[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Conceptverslag Mbo en studiefinanciering

Verslag van een commissiedebat

Nummer: 2026D26622, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 13:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer, Mbo en studiefinanciering

VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 28 mei 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2025 inzake Werkagenda mbo en Stagepact mbo - voortgang halverwege de looptijd (31524, nr. 690);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 december 2025 inzake beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad "Armoede en onderwijs" (36800-VIII, nr. 19);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 november 2025 inzake verschillen normbedragen studiefinanciering en restitutie les- en cursusgeld (24724, nr. 249);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 november 2025 inzake vijfde meting monitor Wet vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht mbo (31524, nr. 682);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 oktober 2025 inzake toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Mbo op 1 oktober 2025, over de financiële effecten van de Wet van school naar duurzaam werk (31524, nr. 677);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 6 maart 2025 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van van Stichting Leido met een voorstel over de aanpassing van de huidige beleidsregel Investeren met publieke middelen in private activiteiten (31288, nr. 1181);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 januari 2026 inzake voortgang herziening mbo-bekostiging: aanbieding van de doorrekeningen van verschillende opties door PwC (31524, nr. 691);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 april 2026 inzake evaluaties Wet versterken positie mbo-studenten en Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten en vervolg Verbeteragenda passend onderwijs mbo (31524, nr. 692);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 mei 2026 inzake reactie op de brief van de MBO Raad, namens tien mbo-instellingen, over de omkeerregeling in het mbo (31524, nr. 693);

  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 mei 2026 inzake voortgang aanpak voortijdig schoolverlaten (26695, nr. 146).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Koorevaar

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Verhoev

Voorzitter: Raijer
Griffier: Van Thiel

Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Armut, De Beer, Biekman, Boomsma, Van der Plas, Raijer, Stoffer en Tseggai,

en mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Aanvang 13.30 uur.

De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Hierbij open ik het commissiedebat Middelbaar beroepsonderwijs en studiefinanciering. Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Letschert, en haar ondersteuning van harte welkom. Ook verwelkom ik de mensen op de tribune. Aan mijn linkerkant zitten de aanwezige Kamerleden. Ik zal ze even allemaal opnoemen: mevrouw Tseggai van GroenLinks-Partij van de Arbeid, meneer De Beer van de VVD, mevrouw Van der Plas van de BBB, meneer Boomsma van JA21 en mevrouw Biekman van D66. Tevens welkom aan iedereen die het debat in de zaal volgt of online meekijkt. Wij hanteren een spreektijd van vier minuten per fractie in de eerste termijn. Het aantal interrupties is vier. Interrupties onder de 30 seconden tellen niet mee, maar interrupties boven de 30 seconden tellen voor twee. Wanneer de interrupties op zijn, mogen er ook geen korte interrupties meer gedaan worden. Dan start ik nu met de inbreng van mevrouw Tseggai van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik denk dat we het hier allemaal met elkaar eens zijn dat het mbo onmisbaar is voor onze samenleving. Ik durf er in ieder geval op te gokken dat iedereen dat in de eigen inbreng vandaag ook zal benoemen. Ook in het coalitieakkoord van dit kabinet staan mooie woorden over het mbo. Er wordt zelfs gesproken over "de motor van de economie".

Voorzitter. Maar wie vindt dat mbo'ers onmisbaar zijn bij het oplossen van de uitdagingen waar we als samenleving mee worden geconfronteerd, moet op een gegeven moment ook de daad bij het woord voegen. De afgelopen tweeënhalf jaar dat ik met dit dossier bezig ben, vond ik het daar nog wat aan ontbreken. Ik zie dus ook uit naar dit eerste debat over mbo met deze nieuwe minister. Mijn eerste vraag aan haar is dan ook: wat zijn de ambities?

Voorzitter. Een van de beloftes die in het regeerakkoord staat, is dat studeren in het mbo gelijkstaat aan studeren in het hbo of wo. Ik vroeg me af: hoe concretiseert de minister deze belofte en op welke termijn gaat ook de overheid het goede voorbeeld geven? Worden financiële ongelijkheden in regelingen voor mbo-, hbo- en wo-studenten rechtgetrokken? Ik schrik er namelijk van als de Onderwijsraad een rapport stuurt met de titel Armoede en onderwijs. Er zijn te veel financiële drempels die jongeren ervan weerhouden om een mbo-opleiding te volgen of zorgen voor studievertraging.

Dat blijkt ook uit de JOB-monitor die gisteren gepresenteerd is. Zo geeft 20% van de studenten aan dat zij moeilijk kunnen rondkomen tijdens de opleiding en vallen de schoolkosten voor 45% van de studenten hoger uit dan zij van tevoren hadden verwacht. Dat zijn geen mooie cijfers en het mag duidelijk zijn dat zowel de kosten- als de inkomstenkant voor het volgen van een mbo-opleiding snel moeten worden aangepakt. Wat zijn de plannen hiervoor van dit kabinet?

Minister Moes heeft een aantal denkrichtingen uiteengezet voor het gelijktrekken van de studiefinanciering voor alle studenten. Misschien is het goed als deze minister zou kunnen aangeven welke richting zij wil inslaan. Wij bepleiten natuurlijk de variant waarin iedereen in gelijke mate wordt bedeeld met studiefinanciering. Want ja, hoe kun je anders spreken over gelijke behandeling van mbo-studenten? Ik snap natuurlijk dat het om grote bedragen gaat. Maar ja, wat in het regeerakkoord wordt beloofd, moet natuurlijk wel worden waargemaakt.

Dan over de kosten waar mbo-studenten mee te maken hebben. Ik schrik er altijd weer van hoe duur extra leermiddelen zijn. We hebben het dan niet alleen over studieboeken of een laptop, maar ook over vakspecifieke gereedschappen, veiligheidsmiddelen, werkkleding et cetera. Je kunt soms terugvallen op het mbo-studentenfonds of een terugkoopregeling, maar nog steeds horen we geluiden dat mbo-studenten spullen moeten kopen die ze helemaal niet gebruiken tijdens de opleiding. Met het besef dat de komende jaren een enorme vraag naar mbo'ers ontstaat, moet de aantrekkelijkheid van mbo-opleidingen nu worden vergroot. Vindt de minister niet ook dat, met het oog op de kansengelijkheid, het maximaal benutten van ieders talent en de economische uitdagingen, mbo-leermiddelen gratis of in ieder geval betaalbaarder moeten worden gemaakt? Dat helpt namelijk ook nog eens om die financiële positie van studenten te verbeteren. Graag een reactie van de minister. Tot slot over de financiële positie van mbo-studenten: zou de minister misschien een update kunnen geven over de voortgang rondom de wettelijke stagevergoeding?

Voorzitter. Dan had ik nog een vraag over de financiële positie van mbo-instellingen. We zijn namelijk bezig met de herziening van de bekostigingssystematiek. Wanneer verwacht de minister met de voorkeursvariant naar de Kamer te gaan? Op welk moment kan de Kamer daar eventueel ook nog op bijsturen?

Voorzitter. Ik rond af. Iedereen zal vandaag weer om het hardst roepen dat het mbo de ruggengraat vormt van deze economie en onze samenleving. Daar ben ik het hartgrondig mee eens, want op het mbo leer je de vaardigheden die Nederland draaiende houden. Sinds 2023 hebben we de werkagenda en het Stagepact. Wij zien ontzettend veel enthousiasme om het mbo te versterken, bij docenten en studenten, maar ook bij de MBO Raad en JOBmbo. Het is aan ons in Den Haag om hen actief te ondersteunen in hun missie. Laten we ervoor zorgen dat nog deze kabinetsperiode bijvoorbeeld het onderscheid tussen mbo-, hbo- en wo-studenten zo veel mogelijk wordt weggewerkt. Ik hoop dat de nieuwe minister hier een bondgenoot in is.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Heeft u een interruptie, mevrouw Biekman? Ja. Oké. Bij dezen wil ik ook mevrouw Armut, die net is binnengekomen, welkom heten. Zij is van het CDA. Ik geef de heer De Beer het woord. O, mevrouw Biekman heeft een interruptie.

Mevrouw Biekman (D66):
Ja, ik heb een vraag aan mevrouw Tseggai. Bedankt voor dit bevlogen betoog. U heeft met veel passie gesproken. U vroeg een reflectie van de minister op de gratis leermiddelen voor mbo-studenten. Ik ben wel benieuwd hoe u daartegen aankijkt, hoe u dat voor zich ziet. Daar ben ik benieuwd naar. Wat is uw eigen reflectie daarop? Hoe zou dit kunnen?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik zie het als volgt voor me. Mijn eigen reflectie hierop is dat mbo-studenten vaak uitgebreidere kosten maken voor leermiddelen dan hbo- en wo-studenten, die, even oneerbiedig gezegd, vaak alleen boeken hoeven aan te schaffen. Heel veel mbo-studenten lopen hiertegenaan, ook omdat niet iedereen ouders heeft die daaraan kunnen bijdragen. Ik vind dat dat geen drempel mag zijn om een mbo-opleiding te volgen.

Mevrouw Biekman (D66):
Nog een vervolgvraag voor mevrouw Tseggai. Ik herken wat zij zegt, maar aan de andere kant hoor ik ook mbo-studenten die zeggen: bij mijn instelling wordt alles wel betaald. Het is dus ook afhankelijk van de instelling waar je op zit. Hoe ziet u dat voor zich? Wilt u dan één lijn voor alle instellingen of kijkt u naar bepaalde opleidingen? Heeft u daar een beeld bij?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is het niet wenselijk dat de toegankelijkheid van een mbo-opleiding afhangt van welke instelling welke regeling heeft. Het lijkt mij goed als wij daar vanuit Den Haag een gemeenschappelijke regeling voor voorstellen, die gewoon voor alle mbo-studenten geldt.

De voorzitter:
Ik nodig de heer De Beer uit voor zijn bijdrage.

De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Als VVD vinden we het belangrijk dat we Nederland sterker en weerbaarder maken, met een sterke economie en een veilige omgeving. Dat vraagt ook om een sterke en veerkrachtige beroepsbevolking, om mensen die goed zijn opgeleid, die zich kunnen blijven ontwikkelen en die beschikken over praktische vaardigheden. Zonder vakmensen staat Nederland namelijk stil, en zeker ons mkb. Zonder de verpleegkundige geen zorg. Zonder de operator geen industrie. Zonder de militair geen veiligheid. Zonder de vakman of vakvrouw ook geen woningbouw. Juist daarom is het mbo van cruciaal belang voor onze economie en in het bijzonder dus ook voor dat mkb. Een mbo-diploma is wat ons betreft een volwaardige route naar vakmanschap, talent en werk. Het is een route waar je trots op mag zijn.

Voorzitter. Tegelijkertijd zien we dat de tekorten in sectoren als techniek, zorg, bouw en defensie verder oplopen, terwijl de instroom in verschillende mbo-richtingen onder druk staat. Dat kunnen we ons niet permitteren. Daarom hoor ik graag van de minister hoe zij ervoor gaat zorgen dat meer jongeren kiezen voor opleidingen in de tekortsectoren en met name ook voor het mbo. Welke concrete doelen stelt ze zichzelf daarbij? Ziet ze mogelijkheden om studiekeuzevoorlichting, bekostiging en afspraken met de sector nadrukkelijk te verbinden aan het arbeidsmarktperspectief?

Voorzitter. Wat de VVD betreft moeten we ook veel sterker inzetten op leren in de praktijk. De beroepsbegeleidende leerweg, de bbl, biedt enorme kansen. Studenten leren direct op de werkvloer, bouwen sneller werkervaring op en hebben vaak eerder binding met de werkgever of de sector. Juist in tekortsectoren is dat ontzettend waardevol. Toch zien we dat veel studenten kiezen voor de bol-trajecten, terwijl werkgevers schreeuwen om personeel. Daarom mijn vraag aan de minister: ziet ze ook mogelijkheden om de bbl-structuur aantrekkelijker te maken, met name bij opleidingen en leerwegen waar de arbeidsmarktvraag het grootst is?

Voorzitter. Dan de stages. De VVD is geschrokken van het nieuws dat het tekort aan stageplekken in de afgelopen twee jaar bijna is verdubbeld, juist in sectoren waarin de personeelstekorten het grootst zijn. Dat is dubbel wrang. Sectoren die staan te springen om personeel hebben onvoldoende capaciteit om nieuwe mensen op te leiden. Welke ideeën heeft de minister om deze vicieuze cirkel te doorbreken? Wordt er bijvoorbeeld gekeken naar het breder aanstellen van praktijkopleiders of mensen die met pensioen zijn gegaan, die als stagebegeleiders kunnen helpen om de zaken op de werkvloer wat te verlichten? Juist hun ervaring kan helpen om stagebegeleiders te ontlasten en kennis over te dragen aan de nieuwe generatie. Geeft de overheid zelf wel het goede voorbeeld? Ook als Rijksoverheid kunnen we stageplekken creëren voor mbo-studenten.

Voorzitter. Een ander belangrijk punt is de samenwerking binnen de onderwijsketen. Ik heb daar eerder over gesproken in het kader van het wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt. In de praktijk werken mbo'ers straks samen met mensen uit het hbo en wo. Dan is het ook logisch dat studenten elkaar tijdens de opleiding vaker tegenkomen. We zien gelukkig steeds meer voorbeelden van sterke onderwijsketens en living labs, waarin mbo-, hbo- en wo-studenten samenwerken aan vraagstukken uit de praktijk, vaak in samenwerking met het bedrijfsleven. Dat soort samenwerking versterkt niet alleen de kwaliteit van het onderwijs, maar ook de aansluiting op de arbeidsmarkt en het wederzijdse respect tussen praktisch en theoretisch opgeleiden. Mijn vraag aan de minister is: hoe kunnen we die sterke regionale onderwijsketens stimuleren?

De voorzitter:
Ik ga u onderbreken. U heeft een interruptie van mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Een van de dingen die ook in het reageerakkoord staat, is dat mbo-studenten gelijke toegang moeten hebben tot bijvoorbeeld studentenkroegen, verenigingen et cetera. Nu hoor ik de VVD zeggen: het is goed als mbo-, hbo- en wo-studenten elkaar tegenkomen. Maar ik heb ook gezien dat de VVD fel tegenstander was van het afschaffen van het hospiteerbeleid van studentenwoningen. Dat was juist bedoeld om ervoor te zorgen dat daar ook mbo-studenten terechtkunnen. Hoe kijkt de heer De Beer naar deze discrepantie?

De heer De Beer (VVD):
Dit gaat met name over het arbeidsmarktperspectief. Het gaat er dus om dat je ook in de opleidingsstructuur gaat kijken hoe je bepaalde faciliteiten beschikbaar kunt stellen aan mbo-, hbo- en wo-studenten. Natuurlijk kunnen we ook breder kijken wat het betekent om bepaalde faciliteiten breder beschikbaar te stellen aan die verschillende doelgroepen. Ik wil daar best nog eens naar kijken, om te bezien hoe we in dit bredere verhaal staan.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Het afschaffen van het hospiteren is voor de VVD dus geen probleem meer?

De heer De Beer (VVD):
Dat heb ik niet gezegd. Ik wil ernaar kijken, maar ik ga daar nu niet zo direct op reageren.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het gewoon een beetje een vreemd antwoord. Of je vindt dat mbo-studenten gelijke toegang moeten krijgen tot allerlei voorzieningen of je vindt dat niet. Ik vind het een beetje vreemd om te zeggen dat het genoeg is als dat alleen in de opleidingsstructuur gebeurt. Ik zou toch hopen dat de VVD hier een beetje kleur bekent.

De heer De Beer (VVD):
Volgens mij heb ik twee dingen gezegd. Enerzijds heb ik gezegd dat we moeten kijken hoe je dat in de opleidingsstructuur beter bij elkaar brengt. Anderzijds heb ik gezegd dat we ook breder kunnen kijken naar de faciliteiten. Ik heb ook gezegd dat ik nog een keer goed wil kijken naar het punt dat mijn collega net aanhaalde.

Voorzitter. Dan de kwaliteit van het mbo. De Staat van het Onderwijs laat zien dat basisvaardigheden en studiesucces op onderdelen onder druk staan. Dat moeten we serieus nemen, want uiteindelijk draait het niet alleen om aantallen studenten, maar ook om de waarde en de kwaliteit van het diploma. Hoe kijkt de minister aan tegen deze ontwikkeling en welke concrete maatregelen neemt zij om de onderwijskwaliteit in het mbo verder te versterken?

Tot slot, voorzitter. We moeten af van het idee dat theoretisch onderwijs automatisch hoger of beter gewaardeerd zou moeten zijn dan praktisch onderwijs. Nederland heeft geen tekort aan talent, maar soms wel een tekort aan waardering voor praktisch vakmanschap, terwijl juist mbo'ers Nederland draaiende houden.

Dank u wel.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het heel erg eens met de eindconstatering van de heer De Beer dat we alle opleidingsniveaus gelijk moeten waarderen. Ik vroeg me af welke consequentie dat wat de VVD betreft heeft voor de studiefinanciering voor mbo-, hbo- en wo-studenten.

De heer De Beer (VVD):
Het betekent dat je ook in de brede context naar de financiële component moet kijken. Het lesgeld in het mbo is bijvoorbeeld lager dan het collegegeld in het hbo. Daar moet je dus ook naar kijken als je die discussie zou aanvliegen. U heeft vragen gesteld aan de minister en ik ben benieuwd naar de beantwoording vanuit de minister.

De voorzitter:
Is dit afdoende voor u, mevrouw Tseggai?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja hoor, voor nu wel.

De voorzitter:
Oké. Dan mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als we echt willen laten zien dat we mbo-studenten gelijk waarderen, zouden we ook de studiefinanciering en het studentenreisproduct gelijk moeten trekken. Hoe kijkt de VVD daarnaar?

De heer De Beer (VVD):
Volgens mij heb ik daar net antwoord op gegeven. Als je er in brede zin naar kijkt, moet je ook alle facetten aanraken. We wachten even de beantwoording van de minister af over hoe je dat in het totaalplaatje zou moeten bezien.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het een beetje een raar antwoord om af te willen wachten wat de minister daarvan gaat vinden. Ik neem aan dat de VVD daar zelf wel een mening over heeft. Hoe kijkt de VVD hiernaar? Wat is de mening van de VVD, even los van wat de minister vindt, over het gelijktrekken en het dus gelijkwaardig waarderen van mbo-, hbo- en wo-studenten?

De voorzitter:
Meneer De Beer, u wordt gevraagd naar de mening van de VVD.

De heer De Beer (VVD):
Die mening is dat we die studenten gelijk moeten waarderen als het gaat over hun positie op de arbeidsmarkt en hun bijdrage daaraan, en dat je dan ook moet kijken naar de facilitering van studenten en naar het financiële arrangement, maar dat je dat wel in de totale breedte moet doen. Dan kun je dus niet alleen maar kijken naar de studiefinanciering, maar dan zul je ook moeten kijken naar de verschillen in collegegeld, lesgeld en andere facetten op financieel gebied.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft nog een interruptie?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Kijk, woorden zoals "het hele financiële arrangement" zeggen de mensen thuis helemaal niks. Er is gewoon een hele grote ongelijkheid voor mbo-studenten. Wij staan hier heel vaak te roepen dat we ze waarderen, en als puntje bij paaltje komt stemmen ook de coalitiepartijen gewoon tegen voorstellen om de behandeling gelijk te trekken. Dus wat vindt de VVD nou precies dat er wél gelijk moet zijn en wat niet?

De voorzitter:
Dat was een interruptie van precies 30 seconden, dus die heeft u nog gratis!

De heer De Beer (VVD):
Ik blijf bij mijn antwoord dat je naar het totaalplaatje moet kijken als het gaat om die waardering en om hoe we studenten helpen om hun studie goed te bekostigen et cetera. Nu wordt er één regeling uit getrokken. Wij zeggen dat je dan ook moet kijken naar het totaal. Dat is ook de reden waarom ik eerst even de beantwoording van de minister wil afwachten.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Beer. Dan ga ik nu naar de bijdrage van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Ik zeg het vaak en misschien vinden mensen dat wel irritant, maar ik hoor het nog steeds niet vaak genoeg terug, dus ik zeg het nog maar een keertje: praktisch opgeleide mensen zijn de kurk waarop onze samenleving drijft. Zonder hen zijn we nergens en komt alles stil te staan. De mensen die onze huizen bouwen, onze goederen vervoeren, voor onze ouders zorgen, onze leidingen repareren en ons brood bakken, zijn onder meer de mbo'ers. Toch worden zij nog steeds behandeld alsof hun opleiding minder waard is. Dat zie je overal terug, zelfs in discriminatie. Want hoe bizar is het dat er diensten, verenigingen en zelfs datingsites zijn die alleen toegankelijk zijn voor "hoger" opgeleiden? Wat zeggen we daar eigenlijk mee? Dat praktisch opgeleide mensen niet goed genoeg zijn? Dat ze minder meetellen? JOBmbo trekt hierover terecht aan de bel. Ik neem aan dat de minister het rapport dat gisteren is verschenen ook gelezen heeft, of gaat lezen. Het College voor de Rechten van de Mens zei het ook al: zet in de wet dat je mensen niet mag discrimineren op basis van hun opleiding. Discriminatie op basis van opleiding is namelijk gewoon discriminatie, punt. Kan de minister het besluit heroverwegen om dit in de wet op te nemen, zowel voor mbo-opgeleiden als voor studenten?

Voorzitter. De ongelijkheid, die discriminatie eigenlijk, zit niet alleen in cultuur, maar ook gewoon in keihard beleid, in geld, in regels, in keuzes die wij hier in Den Haag maken.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik ga u onderbreken. U heeft een interruptie van mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik schrik hier eigenlijk bijna gewoon een beetje van, want ik had niet zo heel lang geleden een debat met mevrouw Van der Plas waarin ik vroeg: hoe zou u vinden als we diplomadiscriminatie in de wet zouden zetten? Toen zei mevrouw Van der Plas: daar moeten we even naar kijken. Daarvoor had ik een debat met haar partijgenoot, toevallig de vorige minister van Onderwijs, en die zei: "Nee, laten we het niet in de wet zetten. De samenleving moet het zelf oplossen." Dus is BBB tot inkeer gekomen?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou willen dat GroenLinks-PvdA ook weleens tot inkeer zou komen. Wij maken gebruik van het voortschrijdend inzicht. Daar hebben we het hier natuurlijk over. Als je ziet dat het zichzelf niet oplost, dan zul je misschien toch moeten kijken of je het per wet kan regelen. Dat bepalen wij per onderwerp en dat lijkt ons hier goed om te doen.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat op zich heel fijn om te horen en voortschrijdend inzicht mag ook, maar kan ik dan nu wel concluderen dat de BBB voorstander of medestander is van zo'n wet tegen diplomadiscriminatie?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
U heeft mijn woorden hier net gehoord en ik heb dit aan de minister gevraagd, dus in die zin zijn we het op dit moment eens. Ik geef wel even een winstwaarschuwing: als dingen wettelijk geregeld worden, kijken we natuurlijk altijd of dat ook haalbaar en uitvoerbaar is. We hebben gisteren het debat over passend onderwijs gehad. Daarin heb ik ook gezegd dat wij hier in de Tweede Kamer altijd, met alle goede bedoelingen die we hebben, allemaal dingen doen; we dienen moties, amendementen en wetsvoorstellen in. Soms blijkt uiteindelijk dat iets gewoon helemaal niet uitvoerbaar of haalbaar is en dat wij allerlei waarschuwingen uit de praktijk in de wind hebben geslagen. Dus die winstwaarschuwing wil ik er wel bij geven. Het moet wel haalbaar en uitvoerbaar zijn.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u kunt uw betoog hervatten.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik had het over het beleid. Een mbo-student krijgt een lagere thuiswonendenbasisbeurs, ruim €226, dan een hbo- of wo-student. Waarom eigenlijk? Een mbo-student moet toch ook boodschappen doen? Sterker nog, mbo-studenten maken vaak juist extra kosten voor gereedschap, werkkleding en praktijkmaterialen en toch worden ze financieel slechter behandeld. Beroepsbegeleidendeleerwegstudenten hebben vaak geen recht op een studentenreisproduct, terwijl ze vier dagen per week werken en naar school reizen. Dit kost deze studenten ruim €1.300 extra per jaar. Wat is daar logisch aan, vraag ik me dan af. Er is ook al geen lesgeldterugbetaling bij vroegtijdig stoppen voor mbo-studenten, er is geen lesgeldkrediet voor mbo-studenten en als mbo-student kan je een lager bedrag per maand lenen. Dit kan oplopen tot bijna €1.000 per jaar. De ingangsdatum is bovendien per kwartaal in plaats van direct na je 18de verjaardag. De gemiste studiefinanciering kan oplopen tot ruim €1.000. Het totale verlies per mbo-student kan oplopen tot een bedrag van bijna €4.000 per jaar per student. Waarom doen we dit? Welke boodschap geven we daarmee af? Dat theoretisch onderwijs meer waard is? Dat de mensen die ons land draaiende houden minder ondersteuning verdienen? Dus mijn vraag aan de minister is simpel: wanneer gaan we mbo-studenten gelijkwaardig behandelen op het gebied van de studiefinanciering? Want waardering spreek je niet alleen uit met mooie woorden. Waardering laat je zien in beleid.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u bent over uw tijd heen. O, nee. U heeft nog één minuut.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou zeg. Ik dacht al: dat kan toch helemaal niet?

De voorzitter:
Nee, mijn excuses. Ik zat naar de verkeerde te kijken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat maakt helemaal niet uit. U probeert uw werk goed te doen en dat wordt zeer gewaardeerd.

Voorzitter, ik ga wel richting de afronding. De MBO Raad zegt terecht dat wetgeving en bekostiging nog te veel vanuit concurrentie zijn ingericht, terwijl de praktijk juist vraagt om samenwerking tussen scholen, regio's en ondernemers. We moeten stoppen met systemen waarin mbo-scholen elkaar beconcurreren in plaats van samenwerken. Kan de minister toezeggen dat het nieuwe bekostigingsstelsel juist samenwerking tussen mbo-scholen stimuleert in plaats van concurrentie? Welke concurrentieprikkels in de huidige wet- en regelgeving wil de minister aanpassen of wegnemen? Hoe gaat de minister regionale en bovenregionale samenwerking tussen scholen structureel ondersteunen?

Voorzitter, nog één ding. We moeten stoppen met het denken in hoog en laag. Dat gebeurt echt nog te vaak. Een theoretisch talent is niet meer waard dan een praktisch talent. Ik zeg het dus nog één keer: praktisch opgeleiden houden ons land draaiende en daar mogen wij heel erg dankbaar voor zijn.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank je wel, mevrouw Van der Plas. Ik heet meneer Stoffer van de SGP welkom. Dan geef ik het woord aan meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Bijna een half miljoen jongeren in ons land gaan naar het middelbaar beroepsonderwijs. Je zou dat misschien gewoon het beroepsonderwijs moeten noemen, want het is tenslotte een volwaardige opleiding met een volwaardig diploma, waarmee je je brood kunt verdienen en waarbij je de basisvaardigheden kunt leren om aan je persoonlijke en maatschappelijke leven deel te nemen als Nederlands staatsburger.

We hebben net de mbo-benchmark gekregen, waarin een aantal dingen stonden die goed gingen. Dank daarvoor. Maar we hebben ook de Staat van het Onderwijs gekregen, waarin staat dat 44% van de mbo-opleidingen onvoldoende scoort. Dat is dus bijna de helft. Dat komt vooral doordat te weinig studenten die opleiding met succes afronden. Wat is daar eigenlijk aan de hand? Het aantal mbo-opleidingen met de indicator "studiesucces boven de norm" daalt ook al jaren. Hoe komt dat, minister? Het gaat nu niet goed.

Voorzitter. Wat je dan in ieder geval niet moet doen, is de lat lager leggen of stappen zetten waardoor minder duidelijk is wat diploma's betekenen en hoe je die onderling in Nederland kunt vergelijken. Je moet dat zeker niet doen ten aanzien van de basisvaardigheden. Elke student moet in principe goed Nederlands kunnen leren lezen en schrijven. Bijna elke jongere kan dat ook gewoon leren, met voldoende oefening en aandacht.

JA21 is er in ieder geval geen voorstander van om het centraal examen Nederlands af te schaffen, zoals is voorgesteld. Wat nu blijkbaar ook gebeurt, is dat studenten bonuspunten krijgen. Bijna een derde van de mbo 2-studenten behaalt taalniveau 2F niet, maar slaagt wél voor het diploma, omdat ze een extra punt cijferdifferentiatie krijgen, die dan bijvoorbeeld van een 4,5 een 5,5 maakt. Op mbo 4, dat toegang geeft tot het hbo, slaagt 62% voor het centraal examen op het niveau van 3F. Dat betekent dat vier van de tien gediplomeerden onvoldoende vaardig zijn in lezen en luisteren, maar bijna allemaal halen ze wél een ruime voldoende op het instellingsexamen. Er is ook aangetoond dat het verschil tussen deze cijfers, die van het instellingsexamen en het schoolexamen, op bijna anderhalve punt zit. Ook dat roept vragen op. Hoe ziet de minister dat verschil? Welk zicht is er nu op de kwaliteit van die instellingsexamens? Het is ook niet goed als onvoldoendes op het centrale examen op die manier worden gecompenseerd. Hoe kan het nou dat de inspectie ondertussen stelt dat 96% van de mbo's wel voldoende scoort op de basisvaardigheden? Ik vind dat allemaal lastig met elkaar te rijmen.

Ik heb nog een vraag over de omkeerregeling. Het lijkt mij geen goed idee om dit zo generiek te doen. Nogmaals, het moet in principe toch mogelijk zijn om goed Nederlands te leren, ook voor deze jongeren. Wat bedoelt de minister nou met het voorstel om nieuwe taaleisen te stellen, de examinering te veranderen en die beter op elkaar aan te laten sluiten? Ik begrijp op zich wel dat het belangrijk is dat je deze groep op een passende manier examineert, maar hoe ziet dat er dan uit?

Voorzitter. Dan de verplichte stagevergoeding. Ik begrijp natuurlijk de gedachte daarachter, maar het moet er niet toe leiden dat er dan minder stages worden aangeboden. Ik denk dat dit voor kleine bedrijven best een belemmering kan zijn. Hoe ziet de minister die spanning? Je hebt namelijk ook veel opleidingen met een numerus fixus, die ze met name hebben vanwege een tekort aan stageplaatsen. Dat kan zeker voor opleidingen waar een schreeuwende behoefte aan is toch niet de bedoeling zijn? Daar moeten we volgens mij echt ingrijpen, door als overheid op een bepaalde manier de regie te nemen en het aantal stageplekken uit te breiden en dit te stimuleren. Dat geldt zeker ook voor kleine zelfstandigen. Het is cruciaal om die te behouden. Heel veel van die ambachtelijke bedrijven hebben geen opvolgers. Denk aan schoenmakers en rietdekkers. Dit biedt veel kansen voor volwassenen die iets nieuws willen gaan doen in hun leven. Het zou goed zijn om dan juist het uitoefenen van dit soort beroepen te stimuleren. Dat gaat echter niet vanzelf. Wat is nou de stand van zaken bij dat soort ambachten? Klopt het dat er veel dreigen te verdwijnen wegens gebrek aan opvolgers? Heeft de minister daar zicht op?

Voorzitter. Tot slot wil ik het hebben over de financiering. De instroom in het mbo krimpt en zet het stelsel onder druk, omdat de inkomsten te veel gebonden zijn aan het aantal diploma's en het aantal leerlingen. Dat geeft verkeerde prikkels, want dan worden instellingen aangemoedigd om zo veel mogelijk studenten te werven en die vast te houden in plaats van dat ze sturen op kwaliteit op de opleiding, waar behoefte aan is, en op de meest duurzame loopbaanperspectieven. Het kan er ook toe leiden dat de duurdere technische opleidingen gaan verdwijnen. Hetzelfde geldt voor specialistische, hele kleine opleidingen, zoals de opleiding tot meubelmaker et cetera. Daar komen we nog op terug.

Ik ga afronden. Ik zie de voorzitter kijken. Ik ga echt afronden. Ik wil nog vragen hoe de minister kijkt naar de oproep van de AOb om de lumpsum aan te passen door onder andere primaire arbeidsvoorwaarden te oormerken.

Tot slot. Als we het bekostigingsstelsel gaan herzien, moeten we daar dan ook niet in opnemen dat de prijscorrectie, de inflatie, dan ook automatisch wordt meegenomen? Dat is ook bij andere onderwijssoorten het geval.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boomsma. Ik zie geen interrupties voor u. Dan ga ik door naar mevrouw Biekman.

Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Mijn studietijd begon op het mbo. Daarna studeerde ik door en merkte ik de verschillen tussen het mbo enerzijds en het hbo en het wo anderzijds. Daarom wil ik het vandaag over drie dringen hebben: het verschil in mogelijkheden voor mbo'ers, de kwaliteit van het mbo-onderwijs en het praktijkonderzoek bij het mbo.

Voorzitter. Ik merkte dat het hbo en het wo een veel rijker studentenleven hebben en dat rijke studentenleven wil D66 ook voor het mbo. Mbo-studenten verdienen dezelfde waardering en toegang tot mogelijkheden als andere studenten: tot sport, tot cultuur, tot studentenhuisvesting en tot het opdoen van ervaringen tijdens bijvoorbeeld een bestuursjaar bij een vereniging.

Tijdens de technische briefing over de benchmark mbo vertelde Zoé Rijnders dat zij van een hbo-opleiding is overgestapt naar een mbo-opleiding, omdat dit voor haar beter aansloot. Zoé gaf aan hoe belangrijk het studentenleven voor haar was op het hbo en verwachtte dit ook op het mbo. Ze was zeer verbaasd dat ze als mbo-student geen toegang had tot het studentensportcentrum. Na een gesprek met de wethouder kreeg zij de eerste sportkaart voor mbo-studenten in Eindhoven.

Dat is echt een hele mooie stap, maar ook een uitzondering. In de praktijk zien we nog steeds te vaak verschillen; onderschat ook een betere toegang tot deze mogelijkheden niet. We weten allemaal dat sport en cultuur onze levens verrijken en dat we daardoor langere, gezondere en meer betekenisvolle levens kunnen leiden. Maar toegang tot studentenhuisvesting en verenigingsleven moet niet afhankelijk zijn van waar je studeert. Iedere mbo-student zou hiertoe toegang moeten hebben, want je leert hierdoor ook diverse andere vaardigheden. Je bouwt een netwerk op en het draagt bij aan je persoonlijke ontwikkeling. Hier heb je de rest van je leven profijt van. Daarom vraag ik aan de minister: hoe gaan we ervoor zorgen dat we al deze mogelijkheden voor mbo-studenten zo snel mogelijk realiseren? Vanaf welk studiejaar is het geregeld?

Voorzitter. Mijn collega zei al dat de onderwijsinspectie constateert dat 44% van de onderzochte mbo-opleidingen een onvoldoende heeft. Vooral de kwaliteitszorg schiet tekort. Zo veel mbo'ers vertellen me over de kwaliteit van hun onderwijs en dat dit echt beter moet. Dat heeft niet te maken met de passie, de motivatie en de toewijding van de docenten, want die willen uiteraard alleen maar het allerbeste voor hun studenten. Maar het is aan ons om duidelijk te maken wat de kaders zijn en welke basis we verwachten. Daarom vind ik dat de docenten nog meer ontwikkelruimte moeten krijgen. Het mbo vormt onze samenleving en daarom mogen we ook wat verwachten van het onderwijs dat hun geboden wordt.

Eerder is een wetsvoorstel naar de Raad van State gestuurd over de kwaliteit van het onderwijs op het mbo met betrekking tot de basisvaardigheden. Hoe staat het daarmee? Daarnaast vind ik het belangrijk dat we inzetten op de verdere professionalisering van docenten op het mbo. Hoe gaat de minister daarop inzetten en wat kunnen we verwachten?

Tot slot, voorzitter. Er wordt dagelijks onderzoek gedaan om onze maatschappij te verbeteren. Het mbo maakt daar te weinig onderdeel van uit. En dat terwijl het mbo echt zo'n groot en belangrijk onderdeel is van onze maatschappij. We willen meer praktijkgericht onderzoek, maar hoe gaan we ervoor zorgen dat dit samen met het mbo gaat gebeuren? Hoe kijkt de minister naar de rol en de positie van practoraten? En hoe gaan we de samenwerking tussen het mbo, het hbo en het wo op dit vlak stimuleren? Hoe zorgen we voor brede samenwerking in de inmiddels bekende waaier in de context van praktijkonderwijs?

Dank u wel, voorzitter.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou mevrouw Biekman dezelfde vraag willen stellen als die ik aan de heer De Beer van de VVD stelde. Als we echt willen laten zien dat mbo-studenten gelijkwaardig zijn aan hbo- en wo-studenten, dan zouden we de studiefinanciering en het studentenreisproduct gelijk moeten trekken. Hoe kijkt D66 daarnaar?

Mevrouw Biekman (D66):
Eigenlijk schrik ik net als mevrouw Tseggai van deze vraag van mevrouw Van der Plas. D66 heeft namelijk met dit kabinet allereerst de miljardenbezuiniging van het kabinet-Schoof op het onderwijs moeten herstellen. Ik vraag me dan af: waren die bezuiniging in de vorige kabinetsperiode dan wel nodig als de BBB nu uitspreekt dat ze een grote waardering heeft voor het onderwijs? Maar om antwoord te geven op de vraag van mevrouw Van der Plas: D66 is inderdaad voor het gelijktrekken van de studiefinanciering, ware het niet dat wij dus een hersteloperatie moeten doen. Van 1,5 miljard! Dat is echt een gigantisch bedrag. Dat is de basis van waaruit we vertrekken en daarna kunnen we verder gaan bouwen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is een populair mechanisme bij deze nieuwe coalitie. Als ze een kritische vraag of überhaupt een vraag krijgen, wordt er gelijk gezegd: maar het kabinet-Schoof dan? Dat is flauw en ook heel onvolwassen, want in de tijd dat die bezuinigingen speelden, is er eigenlijk nog nooit zoveel geld voor het onderwijs uitgetrokken, veel meer dan in alle decennia met D66-kabinetten. Dit is dus heel flauw. Mijn vraag is oprecht en constructief, maar ook heel simpel: vindt D66 dat het studentenreisproduct studiefinanciering is? Maar eigenlijk vraag ik me af of van D66 alles voor het mbo gelijkgetrokken moet worden met hbo en wo.

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, dit was een lange interruptie en die telt voor twee.

Mevrouw Biekman (D66):
Het is geen flauwe constatering of het ontwijken van een kritische vraag. Het is de realiteit. Als je kijkt naar de balans waarmee dit kabinet is begonnen, dan zie je dat die niet positief was op het gebied van onderwijs. Zoals ik al zei, is het dus niet het wegschuiven van een antwoord. Dit is het vertrekpunt. We moeten eerst die 1,5 miljard herstellen en daar ben ik overigens als D66'er al ontzettend trots op. Ik ben er trots op dat we weer die basis hebben voor het onderwijs. Van daaruit kunnen we verder bouwen aan de toekomst door te kijken hoe we op een gegeven moment alles gelijk kunnen trekken.

U heeft ook in mijn betoog gehoord dat dat begint met waardering en toegang tot het studentenleven, iets waar u het in uw betoog zelf ook over had. Ik wil dat mbo'ers gewoon toegang krijgen tot het normale studentenleven en dat ze gewoon een normale studentenkroeg of een studentensportcentrum binnen kunnen stappen. Dat zijn allemaal belangrijke waarden waar mbo'ers ook wat mee kunnen als aanvulling op hun leven.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb daar recent een motie voor ingediend en die is met een grote meerderheid aangenomen. Het is dus geen D66-ding. Ik vraag via mevrouw Biekman nu maar gelijk even aan de minister hoe het staat met de uitvoering van die motie voor een gelijkwaardig studentenleven. Een motie van de BBB.

De voorzitter:
Daar zal de minister later op antwoorden. Ik ga nu door naar mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik was even mijn handen in onschuld, want ik was niet betrokken bij welke onderwijsbezuiniging dan ook. Ik hoop daarom dat mevrouw Biekman mij een ander antwoord kan geven. Ik hoor haar zeggen: je moet toegang hebben tot het studentenleven, cultuur en sport. Maar dat moet je ook kunnen betalen. En nogmaals, 22% van de mbo-studenten komt niet goed rond. 45% heeft te maken met tegenvallende schoolkosten. Hoe gaan we er dan voor zorgen dat zij meer te besteden krijgen, zodat ze die leermiddelen en dat studentenleven ook kunnen betalen? Ik ben het daarover verder overigens geheel eens met mevrouw Biekman.

Mevrouw Biekman (D66):
Ik sluit me volledig bij mevrouw Tseggai aan. Het is ook zorgelijk. Het is ook gewoon echt … Het kan eigenlijk niet dat studenten zo moeten struggelen om rond te komen, om hun studie te betalen, om vooruit te komen en om perspectief te hebben in de maatschappij. De realiteit is wel — dat zei ik net ook tegen mevrouw Van der Plas — dat we een hersteloperatie hebben moeten doen. Ik heb een wedervraag aan mevrouw Tseggai. Ik ben benieuwd waar wij dat geld vandaan halen. We hebben het in dit geval over 400 miljoen structureel, als we alles structureel zouden willen trekken. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Tseggai die 400 miljoen structureel — dus niet incidenteel — zou willen dekken. Dat bedrag gaat namelijk van de Onderwijsbegroting af. Welke keuze zou mevrouw Tseggai hierin maken?

De voorzitter:
Mevrouw Tseggai, u krijgt een wedervraag. U mag daarop antwoorden.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik ga er gewoon op antwoorden, want ik loop er niet voor weg. Ik vind het wel jammer, want mevrouw Biekman zit in een coalitiepartij. Mijn vraag is dus juist wat mevrouw Biekman daaraan gaat doen. In ons verkiezingsprogramma, dat wij hebben laten doorberekenen, kunt u zien dat wij andere keuzes maken dan deze coalitie. Wij vragen namelijk meer geld van grote bedrijven en mensen met veel vermogen. Wij willen de verhoging van de basisbeurs voor alle studenten, het gelijktrekken van de studiefinanciering en de stagevergoeding daarmee betalen. Volgens mij heb ik mijn dekking dus op orde. Mijn vraag aan D66 is wat zij daaraan gaat doen.

Mevrouw Biekman (D66):
Mevrouw Tseggai legt het nu natuurlijk heel makkelijk uit, maar zo simpel is het niet. U weet ook, net zo goed als ik, dat alles wat wij op dit moment in dit kabinet doen en voor elkaar willen krijgen, de komende jaren van de Onderwijsbegroting af gaat. Mijn vraag is: als u nu een voorstel zou doen of een voorstel heeft, hetzij een amendement, een motie of noem maar op, waar zou u die dekking dan vandaan halen?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ga niet nog een keer antwoord geven op een wedervraag, maar ik heb nog wel een andere vraag aan D66. D66 heeft ervoor gekozen om alle uitwonende studenten, dus mbo-, hbo- én wo-studenten, €42 per maand extra te geven. Het overgrote deel van de mbo-studenten woont thuis. Daar had D66 ook een andere keuze in kunnen maken. Ik ben daar wel benieuwd naar. Dat is namelijk geld dat van de Onderwijsbegroting af is gekomen.

Mevrouw Biekman (D66):
Mevrouw Tseggai schetst inderdaad een heel groot probleem. Het is gewoon ontzettend moeilijk om als student huisvesting te vinden, om een betaalbare kamer te vinden. Dat geldt niet alleen voor mbo-studenten; dat geldt voor álle uitwonende studenten. Ik denk dat we juist door alle studenten die €42 ophoging te bieden, het een en ander al gelijktrekken. Andersom kunnen we ook niet de uitwonende hbo- en wo-studenten benadelen. Het probleem is veel complexer. Het gaat om toegankelijke en betaalbare studentenwoningbouw.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Met alle respect, de gemiddelde mbo-student kán helemaal niet uit huis. Die krijgt geen stagevergoeding. Die krijgt minder studiefinanciering. Als die student een bbl-traject volgt, dan krijgt die het minimumloon. Daarvan kun je tegenwoordig helaas niet meer een studentenkamer betalen. Die €42 extra voor uitwonende studenten gaat dus vooral naar hbo- en wo-studenten. Nogmaals, wij gunnen hun dat. Aan GroenLinks-PvdA ligt het dus niet. Wij hadden in ons verkiezingsprogramma een verhoging van de basisbeurs voor alle studenten staan, maar ook het gelijktrekken van de studiefinanciering. D66 schetst hier een onmogelijke situatie, waarin er zogenaamd nooit geld uit de OCW-begroting naar het gelijktrekken van de studiefinanciering zou kunnen gaan. Maar D66 heeft er wél voor gekozen om €42 per maand aan uitwonende studenten te geven. Dat zijn vooral hbo- en wo-studenten. Dat zijn de feiten waar we hier mee te maken hebben. D66 is een coalitiepartij. Ik zou dus heel graag horen hoe D66 dit probleem, dat D66 uitgebreid constateert en waarmee D66 het uitgebreid eens is, dan zou willen oplossen.

De voorzitter:
Mevrouw Tseggai, u bent door uw interrupties heen in deze eerste termijn. Ik wil mevrouw Biekman vragen om hier een afrondende reactie op te geven.

Mevrouw Biekman (D66):
Mevrouw Tseggai schetst een makkelijk probleem. Althans, ze probeert een gecompliceerd probleem makkelijk op te lossen. Het gaat namelijk niet alleen om de financiering van de uitwonendenbeurs. Het gaat om betaalbare studentenhuisvesting; dat is ook iets wat we moeten aanpakken. Volgens mij kunnen wij elkaar op heel veel dingen vinden; we trekken zeker met elkaar op. Daarom heb ik ook aan mevrouw Tseggai gevraagd welke keuzes zij zou hebben gemaakt binnen deze Onderwijsbegroting, waarbij we de studiefinanciering gelijk moesten trekken. Daar is nu geen tijd meer voor, maar daarover ga ik graag met mevrouw Tseggai in overleg.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Biekman. Ik denk dat u verder kunt discussiëren bij een bak koffie na dit debat. U heeft nog een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ten eerste heb ik even een puntje van orde. Het is niet gebruikelijk dat Kamerleden elkaar hier gaan bevragen. Mevrouw Tseggai stelt een vraag en mevrouw Biekman moet die beantwoorden. Het is niet zo dat mevrouw Biekman dan weer een wedervraag mag stellen aan mevrouw Tseggai. Zo werkt dat niet in een commissiedebat, want wij zijn hier eigenlijk om de minister te bevragen, maar dat gebeurt hier wel steeds. Ik vraag de voorzitter om daar even op te letten, want mevrouw Tseggai en andere Kamerleden worden in zo'n geval in de positie geplaatst dat zij zich moeten verantwoorden. Even voor de orde van het debat.

De voorzitter:
Mevrouw van der Plas, we zijn het helemaal met u eens; dat is een foutje van onze kant en wij gaan daarop letten. Het zal niet meer gebeuren. Als u het niet erg vindt, ga nu ik verder met ... Ik zie een punt van orde.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik wil hier iets over zeggen. Ik vind het niet erg dat mevrouw Biekman of andere Kamerleden mij een wedervraag stellen, maar ik vind het een beetje jammer dat daardoor mijn interrupties op zijn. Daar zit ik een beetje mee, want ik heb al die wedervragen wel geprobeerd te beantwoorden. Daar wilde ik een punt van orde over maken.

De voorzitter:
Ik snap wat u zegt, maar we hebben de beantwoording niet meegeteld. Dat hebben we gewoon laten lopen. De vragen die u heeft gesteld, waren echter langer dan 30 seconden, dus zodoende bent u uw interrupties kwijt. Meneer Boomsma, heeft u nog een punt?

De heer Boomsma (JA21):
Een klein punt van orde. Mevrouw Van der Plas zei dat we hier zijn om de minister vragen te stellen. Ik zie dat niet zo. We zijn hier inderdaad om de minister vragen te stellen, maar ook om in bredere zin met elkaar van gedachten te wisselen. Het is niet zo dat een commissiedebat er alleen is om vragen aan het kabinet te richten.

De voorzitter:
Ik ga even duidelijkheid scheppen in deze discussie. Mevrouw Van der Plas, meneer Boomsma, mag ik de aandacht? Je mag elkaar wel bevragen, maar het is niet zo dat je door kunt blijven vragen en dat de tegenpartij dan continu weer antwoord geeft. Op deze wijze houden we wel het debat levendig; dat moet ik zeggen. Ik ga nu door met mevrouw Armut en haar bijdrage.

Mevrouw Armut (CDA):
We gaan het nu goed doen, voorzitter. Excuses dat ik wat later binnenkwam; ik kwam uit een ander commissiedebat.

Voorzitter. Het mbo is de plek waar studenten leren zorgen, maken, beveiligen en vernieuwen. Hoewel de waardering voor mbo-studenten volgens mij echt wel is gegroeid als ik het vergelijk met mijn eigen tijd op het mbo, mogen we nog wel wat stappen zetten. Waardering zit namelijk in meer dan alleen woorden. Voor het CDA staan vandaag drie punten centraal: stages, de financiële positie van mbo-studenten en het opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst.

Recent bleek dat zorgopleidingen de instroom beperken vanwege een tekort aan stageplekken. Verschillende andere Kamerleden hebben dit ook al genoemd en hierover ook terecht hun zorgen uitgesproken. Juist in deze sector zijn mensen immers heel hard nodig. Als opleidingen in tekortsectoren studenten moeten weigeren wegens te weinig stageplekken, dan raakt dat niet alleen studenten, maar uiteindelijk ook de arbeidsmarkt en de samenleving. Daarnaast schiet ook nog de begeleiding tekort. Veel instellingen passen de afgesproken drie contactmomenten tussen school, student en leerbedrijf nog niet volledig toe, terwijl een stage een volwaardig onderdeel van de opleiding is; het is geen bijbaan ernaast. Studenten moeten kunnen merken dat hun leerbedrijf hen begeleidt en dat zij bij problemen er niet alleen voor staan. Mijn vraag aan de minister is dus wanneer die drie contactmomenten overal de norm zijn. Hoe wordt daarop toegezien en wat gebeurt er als instellingen achterblijven? Mijn fractie ziet verder uit naar de uitwerking van de verplichte stagevergoeding. Wanneer ontvangt de Kamer die? Studenten mogen niet afhankelijk zijn van de goede bedoelingen van een sector of bedrijf.

Voorzitter. Ten tweede: de financiële positie van studenten. Het CDA begrijpt dat de middelen beperkt zijn, maar mbo-studenten vallen financieel een beetje tussen wal en schip. In het voortgezet onderwijs krijgt een 16-jarige leermiddelen vergoed, maar in het mbo moet een 16-jarige vaak zelf betalen voor boeken, licenties, werkkleding en allerlei andere zaken. De minister heeft de variant inmiddels in beeld, maar daarmee is er nog geen eenvoudige oplossing. Er ligt wel een keuze voor. Kan de minister vandaag aangeven wat al wél zou kunnen? Wil de minister bij een verdere uitwerking van de financiële positie van mbo-studenten aangeven welke eerste, gerichte stap mogelijk is om de kosten voor minderjarige mbo-studenten in de periode tot hun startkwalificatie te verlagen? Welke varianten zijn daarbij budgettair uitvoerbaar?

Ook bij de restitutie is er sprake van ongelijkheid. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om les- of cursusgeld terug te krijgen zijn voor mbo-studenten strenger dan voor studenten in het hbo en het wo. De kosten van de harmonisatie zijn bekend. Het gaat om ongeveer 27 miljoen structureel. Wat gaat de minister hiermee doen? Gaat de minister dit oplossen?

Voorzitter. Mijn derde punt: in elke regio opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Nederland heeft meer vakmensen nodig op het gebied van zorg, techniek, bouw, energie, veiligheid en digitalisering. Jongeren moeten die opleiding dan wel kunnen volgen, ook in de regio's waarin de af te leggen afstanden groter zijn en het aantal studenten daalt. Vooral technische praktijkopleidingen zijn duur. Die vragen om moderne machines, praktijklokalen, goede docenten en samenwerking met bedrijven. Beweegt de bekostiging niet grotendeels mee met het aantal studenten, dan kunnen juist deze opleidingen onder druk komen te staan en dan verliezen regio's opleidingsaanbod, studenten kansen en werkgevers vakmensen voor de toekomst. Daarom vraagt het CDA aan de minister hoe zij ervoor gaat zorgen dat de nieuwe mbo-bekostiging bijdraagt aan een stevige regionale basis voor cruciale opleidingen in techniek, zorg, bouw en veiligheid.

Voorzitter. Mbo-studenten verdienen naast waardering goede stages, een betaalbare opleiding en een sterk regionaal aanbod.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Armut. U krijgt nog een vraag van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wilde mevrouw Armut vragen hoe zij kijkt naar die extra €42 voor uitwonende studenten. Mevrouw Tseggai merkte al op dat dit geld met name naar hbo- en wo-studenten gaat, omdat heel veel mbo-studenten niet uitwonend zijn.

Mevrouw Armut (CDA):
De zorgen over de financiële positie van mbo-studenten die door verschillende Kamerleden zijn uitgesproken, deel ik best wel. Daar sta ik in mijn bijdrage ook zelf bij stil. Ik snap dus heel goed dat mevrouw Van der Plas zich daar ook zorgen over maakt, maar gaan we specifiek door dit punt dan ook andere tegemoetkomingen in twijfel trekken? Dat is wel het lastige. Gaan we hbo-, wo- en mbo-studenten op deze manier dan niet tegen elkaar opzetten, terwijl we weten dat deze verschillen echt historisch zijn gegroeid? Dat is niet goed en daar moeten we wat aan doen, maar volgens mij kunnen beide zaken tegelijk.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Misschien kan mevrouw Armut de vraag die zij stelt zelf beantwoorden.

Mevrouw Armut (CDA):
Zou mevrouw van der Plas kunnen verduidelijken op welke vraag zij een antwoord zou willen? Hopelijk kost het haar geen interruptie.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Armut zegt: we moeten ons dan wel afvragen of we daarmee mbo-, hbo- en wo-studenten niet tegen elkaar opzetten. Zij speelt eigenlijk met wat gedachten, zo van: hoe moeten we dat dan doen? Dat is dus een vraag, maar het is eigenlijk een vraag die zij zichzelf stelt. Misschien kan zij die dan ook beantwoorden.

De voorzitter:
Graag de volgende keer via de voorzitter, mevrouw Van der Plas. Mevrouw Armut.

Mevrouw Armut (CDA):
Dat moeten we volgens mij niet. Tegelijkertijd is het wel zo dat we het steeds vaker over een waaier hebben. We hebben het ook over mbo-studenten. We willen de verschillen tussen mbo, hbo en wo verkleinen. Daar horen ook stappen bij. Ik vind echt dat we daar stappen op moeten zetten. Ik noemde ook een paar voorbeelden in mijn woordvoering. Ik vraag ook aan de minister wat we nu als eerste zouden kunnen doen. Het eerlijke verhaal is wel dat we het niet allemaal in een keer kunnen doen. Ik ben dus zelf ook echt op zoek naar welke stappen we nu kunnen zetten. Ik wil dat ook heel graag samen met andere partijen doen en kijken hoe we het in ieder geval wel alvast in beweging kunnen krijgen. We weten dat het niet in een keer gaat. We gaan het, helaas, niet in een keer gelijk kunnen trekken. Maar waar kunnen we mee beginnen om dat wel zo snel mogelijk in gang te zetten?

De voorzitter:
Is de vraag voldoende beantwoord? Dat is het geval. Dan kijk ik nu naar de heer Stoffer voor zijn betoog.

De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Als er ergens een kloof gaapt tussen praat en daad, dan is het wel ten aanzien van het beroepsonderwijs. We kunnen lyrisch praten over gouden handjes, de voldoening van praktisch werk en de motor van onze economie, maar als men in de praktijk merkt dat iedereen toch vooral hogerop wil en het vmbo en mbo ontvlucht, dan verdampen die ronkende woorden heel snel. De SGP ziet deze periode uit naar meer daadjes en minder praatjes. Dat begint al in het basisonderwijs, waar de huidige regeling voor de doorstroomtoets voor een valse start en veel demotivatie zorgt in het vervolgonderwijs. Dat leidt meteen tot mijn eerste vraag. Gaat de minister zich daar ook tegenaan bemoeien? Inzetten op passende schooladvisering zou veel goeddoen.

Voorzitter. Ik zet mijn inbreng van gisteren over het passend onderwijs meteen maar voort in dit debat over het mbo. De minister is er positief over dat instellingen steeds meer afspraken maken over individuele ondersteuning. Dat is inderdaad een goede beweging, maar ik zie in de evaluatie ook dat er enorme verschillen bestaan als het gaat om het vastleggen van de afspraken. Dat varieert van 20% tot 100%, waarbij vakinstellingen er positief uit lijken te springen. Mijn vraag is hoe de minister duidelijkheid en verbetering wil bereiken. Gaat de inspectie actiever op dit onderdeel toezien? De inspectie geeft aan dat de hulpvragen in aantal en complexiteit toenemen. Dit betekent uiteraard dat de noodzakelijke professionele ondersteuning op orde moet zijn, maar in lijn met de Onderwijsraad benadrukt de SGP dat uitdrukkelijk ook de informele sfeer van familie, netwerk en samenleving betrokken moet worden. De omgeving kan vaak meer doen dan tien professionals bij elkaar. Ik zag vanmorgen op de valreep de beleidsreactie op het advies. De richting klinkt goed, maar helaas zag ik dat ouders en informele gezinsondersteuning opzichtig afwezig zijn. Wil de minister met organisatie zoals Ouders & Onderwijs en het Nederlands Jeugdinstituut overleggen hoe het informele netwerk beter benut kan worden?

Voorzitter. Eerder is al aan de orde geweest dat het belangrijk is dat mbo'ers een fatsoenlijke en eerlijke vergoeding krijgen voor de stage. Zoals zojuist ook al benoemd werd, moeten we ons doel daarbij niet voorbijschieten. Het doel is namelijk voldoende goede stages. Inmiddels horen we dat bedrijven minder bereid lijken te zijn om stages aan te bieden vanwege die hoge vergoedingen. Wil de minister bij de uitwerking uitdrukkelijk oog houden voor de positie van het mkb? Hoe wil ze bevorderen dat kwetsbare studenten niet extra de dupe worden door de inzet op hogere vergoedingen, waardoor ze niet meer aan een stageplek komen?

Voorzitter. De minister heeft inzichtelijk gemaakt welke verschillen er binnen de studiefinanciering bestaan tussen het mbo en het hoger onderwijs. We kunnen ons dan fixeren op het grote ideaal van gelijkheid, maar het brengt in ieder geval hogere kosten met zich mee. Dat kan kleine, goede stappen in de weg staan. Waarom kan, om te beginnen, bijvoorbeeld het bedrag van de basislening niet gelijkgetrokken worden?

Voorzitter. De SGP mist in de beleidsreactie op de wetsevaluaties aandacht voor de lastendruk van instellingen. De veronderstelling dat de lasten zouden dalen, bijvoorbeeld door het afschaffen van de onderwijsovereenkomst, blijkt niet bewaarheid. Geen enkele instelling ziet haar lasten dalen; 15% ziet haar lasten zelfs stijgen. Gaat de minister met de sector onderzoeken hoe praktische verbeteringen alsnog te bereiken zijn?

Voorzitter, tot slot. De Raad van State heeft een nuttig advies geschreven over het burgerschapsonderwijs in het mbo. Daarin is de kritiek te lezen dat er te veel accent kan liggen op de filosofie van basiswaarden, terwijl we toch vooral behoefte hebben aan burgerschapsonderwijs dat studenten helpt in de concrete beroepspraktijk. Mijn vraag is of de minister dat signaal ter harte neemt. Betrekt ze in de uitwerking in ieder geval ook het vmbo, om ervoor te zorgen dat daar een vloeiende lijn ontstaat?

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw heldere betoog. Ik zie geen interrupties. Ik vraag mevrouw Tseggai om het voorzitterschap over te nemen, zodat ik mijn bijdrage namens de PVV kan doen.

Voorzitter: Tseggai

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Raijer. Dan geef ik het woord aan u, voor uw inbreng namens de fractie van de PVV.

Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Het mbo is de ruggengraat van onze samenleving. Onze zorg, techniek, bouw, logistiek, veiligheid, horeca en maakindustrie draaien op vakmensen. Toch worden mbo-studenten nog te vaak behandeld alsof zij lager onderwijs volgen, terwijl zij juist het werk doen waar Nederland elke dag op steunt. Die onderwaardering moet stoppen. Een mbo-student is geen tweederangsstudent. Wie met het hoofd, de handen en het hart leert, verdient dezelfde erkenning, kansen en behandeling als studenten in het hbo en wo. Dat vraagt om gelijke toegang tot studentenvoorzieningen, sportfaciliteiten en studentenhuisvesting, maar ook om gelijke financiële behandeling. Daar hoort ook studiefinanciering bij. Waarom maken we daarin nog onderscheid tussen mbo- en hbo-studenten? Als we mbo-studenten echt gelijkwaardig vinden, dan moet dat ook blijken uit de regelingen die wij maken. Gelijke waardering begint niet bij een campagne, maar bij gelijke rechten. Is de minister bereid om hier goed naar te kijken? Het kabinet erkent inmiddels zelf dat mbo-studenten financieel tussen wal en schip vallen. Ze zijn geen scholier meer, maar blijkbaar zijn ze ook geen volwaardige student. Als we mbo-studenten echt gelijkwaardig vinden, dan moeten we dat niet alleen zeggen campagnes en mooie speeches, maar ook laten zien in beleid en financiële regelingen.

Dan de stages. Veel studenten moeten naast hun stage ook nog extra werken om rond te komen. Dat zorgt voor stress en vergroot de kans dat studenten afhaken of schulden opbouwen. De PVV begrijpt daarom de wens voor een betere stagevergoeding, maar wij maken ons er zorgen over dat werkgevers minder stageplekken gaan aanbieden als de lasten verder oplopen. Juist in sectoren met enorme personeelstekorten, zoals de zorg, de bouw en de techniek, kunnen we dat niet gebruiken. We zien dat het Stagefonds Zorg, dat helaas in 2028 definitief stopt, een groot succes is. Is de minister bereid dit fonds in stand te houden en dit uit te breiden met andere cruciale beroepen, zoals die in de bouw en de techniek?

Voorzitter. Wat ons zorgen baart in het mbo — dat heb ik al eerder benoemd — is dat daar steeds meer problemen moeten worden opgelost die elders in het onderwijs zijn ontstaan. Basisvaardigheden die onvoldoende worden aangeleerd, komen nu op het bordje van het mbo terecht. Mbo-scholen zijn geen reparatiebedrijven voor falend onderwijsbeleid. Mbo-studenten kiezen voor vakmanschap en praktijkgericht onderwijs en voor beroepen waar Nederland op draait. Geef scholen daarom de ruimte om jongeren goed op te leiden voor de arbeidsmarkt zonder eindeloze Haagse bureaucratie.

Tot slot, voorzitter. De PVV wil dat mbo-opleidingen bereikbaar blijven in heel Nederland, ook buiten de Randstad. Jongeren mogen niet de dupe worden van Haagse spreadsheets, concurrentie tussen instellingen of verdwijnende opleidingen in de regio. Ook in de krimpgebieden moet het aanbod van mbo-opleidingen voldoende zijn.

Voorzitter. Waardering betekent ook dat we studenten serieus nemen in hun eigen keuzes. Jongeren moeten niet door de overheid een richting in worden geduwd. Studiesucces begint bij motivatie. Laat mbo-scholen snel en flexibel inspelen op de arbeidsmarkt zonder eindeloze Haagse bemoeienis.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Ik zie een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb op 1 april een motie ingediend over het rijke studentenleven voor mbo-studenten, zodat die dezelfde faciliteiten krijgen als hbo- en wo-studenten. Daar heeft de PVV tegen gestemd. Kan mevrouw Raijer uitleggen waarom zij dit niet gelijk wil trekken?

Mevrouw Raijer (PVV):
Het klopt helemaal wat mevrouw Van der Plas zegt. Wij hebben inderdaad tegengestemd, omdat wij vinden dat niet de overheid dat moet faciliteren, maar dat dat vanuit de studentenverenigingen of studenten zelf moet komen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is juist het probleem. Dat wordt al jaren geprobeerd en dat gebeurt niet. Deze motie vroeg eigenlijk min of meer om mbo-instellingen met elkaar in gesprek te laten gaan, dus juist dat het vanuit de mbo-instellingen zou komen. Toch heeft de PVV daartegen gestemd. Dan blijft mijn vraag: waarom?

Mevrouw Raijer (PVV):
Dan kom ik toch helaas met hetzelfde antwoord: omdat wij vinden dat dat vanuit de studentenverenigingen zelf moet komen. Ik denk dat studenten hier ook wel wat creatiever in mogen zijn. Wij blijven van mening dat niet alles gefaciliteerd moet worden door het Rijk.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
De opvatting van de BBB is dat de overheid een vangnet en een trampoline is. Dat is een vangnet voor mensen die in de knel zitten, die het echt niet redden — daarvoor moeten we er zijn — maar ook een trampoline om mensen even dat extra steuntje te geven. Hoe ziet de PVV dat? Het is dan geen regulering, maar een vangnet en een trampoline.

Mevrouw Raijer (PVV):
Dit is dezelfde vraag in een andere vorm gegoten, dus mijn antwoord blijft hetzelfde. Studentenverenigingen en studenten kunnen zelf heel creatief zijn. Mbo-instellingen kunnen studentenverenigingen daarmee helpen. Wij blijven van mening dat dat niet gefaciliteerd hoeft te worden door het Rijk.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik blijf er toch even op doorgaan. Het komt juist van de studenten. Zij zeggen tegen ons: help ons daar gewoon eventjes mee, want op deze manier gaat het niet en dan komt er misschien een doorbraak. Als er een nieuw voorstel komt, is de PVV dan bereid om daar opnieuw naar te kijken, dat nog een extra zetje te geven en daar dan wél aan mee te doen en mbo-studenten niet gewoon te laten zakken?

Mevrouw Raijer (PVV):
Ook wat dit betreft blijf ik toch bij mijn antwoord. Wij blijven echt van mening dat het niet aan het Rijk is om dit te faciliteren en dat mbo-studentenverenigingen dat zelf kunnen doen. Misschien kunnen ze zelfs hulp vragen aan hbo-studentenverenigingen die hun dat zetje willen geven.

De voorzitter:
Mevrouw Raijer, was u het een einde van uw betoog?

Mevrouw Raijer (PVV):
Ja, dat klopt.

De voorzitter:
Oké. Dan draag ik het voorzitterschap over aan mevrouw Raijer.

Voorzitter: Raijer

De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. We gaan schorsen tot 15.00 uur. Daarna kan de minister aan haar eerste termijn beginnen. Tot zo!

De vergadering wordt van 14.35 uur tot 15.00 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik begin met de eerste termijn van de minister, dus ik geef bij dezen de minister het woord.

Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Goedemiddag allemaal. Ik moest even wandelen om weer terug deze zaal in te komen. Wat hebben we al een mooi debat kunnen aanschouwen. Ik moet, in ieder geval in mijn rol als minister, eerlijk zeggen dat ik daar ook wel van genoten heb. Er waren heel veel mooie, terechte, scherpe vragen, die ik allemaal ga beantwoorden. Dat zal niet een voor een zijn, maar in samenhang. Dat doe ik in een aantal grote thema's die ik geclusterd heb.

Ik ga beginnen met het thema waar u met elkaar volgens mij het meest over gesproken heeft, namelijk de randvoorwaarden voor studenten. Het gaat er uiteindelijk in de eerste plaats om dat de randvoorwaarden voor studenten … Er zitten allemaal studenten op de publieke tribune die in spanning afwachten wat de minister er allemaal over gaat zeggen. Daar begin ik dus mee. Er zitten allerlei vragen in over studentenvoorzieningen en over de studiefinancieringsdiscussie die we met elkaar hebben gehad. Daarna heb ik een thema rondom kwaliteit. Daar hebben de Kamerleden natuurlijk ook een aantal vragen over gesteld. Dan ga ik door met de stages, de discussie over de stagevergoeding en de stagetekorten. Het volgende blok gaat dan over de bekostiging, dus over de herziening van het bekostigingsstelsel. Dan ga ik door naar de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarna heb ik één overige vraag, die gaat over de lastendruk. En dan sluit ik misschien af met de overkoepelende ambities voor het mbo. We kijken even hoe laat het dan is; misschien is het dan al etenstijd voor iedereen. Ik zal proberen mij zo veel mogelijk aan de tijd te houden.

In het licht van het feit dat u volgens mij samen het langste gesprek heeft gehad over de randvoorwaarden en de waardering voor mbo-studenten in vergelijking met studenten uit andere onderwijssectoren, leek het me verstandig om daarmee te beginnen. Meerdere Kamerleden vroegen mij hoe we het mbo daadwerkelijk gelijkwaardig gaan erkennen en waarderen in vergelijking met een student die naar een hogeschool of universiteit gaat. Volgens mij zei de heer Stoffer … Hoe noemde u het ook alweer? Daadjes? Mijn moeder zei altijd: praatjes vullen geen gaatjes. U zei het net een beetje anders.

De heer Stoffer (SGP):
Ik zei: meer daadjes en minder praatjes. Mijn oma heette overigens "Daatje"; daar moest ik ook aan denken.

Minister Letschert:
Mijn moeder zei altijd: praatjes vullen geen gaatjes. Volgens mij is een algehele samenvatting van de discussie die u met elkaar heeft gehad dat we al een aantal periodes, ook in verschillende kabinetten, praten over die waaier en dat we vinden dat een mbo-student en een hogeschool- of universiteitsstudent gelijkwaardig behandeld moeten worden. Dat zit hem deels in de toegang tot voorzieningen, te weten sport, cultuur, studentenhuisvesting en bestuursjaren bij verenigingen, maar het gaat ook over de financiële positie van studenten. Ik denk dat we echt wel een aantal hele belangrijke stappen met elkaar hebben gezet, zoals het feit dat we nu over "studenten" spreken en niet meer over "leerlingen". Daar moeten we mensen nog steeds op corrigeren. Er zijn stickers die u op uw laptop kunt plakken om u er elke dag aan te herinneren. Maar we zijn er nog niet, en daar wil ik ook eerlijk over zijn. Ik zal u dadelijk vertellen waar we staan.

Ik heb gisteren in de JOB-monitor die hier voor mij ligt, waar u ook naar verwees, kunnen teruglezen dat mbo-studenten zich meer gewaardeerd voelen dan een aantal jaren terug. NOS Stories maakte daar een prachtige rapportage over. Ik denk dat we allemaal, dus zowel de politiek, werkgevers en media als ouders, die beweging met elkaar moeten continueren en afronden. Het is eigenlijk een collectieve verantwoordelijkheid voor onze hele samenleving.

Ik wil beginnen met de discussie die u had over de studentenvoorzieningen, zoals de sportfaciliteiten. Je ziet dat steeds meer mbo-studenten toegang krijgen, maar dat dat wel afhankelijk is van de instellingen en de verschillende steden waar zij hun studie volgen. Ik wil hier ook wel even noemen dat bijvoorbeeld een groot deel van de sportfaciliteiten door universiteiten wordt gefinancierd voor hun studentenpopulatie. Als we dus met elkaar een situatie willen creëren waarin alle studenten naar die sportvoorzieningen kunnen gaan, moeten we ook met die hele keten van onderwijsinstellingen het gesprek gaan voeren. Ik wil hier toezeggen dat het zeker de moeite waard is om verder te verkennen hoe je dit landelijk wat meer invulling kunt geven. Die faciliteiten zijn er, maar er staat ook best veel druk op de universiteiten zelf om dat rendabel te houden. In sommige gevallen is het juist eigenlijk al veel te druk in die sportfaciliteiten. De vraag is dus hoe je dat dan gaat doen. Het is niet zo dat we in Den Haag maar kunnen gaan bepalen dat alle sportcentra die de universiteiten hebben gecreëerd, zowel de binnenruimtes als de velden … Bepalen hoe dat qua sportfaciliteiten ontwikkeld kan worden, gaat eigenlijk best wel ver. Maar ik wil hier zeker toezeggen dat ik bij de mogelijke landelijke invulling, samen met de MBO Raad, de Vereniging van Universiteiten en de Vereniging Hogescholen, zal kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat gelijkwaardigheid op die manier tot uiting kan komen. Meerderen van u hebben een belangrijke opmerking gemaakt. Op de arbeidsmarkt gaat een mbo-student samenwerken met een hogeschoolstudent en een universitair student. Maar je wilt dat ze elkaar al veel eerder, tijdens hun studietijd, automatisch tegenkomen. Hoe mooi is het als dat gebeurt via sport, cultuur of welke vorm van het studentenleven dan ook? Die toezegging kan ik doen.

We zijn op dit moment ook bezig om ervoor te zorgen dat mbo-studenten een bestuursjaar kunnen volgen. Dat zien we ook bij universiteiten en hogescholen. We willen dat dat uiterlijk in 2028 wettelijk mogelijk is. Dat klinkt voor sommigen nog heel ver weg, maar dat is volgens Haagse begrippen relatief snel. Hoe mooi zou het zijn als je een bestuursjaar kunt doen bij het bestuur van je instelling om op die manier hartstikke mooie werkervaring op doen?

De voorzitter:
Ik ga u even onderbreken, want u heeft een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, die gaat over het eerste deel van de beantwoording van de minister. Ze heeft toegezegd dat ze een gelijkwaardig studentenleven verder gaat verkennen, om het even kort te zeggen. Bij een toezegging hoort altijd een brief en een termijn. Dat is dus ook mijn vraag. Op welke termijn gebeurt dit en wanneer kunnen we daar een brief over verwachten?

Minister Letschert:
Ja, dat is een goede. Ik heb in de komende periode gesprekken met de koepels. Ik denk dat ik voor de kerst richting moet kunnen geven aan wat die gesprekken hebben opgeleverd en wat dat concreet gaat betekenen voor de doelgroep die hier aanwezig is. Dat zou mijn tijdslijn zijn. De mensen naast mij denken nu misschien "dat is wel heel snel", maar ik denk dat dit realistisch is.

De voorzitter:
Bedankt voor uw antwoord. Ik wil voorstellen dat we de minister eerst de blokken laten afmaken en dat we de vragen per blok stellen, als de Kamer het daarmee eens is. Ik wil u vragen om uw eerste blok af te maken.

Minister Letschert:
Ja, daar ben ik pas net mee begonnen, maar ik zal proberen ...

We hebben ook gesproken over het thema "studentenhuisvesting". We willen ook daar meer kansengelijkheid bieden. Om de studentenhuisvesting te verbeteren en kansengelijkheid te bieden, zijn onder andere JOBmbo en de MBO Raad aangesloten bij het Landelijk Platform Studentenhuisvesting, waar ze gezamenlijke doelen gaan stellen en waar ze samen aan de huisvestingsopgave gaan werken. Ik blijf daar nauw bij betrokken om te zien waar dat uiteindelijk toe leidt, want dat moet ook gaan leiden tot toegankelijkheid voor mbo-studenten.

Ik ga nu over naar de discussie over de financiële situatie. Ik denk dat we ons allemaal zorgen maken over het feit dat er mbo-studenten zijn die opgroeien in hele ingewikkelde financiële omstandigheden. Ik heb bij een mbo-instelling in Rotterdam veel gesprekken gevoerd met studenten en toen schrok ik echt van de financiële stress die op hun schouders rust. Als je financiële stress hebt terwijl je moet studeren, dan doet dat iets met de mogelijkheid om je studie te kunnen halen. Dat leidt tot uitval. Ik denk dat we dat allemaal delen.

Laat ik in de eerste plaats beginnen met de schoolkosten. De Onderwijsraad heeft een advies gegeven en de probleemanalyse heel scherp neergezet. De hoge schoolkosten kunnen een drempel vormen voor de toegankelijkheid van het mbo en het behalen van een startkwalificatie. Dit geldt vooral voor minderjarige studenten, want die hebben nog geen recht op studiefinanciering. Zij zijn 16 of 17 en studeren al, maar krijgen nog geen studiefinanciering. De Onderwijsraad zegt: zorg dat school kosteloos is voor minderjarige studenten. Het eerlijke antwoord is: ik heb op dit moment geen middelen in de coalitieafspraken en de financiële plaat die daarbij hoort om alle schoolkosten gratis beschikbaar te stellen voor de hele populatie van mbo-studenten. Ik wil wel meer doen dan een poging wagen. Ik wil serieus overwegen hoe ik in aanvulling op het coalitieakkoord toch nog een extra stap kan zetten voor een meer gelijkwaardige positie van mbo-studenten, specifiek in relatie tot de schoolkosten. Ik kom daarop terug in de brief over de herziening van de bekostiging. Ik heb hier nog een mapje voor me liggen over de bekostiging; daar zijn we, as we speak, volop mee bezig. Die komt voor de zomer naar de Kamer. Daarin doen wij ook een voorstel over hoe hiermee om te gaan. Daar moet u dus helaas nog even op wachten omdat onder andere de instellingen, het ministerie en ikzelf daarover nog in overleg zijn.

Dan kom ik nu bij de studiefinanciering. Geconstateerd is dat er historisch enorme verschillen zijn ontstaan tussen de bedragen die wij toekennen aan mbo-studenten die recht hebben op studiefinanciering en aan studenten die aan een hogeschool of universiteit studeren. Ik geloof dat mevrouw Armut dat zei. Toen ik net binnenkwam op het ministerie ben ik mij daarin gaan verdiepen. In alle eerlijkheid moet ik zeggen dat bij heel veel van die verschillen, bijvoorbeeld in het bedrag voor de thuiswonendenbeurs, niet aanwijsbaar is waarom die zo zijn gegroeid. Eerlijk gezegd, zijn die verschillen door heel veel verschillende wetswijzigingen in verschillende kabinetsperiodes ontstaan. Een van mijn voorgangers heeft al die verschillen in het studiefinancieringsstelsel uitgebreid onderzocht en met de Kamer gedeeld. Willen we dat in één klap gelijktrekken, dan hebben we daar bij elkaar opgeteld 400 miljoen euro voor nodig. Het bedrag werd al genoemd. Als ik alle normbedragen in verband met de verschillen tussen studenten ga verlagen, dan is het natuurlijk een ander verhaal, maar in die situatie wordt de doelgroep hogeschool- en universiteitsstudenten voor het realiseren van die gelijktrekking eigenlijk gekort. Die situatie zou op dit moment niet mijn voorkeur hebben.

Dit is natuurlijk niet het antwoord dat u nu wilt horen, ook omdat we allemaal erkennen dat je niet inhoudelijk kan verklaren waarom die verschillen er zijn. Zoals mevrouw Biekman in haar antwoord aan de Kamerleden aangaf, is het eerlijke verhaal dat op het moment dat aan de coalitietafel besproken moest worden of we de bezuinigingen konden herstellen die in eerdere periodes met name in het hoger onderwijs hadden plaatsgevonden, er een envelop kwam voor OCW. Daar is toen de keuze gemaakt om één van de maatregelen te richten op de uitwonendenbeurs voor alle studenten. Het effect daarvan is dat met name studenten aan de hogeschool en de universiteit daarvan profiteren; zij studeren immers vaker uitwonend dan mbo-studenten. Dat is allemaal waar en dat ga ik allemaal niet onder tafel schuiven. Binnenkort hebben wij een gesprek over de beleidsbrief die wij u hebben gestuurd en wij hebben gesprekken in de aanloop naar de discussie over de Onderwijsbegroting. Wat wij in het licht daarvan moeten doen, is met elkaar nagaan wat alle partijen nou vinden van de keuzes die wij daarin hebben gemaakt. De coalitie staat voor deze afspraak. Die hebben wij gemaakt in februari. Tegelijkertijd geldt dat wij, hoewel wij prachtig 66 zetels hebben, ook een bredere samenwerking in deze Kamer nodig hebben, zoals ik ook in het vorige debat heb gezegd. Die willen wij ook oprecht gaan zoeken.

Wij hebben hier nu van alles gehoord. Dat betekent dat het nu aan de coalitie is om samen met mij te bekijken wat wij hier nou van vinden: hoe moeten wij hiermee omgaan? Daar is het antwoord nu nog niet op te geven. Ik hoor iedereen zeggen dat het probleem er is en dat zij de situatie erkennen. Als wij een waaier willen en geen praatjes maar daden willen laten zien, wanneer gaan we dat dan doen? Gaat dat in deze periode gebeuren of komt dat in een volgende kabinetsperiode? En als dat nu niet rechtgetrokken kan worden, hoe zorgen we er dan voor dat dit dan wel kan worden rechtgetrokken? Zoals mevrouw Biekman ook in alle eerlijkheid zei: het moet van de Onderwijsbegroting komen. Daar hebben we dan dus een discussie over. Dat gaat dus ergens anders mogelijkerwijs pijn opleveren. Ik denk dat we die discussie misschien niet nu moeten voeren, want we zullen nog meer debatten hebben, zowel over de beleidsbrief als over de begroting in het algemeen, maar dit is wel het eerlijke verhaal dat ik hier met u wil delen.

Mij werd ook gevraagd wat we al wel doen. Gisteren hebben we met de MBO Raad en JOBmbo de hernieuwde basisregels voor schoolkosten ondertekend. Hiermee gaan we hoge schoolkosten voor studenten tegen en krijgen studenten ook gewoon meer duidelijkheid over hun rechten en tegemoetkomingen. Er is eigenlijk best het een en ander waar studenten recht op hebben, maar heel vaak weten ze het niet. Dus dit is ook een kwestie van: hoe communiceren we dat nou beter per instelling? Daar zijn ook prachtige posters voor, die ik iedereen kan aanraden. Verder is er een mbo-studentenfonds. Dat gaat met name over minderjarige studenten uit gezinnen met een minimuminkomen. Die kunnen via dat mbo-studentenfonds ondersteuning krijgen. Er is een tegemoetkoming schoolkosten voor minderjarige studenten. Die is ongeveer €80 en is met drie jaar verlengd. Dat zit allemaal al in de afspraken. Per '27 krijgen de bbl-studenten het volledige minimumjeugdloon. Ook dat is inmiddels op die manier georganiseerd.

Ik had nog een vraag over de basisleningen. De heer Stoffer vroeg of de basislening niet gelijkgetrokken kan worden. Ook daar is niet het makkelijke antwoord op "ja, dat kan", want als je dat doet, kost dat ook een paar miljoen. Ook wat dat betreft moeten we praten over waar de we dekking daarvoor vandaan gaan halen. De maatregel gaat misschien de maximale financiële ruimte van mbo-studenten vergroten, maar dit gaat over een heel kleine groep. Het is maar een klein deel in onze populatie dat leent of maximaal leent. Wat ik me heb laten vertellen, is dat dat 5% is van het totale aantal mbo-studenten met studiefinanciering. Ook in de discussie over de leningenkant van de studiefinanciering zoals we die met elkaar hebben gebouwd door de jaren heen geldt: als we dat willen aanpakken, moeten we dat allemaal tegelijk doen. Daar hoort ook een discussie bij over de leningenstructuur. Nogmaals, ik kan niet beloven dat we dat kunnen doen binnen deze kabinetsperiode, maar ik zou wel met elkaar willen kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we niet periodes na elkaar deze discussie hebben zonder dat we dat op enig moment met elkaar daadwerkelijk gaan regelen.

Dan was er een vraag van mevrouw Tseggai over de automatische restitutie van les- en cursusgeld. Ook daar geldt: dat kost 27 miljoen. U noemde het al. O, was het niet uw vraag? O, excuses. Sorry, het was een vraag van mevrouw Armut. Ook daar moeten we met elkaar het gesprek over hebben. Dat gaat ook over een dekking van 27 miljoen, die niet in de beleidsbrief in de huidige vorm is opgenomen.

Dan ga ik door met de vragen over de verschillen in ondersteuning. De instellingen maken steeds meer afspraken binnen hun eigen community over de individuele ondersteuning. Wat u vraagt, is hoe je nou zorgt dat er meer duidelijkheid komt en ook verbetering en of de inspectie daar wat scherper op gaat toezien. Ik denk dat het goed is dat steeds meer afspraken die de mbo-instellingen maken met studenten over ondersteuning ook echt worden vastgelegd, maar we zijn er nog niet. Er bestaat nog veel variëteit. Ik zou graag met de MBO Raad en de leden in gesprek willen om te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat er wat meer uniforme ondersteuningsafspraken vastgelegd kunnen worden, zodat dat ook voor iedereen helder is. Ik zou ook willen zien hoe de inspectie hierop kan toezien, zodat die afspraken worden nageleefd. Er is al best veel aan ondersteuning. Laten we er dan ook voor zorgen dat die voor iedere student beschikbaar komt en dat we monitoren of dat daadwerkelijk het geval is. Wat ik wel merk en ook zelf zie in alle gespreken die ik heb gehad de afgelopen periode met zowel individuele instellingen als de MBO Raad als bestuurlijk orgaan, is dat instellingen steeds meer ervaringen met elkaar delen en echt ook met elkaar de schouders eronder hebben gezet. Maar ik zal opnieuw de verschillen en onze wens om daar generiekere afspraken over te maken bij hen onder de aandacht brengen.

Dan heb ik ook nog een vraag gekregen rondom het welzijn van studenten, om het zo maar even te noemen, en het betrekken van het informele netwerk, de ouders. Wij hebben inderdaad een brief gestuurd naar de Kamer die gaat over welzijn van studenten in het algemeen, dus niet alleen gericht op de mbo-doelgroep. Wij hebben ook een debat gepland binnenkort, waarin we over dit thema in de breedte gaan praten. Ik zou meneer Stoffer willen vragen om met elkaar in gesprek te gaan over hoe wij de rol van het informele netwerk zien in de ondersteuning van studenten als we die brief met elkaar gaan bespreken. Dan kunnen we het ook hebben over het belang van het praten met organisaties als Ouders & Onderwijs en het Nederlands Jeugdinstituut.

Ik ben bijna klaar met dit eerste blokje. Mevrouw Van der Plas vroeg mij waarom je geen discriminatie kan vaststellen op basis van opleiding. Daar heb ik verschillende adviezen over gelezen, ook van het College voor de Rechten van de Mens. Ik wil u toezeggen dat ik nogmaals in de verschillende adviezen die er liggen, maar ook in de juridische structuur die we kennen, zowel onze eigen Grondwet en nationale wetten als onze internationale verdragen, ga duiken om te kijken wat nou daadwerkelijk een legitieme reden is om te zeggen "hier gaan we actie op ondernemen" en waar het eigenlijk al door die verscheidenheid aan juridische instrumenten gedekt wordt. Mijn antwoord is dus: ik ga zelf nog even mijn eigen ogen richten op alle Kamerbrieven die u al eerder heeft gekregen en de adviezen die er liggen, en dan kom ik bij u terug met de mogelijke vervolgstappen. U wil weten wanneer die komen. Dat doen we in dezelfde brief als die over de studentenvoorzieningen. Dat lijkt me een mooie afspraak.

Dat was het eerste blokje.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Het volgende vind ik een beetje lastig. Ik hoor best wel welwillendheid in de beantwoording van de minister, maar ik hoor haar ook zeggen: we moeten ervoor zorgen dat we niet meerdere kabinetsperiodes door blijven praten over die gelijke studiefinanciering zonder dat er iets geregeld wordt. Volgens mij is dat precies wat we aan het doen zijn. Ik ben nog niet zo heel lang Kamerlid, maar dit is inmiddels de vierde minister van OCW met wie ik deze discussie voer en die, samengevat, zegt: ik wil het heel graag, maar nu gaat het niet lukken. Ik word al helemaal verdrietig als ik de minister hoor zeggen: het gaat deze kabinetsperiode niet lukken. Ik vind dat toch wel een groot probleem. Ik vind het jammer dat de minister of haar partij niet aan de onderhandelingstafel heeft geregeld dat dit rechtgetrokken wordt. Hoe ziet de minister dit nu verder voor zich?

Minister Letschert:
Ik zei net dat aan de onderhandelingstafel — daar zat ik in een andere hoedanigheid aan tafel; dat weet u ook — de keuze is gemaakt om een groot deel van de bezuinigingen te herstellen die in vorige periodes zijn gecreëerd. Die zagen met name op de hogescholen en universiteiten. In het licht van het feit dat we volgens mij Kamerbreed tegen de situatie zijn zoals die in het studiefinancieringsstelsel is gecreëerd door een opeenstapeling van allerlei wetten die die bedragen zo verschillend hebben gemaakt, moeten wij met elkaar het gesprek voeren over wanneer wij daar een antwoord op gaan geven. Het eerlijke antwoord vanuit mij is dat ik nu geen dekking van 400 miljoen heb om dat recht te trekken. Ik denk dat dat bij iedereen een soort graat in de keel aan het worden is. Dat geldt voor iedereen die hier zit en zeker voor de mensen die daar op de publieke tribune zitten.

Ik gaf net ook aan dat wij met elkaar nog een gesprek gaan voeren over de brede beleidsbrief. We gaan met elkaar een gesprek voeren over de Onderwijsbegroting. Laten we dan ook dat gesprek voeren. Ik kan nu nog niet zeggen of er dan ruimte is, want wij zijn nog in gesprek met uw Kamer. Omdat we een minderheidscoalitie zijn, is de intentie van het kabinet volgens mij ook om dat gesprek in alle oprechtheid met elkaar te gaan voeren. Daar hebben we ook nog tijd voor. Je hoort hier niemand zeggen: wij erkennen niet dat dit feit ons een doorn in het oog is. Tegelijkertijd hoort u ons ook zeggen: dat betekent ook dat er andere keuzes moeten worden gemaakt over waar dat geld dan niet naartoe gaat. Dat zijn vaak hele moeilijke keuzes. Laten we dat gesprek de komende tijd met elkaar voeren. Als het niet zou lukken, omdat we geen meerderheid hebben voor de keuze die dan voorligt, dan gebeurt het in een volgende kabinetsperiode. Dan zou mijn strategie zijn om te kijken hoe je ervoor zorgt dat je, als het gaat over besprekingen in formaties, niet alleen met elkaar blijft noemen dat er een waaier is en dat iedereen gelijk is. Dat is de afgelopen periode niet gebeurd. Dat is het eerlijke verhaal.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het toch een onbevredigend antwoord. Het voorstel voor de OCW-begroting komt van de minister en de minister is in charge. Natuurlijk moet zij een meerderheid in de Kamer zien te halen, maar laten we niet doen alsof ons dit allemaal maar overkomt en we er niks meer aan kunnen veranderen, want dat kunnen we volgens mij wel. Ik vind het kwalijk, juist voor al die mensen die op tribune zitten of die thuis misschien in spanning zitten mee te kijken, dat we nu voor de vierde keer op rij met de minister de discussie hebben dat we het voor ons uit schuiven. Het is inderdaad moeilijk om een politieke keuze te maken, maar durf eens te kiezen voor het mbo!

Minister Letschert:
Volgens mij zeg ik nu niet dat ik dingen vooruitschuif. Ik zeg dat wij een coalitieakkoord hebben waar wij ons als coalitiepartijen aan houden. Tegelijkertijd heb ik gezegd dat wij een minderheidscoalitie zijn die met verschillende partijen gesprekken heeft op alle domeinen waarop wij zowel inhoudelijke als financiële keuzes hebben gemaakt. Daar sta ik achter, maar het gesprek is de moeite waard — ook dat is democratie — om te kijken of wij daarin de goede keuzes hebben gemaakt. Ik ben heel blij om vandaag te zien waar de verschillende partijen hun accenten op zouden willen leggen. Ik denk dat het ook in de zaal op die manier wordt geproefd. Laten we de komende periode de tijd nemen om met elkaar te kijken of die keuzes op een goede manier zijn gemaakt en waarvoor meerderheden te vinden zijn. Ik ga graag vanuit de coalitie met verschillende partijen om tafel om die gesprekken te hebben. Dat is niet nu, want vandaag praten we over het mbo in het algemeen. Op 10 juni gaan we over de beleidsbrief praten en we gaan over de onderwijsbegroting praten. Er zijn dus momenten waarop we dit sowieso met elkaar moeten verkennen. Dat geldt niet alleen voor deze discussie, dat geldt ook voor andere thema's. Het coalitieakkoord staat en daar houd ik aan vast, maar tegelijkertijd hebben wij 66 zetels.

De voorzitter:
U kunt geen interruptie meer doen, mevrouw Tseggai. Uw interruptie duurde langer dan 30 seconden, dus zijn uw interrupties nu helaas op. Zijn er verder nog vragen? Meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
De minister zegt dat het binnen de onderwijsbegroting moet worden opgelost. Voor ons als Tweede Kamer geldt dat niet. Wij kunnen rustig voorstellen om te gaan schuiven tussen de begrotingen.

Minister Letschert:
Dat is ook helemaal waar.

De heer Boomsma (JA21):
Dan had ik nog een andere vraag. Het ging over sporten. Ik vind het een heel goed idee om te inventariseren en om te kijken naar een betere toegang tot sportfaciliteiten. Veel mbo'ers zijn van dezelfde leeftijd als havisten en vwo'ers. Het lijkt mij mooi als jongeren met elkaar in contact komen en dat er competities of sportwedstrijden zijn. Moet je voor die leeftijdsgroepen niet naar de scholen kijken?

Minister Letschert:
Bedoelt u dan de sportfaciliteiten van de middelbare scholen?

De heer Boomsma (JA21):
Ja, bijvoorbeeld. Het gaat erom dat jongeren, in het kader van ontmoeting creëren tussen verschillende groepen jongeren in de samenleving, toegang krijgen tot meer sportfaciliteiten. Als veel mbo'ers minderjarig zijn, ligt het misschien meer voor de hand ... Of je zegt het tegenovergestelde, dat havisten en vwo'ers van dezelfde leeftijd naar de universiteit kunnen. Ik vraag in ieder geval om dit mee te nemen in dit gesprek: hoe kun je dit bij elkaar brengen?

Minister Letschert:
Ja en nee, eigenlijk. Wat wij beogen, is dat de student die naar het mbo gaat, in het studentenleven geïntroduceerd wordt. Als je de student die naar het mbo gaat en die 16 of 17 is — die havist die naar een hogeschool gaat kan ook 16 of 17 zijn, hè — weer richting de populatie van middelbare scholieren brengt, dan bereiken we niet wat willen, namelijk dat we de studentenpopulaties met elkaar gaan mengen. Als we de stap kunnen zetten om de bestaande sportfaciliteiten in steden met hogescholen en universiteiten breder toegankelijk te maken voor de brede studentenpopulatie, hebben we een hele grote stap gezet. Het wordt eerder complexer als we ook in de omgeving van de middelbare scholen gaan kijken naar de bestaande sportaccommodaties, of het nou gaat om gymzalen of de sportklassen. Dan wordt het volgens mij een stuk complexer en het doel is nou juist niet om complexiteit toe te voegen maar ervoor te zorgen dat we daadwerkelijk iets concreets gaan opleveren. Dat zou mijn eerste reactie zijn op uw idee.

De heer Boomsma (JA21):
Goed. Een deel is gewoon minderjarig, en dan kun je wel zeggen dat je die gaat integreren in de studentenpopulatie, maar als ze dezelfde leeftijd hebben als scholieren, dan vind ik dat daar ook best ruimte is voor ontmoeting en uitwisseling.

De voorzitter:
Ik hoor geen vraag. Ik geef meneer Stoffer het woord.

De heer Stoffer (SGP):
Even over die sportvoorzieningen. Het klinkt natuurlijk heel mooi. Als je hier in Den Haag woont en mbo'er bent, dan klopt dat. Ik ben een aantal dagen in de week in Den Haag, maar ik woon in Elspeet. Een mbo-student daar gaat met de bus naar Apeldoorn of Amersfoort en daarna weer terug. Ik denk dat er in Apeldoorn of Amersfoort weinig van die sportvoorzieningen zijn op hbo- en wo-niveau en in Elspeet al helemaal niet. Het is dus misschien wel leuk voor de mbo-studenten die in een studentenstad wonen, maar het gros van de mensen op het platteland helpt dit echt totaal niet. Is dat ook in beeld? Dit klinkt natuurlijk heel aardig, maar voor de meesten geldt: het is leuk, maar het helpt je dagdagelijks niks vooruit.

Minister Letschert:
Ik denk dat dat ook zeker een onderdeel is van die verkenning. De vraag is ook waar studenten zelf behoefte aan hebben. Voor een uitwonende mbo-student of een student die in een grotere studentenstad woont en die obstakels ondervindt om gebruik te maken van faciliteiten, kunnen we iets doen. Dat we in alle steden waar een mbo is sportvoorzieningen kunnen creëren buiten de publieke markt van sportvoorzieningen om, zou een te grote verwachting zijn. Ik denk dat het zeker belangrijk is om dit mee te nemen in de verkenning, maar dan ben ik ook benieuwd wat vanuit met name JOBmbo wordt meegegeven in die verkenning over wat er generiek nodig is en wat er daadwerkelijk waargemaakt kan worden qua verwachtingen. Nu hebben we het over bestaande sportfaciliteiten die door publieke onderwijssectoren worden gefinancierd en onderhouden. Laten we in die verkenning dus vooral ook naar de blinde vlekken kijken zoals u die nu op tafel legt en vervolgens met elkaar bepalen: wat vinden wij daarvan, is er een behoefte die wij niet kunnen vervullen?

De heer Stoffer (SGP):
Ik werp, ook vanuit mijn ideologie, uiteraard niet het voorstel op om dat voor iedereen overal in het land te doen. Ik denk dat we voor een deel praten over een probleem dat er in grote delen van het land helemaal niet is. Dat moet je open en eerlijk durven constateren. Daarom gaf ik het ook maar mee.

De voorzitter:
Dank u wel. Wilt u hierop nog reageren? Niet? Dan geef ik het woord aan mevrouw Biekman.

Mevrouw Biekman (D66):
Ik heb naar aanleiding van de beantwoording een vraag aan de minister, of een suggestie, over de brief de bekostiging. Daarin komt u terug op de leermiddelen en de leerkosten. Kunt u daarin ook best practices meenemen? Ik weet dat het Albeda in Rotterdam bezig is met een pilot op het gebied van gratis leermiddelen en materialen. Kunt u de best practices ook in uw brief verwerken?

Minister Letschert:
De brief over de bekostiging gaat over de herziening van het hele bekostigingsstelsel. Binnen die herziening gaan wij een voorstel doen rondom schoolkosten. Dat gaat verder dan de best practices die je nu al op instellingen ziet. Misschien is een en ander wel geïnspireerd op dat soort best practices. Laten we dat gesprek echter voeren op het moment dat we de brief uw kant op doen komen. Dat zal sowieso voor het zomerreces zijn.

Mevrouw Biekman (D66):
Dan ga ik er dus van uit dat de best practices in het achterhoofd zijn meegenomen in de brief. Dank.

De voorzitter:
Ik kijk nog even naar de Kamer: zijn er nog vragen over dit eerste thema? Nee? Dan vraag ik de minister om door te gaan naar het volgende thema en geef ik haar het woord.

Minister Letschert:
Dan gaan we naar het onderdeel kwaliteit. Er zijn meerdere vragen gesteld over de kwaliteit binnen het mbo-onderwijs en over de Staat van het Onderwijs. Ik heb die vragen samen gepakt. Laat ik vooropstellen dat heel veel goed gaat in het mbo. De studenten zijn over het algemeen tevreden, zoals u kunt lezen in de JOB-monitor. De opleidingen werken intensief samen met het bedrijfsleven en ook met de docententeams. Iedere dag wordt er, zoals ik u zelf ook hoor zeggen, enorme betrokkenheid en vakmanschap getoond. Ik zie ook dat mbo-instellingen steeds meer de samenwerking met elkaar opzoeken, ook in de regio's. Eerlijk gezegd ben ik enorm blij dat ik dit heb mogen aanschouwen in de afgelopen maanden. Die inzet verdient onze erkenning.

Mbo-instellingen — dat heb ik u ook meerdere keren horen zeggen — hebben een belangrijke maatschappelijke opdracht. Ze leiden niet alleen studenten op voor een beroep, maar ze investeren ook nog eens extra in de basisvaardigheden: taal, rekenen en burgerschap. Die inzet zie ik absoluut terug in onze sector en ik zie ook dat de beheersing van die vaardigheden onder druk staat. We moeten tegelijkertijd oppassen dat we de volledige oplossing niet alleen maar in de schoenen van het mbo schuiven. Wij hebben als wij met u gaan praten over de beleidsbrief ook nog een aantal dingen te doen als het gaat over de kwaliteit binnen het middelbaar onderwijs, ook ten aanzien van de basisvaardigheden. Wat je ziet, is dat een deel van de zorgen die we daar zien en de leerlingen die daar dan de dupe van zijn, om het zo maar even te noemen, uiteindelijk ook in het mbo terechtkomen. Er is dus nog inzet op een wat langere termijn nodig om te zorgen dat het mbo niet een soort reparatiemechanisme wordt, zoals mevrouw Raijer het volgens mij noemde, voor datgene wat we in het middelbaar onderwijs nog niet voldoende op orde hebben. Dat wil ik hierbij nog even, ook in de erkenning naar het mbo, genoemd hebben.

Wat wij hebben gezegd in de afgelopen periode, is dat die basisvaardigheden gewoon op orde moeten komen, zowel in het middelbaar onderwijs als in het mbo-onderwijs. Er is een wetsvoorstel dat aanvullende eisen stelt aan huidige en toekomstige docenten Nederlands, rekenen en burgerschap. Dat wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. Ik ben in afwachting van dat advies. Als het advies er is, zal het zo snel mogelijk naar de Kamer gaan in de hoop dat de wet dan in werking treedt op 1 augustus 2027. Dat is uiteraard afhankelijk van de behandeling in de Kamer. Daarnaast is het denk belangrijk dat we blijven inzetten op die sterke docententeams, een stevig fundament voor de lerarenopleiding — daar ga ik later nog met u over in gesprek — meer ruimte voor professionalisering en ook het evidence informed van elkaar leren. Ik denk dat het Kwaliteitsnetwerk mbo hier een heel belangrijke rol in speelt. Binnen dit netwerk werken de instellingen samen aan de verbetering van die kwaliteitszorg. Ze delen kennis en de teams leren van elkaar. Dat versterkt ook de kwaliteitscultuur binnen de sector. Daarnaast investeren we 147 miljoen extra in de ondersteuning van studenten bij taal en rekenen en werken we aan beter zicht op kwaliteit, zodat we gerichter kunnen verbeteren. Dit doen we uiteraard ook samen met de inspectie. Over die bredere uitkomsten in de Staat van het Onderwijs — nogmaals, dat gaat over de hele onderwijssector, ook het p.o. en het vo — praten we in juni uitgebreider met de Kamer, samen met de staatssecretaris.

Dan ga ik nu naar de vragen rondom de verschillen in de hoogte van de cijfers tussen de instellingexamens en de centrale examens en hoe ik die verschillen verklaar. Dat was een vraag van de heer Boomsma. Het is, denk ik, allereerst goed om te weten dat het instellingsexamen andere taalvaardigheden, namelijk spreken en schrijven, toetst dan het centraal examen, dat lezen en luisteren toetst. Dat is een van de verschillen waarin ik me heb laten onderwijzen. Dus het instellingsexamen kijkt naar spreken en schrijven, en toetst dat ook, en het centraal examen kijkt naar lezen luisteren. Het centraal examen is voor iedereen gelijk en het instellingsexamen kan verschillend worden ingevuld. Het kan ook meer beroepsgericht zijn en daarmee meer tot de verbeelding spreken van studenten. Ik hoop dat de studenten allemaal herkennen wat ik hier zo prachtig vertel. Ik zie ook dat dit verschil niet zo groot is in het voortgezet onderwijs, dus ik denk dat we dit serieus moeten nemen. We nemen het dan ook mee in de herziening van de taaleisen en daar zullen wij de Kamer in het derde kwartaal van dit jaar over informeren.

Dan de onvoldoendes, uit de Staat van het Onderwijs die wij onlangs hebben gekregen. Het aantal onvoldoendes is gewoon te hoog. Laten we het daar met elkaar over eens zijn. Die basis moet beter op orde zijn. Ik heb net aangegeven hoe ik dat interpreteer, ook als je kijkt naar ambities en benodigdheden in het voortgezet onderwijs. Nog te veel studenten verlaten de opleiding voordat ze een diploma hebben behaald. Dat is absoluut zorgelijk. Wel is er nu de Wet van school naar duurzaam werk, die per 1 januari van kracht is geworden. Die wet zorgt ervoor dat wij veel meer kunnen inzetten op een succesvolle begeleiding van jongeren naar onderwijs, werk of een combinatie van beide. Die wet is pas net in werking getreden. Ik heb u daar onlangs een brief over gestuurd. Het aantal uitvallers is een van de factoren op basis waarvan de kwaliteit van de opleidingen wordt beoordeeld. In de analyse van de Staat van het Onderwijs wordt de inspanning van instellingen om studenten die uitvallen te begeleiden naar een andere opleiding of bijvoorbeeld naar duurzaam werk niet meegenomen. Ik ben dan ook met de inspectie in gesprek om te kijken hoe je dat in het vervolg kan meenemen in het onderwijsresultaat en ook in het kwaliteitslabel dat de instelling krijgt, zodat de kwaliteit breed wordt beoordeeld.

Mevrouw de voorzitter. De heer Boomsma vroeg hoe de resultaten in de Staat van het Onderwijs zijn te rijmen met de uitkomst dat 96% van de mbo-instellingen wel voldoende scoort op de basisvaardigheden. De inspectie beoordeelt die opleidingen volgens het onderzoekskader. Dat onderzoekskader heeft verschillende standaarden. Een van die standaarden is de standaard Basisvaardigheden. Hierbij kijken we vooral naar het aanbod van het onderwijs in die basisvaardigheden en of dat aansluit bij de referentieniveaus die we voor die basisvaardigheden hanteren. Dan wordt er ook gekeken of dat onderwijsprogramma voldoende aansluit bij de examinering. Dat kan dus betekenen dat het aanbod in het onderwijs voldoet aan de normen die de inspectie stelt, maar dat het niveau van beheersing van de studenten onvoldoende is. Er is dus vaak een hele diepe methodologische kennis en analyse nodig om die resultaten goed te kunnen interpreteren en wegen. Dat maakt dat je die verschillen op die manier uit zo'n uitkomst kan destilleren.

Voordat u, mevrouw de voorzitter, mij gaat aankijken, ga ik snel door, ook met het oog op de tijd. Ik heb de vraag gekregen of wij ons gaan bezighouden met de doorstroomtoets en welke gevolgen dit heeft voor de motivatie in het vervolgonderwijs. Ik denk dat dit een enorm belangrijk onderwerp is, zowel voor het funderend onderwijs als voor het vervolgonderwijs. Het krijgt ook veel aandacht in onze samenleving en in onze media. De Onderwijsraad heeft hier recent een advies over gepubliceerd. Zoals wij altijd doen, zal ik samen met de staatssecretaris naar de analyses en aanbevelingen kijken en daarover in het vervolg met de Kamer in gesprek gaan. Dat advies, dat onder andere hierover het een en ander aanbeveelt, is pas net binnen.

Ik heb nog een paar vragen en dan ben ik klaar met dit blokje; ik zal wat sneller gaan. Wat de omkeerregeling betreft: wat bedoelde ik met mijn opmerking over nieuwe taaleisen en het veranderen van de examinering om die beter daarop aan te laten sluiten? Er is veel discussie over de omkeerregeling. Er zijn best wel een aantal instellingen, met name ook in grensregio's, die te maken hebben met veel instroom, met name vanuit nieuwkomers. Hoe kun je nou zorgen dat er ook binnen het mbo aandacht is voor studenten met een niet-Nederlandse achtergrond die wij ook graag in de instelling en de arbeidsmarkt willen behouden? Hoe helpen we die nou ook? Daar zijn meerdere studies naar gedaan. Tegelijkertijd vinden we het ook belangrijk dat in het mbo voor iedereen een minimumtaalniveau in het Nederlands behouden blijft. Ook in het licht van de discussie over internationalisering binnen het mbo — laat ik het zo noemen — hebben we bekeken of het mogelijk is om met elkaar nieuwe taaleisen en een bijpassende examinering voor het vak Nederlands in het mbo af te spreken. Met name de meertalige mbo-studenten hebben uiteraard veel meer moeite om een taal te leren, vaak in abstracte situaties waarin de focus echt ligt op de techniek van de taal, bijvoorbeeld of je de lidwoorden gebruikt en of je alles in de spelling goed doet, in plaats van op het leren van de taal in de werkomgeving waarin je je werk aan het doen bent.

Wat doen die nieuwe taaleisen? Die richten zich juist op het gebruik van Nederlandse taalvaardigheden in realistische mbo-praktijksituaties die nuttig zijn voor het beroep, de maatschappij en ook voor de doorstroom waarvoor zij worden opgeleid. Dat maakt die taaleisen veel meer passend en haalbaar voor wat ik "de meertalige student" noem. We zullen de bruikbaarheidstoets nieuwe taaleisen — sorry voor de prachtige woorden — voor de zomer naar de Kamer sturen. Daaruit blijkt dat de docenten heel enthousiast zijn over de bruikbaarheid van de nieuwe taaleisen voor meertalige studenten. Maar ik merk ook dat er vanuit de sector zelf best wel een beroep op mij wordt gedaan als het gaat over meertalige studenten en de druk die dat op instellingen legt. Wat is nou echt het antwoord voor het mbo op de vraag hoe daarmee om te gaan en wat is er mogelijk rondom bijvoorbeeld Engelstaligheid? De discussie daarover is binnen het mbo nog niet afgerond. Ik heb daar nu ook nog niet voldoende een positie in, maar op enig moment zal ik daar wel met de Kamer over in gesprek gaan.

Zal ik het afmaken? D66 stelde een vraag over praktijkgericht onderzoek. Wij hebben in ons coalitieakkoord opgenomen dat we het belang van praktijkgericht onderzoek met elkaar erkennen. Ik heb zelf de mogelijkheid gehad om een aantal practors te ontmoeten die met een prachtig practoraat bezig zijn. Ik denk dat het belangrijk is dat we practoraten hebben die met hun praktijkgerichte onderzoek hele directe oplossingen bieden voor de maatschappij en daarmee ook zowel de kennis binnen de mbo-instellingen als de professionalisering mede vorm kunnen geven. Dat is ook waarom wij structureel 17 miljoen in de practoraten in het mbo gaan investeren. Wij hebben tevens de AWTI, onze adviesraad, gevraagd: hoe kun je nou zorgen dat je het praktijkgericht onderzoek binnen het mbo het beste kan doorontwikkelen en wat is daarvoor nodig? Rond de zomer krijg ik van hen dat advies. Daar valt ook een advies onder over de samenwerking met de hogescholen en universiteiten in de kennisketen en of het nodig is dat er een wettelijke taak komt of dat er eerst andere stappen nodig zijn. Ik zal begin 2027 in een brief over zowel de uitkomsten van dat advies als de uitkomsten van mijn gesprekken daarover met de verschillende koepels — want iedereen gaat hier uiteraard iets van vinden — mijn finale positie bepalen.

Dan ga ik naar het wetsvoorstel Basisvaardigheden. Daar heb ik al het een en ander over gezegd. Dat ligt nu bij de Raad van State. Dat komt naar uw Kamer op het moment dat wij dat advies hebben.

Ik heb vanuit D66 ook een vraag gekregen over docentprofessionalisering. Ik denk dat het belangrijk is dat wij er aandacht voor blijven houden dat onze docenten de ontwikkelruimte hebben om zich verder te kunnen professionaliseren. Daar zijn in de cao afspraken over gemaakt. Zo krijgen docenten hier ongeveer 59 uur per jaar voor. Ook over het carrièreperspectief zijn afspraken gemaakt in de werkagenda, om te zorgen dat werken in het mbo aantrekkelijk is en blijft. Daar zitten ook afspraken over professionaliseringsmogelijkheden bij. We zien ook dat in de midterm van die werkagenda de resultaten eigenlijk maar beperkt positieve ontwikkelingen laten zien. We zijn er dus nog niet. Ik zie de bonden knikken. Het is goed dat we wat voortgang zien, maar dat is nog niet voldoende en het tempo moet omhoog. Ik ben dan ook in gesprek met de MBO Raad en was dat onlangs ook met de onderwijsbonden om te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we die positieve beweging continueren, ook als het gaat over de verschillende niveaus van de docenten die we hebben binnen de mbo-sector. Het gaat erom dat we de afspraken die daarin gemaakt zijn ook nakomen. Die gesprekken lopen op dit moment, as we speak.

We hebben ook een groter nationaal project, de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren. Dat is een Groeifondsproject. Daarin werken we aan een landelijke aanpak voor professionalisering van leraren in het lager en middelbaar onderwijs en het mbo. Uit eigen recentere bronnen weet ik dat ongeveer 60.000 studenten al hebben meegedaan aan het opbouwen van professionaliseringstrajecten, waar zij zelf via cocreatie met hun instellingen en degenen die daar pedagogisch verstand van hebben aan hebben gewerkt. Dat is toch al een grote doelgroep. Zodra wij een midterm hebben van dat project, zullen wij die uiteraard ook met uw Kamer delen.

De laatste vraag gaat over de burgerschapsopdracht in het mbo. Door de heer Stoffer wordt verwezen naar een advies van de Raad van State. Er is wat kritiek op de filosofie van de basiswaarden. De vraag is of ik dat signaal ter harte neem en of ik het meeneem in de uitwerking in het geval dat dat ook voor het mbo geldt. Uiteindelijk is dat een vloeiende lijn. Uiteindelijk komen ze vanuit het vmbo op het mbo terecht. Uiteraard is dit een belangrijk advies van de Raad van State. Het geeft hele nuttige handvaten voor de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Ik ben op dit moment mijn reactie op het advies van de Raad van State aan het verwerken. Het is nog te vroeg om daar volledig inhoudelijk op in te gaan, omdat ik recht wil doen aan de specifieke opmerkingen die de Raad van State daarin heeft gemaakt. Dat zal ik in een nader rapport duidelijk maken. Daarbij zullen we uiteraard ook ingaan op de verhouding met het funderend onderwijs. Ik verwacht dat het nader rapport, samen met het wetsvoorstel, direct na de zomer met uw Kamer wordt gedeeld, zodat u niet alles voor de zomer mee naar huis krijgt.

Dat was het blokje kwaliteit.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk naar de Kamerleden om te zien of er interrupties zijn. Meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Dank voor de beantwoording. Ik had ook specifiek gevraagd naar de indicator "studiesucces boven de norm", die al jaren achter elkaar daalt. Ik vroeg wat daar de verklaring van is.

Minister Letschert:
Op het moment dat we het debat gaan voeren over de Staat van het Onderwijs, zullen we de totale onderzoeksmethodologie die de inspectie toepast om die resultaten op te leveren, over de hele onderwijsketen, verder met u gaan bespreken. Ik gaf net aan dat het studiesucces één onderdeel daarvan is. Ik heb net een analyse gegeven over de uitvalcijfers. Wat instellingen daaraan doen, wordt dan niet meegenomen. Laten we met elkaar het debat voeren over wat dat betekent voor de vervolgopdrachten voor een inspectie. Dat debat staat volgens mij eind juni gepland. Dan gaan we het hebben over de hele staat van het onderwijs, wat het oplevert voor p.o. en vo, de indicatoren waar ze naar kijken en wat het nou zegt. Dat zou mijn voorstel zijn. Dan hebben we ook een brede discussie.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik weet niet helemaal of het in dit blokje hoort, maar ik denk het wel. Het kabinet is bezig met een nationale talentstrategie. Die wordt later dit jaar verwacht. Verschillende sectoren hebben aangegeven dat ze zich heel veel zorgen maken over de beschikbaarheid van arbeidskrachten. De technieksector heeft de alarmbel daarover geluid. Ik ben benieuwd hoe het staat met de nationale talentstrategie. Met wie wordt daar allemaal over gesproken? Wie worden daarbij betrokken? Worden ook mbo-instellingen daarbij betrokken? Zo ja, welke dan bijvoorbeeld? Kan daar nog input op worden geleverd? Kan de minister ons een update geven?

Minister Letschert:
Zeker. Ik kan ook gelijk dat blokje erbij pakken. Dan doen we dat meteen. Dat gaat over de arbeidsmarkt van de toekomst. Of wilt u liever dat ik de volgorde aanhoud die ik had?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik denk dat het voor het debat beter is om eerst interrupties over dit blok te doen, als die er zijn, en daarna gelijk het blokje arbeidsmarkt doen.

Minister Letschert:
Dat is goed. Dan haal ik dat naar voren.

De voorzitter:
Ik kijk nog één keer naar mijn linkerkant. Zijn er nog interrupties van de Kamerleden? Nee, niemand meer? Dan geef ik het woord weer aan de minister.

Minister Letschert:
Dan ga ik nu over naar het grotere thema "arbeidsmarkt van de toekomst". Daarover heb ik meerdere vragen gekregen. De VVD vroeg hoe we zorgen dat studenten vaker kiezen voor tekortsectoren en welke afspraken ik ga maken. Ik zal daarbij meteen antwoorden op de vraag die mevrouw Van der Plas mij net stelde. Wij zijn inderdaad vanuit het kabinet bezig met het ontwikkelen van een talentstrategie. Dat doen we vanuit de taskforce nieuwe economie en vestigingsklimaat, die trouwens weer een andere titel heeft. Inderdaad, soms veranderen titels te vaak, zeg ik richting de Kamer. OCW is binnen die taskforce het coördinerend ministerie voor de ontwikkeling van de talentstrategie. Wat zijn we daarin aan het doen? We zijn met alle onderwijssectoren en met het bedrijfsleven, zowel met het mkb als met VNO-NCW, in gesprek om te kijken hoe we zorgen dat er voor de groeisectoren, de prioritaire sectoren waar wij die nieuwe economie op willen ontwikkelen, in alle regio's een aantrekkelijk opleidingsaanbod voorhanden is. We bespreken ook hoe we ervoor zorgen dat voor studenten goed inzichtelijk is wat de perspectieven zijn als ze voor dat soort opleidingen kiezen. Er zit dus ook heel veel in als het gaat over voorlichting. De discussie over wat die prioritaire sectoren zijn, voeren we in die taskforce. Dat komt naar de Kamer, hopelijk rond de zomer, misschien zelfs net voor de zomer. Daar hoort dus ook die talentstrategie bij.

Met wie praten we daar allemaal over? Wat ik net zei: met alle koepels. Dus dat zijn de MBO Raad, de UNL, de VH, maar dus ook met de werkgeverskant. De bedoeling is dat dat ook leidt tot samenwerkingsafspraken. We hebben binnen het mbo al eerder gesprekken gehad over een pact voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Daar is nooit een strik omheen gekomen, dus aan mij de kans en de eer om opnieuw die strik daaromheen te krijgen. Daarvoor ben ik binnen het mbo met de mbo-stakeholders in gesprek om te kijken of we in relatie tot die talentstrategie, die een nieuwe dimensie is in relatie tot dat eerdere pact, tot bestuurlijke afspraken kunnen komen. Dus een lang verhaal kort: die brief over de talentstrategie hoop ik voor de zomer uw kant op te sturen. Wat betreft die consultatie ben zowel ikzelf eigenlijk de hele week door in gesprek met de verschillende partijen, alsook ambtelijk en de mensen daaromheen. Daarbij gaat ook de discussie komen — ik denk dat we die dan ook moeten voeren — dat we ons aan de ene kant willen richten op de groeisectoren waar we ook echt het verschil willen maken, maar dat we tegelijkertijd die tekortsectoren hebben. Ik praat dan met name over sectoren als de zorg, de techniek, de bouw, de ICT. Wat we in de discussie met elkaar gaan bespreken, is hoe we ervoor zorgen dat, als we studenten kunnen verleiden om de keuze te maken voor bepaalde groeisectoren, binnen die andere sectoren niet alles droogvalt. Dat willen we niet, omdat we dan nog steeds een probleem hebben. Ik denk dat we die discussie met elkaar moeten voeren als we die bredere talentstrategie met elkaar vastpakken.

Dan de vraag hoe we ervoor zorgen dat de samenwerking in het vervolgonderwijs beter gaat. Ik heb dat gekoppeld aan die arbeidsmarkt van de toekomst, want vandaaruit is die vraag volgens mij ook geïnspireerd; uiteindelijk kom je ook in die arbeidsmarkt allemaal weer met elkaar samen. Ik kan gelukkig wel zeggen dat er heel veel mooie voorbeelden zijn, vanuit verschillende regio's, waarin je ziet dat mbo, hbo en wo met elkaar samenwerken, bijvoorbeeld in het delen van faciliteiten en infrastructuur. Ik ben in Twente geweest, bij Saxion, waar mbo en de hogeschool, maar ook een deel van de universiteit in Groningen op robotica met elkaar de infrastructuur delen en ook met elkaar leren en samen onderzoeken. Dat is prachtig om te zien. Bij Brainport zie je hetzelfde. Bij Brightlands in Limburg zie je hetzelfde. Het mooie is dat ze daar mensen uit Den Haag blijkbaar helemaal niet voor nodig hebben; dat doen ze gewoon zelf. Zij begrijpen gewoon dat die infrastructuur hartstikke kostbaar is en dat je de kansen die je elkaars studenten kan bieden, op die manier alleen maar groter maakt. Dat zijn prachtige voorbeelden. Ik ben wel blij om te zeggen dat we het Regionaal investeringsfonds mbo opnieuw leven hebben kunnen inblazen, zodat ook het mbo vanuit dat investeringsfonds nog meer kan inzetten op innovatieve samenwerkingsprojecten met het bedrijfsleven. Dat is nu weer opengesteld, en dat is hartstikke mooi. En als laatste: in het licht van die talentenstrategie praat ik niet in silo's tussen die onderwijssectoren, maar heb ik ze allemaal samen aan tafel. Want als het gaat over keuzes voor de arbeidsmarkt en onderwijsportfolio's wil je uiteindelijk ook met elkaar die keuzes maken, zodat het op elkaar aansluit. Ik moet zeggen dat ik echt heel positief ben over de manier waarop de verschillende partijen ook met elkaar aan tafel willen.

Dan nog een vraag van de VVD en andere fracties over de bbl-leerweg: hoe gaan we die ten opzichte van de bol meer stimuleren? Ik denk dat het goed is om te zeggen dat we het bbl-offensief al met elkaar gelanceerd hebben. Verschillende partijen werken dus ook aan één gezamenlijk doel, namelijk dat studenten die baat hebben bij praktijkleren daar bewust voor kiezen en daar ook veel meer van weten. Dat doen we met de MBO Raad, JOBmbo, de NRTO, SBB en VNO-NCW. Ik heb daar zelf al een paar avonden bij mogen zitten. Zij spelen allemaal gezamenlijk een hele belangrijke rol om de bbl-route succesvol neer te zetten. Die moet namelijk zo zichtbaar en aantrekkelijk mogelijk zijn voor studenten. Ook moeten ouders weten dat je die keuze kunt maken. Ik heb jongeren gezien die in de bbl-route op hun werk- en leerplek zitten. Ik krijg echt kippenvel als ik de verhalen hoor van hoe enorm zij op hun plek zijn in die leerweg. Ik denk dat we nog veel meer kenbaar kunnen maken dat dat gewoon een hele prachtige leerroute is om uiteindelijk je plek op de arbeidsmarkt te vinden. De gerichte informatie en de campagnes die daarbij horen, moeten we gewoon echt nog meer aandacht geven.

We werken ook aan de financiële randvoorwaarden. Het minimumjeugdloon werd al kort genoemd. Dat gaat per januari '27 ook voor de bbl'ers gelden. U heeft het gehad over het studentenreisproduct. U vroeg waarom dat anders is. Een deel van de verklaring is dat de werkgever eigenlijk voor de reiskosten aangekeken wordt. Een groot deel van de tijd in de bbl-omgeving is de student namelijk op de werkplek, waar hij ook garantie heeft op een baan daarna. Een deel van de afspraak is dat de werkgever de reiskosten moet vergoeden. Daarom geldt het ov-reisproduct voor deze studenten niet. Daarmee heb ik misschien meteen die vraag voor u beantwoord.

Als laatste wil ik het nog over het volgende hebben. We gaan dadelijk over de bekostiging praten. Althans, ik ga u het proces uitleggen. In de herziening van de mbo-bekostiging hebben we ook gekeken hoe we ervoor zorgen dat we de concurrentieprikkels eruit halen en er stimulering in stoppen die samenwerking bevordert. Naar mijn smaak is dat in het herzieningsvoorstel echt heel goed gelukt, met dank aan de opstelling van de mbo-instellingen zelf en de manier waarop zij hierin hebben meegedacht. Dat zit dus in de voorstellen die uw Kamer krijgt. Voor de zomer krijgt u een brief over de herziening van de mbo-bekostiging. Die gaat ook in op de samenwerking met de regio's. U krijgt een brief over de talentstrategie, die ook gaat over de vraag hoe je in de regio's gaat samenwerken, ook ten aanzien van welke sectoren. U krijgt in het najaar een brief over de uiteindelijke uitwerking van het pact naar de arbeidsmarkt van de toekomst, specifiek voor het mbo met het mkb. Daarover ben ik opnieuw gesprekken aan het voeren. Is dat helder?

Eens even kijken. Volgens mij ben ik er dan. Nou ja, ik ben er nog niet, maar dit was het blokje arbeidsmarkt van de toekomst. Ik zie iedereen schrikken. Ik heb nog de blokjes bekostiging, stages en overig.

De voorzitter:
Dank u wel voor dit blok. Ik kijk toch nog even naar de Kamer om te zien of er vragen zijn. Mevrouw Van der Plas heeft een vraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zit toch nog een beetje met het studentenreisproduct voor de bbl'ers, de mensen die in de beroepsbegeleidende leerweg zitten. De minister zegt namelijk, even in het kort, dat werkgevers gewoon de reiskosten moeten vergoeden. Maar dat gebeurt niet altijd. Intussen maken die mensen — dat zijn vaak jonge mensen, maar soms ook mensen die zich laten omscholen — daar wel kosten voor. Zoals ik zei, gaat het vaak om ruim €1.300 per jaar aan extra kosten. Welke mogelijkheden ziet de minister om iets te doen als de werkgevers die kosten niet betalen?

Minister Letschert:
Uit de data die ik heb, blijkt dat 99% van de bbl'ers een arbeidscontract heeft. Dat is eigenlijk ook onderdeel van die bbl-route. In zo'n contract zijn ook afspraken over reiskostenvergoeding opgenomen. Wat ik kan doen als ik in gesprek ben met de MBO Raad en het mkb over pacten en talentstrategie, is nog eens vragen waar het probleem voor die ene procent zit en of dat een specifieke sector betreft, voordat ik zeg dat ik de ov-jaarkaart meteen beschikbaar kan stellen. Dat heeft namelijk ook heel andere financiële consequenties en dan trek ik meteen de aap weer op mijn schouders, ook in financieel opzicht. Je wilt niet dat de student de dupe is; dat ben ik met u eens. De vraag is alleen waar de verantwoordelijkheid ligt.

We praten allemaal over de krapte op de arbeidsmarkt. Ik heb de afgelopen drie dagen de eer gehad om op verschillende momenten heel veel met mbo-studenten te mogen optrekken. Ik zou ze allemaal willen aannemen. Ik begrijp niet waarom een werkgever, als die een geweldig goede bbl-student heeft die hij wil houden, niet zegt: ik ga ook de voorzieningen daaromheen gewoon goed organiseren. Ergens kijk ik dan dus toch ook naar de werkgever en zeg ik: hou ze bij je. Het zijn talenten die je volgens mij moet koesteren, ook door je arbeidsvoorwaarden goed af te spreken. Dat is niet het volledige antwoord. Ik wil er echt wel meer van weten, zonder dat ik enige toezegging doe, gewoon als een open houding. Hoe groot is die groep? Is het echt 1%? Waar zit die precies? Wat betekent dat?

De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u bent door uw interrupties heen, helaas. Zijn er nog andere Kamerleden die vragen hebben? Misschien kan mevrouw Van der Plas een vraag doorspelen.

Dan mag u verder met het volgende thema.

Minister Letschert:
Dan gaan we naar de bekostiging. Daar heb ik het meeste eigenlijk al over gezegd. Dit gaat dus sneller, ter geruststelling.

Ik kreeg van mevrouw van der Plas de vraag: hoe gaat de minister regionale en bovenregionale samenwerking structureel stimuleren? Dat ga ik onder andere doen met het voorstel tot herziening van de bekostiging. Daarnaast zijn er natuurlijk ook andere manieren om samenwerking te stimuleren. We hebben in de taskforce gesprekken over de investeringen in regionale campussen; ook daarvoor komen we met voorstellen uw kant op. In die regionale campussen zijn al die kennisinstellingen samen vertegenwoordigd. Die werken daar dus ook al samen.

Dan is er gevraagd of ik de concurrentieprikkels eruit ga halen. Ook dat zit in de bekostigingsherziening. Dat heb ik eigenlijk dus al beantwoord.

GroenLinks-PvdA vroeg wat de beoogde invoering is en hoe dat proces gaat. Als wij u die Kamerbrief sturen en daarna de behandeling hebben gehad met elkaar, hoop ik dat de invoering van die herziene bekostiging in januari 2029 kan plaatsvinden. De internetconsultatie zou dan namelijk vóór de zomer van 2026 kunnen starten; dan volgen we het schema zoals we het gepland hebben. Maar nogmaals, het ligt ook aan de ruimte in de Kameragenda's of dat haalbaar is.

Dan had ik als laatste twee vragen van de heer Boomsma over de lumpsumfinanciering en het voorstel van een van de onderwijsbonden om bijvoorbeeld salarissen daarin te oormerken. Ik heb met de bonden al het gesprek gevoerd over de vraag of er van mijn kant een wens is om dat te gaan veranderen. Ik denk dat het belangrijk is om te zeggen dat die lumpsumfinanciering eigenlijk wel past bij de manier waarop wij ons onderwijssysteem hebben ingericht. Dat geldt voor het mbo, maar ook voor de hogescholen en voor de universiteiten. Dat biedt in dit geval het mbo ook de ruimte die nodig is om in te kunnen spelen op de eigen regionale context en op het bieden van maatwerk voor studenten. Als wij alles gaan labelen, vind ik dat we wel heel erg op de stoel van die instellingen gaan zitten, inclusief de stoel van de medezeggenschap binnen die instellingen. Die heeft namelijk ook een rol om met de instelling, dicht bij het bestuur, met elkaar zowel de waakhond te kunnen zijn als de afspraken te kunnen maken.

Het beeld dat de lumpsum onbeperkte bestedingsvrijheid is, klopt natuurlijk niet. Vanuit onze kant is er uiteraard toezicht op transparante en doelmatige besteding. Nogmaals, dat gebeurt ook door de medezeggenschap. De medezeggenschap trekt eerder nog als eerste aan de bel. Daarvoor is ze er ook. Het mbo heeft uiteraard ook de verantwoordelijkheid om het inzicht in het eigen functioneren te delen, niet alleen met mij als minister, maar ook in alle rapportages. Het oormerken van een lumpsum op salariseisen gebeurt trouwens ook aan cao-tafels. Zo hebben we het in ons systeem ingericht. Met de bonden heb ik echter wel besproken dat we een vervolgafspraak gaan plannen om te kijken hoe we voortgang houden op het gebied van de gemaakte afspraken uit de werkagenda, waarbij ook de instellingen aan tafel zaten. Ik denk dat dat heel belangrijk is. Het eerste gesprek hebben we nu gehad. Ik heb hun beloofd dat ik bij hen terugkom met de manier waarop we bestuurlijk in gesprek kunnen blijven. Dat over het salaris en de lumpsum.

Mevrouw de voorzitter. Dan was er een vraag over de prijs- en inflatiecorrectie. Als ik de prijscorrectie wil verankeren in de bekostiging, vraagt dat een wetswijziging. Een wettelijke verplichting op de prijsbijstelling in de onderwijssectoren maakt het wel ingewikkeld als je kijkt naar de gehele OCW-begroting. Dat biedt een onzekerheid waarvan ik op dit moment ... Op het moment dat er een rijksbrede korting komt, zoals bij de Voorjaarsnota in 2025, moet ik elders binnen de OCW-begroting gaan bezuinigen. Zo werkt de systematiek. Als ik nog extra wettelijke verplichtingen creëer, dan bied ik misschien zekerheid voor de onderwijssectoren, maar niet per se voor het ordentelijke, zorgvuldige beheer, om het zo maar even te noemen, van de totale OCW-begroting. Ook verhoogt het de druk op andere departementale begrotingen. Ik kan u wel vertellen dat er vanuit verschillende sectoren aan de ministers gevraagd wordt hoe ze omgaan met prijs- en looncorrecties in de verschillende sectoren waar het echt een probleem is. We zijn op dit moment met een aantal mensen binnen het ministerie aan het kijken waar voor onze sectoren de grote onzekerheden zitten en wat we daar structureel, op de langere termijn, aan zouden kunnen doen. Dat zeg ik zonder dat ik hier enige toezegging doe, want die eerste gesprekken lopen echt pas heel kort. Het is nog intern. Dat is voor nu het antwoord.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan richt ik mij weer tot de Kamer. Zijn er nog vragen? Zijn alle vragen voldoende beantwoord? Ja, zie ik. Dan kunt u verder met het volgende blokje, minister.

Minister Letschert:
U heeft veel vragen gesteld, hè? U kijkt mij allemaal aan zo van "wat duurt dit lang", maar ...

Goed, mensen. Stage is nog zo'n belangrijk onderwerp. Alle mbo-studenten lopen namelijk stage. Dat noemen we anders in het mbo. Ik ga de volledige term niet eens herhalen, maar het heet "de bpv". Ik noem het gewoon "stage", als dat mag. We hebben in het coalitieakkoord opgenomen dat we willen toewerken naar een wettelijke verplichting tot een stagevergoeding. Ik heb in een eerder debat met uw Kamer gesproken over de dilemma's die bij dat voorstel in de brief gaan komen. U heeft ze zelf al benoemd. Aan de ene kant wil je een wettelijke verankering, omdat het de student zekerheid biedt op een vergoeding. Tegelijkertijd wil je voorkomen dat sectoren geen stageplekken meer gaan aanbieden, omdat ze de vergoeding niet kunnen of willen betalen. Dan hebben we de studenten nog steeds niet geholpen. Volgens mij is het doel om de studenten zekerheid te bieden en de sectoren niet te overvallen met een voorstel dat, nogmaals, de studenten en daarmee uiteindelijk ook de arbeidsmarkt niet helpt. In de afgelopen drie maanden heb ik dat helemaal uitgedacht. Dat leidt ertoe dat wij proberen om u voor de zomer te informeren over wat ik even "de contouren van het wetsvoorstel" noem. Het betreft dus niet het uiteindelijke, helemaal klare wetsvoorstel. Daarvoor wil ik namelijk het gesprek met de Kamer voeren over hoe we het nu hebben doordacht. Zo kunnen we uiteindelijk een zorgvuldige uitwerking van de verplichting in de next step met elkaar bespreken. De contouren komen dus voor de zomer. Op basis van die discussie kunnen we de vervolgstap met elkaar bepalen. Daarmee doe ik volgens mij ook recht aan verschillende vragen die zijn gesteld. Je wilt zekerheid voor studenten en je wilt er niet voor zorgen dat de problematiek op de stagemarkt verergert.

Dan had ik vragen over de tekorten. O, er komt ineens een hele groep mensen bij in de zaal. Ik dacht: "Wat hebben we nu? De minister moet stoppen, want wat ze nu zegt! Dit gaat helemaal mis!" Nou, wees welkom, zou ik zeggen.

Eens even kijken. Het is misschien wel goed om te zeggen dat ik denk dat wij ons allemaal zorgen maken over de tekorten aan stageplekken. Ik weet dat de SBB een flink aantal acties heeft ingezet, onder andere het bieden van handvatten aan leerbedrijven voor het bieden van ondersteuning aan in het bijzonder studenten entree en niveau 2-studenten en het delen van oplossingsrichtingen. Het is belangrijk dat de leerbedrijven met elkaar en met de scholen zoeken naar creatieve manieren om de stagebegeleiding vorm te geven. Specifiek de stagetekorten in de zorg hebben extra onze aandacht. Die zijn in meerdere interventies van u naar voren gekomen. Die tekorten hebben niet alleen de aandacht van mij, maar ook van mijn collega bij VWS. Wij hebben afgesproken dat wij op zeer korte termijn met alle partijen, dus het onderwijs, de partijen in de zorg, SBB, VWS en OCW, om tafel gaan om uiteindelijk toch een doorbraak te forceren om te komen tot nieuwe oplossingen voor dit probleem. Daarbij zijn wederom ook voldoende financiële middelen belangrijk. Ik kijk met mijn collega van VWS naar de financiële regelingen en mogelijkheden die er zijn in de zorg, zoals het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord dat ook hierover gaat. Daarover moeten we echt concrete afspraken gaan maken.

Mevrouw Van der Plas vroeg of er ook zo'n fonds kan komen voor bouw en techniek, zeg ik even uit mijn hoofd. Dat kan ik nu niet toezeggen. Ik denk wel dat we in de discussie die we gaan hebben over de contouren van het wetsvoorstel, maar ook in de discussie over het pact inzake de arbeidsmarkt van de toekomst, gaan kijken wat de mogelijkheden zijn. De grootste nood is op dit moment in de zorg, ook als het gaat over de stageplekken. Dat is nu mijn prioriteit.

Eens even kijken. Dit heb ik eigenlijk al gezegd. Dat scheelt alweer. Mevrouw Raijer vroeg naar stagefondsen voor bouw en techniek, maar die vraag heb ik net eigenlijk ook al beantwoord. Nu gaat het wel ineens heel snel!

Dan kreeg ik een vraag van de heer De Beer: geven wij het goede voorbeeld in het verzorgen van stages? Ik denk het misschien wel. Ik denk dat we kunnen zeggen dat ook de Rijksoverheid het belangrijk vindt om stageplekken aan te bieden. Wij geven een stagevergoeding van €800 per maand voor mbo-, hbo- en wo-studenten. Wij vergoeden ook de reiskosten bij geen passende ov-kaart of bieden woonruimtevergoeding indien nodig. We proberen ook echt in te zetten op een goede begeleiding van stagiairs. Ik heb van de week één dag twee mbo-studenten gehad, maar dat was maar één dag. Ik zou het ontzettend leuk als dat vaker in mijn omgeving kan gebeuren. Ik denk dus dat we daar het goede voorbeeld geven en dat dit ook heel belangrijk en nuttig is, omdat het hele mooie perspectieven geeft op wat wij aan het doen zijn.

Het laatste antwoord gaat over de drie contactmomenten als norm die we met elkaar hebben afgesproken. Dat was een vraag van mevrouw Armut. We hebben dit ook echt in het Stagepact afgesproken. Studenten hebben het ook echt nodig. Ik denk dat het dan ook belangrijk is dat de stagebeleiding verbetert. Ik ben daarover ook in overleg met de MBO Raad. De MBO Raad is daar ook zelf heel actief mee bezig en heeft steeds contact met alle instellingen om te achterhalen waarom er een te beperkte vooruitgang is op het gebied van stagebegeleiding en om ervoor te zorgen dat het aantal contactmomenten gewoon wordt gehaald. Het kennispunt stages, dat daarvoor is, gaat scholen met een soort routekaart helpen om die concrete aanbevelingen voor die stagebegeleiding ook echt volledig na te komen. Wij monitoren de vooruitgang steeds, omdat ook dit is afgesproken in het Stagepact. In 2027 is de eindmeting. Als dan zou blijken dat het wederom niet is gehaald, ga ik heel graag met de MBO Raad het gesprek aan, want dan moeten we echt andere afspraken gaan maken. Voor de studenten is het immers enorm van belang dat zij die drie contactmomenten binnen de instelling hebben. Dat was dit kopje.

Ik heb er nog één in overig. Of heb ik er nog eentje gemist?

De voorzitter:
Ik geef u zo het woord, meneer Boomsma. Ik hoorde de minister een afkorting gebruiken, namelijk SBB. Voor de mensen die niet weten waar die voor staat: dat is de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven. Ik geef nu het woord aan meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Misschien heb ik het antwoord gemist, maar ik heb nog een vraag gesteld over de numerus fixus. Juist voor de opleidingen waar zo veel behoefte aan is en waarmee zo veel banen te krijgen zijn, geldt een numerus fixus door een tekort aan stages. Dan moet je daar toch meer de regie op nemen om dat zo snel mogelijk aan te pakken en die stages aan te kunnen bieden?

Minister Letschert:
Die vraag ga ik in de tweede termijn nog concreter beantwoorden. Ik zei het net al over de tekorten in de zorg, waar je dat onder andere ziet. Dat is een onderwerp van het gesprek waarover ik u net bij heb gepraat, met zowel VWS als de onderwijssectoren en de MBO Raad. Ik snap dat zo'n instelling zegt: als er geen stages zijn, wordt het gewoon heel ingewikkeld. Dat moeten we dus doorbreken. Dat is het enige antwoord. Maar je kunt ze ook niet tevoorschijn toveren. We moeten er dus eerst voor zorgen dat die stages weer beschikbaar komen, in het bijzonder in de zorg. Daar moeten we de onderliggende oorzaken goed beetpakken voordat ik nu zeg "doe de numerus fixus er maar vanaf", want daarmee is het probleem niet opgelost. Als de stages er niet zijn, kan die student immers nog steeds niet afstuderen. Dat is het probleem waarvoor die instellingen zich gesteld zien. Vandaar de urgentie van mij en mijn collega van VWS om hier nu echt prioriteit aan te geven.

De heer Boomsma (JA21):
Dat lijkt me heel goed. Mijn punt was niet "haal die numerus fixus maar weg", maar: wat kan je doen? Wij hebben goed in beeld waarom die stages niet worden aangeboden en wat de overheid eventueel nog kan doen om in dezen ondersteuning te bieden.

Minister Letschert:
Dat is dus precies het onderwerp van het gesprek dat wij nu georganiseerd hebben. Over wat dat gaat opleveren en de snelheid waarmee dat concrete resultaten gaat opleveren, zal ik u later moeten informeren.

De voorzitter:
Ik kijk nog even naar de Kamerleden. Niemand meer een interruptie? Dan geef ik de minister het woord voor het laatste blok.

Minister Letschert:
Dat is het blok overig.

De heer Stoffer stelde een vraag over de lastendruk. Er is een beleidsreactie gekomen op de wetsevaluaties. Zijn partij mist daarin de aandacht voor de lastendruk van de instellingen. De verwachting was dat de afschaffing van de onderwijsovereenkomst zou leiden tot een vermindering van de administratieve lasten bij de instellingen. Uit de wetsevaluatie blijkt dat dit niet overal tot een lastenvermindering heeft geleid, mede omdat instellingen alternatieve werkprocessen hebben ingericht voor inschrijving en aanmelding. Het is aan de instelling om daarin keuzes te maken. Bij de totstandkoming van een wetsvoorstel wordt nadrukkelijk gekeken naar de mogelijke administratieve lasten voor de instelling. Dit wordt dan ook getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk. Dat hoef ik u natuurlijk niet te vertellen. Als na de inwerkingtreding van een wetsvoorstel uit signalen van instellingen of uit een gehele wetsevaluatie blijkt dat die lasten toenemen, dan wordt gekeken of maatregelen nodig zijn. In het geval van het afschaffen van de onderwijsovereenkomst zou ik dat op dit moment niet nodig vinden, want die lastendruk lijkt vooral te komen door de werkprocessen die instellingen zelf hebben ingericht. Instellingen hebben dus de ruimte om hierin zelf keuzes te maken en die anders in te richten. Dat is het antwoord op de vraag die de heer Stoffer stelde.

De voorzitter:
Dat was het einde van het blokje overig?

Minister Letschert:
Ja, ik denk het wel.

De voorzitter:
Dan kijk ik naar de Kamerleden: heeft de minister alle vragen beantwoord? Meneer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):
Ik had nog een vraag gesteld over specifieke ambachten, de kleine ambachten.

Minister Letschert:
Ja, ik zag 'm erbij zitten. Even kijken. Waar heb ik 'm? Wat een papierwerk heb ik hier liggen! Ik neem die dadelijk mee. Mijn geweldige collega zoekt 'm even. Dat scheelt tijd.

De voorzitter:
Meneer Boomsma houdt nog een antwoord van de minister tegoed.

We beginnen nu met de tweede termijn van de Kamerleden. Ik geef het woord aan mevrouw Tseggai van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik denk dat we een goed eerste debat hebben gevoerd over het mbo. Wat ik lastig vind, is dat het heel erg lijkt op de debatten die we met de vorige ministers over het mbo hebben gevoerd. Dat komt ook, zo zeg ik even tegen mijn collega's, omdat we maar één keer per halfjaar een debat over het mbo voeren. Daar moeten we, denk ik, sowieso wat aan doen.

Ik ben toch wel benieuwd wat nu de ambities zijn van de minister, want daar heeft ze nog niks over gezegd. Ik ben ook benieuwd waarmee ze concreet naar de Kamer denkt te komen en wanneer ze dat denkt te gaan doen. Ik hoop toch dat de minister wel in charge blijft over haar eigen begroting.

Daar houd ik het bij. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Ik wil nog even melden dat de spreektijd in tweede termijn 1 minuut 20 is. Meneer De Beer.

De heer De Beer (VVD):
Dan moet ik snel praten. Dank aan de minister voor de uitgebreide beantwoording. Er komen voortdurend allerhande termen op ons af: de Taskforce Toekomstige Welvaart, het bbl-offensief, het Stagepact, het pact voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Misschien is het goed om scherp te stellen wat de echte hoofddoelen zijn waarop we sturen en welke instrumenten, maatregelen en samenwerkingsverbanden we inzetten om daarnaartoe te werken. Ik heb dus vooral behoefte aan wat meer duiding en overzicht. De resultaten van de taskforce en de brief kunnen daar een goede aanleiding voor zijn, denk ik.

Ik kom nog even terug op de vraag van mijn collega naast mij over hospiteren. Ik stelde zojuist dat het goed is als mbo-, hbo- en wo-studenten elkaar ontmoeten in de onderwijssetting en de voorzieningen met elkaar kunnen delen. Ik heb het dan vooral over de publieke voorzieningen die we met belastinggeld inrichten. We hebben het net al even gehad over sportfaciliteiten et cetera, maar de discussie daarover vind ik echt een andere dan de discussie over wat er in de publieke sfeer plaatsvindt. Dat is dus het antwoord. Wat dat betreft willen we de keuze vooral aan de mensen zelf laten.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Als niemand een tweeminutendebat aanvraagt, dan wil ik dat graag doen. Dat ten eerste. Bij dezen vraag ik dus een tweeminutendebat aan.

Ik wilde verder nog even ingaan op de toezegging van de minister die geen toezegging is, namelijk over de bbl'ers en het studentenreisproduct. De minister zei dat ze wilde toezeggen dat uit te zoeken. Daarna zei ze: maar het is geen toezegging voor een studentenreisproduct. Dat begrijp ik eruit. Ik zou graag willen weten wanneer er een terugkoppeling komt op de toezegging om uit te zoeken waar de knelpunten liggen. Wordt dat apart teruggekoppeld of wordt dat in een verzamelbrief meegenomen? En wanneer?

Dank u wel.

De voorzitter:
Ik geef mevrouw Tseggai toch nog even het woord, want zij heeft nog een vraag voor meneer De Beer.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Goed dat mevrouw Van der Plas een tweeminutendebat heeft aangevraagd. Ik had een kruisje op mijn hand gezet zodat ik het niet zou vergeten, maar dat is me toch gelukt! Dus dank daarvoor.

Dan mijn vraag aan de heer De Beer. In de eerste termijn hadden wij een debatje over het gelijktrekken van de studiefinanciering. Hij zei toen dat hij daarop zou terugkomen na de beantwoording van de minister. Ik vraag mij af hoe hij daarnaar kijkt.

De heer De Beer (VVD):
Ik snap de worsteling van de minister heel goed. Volgens mij delen wij die hier ook; mijn fractie deelt die in ieder geval. Hoe zou je toe willen werken naar een facilitering die rechtdoet aan de positie van het mbo en ook veel meer toe willen werken naar een vergelijkbare facilitering voor hbo en wo? De minister heeft het volgens mij gewoon goed uitgelegd. Als we daarnaartoe willen, dan vergt dat ook andere keuzes. We gaan met elkaar naar aanleiding van de beleidsbrief het gesprek aan over de begroting et cetera. Volgens mij is dat ook het moment om daar verder met elkaar over van gedachten te wisselen.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dat we niet te veel willen interrumperen in de tweede termijn, maar ik vroeg wat de VVD ervan vindt. Ik krijg nu een samenvatting van wat de minister heeft verteld, maar dat heb ik net gehoord.

De heer De Beer (VVD):
De worsteling en overweging van de minister delen wij.

De voorzitter:
Meneer Boomsma. Aan u het woord voor uw tweede termijn.

De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Er komen dus veel brieven onze kant op. Ten aanzien van de prijsbijstelling wil ik het volgende zeggen. Ik snap de worsteling dat het nadelen heeft om het wettelijk vast te leggen, omdat dat het minder flexibel maakt, maar voor het primair onderwijs is het wel al in de wet vastgelegd. Dat is dan ook de afweging.

We komen nog terug op de vraag over de basisvaardigheden en de Staat van het Onderwijs. Ik wil het nog wel even hebben over de arbeidsmarkt. Ik denk dat we die technici echt nodig hebben. Onder het kabinet-Rutte III is er dus 100 miljoen structureel geïnvesteerd in het vmbo voor de techniek. Die studenten komen nu in het mbo terecht. De vraag is hoe je ervoor zorgt dat je die dynamiek ook in het mbo kunt voortzetten.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Biekman.

Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Zoals de collega's al resumeerden, komen er heel veel brieven onze kant op. Ik kijk daar vol verwachting naar uit, zeker naar het advies over de practoraten. Daar ben ik erg benieuwd naar. Dat wordt dus veel leeswerk in de zomer. Tot dusver heb ik geen andere aanvullende vragen.

Dank.

De voorzitter:
Mevrouw Armut.

Mevrouw Armut (CDA):
Voorzitter. Ik heb ook geen aanvullende vragen. Wel dank ik de minister en haar ondersteuning voor de beantwoording van de vragen.

De voorzitter:
Dan ga ik nu schorsen voor tien minuten. Hoeft dat niet? Vindt de Kamer dat we kunnen doorgaan? Dan gaan we gelijk door en geef ik de minister het woord.

Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik denk dat ik begin met de mooie vragen van mevrouw Tseggai over wat de ambities zijn en waar we op gaan inzetten. Ik ga een onderwerp noemen dat we vandaag eigenlijk niet hebben besproken, namelijk de stagediscriminatie. Ik vind het echt zo ontzettend zorgelijk en zo schrijnend dat je dat nog te veel ziet. We zien discriminatie op opleidingen, maar we zien bij mensen met een andere achtergrond ook stagediscriminatie. Ik vind het echt onze eer te na dat we dat met deze hoge cijfers nog terugzien. Ik bespreek ook steeds met studenten wat we gaan doen om ervoor te zorgen dat instellingen voldoende zicht krijgen op hoe vaak het voorkomt. Er zijn ook allerlei initiatieven om die meldingsstructuur toegankelijker en laagdrempeliger te maken, zodat we er überhaupt ook meer van weten. Het is misschien ook nog best een black box, waarover de cijfers nog niet eens alle inzichten geven. Daar zijn we met elkaar over in gesprek. Voor mij ligt daar ook echt een eigenstandige ambitie. Ik heb daar geen wet en ook geen geld voor nodig, maar ik heb daar wel continu maatschappijbreed een gesprek en aandacht voor nodig. U zal mij daar de komende periode vaker over horen.

Dan kom ik bij de tweede grote ambitie. Ik ben echt ontzettend blij dat het voorstel rondom de herziening van de bekostiging op het moment dat ik binnenkwam al voor een heel groot deel besproken was met de verschillende partijen die daar mede iets aan gaan hebben. Uw Kamer geeft onder andere prioriteit aan een aantal thema's. De herziening van de bekostiging voldoet daaraan. Die thema's zijn minder competitie en meer stabiliteit en aandacht voor de regio's, zodat we ook in de krimpregio's volwaardig mbo-aanbod blijven houden. Dat zit allemaal in dat voorstel. Dat geeft zoveel stabiliteit voor de komende periodes. Ik kan dat niet helemaal als ambitie van mezelf bestempelen, want dat traject liep al, maar ik kan het wel met u gaan bespreken. Daar ben ik al heel erg blij mee.

Een andere ambitie heeft te maken met de stagevergoeding. Daar is ook een afspraak over gemaakt in het coalitieakkoord. Ik denk dat we met elkaar moeten bepalen hoe we die gaan inrichten in de wet en hoe we die wettelijke verankering op zo'n manier inrichten dat we ook de dilemma's die daarbij horen onder ogen hebben en de effecten daarvan wegen, zodat we uiteindelijk de goede keuze maken. Volgens mij is dat een verantwoordelijkheid die we met elkaar moeten delen.

Dan ga ik ook kwaliteit noemen. Kwaliteit gaat voor mij zowel over de onderwijskwaliteit als over de manier waarop wij onze docenten faciliteren om die kwaliteit te leveren en de manier waarop wij ervoor zorgen dat wat er vanuit een middelbare school, een vmbo, komt, niet het probleem van een mbo wordt. Kwaliteit is voor mij dus een breed onderwerp. Wij hebben in de zomer een deep dive, zoals we dat noemen, gedaan. Dat was een hele lange sessie over kwaliteit binnen het mbo. Ik ga ook graag met uw Kamer in gesprek over hoe ik daarnaar kijk en over wat daar nog meer voor nodig is.

Ik ga niet te veel ambities noemen, want dan zou ik alles noemen. De laatste ambitie die ik dan toch echt noem, is die talentstrategie en dat pact voor de arbeidsmarkt. Welke keuzes durven we met elkaar te maken, zonder daarbij te pretenderen dat studenten een soort robots zijn die allemaal naar die sector gaan als wij op een knopje drukken? Uiteindelijk hebben studenten ook keuzevrijheid. Hoe zorg je er nou voor dat we enerzijds de uitdagingen die we zien op de arbeidsmarkt en de groeikansen die we willen nastreven en anderzijds het opleidingsaanbod en de informatie die studenten nodig hebben om keuzes te maken, goed met elkaar in evenwicht brengen? Dat is voor mij ook wel echt een topprioriteit.

Als laatste — mevrouw Tseggai gaat dit niet voldoende vinden — zeg ik dat ik hier nu niet ga beloven dat ik in deze periode, waarin ik minister ben, de gehele studiefinancieringsdynamiek en de ongelijkheden daarin kan oplossen. Ik heb aangeboden om met elkaar het gesprek te hebben over de verschillende fases die we wel gaan hebben in de komende periode. Daar wil ik met meerdere partijen gesprekken over voeren. Ik vind wel dat we het niet naar voren moeten schuiven als probleem van een volgend kabinet, want dan ben ik het met de heer Stoffer eens dat we veel praatjes voor de bühne hebben, maar we die waaier niet volledig aan het inrichten zijn. Dat is een ambitie die meerdere kabinetten achter elkaar hebben geuit. Laten we er dan ook met elkaar, breedgedragen door de Kamer, voor zorgen dat er binnen afzienbare tijd … Nogmaals, ik geef geen garantie dat ik het kan regelen, ook gezien de grote financiële druk die het legt en de financiële issues die we überhaupt hebben, maar het is wel echt een graat in de keel, ook voor mij.

Dan kom ik bij de vraag over techniek. Kan ik ervoor zorgen dat we de boost die we op middelbare scholen aan het techniekonderwijs geven, met name in het vmbo, meenemen richting de mbo's? Ik zie al prachtige voorbeelden uit verschillende regio's die daar vol op inzetten. Denk alleen al aan de Brainport. Alles werkt daar samen, op het gebied van techniek, een portfolio bouwen, samen leren, samen studeren en samenwerken in labs. Dat zie ik bij Chemelot, op de Brightlands campussen en in Twente. Ik zie daar dus eigenlijk prachtige initiatieven. Tegelijkertijd is het ook wel een onderwerp van de talentstrategie en speelt het ook mee in de discussies die we hebben rondom het pact. Dat komt daar allemaal in terug.

Wat kan ik toezeggen over het studentenreisproduct? Het gaat dan eigenlijk meer over de problematiek voor de bbl-student, die dat niet vergoed krijgt. Voor de kerst krijgt u van mij de toezegging die ik daarop heb gedaan. Ik neem daar dan ook die andere toezegging in mee. Dat is dan een totaalpakketje.

Heb ik alle vragen dan gehad? Ik denk het wel, hè? O, ik vergeet weer het vakmanschap! Het is net alsof ik het niet wil.

De voorzitter:
U heeft een interruptie van meneer De Beer. O, u wacht af? Oké.

Minister Letschert:
Eens even kijken. U vroeg mij wat de stand van zaken is van ambachten. Dreigen deze te verdwijnen vanwege het tekort aan opvolgers? Ik weet dat het aantal studenten in de opleidingen voor het specialistisch vakmanschap de afgelopen jaren constant bleef, terwijl het totaal aantal studenten in het mbo afneemt. Bij die specialistische vakopleidingen blijft het aantal dus constant. Daarmee zijn we er nog niet, want we zien natuurlijk overal tekorten ontstaan. Dat ambachtelijk vakmanschap is volgens mij enorm belangrijk. We moeten ons dus ook blijven inzetten, ook samen met de MBO Raad en werkgevers, om voldoende opvolgers op te leiden, voordat we daar hele grote gaten krijgen. We moeten er dus ook voor zorgen dat opleidingen in kleinschalige ambachten niet verdwijnen. Dat is een intentie die u ook uit mijn mond mag horen. Ik zie dat er in deze sector wel heel veel mooie initiatieven en platforms zijn om dit kleinschalige vakmanschap in stand te houden. Ook in gesprekken binnen de MBO Raad zelf wordt het belang daarvan onderkend; dat bleek ook toen we discussies kregen over de herziening van het bekostigingsstelsel. Ook daar kunnen we dus met elkaar het gesprek over hebben. Door die kleinschaligheid is versnippering wel echt een belangrijk aandachtspunt. Daarom subsidieert OCW het Expertisepunt specialistisch vakmanschap. Dat ondersteunt kleine, specialistische beroepen en de opleidingen daarvoor. Dat bestaat sowieso al. Ik hoop dat ik uw vraag hiermee enigszins naar behoren heb beantwoord.

De heer De Beer (VVD):
Misschien heb ik mij niet volledig uitgesproken in termen van een vraag. Ik heb er behoefte aan om na te gaan of we met elkaar — de voorzet ligt natuurlijk bij de minister — hoofddoelen kunnen definiëren die we misschien langjarig kunnen volgen: welk beleid voeren we nu en welk effect heeft het? Anders blijven we de hele tijd verwijzen naar een pact, een convenant, een strategie of een expertisepunt dat we daarvoor hebben. Ik ben dus eigenlijk op zoek naar een overkoepelend geheel waarmee we helderheid creëren: waar sturen we nou met elkaar op? Dat gaat iets breder dan alleen het mbo, zeg ik erbij.

Minister Letschert:
U bedoelt bij het hele ministerie? Laten we het op dit moment toch even bij het mbo houden. Ik herken heel goed waar uw vraag vandaan komt, zeg ik via u, mevrouw de voorzitter. Ik mag hier nu drie maanden zijn en ik merk dat ik nu voldoende scherp heb wat we beogen met een werkagenda, wat we beogen met een Stagepact en wat we beogen met een pact voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Voordat je dat allemaal goed scherp hebt en weet wat de onderliggende ambities zijn en hoe we dit met elkaar monitoren, ben je dus drie maanden verder. Ik kan mij dus voorstellen dat dit ook voor een Kamerlid soms onoverzichtelijk kan lijken. Ik heb er heel veel behoefte aan om deze zomer, als we elkaar even verlaten, voor mijzelf scherp te stellen waar we in de komende periode de focus op gaan leggen. Dat probeerde ik net al aan te geven in mijn antwoord aan mevrouw Tseggai. Daar gaan we ook met elkaar aan werken. Ik heb een paar aanzetten gegeven. Ik noem de bekostiging, de stagediscriminatie, de stagetekorten en de kwaliteit. Dat zijn gewoon heel belangrijke onderwerpen waarop we met elkaar de wissels moeten omzetten. Ook de monitoring die daarbij hoort moeten we scherp hebben, zodat we ook kunnen meten of dit nou tot voldoende resultaat leidt. U daagt mij voldoende uit om dat ook tekstueel scherper te krijgen voor de Kamer. Ik hoor hier "met Prinsjesdag in mijn begroting", maar dat wordt misschien weer te financieel. "Nee", hoor ik nu. Oké. In ieder geval neem ik de uitdaging aan.

De voorzitter:
Ik kijk naar de Kamer. Zijn er Kamerleden die nog vragen hebben? Niemand meer. Dan zijn we aan het einde van dit commissiedebat gekomen, en wel een heel stuk eerder dan gepland.

De minister heeft de volgende toezeggingen gedaan.

  • De minister komt voor de kerst met een verkenning van de landelijke invulling van de gelijkwaardigheid van alle studenten wat betreft sportvoorzieningen.

  • Twee. Voor de zomer komt er een brief over de herziening van de bekostiging, over de omvang van de schoolkosten.

  • Drie. Voor wat betreft de vraag of de opleiding een grondslag kan zijn op basis waarvan je discriminatie kan vaststellen, gaat de minister naar de brieven en de adviezen kijken die er al zijn. Zij gaat ook kijken waar actie mogelijk is. Hier komt een brief over. Bij de studentenvoorziening komt zij daarop terug. Nee, dat klopt niet.

Minister Letschert:
Dat is de sportvoorziening.

De voorzitter:
Dat moet de sportvoorziening zijn? Dat komt in diezelfde brief. Oké.

  • Vier. De minister informeert de Kamer in het derde kwartaal over de herziening van de taaleisen.

  • Vijf. De minister stuurt voor de zomer een rapport naar de Kamer over de bruikbaarheid van de nieuwe taaleisen.

  • Zes. In het najaar komt er een brief over de uitwerking van het pact opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, specifiek voor het mbo, samen met mbo-instellingen en het mkb.

  • De laatste toezegging. De minister komt voor de kerst in een brief terug op het studentenreisproduct voor bbl-studenten.

Dan wil ik nog melden dat een tweeminutendebat is aangevraagd door het lid Van der Plas. Zij zal daarin de eerste spreker zijn.

Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen.

Minister Letschert:
Ik heb twee correcties. Of is dat niet de bedoeling?

De voorzitter:
Dat kan.

Minister Letschert:
De herziening van de bekostiging wat betreft de schoolkosten — die noemde u — zit in het voorstel voor de herziening van de bekostiging overall. Die gaat dus niet alleen over de schoolkosten. Er komt gewoon een heel voorstel rondom de herziening van het bekostigingsstelsel van het mbo. Daar zit ook het een en ander in over schoolkosten. Dat komt voor de zomer. Ik las het alsof het alleen om schoolkosten zou gaan.

Als laatste heb ik een vraag over het pact opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Als we daar een strik omheen kunnen doen — maar dat ligt niet alleen aan mij; ik kijk even naar mensen in de zaal — kan dat in het najaar. Dat is wat ik heb gezegd. De talentstrategie is breder en heeft niet alleen betrekking op het mbo. Die komt voor de zomer. Dat is even van belang. Anders krijg ik dadelijk allemaal appjes met "we moeten nog sneller".

De voorzitter:
Duidelijk. Dank u wel voor deze aanvullingen. Dank voor de beantwoording van de vragen in dit debat. Ik dank de aanwezige Kamerleden en alle geïnteresseerden die hebben meegeluisterd of meegekeken, op de tribune of thuis. Ik sluit de vergadering.

Sluiting 16.48 uur.

ONGECORRIGEERD STENOGRAM
Verslag CD van 28 mei 2026

Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl