzake vijfde meting monitor Wet vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht mbo (31524, nr. 682);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 oktober 2025 inzake toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Mbo op 1 oktober 2025, over de financiële effecten van de Wet van school naar duurzaam werk (31524, nr. 677);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 maart 2025 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van van Stichting Leido met een voorstel over de aanpassing van de huidige beleidsregel Investeren met publieke middelen in private activiteiten (31288, nr. 1181);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 januari 2026 inzake voortgang herziening mbo-bekostiging: aanbieding van de doorrekeningen van verschillende opties door PwC (31524, nr. 691);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 april 2026 inzake evaluaties Wet versterken positie mbo-studenten en Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten en vervolg Verbeteragenda passend onderwijs mbo (31524, nr. 692);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 mei 2026 inzake reactie op de brief van de MBO Raad, namens tien mbo-instellingen, over de omkeerregeling in het mbo (31524, nr. 693);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 mei 2026 inzake voortgang aanpak voortijdig schoolverlaten (26695, nr. 146).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Koorevaar
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Verhoev
Voorzitter: Raijer
Griffier: Van Thiel
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Armut, De Beer, Biekman, Boomsma, Van der Plas, Raijer, Stoffer en Tseggai,
en mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Aanvang 13.30 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Hierbij open ik het commissiedebat Middelbaar
beroepsonderwijs en studiefinanciering. Ik heet de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Letschert, en haar
ondersteuning van harte welkom. Ook verwelkom ik de mensen op de
tribune. Aan mijn linkerkant zitten de aanwezige Kamerleden. Ik zal ze
even allemaal opnoemen: mevrouw Tseggai van GroenLinks-Partij van de
Arbeid, meneer De Beer van de VVD, mevrouw Van der Plas van de BBB,
meneer Boomsma van JA21 en mevrouw Biekman van D66. Tevens welkom aan
iedereen die het debat in de zaal volgt of online meekijkt. Wij hanteren
een spreektijd van vier minuten per fractie in de eerste termijn. Het
aantal interrupties is vier. Interrupties onder de 30 seconden tellen
niet mee, maar interrupties boven de 30 seconden tellen voor twee.
Wanneer de interrupties op zijn, mogen er ook geen korte interrupties
meer gedaan worden. Dan start ik nu met de inbreng van mevrouw Tseggai
van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik denk dat we het hier allemaal met elkaar eens
zijn dat het mbo onmisbaar is voor onze samenleving. Ik durf er in ieder
geval op te gokken dat iedereen dat in de eigen inbreng vandaag ook zal
benoemen. Ook in het coalitieakkoord van dit kabinet staan mooie woorden
over het mbo. Er wordt zelfs gesproken over "de motor van de
economie".
Voorzitter. Maar wie vindt dat mbo'ers onmisbaar zijn bij het oplossen
van de uitdagingen waar we als samenleving mee worden geconfronteerd,
moet op een gegeven moment ook de daad bij het woord voegen. De
afgelopen tweeënhalf jaar dat ik met dit dossier bezig ben, vond ik het
daar nog wat aan ontbreken. Ik zie dus ook uit naar dit eerste debat
over mbo met deze nieuwe minister. Mijn eerste vraag aan haar is dan
ook: wat zijn de ambities?
Voorzitter. Een van de beloftes die in het regeerakkoord staat, is dat
studeren in het mbo gelijkstaat aan studeren in het hbo of wo. Ik vroeg
me af: hoe concretiseert de minister deze belofte en op welke termijn
gaat ook de overheid het goede voorbeeld geven? Worden financiële
ongelijkheden in regelingen voor mbo-, hbo- en wo-studenten
rechtgetrokken? Ik schrik er namelijk van als de Onderwijsraad een
rapport stuurt met de titel Armoede en onderwijs. Er zijn te veel
financiële drempels die jongeren ervan weerhouden om een mbo-opleiding
te volgen of zorgen voor studievertraging.
Dat blijkt ook uit de JOB-monitor die gisteren gepresenteerd is. Zo
geeft 20% van de studenten aan dat zij moeilijk kunnen rondkomen tijdens
de opleiding en vallen de schoolkosten voor 45% van de studenten hoger
uit dan zij van tevoren hadden verwacht. Dat zijn geen mooie cijfers en
het mag duidelijk zijn dat zowel de kosten- als de inkomstenkant voor
het volgen van een mbo-opleiding snel moeten worden aangepakt. Wat zijn
de plannen hiervoor van dit kabinet?
Minister Moes heeft een aantal denkrichtingen uiteengezet voor het
gelijktrekken van de studiefinanciering voor alle studenten. Misschien
is het goed als deze minister zou kunnen aangeven welke richting zij wil
inslaan. Wij bepleiten natuurlijk de variant waarin iedereen in gelijke
mate wordt bedeeld met studiefinanciering. Want ja, hoe kun je anders
spreken over gelijke behandeling van mbo-studenten? Ik snap natuurlijk
dat het om grote bedragen gaat. Maar ja, wat in het regeerakkoord wordt
beloofd, moet natuurlijk wel worden waargemaakt.
Dan over de kosten waar mbo-studenten mee te maken hebben. Ik schrik er
altijd weer van hoe duur extra leermiddelen zijn. We hebben het dan niet
alleen over studieboeken of een laptop, maar ook over vakspecifieke
gereedschappen, veiligheidsmiddelen, werkkleding et cetera. Je kunt soms
terugvallen op het mbo-studentenfonds of een terugkoopregeling, maar nog
steeds horen we geluiden dat mbo-studenten spullen moeten kopen die ze
helemaal niet gebruiken tijdens de opleiding. Met het besef dat de
komende jaren een enorme vraag naar mbo'ers ontstaat, moet de
aantrekkelijkheid van mbo-opleidingen nu worden vergroot. Vindt de
minister niet ook dat, met het oog op de kansengelijkheid, het maximaal
benutten van ieders talent en de economische uitdagingen,
mbo-leermiddelen gratis of in ieder geval betaalbaarder moeten worden
gemaakt? Dat helpt namelijk ook nog eens om die financiële positie van
studenten te verbeteren. Graag een reactie van de minister. Tot slot
over de financiële positie van mbo-studenten: zou de minister misschien
een update kunnen geven over de voortgang rondom de wettelijke
stagevergoeding?
Voorzitter. Dan had ik nog een vraag over de financiële positie van
mbo-instellingen. We zijn namelijk bezig met de herziening van de
bekostigingssystematiek. Wanneer verwacht de minister met de
voorkeursvariant naar de Kamer te gaan? Op welk moment kan de Kamer daar
eventueel ook nog op bijsturen?
Voorzitter. Ik rond af. Iedereen zal vandaag weer om het hardst roepen
dat het mbo de ruggengraat vormt van deze economie en onze samenleving.
Daar ben ik het hartgrondig mee eens, want op het mbo leer je de
vaardigheden die Nederland draaiende houden. Sinds 2023 hebben we de
werkagenda en het Stagepact. Wij zien ontzettend veel enthousiasme om
het mbo te versterken, bij docenten en studenten, maar ook bij de MBO
Raad en JOBmbo. Het is aan ons in Den Haag om hen actief te ondersteunen
in hun missie. Laten we ervoor zorgen dat nog deze kabinetsperiode
bijvoorbeeld het onderscheid tussen mbo-, hbo- en wo-studenten zo veel
mogelijk wordt weggewerkt. Ik hoop dat de nieuwe minister hier een
bondgenoot in is.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Heeft u een interruptie, mevrouw Biekman?
Ja. Oké. Bij dezen wil ik ook mevrouw Armut, die net is binnengekomen,
welkom heten. Zij is van het CDA. Ik geef de heer De Beer het woord. O,
mevrouw Biekman heeft een interruptie.
Mevrouw Biekman (D66):
Ja, ik heb een vraag aan mevrouw Tseggai. Bedankt voor dit bevlogen
betoog. U heeft met veel passie gesproken. U vroeg een reflectie van de
minister op de gratis leermiddelen voor mbo-studenten. Ik ben wel
benieuwd hoe u daartegen aankijkt, hoe u dat voor zich ziet. Daar ben ik
benieuwd naar. Wat is uw eigen reflectie daarop? Hoe zou dit
kunnen?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik zie het als volgt voor me. Mijn eigen reflectie hierop is dat
mbo-studenten vaak uitgebreidere kosten maken voor leermiddelen dan hbo-
en wo-studenten, die, even oneerbiedig gezegd, vaak alleen boeken hoeven
aan te schaffen. Heel veel mbo-studenten lopen hiertegenaan, ook omdat
niet iedereen ouders heeft die daaraan kunnen bijdragen. Ik vind dat dat
geen drempel mag zijn om een mbo-opleiding te volgen.
Mevrouw Biekman (D66):
Nog een vervolgvraag voor mevrouw Tseggai. Ik herken wat zij zegt, maar
aan de andere kant hoor ik ook mbo-studenten die zeggen: bij mijn
instelling wordt alles wel betaald. Het is dus ook afhankelijk van de
instelling waar je op zit. Hoe ziet u dat voor zich? Wilt u dan één lijn
voor alle instellingen of kijkt u naar bepaalde opleidingen? Heeft u
daar een beeld bij?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is het niet wenselijk dat de toegankelijkheid van een
mbo-opleiding afhangt van welke instelling welke regeling heeft. Het
lijkt mij goed als wij daar vanuit Den Haag een gemeenschappelijke
regeling voor voorstellen, die gewoon voor alle mbo-studenten
geldt.
De voorzitter:
Ik nodig de heer De Beer uit voor zijn bijdrage.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Als VVD vinden we het belangrijk dat we
Nederland sterker en weerbaarder maken, met een sterke economie en een
veilige omgeving. Dat vraagt ook om een sterke en veerkrachtige
beroepsbevolking, om mensen die goed zijn opgeleid, die zich kunnen
blijven ontwikkelen en die beschikken over praktische vaardigheden.
Zonder vakmensen staat Nederland namelijk stil, en zeker ons mkb. Zonder
de verpleegkundige geen zorg. Zonder de operator geen industrie. Zonder
de militair geen veiligheid. Zonder de vakman of vakvrouw ook geen
woningbouw. Juist daarom is het mbo van cruciaal belang voor onze
economie en in het bijzonder dus ook voor dat mkb. Een mbo-diploma is
wat ons betreft een volwaardige route naar vakmanschap, talent en werk.
Het is een route waar je trots op mag zijn.
Voorzitter. Tegelijkertijd zien we dat de tekorten in sectoren als
techniek, zorg, bouw en defensie verder oplopen, terwijl de instroom in
verschillende mbo-richtingen onder druk staat. Dat kunnen we ons niet
permitteren. Daarom hoor ik graag van de minister hoe zij ervoor gaat
zorgen dat meer jongeren kiezen voor opleidingen in de tekortsectoren en
met name ook voor het mbo. Welke concrete doelen stelt ze zichzelf
daarbij? Ziet ze mogelijkheden om studiekeuzevoorlichting, bekostiging
en afspraken met de sector nadrukkelijk te verbinden aan het
arbeidsmarktperspectief?
Voorzitter. Wat de VVD betreft moeten we ook veel sterker inzetten op
leren in de praktijk. De beroepsbegeleidende leerweg, de bbl, biedt
enorme kansen. Studenten leren direct op de werkvloer, bouwen sneller
werkervaring op en hebben vaak eerder binding met de werkgever of de
sector. Juist in tekortsectoren is dat ontzettend waardevol. Toch zien
we dat veel studenten kiezen voor de bol-trajecten, terwijl werkgevers
schreeuwen om personeel. Daarom mijn vraag aan de minister: ziet ze ook
mogelijkheden om de bbl-structuur aantrekkelijker te maken, met name bij
opleidingen en leerwegen waar de arbeidsmarktvraag het grootst is?
Voorzitter. Dan de stages. De VVD is geschrokken van het nieuws dat het
tekort aan stageplekken in de afgelopen twee jaar bijna is verdubbeld,
juist in sectoren waarin de personeelstekorten het grootst zijn. Dat is
dubbel wrang. Sectoren die staan te springen om personeel hebben
onvoldoende capaciteit om nieuwe mensen op te leiden. Welke ideeën heeft
de minister om deze vicieuze cirkel te doorbreken? Wordt er bijvoorbeeld
gekeken naar het breder aanstellen van praktijkopleiders of mensen die
met pensioen zijn gegaan, die als stagebegeleiders kunnen helpen om de
zaken op de werkvloer wat te verlichten? Juist hun ervaring kan helpen
om stagebegeleiders te ontlasten en kennis over te dragen aan de nieuwe
generatie. Geeft de overheid zelf wel het goede voorbeeld? Ook als
Rijksoverheid kunnen we stageplekken creëren voor mbo-studenten.
Voorzitter. Een ander belangrijk punt is de samenwerking binnen de
onderwijsketen. Ik heb daar eerder over gesproken in het kader van het
wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt. In
de praktijk werken mbo'ers straks samen met mensen uit het hbo en wo.
Dan is het ook logisch dat studenten elkaar tijdens de opleiding vaker
tegenkomen. We zien gelukkig steeds meer voorbeelden van sterke
onderwijsketens en living labs, waarin mbo-, hbo- en wo-studenten
samenwerken aan vraagstukken uit de praktijk, vaak in samenwerking met
het bedrijfsleven. Dat soort samenwerking versterkt niet alleen de
kwaliteit van het onderwijs, maar ook de aansluiting op de arbeidsmarkt
en het wederzijdse respect tussen praktisch en theoretisch opgeleiden.
Mijn vraag aan de minister is: hoe kunnen we die sterke regionale
onderwijsketens stimuleren?
De voorzitter:
Ik ga u onderbreken. U heeft een interruptie van mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Een van de dingen die ook in het reageerakkoord staat, is dat
mbo-studenten gelijke toegang moeten hebben tot bijvoorbeeld
studentenkroegen, verenigingen et cetera. Nu hoor ik de VVD zeggen: het
is goed als mbo-, hbo- en wo-studenten elkaar tegenkomen. Maar ik heb
ook gezien dat de VVD fel tegenstander was van het afschaffen van het
hospiteerbeleid van studentenwoningen. Dat was juist bedoeld om ervoor
te zorgen dat daar ook mbo-studenten terechtkunnen. Hoe kijkt de heer De
Beer naar deze discrepantie?
De heer De Beer (VVD):
Dit gaat met name over het arbeidsmarktperspectief. Het gaat er dus om
dat je ook in de opleidingsstructuur gaat kijken hoe je bepaalde
faciliteiten beschikbaar kunt stellen aan mbo-, hbo- en wo-studenten.
Natuurlijk kunnen we ook breder kijken wat het betekent om bepaalde
faciliteiten breder beschikbaar te stellen aan die verschillende
doelgroepen. Ik wil daar best nog eens naar kijken, om te bezien hoe we
in dit bredere verhaal staan.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Het afschaffen van het hospiteren is voor de VVD dus geen probleem
meer?
De heer De Beer (VVD):
Dat heb ik niet gezegd. Ik wil ernaar kijken, maar ik ga daar nu niet zo
direct op reageren.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het gewoon een beetje een vreemd antwoord. Of je vindt dat
mbo-studenten gelijke toegang moeten krijgen tot allerlei voorzieningen
of je vindt dat niet. Ik vind het een beetje vreemd om te zeggen dat het
genoeg is als dat alleen in de opleidingsstructuur gebeurt. Ik zou toch
hopen dat de VVD hier een beetje kleur bekent.
De heer De Beer (VVD):
Volgens mij heb ik twee dingen gezegd. Enerzijds heb ik gezegd dat we
moeten kijken hoe je dat in de opleidingsstructuur beter bij elkaar
brengt. Anderzijds heb ik gezegd dat we ook breder kunnen kijken naar de
faciliteiten. Ik heb ook gezegd dat ik nog een keer goed wil kijken naar
het punt dat mijn collega net aanhaalde.
Voorzitter. Dan de kwaliteit van het mbo. De Staat van het Onderwijs
laat zien dat basisvaardigheden en studiesucces op onderdelen onder druk
staan. Dat moeten we serieus nemen, want uiteindelijk draait het niet
alleen om aantallen studenten, maar ook om de waarde en de kwaliteit van
het diploma. Hoe kijkt de minister aan tegen deze ontwikkeling en welke
concrete maatregelen neemt zij om de onderwijskwaliteit in het mbo
verder te versterken?
Tot slot, voorzitter. We moeten af van het idee dat theoretisch
onderwijs automatisch hoger of beter gewaardeerd zou moeten zijn dan
praktisch onderwijs. Nederland heeft geen tekort aan talent, maar soms
wel een tekort aan waardering voor praktisch vakmanschap, terwijl juist
mbo'ers Nederland draaiende houden.
Dank u wel.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het heel erg eens met de eindconstatering van de heer De Beer dat
we alle opleidingsniveaus gelijk moeten waarderen. Ik vroeg me af welke
consequentie dat wat de VVD betreft heeft voor de studiefinanciering
voor mbo-, hbo- en wo-studenten.
De heer De Beer (VVD):
Het betekent dat je ook in de brede context naar de financiële component
moet kijken. Het lesgeld in het mbo is bijvoorbeeld lager dan het
collegegeld in het hbo. Daar moet je dus ook naar kijken als je die
discussie zou aanvliegen. U heeft vragen gesteld aan de minister en ik
ben benieuwd naar de beantwoording vanuit de minister.
De voorzitter:
Is dit afdoende voor u, mevrouw Tseggai?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja hoor, voor nu wel.
De voorzitter:
Oké. Dan mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als we echt willen laten zien dat we mbo-studenten gelijk waarderen,
zouden we ook de studiefinanciering en het studentenreisproduct gelijk
moeten trekken. Hoe kijkt de VVD daarnaar?
De heer De Beer (VVD):
Volgens mij heb ik daar net antwoord op gegeven. Als je er in brede zin
naar kijkt, moet je ook alle facetten aanraken. We wachten even de
beantwoording van de minister af over hoe je dat in het totaalplaatje
zou moeten bezien.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het een beetje een raar antwoord om af te willen wachten wat de
minister daarvan gaat vinden. Ik neem aan dat de VVD daar zelf wel een
mening over heeft. Hoe kijkt de VVD hiernaar? Wat is de mening van de
VVD, even los van wat de minister vindt, over het gelijktrekken en het
dus gelijkwaardig waarderen van mbo-, hbo- en wo-studenten?
De voorzitter:
Meneer De Beer, u wordt gevraagd naar de mening van de VVD.
De heer De Beer (VVD):
Die mening is dat we die studenten gelijk moeten waarderen als het gaat
over hun positie op de arbeidsmarkt en hun bijdrage daaraan, en dat je
dan ook moet kijken naar de facilitering van studenten en naar het
financiële arrangement, maar dat je dat wel in de totale breedte moet
doen. Dan kun je dus niet alleen maar kijken naar de studiefinanciering,
maar dan zul je ook moeten kijken naar de verschillen in collegegeld,
lesgeld en andere facetten op financieel gebied.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft nog een interruptie?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Kijk, woorden zoals "het hele financiële arrangement" zeggen de
mensen thuis helemaal niks. Er is gewoon een hele grote ongelijkheid
voor mbo-studenten. Wij staan hier heel vaak te roepen dat we ze
waarderen, en als puntje bij paaltje komt stemmen ook de
coalitiepartijen gewoon tegen voorstellen om de behandeling gelijk te
trekken. Dus wat vindt de VVD nou precies dat er wél gelijk moet zijn en
wat niet?
De voorzitter:
Dat was een interruptie van precies 30 seconden, dus die heeft u nog
gratis!
De heer De Beer (VVD):
Ik blijf bij mijn antwoord dat je naar het totaalplaatje moet kijken als
het gaat om die waardering en om hoe we studenten helpen om hun studie
goed te bekostigen et cetera. Nu wordt er één regeling uit getrokken.
Wij zeggen dat je dan ook moet kijken naar het totaal. Dat is ook de
reden waarom ik eerst even de beantwoording van de minister wil
afwachten.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Beer. Dan ga ik nu naar de bijdrage van mevrouw
Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Ik zeg het vaak en misschien vinden mensen dat wel irritant,
maar ik hoor het nog steeds niet vaak genoeg terug, dus ik zeg het nog
maar een keertje: praktisch opgeleide mensen zijn de kurk waarop onze
samenleving drijft. Zonder hen zijn we nergens en komt alles stil te
staan. De mensen die onze huizen bouwen, onze goederen vervoeren, voor
onze ouders zorgen, onze leidingen repareren en ons brood bakken, zijn
onder meer de mbo'ers. Toch worden zij nog steeds behandeld alsof hun
opleiding minder waard is. Dat zie je overal terug, zelfs in
discriminatie. Want hoe bizar is het dat er diensten, verenigingen en
zelfs datingsites zijn die alleen toegankelijk zijn voor "hoger"
opgeleiden? Wat zeggen we daar eigenlijk mee? Dat praktisch opgeleide
mensen niet goed genoeg zijn? Dat ze minder meetellen? JOBmbo trekt
hierover terecht aan de bel. Ik neem aan dat de minister het rapport dat
gisteren is verschenen ook gelezen heeft, of gaat lezen. Het College
voor de Rechten van de Mens zei het ook al: zet in de wet dat je mensen
niet mag discrimineren op basis van hun opleiding. Discriminatie op
basis van opleiding is namelijk gewoon discriminatie, punt. Kan de
minister het besluit heroverwegen om dit in de wet op te nemen, zowel
voor mbo-opgeleiden als voor studenten?
Voorzitter. De ongelijkheid, die discriminatie eigenlijk, zit niet
alleen in cultuur, maar ook gewoon in keihard beleid, in geld, in
regels, in keuzes die wij hier in Den Haag maken.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik ga u onderbreken. U heeft een interruptie van
mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik schrik hier eigenlijk bijna gewoon een beetje van, want ik had niet
zo heel lang geleden een debat met mevrouw Van der Plas waarin ik vroeg:
hoe zou u vinden als we diplomadiscriminatie in de wet zouden zetten?
Toen zei mevrouw Van der Plas: daar moeten we even naar kijken. Daarvoor
had ik een debat met haar partijgenoot, toevallig de vorige minister van
Onderwijs, en die zei: "Nee, laten we het niet in de wet zetten. De
samenleving moet het zelf oplossen." Dus is BBB tot inkeer
gekomen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou willen dat GroenLinks-PvdA ook weleens tot inkeer zou komen. Wij
maken gebruik van het voortschrijdend inzicht. Daar hebben we het hier
natuurlijk over. Als je ziet dat het zichzelf niet oplost, dan zul je
misschien toch moeten kijken of je het per wet kan regelen. Dat bepalen
wij per onderwerp en dat lijkt ons hier goed om te doen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat op zich heel fijn om te horen en voortschrijdend inzicht mag
ook, maar kan ik dan nu wel concluderen dat de BBB voorstander of
medestander is van zo'n wet tegen diplomadiscriminatie?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
U heeft mijn woorden hier net gehoord en ik heb dit aan de minister
gevraagd, dus in die zin zijn we het op dit moment eens. Ik geef wel
even een winstwaarschuwing: als dingen wettelijk geregeld worden, kijken
we natuurlijk altijd of dat ook haalbaar en uitvoerbaar is. We hebben
gisteren het debat over passend onderwijs gehad. Daarin heb ik ook
gezegd dat wij hier in de Tweede Kamer altijd, met alle goede
bedoelingen die we hebben, allemaal dingen doen; we dienen moties,
amendementen en wetsvoorstellen in. Soms blijkt uiteindelijk dat iets
gewoon helemaal niet uitvoerbaar of haalbaar is en dat wij allerlei
waarschuwingen uit de praktijk in de wind hebben geslagen. Dus die
winstwaarschuwing wil ik er wel bij geven. Het moet wel haalbaar en
uitvoerbaar zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u kunt uw betoog hervatten.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had het over het beleid. Een mbo-student krijgt een lagere
thuiswonendenbasisbeurs, ruim €226, dan een hbo- of wo-student. Waarom
eigenlijk? Een mbo-student moet toch ook boodschappen doen? Sterker nog,
mbo-studenten maken vaak juist extra kosten voor gereedschap,
werkkleding en praktijkmaterialen en toch worden ze financieel slechter
behandeld. Beroepsbegeleidendeleerwegstudenten hebben vaak geen recht op
een studentenreisproduct, terwijl ze vier dagen per week werken en naar
school reizen. Dit kost deze studenten ruim €1.300 extra per jaar. Wat
is daar logisch aan, vraag ik me dan af. Er is ook al geen
lesgeldterugbetaling bij vroegtijdig stoppen voor mbo-studenten, er is
geen lesgeldkrediet voor mbo-studenten en als mbo-student kan je een
lager bedrag per maand lenen. Dit kan oplopen tot bijna €1.000 per jaar.
De ingangsdatum is bovendien per kwartaal in plaats van direct na je
18de verjaardag. De gemiste studiefinanciering kan oplopen tot ruim
€1.000. Het totale verlies per mbo-student kan oplopen tot een bedrag
van bijna €4.000 per jaar per student. Waarom doen we dit? Welke
boodschap geven we daarmee af? Dat theoretisch onderwijs meer waard is?
Dat de mensen die ons land draaiende houden minder ondersteuning
verdienen? Dus mijn vraag aan de minister is simpel: wanneer gaan we
mbo-studenten gelijkwaardig behandelen op het gebied van de
studiefinanciering? Want waardering spreek je niet alleen uit met mooie
woorden. Waardering laat je zien in beleid.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u bent over uw tijd heen. O, nee. U heeft nog één
minuut.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou zeg. Ik dacht al: dat kan toch helemaal niet?
De voorzitter:
Nee, mijn excuses. Ik zat naar de verkeerde te kijken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat maakt helemaal niet uit. U probeert uw werk goed te doen en dat
wordt zeer gewaardeerd.
Voorzitter, ik ga wel richting de afronding. De MBO Raad zegt terecht
dat wetgeving en bekostiging nog te veel vanuit concurrentie zijn
ingericht, terwijl de praktijk juist vraagt om samenwerking tussen
scholen, regio's en ondernemers. We moeten stoppen met systemen waarin
mbo-scholen elkaar beconcurreren in plaats van samenwerken. Kan de
minister toezeggen dat het nieuwe bekostigingsstelsel juist samenwerking
tussen mbo-scholen stimuleert in plaats van concurrentie? Welke
concurrentieprikkels in de huidige wet- en regelgeving wil de minister
aanpassen of wegnemen? Hoe gaat de minister regionale en bovenregionale
samenwerking tussen scholen structureel ondersteunen?
Voorzitter, nog één ding. We moeten stoppen met het denken in hoog en
laag. Dat gebeurt echt nog te vaak. Een theoretisch talent is niet meer
waard dan een praktisch talent. Ik zeg het dus nog één keer: praktisch
opgeleiden houden ons land draaiende en daar mogen wij heel erg dankbaar
voor zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank je wel, mevrouw Van der Plas. Ik heet meneer Stoffer van de SGP
welkom. Dan geef ik het woord aan meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Bijna een half miljoen jongeren in
ons land gaan naar het middelbaar beroepsonderwijs. Je zou dat misschien
gewoon het beroepsonderwijs moeten noemen, want het is tenslotte een
volwaardige opleiding met een volwaardig diploma, waarmee je je brood
kunt verdienen en waarbij je de basisvaardigheden kunt leren om aan je
persoonlijke en maatschappelijke leven deel te nemen als Nederlands
staatsburger.
We hebben net de mbo-benchmark gekregen, waarin een aantal dingen
stonden die goed gingen. Dank daarvoor. Maar we hebben ook de Staat van
het Onderwijs gekregen, waarin staat dat 44% van de mbo-opleidingen
onvoldoende scoort. Dat is dus bijna de helft. Dat komt vooral doordat
te weinig studenten die opleiding met succes afronden. Wat is daar
eigenlijk aan de hand? Het aantal mbo-opleidingen met de indicator
"studiesucces boven de norm" daalt ook al jaren. Hoe komt dat, minister?
Het gaat nu niet goed.
Voorzitter. Wat je dan in ieder geval niet moet doen, is de lat lager
leggen of stappen zetten waardoor minder duidelijk is wat diploma's
betekenen en hoe je die onderling in Nederland kunt vergelijken. Je moet
dat zeker niet doen ten aanzien van de basisvaardigheden. Elke student
moet in principe goed Nederlands kunnen leren lezen en schrijven. Bijna
elke jongere kan dat ook gewoon leren, met voldoende oefening en
aandacht.
JA21 is er in ieder geval geen voorstander van om het centraal examen
Nederlands af te schaffen, zoals is voorgesteld. Wat nu blijkbaar ook
gebeurt, is dat studenten bonuspunten krijgen. Bijna een derde van de
mbo 2-studenten behaalt taalniveau 2F niet, maar slaagt wél voor het
diploma, omdat ze een extra punt cijferdifferentiatie krijgen, die dan
bijvoorbeeld van een 4,5 een 5,5 maakt. Op mbo 4, dat toegang geeft tot
het hbo, slaagt 62% voor het centraal examen op het niveau van 3F. Dat
betekent dat vier van de tien gediplomeerden onvoldoende vaardig zijn in
lezen en luisteren, maar bijna allemaal halen ze wél een ruime voldoende
op het instellingsexamen. Er is ook aangetoond dat het verschil tussen
deze cijfers, die van het instellingsexamen en het schoolexamen, op
bijna anderhalve punt zit. Ook dat roept vragen op. Hoe ziet de minister
dat verschil? Welk zicht is er nu op de kwaliteit van die
instellingsexamens? Het is ook niet goed als onvoldoendes op het
centrale examen op die manier worden gecompenseerd. Hoe kan het nou dat
de inspectie ondertussen stelt dat 96% van de mbo's wel voldoende scoort
op de basisvaardigheden? Ik vind dat allemaal lastig met elkaar te
rijmen.
Ik heb nog een vraag over de omkeerregeling. Het lijkt mij geen goed
idee om dit zo generiek te doen. Nogmaals, het moet in principe toch
mogelijk zijn om goed Nederlands te leren, ook voor deze jongeren. Wat
bedoelt de minister nou met het voorstel om nieuwe taaleisen te stellen,
de examinering te veranderen en die beter op elkaar aan te laten
sluiten? Ik begrijp op zich wel dat het belangrijk is dat je deze groep
op een passende manier examineert, maar hoe ziet dat er dan uit?
Voorzitter. Dan de verplichte stagevergoeding. Ik begrijp natuurlijk de
gedachte daarachter, maar het moet er niet toe leiden dat er dan minder
stages worden aangeboden. Ik denk dat dit voor kleine bedrijven best een
belemmering kan zijn. Hoe ziet de minister die spanning? Je hebt
namelijk ook veel opleidingen met een numerus fixus, die ze met name
hebben vanwege een tekort aan stageplaatsen. Dat kan zeker voor
opleidingen waar een schreeuwende behoefte aan is toch niet de bedoeling
zijn? Daar moeten we volgens mij echt ingrijpen, door als overheid op
een bepaalde manier de regie te nemen en het aantal stageplekken uit te
breiden en dit te stimuleren. Dat geldt zeker ook voor kleine
zelfstandigen. Het is cruciaal om die te behouden. Heel veel van die
ambachtelijke bedrijven hebben geen opvolgers. Denk aan schoenmakers en
rietdekkers. Dit biedt veel kansen voor volwassenen die iets nieuws
willen gaan doen in hun leven. Het zou goed zijn om dan juist het
uitoefenen van dit soort beroepen te stimuleren. Dat gaat echter niet
vanzelf. Wat is nou de stand van zaken bij dat soort ambachten? Klopt
het dat er veel dreigen te verdwijnen wegens gebrek aan opvolgers? Heeft
de minister daar zicht op?
Voorzitter. Tot slot wil ik het hebben over de financiering. De instroom
in het mbo krimpt en zet het stelsel onder druk, omdat de inkomsten te
veel gebonden zijn aan het aantal diploma's en het aantal leerlingen.
Dat geeft verkeerde prikkels, want dan worden instellingen aangemoedigd
om zo veel mogelijk studenten te werven en die vast te houden in plaats
van dat ze sturen op kwaliteit op de opleiding, waar behoefte aan is, en
op de meest duurzame loopbaanperspectieven. Het kan er ook toe leiden
dat de duurdere technische opleidingen gaan verdwijnen. Hetzelfde geldt
voor specialistische, hele kleine opleidingen, zoals de opleiding tot
meubelmaker et cetera. Daar komen we nog op terug.
Ik ga afronden. Ik zie de voorzitter kijken. Ik ga echt afronden. Ik wil
nog vragen hoe de minister kijkt naar de oproep van de AOb om de lumpsum
aan te passen door onder andere primaire arbeidsvoorwaarden te
oormerken.
Tot slot. Als we het bekostigingsstelsel gaan herzien, moeten we daar
dan ook niet in opnemen dat de prijscorrectie, de inflatie, dan ook
automatisch wordt meegenomen? Dat is ook bij andere onderwijssoorten het
geval.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boomsma. Ik zie geen interrupties voor u. Dan ga ik
door naar mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Mijn studietijd begon op het mbo. Daarna
studeerde ik door en merkte ik de verschillen tussen het mbo enerzijds
en het hbo en het wo anderzijds. Daarom wil ik het vandaag over drie
dringen hebben: het verschil in mogelijkheden voor mbo'ers, de kwaliteit
van het mbo-onderwijs en het praktijkonderzoek bij het mbo.
Voorzitter. Ik merkte dat het hbo en het wo een veel rijker
studentenleven hebben en dat rijke studentenleven wil D66 ook voor het
mbo. Mbo-studenten verdienen dezelfde waardering en toegang tot
mogelijkheden als andere studenten: tot sport, tot cultuur, tot
studentenhuisvesting en tot het opdoen van ervaringen tijdens
bijvoorbeeld een bestuursjaar bij een vereniging.
Tijdens de technische briefing over de benchmark mbo vertelde Zoé
Rijnders dat zij van een hbo-opleiding is overgestapt naar een
mbo-opleiding, omdat dit voor haar beter aansloot. Zoé gaf aan hoe
belangrijk het studentenleven voor haar was op het hbo en verwachtte dit
ook op het mbo. Ze was zeer verbaasd dat ze als mbo-student geen toegang
had tot het studentensportcentrum. Na een gesprek met de wethouder kreeg
zij de eerste sportkaart voor mbo-studenten in Eindhoven.
Dat is echt een hele mooie stap, maar ook een uitzondering. In de
praktijk zien we nog steeds te vaak verschillen; onderschat ook een
betere toegang tot deze mogelijkheden niet. We weten allemaal dat sport
en cultuur onze levens verrijken en dat we daardoor langere, gezondere
en meer betekenisvolle levens kunnen leiden. Maar toegang tot
studentenhuisvesting en verenigingsleven moet niet afhankelijk zijn van
waar je studeert. Iedere mbo-student zou hiertoe toegang moeten hebben,
want je leert hierdoor ook diverse andere vaardigheden. Je bouwt een
netwerk op en het draagt bij aan je persoonlijke ontwikkeling. Hier heb
je de rest van je leven profijt van. Daarom vraag ik aan de minister:
hoe gaan we ervoor zorgen dat we al deze mogelijkheden voor
mbo-studenten zo snel mogelijk realiseren? Vanaf welk studiejaar is het
geregeld?
Voorzitter. Mijn collega zei al dat de onderwijsinspectie constateert
dat 44% van de onderzochte mbo-opleidingen een onvoldoende heeft. Vooral
de kwaliteitszorg schiet tekort. Zo veel mbo'ers vertellen me over de
kwaliteit van hun onderwijs en dat dit echt beter moet. Dat heeft niet
te maken met de passie, de motivatie en de toewijding van de docenten,
want die willen uiteraard alleen maar het allerbeste voor hun studenten.
Maar het is aan ons om duidelijk te maken wat de kaders zijn en welke
basis we verwachten. Daarom vind ik dat de docenten nog meer
ontwikkelruimte moeten krijgen. Het mbo vormt onze samenleving en daarom
mogen we ook wat verwachten van het onderwijs dat hun geboden
wordt.
Eerder is een wetsvoorstel naar de Raad van State gestuurd over de
kwaliteit van het onderwijs op het mbo met betrekking tot de
basisvaardigheden. Hoe staat het daarmee? Daarnaast vind ik het
belangrijk dat we inzetten op de verdere professionalisering van
docenten op het mbo. Hoe gaat de minister daarop inzetten en wat kunnen
we verwachten?
Tot slot, voorzitter. Er wordt dagelijks onderzoek gedaan om onze
maatschappij te verbeteren. Het mbo maakt daar te weinig onderdeel van
uit. En dat terwijl het mbo echt zo'n groot en belangrijk onderdeel is
van onze maatschappij. We willen meer praktijkgericht onderzoek, maar
hoe gaan we ervoor zorgen dat dit samen met het mbo gaat gebeuren? Hoe
kijkt de minister naar de rol en de positie van practoraten? En hoe gaan
we de samenwerking tussen het mbo, het hbo en het wo op dit vlak
stimuleren? Hoe zorgen we voor brede samenwerking in de inmiddels
bekende waaier in de context van praktijkonderwijs?
Dank u wel, voorzitter.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou mevrouw Biekman dezelfde vraag willen stellen als die ik aan de
heer De Beer van de VVD stelde. Als we echt willen laten zien dat
mbo-studenten gelijkwaardig zijn aan hbo- en wo-studenten, dan zouden we
de studiefinanciering en het studentenreisproduct gelijk moeten trekken.
Hoe kijkt D66 daarnaar?
Mevrouw Biekman (D66):
Eigenlijk schrik ik net als mevrouw Tseggai van deze vraag van mevrouw
Van der Plas. D66 heeft namelijk met dit kabinet allereerst de
miljardenbezuiniging van het kabinet-Schoof op het onderwijs moeten
herstellen. Ik vraag me dan af: waren die bezuiniging in de vorige
kabinetsperiode dan wel nodig als de BBB nu uitspreekt dat ze een grote
waardering heeft voor het onderwijs? Maar om antwoord te geven op de
vraag van mevrouw Van der Plas: D66 is inderdaad voor het gelijktrekken
van de studiefinanciering, ware het niet dat wij dus een hersteloperatie
moeten doen. Van 1,5 miljard! Dat is echt een gigantisch bedrag. Dat is
de basis van waaruit we vertrekken en daarna kunnen we verder gaan
bouwen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is een populair mechanisme bij deze nieuwe coalitie. Als ze een
kritische vraag of überhaupt een vraag krijgen, wordt er gelijk gezegd:
maar het kabinet-Schoof dan? Dat is flauw en ook heel onvolwassen, want
in de tijd dat die bezuinigingen speelden, is er eigenlijk nog nooit
zoveel geld voor het onderwijs uitgetrokken, veel meer dan in alle
decennia met D66-kabinetten. Dit is dus heel flauw. Mijn vraag is
oprecht en constructief, maar ook heel simpel: vindt D66 dat het
studentenreisproduct studiefinanciering is? Maar eigenlijk vraag ik me
af of van D66 alles voor het mbo gelijkgetrokken moet worden met hbo en
wo.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, dit was een lange interruptie en die telt voor
twee.
Mevrouw Biekman (D66):
Het is geen flauwe constatering of het ontwijken van een kritische
vraag. Het is de realiteit. Als je kijkt naar de balans waarmee dit
kabinet is begonnen, dan zie je dat die niet positief was op het gebied
van onderwijs. Zoals ik al zei, is het dus niet het wegschuiven van een
antwoord. Dit is het vertrekpunt. We moeten eerst die 1,5 miljard
herstellen en daar ben ik overigens als D66'er al ontzettend trots op.
Ik ben er trots op dat we weer die basis hebben voor het onderwijs. Van
daaruit kunnen we verder bouwen aan de toekomst door te kijken hoe we op
een gegeven moment alles gelijk kunnen trekken.
U heeft ook in mijn betoog gehoord dat dat begint met waardering en
toegang tot het studentenleven, iets waar u het in uw betoog zelf ook
over had. Ik wil dat mbo'ers gewoon toegang krijgen tot het normale
studentenleven en dat ze gewoon een normale studentenkroeg of een
studentensportcentrum binnen kunnen stappen. Dat zijn allemaal
belangrijke waarden waar mbo'ers ook wat mee kunnen als aanvulling op
hun leven.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb daar recent een motie voor ingediend en die is met een grote
meerderheid aangenomen. Het is dus geen D66-ding. Ik vraag via mevrouw
Biekman nu maar gelijk even aan de minister hoe het staat met de
uitvoering van die motie voor een gelijkwaardig studentenleven. Een
motie van de BBB.
De voorzitter:
Daar zal de minister later op antwoorden. Ik ga nu door naar mevrouw
Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik was even mijn handen in onschuld, want ik was niet betrokken bij
welke onderwijsbezuiniging dan ook. Ik hoop daarom dat mevrouw Biekman
mij een ander antwoord kan geven. Ik hoor haar zeggen: je moet toegang
hebben tot het studentenleven, cultuur en sport. Maar dat moet je ook
kunnen betalen. En nogmaals, 22% van de mbo-studenten komt niet goed
rond. 45% heeft te maken met tegenvallende schoolkosten. Hoe gaan we er
dan voor zorgen dat zij meer te besteden krijgen, zodat ze die
leermiddelen en dat studentenleven ook kunnen betalen? Ik ben het
daarover verder overigens geheel eens met mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Ik sluit me volledig bij mevrouw Tseggai aan. Het is ook zorgelijk. Het
is ook gewoon echt … Het kan eigenlijk niet dat studenten zo moeten
struggelen om rond te komen, om hun studie te betalen, om vooruit te
komen en om perspectief te hebben in de maatschappij. De realiteit is
wel — dat zei ik net ook tegen mevrouw Van der Plas — dat we een
hersteloperatie hebben moeten doen. Ik heb een wedervraag aan mevrouw
Tseggai. Ik ben benieuwd waar wij dat geld vandaan halen. We hebben het
in dit geval over 400 miljoen structureel, als we alles structureel
zouden willen trekken. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Tseggai die 400
miljoen structureel — dus niet incidenteel — zou willen dekken. Dat
bedrag gaat namelijk van de Onderwijsbegroting af. Welke keuze zou
mevrouw Tseggai hierin maken?
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai, u krijgt een wedervraag. U mag daarop antwoorden.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik ga er gewoon op antwoorden, want ik loop er niet voor weg. Ik
vind het wel jammer, want mevrouw Biekman zit in een coalitiepartij.
Mijn vraag is dus juist wat mevrouw Biekman daaraan gaat doen. In ons
verkiezingsprogramma, dat wij hebben laten doorberekenen, kunt u zien
dat wij andere keuzes maken dan deze coalitie. Wij vragen namelijk meer
geld van grote bedrijven en mensen met veel vermogen. Wij willen de
verhoging van de basisbeurs voor alle studenten, het gelijktrekken van
de studiefinanciering en de stagevergoeding daarmee betalen. Volgens mij
heb ik mijn dekking dus op orde. Mijn vraag aan D66 is wat zij daaraan
gaat doen.
Mevrouw Biekman (D66):
Mevrouw Tseggai legt het nu natuurlijk heel makkelijk uit, maar zo
simpel is het niet. U weet ook, net zo goed als ik, dat alles wat wij op
dit moment in dit kabinet doen en voor elkaar willen krijgen, de komende
jaren van de Onderwijsbegroting af gaat. Mijn vraag is: als u nu een
voorstel zou doen of een voorstel heeft, hetzij een amendement, een
motie of noem maar op, waar zou u die dekking dan vandaan halen?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ga niet nog een keer antwoord geven op een wedervraag, maar ik heb
nog wel een andere vraag aan D66. D66 heeft ervoor gekozen om alle
uitwonende studenten, dus mbo-, hbo- én wo-studenten, €42 per maand
extra te geven. Het overgrote deel van de mbo-studenten woont thuis.
Daar had D66 ook een andere keuze in kunnen maken. Ik ben daar wel
benieuwd naar. Dat is namelijk geld dat van de Onderwijsbegroting af is
gekomen.
Mevrouw Biekman (D66):
Mevrouw Tseggai schetst inderdaad een heel groot probleem. Het is gewoon
ontzettend moeilijk om als student huisvesting te vinden, om een
betaalbare kamer te vinden. Dat geldt niet alleen voor mbo-studenten;
dat geldt voor álle uitwonende studenten. Ik denk dat we juist door alle
studenten die €42 ophoging te bieden, het een en ander al gelijktrekken.
Andersom kunnen we ook niet de uitwonende hbo- en wo-studenten
benadelen. Het probleem is veel complexer. Het gaat om toegankelijke en
betaalbare studentenwoningbouw.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Met alle respect, de gemiddelde mbo-student kán helemaal niet uit huis.
Die krijgt geen stagevergoeding. Die krijgt minder studiefinanciering.
Als die student een bbl-traject volgt, dan krijgt die het minimumloon.
Daarvan kun je tegenwoordig helaas niet meer een studentenkamer betalen.
Die €42 extra voor uitwonende studenten gaat dus vooral naar hbo- en
wo-studenten. Nogmaals, wij gunnen hun dat. Aan GroenLinks-PvdA ligt het
dus niet. Wij hadden in ons verkiezingsprogramma een verhoging van de
basisbeurs voor alle studenten staan, maar ook het gelijktrekken van de
studiefinanciering. D66 schetst hier een onmogelijke situatie, waarin er
zogenaamd nooit geld uit de OCW-begroting naar het gelijktrekken van de
studiefinanciering zou kunnen gaan. Maar D66 heeft er wél voor gekozen
om €42 per maand aan uitwonende studenten te geven. Dat zijn vooral hbo-
en wo-studenten. Dat zijn de feiten waar we hier mee te maken hebben.
D66 is een coalitiepartij. Ik zou dus heel graag horen hoe D66 dit
probleem, dat D66 uitgebreid constateert en waarmee D66 het uitgebreid
eens is, dan zou willen oplossen.
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai, u bent door uw interrupties heen in deze eerste
termijn. Ik wil mevrouw Biekman vragen om hier een afrondende reactie op
te geven.
Mevrouw Biekman (D66):
Mevrouw Tseggai schetst een makkelijk probleem. Althans, ze probeert een
gecompliceerd probleem makkelijk op te lossen. Het gaat namelijk niet
alleen om de financiering van de uitwonendenbeurs. Het gaat om
betaalbare studentenhuisvesting; dat is ook iets wat we moeten
aanpakken. Volgens mij kunnen wij elkaar op heel veel dingen vinden; we
trekken zeker met elkaar op. Daarom heb ik ook aan mevrouw Tseggai
gevraagd welke keuzes zij zou hebben gemaakt binnen deze
Onderwijsbegroting, waarbij we de studiefinanciering gelijk moesten
trekken. Daar is nu geen tijd meer voor, maar daarover ga ik graag met
mevrouw Tseggai in overleg.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Biekman. Ik denk dat u verder kunt discussiëren bij
een bak koffie na dit debat. U heeft nog een interruptie van mevrouw Van
der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ten eerste heb ik even een puntje van orde. Het is niet gebruikelijk dat
Kamerleden elkaar hier gaan bevragen. Mevrouw Tseggai stelt een vraag en
mevrouw Biekman moet die beantwoorden. Het is niet zo dat mevrouw
Biekman dan weer een wedervraag mag stellen aan mevrouw Tseggai. Zo
werkt dat niet in een commissiedebat, want wij zijn hier eigenlijk om de
minister te bevragen, maar dat gebeurt hier wel steeds. Ik vraag de
voorzitter om daar even op te letten, want mevrouw Tseggai en andere
Kamerleden worden in zo'n geval in de positie geplaatst dat zij zich
moeten verantwoorden. Even voor de orde van het debat.
De voorzitter:
Mevrouw van der Plas, we zijn het helemaal met u eens; dat is een foutje
van onze kant en wij gaan daarop letten. Het zal niet meer gebeuren. Als
u het niet erg vindt, ga nu ik verder met ... Ik zie een punt van
orde.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik wil hier iets over zeggen. Ik vind het niet erg dat mevrouw Biekman
of andere Kamerleden mij een wedervraag stellen, maar ik vind het een
beetje jammer dat daardoor mijn interrupties op zijn. Daar zit ik een
beetje mee, want ik heb al die wedervragen wel geprobeerd te
beantwoorden. Daar wilde ik een punt van orde over maken.
De voorzitter:
Ik snap wat u zegt, maar we hebben de beantwoording niet meegeteld. Dat
hebben we gewoon laten lopen. De vragen die u heeft gesteld, waren
echter langer dan 30 seconden, dus zodoende bent u uw interrupties
kwijt. Meneer Boomsma, heeft u nog een punt?
De heer Boomsma (JA21):
Een klein punt van orde. Mevrouw Van der Plas zei dat we hier zijn om de
minister vragen te stellen. Ik zie dat niet zo. We zijn hier inderdaad
om de minister vragen te stellen, maar ook om in bredere zin met elkaar
van gedachten te wisselen. Het is niet zo dat een commissiedebat er
alleen is om vragen aan het kabinet te richten.
De voorzitter:
Ik ga even duidelijkheid scheppen in deze discussie. Mevrouw Van der
Plas, meneer Boomsma, mag ik de aandacht? Je mag elkaar wel bevragen,
maar het is niet zo dat je door kunt blijven vragen en dat de
tegenpartij dan continu weer antwoord geeft. Op deze wijze houden we wel
het debat levendig; dat moet ik zeggen. Ik ga nu door met mevrouw Armut
en haar bijdrage.
Mevrouw Armut (CDA):
We gaan het nu goed doen, voorzitter. Excuses dat ik wat later
binnenkwam; ik kwam uit een ander commissiedebat.
Voorzitter. Het mbo is de plek waar studenten leren zorgen, maken,
beveiligen en vernieuwen. Hoewel de waardering voor mbo-studenten
volgens mij echt wel is gegroeid als ik het vergelijk met mijn eigen
tijd op het mbo, mogen we nog wel wat stappen zetten. Waardering zit
namelijk in meer dan alleen woorden. Voor het CDA staan vandaag drie
punten centraal: stages, de financiële positie van mbo-studenten en het
opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst.
Recent bleek dat zorgopleidingen de instroom beperken vanwege een tekort
aan stageplekken. Verschillende andere Kamerleden hebben dit ook al
genoemd en hierover ook terecht hun zorgen uitgesproken. Juist in deze
sector zijn mensen immers heel hard nodig. Als opleidingen in
tekortsectoren studenten moeten weigeren wegens te weinig stageplekken,
dan raakt dat niet alleen studenten, maar uiteindelijk ook de
arbeidsmarkt en de samenleving. Daarnaast schiet ook nog de begeleiding
tekort. Veel instellingen passen de afgesproken drie contactmomenten
tussen school, student en leerbedrijf nog niet volledig toe, terwijl een
stage een volwaardig onderdeel van de opleiding is; het is geen bijbaan
ernaast. Studenten moeten kunnen merken dat hun leerbedrijf hen
begeleidt en dat zij bij problemen er niet alleen voor staan. Mijn vraag
aan de minister is dus wanneer die drie contactmomenten overal de norm
zijn. Hoe wordt daarop toegezien en wat gebeurt er als instellingen
achterblijven? Mijn fractie ziet verder uit naar de uitwerking van de
verplichte stagevergoeding. Wanneer ontvangt de Kamer die? Studenten
mogen niet afhankelijk zijn van de goede bedoelingen van een sector of
bedrijf.
Voorzitter. Ten tweede: de financiële positie van studenten. Het CDA
begrijpt dat de middelen beperkt zijn, maar mbo-studenten vallen
financieel een beetje tussen wal en schip. In het voortgezet onderwijs
krijgt een 16-jarige leermiddelen vergoed, maar in het mbo moet een
16-jarige vaak zelf betalen voor boeken, licenties, werkkleding en
allerlei andere zaken. De minister heeft de variant inmiddels in beeld,
maar daarmee is er nog geen eenvoudige oplossing. Er ligt wel een keuze
voor. Kan de minister vandaag aangeven wat al wél zou kunnen? Wil de
minister bij een verdere uitwerking van de financiële positie van
mbo-studenten aangeven welke eerste, gerichte stap mogelijk is om de
kosten voor minderjarige mbo-studenten in de periode tot hun
startkwalificatie te verlagen? Welke varianten zijn daarbij budgettair
uitvoerbaar?
Ook bij de restitutie is er sprake van ongelijkheid. De voorwaarden
waaraan moet worden voldaan om les- of cursusgeld terug te krijgen zijn
voor mbo-studenten strenger dan voor studenten in het hbo en het wo. De
kosten van de harmonisatie zijn bekend. Het gaat om ongeveer 27 miljoen
structureel. Wat gaat de minister hiermee doen? Gaat de minister dit
oplossen?
Voorzitter. Mijn derde punt: in elke regio opleiden voor de arbeidsmarkt
van de toekomst. Nederland heeft meer vakmensen nodig op het gebied van
zorg, techniek, bouw, energie, veiligheid en digitalisering. Jongeren
moeten die opleiding dan wel kunnen volgen, ook in de regio's waarin de
af te leggen afstanden groter zijn en het aantal studenten daalt. Vooral
technische praktijkopleidingen zijn duur. Die vragen om moderne
machines, praktijklokalen, goede docenten en samenwerking met bedrijven.
Beweegt de bekostiging niet grotendeels mee met het aantal studenten,
dan kunnen juist deze opleidingen onder druk komen te staan en dan
verliezen regio's opleidingsaanbod, studenten kansen en werkgevers
vakmensen voor de toekomst. Daarom vraagt het CDA aan de minister hoe
zij ervoor gaat zorgen dat de nieuwe mbo-bekostiging bijdraagt aan een
stevige regionale basis voor cruciale opleidingen in techniek, zorg,
bouw en veiligheid.
Voorzitter. Mbo-studenten verdienen naast waardering goede stages, een
betaalbare opleiding en een sterk regionaal aanbod.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Armut. U krijgt nog een vraag van mevrouw Van der
Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wilde mevrouw Armut vragen hoe zij kijkt naar die extra €42 voor
uitwonende studenten. Mevrouw Tseggai merkte al op dat dit geld met name
naar hbo- en wo-studenten gaat, omdat heel veel mbo-studenten niet
uitwonend zijn.
Mevrouw Armut (CDA):
De zorgen over de financiële positie van mbo-studenten die door
verschillende Kamerleden zijn uitgesproken, deel ik best wel. Daar sta
ik in mijn bijdrage ook zelf bij stil. Ik snap dus heel goed dat mevrouw
Van der Plas zich daar ook zorgen over maakt, maar gaan we specifiek
door dit punt dan ook andere tegemoetkomingen in twijfel trekken? Dat is
wel het lastige. Gaan we hbo-, wo- en mbo-studenten op deze manier dan
niet tegen elkaar opzetten, terwijl we weten dat deze verschillen echt
historisch zijn gegroeid? Dat is niet goed en daar moeten we wat aan
doen, maar volgens mij kunnen beide zaken tegelijk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Misschien kan mevrouw Armut de vraag die zij stelt zelf
beantwoorden.
Mevrouw Armut (CDA):
Zou mevrouw van der Plas kunnen verduidelijken op welke vraag zij een
antwoord zou willen? Hopelijk kost het haar geen interruptie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Armut zegt: we moeten ons dan wel afvragen of we daarmee mbo-,
hbo- en wo-studenten niet tegen elkaar opzetten. Zij speelt eigenlijk
met wat gedachten, zo van: hoe moeten we dat dan doen? Dat is dus een
vraag, maar het is eigenlijk een vraag die zij zichzelf stelt. Misschien
kan zij die dan ook beantwoorden.
De voorzitter:
Graag de volgende keer via de voorzitter, mevrouw Van der Plas. Mevrouw
Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Dat moeten we volgens mij niet. Tegelijkertijd is het wel zo dat we het
steeds vaker over een waaier hebben. We hebben het ook over
mbo-studenten. We willen de verschillen tussen mbo, hbo en wo
verkleinen. Daar horen ook stappen bij. Ik vind echt dat we daar stappen
op moeten zetten. Ik noemde ook een paar voorbeelden in mijn
woordvoering. Ik vraag ook aan de minister wat we nu als eerste zouden
kunnen doen. Het eerlijke verhaal is wel dat we het niet allemaal in een
keer kunnen doen. Ik ben dus zelf ook echt op zoek naar welke stappen we
nu kunnen zetten. Ik wil dat ook heel graag samen met andere partijen
doen en kijken hoe we het in ieder geval wel alvast in beweging kunnen
krijgen. We weten dat het niet in een keer gaat. We gaan het, helaas,
niet in een keer gelijk kunnen trekken. Maar waar kunnen we mee beginnen
om dat wel zo snel mogelijk in gang te zetten?
De voorzitter:
Is de vraag voldoende beantwoord? Dat is het geval. Dan kijk ik nu naar
de heer Stoffer voor zijn betoog.
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Als er ergens een kloof gaapt tussen praat en
daad, dan is het wel ten aanzien van het beroepsonderwijs. We kunnen
lyrisch praten over gouden handjes, de voldoening van praktisch werk en
de motor van onze economie, maar als men in de praktijk merkt dat
iedereen toch vooral hogerop wil en het vmbo en mbo ontvlucht, dan
verdampen die ronkende woorden heel snel. De SGP ziet deze periode uit
naar meer daadjes en minder praatjes. Dat begint al in het
basisonderwijs, waar de huidige regeling voor de doorstroomtoets voor
een valse start en veel demotivatie zorgt in het vervolgonderwijs. Dat
leidt meteen tot mijn eerste vraag. Gaat de minister zich daar ook
tegenaan bemoeien? Inzetten op passende schooladvisering zou veel
goeddoen.
Voorzitter. Ik zet mijn inbreng van gisteren over het passend onderwijs
meteen maar voort in dit debat over het mbo. De minister is er positief
over dat instellingen steeds meer afspraken maken over individuele
ondersteuning. Dat is inderdaad een goede beweging, maar ik zie in de
evaluatie ook dat er enorme verschillen bestaan als het gaat om het
vastleggen van de afspraken. Dat varieert van 20% tot 100%, waarbij
vakinstellingen er positief uit lijken te springen. Mijn vraag is hoe de
minister duidelijkheid en verbetering wil bereiken. Gaat de inspectie
actiever op dit onderdeel toezien? De inspectie geeft aan dat de
hulpvragen in aantal en complexiteit toenemen. Dit betekent uiteraard
dat de noodzakelijke professionele ondersteuning op orde moet zijn, maar
in lijn met de Onderwijsraad benadrukt de SGP dat uitdrukkelijk ook de
informele sfeer van familie, netwerk en samenleving betrokken moet
worden. De omgeving kan vaak meer doen dan tien professionals bij
elkaar. Ik zag vanmorgen op de valreep de beleidsreactie op het advies.
De richting klinkt goed, maar helaas zag ik dat ouders en informele
gezinsondersteuning opzichtig afwezig zijn. Wil de minister met
organisatie zoals Ouders & Onderwijs en het Nederlands
Jeugdinstituut overleggen hoe het informele netwerk beter benut kan
worden?
Voorzitter. Eerder is al aan de orde geweest dat het belangrijk is dat
mbo'ers een fatsoenlijke en eerlijke vergoeding krijgen voor de stage.
Zoals zojuist ook al benoemd werd, moeten we ons doel daarbij niet
voorbijschieten. Het doel is namelijk voldoende goede stages. Inmiddels
horen we dat bedrijven minder bereid lijken te zijn om stages aan te
bieden vanwege die hoge vergoedingen. Wil de minister bij de uitwerking
uitdrukkelijk oog houden voor de positie van het mkb? Hoe wil ze
bevorderen dat kwetsbare studenten niet extra de dupe worden door de
inzet op hogere vergoedingen, waardoor ze niet meer aan een stageplek
komen?
Voorzitter. De minister heeft inzichtelijk gemaakt welke verschillen er
binnen de studiefinanciering bestaan tussen het mbo en het hoger
onderwijs. We kunnen ons dan fixeren op het grote ideaal van gelijkheid,
maar het brengt in ieder geval hogere kosten met zich mee. Dat kan
kleine, goede stappen in de weg staan. Waarom kan, om te beginnen,
bijvoorbeeld het bedrag van de basislening niet gelijkgetrokken
worden?
Voorzitter. De SGP mist in de beleidsreactie op de wetsevaluaties
aandacht voor de lastendruk van instellingen. De veronderstelling dat de
lasten zouden dalen, bijvoorbeeld door het afschaffen van de
onderwijsovereenkomst, blijkt niet bewaarheid. Geen enkele instelling
ziet haar lasten dalen; 15% ziet haar lasten zelfs stijgen. Gaat de
minister met de sector onderzoeken hoe praktische verbeteringen alsnog
te bereiken zijn?
Voorzitter, tot slot. De Raad van State heeft een nuttig advies
geschreven over het burgerschapsonderwijs in het mbo. Daarin is de
kritiek te lezen dat er te veel accent kan liggen op de filosofie van
basiswaarden, terwijl we toch vooral behoefte hebben aan
burgerschapsonderwijs dat studenten helpt in de concrete
beroepspraktijk. Mijn vraag is of de minister dat signaal ter harte
neemt. Betrekt ze in de uitwerking in ieder geval ook het vmbo, om
ervoor te zorgen dat daar een vloeiende lijn ontstaat?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw heldere betoog. Ik zie geen interrupties. Ik vraag
mevrouw Tseggai om het voorzitterschap over te nemen, zodat ik mijn
bijdrage namens de PVV kan doen.
Voorzitter: Tseggai
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Raijer. Dan geef ik het woord aan u, voor uw inbreng
namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Het mbo is de ruggengraat van onze samenleving.
Onze zorg, techniek, bouw, logistiek, veiligheid, horeca en
maakindustrie draaien op vakmensen. Toch worden mbo-studenten nog te
vaak behandeld alsof zij lager onderwijs volgen, terwijl zij juist het
werk doen waar Nederland elke dag op steunt. Die onderwaardering moet
stoppen. Een mbo-student is geen tweederangsstudent. Wie met het hoofd,
de handen en het hart leert, verdient dezelfde erkenning, kansen en
behandeling als studenten in het hbo en wo. Dat vraagt om gelijke
toegang tot studentenvoorzieningen, sportfaciliteiten en
studentenhuisvesting, maar ook om gelijke financiële behandeling. Daar
hoort ook studiefinanciering bij. Waarom maken we daarin nog onderscheid
tussen mbo- en hbo-studenten? Als we mbo-studenten echt gelijkwaardig
vinden, dan moet dat ook blijken uit de regelingen die wij maken.
Gelijke waardering begint niet bij een campagne, maar bij gelijke
rechten. Is de minister bereid om hier goed naar te kijken? Het kabinet
erkent inmiddels zelf dat mbo-studenten financieel tussen wal en schip
vallen. Ze zijn geen scholier meer, maar blijkbaar zijn ze ook geen
volwaardige student. Als we mbo-studenten echt gelijkwaardig vinden, dan
moeten we dat niet alleen zeggen campagnes en mooie speeches, maar ook
laten zien in beleid en financiële regelingen.
Dan de stages. Veel studenten moeten naast hun stage ook nog extra
werken om rond te komen. Dat zorgt voor stress en vergroot de kans dat
studenten afhaken of schulden opbouwen. De PVV begrijpt daarom de wens
voor een betere stagevergoeding, maar wij maken ons er zorgen over dat
werkgevers minder stageplekken gaan aanbieden als de lasten verder
oplopen. Juist in sectoren met enorme personeelstekorten, zoals de zorg,
de bouw en de techniek, kunnen we dat niet gebruiken. We zien dat het
Stagefonds Zorg, dat helaas in 2028 definitief stopt, een groot succes
is. Is de minister bereid dit fonds in stand te houden en dit uit te
breiden met andere cruciale beroepen, zoals die in de bouw en de
techniek?
Voorzitter. Wat ons zorgen baart in het mbo — dat heb ik al eerder
benoemd — is dat daar steeds meer problemen moeten worden opgelost die
elders in het onderwijs zijn ontstaan. Basisvaardigheden die onvoldoende
worden aangeleerd, komen nu op het bordje van het mbo terecht.
Mbo-scholen zijn geen reparatiebedrijven voor falend onderwijsbeleid.
Mbo-studenten kiezen voor vakmanschap en praktijkgericht onderwijs en
voor beroepen waar Nederland op draait. Geef scholen daarom de ruimte om
jongeren goed op te leiden voor de arbeidsmarkt zonder eindeloze Haagse
bureaucratie.
Tot slot, voorzitter. De PVV wil dat mbo-opleidingen bereikbaar blijven
in heel Nederland, ook buiten de Randstad. Jongeren mogen niet de dupe
worden van Haagse spreadsheets, concurrentie tussen instellingen of
verdwijnende opleidingen in de regio. Ook in de krimpgebieden moet het
aanbod van mbo-opleidingen voldoende zijn.
Voorzitter. Waardering betekent ook dat we studenten serieus nemen in
hun eigen keuzes. Jongeren moeten niet door de overheid een richting in
worden geduwd. Studiesucces begint bij motivatie. Laat mbo-scholen snel
en flexibel inspelen op de arbeidsmarkt zonder eindeloze Haagse
bemoeienis.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb op 1 april een motie ingediend over het rijke studentenleven voor
mbo-studenten, zodat die dezelfde faciliteiten krijgen als hbo- en
wo-studenten. Daar heeft de PVV tegen gestemd. Kan mevrouw Raijer
uitleggen waarom zij dit niet gelijk wil trekken?
Mevrouw Raijer (PVV):
Het klopt helemaal wat mevrouw Van der Plas zegt. Wij hebben inderdaad
tegengestemd, omdat wij vinden dat niet de overheid dat moet
faciliteren, maar dat dat vanuit de studentenverenigingen of studenten
zelf moet komen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is juist het probleem. Dat wordt al jaren geprobeerd en dat gebeurt
niet. Deze motie vroeg eigenlijk min of meer om mbo-instellingen met
elkaar in gesprek te laten gaan, dus juist dat het vanuit de
mbo-instellingen zou komen. Toch heeft de PVV daartegen gestemd. Dan
blijft mijn vraag: waarom?
Mevrouw Raijer (PVV):
Dan kom ik toch helaas met hetzelfde antwoord: omdat wij vinden dat dat
vanuit de studentenverenigingen zelf moet komen. Ik denk dat studenten
hier ook wel wat creatiever in mogen zijn. Wij blijven van mening dat
niet alles gefaciliteerd moet worden door het Rijk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De opvatting van de BBB is dat de overheid een vangnet en een trampoline
is. Dat is een vangnet voor mensen die in de knel zitten, die het echt
niet redden — daarvoor moeten we er zijn — maar ook een trampoline om
mensen even dat extra steuntje te geven. Hoe ziet de PVV dat? Het is dan
geen regulering, maar een vangnet en een trampoline.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dit is dezelfde vraag in een andere vorm gegoten, dus mijn antwoord
blijft hetzelfde. Studentenverenigingen en studenten kunnen zelf heel
creatief zijn. Mbo-instellingen kunnen studentenverenigingen daarmee
helpen. Wij blijven van mening dat dat niet gefaciliteerd hoeft te
worden door het Rijk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik blijf er toch even op doorgaan. Het komt juist van de studenten. Zij
zeggen tegen ons: help ons daar gewoon eventjes mee, want op deze manier
gaat het niet en dan komt er misschien een doorbraak. Als er een nieuw
voorstel komt, is de PVV dan bereid om daar opnieuw naar te kijken, dat
nog een extra zetje te geven en daar dan wél aan mee te doen en
mbo-studenten niet gewoon te laten zakken?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ook wat dit betreft blijf ik toch bij mijn antwoord. Wij blijven echt
van mening dat het niet aan het Rijk is om dit te faciliteren en dat
mbo-studentenverenigingen dat zelf kunnen doen. Misschien kunnen ze
zelfs hulp vragen aan hbo-studentenverenigingen die hun dat zetje willen
geven.
De voorzitter:
Mevrouw Raijer, was u het een einde van uw betoog?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ja, dat klopt.
De voorzitter:
Oké. Dan draag ik het voorzitterschap over aan mevrouw Raijer.
Voorzitter: Raijer
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn
van de Kamer. We gaan schorsen tot 15.00 uur. Daarna kan de minister aan
haar eerste termijn beginnen. Tot zo!
De vergadering wordt van 14.35 uur tot 15.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik begin met de eerste termijn van de
minister, dus ik geef bij dezen de minister het woord.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Goedemiddag allemaal. Ik moest even
wandelen om weer terug deze zaal in te komen. Wat hebben we al een mooi
debat kunnen aanschouwen. Ik moet, in ieder geval in mijn rol als
minister, eerlijk zeggen dat ik daar ook wel van genoten heb. Er waren
heel veel mooie, terechte, scherpe vragen, die ik allemaal ga
beantwoorden. Dat zal niet een voor een zijn, maar in samenhang. Dat doe
ik in een aantal grote thema's die ik geclusterd heb.
Ik ga beginnen met het thema waar u met elkaar volgens mij het meest
over gesproken heeft, namelijk de randvoorwaarden voor studenten. Het
gaat er uiteindelijk in de eerste plaats om dat de randvoorwaarden voor
studenten … Er zitten allemaal studenten op de publieke tribune die in
spanning afwachten wat de minister er allemaal over gaat zeggen. Daar
begin ik dus mee. Er zitten allerlei vragen in over
studentenvoorzieningen en over de studiefinancieringsdiscussie die we
met elkaar hebben gehad. Daarna heb ik een thema rondom kwaliteit. Daar
hebben de Kamerleden natuurlijk ook een aantal vragen over gesteld. Dan
ga ik door met de stages, de discussie over de stagevergoeding en de
stagetekorten. Het volgende blok gaat dan over de bekostiging, dus over
de herziening van het bekostigingsstelsel. Dan ga ik door naar de
arbeidsmarkt van de toekomst. Daarna heb ik één overige vraag, die gaat
over de lastendruk. En dan sluit ik misschien af met de overkoepelende
ambities voor het mbo. We kijken even hoe laat het dan is; misschien is
het dan al etenstijd voor iedereen. Ik zal proberen mij zo veel mogelijk
aan de tijd te houden.
In het licht van het feit dat u volgens mij samen het langste gesprek
heeft gehad over de randvoorwaarden en de waardering voor mbo-studenten
in vergelijking met studenten uit andere onderwijssectoren, leek het me
verstandig om daarmee te beginnen. Meerdere Kamerleden vroegen mij hoe
we het mbo daadwerkelijk gelijkwaardig gaan erkennen en waarderen in
vergelijking met een student die naar een hogeschool of universiteit
gaat. Volgens mij zei de heer Stoffer … Hoe noemde u het ook alweer?
Daadjes? Mijn moeder zei altijd: praatjes vullen geen gaatjes. U zei het
net een beetje anders.
De heer Stoffer (SGP):
Ik zei: meer daadjes en minder praatjes. Mijn oma heette overigens
"Daatje"; daar moest ik ook aan denken.
Minister Letschert:
Mijn moeder zei altijd: praatjes vullen geen gaatjes. Volgens mij is een
algehele samenvatting van de discussie die u met elkaar heeft gehad dat
we al een aantal periodes, ook in verschillende kabinetten, praten over
die waaier en dat we vinden dat een mbo-student en een hogeschool- of
universiteitsstudent gelijkwaardig behandeld moeten worden. Dat zit hem
deels in de toegang tot voorzieningen, te weten sport, cultuur,
studentenhuisvesting en bestuursjaren bij verenigingen, maar het gaat
ook over de financiële positie van studenten. Ik denk dat we echt wel
een aantal hele belangrijke stappen met elkaar hebben gezet, zoals het
feit dat we nu over "studenten" spreken en niet meer over "leerlingen".
Daar moeten we mensen nog steeds op corrigeren. Er zijn stickers die u
op uw laptop kunt plakken om u er elke dag aan te herinneren. Maar we
zijn er nog niet, en daar wil ik ook eerlijk over zijn. Ik zal u
dadelijk vertellen waar we staan.
Ik heb gisteren in de JOB-monitor die hier voor mij ligt, waar u ook
naar verwees, kunnen teruglezen dat mbo-studenten zich meer gewaardeerd
voelen dan een aantal jaren terug. NOS Stories maakte daar een prachtige
rapportage over. Ik denk dat we allemaal, dus zowel de politiek,
werkgevers en media als ouders, die beweging met elkaar moeten
continueren en afronden. Het is eigenlijk een collectieve
verantwoordelijkheid voor onze hele samenleving.
Ik wil beginnen met de discussie die u had over de
studentenvoorzieningen, zoals de sportfaciliteiten. Je ziet dat steeds
meer mbo-studenten toegang krijgen, maar dat dat wel afhankelijk is van
de instellingen en de verschillende steden waar zij hun studie volgen.
Ik wil hier ook wel even noemen dat bijvoorbeeld een groot deel van de
sportfaciliteiten door universiteiten wordt gefinancierd voor hun
studentenpopulatie. Als we dus met elkaar een situatie willen creëren
waarin alle studenten naar die sportvoorzieningen kunnen gaan, moeten we
ook met die hele keten van onderwijsinstellingen het gesprek gaan
voeren. Ik wil hier toezeggen dat het zeker de moeite waard is om verder
te verkennen hoe je dit landelijk wat meer invulling kunt geven. Die
faciliteiten zijn er, maar er staat ook best veel druk op de
universiteiten zelf om dat rendabel te houden. In sommige gevallen is
het juist eigenlijk al veel te druk in die sportfaciliteiten. De vraag
is dus hoe je dat dan gaat doen. Het is niet zo dat we in Den Haag maar
kunnen gaan bepalen dat alle sportcentra die de universiteiten hebben
gecreëerd, zowel de binnenruimtes als de velden … Bepalen hoe dat qua
sportfaciliteiten ontwikkeld kan worden, gaat eigenlijk best wel ver.
Maar ik wil hier zeker toezeggen dat ik bij de mogelijke landelijke
invulling, samen met de MBO Raad, de Vereniging van Universiteiten en de
Vereniging Hogescholen, zal kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat
gelijkwaardigheid op die manier tot uiting kan komen. Meerderen van u
hebben een belangrijke opmerking gemaakt. Op de arbeidsmarkt gaat een
mbo-student samenwerken met een hogeschoolstudent en een universitair
student. Maar je wilt dat ze elkaar al veel eerder, tijdens hun
studietijd, automatisch tegenkomen. Hoe mooi is het als dat gebeurt via
sport, cultuur of welke vorm van het studentenleven dan ook? Die
toezegging kan ik doen.
We zijn op dit moment ook bezig om ervoor te zorgen dat mbo-studenten
een bestuursjaar kunnen volgen. Dat zien we ook bij universiteiten en
hogescholen. We willen dat dat uiterlijk in 2028 wettelijk mogelijk is.
Dat klinkt voor sommigen nog heel ver weg, maar dat is volgens Haagse
begrippen relatief snel. Hoe mooi zou het zijn als je een bestuursjaar
kunt doen bij het bestuur van je instelling om op die manier hartstikke
mooie werkervaring op doen?
De voorzitter:
Ik ga u even onderbreken, want u heeft een interruptie van mevrouw Van
der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, die gaat over het eerste deel van de beantwoording van de minister.
Ze heeft toegezegd dat ze een gelijkwaardig studentenleven verder gaat
verkennen, om het even kort te zeggen. Bij een toezegging hoort altijd
een brief en een termijn. Dat is dus ook mijn vraag. Op welke termijn
gebeurt dit en wanneer kunnen we daar een brief over verwachten?
Minister Letschert:
Ja, dat is een goede. Ik heb in de komende periode gesprekken met de
koepels. Ik denk dat ik voor de kerst richting moet kunnen geven aan wat
die gesprekken hebben opgeleverd en wat dat concreet gaat betekenen voor
de doelgroep die hier aanwezig is. Dat zou mijn tijdslijn zijn. De
mensen naast mij denken nu misschien "dat is wel heel snel", maar ik
denk dat dit realistisch is.
De voorzitter:
Bedankt voor uw antwoord. Ik wil voorstellen dat we de minister eerst de
blokken laten afmaken en dat we de vragen per blok stellen, als de Kamer
het daarmee eens is. Ik wil u vragen om uw eerste blok af te
maken.
Minister Letschert:
Ja, daar ben ik pas net mee begonnen, maar ik zal proberen ...
We hebben ook gesproken over het thema "studentenhuisvesting". We willen
ook daar meer kansengelijkheid bieden. Om de studentenhuisvesting te
verbeteren en kansengelijkheid te bieden, zijn onder andere JOBmbo en de
MBO Raad aangesloten bij het Landelijk Platform Studentenhuisvesting,
waar ze gezamenlijke doelen gaan stellen en waar ze samen aan de
huisvestingsopgave gaan werken. Ik blijf daar nauw bij betrokken om te
zien waar dat uiteindelijk toe leidt, want dat moet ook gaan leiden tot
toegankelijkheid voor mbo-studenten.
Ik ga nu over naar de discussie over de financiële situatie. Ik denk dat
we ons allemaal zorgen maken over het feit dat er mbo-studenten zijn die
opgroeien in hele ingewikkelde financiële omstandigheden. Ik heb bij een
mbo-instelling in Rotterdam veel gesprekken gevoerd met studenten en
toen schrok ik echt van de financiële stress die op hun schouders rust.
Als je financiële stress hebt terwijl je moet studeren, dan doet dat
iets met de mogelijkheid om je studie te kunnen halen. Dat leidt tot
uitval. Ik denk dat we dat allemaal delen.
Laat ik in de eerste plaats beginnen met de schoolkosten. De
Onderwijsraad heeft een advies gegeven en de probleemanalyse heel scherp
neergezet. De hoge schoolkosten kunnen een drempel vormen voor de
toegankelijkheid van het mbo en het behalen van een startkwalificatie.
Dit geldt vooral voor minderjarige studenten, want die hebben nog geen
recht op studiefinanciering. Zij zijn 16 of 17 en studeren al, maar
krijgen nog geen studiefinanciering. De Onderwijsraad zegt: zorg dat
school kosteloos is voor minderjarige studenten. Het eerlijke antwoord
is: ik heb op dit moment geen middelen in de coalitieafspraken en de
financiële plaat die daarbij hoort om alle schoolkosten gratis
beschikbaar te stellen voor de hele populatie van mbo-studenten. Ik wil
wel meer doen dan een poging wagen. Ik wil serieus overwegen hoe ik in
aanvulling op het coalitieakkoord toch nog een extra stap kan zetten
voor een meer gelijkwaardige positie van mbo-studenten, specifiek in
relatie tot de schoolkosten. Ik kom daarop terug in de brief over de
herziening van de bekostiging. Ik heb hier nog een mapje voor me liggen
over de bekostiging; daar zijn we, as we speak, volop mee bezig. Die
komt voor de zomer naar de Kamer. Daarin doen wij ook een voorstel over
hoe hiermee om te gaan. Daar moet u dus helaas nog even op wachten omdat
onder andere de instellingen, het ministerie en ikzelf daarover nog in
overleg zijn.
Dan kom ik nu bij de studiefinanciering. Geconstateerd is dat er
historisch enorme verschillen zijn ontstaan tussen de bedragen die wij
toekennen aan mbo-studenten die recht hebben op studiefinanciering en
aan studenten die aan een hogeschool of universiteit studeren. Ik geloof
dat mevrouw Armut dat zei. Toen ik net binnenkwam op het ministerie ben
ik mij daarin gaan verdiepen. In alle eerlijkheid moet ik zeggen dat bij
heel veel van die verschillen, bijvoorbeeld in het bedrag voor de
thuiswonendenbeurs, niet aanwijsbaar is waarom die zo zijn gegroeid.
Eerlijk gezegd, zijn die verschillen door heel veel verschillende
wetswijzigingen in verschillende kabinetsperiodes ontstaan. Een van mijn
voorgangers heeft al die verschillen in het studiefinancieringsstelsel
uitgebreid onderzocht en met de Kamer gedeeld. Willen we dat in één klap
gelijktrekken, dan hebben we daar bij elkaar opgeteld 400 miljoen euro
voor nodig. Het bedrag werd al genoemd. Als ik alle normbedragen in
verband met de verschillen tussen studenten ga verlagen, dan is het
natuurlijk een ander verhaal, maar in die situatie wordt de doelgroep
hogeschool- en universiteitsstudenten voor het realiseren van die
gelijktrekking eigenlijk gekort. Die situatie zou op dit moment niet
mijn voorkeur hebben.
Dit is natuurlijk niet het antwoord dat u nu wilt horen, ook omdat we
allemaal erkennen dat je niet inhoudelijk kan verklaren waarom die
verschillen er zijn. Zoals mevrouw Biekman in haar antwoord aan de
Kamerleden aangaf, is het eerlijke verhaal dat op het moment dat aan de
coalitietafel besproken moest worden of we de bezuinigingen konden
herstellen die in eerdere periodes met name in het hoger onderwijs
hadden plaatsgevonden, er een envelop kwam voor OCW. Daar is toen de
keuze gemaakt om één van de maatregelen te richten op de
uitwonendenbeurs voor alle studenten. Het effect daarvan is dat met name
studenten aan de hogeschool en de universiteit daarvan profiteren; zij
studeren immers vaker uitwonend dan mbo-studenten. Dat is allemaal waar
en dat ga ik allemaal niet onder tafel schuiven. Binnenkort hebben wij
een gesprek over de beleidsbrief die wij u hebben gestuurd en wij hebben
gesprekken in de aanloop naar de discussie over de Onderwijsbegroting.
Wat wij in het licht daarvan moeten doen, is met elkaar nagaan wat alle
partijen nou vinden van de keuzes die wij daarin hebben gemaakt. De
coalitie staat voor deze afspraak. Die hebben wij gemaakt in februari.
Tegelijkertijd geldt dat wij, hoewel wij prachtig 66 zetels hebben, ook
een bredere samenwerking in deze Kamer nodig hebben, zoals ik ook in het
vorige debat heb gezegd. Die willen wij ook oprecht gaan zoeken.
Wij hebben hier nu van alles gehoord. Dat betekent dat het nu aan de
coalitie is om samen met mij te bekijken wat wij hier nou van vinden:
hoe moeten wij hiermee omgaan? Daar is het antwoord nu nog niet op te
geven. Ik hoor iedereen zeggen dat het probleem er is en dat zij de
situatie erkennen. Als wij een waaier willen en geen praatjes maar daden
willen laten zien, wanneer gaan we dat dan doen? Gaat dat in deze
periode gebeuren of komt dat in een volgende kabinetsperiode? En als dat
nu niet rechtgetrokken kan worden, hoe zorgen we er dan voor dat dit dan
wel kan worden rechtgetrokken? Zoals mevrouw Biekman ook in alle
eerlijkheid zei: het moet van de Onderwijsbegroting komen. Daar hebben
we dan dus een discussie over. Dat gaat dus ergens anders mogelijkerwijs
pijn opleveren. Ik denk dat we die discussie misschien niet nu moeten
voeren, want we zullen nog meer debatten hebben, zowel over de
beleidsbrief als over de begroting in het algemeen, maar dit is wel het
eerlijke verhaal dat ik hier met u wil delen.
Mij werd ook gevraagd wat we al wel doen. Gisteren hebben we met de MBO
Raad en JOBmbo de hernieuwde basisregels voor schoolkosten ondertekend.
Hiermee gaan we hoge schoolkosten voor studenten tegen en krijgen
studenten ook gewoon meer duidelijkheid over hun rechten en
tegemoetkomingen. Er is eigenlijk best het een en ander waar studenten
recht op hebben, maar heel vaak weten ze het niet. Dus dit is ook een
kwestie van: hoe communiceren we dat nou beter per instelling? Daar zijn
ook prachtige posters voor, die ik iedereen kan aanraden. Verder is er
een mbo-studentenfonds. Dat gaat met name over minderjarige studenten
uit gezinnen met een minimuminkomen. Die kunnen via dat
mbo-studentenfonds ondersteuning krijgen. Er is een tegemoetkoming
schoolkosten voor minderjarige studenten. Die is ongeveer €80 en is met
drie jaar verlengd. Dat zit allemaal al in de afspraken. Per '27 krijgen
de bbl-studenten het volledige minimumjeugdloon. Ook dat is inmiddels op
die manier georganiseerd.
Ik had nog een vraag over de basisleningen. De heer Stoffer vroeg of de
basislening niet gelijkgetrokken kan worden. Ook daar is niet het
makkelijke antwoord op "ja, dat kan", want als je dat doet, kost dat ook
een paar miljoen. Ook wat dat betreft moeten we praten over waar de we
dekking daarvoor vandaan gaan halen. De maatregel gaat misschien de
maximale financiële ruimte van mbo-studenten vergroten, maar dit gaat
over een heel kleine groep. Het is maar een klein deel in onze populatie
dat leent of maximaal leent. Wat ik me heb laten vertellen, is dat dat
5% is van het totale aantal mbo-studenten met studiefinanciering. Ook in
de discussie over de leningenkant van de studiefinanciering zoals we die
met elkaar hebben gebouwd door de jaren heen geldt: als we dat willen
aanpakken, moeten we dat allemaal tegelijk doen. Daar hoort ook een
discussie bij over de leningenstructuur. Nogmaals, ik kan niet beloven
dat we dat kunnen doen binnen deze kabinetsperiode, maar ik zou wel met
elkaar willen kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we niet periodes na
elkaar deze discussie hebben zonder dat we dat op enig moment met elkaar
daadwerkelijk gaan regelen.
Dan was er een vraag van mevrouw Tseggai over de automatische restitutie
van les- en cursusgeld. Ook daar geldt: dat kost 27 miljoen. U noemde
het al. O, was het niet uw vraag? O, excuses. Sorry, het was een vraag
van mevrouw Armut. Ook daar moeten we met elkaar het gesprek over
hebben. Dat gaat ook over een dekking van 27 miljoen, die niet in de
beleidsbrief in de huidige vorm is opgenomen.
Dan ga ik door met de vragen over de verschillen in ondersteuning. De
instellingen maken steeds meer afspraken binnen hun eigen community over
de individuele ondersteuning. Wat u vraagt, is hoe je nou zorgt dat er
meer duidelijkheid komt en ook verbetering en of de inspectie daar wat
scherper op gaat toezien. Ik denk dat het goed is dat steeds meer
afspraken die de mbo-instellingen maken met studenten over ondersteuning
ook echt worden vastgelegd, maar we zijn er nog niet. Er bestaat nog
veel variëteit. Ik zou graag met de MBO Raad en de leden in gesprek
willen om te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat er wat meer uniforme
ondersteuningsafspraken vastgelegd kunnen worden, zodat dat ook voor
iedereen helder is. Ik zou ook willen zien hoe de inspectie hierop kan
toezien, zodat die afspraken worden nageleefd. Er is al best veel aan
ondersteuning. Laten we er dan ook voor zorgen dat die voor iedere
student beschikbaar komt en dat we monitoren of dat daadwerkelijk het
geval is. Wat ik wel merk en ook zelf zie in alle gespreken die ik heb
gehad de afgelopen periode met zowel individuele instellingen als de MBO
Raad als bestuurlijk orgaan, is dat instellingen steeds meer ervaringen
met elkaar delen en echt ook met elkaar de schouders eronder hebben
gezet. Maar ik zal opnieuw de verschillen en onze wens om daar
generiekere afspraken over te maken bij hen onder de aandacht
brengen.
Dan heb ik ook nog een vraag gekregen rondom het welzijn van studenten,
om het zo maar even te noemen, en het betrekken van het informele
netwerk, de ouders. Wij hebben inderdaad een brief gestuurd naar de
Kamer die gaat over welzijn van studenten in het algemeen, dus niet
alleen gericht op de mbo-doelgroep. Wij hebben ook een debat gepland
binnenkort, waarin we over dit thema in de breedte gaan praten. Ik zou
meneer Stoffer willen vragen om met elkaar in gesprek te gaan over hoe
wij de rol van het informele netwerk zien in de ondersteuning van
studenten als we die brief met elkaar gaan bespreken. Dan kunnen we het
ook hebben over het belang van het praten met organisaties als Ouders
& Onderwijs en het Nederlands Jeugdinstituut.
Ik ben bijna klaar met dit eerste blokje. Mevrouw Van der Plas vroeg mij
waarom je geen discriminatie kan vaststellen op basis van opleiding.
Daar heb ik verschillende adviezen over gelezen, ook van het College
voor de Rechten van de Mens. Ik wil u toezeggen dat ik nogmaals in de
verschillende adviezen die er liggen, maar ook in de juridische
structuur die we kennen, zowel onze eigen Grondwet en nationale wetten
als onze internationale verdragen, ga duiken om te kijken wat nou
daadwerkelijk een legitieme reden is om te zeggen "hier gaan we actie op
ondernemen" en waar het eigenlijk al door die verscheidenheid aan
juridische instrumenten gedekt wordt. Mijn antwoord is dus: ik ga zelf
nog even mijn eigen ogen richten op alle Kamerbrieven die u al eerder
heeft gekregen en de adviezen die er liggen, en dan kom ik bij u terug
met de mogelijke vervolgstappen. U wil weten wanneer die komen. Dat doen
we in dezelfde brief als die over de studentenvoorzieningen. Dat lijkt
me een mooie afspraak.
Dat was het eerste blokje.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Het volgende vind ik een beetje lastig. Ik hoor best wel welwillendheid
in de beantwoording van de minister, maar ik hoor haar ook zeggen: we
moeten ervoor zorgen dat we niet meerdere kabinetsperiodes door blijven
praten over die gelijke studiefinanciering zonder dat er iets geregeld
wordt. Volgens mij is dat precies wat we aan het doen zijn. Ik ben nog
niet zo heel lang Kamerlid, maar dit is inmiddels de vierde minister van
OCW met wie ik deze discussie voer en die, samengevat, zegt: ik wil het
heel graag, maar nu gaat het niet lukken. Ik word al helemaal verdrietig
als ik de minister hoor zeggen: het gaat deze kabinetsperiode niet
lukken. Ik vind dat toch wel een groot probleem. Ik vind het jammer dat
de minister of haar partij niet aan de onderhandelingstafel heeft
geregeld dat dit rechtgetrokken wordt. Hoe ziet de minister dit nu
verder voor zich?
Minister Letschert:
Ik zei net dat aan de onderhandelingstafel — daar zat ik in een andere
hoedanigheid aan tafel; dat weet u ook — de keuze is gemaakt om een
groot deel van de bezuinigingen te herstellen die in vorige periodes
zijn gecreëerd. Die zagen met name op de hogescholen en universiteiten.
In het licht van het feit dat we volgens mij Kamerbreed tegen de
situatie zijn zoals die in het studiefinancieringsstelsel is gecreëerd
door een opeenstapeling van allerlei wetten die die bedragen zo
verschillend hebben gemaakt, moeten wij met elkaar het gesprek voeren
over wanneer wij daar een antwoord op gaan geven. Het eerlijke antwoord
vanuit mij is dat ik nu geen dekking van 400 miljoen heb om dat recht te
trekken. Ik denk dat dat bij iedereen een soort graat in de keel aan het
worden is. Dat geldt voor iedereen die hier zit en zeker voor de mensen
die daar op de publieke tribune zitten.
Ik gaf net ook aan dat wij met elkaar nog een gesprek gaan voeren over
de brede beleidsbrief. We gaan met elkaar een gesprek voeren over de
Onderwijsbegroting. Laten we dan ook dat gesprek voeren. Ik kan nu nog
niet zeggen of er dan ruimte is, want wij zijn nog in gesprek met uw
Kamer. Omdat we een minderheidscoalitie zijn, is de intentie van het
kabinet volgens mij ook om dat gesprek in alle oprechtheid met elkaar te
gaan voeren. Daar hebben we ook nog tijd voor. Je hoort hier niemand
zeggen: wij erkennen niet dat dit feit ons een doorn in het oog is.
Tegelijkertijd hoort u ons ook zeggen: dat betekent ook dat er andere
keuzes moeten worden gemaakt over waar dat geld dan niet naartoe gaat.
Dat zijn vaak hele moeilijke keuzes. Laten we dat gesprek de komende
tijd met elkaar voeren. Als het niet zou lukken, omdat we geen
meerderheid hebben voor de keuze die dan voorligt, dan gebeurt het in
een volgende kabinetsperiode. Dan zou mijn strategie zijn om te kijken
hoe je ervoor zorgt dat je, als het gaat over besprekingen in formaties,
niet alleen met elkaar blijft noemen dat er een waaier is en dat
iedereen gelijk is. Dat is de afgelopen periode niet gebeurd. Dat is het
eerlijke verhaal.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het toch een onbevredigend antwoord. Het voorstel voor de
OCW-begroting komt van de minister en de minister is in charge.
Natuurlijk moet zij een meerderheid in de Kamer zien te halen, maar
laten we niet doen alsof ons dit allemaal maar overkomt en we er niks
meer aan kunnen veranderen, want dat kunnen we volgens mij wel. Ik vind
het kwalijk, juist voor al die mensen die op tribune zitten of die thuis
misschien in spanning zitten mee te kijken, dat we nu voor de vierde
keer op rij met de minister de discussie hebben dat we het voor ons uit
schuiven. Het is inderdaad moeilijk om een politieke keuze te maken,
maar durf eens te kiezen voor het mbo!
Minister Letschert:
Volgens mij zeg ik nu niet dat ik dingen vooruitschuif. Ik zeg dat wij
een coalitieakkoord hebben waar wij ons als coalitiepartijen aan houden.
Tegelijkertijd heb ik gezegd dat wij een minderheidscoalitie zijn die
met verschillende partijen gesprekken heeft op alle domeinen waarop wij
zowel inhoudelijke als financiële keuzes hebben gemaakt. Daar sta ik
achter, maar het gesprek is de moeite waard — ook dat is democratie — om
te kijken of wij daarin de goede keuzes hebben gemaakt. Ik ben heel blij
om vandaag te zien waar de verschillende partijen hun accenten op zouden
willen leggen. Ik denk dat het ook in de zaal op die manier wordt
geproefd. Laten we de komende periode de tijd nemen om met elkaar te
kijken of die keuzes op een goede manier zijn gemaakt en waarvoor
meerderheden te vinden zijn. Ik ga graag vanuit de coalitie met
verschillende partijen om tafel om die gesprekken te hebben. Dat is niet
nu, want vandaag praten we over het mbo in het algemeen. Op 10 juni gaan
we over de beleidsbrief praten en we gaan over de onderwijsbegroting
praten. Er zijn dus momenten waarop we dit sowieso met elkaar moeten
verkennen. Dat geldt niet alleen voor deze discussie, dat geldt ook voor
andere thema's. Het coalitieakkoord staat en daar houd ik aan vast, maar
tegelijkertijd hebben wij 66 zetels.
De voorzitter:
U kunt geen interruptie meer doen, mevrouw Tseggai. Uw interruptie
duurde langer dan 30 seconden, dus zijn uw interrupties nu helaas op.
Zijn er verder nog vragen? Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
De minister zegt dat het binnen de onderwijsbegroting moet worden
opgelost. Voor ons als Tweede Kamer geldt dat niet. Wij kunnen rustig
voorstellen om te gaan schuiven tussen de begrotingen.
Minister Letschert:
Dat is ook helemaal waar.
De heer Boomsma (JA21):
Dan had ik nog een andere vraag. Het ging over sporten. Ik vind het een
heel goed idee om te inventariseren en om te kijken naar een betere
toegang tot sportfaciliteiten. Veel mbo'ers zijn van dezelfde leeftijd
als havisten en vwo'ers. Het lijkt mij mooi als jongeren met elkaar in
contact komen en dat er competities of sportwedstrijden zijn. Moet je
voor die leeftijdsgroepen niet naar de scholen kijken?
Minister Letschert:
Bedoelt u dan de sportfaciliteiten van de middelbare scholen?
De heer Boomsma (JA21):
Ja, bijvoorbeeld. Het gaat erom dat jongeren, in het kader van
ontmoeting creëren tussen verschillende groepen jongeren in de
samenleving, toegang krijgen tot meer sportfaciliteiten. Als veel
mbo'ers minderjarig zijn, ligt het misschien meer voor de hand ... Of je
zegt het tegenovergestelde, dat havisten en vwo'ers van dezelfde
leeftijd naar de universiteit kunnen. Ik vraag in ieder geval om dit mee
te nemen in dit gesprek: hoe kun je dit bij elkaar brengen?
Minister Letschert:
Ja en nee, eigenlijk. Wat wij beogen, is dat de student die naar het mbo
gaat, in het studentenleven geïntroduceerd wordt. Als je de student die
naar het mbo gaat en die 16 of 17 is — die havist die naar een
hogeschool gaat kan ook 16 of 17 zijn, hè — weer richting de populatie
van middelbare scholieren brengt, dan bereiken we niet wat willen,
namelijk dat we de studentenpopulaties met elkaar gaan mengen. Als we de
stap kunnen zetten om de bestaande sportfaciliteiten in steden met
hogescholen en universiteiten breder toegankelijk te maken voor de brede
studentenpopulatie, hebben we een hele grote stap gezet. Het wordt
eerder complexer als we ook in de omgeving van de middelbare scholen
gaan kijken naar de bestaande sportaccommodaties, of het nou gaat om
gymzalen of de sportklassen. Dan wordt het volgens mij een stuk
complexer en het doel is nou juist niet om complexiteit toe te voegen
maar ervoor te zorgen dat we daadwerkelijk iets concreets gaan
opleveren. Dat zou mijn eerste reactie zijn op uw idee.
De heer Boomsma (JA21):
Goed. Een deel is gewoon minderjarig, en dan kun je wel zeggen dat je
die gaat integreren in de studentenpopulatie, maar als ze dezelfde
leeftijd hebben als scholieren, dan vind ik dat daar ook best ruimte is
voor ontmoeting en uitwisseling.
De voorzitter:
Ik hoor geen vraag. Ik geef meneer Stoffer het woord.
De heer Stoffer (SGP):
Even over die sportvoorzieningen. Het klinkt natuurlijk heel mooi. Als
je hier in Den Haag woont en mbo'er bent, dan klopt dat. Ik ben een
aantal dagen in de week in Den Haag, maar ik woon in Elspeet. Een
mbo-student daar gaat met de bus naar Apeldoorn of Amersfoort en daarna
weer terug. Ik denk dat er in Apeldoorn of Amersfoort weinig van die
sportvoorzieningen zijn op hbo- en wo-niveau en in Elspeet al helemaal
niet. Het is dus misschien wel leuk voor de mbo-studenten die in een
studentenstad wonen, maar het gros van de mensen op het platteland helpt
dit echt totaal niet. Is dat ook in beeld? Dit klinkt natuurlijk heel
aardig, maar voor de meesten geldt: het is leuk, maar het helpt je
dagdagelijks niks vooruit.
Minister Letschert:
Ik denk dat dat ook zeker een onderdeel is van die verkenning. De vraag
is ook waar studenten zelf behoefte aan hebben. Voor een uitwonende
mbo-student of een student die in een grotere studentenstad woont en die
obstakels ondervindt om gebruik te maken van faciliteiten, kunnen we
iets doen. Dat we in alle steden waar een mbo is sportvoorzieningen
kunnen creëren buiten de publieke markt van sportvoorzieningen om, zou
een te grote verwachting zijn. Ik denk dat het zeker belangrijk is om
dit mee te nemen in de verkenning, maar dan ben ik ook benieuwd wat
vanuit met name JOBmbo wordt meegegeven in die verkenning over wat er
generiek nodig is en wat er daadwerkelijk waargemaakt kan worden qua
verwachtingen. Nu hebben we het over bestaande sportfaciliteiten die
door publieke onderwijssectoren worden gefinancierd en onderhouden.
Laten we in die verkenning dus vooral ook naar de blinde vlekken kijken
zoals u die nu op tafel legt en vervolgens met elkaar bepalen: wat
vinden wij daarvan, is er een behoefte die wij niet kunnen
vervullen?
De heer Stoffer (SGP):
Ik werp, ook vanuit mijn ideologie, uiteraard niet het voorstel op om
dat voor iedereen overal in het land te doen. Ik denk dat we voor een
deel praten over een probleem dat er in grote delen van het land
helemaal niet is. Dat moet je open en eerlijk durven constateren. Daarom
gaf ik het ook maar mee.
De voorzitter:
Dank u wel. Wilt u hierop nog reageren? Niet? Dan geef ik het woord aan
mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Ik heb naar aanleiding van de beantwoording een vraag aan de minister,
of een suggestie, over de brief de bekostiging. Daarin komt u terug op
de leermiddelen en de leerkosten. Kunt u daarin ook best practices
meenemen? Ik weet dat het Albeda in Rotterdam bezig is met een pilot op
het gebied van gratis leermiddelen en materialen. Kunt u de best
practices ook in uw brief verwerken?
Minister Letschert:
De brief over de bekostiging gaat over de herziening van het hele
bekostigingsstelsel. Binnen die herziening gaan wij een voorstel doen
rondom schoolkosten. Dat gaat verder dan de best practices die je nu al
op instellingen ziet. Misschien is een en ander wel geïnspireerd op dat
soort best practices. Laten we dat gesprek echter voeren op het moment
dat we de brief uw kant op doen komen. Dat zal sowieso voor het
zomerreces zijn.
Mevrouw Biekman (D66):
Dan ga ik er dus van uit dat de best practices in het achterhoofd zijn
meegenomen in de brief. Dank.
De voorzitter:
Ik kijk nog even naar de Kamer: zijn er nog vragen over dit eerste
thema? Nee? Dan vraag ik de minister om door te gaan naar het volgende
thema en geef ik haar het woord.
Minister Letschert:
Dan gaan we naar het onderdeel kwaliteit. Er zijn meerdere vragen
gesteld over de kwaliteit binnen het mbo-onderwijs en over de Staat van
het Onderwijs. Ik heb die vragen samen gepakt. Laat ik vooropstellen dat
heel veel goed gaat in het mbo. De studenten zijn over het algemeen
tevreden, zoals u kunt lezen in de JOB-monitor. De opleidingen werken
intensief samen met het bedrijfsleven en ook met de docententeams.
Iedere dag wordt er, zoals ik u zelf ook hoor zeggen, enorme
betrokkenheid en vakmanschap getoond. Ik zie ook dat mbo-instellingen
steeds meer de samenwerking met elkaar opzoeken, ook in de regio's.
Eerlijk gezegd ben ik enorm blij dat ik dit heb mogen aanschouwen in de
afgelopen maanden. Die inzet verdient onze erkenning.
Mbo-instellingen — dat heb ik u ook meerdere keren horen zeggen — hebben
een belangrijke maatschappelijke opdracht. Ze leiden niet alleen
studenten op voor een beroep, maar ze investeren ook nog eens extra in
de basisvaardigheden: taal, rekenen en burgerschap. Die inzet zie ik
absoluut terug in onze sector en ik zie ook dat de beheersing van die
vaardigheden onder druk staat. We moeten tegelijkertijd oppassen dat we
de volledige oplossing niet alleen maar in de schoenen van het mbo
schuiven. Wij hebben als wij met u gaan praten over de beleidsbrief ook
nog een aantal dingen te doen als het gaat over de kwaliteit binnen het
middelbaar onderwijs, ook ten aanzien van de basisvaardigheden. Wat je
ziet, is dat een deel van de zorgen die we daar zien en de leerlingen
die daar dan de dupe van zijn, om het zo maar even te noemen,
uiteindelijk ook in het mbo terechtkomen. Er is dus nog inzet op een wat
langere termijn nodig om te zorgen dat het mbo niet een soort
reparatiemechanisme wordt, zoals mevrouw Raijer het volgens mij noemde,
voor datgene wat we in het middelbaar onderwijs nog niet voldoende op
orde hebben. Dat wil ik hierbij nog even, ook in de erkenning naar het
mbo, genoemd hebben.
Wat wij hebben gezegd in de afgelopen periode, is dat die
basisvaardigheden gewoon op orde moeten komen, zowel in het middelbaar
onderwijs als in het mbo-onderwijs. Er is een wetsvoorstel dat
aanvullende eisen stelt aan huidige en toekomstige docenten Nederlands,
rekenen en burgerschap. Dat wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies
bij de Raad van State. Ik ben in afwachting van dat advies. Als het
advies er is, zal het zo snel mogelijk naar de Kamer gaan in de hoop dat
de wet dan in werking treedt op 1 augustus 2027. Dat is uiteraard
afhankelijk van de behandeling in de Kamer. Daarnaast is het denk
belangrijk dat we blijven inzetten op die sterke docententeams, een
stevig fundament voor de lerarenopleiding — daar ga ik later nog met u
over in gesprek — meer ruimte voor professionalisering en ook het
evidence informed van elkaar leren. Ik denk dat het Kwaliteitsnetwerk
mbo hier een heel belangrijke rol in speelt. Binnen dit netwerk werken
de instellingen samen aan de verbetering van die kwaliteitszorg. Ze
delen kennis en de teams leren van elkaar. Dat versterkt ook de
kwaliteitscultuur binnen de sector. Daarnaast investeren we 147 miljoen
extra in de ondersteuning van studenten bij taal en rekenen en werken we
aan beter zicht op kwaliteit, zodat we gerichter kunnen verbeteren. Dit
doen we uiteraard ook samen met de inspectie. Over die bredere
uitkomsten in de Staat van het Onderwijs — nogmaals, dat gaat over de
hele onderwijssector, ook het p.o. en het vo — praten we in juni
uitgebreider met de Kamer, samen met de staatssecretaris.
Dan ga ik nu naar de vragen rondom de verschillen in de hoogte van de
cijfers tussen de instellingexamens en de centrale examens en hoe ik die
verschillen verklaar. Dat was een vraag van de heer Boomsma. Het is,
denk ik, allereerst goed om te weten dat het instellingsexamen andere
taalvaardigheden, namelijk spreken en schrijven, toetst dan het centraal
examen, dat lezen en luisteren toetst. Dat is een van de verschillen
waarin ik me heb laten onderwijzen. Dus het instellingsexamen kijkt naar
spreken en schrijven, en toetst dat ook, en het centraal examen kijkt
naar lezen luisteren. Het centraal examen is voor iedereen gelijk en het
instellingsexamen kan verschillend worden ingevuld. Het kan ook meer
beroepsgericht zijn en daarmee meer tot de verbeelding spreken van
studenten. Ik hoop dat de studenten allemaal herkennen wat ik hier zo
prachtig vertel. Ik zie ook dat dit verschil niet zo groot is in het
voortgezet onderwijs, dus ik denk dat we dit serieus moeten nemen. We
nemen het dan ook mee in de herziening van de taaleisen en daar zullen
wij de Kamer in het derde kwartaal van dit jaar over informeren.
Dan de onvoldoendes, uit de Staat van het Onderwijs die wij onlangs
hebben gekregen. Het aantal onvoldoendes is gewoon te hoog. Laten we het
daar met elkaar over eens zijn. Die basis moet beter op orde zijn. Ik
heb net aangegeven hoe ik dat interpreteer, ook als je kijkt naar
ambities en benodigdheden in het voortgezet onderwijs. Nog te veel
studenten verlaten de opleiding voordat ze een diploma hebben behaald.
Dat is absoluut zorgelijk. Wel is er nu de Wet van school naar duurzaam
werk, die per 1 januari van kracht is geworden. Die wet zorgt ervoor dat
wij veel meer kunnen inzetten op een succesvolle begeleiding van
jongeren naar onderwijs, werk of een combinatie van beide. Die wet is
pas net in werking getreden. Ik heb u daar onlangs een brief over
gestuurd. Het aantal uitvallers is een van de factoren op basis waarvan
de kwaliteit van de opleidingen wordt beoordeeld. In de analyse van de
Staat van het Onderwijs wordt de inspanning van instellingen om
studenten die uitvallen te begeleiden naar een andere opleiding of
bijvoorbeeld naar duurzaam werk niet meegenomen. Ik ben dan ook met de
inspectie in gesprek om te kijken hoe je dat in het vervolg kan meenemen
in het onderwijsresultaat en ook in het kwaliteitslabel dat de
instelling krijgt, zodat de kwaliteit breed wordt beoordeeld.
Mevrouw de voorzitter. De heer Boomsma vroeg hoe de resultaten in de
Staat van het Onderwijs zijn te rijmen met de uitkomst dat 96% van de
mbo-instellingen wel voldoende scoort op de basisvaardigheden. De
inspectie beoordeelt die opleidingen volgens het onderzoekskader. Dat
onderzoekskader heeft verschillende standaarden. Een van die standaarden
is de standaard Basisvaardigheden. Hierbij kijken we vooral naar het
aanbod van het onderwijs in die basisvaardigheden en of dat aansluit bij
de referentieniveaus die we voor die basisvaardigheden hanteren. Dan
wordt er ook gekeken of dat onderwijsprogramma voldoende aansluit bij de
examinering. Dat kan dus betekenen dat het aanbod in het onderwijs
voldoet aan de normen die de inspectie stelt, maar dat het niveau van
beheersing van de studenten onvoldoende is. Er is dus vaak een hele
diepe methodologische kennis en analyse nodig om die resultaten goed te
kunnen interpreteren en wegen. Dat maakt dat je die verschillen op die
manier uit zo'n uitkomst kan destilleren.
Voordat u, mevrouw de voorzitter, mij gaat aankijken, ga ik snel door,
ook met het oog op de tijd. Ik heb de vraag gekregen of wij ons gaan
bezighouden met de doorstroomtoets en welke gevolgen dit heeft voor de
motivatie in het vervolgonderwijs. Ik denk dat dit een enorm belangrijk
onderwerp is, zowel voor het funderend onderwijs als voor het
vervolgonderwijs. Het krijgt ook veel aandacht in onze samenleving en in
onze media. De Onderwijsraad heeft hier recent een advies over
gepubliceerd. Zoals wij altijd doen, zal ik samen met de
staatssecretaris naar de analyses en aanbevelingen kijken en daarover in
het vervolg met de Kamer in gesprek gaan. Dat advies, dat onder andere
hierover het een en ander aanbeveelt, is pas net binnen.
Ik heb nog een paar vragen en dan ben ik klaar met dit blokje; ik zal
wat sneller gaan. Wat de omkeerregeling betreft: wat bedoelde ik met
mijn opmerking over nieuwe taaleisen en het veranderen van de
examinering om die beter daarop aan te laten sluiten? Er is veel
discussie over de omkeerregeling. Er zijn best wel een aantal
instellingen, met name ook in grensregio's, die te maken hebben met veel
instroom, met name vanuit nieuwkomers. Hoe kun je nou zorgen dat er ook
binnen het mbo aandacht is voor studenten met een niet-Nederlandse
achtergrond die wij ook graag in de instelling en de arbeidsmarkt willen
behouden? Hoe helpen we die nou ook? Daar zijn meerdere studies naar
gedaan. Tegelijkertijd vinden we het ook belangrijk dat in het mbo voor
iedereen een minimumtaalniveau in het Nederlands behouden blijft. Ook in
het licht van de discussie over internationalisering binnen het mbo —
laat ik het zo noemen — hebben we bekeken of het mogelijk is om met
elkaar nieuwe taaleisen en een bijpassende examinering voor het vak
Nederlands in het mbo af te spreken. Met name de meertalige
mbo-studenten hebben uiteraard veel meer moeite om een taal te leren,
vaak in abstracte situaties waarin de focus echt ligt op de techniek van
de taal, bijvoorbeeld of je de lidwoorden gebruikt en of je alles in de
spelling goed doet, in plaats van op het leren van de taal in de
werkomgeving waarin je je werk aan het doen bent.
Wat doen die nieuwe taaleisen? Die richten zich juist op het gebruik van
Nederlandse taalvaardigheden in realistische mbo-praktijksituaties die
nuttig zijn voor het beroep, de maatschappij en ook voor de doorstroom
waarvoor zij worden opgeleid. Dat maakt die taaleisen veel meer passend
en haalbaar voor wat ik "de meertalige student" noem. We zullen de
bruikbaarheidstoets nieuwe taaleisen — sorry voor de prachtige woorden —
voor de zomer naar de Kamer sturen. Daaruit blijkt dat de docenten heel
enthousiast zijn over de bruikbaarheid van de nieuwe taaleisen voor
meertalige studenten. Maar ik merk ook dat er vanuit de sector zelf best
wel een beroep op mij wordt gedaan als het gaat over meertalige
studenten en de druk die dat op instellingen legt. Wat is nou echt het
antwoord voor het mbo op de vraag hoe daarmee om te gaan en wat is er
mogelijk rondom bijvoorbeeld Engelstaligheid? De discussie daarover is
binnen het mbo nog niet afgerond. Ik heb daar nu ook nog niet voldoende
een positie in, maar op enig moment zal ik daar wel met de Kamer over in
gesprek gaan.
Zal ik het afmaken? D66 stelde een vraag over praktijkgericht onderzoek.
Wij hebben in ons coalitieakkoord opgenomen dat we het belang van
praktijkgericht onderzoek met elkaar erkennen. Ik heb zelf de
mogelijkheid gehad om een aantal practors te ontmoeten die met een
prachtig practoraat bezig zijn. Ik denk dat het belangrijk is dat we
practoraten hebben die met hun praktijkgerichte onderzoek hele directe
oplossingen bieden voor de maatschappij en daarmee ook zowel de kennis
binnen de mbo-instellingen als de professionalisering mede vorm kunnen
geven. Dat is ook waarom wij structureel 17 miljoen in de practoraten in
het mbo gaan investeren. Wij hebben tevens de AWTI, onze adviesraad,
gevraagd: hoe kun je nou zorgen dat je het praktijkgericht onderzoek
binnen het mbo het beste kan doorontwikkelen en wat is daarvoor nodig?
Rond de zomer krijg ik van hen dat advies. Daar valt ook een advies
onder over de samenwerking met de hogescholen en universiteiten in de
kennisketen en of het nodig is dat er een wettelijke taak komt of dat er
eerst andere stappen nodig zijn. Ik zal begin 2027 in een brief over
zowel de uitkomsten van dat advies als de uitkomsten van mijn gesprekken
daarover met de verschillende koepels — want iedereen gaat hier
uiteraard iets van vinden — mijn finale positie bepalen.
Dan ga ik naar het wetsvoorstel Basisvaardigheden. Daar heb ik al het
een en ander over gezegd. Dat ligt nu bij de Raad van State. Dat komt
naar uw Kamer op het moment dat wij dat advies hebben.
Ik heb vanuit D66 ook een vraag gekregen over docentprofessionalisering.
Ik denk dat het belangrijk is dat wij er aandacht voor blijven houden
dat onze docenten de ontwikkelruimte hebben om zich verder te kunnen
professionaliseren. Daar zijn in de cao afspraken over gemaakt. Zo
krijgen docenten hier ongeveer 59 uur per jaar voor. Ook over het
carrièreperspectief zijn afspraken gemaakt in de werkagenda, om te
zorgen dat werken in het mbo aantrekkelijk is en blijft. Daar zitten ook
afspraken over professionaliseringsmogelijkheden bij. We zien ook dat in
de midterm van die werkagenda de resultaten eigenlijk maar beperkt
positieve ontwikkelingen laten zien. We zijn er dus nog niet. Ik zie de
bonden knikken. Het is goed dat we wat voortgang zien, maar dat is nog
niet voldoende en het tempo moet omhoog. Ik ben dan ook in gesprek met
de MBO Raad en was dat onlangs ook met de onderwijsbonden om te kijken
hoe we ervoor kunnen zorgen dat we die positieve beweging continueren,
ook als het gaat over de verschillende niveaus van de docenten die we
hebben binnen de mbo-sector. Het gaat erom dat we de afspraken die
daarin gemaakt zijn ook nakomen. Die gesprekken lopen op dit moment, as
we speak.
We hebben ook een groter nationaal project, de Nationale Aanpak
Professionalisering Leraren. Dat is een Groeifondsproject. Daarin werken
we aan een landelijke aanpak voor professionalisering van leraren in het
lager en middelbaar onderwijs en het mbo. Uit eigen recentere bronnen
weet ik dat ongeveer 60.000 studenten al hebben meegedaan aan het
opbouwen van professionaliseringstrajecten, waar zij zelf via cocreatie
met hun instellingen en degenen die daar pedagogisch verstand van hebben
aan hebben gewerkt. Dat is toch al een grote doelgroep. Zodra wij een
midterm hebben van dat project, zullen wij die uiteraard ook met uw
Kamer delen.
De laatste vraag gaat over de burgerschapsopdracht in het mbo. Door de
heer Stoffer wordt verwezen naar een advies van de Raad van State. Er is
wat kritiek op de filosofie van de basiswaarden. De vraag is of ik dat
signaal ter harte neem en of ik het meeneem in de uitwerking in het
geval dat dat ook voor het mbo geldt. Uiteindelijk is dat een vloeiende
lijn. Uiteindelijk komen ze vanuit het vmbo op het mbo terecht.
Uiteraard is dit een belangrijk advies van de Raad van State. Het geeft
hele nuttige handvaten voor de verdere uitwerking van het wetsvoorstel.
Ik ben op dit moment mijn reactie op het advies van de Raad van State
aan het verwerken. Het is nog te vroeg om daar volledig inhoudelijk op
in te gaan, omdat ik recht wil doen aan de specifieke opmerkingen die de
Raad van State daarin heeft gemaakt. Dat zal ik in een nader rapport
duidelijk maken. Daarbij zullen we uiteraard ook ingaan op de verhouding
met het funderend onderwijs. Ik verwacht dat het nader rapport, samen
met het wetsvoorstel, direct na de zomer met uw Kamer wordt gedeeld,
zodat u niet alles voor de zomer mee naar huis krijgt.
Dat was het blokje kwaliteit.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk naar de Kamerleden om te zien of er interrupties
zijn. Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank voor de beantwoording. Ik had ook specifiek gevraagd naar de
indicator "studiesucces boven de norm", die al jaren achter elkaar
daalt. Ik vroeg wat daar de verklaring van is.
Minister Letschert:
Op het moment dat we het debat gaan voeren over de Staat van het
Onderwijs, zullen we de totale onderzoeksmethodologie die de inspectie
toepast om die resultaten op te leveren, over de hele onderwijsketen,
verder met u gaan bespreken. Ik gaf net aan dat het studiesucces één
onderdeel daarvan is. Ik heb net een analyse gegeven over de
uitvalcijfers. Wat instellingen daaraan doen, wordt dan niet meegenomen.
Laten we met elkaar het debat voeren over wat dat betekent voor de
vervolgopdrachten voor een inspectie. Dat debat staat volgens mij eind
juni gepland. Dan gaan we het hebben over de hele staat van het
onderwijs, wat het oplevert voor p.o. en vo, de indicatoren waar ze naar
kijken en wat het nou zegt. Dat zou mijn voorstel zijn. Dan hebben we
ook een brede discussie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik weet niet helemaal of het in dit blokje hoort, maar ik denk het wel.
Het kabinet is bezig met een nationale talentstrategie. Die wordt later
dit jaar verwacht. Verschillende sectoren hebben aangegeven dat ze zich
heel veel zorgen maken over de beschikbaarheid van arbeidskrachten. De
technieksector heeft de alarmbel daarover geluid. Ik ben benieuwd hoe
het staat met de nationale talentstrategie. Met wie wordt daar allemaal
over gesproken? Wie worden daarbij betrokken? Worden ook
mbo-instellingen daarbij betrokken? Zo ja, welke dan bijvoorbeeld? Kan
daar nog input op worden geleverd? Kan de minister ons een update
geven?
Minister Letschert:
Zeker. Ik kan ook gelijk dat blokje erbij pakken. Dan doen we dat
meteen. Dat gaat over de arbeidsmarkt van de toekomst. Of wilt u liever
dat ik de volgorde aanhoud die ik had?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik denk dat het voor het debat beter is om eerst interrupties over dit
blok te doen, als die er zijn, en daarna gelijk het blokje arbeidsmarkt
doen.
Minister Letschert:
Dat is goed. Dan haal ik dat naar voren.
De voorzitter:
Ik kijk nog één keer naar mijn linkerkant. Zijn er nog interrupties van
de Kamerleden? Nee, niemand meer? Dan geef ik het woord weer aan de
minister.
Minister Letschert:
Dan ga ik nu over naar het grotere thema "arbeidsmarkt van de toekomst".
Daarover heb ik meerdere vragen gekregen. De VVD vroeg hoe we zorgen dat
studenten vaker kiezen voor tekortsectoren en welke afspraken ik ga
maken. Ik zal daarbij meteen antwoorden op de vraag die mevrouw Van der
Plas mij net stelde. Wij zijn inderdaad vanuit het kabinet bezig met het
ontwikkelen van een talentstrategie. Dat doen we vanuit de taskforce
nieuwe economie en vestigingsklimaat, die trouwens weer een andere titel
heeft. Inderdaad, soms veranderen titels te vaak, zeg ik richting de
Kamer. OCW is binnen die taskforce het coördinerend ministerie voor de
ontwikkeling van de talentstrategie. Wat zijn we daarin aan het doen? We
zijn met alle onderwijssectoren en met het bedrijfsleven, zowel met het
mkb als met VNO-NCW, in gesprek om te kijken hoe we zorgen dat er voor
de groeisectoren, de prioritaire sectoren waar wij die nieuwe economie
op willen ontwikkelen, in alle regio's een aantrekkelijk
opleidingsaanbod voorhanden is. We bespreken ook hoe we ervoor zorgen
dat voor studenten goed inzichtelijk is wat de perspectieven zijn als ze
voor dat soort opleidingen kiezen. Er zit dus ook heel veel in als het
gaat over voorlichting. De discussie over wat die prioritaire sectoren
zijn, voeren we in die taskforce. Dat komt naar de Kamer, hopelijk rond
de zomer, misschien zelfs net voor de zomer. Daar hoort dus ook die
talentstrategie bij.
Met wie praten we daar allemaal over? Wat ik net zei: met alle koepels.
Dus dat zijn de MBO Raad, de UNL, de VH, maar dus ook met de
werkgeverskant. De bedoeling is dat dat ook leidt tot
samenwerkingsafspraken. We hebben binnen het mbo al eerder gesprekken
gehad over een pact voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Daar is nooit
een strik omheen gekomen, dus aan mij de kans en de eer om opnieuw die
strik daaromheen te krijgen. Daarvoor ben ik binnen het mbo met de
mbo-stakeholders in gesprek om te kijken of we in relatie tot die
talentstrategie, die een nieuwe dimensie is in relatie tot dat eerdere
pact, tot bestuurlijke afspraken kunnen komen. Dus een lang verhaal
kort: die brief over de talentstrategie hoop ik voor de zomer uw kant op
te sturen. Wat betreft die consultatie ben zowel ikzelf eigenlijk de
hele week door in gesprek met de verschillende partijen, alsook
ambtelijk en de mensen daaromheen. Daarbij gaat ook de discussie komen —
ik denk dat we die dan ook moeten voeren — dat we ons aan de ene kant
willen richten op de groeisectoren waar we ook echt het verschil willen
maken, maar dat we tegelijkertijd die tekortsectoren hebben. Ik praat
dan met name over sectoren als de zorg, de techniek, de bouw, de ICT.
Wat we in de discussie met elkaar gaan bespreken, is hoe we ervoor
zorgen dat, als we studenten kunnen verleiden om de keuze te maken voor
bepaalde groeisectoren, binnen die andere sectoren niet alles droogvalt.
Dat willen we niet, omdat we dan nog steeds een probleem hebben. Ik denk
dat we die discussie met elkaar moeten voeren als we die bredere
talentstrategie met elkaar vastpakken.
Dan de vraag hoe we ervoor zorgen dat de samenwerking in het
vervolgonderwijs beter gaat. Ik heb dat gekoppeld aan die arbeidsmarkt
van de toekomst, want vandaaruit is die vraag volgens mij ook
geïnspireerd; uiteindelijk kom je ook in die arbeidsmarkt allemaal weer
met elkaar samen. Ik kan gelukkig wel zeggen dat er heel veel mooie
voorbeelden zijn, vanuit verschillende regio's, waarin je ziet dat mbo,
hbo en wo met elkaar samenwerken, bijvoorbeeld in het delen van
faciliteiten en infrastructuur. Ik ben in Twente geweest, bij Saxion,
waar mbo en de hogeschool, maar ook een deel van de universiteit in
Groningen op robotica met elkaar de infrastructuur delen en ook met
elkaar leren en samen onderzoeken. Dat is prachtig om te zien. Bij
Brainport zie je hetzelfde. Bij Brightlands in Limburg zie je hetzelfde.
Het mooie is dat ze daar mensen uit Den Haag blijkbaar helemaal niet
voor nodig hebben; dat doen ze gewoon zelf. Zij begrijpen gewoon dat die
infrastructuur hartstikke kostbaar is en dat je de kansen die je elkaars
studenten kan bieden, op die manier alleen maar groter maakt. Dat zijn
prachtige voorbeelden. Ik ben wel blij om te zeggen dat we het Regionaal
investeringsfonds mbo opnieuw leven hebben kunnen inblazen, zodat ook
het mbo vanuit dat investeringsfonds nog meer kan inzetten op
innovatieve samenwerkingsprojecten met het bedrijfsleven. Dat is nu weer
opengesteld, en dat is hartstikke mooi. En als laatste: in het licht van
die talentenstrategie praat ik niet in silo's tussen die
onderwijssectoren, maar heb ik ze allemaal samen aan tafel. Want als het
gaat over keuzes voor de arbeidsmarkt en onderwijsportfolio's wil je
uiteindelijk ook met elkaar die keuzes maken, zodat het op elkaar
aansluit. Ik moet zeggen dat ik echt heel positief ben over de manier
waarop de verschillende partijen ook met elkaar aan tafel willen.
Dan nog een vraag van de VVD en andere fracties over de bbl-leerweg: hoe
gaan we die ten opzichte van de bol meer stimuleren? Ik denk dat het
goed is om te zeggen dat we het bbl-offensief al met elkaar gelanceerd
hebben. Verschillende partijen werken dus ook aan één gezamenlijk doel,
namelijk dat studenten die baat hebben bij praktijkleren daar bewust
voor kiezen en daar ook veel meer van weten. Dat doen we met de MBO
Raad, JOBmbo, de NRTO, SBB en VNO-NCW. Ik heb daar zelf al een paar
avonden bij mogen zitten. Zij spelen allemaal gezamenlijk een hele
belangrijke rol om de bbl-route succesvol neer te zetten. Die moet
namelijk zo zichtbaar en aantrekkelijk mogelijk zijn voor studenten. Ook
moeten ouders weten dat je die keuze kunt maken. Ik heb jongeren gezien
die in de bbl-route op hun werk- en leerplek zitten. Ik krijg echt
kippenvel als ik de verhalen hoor van hoe enorm zij op hun plek zijn in
die leerweg. Ik denk dat we nog veel meer kenbaar kunnen maken dat dat
gewoon een hele prachtige leerroute is om uiteindelijk je plek op de
arbeidsmarkt te vinden. De gerichte informatie en de campagnes die
daarbij horen, moeten we gewoon echt nog meer aandacht geven.
We werken ook aan de financiële randvoorwaarden. Het minimumjeugdloon
werd al kort genoemd. Dat gaat per januari '27 ook voor de bbl'ers
gelden. U heeft het gehad over het studentenreisproduct. U vroeg waarom
dat anders is. Een deel van de verklaring is dat de werkgever eigenlijk
voor de reiskosten aangekeken wordt. Een groot deel van de tijd in de
bbl-omgeving is de student namelijk op de werkplek, waar hij ook
garantie heeft op een baan daarna. Een deel van de afspraak is dat de
werkgever de reiskosten moet vergoeden. Daarom geldt het ov-reisproduct
voor deze studenten niet. Daarmee heb ik misschien meteen die vraag voor
u beantwoord.
Als laatste wil ik het nog over het volgende hebben. We gaan dadelijk
over de bekostiging praten. Althans, ik ga u het proces uitleggen. In de
herziening van de mbo-bekostiging hebben we ook gekeken hoe we ervoor
zorgen dat we de concurrentieprikkels eruit halen en er stimulering in
stoppen die samenwerking bevordert. Naar mijn smaak is dat in het
herzieningsvoorstel echt heel goed gelukt, met dank aan de opstelling
van de mbo-instellingen zelf en de manier waarop zij hierin hebben
meegedacht. Dat zit dus in de voorstellen die uw Kamer krijgt. Voor de
zomer krijgt u een brief over de herziening van de mbo-bekostiging. Die
gaat ook in op de samenwerking met de regio's. U krijgt een brief over
de talentstrategie, die ook gaat over de vraag hoe je in de regio's gaat
samenwerken, ook ten aanzien van welke sectoren. U krijgt in het najaar
een brief over de uiteindelijke uitwerking van het pact naar de
arbeidsmarkt van de toekomst, specifiek voor het mbo met het mkb.
Daarover ben ik opnieuw gesprekken aan het voeren. Is dat helder?
Eens even kijken. Volgens mij ben ik er dan. Nou ja, ik ben er nog niet,
maar dit was het blokje arbeidsmarkt van de toekomst. Ik zie iedereen
schrikken. Ik heb nog de blokjes bekostiging, stages en overig.
De voorzitter:
Dank u wel voor dit blok. Ik kijk toch nog even naar de Kamer om te zien
of er vragen zijn. Mevrouw Van der Plas heeft een vraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zit toch nog een beetje met het studentenreisproduct voor de bbl'ers,
de mensen die in de beroepsbegeleidende leerweg zitten. De minister zegt
namelijk, even in het kort, dat werkgevers gewoon de reiskosten moeten
vergoeden. Maar dat gebeurt niet altijd. Intussen maken die mensen — dat
zijn vaak jonge mensen, maar soms ook mensen die zich laten omscholen —
daar wel kosten voor. Zoals ik zei, gaat het vaak om ruim €1.300 per
jaar aan extra kosten. Welke mogelijkheden ziet de minister om iets te
doen als de werkgevers die kosten niet betalen?
Minister Letschert:
Uit de data die ik heb, blijkt dat 99% van de bbl'ers een
arbeidscontract heeft. Dat is eigenlijk ook onderdeel van die bbl-route.
In zo'n contract zijn ook afspraken over reiskostenvergoeding opgenomen.
Wat ik kan doen als ik in gesprek ben met de MBO Raad en het mkb over
pacten en talentstrategie, is nog eens vragen waar het probleem voor die
ene procent zit en of dat een specifieke sector betreft, voordat ik zeg
dat ik de ov-jaarkaart meteen beschikbaar kan stellen. Dat heeft
namelijk ook heel andere financiële consequenties en dan trek ik meteen
de aap weer op mijn schouders, ook in financieel opzicht. Je wilt niet
dat de student de dupe is; dat ben ik met u eens. De vraag is alleen
waar de verantwoordelijkheid ligt.
We praten allemaal over de krapte op de arbeidsmarkt. Ik heb de
afgelopen drie dagen de eer gehad om op verschillende momenten heel veel
met mbo-studenten te mogen optrekken. Ik zou ze allemaal willen
aannemen. Ik begrijp niet waarom een werkgever, als die een geweldig
goede bbl-student heeft die hij wil houden, niet zegt: ik ga ook de
voorzieningen daaromheen gewoon goed organiseren. Ergens kijk ik dan dus
toch ook naar de werkgever en zeg ik: hou ze bij je. Het zijn talenten
die je volgens mij moet koesteren, ook door je arbeidsvoorwaarden goed
af te spreken. Dat is niet het volledige antwoord. Ik wil er echt wel
meer van weten, zonder dat ik enige toezegging doe, gewoon als een open
houding. Hoe groot is die groep? Is het echt 1%? Waar zit die precies?
Wat betekent dat?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u bent door uw interrupties heen, helaas. Zijn er
nog andere Kamerleden die vragen hebben? Misschien kan mevrouw Van der
Plas een vraag doorspelen.
Dan mag u verder met het volgende thema.
Minister Letschert:
Dan gaan we naar de bekostiging. Daar heb ik het meeste eigenlijk al
over gezegd. Dit gaat dus sneller, ter geruststelling.
Ik kreeg van mevrouw van der Plas de vraag: hoe gaat de minister
regionale en bovenregionale samenwerking structureel stimuleren? Dat ga
ik onder andere doen met het voorstel tot herziening van de bekostiging.
Daarnaast zijn er natuurlijk ook andere manieren om samenwerking te
stimuleren. We hebben in de taskforce gesprekken over de investeringen
in regionale campussen; ook daarvoor komen we met voorstellen uw kant
op. In die regionale campussen zijn al die kennisinstellingen samen
vertegenwoordigd. Die werken daar dus ook al samen.
Dan is er gevraagd of ik de concurrentieprikkels eruit ga halen. Ook dat
zit in de bekostigingsherziening. Dat heb ik eigenlijk dus al
beantwoord.
GroenLinks-PvdA vroeg wat de beoogde invoering is en hoe dat proces
gaat. Als wij u die Kamerbrief sturen en daarna de behandeling hebben
gehad met elkaar, hoop ik dat de invoering van die herziene bekostiging
in januari 2029 kan plaatsvinden. De internetconsultatie zou dan
namelijk vóór de zomer van 2026 kunnen starten; dan volgen we het schema
zoals we het gepland hebben. Maar nogmaals, het ligt ook aan de ruimte
in de Kameragenda's of dat haalbaar is.
Dan had ik als laatste twee vragen van de heer Boomsma over de
lumpsumfinanciering en het voorstel van een van de onderwijsbonden om
bijvoorbeeld salarissen daarin te oormerken. Ik heb met de bonden al het
gesprek gevoerd over de vraag of er van mijn kant een wens is om dat te
gaan veranderen. Ik denk dat het belangrijk is om te zeggen dat die
lumpsumfinanciering eigenlijk wel past bij de manier waarop wij ons
onderwijssysteem hebben ingericht. Dat geldt voor het mbo, maar ook voor
de hogescholen en voor de universiteiten. Dat biedt in dit geval het mbo
ook de ruimte die nodig is om in te kunnen spelen op de eigen regionale
context en op het bieden van maatwerk voor studenten. Als wij alles gaan
labelen, vind ik dat we wel heel erg op de stoel van die instellingen
gaan zitten, inclusief de stoel van de medezeggenschap binnen die
instellingen. Die heeft namelijk ook een rol om met de instelling, dicht
bij het bestuur, met elkaar zowel de waakhond te kunnen zijn als de
afspraken te kunnen maken.
Het beeld dat de lumpsum onbeperkte bestedingsvrijheid is, klopt
natuurlijk niet. Vanuit onze kant is er uiteraard toezicht op
transparante en doelmatige besteding. Nogmaals, dat gebeurt ook door de
medezeggenschap. De medezeggenschap trekt eerder nog als eerste aan de
bel. Daarvoor is ze er ook. Het mbo heeft uiteraard ook de
verantwoordelijkheid om het inzicht in het eigen functioneren te delen,
niet alleen met mij als minister, maar ook in alle rapportages. Het
oormerken van een lumpsum op salariseisen gebeurt trouwens ook aan
cao-tafels. Zo hebben we het in ons systeem ingericht. Met de bonden heb
ik echter wel besproken dat we een vervolgafspraak gaan plannen om te
kijken hoe we voortgang houden op het gebied van de gemaakte afspraken
uit de werkagenda, waarbij ook de instellingen aan tafel zaten. Ik denk
dat dat heel belangrijk is. Het eerste gesprek hebben we nu gehad. Ik
heb hun beloofd dat ik bij hen terugkom met de manier waarop we
bestuurlijk in gesprek kunnen blijven. Dat over het salaris en de
lumpsum.
Mevrouw de voorzitter. Dan was er een vraag over de prijs- en
inflatiecorrectie. Als ik de prijscorrectie wil verankeren in de
bekostiging, vraagt dat een wetswijziging. Een wettelijke verplichting
op de prijsbijstelling in de onderwijssectoren maakt het wel ingewikkeld
als je kijkt naar de gehele OCW-begroting. Dat biedt een onzekerheid
waarvan ik op dit moment ... Op het moment dat er een rijksbrede korting
komt, zoals bij de Voorjaarsnota in 2025, moet ik elders binnen de
OCW-begroting gaan bezuinigen. Zo werkt de systematiek. Als ik nog extra
wettelijke verplichtingen creëer, dan bied ik misschien zekerheid voor
de onderwijssectoren, maar niet per se voor het ordentelijke,
zorgvuldige beheer, om het zo maar even te noemen, van de totale
OCW-begroting. Ook verhoogt het de druk op andere departementale
begrotingen. Ik kan u wel vertellen dat er vanuit verschillende sectoren
aan de ministers gevraagd wordt hoe ze omgaan met prijs- en
looncorrecties in de verschillende sectoren waar het echt een probleem
is. We zijn op dit moment met een aantal mensen binnen het ministerie
aan het kijken waar voor onze sectoren de grote onzekerheden zitten en
wat we daar structureel, op de langere termijn, aan zouden kunnen doen.
Dat zeg ik zonder dat ik hier enige toezegging doe, want die eerste
gesprekken lopen echt pas heel kort. Het is nog intern. Dat is voor nu
het antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan richt ik mij weer tot de Kamer. Zijn er nog vragen? Zijn
alle vragen voldoende beantwoord? Ja, zie ik. Dan kunt u verder met het
volgende blokje, minister.
Minister Letschert:
U heeft veel vragen gesteld, hè? U kijkt mij allemaal aan zo van "wat
duurt dit lang", maar ...
Goed, mensen. Stage is nog zo'n belangrijk onderwerp. Alle mbo-studenten
lopen namelijk stage. Dat noemen we anders in het mbo. Ik ga de
volledige term niet eens herhalen, maar het heet "de bpv". Ik noem het
gewoon "stage", als dat mag. We hebben in het coalitieakkoord opgenomen
dat we willen toewerken naar een wettelijke verplichting tot een
stagevergoeding. Ik heb in een eerder debat met uw Kamer gesproken over
de dilemma's die bij dat voorstel in de brief gaan komen. U heeft ze
zelf al benoemd. Aan de ene kant wil je een wettelijke verankering,
omdat het de student zekerheid biedt op een vergoeding. Tegelijkertijd
wil je voorkomen dat sectoren geen stageplekken meer gaan aanbieden,
omdat ze de vergoeding niet kunnen of willen betalen. Dan hebben we de
studenten nog steeds niet geholpen. Volgens mij is het doel om de
studenten zekerheid te bieden en de sectoren niet te overvallen met een
voorstel dat, nogmaals, de studenten en daarmee uiteindelijk ook de
arbeidsmarkt niet helpt. In de afgelopen drie maanden heb ik dat
helemaal uitgedacht. Dat leidt ertoe dat wij proberen om u voor de zomer
te informeren over wat ik even "de contouren van het wetsvoorstel" noem.
Het betreft dus niet het uiteindelijke, helemaal klare wetsvoorstel.
Daarvoor wil ik namelijk het gesprek met de Kamer voeren over hoe we het
nu hebben doordacht. Zo kunnen we uiteindelijk een zorgvuldige
uitwerking van de verplichting in de next step met elkaar bespreken. De
contouren komen dus voor de zomer. Op basis van die discussie kunnen we
de vervolgstap met elkaar bepalen. Daarmee doe ik volgens mij ook recht
aan verschillende vragen die zijn gesteld. Je wilt zekerheid voor
studenten en je wilt er niet voor zorgen dat de problematiek op de
stagemarkt verergert.
Dan had ik vragen over de tekorten. O, er komt ineens een hele groep
mensen bij in de zaal. Ik dacht: "Wat hebben we nu? De minister moet
stoppen, want wat ze nu zegt! Dit gaat helemaal mis!" Nou, wees welkom,
zou ik zeggen.
Eens even kijken. Het is misschien wel goed om te zeggen dat ik denk dat
wij ons allemaal zorgen maken over de tekorten aan stageplekken. Ik weet
dat de SBB een flink aantal acties heeft ingezet, onder andere het
bieden van handvatten aan leerbedrijven voor het bieden van
ondersteuning aan in het bijzonder studenten entree en niveau
2-studenten en het delen van oplossingsrichtingen. Het is belangrijk dat
de leerbedrijven met elkaar en met de scholen zoeken naar creatieve
manieren om de stagebegeleiding vorm te geven. Specifiek de
stagetekorten in de zorg hebben extra onze aandacht. Die zijn in
meerdere interventies van u naar voren gekomen. Die tekorten hebben niet
alleen de aandacht van mij, maar ook van mijn collega bij VWS. Wij
hebben afgesproken dat wij op zeer korte termijn met alle partijen, dus
het onderwijs, de partijen in de zorg, SBB, VWS en OCW, om tafel gaan om
uiteindelijk toch een doorbraak te forceren om te komen tot nieuwe
oplossingen voor dit probleem. Daarbij zijn wederom ook voldoende
financiële middelen belangrijk. Ik kijk met mijn collega van VWS naar de
financiële regelingen en mogelijkheden die er zijn in de zorg, zoals het
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord dat ook hierover gaat. Daarover
moeten we echt concrete afspraken gaan maken.
Mevrouw Van der Plas vroeg of er ook zo'n fonds kan komen voor bouw en
techniek, zeg ik even uit mijn hoofd. Dat kan ik nu niet toezeggen. Ik
denk wel dat we in de discussie die we gaan hebben over de contouren van
het wetsvoorstel, maar ook in de discussie over het pact inzake de
arbeidsmarkt van de toekomst, gaan kijken wat de mogelijkheden zijn. De
grootste nood is op dit moment in de zorg, ook als het gaat over de
stageplekken. Dat is nu mijn prioriteit.
Eens even kijken. Dit heb ik eigenlijk al gezegd. Dat scheelt alweer.
Mevrouw Raijer vroeg naar stagefondsen voor bouw en techniek, maar die
vraag heb ik net eigenlijk ook al beantwoord. Nu gaat het wel ineens
heel snel!
Dan kreeg ik een vraag van de heer De Beer: geven wij het goede
voorbeeld in het verzorgen van stages? Ik denk het misschien wel. Ik
denk dat we kunnen zeggen dat ook de Rijksoverheid het belangrijk vindt
om stageplekken aan te bieden. Wij geven een stagevergoeding van €800
per maand voor mbo-, hbo- en wo-studenten. Wij vergoeden ook de
reiskosten bij geen passende ov-kaart of bieden woonruimtevergoeding
indien nodig. We proberen ook echt in te zetten op een goede begeleiding
van stagiairs. Ik heb van de week één dag twee mbo-studenten gehad, maar
dat was maar één dag. Ik zou het ontzettend leuk als dat vaker in mijn
omgeving kan gebeuren. Ik denk dus dat we daar het goede voorbeeld geven
en dat dit ook heel belangrijk en nuttig is, omdat het hele mooie
perspectieven geeft op wat wij aan het doen zijn.
Het laatste antwoord gaat over de drie contactmomenten als norm die we
met elkaar hebben afgesproken. Dat was een vraag van mevrouw Armut. We
hebben dit ook echt in het Stagepact afgesproken. Studenten hebben het
ook echt nodig. Ik denk dat het dan ook belangrijk is dat de
stagebeleiding verbetert. Ik ben daarover ook in overleg met de MBO
Raad. De MBO Raad is daar ook zelf heel actief mee bezig en heeft steeds
contact met alle instellingen om te achterhalen waarom er een te
beperkte vooruitgang is op het gebied van stagebegeleiding en om ervoor
te zorgen dat het aantal contactmomenten gewoon wordt gehaald. Het
kennispunt stages, dat daarvoor is, gaat scholen met een soort
routekaart helpen om die concrete aanbevelingen voor die
stagebegeleiding ook echt volledig na te komen. Wij monitoren de
vooruitgang steeds, omdat ook dit is afgesproken in het Stagepact. In
2027 is de eindmeting. Als dan zou blijken dat het wederom niet is
gehaald, ga ik heel graag met de MBO Raad het gesprek aan, want dan
moeten we echt andere afspraken gaan maken. Voor de studenten is het
immers enorm van belang dat zij die drie contactmomenten binnen de
instelling hebben. Dat was dit kopje.
Ik heb er nog één in overig. Of heb ik er nog eentje gemist?
De voorzitter:
Ik geef u zo het woord, meneer Boomsma. Ik hoorde de minister een
afkorting gebruiken, namelijk SBB. Voor de mensen die niet weten waar
die voor staat: dat is de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
Bedrijfsleven. Ik geef nu het woord aan meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Misschien heb ik het antwoord gemist, maar ik heb nog een vraag gesteld
over de numerus fixus. Juist voor de opleidingen waar zo veel behoefte
aan is en waarmee zo veel banen te krijgen zijn, geldt een numerus fixus
door een tekort aan stages. Dan moet je daar toch meer de regie op nemen
om dat zo snel mogelijk aan te pakken en die stages aan te kunnen
bieden?
Minister Letschert:
Die vraag ga ik in de tweede termijn nog concreter beantwoorden. Ik zei
het net al over de tekorten in de zorg, waar je dat onder andere ziet.
Dat is een onderwerp van het gesprek waarover ik u net bij heb gepraat,
met zowel VWS als de onderwijssectoren en de MBO Raad. Ik snap dat zo'n
instelling zegt: als er geen stages zijn, wordt het gewoon heel
ingewikkeld. Dat moeten we dus doorbreken. Dat is het enige antwoord.
Maar je kunt ze ook niet tevoorschijn toveren. We moeten er dus eerst
voor zorgen dat die stages weer beschikbaar komen, in het bijzonder in
de zorg. Daar moeten we de onderliggende oorzaken goed beetpakken
voordat ik nu zeg "doe de numerus fixus er maar vanaf", want daarmee is
het probleem niet opgelost. Als de stages er niet zijn, kan die student
immers nog steeds niet afstuderen. Dat is het probleem waarvoor die
instellingen zich gesteld zien. Vandaar de urgentie van mij en mijn
collega van VWS om hier nu echt prioriteit aan te geven.
De heer Boomsma (JA21):
Dat lijkt me heel goed. Mijn punt was niet "haal die numerus fixus maar
weg", maar: wat kan je doen? Wij hebben goed in beeld waarom die stages
niet worden aangeboden en wat de overheid eventueel nog kan doen om in
dezen ondersteuning te bieden.
Minister Letschert:
Dat is dus precies het onderwerp van het gesprek dat wij nu
georganiseerd hebben. Over wat dat gaat opleveren en de snelheid waarmee
dat concrete resultaten gaat opleveren, zal ik u later moeten
informeren.
De voorzitter:
Ik kijk nog even naar de Kamerleden. Niemand meer een interruptie? Dan
geef ik de minister het woord voor het laatste blok.
Minister Letschert:
Dat is het blok overig.
De heer Stoffer stelde een vraag over de lastendruk. Er is een
beleidsreactie gekomen op de wetsevaluaties. Zijn partij mist daarin de
aandacht voor de lastendruk van de instellingen. De verwachting was dat
de afschaffing van de onderwijsovereenkomst zou leiden tot een
vermindering van de administratieve lasten bij de instellingen. Uit de
wetsevaluatie blijkt dat dit niet overal tot een lastenvermindering
heeft geleid, mede omdat instellingen alternatieve werkprocessen hebben
ingericht voor inschrijving en aanmelding. Het is aan de instelling om
daarin keuzes te maken. Bij de totstandkoming van een wetsvoorstel wordt
nadrukkelijk gekeken naar de mogelijke administratieve lasten voor de
instelling. Dit wordt dan ook getoetst door het Adviescollege toetsing
regeldruk. Dat hoef ik u natuurlijk niet te vertellen. Als na de
inwerkingtreding van een wetsvoorstel uit signalen van instellingen of
uit een gehele wetsevaluatie blijkt dat die lasten toenemen, dan wordt
gekeken of maatregelen nodig zijn. In het geval van het afschaffen van
de onderwijsovereenkomst zou ik dat op dit moment niet nodig vinden,
want die lastendruk lijkt vooral te komen door de werkprocessen die
instellingen zelf hebben ingericht. Instellingen hebben dus de ruimte om
hierin zelf keuzes te maken en die anders in te richten. Dat is het
antwoord op de vraag die de heer Stoffer stelde.
De voorzitter:
Dat was het einde van het blokje overig?
Minister Letschert:
Ja, ik denk het wel.
De voorzitter:
Dan kijk ik naar de Kamerleden: heeft de minister alle vragen
beantwoord? Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik had nog een vraag gesteld over specifieke ambachten, de kleine
ambachten.
Minister Letschert:
Ja, ik zag 'm erbij zitten. Even kijken. Waar heb ik 'm? Wat een
papierwerk heb ik hier liggen! Ik neem die dadelijk mee. Mijn geweldige
collega zoekt 'm even. Dat scheelt tijd.
De voorzitter:
Meneer Boomsma houdt nog een antwoord van de minister tegoed.
We beginnen nu met de tweede termijn van de Kamerleden. Ik geef het
woord aan mevrouw Tseggai van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik
denk dat we een goed eerste debat hebben gevoerd over het mbo. Wat ik
lastig vind, is dat het heel erg lijkt op de debatten die we met de
vorige ministers over het mbo hebben gevoerd. Dat komt ook, zo zeg ik
even tegen mijn collega's, omdat we maar één keer per halfjaar een debat
over het mbo voeren. Daar moeten we, denk ik, sowieso wat aan
doen.
Ik ben toch wel benieuwd wat nu de ambities zijn van de minister, want
daar heeft ze nog niks over gezegd. Ik ben ook benieuwd waarmee ze
concreet naar de Kamer denkt te komen en wanneer ze dat denkt te gaan
doen. Ik hoop toch dat de minister wel in charge blijft over haar eigen
begroting.
Daar houd ik het bij. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik wil nog even melden dat de spreektijd in tweede termijn 1 minuut 20
is. Meneer De Beer.
De heer De Beer (VVD):
Dan moet ik snel praten. Dank aan de minister voor de uitgebreide
beantwoording. Er komen voortdurend allerhande termen op ons af: de
Taskforce Toekomstige Welvaart, het bbl-offensief, het Stagepact, het
pact voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Misschien is het goed om
scherp te stellen wat de echte hoofddoelen zijn waarop we sturen en
welke instrumenten, maatregelen en samenwerkingsverbanden we inzetten om
daarnaartoe te werken. Ik heb dus vooral behoefte aan wat meer duiding
en overzicht. De resultaten van de taskforce en de brief kunnen daar een
goede aanleiding voor zijn, denk ik.
Ik kom nog even terug op de vraag van mijn collega naast mij over
hospiteren. Ik stelde zojuist dat het goed is als mbo-, hbo- en
wo-studenten elkaar ontmoeten in de onderwijssetting en de voorzieningen
met elkaar kunnen delen. Ik heb het dan vooral over de publieke
voorzieningen die we met belastinggeld inrichten. We hebben het net al
even gehad over sportfaciliteiten et cetera, maar de discussie daarover
vind ik echt een andere dan de discussie over wat er in de publieke
sfeer plaatsvindt. Dat is dus het antwoord. Wat dat betreft willen we de
keuze vooral aan de mensen zelf laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Als niemand een tweeminutendebat aanvraagt, dan wil ik dat
graag doen. Dat ten eerste. Bij dezen vraag ik dus een tweeminutendebat
aan.
Ik wilde verder nog even ingaan op de toezegging van de minister die
geen toezegging is, namelijk over de bbl'ers en het
studentenreisproduct. De minister zei dat ze wilde toezeggen dat uit te
zoeken. Daarna zei ze: maar het is geen toezegging voor een
studentenreisproduct. Dat begrijp ik eruit. Ik zou graag willen weten
wanneer er een terugkoppeling komt op de toezegging om uit te zoeken
waar de knelpunten liggen. Wordt dat apart teruggekoppeld of wordt dat
in een verzamelbrief meegenomen? En wanneer?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik geef mevrouw Tseggai toch nog even het woord, want zij heeft nog een
vraag voor meneer De Beer.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Goed dat mevrouw Van der Plas een tweeminutendebat heeft aangevraagd. Ik
had een kruisje op mijn hand gezet zodat ik het niet zou vergeten, maar
dat is me toch gelukt! Dus dank daarvoor.
Dan mijn vraag aan de heer De Beer. In de eerste termijn hadden wij een
debatje over het gelijktrekken van de studiefinanciering. Hij zei toen
dat hij daarop zou terugkomen na de beantwoording van de minister. Ik
vraag mij af hoe hij daarnaar kijkt.
De heer De Beer (VVD):
Ik snap de worsteling van de minister heel goed. Volgens mij delen wij
die hier ook; mijn fractie deelt die in ieder geval. Hoe zou je toe
willen werken naar een facilitering die rechtdoet aan de positie van het
mbo en ook veel meer toe willen werken naar een vergelijkbare
facilitering voor hbo en wo? De minister heeft het volgens mij gewoon
goed uitgelegd. Als we daarnaartoe willen, dan vergt dat ook andere
keuzes. We gaan met elkaar naar aanleiding van de beleidsbrief het
gesprek aan over de begroting et cetera. Volgens mij is dat ook het
moment om daar verder met elkaar over van gedachten te wisselen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dat we niet te veel willen interrumperen in de tweede termijn,
maar ik vroeg wat de VVD ervan vindt. Ik krijg nu een samenvatting van
wat de minister heeft verteld, maar dat heb ik net gehoord.
De heer De Beer (VVD):
De worsteling en overweging van de minister delen wij.
De voorzitter:
Meneer Boomsma. Aan u het woord voor uw tweede termijn.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank aan de minister voor de
beantwoording. Er komen dus veel brieven onze kant op. Ten aanzien van
de prijsbijstelling wil ik het volgende zeggen. Ik snap de worsteling
dat het nadelen heeft om het wettelijk vast te leggen, omdat dat het
minder flexibel maakt, maar voor het primair onderwijs is het wel al in
de wet vastgelegd. Dat is dan ook de afweging.
We komen nog terug op de vraag over de basisvaardigheden en de Staat van
het Onderwijs. Ik wil het nog wel even hebben over de arbeidsmarkt. Ik
denk dat we die technici echt nodig hebben. Onder het kabinet-Rutte III
is er dus 100 miljoen structureel geïnvesteerd in het vmbo voor de
techniek. Die studenten komen nu in het mbo terecht. De vraag is hoe je
ervoor zorgt dat je die dynamiek ook in het mbo kunt voortzetten.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de
vragen. Zoals de collega's al resumeerden, komen er heel veel brieven
onze kant op. Ik kijk daar vol verwachting naar uit, zeker naar het
advies over de practoraten. Daar ben ik erg benieuwd naar. Dat wordt dus
veel leeswerk in de zomer. Tot dusver heb ik geen andere aanvullende
vragen.
Dank.
De voorzitter:
Mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Voorzitter. Ik heb ook geen aanvullende vragen. Wel dank ik de minister
en haar ondersteuning voor de beantwoording van de vragen.
De voorzitter:
Dan ga ik nu schorsen voor tien minuten. Hoeft dat niet? Vindt de Kamer
dat we kunnen doorgaan? Dan gaan we gelijk door en geef ik de minister
het woord.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik denk dat ik begin met de mooie
vragen van mevrouw Tseggai over wat de ambities zijn en waar we op gaan
inzetten. Ik ga een onderwerp noemen dat we vandaag eigenlijk niet
hebben besproken, namelijk de stagediscriminatie. Ik vind het echt zo
ontzettend zorgelijk en zo schrijnend dat je dat nog te veel ziet. We
zien discriminatie op opleidingen, maar we zien bij mensen met een
andere achtergrond ook stagediscriminatie. Ik vind het echt onze eer te
na dat we dat met deze hoge cijfers nog terugzien. Ik bespreek ook
steeds met studenten wat we gaan doen om ervoor te zorgen dat
instellingen voldoende zicht krijgen op hoe vaak het voorkomt. Er zijn
ook allerlei initiatieven om die meldingsstructuur toegankelijker en
laagdrempeliger te maken, zodat we er überhaupt ook meer van weten. Het
is misschien ook nog best een black box, waarover de cijfers nog niet
eens alle inzichten geven. Daar zijn we met elkaar over in gesprek. Voor
mij ligt daar ook echt een eigenstandige ambitie. Ik heb daar geen wet
en ook geen geld voor nodig, maar ik heb daar wel continu
maatschappijbreed een gesprek en aandacht voor nodig. U zal mij daar de
komende periode vaker over horen.
Dan kom ik bij de tweede grote ambitie. Ik ben echt ontzettend blij dat
het voorstel rondom de herziening van de bekostiging op het moment dat
ik binnenkwam al voor een heel groot deel besproken was met de
verschillende partijen die daar mede iets aan gaan hebben. Uw Kamer
geeft onder andere prioriteit aan een aantal thema's. De herziening van
de bekostiging voldoet daaraan. Die thema's zijn minder competitie en
meer stabiliteit en aandacht voor de regio's, zodat we ook in de
krimpregio's volwaardig mbo-aanbod blijven houden. Dat zit allemaal in
dat voorstel. Dat geeft zoveel stabiliteit voor de komende periodes. Ik
kan dat niet helemaal als ambitie van mezelf bestempelen, want dat
traject liep al, maar ik kan het wel met u gaan bespreken. Daar ben ik
al heel erg blij mee.
Een andere ambitie heeft te maken met de stagevergoeding. Daar is ook
een afspraak over gemaakt in het coalitieakkoord. Ik denk dat we met
elkaar moeten bepalen hoe we die gaan inrichten in de wet en hoe we die
wettelijke verankering op zo'n manier inrichten dat we ook de dilemma's
die daarbij horen onder ogen hebben en de effecten daarvan wegen, zodat
we uiteindelijk de goede keuze maken. Volgens mij is dat een
verantwoordelijkheid die we met elkaar moeten delen.
Dan ga ik ook kwaliteit noemen. Kwaliteit gaat voor mij zowel over de
onderwijskwaliteit als over de manier waarop wij onze docenten
faciliteren om die kwaliteit te leveren en de manier waarop wij ervoor
zorgen dat wat er vanuit een middelbare school, een vmbo, komt, niet het
probleem van een mbo wordt. Kwaliteit is voor mij dus een breed
onderwerp. Wij hebben in de zomer een deep dive, zoals we dat noemen,
gedaan. Dat was een hele lange sessie over kwaliteit binnen het mbo. Ik
ga ook graag met uw Kamer in gesprek over hoe ik daarnaar kijk en over
wat daar nog meer voor nodig is.
Ik ga niet te veel ambities noemen, want dan zou ik alles noemen. De
laatste ambitie die ik dan toch echt noem, is die talentstrategie en dat
pact voor de arbeidsmarkt. Welke keuzes durven we met elkaar te maken,
zonder daarbij te pretenderen dat studenten een soort robots zijn die
allemaal naar die sector gaan als wij op een knopje drukken?
Uiteindelijk hebben studenten ook keuzevrijheid. Hoe zorg je er nou voor
dat we enerzijds de uitdagingen die we zien op de arbeidsmarkt en de
groeikansen die we willen nastreven en anderzijds het opleidingsaanbod
en de informatie die studenten nodig hebben om keuzes te maken, goed met
elkaar in evenwicht brengen? Dat is voor mij ook wel echt een
topprioriteit.
Als laatste — mevrouw Tseggai gaat dit niet voldoende vinden — zeg ik
dat ik hier nu niet ga beloven dat ik in deze periode, waarin ik
minister ben, de gehele studiefinancieringsdynamiek en de ongelijkheden
daarin kan oplossen. Ik heb aangeboden om met elkaar het gesprek te
hebben over de verschillende fases die we wel gaan hebben in de komende
periode. Daar wil ik met meerdere partijen gesprekken over voeren. Ik
vind wel dat we het niet naar voren moeten schuiven als probleem van een
volgend kabinet, want dan ben ik het met de heer Stoffer eens dat we
veel praatjes voor de bühne hebben, maar we die waaier niet volledig aan
het inrichten zijn. Dat is een ambitie die meerdere kabinetten achter
elkaar hebben geuit. Laten we er dan ook met elkaar, breedgedragen door
de Kamer, voor zorgen dat er binnen afzienbare tijd … Nogmaals, ik geef
geen garantie dat ik het kan regelen, ook gezien de grote financiële
druk die het legt en de financiële issues die we überhaupt hebben, maar
het is wel echt een graat in de keel, ook voor mij.
Dan kom ik bij de vraag over techniek. Kan ik ervoor zorgen dat we de
boost die we op middelbare scholen aan het techniekonderwijs geven, met
name in het vmbo, meenemen richting de mbo's? Ik zie al prachtige
voorbeelden uit verschillende regio's die daar vol op inzetten. Denk
alleen al aan de Brainport. Alles werkt daar samen, op het gebied van
techniek, een portfolio bouwen, samen leren, samen studeren en
samenwerken in labs. Dat zie ik bij Chemelot, op de Brightlands
campussen en in Twente. Ik zie daar dus eigenlijk prachtige
initiatieven. Tegelijkertijd is het ook wel een onderwerp van de
talentstrategie en speelt het ook mee in de discussies die we hebben
rondom het pact. Dat komt daar allemaal in terug.
Wat kan ik toezeggen over het studentenreisproduct? Het gaat dan
eigenlijk meer over de problematiek voor de bbl-student, die dat niet
vergoed krijgt. Voor de kerst krijgt u van mij de toezegging die ik
daarop heb gedaan. Ik neem daar dan ook die andere toezegging in mee.
Dat is dan een totaalpakketje.
Heb ik alle vragen dan gehad? Ik denk het wel, hè? O, ik vergeet weer
het vakmanschap! Het is net alsof ik het niet wil.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van meneer De Beer. O, u wacht af? Oké.
Minister Letschert:
Eens even kijken. U vroeg mij wat de stand van zaken is van ambachten.
Dreigen deze te verdwijnen vanwege het tekort aan opvolgers? Ik weet dat
het aantal studenten in de opleidingen voor het specialistisch
vakmanschap de afgelopen jaren constant bleef, terwijl het totaal aantal
studenten in het mbo afneemt. Bij die specialistische vakopleidingen
blijft het aantal dus constant. Daarmee zijn we er nog niet, want we
zien natuurlijk overal tekorten ontstaan. Dat ambachtelijk vakmanschap
is volgens mij enorm belangrijk. We moeten ons dus ook blijven inzetten,
ook samen met de MBO Raad en werkgevers, om voldoende opvolgers op te
leiden, voordat we daar hele grote gaten krijgen. We moeten er dus ook
voor zorgen dat opleidingen in kleinschalige ambachten niet verdwijnen.
Dat is een intentie die u ook uit mijn mond mag horen. Ik zie dat er in
deze sector wel heel veel mooie initiatieven en platforms zijn om dit
kleinschalige vakmanschap in stand te houden. Ook in gesprekken binnen
de MBO Raad zelf wordt het belang daarvan onderkend; dat bleek ook toen
we discussies kregen over de herziening van het bekostigingsstelsel. Ook
daar kunnen we dus met elkaar het gesprek over hebben. Door die
kleinschaligheid is versnippering wel echt een belangrijk aandachtspunt.
Daarom subsidieert OCW het Expertisepunt specialistisch vakmanschap. Dat
ondersteunt kleine, specialistische beroepen en de opleidingen daarvoor.
Dat bestaat sowieso al. Ik hoop dat ik uw vraag hiermee enigszins naar
behoren heb beantwoord.
De heer De Beer (VVD):
Misschien heb ik mij niet volledig uitgesproken in termen van een vraag.
Ik heb er behoefte aan om na te gaan of we met elkaar — de voorzet ligt
natuurlijk bij de minister — hoofddoelen kunnen definiëren die we
misschien langjarig kunnen volgen: welk beleid voeren we nu en welk
effect heeft het? Anders blijven we de hele tijd verwijzen naar een
pact, een convenant, een strategie of een expertisepunt dat we daarvoor
hebben. Ik ben dus eigenlijk op zoek naar een overkoepelend geheel
waarmee we helderheid creëren: waar sturen we nou met elkaar op? Dat
gaat iets breder dan alleen het mbo, zeg ik erbij.
Minister Letschert:
U bedoelt bij het hele ministerie? Laten we het op dit moment toch even
bij het mbo houden. Ik herken heel goed waar uw vraag vandaan komt, zeg
ik via u, mevrouw de voorzitter. Ik mag hier nu drie maanden zijn en ik
merk dat ik nu voldoende scherp heb wat we beogen met een werkagenda,
wat we beogen met een Stagepact en wat we beogen met een pact voor de
arbeidsmarkt van de toekomst. Voordat je dat allemaal goed scherp hebt
en weet wat de onderliggende ambities zijn en hoe we dit met elkaar
monitoren, ben je dus drie maanden verder. Ik kan mij dus voorstellen
dat dit ook voor een Kamerlid soms onoverzichtelijk kan lijken. Ik heb
er heel veel behoefte aan om deze zomer, als we elkaar even verlaten,
voor mijzelf scherp te stellen waar we in de komende periode de focus op
gaan leggen. Dat probeerde ik net al aan te geven in mijn antwoord aan
mevrouw Tseggai. Daar gaan we ook met elkaar aan werken. Ik heb een paar
aanzetten gegeven. Ik noem de bekostiging, de stagediscriminatie, de
stagetekorten en de kwaliteit. Dat zijn gewoon heel belangrijke
onderwerpen waarop we met elkaar de wissels moeten omzetten. Ook de
monitoring die daarbij hoort moeten we scherp hebben, zodat we ook
kunnen meten of dit nou tot voldoende resultaat leidt. U daagt mij
voldoende uit om dat ook tekstueel scherper te krijgen voor de Kamer. Ik
hoor hier "met Prinsjesdag in mijn begroting", maar dat wordt misschien
weer te financieel. "Nee", hoor ik nu. Oké. In ieder geval neem ik de
uitdaging aan.
De voorzitter:
Ik kijk naar de Kamer. Zijn er Kamerleden die nog vragen hebben? Niemand
meer. Dan zijn we aan het einde van dit commissiedebat gekomen, en wel
een heel stuk eerder dan gepland.
De minister heeft de volgende toezeggingen gedaan.
De minister komt voor de kerst met een verkenning van de landelijke invulling van de gelijkwaardigheid van alle studenten wat betreft sportvoorzieningen.
Twee. Voor de zomer komt er een brief over de herziening van de bekostiging, over de omvang van de schoolkosten.
Drie. Voor wat betreft de vraag of de opleiding een grondslag kan zijn op basis waarvan je discriminatie kan vaststellen, gaat de minister naar de brieven en de adviezen kijken die er al zijn. Zij gaat ook kijken waar actie mogelijk is. Hier komt een brief over. Bij de studentenvoorziening komt zij daarop terug. Nee, dat klopt niet.
Minister Letschert:
Dat is de sportvoorziening.
De voorzitter:
Dat moet de sportvoorziening zijn? Dat komt in diezelfde brief. Oké.
Vier. De minister informeert de Kamer in het derde kwartaal over de herziening van de taaleisen.
Vijf. De minister stuurt voor de zomer een rapport naar de Kamer over de bruikbaarheid van de nieuwe taaleisen.
Zes. In het najaar komt er een brief over de uitwerking van het pact opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, specifiek voor het mbo, samen met mbo-instellingen en het mkb.
De laatste toezegging. De minister komt voor de kerst in een brief terug op het studentenreisproduct voor bbl-studenten.
Dan wil ik nog melden dat een tweeminutendebat is aangevraagd door
het lid Van der Plas. Zij zal daarin de eerste spreker zijn.
Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen.
Minister Letschert:
Ik heb twee correcties. Of is dat niet de bedoeling?
De voorzitter:
Dat kan.
Minister Letschert:
De herziening van de bekostiging wat betreft de schoolkosten — die
noemde u — zit in het voorstel voor de herziening van de bekostiging
overall. Die gaat dus niet alleen over de schoolkosten. Er komt gewoon
een heel voorstel rondom de herziening van het bekostigingsstelsel van
het mbo. Daar zit ook het een en ander in over schoolkosten. Dat komt
voor de zomer. Ik las het alsof het alleen om schoolkosten zou
gaan.
Als laatste heb ik een vraag over het pact opleiden voor de arbeidsmarkt
van de toekomst. Als we daar een strik omheen kunnen doen — maar dat
ligt niet alleen aan mij; ik kijk even naar mensen in de zaal — kan dat
in het najaar. Dat is wat ik heb gezegd. De talentstrategie is breder en
heeft niet alleen betrekking op het mbo. Die komt voor de zomer. Dat is
even van belang. Anders krijg ik dadelijk allemaal appjes met "we moeten
nog sneller".
De voorzitter:
Duidelijk. Dank u wel voor deze aanvullingen. Dank voor de beantwoording
van de vragen in dit debat. Ik dank de aanwezige Kamerleden en alle
geïnteresseerden die hebben meegeluisterd of meegekeken, op de tribune
of thuis. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 16.48 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|