Conceptverslag Passend onderwijs
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D26631, datum: 2026-05-27, bijgewerkt: 2026-06-02 13:47, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-05-27 09:30: Passend onderwijs (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Passend onderwijs
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 27 mei 2026 overleg gevoerd met mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en mevrouw Tielen, staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, over:
de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2025 inzake voortgangsbrief examens voortgezet onderwijs (31289, nr. 607);
de brief van de staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie d.d. 3 juli 2025 inzake reactie op het advies van de Onderwijsraad over onderwijs in justitiële jeugdinrichtingen (31497, nr. 508);
de brief van de staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie d.d. 16 mei 2025 inzake beleidsreactie rapport "Evaluatie Wet Kwaliteit (v)so" en administratieve lasten verminderen bij het aanvragen van toelaatbaarheidsverklaringen (31289, nr. 603);
de brief van de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie d.d. 20 mei 2026 inzake van passend naar inclusief onderwijs (31497, nr. 513).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Koorevaar
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Mohandis
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Verhoev
Voorzitter: Koorevaar
Griffier: Easton
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Beckerman, Boomsma, Claassen, Hamstra, Van Houwelingen, Kisteman, Koorevaar, Van der Plas, Raijer, Rooderkerk, Stoffer en Westerveld,
en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en mevrouw Tielen, staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie.
Aanvang 9.33 uur.
De voorzitter:
Als iedereen zover is, gaan we beginnen. Ik zou graag stilte in de zaal
willen. Hierbij open ik het commissiedebat Passend onderwijs. Ik heet de
staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Tielen,
hartelijk welkom — het is fijn dat u hier bent — en ook de minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, mevrouw Sterk. Het is ook fijn dat u
hier met uw ondersteuning bent. Ook verwelkom ik de Kamerleden: mevrouw
Westerveld namens GroenLinks-PvdA, mevrouw Rooderkerk namens D66,
mevrouw Van der Plas namens de BoerBurgerBeweging, mevrouw Raijer namens
de PVV, mevrouw Beckerman namens de SP, de heer Claassen namens de Groep
Markuszower, de heer Hamstra namens het CDA, de heer Boomsma namens
JA21, de heer Van Houwelingen namens FVD en de heer Kisteman namens de
VVD. Ik neem aan dat de heer Claassen toestemming heeft om deel te nemen
aan dit debat. Mocht dat niet zo zijn, dan moet u de zaal verlaten,
meneer Claassen. Er is toestemming, dus u mag er gezellig bij blijven
zitten. Mijn naam is Jan Arie Koorevaar. Ik ben de voorzitter van deze
commissievergadering. Ik wil ook alle mensen hier op de publieke tribune
van harte welkom heten. Het is fijn dat u hier bent. Ook voor de mensen
thuis, die met ons meekijken: fijn dat u op die manier met ons mee kan
luisteren.
Er geldt een spreektijd van vijf minuten per fractie in de eerste
termijn. Ik vraag de Kamerleden om heel duidelijk aan te geven of uw
vraag bedoeld is voor de staatssecretaris of voor de minister. We hebben
een interruptieregel. Let u allemaal even op. De interruptieregel is als
volgt: interrupties korter dan 30 seconden worden niet meegeteld;
interrupties langer dan 30 seconden worden dubbel geteld. Dat betekent
dat u twee lange interrupties kan doen of oneindig veel korte
interrupties, maar we doen het wel in drieën. Dat betekent drie
interrupties per ronde. Is dat helder? Is dat duidelijk? Afgesproken?
Helemaal goed.
Dan starten we nu met de inbreng van mevrouw Westerveld. Aan u het
woord. O, de heer Kisteman heeft nog een korte vraag.
De heer Kisteman (VVD):
Ik wil alleen even opmerken dat ik rond 11.15 uur weg moet voor een
tweeminutendebat en dat ik vanmiddag ook nog een keer weg moet voor de
stemmingen. Dat is dus niet uit desinteresse naar collega's, maar
vanwege andere activiteiten.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Mevrouw Van der Plas, u wilt om 10.00 uur de zaal
verlaten vanwege verplichtingen. We gaan even kijken hoe we dat netjes
binnen de tijd kunnen passen. Anders slaan we mevrouw Rooderkerk
wellicht even over.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat vind ik helemaal prima.
De voorzitter:
Dat vindt u prima; u stemt daarmee in. Nou, kijk eens aan. De toon is
gezet. Mevrouw Westerveld, aan u het woord.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is mooi dat de zaal weer zo goed gevuld is,
want dat laat zien hoeveel mensen betrokken zijn bij dit onderwerp. Maar
de Kamer heeft de prioriteiten niet op orde. Sinds een aantal maanden
ben ik ook woordvoerder Asiel en Migratie. Ter vergelijking: momenteel
hebben we elke week een debat over asiel, maar de laatste keer dat we
het hadden over passend onderwijs is een jaar geleden. Dit terwijl er
naar schatting 70.000 kinderen thuiszitten, er wachtlijsten zijn voor
speciaal onderwijs, er forse problemen zijn met het leerlingenvervoer,
de jeugdhulp, net als de zorg voor kinderen met een beperking, volledig
vastloopt en steeds meer kinderen een vrijstelling krijgen voor
onderwijs. Wij ontvangen nog steeds brieven van radeloze ouders wiens
kind niet naar school kan en die ook niet weten waar ze naartoe kunnen
gaan.
Voordat ik Kamerlid was, werkte ik bij de Algemene Onderwijsbond. Daar
heb ik in 2015 de invoering van het passend onderwijs meegemaakt. We
organiseerden destijds een staking tegen het passend onderwijs. Dat was
niet omdat docenten tegen het concept passend onderwijs waren, maar wel
omdat ze aangaven dat ze betere ondersteuning nodig hadden, kleinere
klassen, steun vanuit politiek Den Haag en opleidingsmogelijkheden om te
kunnen omgaan met kinderen met zo veel verschillen. Als ik dan nu kijk
naar de invoering van het inclusief onderwijs, dan hoor ik weer dezelfde
signalen van docenten en onderwijsprofessionals.
Voorzitter. Ik begin met een vraag aan de staatssecretaris. Ik begrijp
dat oudervereniging Balans inmiddels van plan is om juridische stappen
te zetten om leerrecht af te dwingen, omdat onderwijs een recht is. Ik
wil de staatssecretaris vragen om een reactie te geven. Ik wil ook
vragen welke stappen ze gaat zetten om leraren te ondersteunen richting
inclusief onderwijs. Wanneer komen de volgende wetsvoorstellen om
thuiszitten tegen te gaan? Is ze ook bereid om de problemen in het
leerlingenvervoer naar zich toe te trekken? Ik las in de laatste brief
een update, maar ik hoop ook echt dat er regie komt vanuit het
ministerie van Onderwijs. Naar school kunnen gaan, hoort natuurlijk bij
het recht op onderwijs. Wat gaat de staatssecretaris dan doen?
Voorzitter. Wat ik ook merk, is dat heel veel discussies weer
terugkeren. Dat speelt al sinds de invoering van passend onderwijs, maar
als ik de brieven weer teruglees die toenmalig minister Arie Slob samen
met minister Hugo de Jonge stuurde, zien we ook daarin dezelfde
discussies weer terug, bijvoorbeeld over het leerrecht, maar ook over de
knelpunten die er zijn tussen zorg en onderwijs. Daar werd in 2019 al
uitgebreid over geschreven. Ik lees hetzelfde nu weer terug. Ik wil de
staatssecretaris en de minister vragen hoe zij daarop ingaan.
We horen namelijk van heel veel mooie initiatieven die er juist op
gericht zijn om kinderen soms ook buiten school weer naar onderwijs te
begeleiden, dat ze vast komen te lopen en dat gemeenten en
samenwerkingsverbanden vaak naar elkaar wijzen. Dat horen we van mooie
initiatieven zoals Digibende, maar ook van bijvoorbeeld zorgboerderijen.
Ik vind dat bizar, want iedereen wil dat soort initiatieven laten
bestaan, omdat ze zo belangrijk zijn voor kinderen die wel onderwijs
kunnen volgen, maar dat niet altijd op een schoollocatie kunnen
doen.
Dat brengt me ook op de pilots onderwijs en zorg, waarbij kinderen dus
juist op een andere locatie onderwijs kunnen krijgen of waarbij
afgeweken kan worden van het aantal uren. Wat gebeurt er nou na 2028?
Welke lessen worden hieruit getrokken en gaat de minister de goede
uitkomsten hiervan verankeren in wetgeving? Breder: hoe staat het met de
uitvoering van onze motie die we in het debat vorig jaar hebben
ingediend, waarin wij vroegen om directe bekostiging voor kinderen met
een ernstige meervoudige beperking? Dat gebeurt ook al met kinderen in
cluster 1 en 2. Waarom gebeurt dat nog niet met kinderen met een
ernstige meervoudige beperking? We weten ongeveer om hoeveel kinderen
het gaat en hebben daar vorig jaar ook in een breed gesteunde motie om
gevraagd. Is de minister bereid om daar verdere stappen op te
zetten?
Dan lees ik ook weer allerlei zaken terug over leerrecht verankeren.
Overigens stond dat ook al in de brieven van Arie Slob uit 2020, waarin
dit als eerste punt werd genoemd. Hoe staat het nu daarmee en hoelang
duurt het nog voordat we eindelijk wat meer komen te weten over die
Werkagenda Route naar inclusief onderwijs 2035. We hebben daar in 2023
ook een motie over aangenomen gekregen. Daarin vroegen we om concrete
stappen en om de kosten in beeld te brengen. Ik lees nu dat er een
transitieplan komt dit jaar. Wat is precies "dit jaar"? Wat komt er in
dat plan te staan?
Voorzitter. Mevrouw Beckerman begint er ongetwijfeld straks ook over: we
hebben de afgelopen jaren discussies gehad over het rommelpotje, juist
voor initiatieven buiten het onderwijs om. Ik las natuurlijk ook wel hoe
die motie is uitgevoerd en dat het geld via de samenwerkingsverbanden
wordt verdeeld. Maar als ik dan weer terugkijk in die brief, dan lees ik
dat sommige samenwerkingsverbanden dat ook zelf gebruiken, wat volgens
mij niet de bedoeling was van die motie. Graag ook een reactie hierop
van de staatssecretaris.
Voorzitter. Ik sluit eigenlijk opnieuw af met een hartenkreet aan ons
allemaal: laten we het vaker hebben over passend onderwijs. Laten we
beter de vinger aan de pols houden, want volgens mij moeten wij als
Kamer veel meer prioriteit geven aan deze kinderen, aan deze ouders,
maar ook aan alle mensen die met hart en ziel werken om te zorgen dat
alle kinderen een fijne schooltijd hebben, dat alle kinderen het
onderwijs krijgen dat bij hen past.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Westerveld. U heeft een interruptie van de heer Van
Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi gepassioneerd betoog, maar mevrouw Westerveld heeft ongetwijfeld
ook de petitie ontvangen van de onderwijsbonden, waarin leraren zelf
zeggen: dat passend onderwijs werkt niet. Is dat passend onderwijs wel
passend? Dat is eigenlijk mijn vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is wat de leerkrachten daarover zeggen iets genuanceerder.
Maar op de vraag van de heer Van Houwelingen of het passend onderwijs
wel werkt: als we kijken naar de oorspronkelijke beloften die zijn
gedaan bij de invoering van passend onderwijs, namelijk dat alle
kinderen onderwijs krijgen dat bij hen past, dat het aantal thuiszitters
minder zou worden en dat leraren daar ook ondersteuning bij zouden
krijgen, dan zien we dat eigenlijk al die beloften niet zijn
waargemaakt. Ik zat nog even te kijken naar mijn spreektekst van vorig
jaar. Daarin heb ik dit ook gezegd. Ik wilde niet mijn hele tekst van
vorig jaar herhalen, ook omdat die op sommige punten toch wel geüpdatet
moest worden. Maar laten we duidelijk zijn: de beloften die bij de
invoering destijds zijn gemaakt, zijn bijna geen van allen
nagekomen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Zou dat dan niet een reden kunnen zijn om te zeggen: misschien moeten we
die transitie maar stopzetten, want het werkt niet?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We gaan nu naar inclusief onderwijs. Dat houdt in dat we proberen en dat
ook het ministerie eraan werkt om samen met het onderwijsveld te zorgen
dat kinderen met verschillende ondersteuningsbehoeftes samen naar school
kunnen. Ik ben er een groot voorstander van dat kinderen met elkaar
leren opgroeien, met alle verschillen die daarbij horen, en dat ze ook
naar een school kunnen in de buurt, zodat niet een groot deel van die
kinderen moet worden opgehaald met het leerlingenvervoer. Ik ben daar
een heel groot voorstander van, alleen maak ik mij wel grote zorgen over
de randvoorwaarden. Als wij namelijk kijken naar de doelen in 2035 — dat
is het al heel snel — dan denk ik niet dat we nu al op de goede weg
zitten. We zitten wel op de weg, maar ik denk niet dat we 2035 gaan
halen als we op deze manier doorgaan. Daarom ook mijn oproep dat we ook
als Kamer er veel strakker bovenop moeten zitten.
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Afsluitend op dit punt. Het is heel sympathiek wat mevrouw Westerveld
zegt, maar er zijn 10.000 leraren die in de petitie zelf zeggen dat het
niet werkt, onrust geeft in de klas en ervoor zorgt dat het niveau voor
alle leerlingen omlaaggaat. Ook voor de kinderen met extra behoeftes
werkt het niet. Die worden vaak uitgesloten. Het zijn allemaal hele
mooie ideeën, maar die lijken in de praktijk niet te werken. Dan zouden
we toch, juist voor de kinderen die extra behoeftes hebben en extra zorg
nodig hebben, die transitie niet moeten doorzetten?
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Of we moeten zorgen voor de randvoorwaarden en ervoor zorgen dat leraren
hun werk kunnen doen, de klassen kleiner worden en er betere
opleidingsmogelijkheden komen. Ik vind dat we al die jaren veel te
weinig naar het onderwijspersoneel hebben geluisterd. De bezuinigingen
van de afgelopen jaren hebben daar natuurlijk ook niet bij geholpen. Je
kan dan twee dingen doen. Je kunt zeggen dat het niet werkt en dan een
heel groot deel van de kinderen in de steek laten. Ik vind namelijk ook
dat kinderen met een handicap of met een extra ondersteuningsbehoefte
het recht hebben om net als alle andere kinderen volwaardig onderwijs te
krijgen. Ik vind dat kinderen het recht hebben om met elkaar op te
groeien. Ik vind ook niet dat kinderen het gevoel moeten hebben van: ik
ben bijzonder en apart dus ik moet naar een andere school. Dat gevoel
hoort er nu soms wel bij. Dat vind ik niet terecht, maar dat gevoel is
er soms wel bij kinderen.
Ik vind dus dat wij hier als Kamer de verplichting hebben om voor al die
mensen, dus niet alleen het onderwijspersoneel, maar ook hun ouders en
kinderen, te zorgen dat ieder kind onderwijs krijgt dat bij zijn of haar
ondersteuningsbehoefte past. Dat zijn we aan hen verplicht. Laten we
daar de komende tijd nou alsjeblieft met elkaar op inzetten en laten we
met elkaar het ministerie veel strakker controleren op dat dit eindelijk
gaat gebeuren.
De heer Kisteman (VVD):
Mevrouw Westerveld had het erover dat we er als Kamer strak bovenop
moeten zitten. Ik zal daar straks zelf ook nog een voorstel voor doen.
Hoe ziet mevrouw Westerveld het zelf?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
In de beginjaren van passend onderwijs werkte ik nog bij de Algemene
Onderwijsbond. Toen zat ik twee keer per jaar op de tribune voor een
apart debat over passend onderwijs. We hebben dat nu veranderd in één
keer per jaar. Dat doen we al jaren. In tijden van verkiezingen wordt
dat nog weleens verder uitgesteld, dus ik zou willen voorstellen dat we
het er in ieder geval twee keer per jaar over hebben. Wat mij betreft
komt er ook twee keer per jaar een update — ik heb daar ook al eens
eerder naar gevraagd — zodat we als Kamer in ieder geval beter de vinger
aan de pols kunnen houden. Laat het duidelijk zijn dat we wat mij
betreft nog veel vaker over onderwijs zouden mogen praten. Met die ene
keer per jaar, terwijl we hier nu praten over brieven van Mariëlle Paul
uit mei 2025, vind ik echt dat we onszelf als Kamer en vooral de mensen
in het onderwijs tekort doen.
De heer Kisteman (VVD):
Heeft mevrouw Westerveld ook nog bepaalde verwachtingen en wensen
richting de staatssecretaris en het ministerie?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik merk het volgende. Nu lezen we in de voortgangsbrief hoe de moties
van vorig jaar zijn uitgevoerd. Soms zijn die niet of nog niet
uitgevoerd, zoals de motie over kinderen met een ernstige meervoudige
beperking. Ik weet dat de heer Kisteman dat ook een heel belangrijk
onderwerp vindt. Je kunt daar dan pas een jaar later weer verder naar
vragen. Dat vind ik dus zonde. Ik zou heel graag willen dat we een heel
duidelijk plan krijgen richting inclusief onderwijs. Dat gaat om dat
"transitieplan", of we hoe dat ook noemen. Vervolgens zou ik willen dat
we per halfjaar gaan monitoren of we op de goede weg zitten. Ik zou
willen dat we monitoren of we de doelen, die al heel lang geleden door
het kabinet beloofd zijn en waar ook de Kamer in meerderheid achter
staat, gehaald hebben of dat we wellicht moeten bijsturen. Dat lijkt mij
in ieder geval een betere werkwijze dan de manier waarop we het nu
doen.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Ik stel voor dat we mevrouw Van der Plas het woord
geven. Zij heeft om 10.00 uur namelijk nog een debat ergens anders. Het
woord is aan u, mevrouw Van der Plas. Uw vijf minuten gaan nu in.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou nog wel één korte vraag willen stellen aan mevrouw Westerveld,
als dat mag.
De voorzitter:
Uiteraard mag dat.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Westerveld heeft het over de doelen, maar is dit niet juist waar
wij als politiek steeds op vastlopen? Er worden allemaal doelen gesteld
waarvan eigenlijk al duidelijk is dat die niet haalbaar zijn. Vervolgens
loop je daarin vast. Je gaat dan eigenlijk heel krampachtig proberen om
die doelen te halen, terwijl én het werkveld én de leerlingen daar
misschien niet bij gebaat zijn.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Aan deze discussie vind ik het volgende altijd zo jammer. Laat ik
onderwijs en zorg als voorbeeld pakken. We weten dat de Leerplichtwet
best wel verouderd is en dat die uitgaat van een aantal zaken die gewoon
niet voor alle kinderen kunnen, bijvoorbeeld een vastgestelde
onderwijstijd of de locatie. We weten dus ook al heel lang, in ieder
geval al vanaf 2015, dat de Leerplichtwet aangepast zou moeten worden,
maar ik heb daar nog geen voorstel voor gezien, terwijl we daar al heel
lang naar vragen. Ik noem ook de brief met 25 punten uit 2019, als ik
het goed heb. Over een aantal zaken staat er gewoon: wet- en regelgeving
moet worden aangepast. We zijn zes jaar verder en de wet- en regelgeving
is nog niet aangepast. Als dat niet gebeurt, als wij maar blijven
wachten en als wij er elke keer opnieuw naar moeten vragen, dan gaan we
de doelen niet halen. Ik zou heel graag willen dat we wél
wetsvoorstellen krijgen, dat we wél afwijken van de onderwijstijd, dat
we de Leerplichtwet aanpassen, dat we basisondersteuning in de wet
regelen, dat we het leerrecht eens gaan vastleggen, dat we kleinere
klassen gaan regelen. Dat soort zaken zouden we gewoon kunnen regelen
als politiek, als die keuzes worden gemaakt. Maar zolang we dat niet
doen, blijven die doelen uit zicht.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Mevrouw Van der Plas, ik stel voor dat u met uw eerste
termijn begint. Dan hebben we nog tijd om daar goed naar te luisteren en
de mogelijkheid om interrupties te plegen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel en dank aan mevrouw Rooderkerk dat ze mij even voor laat
gaan.
Ik sprak een moeder. Zij zei: sinds mijn kind op een reguliere school
zit, wordt hij eindelijk wel uitgenodigd voor kinderfeestjes en zijn er
wel speelafspraken. Dat maakt inclusief onderwijs mooi. Het zorgt ervoor
dat kinderen niet langs de zijlijn staan, maar meedoen. Dit ging
overigens om een Samen naar School-school. Fysiek en verstandelijk
beperkte kinderen zitten dan samen met andere kinderen op een reguliere
school en krijgen daar onderwijs.
Maar we moeten ook eerlijk zijn over wat er nodig is om inclusief
onderwijs te laten werken, want alleen een mooi ideaal opschrijven is
niet genoeg. Vorige week kreeg de Kamer het rapport "Help(t) inclusief
onderwijs?" aangeboden. Het is een goed onderbouwd en uit de praktijk
gegrepen rapport. De boodschap is glashelder: leraren zien het ideaal,
maar slaan groot alarm over hoe het nu in de praktijk gaat. Zij zeggen:
"De randvoorwaarden zijn niet op orde. Klassen zijn te groot. Er zijn
grote personeelstekorten. Er is te weinig specialistische ondersteuning,
te weinig tijd, te weinig rust. Nu lijden alle leerlingen en de leraren
onder dit passende onderwijs, omdat er weer eens iets ingevoerd is,
terwijl de randvoorwaarden niet op orde zijn."
Voorzitter. Eigenlijk zeggen we tegen ouders en kinderen: gefeliciteerd,
van ons mag jij ook meedoen. Vervolgens stuur je een kind wel naar die
beloofde reguliere school, maar zonder begeleiding, zonder expertise,
zonder rust, zonder dat die randvoorwaarden op orde zijn. Het is net
alsof je iemand die niet kan zwemmen het water in duwt, omdat je het hem
gunt dat hij leert zwemmen. Wij kunnen hier in Den Haag wel zeggen dat
we inclusief bezig zijn, maar ondertussen laten we de leerlingen, de
ouders en de leraren gewoon spartelen.
Het rapport doet daarom ook duidelijke aanbevelingen: eerst de basis op
orde brengen, kleinere klassen, meer leraren en ondersteuners, meer
specialistische begeleiding, betere samenwerking met de zorg, en behoud
en versterking van het speciaal onderwijs. Pas daarna moeten we verdere
stappen zetten richting inclusiever onderwijs. In het rapport staan heel
verstandige aanbevelingen. Daarom wil ik de staatssecretaris vragen wat
zij concreet gaat doen met deze aanbevelingen. Ik zal die aanbevelingen
hier niet stuk voor stuk benoemen, want ik weet zeker dat het rapport
gelezen is. Het staat op pagina 14, mocht je het even kwijt zijn. Ik wil
graag per aanbeveling weten hoe die ingevoerd gaat worden, wanneer het
geregeld is en hoe we als Kamer een terugkoppeling krijgen. Laat daarbij
ook weten hoe de mensen uit de sector zelf betrokken zijn bij de
uitwerking en vooral of zij vinden dat het in de praktijk ook echt beter
wordt. In het rapport lezen we namelijk: "De trein dendert door op weg
naar inclusief onderwijs, terwijl de werkvloer niet gehoord wordt."
Waarom niet, vraag ik. Hoe voorkomen we dat inclusie averechts gaat
werken voor alle leerlingen?
Voorzitter. Dan kort over het leerlingenvervoer. Voor veel leerlingen
geen passend onderwijs zonder passend vervoer. Een leerling kan pas
meedoen …
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat hoefde niet per se midden in de zin, maar ik wilde nog terugkomen op
het vorige punt, want ik ben het daar volledig mee eens. Toen passend
onderwijs werd ingevoerd, zagen we eigenlijk ook zoiets. "Passend
onderwijs voor elke leerling" zijn mooie woorden, maar de praktijk staat
daar haaks op. Dat weten we. We hoeven het niet allemaal op te sommen,
maar ik heb het over al die thuiszitters, al die knellende situaties.
Hoe moeten we hier als Kamer de komende tijd mee omgaan?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat zat ook een beetje in de vraag die ik aan mevrouw Westerveld stelde.
Wij doen hier in Den Haag heel veel dingen met ontzettend goede
bedoelingen, omdat wij vinden dat iedereen erbij hoort en dat het
inclusief moet zijn. We tekenen ook op andere gebieden allerlei
verdragen, nationaal en internationaal. Wij committeren ons aan allerlei
dingen omdat we het zo goed willen doen, maar er wordt hier te weinig
nagedacht over de vraag of het eigenlijk wel kan. Als we een verdrag of
iets dergelijks tekenen, wat zeggen we daar dan met z'n allen mee? Als
je een verdrag tekent, word je daar vervolgens wel aangehouden. Sterker
nog, iedereen kan dan naar de rechter stappen als je je niet aan dat
verdrag houdt, bijvoorbeeld. We maken het onszelf dus best moeilijk. Wat
hier vaak vergeten wordt, is om eerst even goed te kijken naar de
praktijk: helpt wat we gaan doen wel in de praktijk? We willen ergens
naartoe, maar vaak willen we te snel en denken we niet goed na over de
gevolgen. Dat zie je hier ook gebeuren.
Mevrouw Beckerman (SP):
Daar ben ik het helemaal mee eens, maar ten aanzien van passend
onderwijs heeft mijn partij vooraf gewaarschuwd: als je dit op deze
manier doet, wordt het knellend onderwijs. We zagen dat aankomen.
Leraren zagen dat ook aankomen. Zij gingen in staking en zeiden: er is
ons zo veel beloofd op papier, maar als puntje bij paaltje komt, wordt
er keihard bezuinigd op juist deze leerlingen, terwijl zij het het
hardst nodig hebben. Mijn vraag is: wat gaan we als Kamer doen om dit te
voorkomen? We zien namelijk wel dat de trein doordendert. In lijn met
wat mevrouw Westerveld zei, denk ik dat we hier als Kamer veel meer
bovenop moeten gaan zitten, want we hebben hier maar één keer per jaar
een debat over. Anders kunnen we volgend jaar weer dezelfde vragen
stellen.
De voorzitter:
Dit was een wat langere interruptie; dat weet u.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wij gaan over onze eigen agenda, dus wij kunnen hierover zo vaak
vergaderen als we willen. Misschien zou het goed zijn om hier inderdaad
wat vaker over te debatteren.
Wat gaan wij als Kamer hieraan doen? Ik denk dat wij er heel erg voor
moeten waken dat … Ik heb aan de staatssecretaris en de minister
gevraagd om te kijken naar de aanbevelingen: wat gaan zij met die
aanbevelingen doen? Wat moeten wij hier doen? Na dit commissiedebat
volgt een tweeminutendebat en dan zie ik weer een motiebrij ontstaan van
allemaal goede bedoelingen, omdat we het zo goed willen doen. Daar
zouden we misschien ook eens wat voorzichtiger in moeten zijn. Wat vraag
je nou eigenlijk in zo'n motie? Wat heeft dat voor gevolgen voor het
werkveld?
We zouden veel meer in de praktijk moeten gaan luisteren naar mensen die
hier verstand van hebben. Met alle respect voor ons allemaal: wij hebben
niet allemaal verstand hiervan. We proberen het zo goed mogelijk te
doen, door met mensen te spreken, door rapporten te lezen en door ons te
informeren, maar de mensen die er verstand van hebben, zitten daar. Daar
zitten die mensen; ze zijn hier in groten getale aanwezig. Als zij
zeggen "jongens, doe dit niet, want dit gaat zo niet werken", dan moeten
wij die motiebrij even niet doen. We willen het vaak laten zien: kijk
ons eens goed zijn. Dat moeten we misschien gewoon niet doen.
Ondertussen vraag ik aan de bewindspersonen hoe zij omgaan met de
aanbevelingen. Hoe kunnen we dit structureel verbeteren?
De voorzitter:
Ik let een beetje op uw tijd. U was midden in een zin en die mag u van
mij herhalen. Meneer Van Houwelingen, een korte vraag.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik ben het er helemaal mee eens. Ik heb eigenlijk dezelfde vraag. Het
werkt niet, zegt het veld. Moeten we er dan niet mee stoppen? Om uw
metafoor te gebruiken: moeten we, in plaats van de trein minder hard te
laten rijden, niet gewoon de wissel omleggen? Het hele idee, hoe
sympathiek ook, werkt namelijk niet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Iedereen die het rapport heeft gelezen, ziet dat er niet per se wordt
gezegd: stop hiermee. Er wordt echter wel gezegd: op deze manier, als
het zo gaat, is het gewoon heel lastig. De leerlingen in de klas hebben
daar last van en de leraren hebben er ook last van. Laat kinderen die
speciaal onderwijs nodig hebben, gewoon naar het speciaal onderwijs
gaan. Ik ben onlangs nog op werkbezoek geweest bij Werkenrode in
Nijmegen. Mevrouw Westerveld is net even weg, maar zij kent dat ook. Dat
is een school voor speciaal onderwijs en de kinderen zijn daar
dolgelukkig. Zij hebben, binnen hun capaciteiten, ook echt een hele
goede kans op een baan. Stoppen vind ik … We hoeven ook niet terug naar
de jaren zeventig, zeg maar, maar laten we er wel eerst voor zorgen dat
de basis op orde is. Daarna kunnen we kijken wat er mogelijk is en waar
dat mogelijk is. Als het ergens niet mogelijk is, moeten we dan ook
constateren: niet doen.
De voorzitter:
De laatste twee minuten van uw spreektijd.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is een beetje bizar. Zo meteen zit ik in een debat over terrorisme
en extremisme. Dat is een compleet ander onderwerp weer, maar ook
belangrijk. Maar ik wil het hier toch even goed afmaken.
Ik had het over het leerlingenvervoer. Daar wil ik ook kort nog even wat
over zeggen. Voor veel leerlingen is er geen passend onderwijs zonder
passend vervoer. Een leerling kan pas echt meedoen op school als hij
daar op een veilige, betrouwbare en haalbare manier kan komen. Maar voor
veel kinderen loopt het daar spaak. De reistijden zijn te lang, het
vervoer is vaak onbetrouwbaar en maatwerk ontbreekt. Vervoer is geen
bijzaak, het is een randvoorwaarde voor inclusief onderwijs. Hoe staat
het met de werkagenda leerlingenvervoer? Gaan de leerlingen daar alleen
iets van merken als de werkagenda is afgerond, of al eerder? Om welke
concrete verbeteringen gaat het?
Voorzitter. Ik sluit af met de uitstroom van leerlingen uit leerroute 1
en 2. Die jongeren hebben na school een passende plek in de samenleving
nodig, een plek met structuur, ontwikkeling en begeleiding. Maar steeds
vaker lukt het niet om zo'n passende dagbestedingsplek te vinden, omdat
het juiste aanbod er simpelweg niet is. Dan vallen deze jongeren tussen
wal en schip, juist in een fase van hun leven waarin zij nog zoekende
zijn. Veel van deze jongeren gaan nog niet zelfstandig wonen, maar lopen
er vervolgens wel tegenaan dat passende ondersteuning of dagbesteding
vaak gekoppeld is aan wonen of zwaardere indicaties. En wat dan? Moet
hun ontwikkeling dan maar even wachten? Dan mogen ze pas verder leren en
ontwikkelen als ze ook oud genoeg zijn om zelfstandig te gaan wonen. Hoe
verdrietig is het als jouw ontwikkeling, jouw groei, jouw plekje in de
samenleving maar even uitgesteld wordt omdat je nét niet in de bestaande
mal past? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat er meer passende
dagbestedingsplekken komen voor deze doelgroep? Hoe zorgen we voor meer
maatwerk in de indicatiestelling, zodat jongeren niet eerst een
woonvraag hoeven te hebben voordat zij passende ondersteuning kunnen
krijgen?
Daarnaast hoor ik graag hoe de minister ervoor gaat zorgen dat
onderwijs, gemeenten en zorgaanbieders beter gaan samenwerken, zodat
deze jongeren na school niet uit beeld raken, maar door kunnen naar een
passende plek.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik probeer overigens straks nog even terug te komen voor de
antwoorden.
De voorzitter:
U mag gewoon terugkomen als dat past. Ik geef u toestemming
daarvoor.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De deur is niet gesloten. Zó fijn om te horen.
De voorzitter:
Fijn dat u terugkomt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wens iedereen een goed debat.
De voorzitter:
Ik wens u ook een heel goed debat. Mevrouw Rooderkerk, aan u het woord.
Uw vijf minuten gaan nu in.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter, en dank aan iedereen die hierbij aanwezig is. Het
toont de urgentie aan om nu echt voortgang te bereiken in het passend
onderwijs, op weg naar inclusief onderwijs. Passend onderwijs begint bij
een eenvoudige belofte: niet het kind moet passen in het systeem, maar
het systeem moet passen bij het kind. Die belofte wordt voor 70.000
kinderen die thuiszitten niet waargemaakt: geen klaslokaal maar een
keukentafel thuis en ouders die moeten strijden voor een plek op school
voor hun kind. Dat mogen we niet normaal gaan vinden.
D66 is ervan overtuigd dat we dit fundamenteel moeten aanpakken, niet
met een nieuw actieplan maar met een wettelijk verankerd recht op
onderwijs. We werken graag met andere fracties samen aan een leerrecht.
Daar hebben we een initiatiefwet voor. Zolang dat recht er niet is,
blijft passend onderwijs een belofte zonder afdwingbare kracht. Vandaag
wil ik het hebben over drie zaken: het recht op onderwijs, de goede
voorbeelden van hoe het wel kan en inclusief onderwijs.
Ik begin met het recht op onderwijs. Samenwerkingsverbanden zijn
wettelijk verplicht een dekkend aanbod te bieden, maar een aanbod is pas
dekkend als alle kinderen naar school kunnen. En dat is duidelijk niet
zo, want 70.000 kinderen zitten thuis. Wie bepaalt dan wanneer dat
aanbod dekkend is? Hoe leggen samenwerkingsverbanden verantwoording af?
Wat gebeurt er als ze hier niet aan voldoen? Ik vraag de
staatssecretaris om een concreet overzicht van het aantal thuiszitters
per samenwerkingsverband en gemeente, en om een meetbare doelstelling om
dat aantal omlaag te brengen.
Ook is het in het belang van het kind dat de leerplichtambtenaar eerder
in beeld komt en daarbij een preventieve rol heeft. Ik ben ook blij dat
ons amendement is aangenomen. Ik heb veel mensen en organisaties
gesproken die daar blij mee zijn. Daar is Ingrado zelf ook mee bezig.
Het gaat erom dat de leerplichtambtenaar niet alleen ouders de plicht
oplegt om kinderen naar school te laten gaan, maar ook kijkt naar het
recht van het kind om een passende plek te vinden, voordat het uitvalt.
Hoe ondersteunt de staatssecretaris leerplichtambtenaren in deze rol en
hoe worden de resultaten gemonitord? Ik ga in mijn hele bijdrage vragen
om resultaten, om cijfers, om voortgang, want dat is wat op dit
onderwerp continu ontbreekt.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik hoorde D66 zeggen dat men wil samenwerken met verschillende partijen.
Bedoelt mevrouw Rooderkerk daar politieke partijen mee?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, daar bedoel ik inderdaad politieke partijen mee, maar ook alle
partijen die daaraan bijdragen, waarvan er hier heel veel zitten, die
ook heel graag willen dat dat leerrecht verankerd wordt en die zich er
ook hard voor inzetten om daar een goed voorstel van te maken.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Wilt u dan ook samenwerken met de Groep Markuszower, de PVV en Forum
voor Democratie?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb niet zo'n behoefte om het debat van gisteravond met uw
fractievoorzitter over te doen, maar wij werken samen met wie hierop wil
samenwerken. Eerlijk gezegd kan het mij helemaal niets schelen welke
partij er wil meedoen. Ik wil graag dat iedereen hieraan meedoet. Ik
vind het in het belang van deze kinderen, die 70.000 kinderen die
thuiszitten, dat we dit voor elkaar krijgen. Ik vind het geen politieke
kwestie. Ik hoop echt oprecht dat elke partij die ook wil opkomen voor
deze kinderen, met ons wil samenwerken. Ik steek daar zelf ook mijn hand
voor uit, want ik vind het te belangrijk dat wij zorgen dat kinderen
weer naar school kunnen.
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik waardeer dat enorm. Ik zal het ook zeker ter harte nemen. Waar wij
kunnen samenwerken, is het altijd onze intentie om samen te werken,
ongeacht de politieke kleur of overtuigingen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Kennelijk heeft het debat van gisteravond dan toch iets van een
verandering teweeggebracht bij de partij van de heer Claassen. We gaan
het zien.
Dan kom ik bij de goede voorbeelden. Er zijn genoeg goede voorbeelden
die laten zien dat het wel kan. De Samen naar School-klassen waar ik
langs ben geweest, maar ook onlangs bij de prestentatie die we als
Kamercommissie kregen van de Fixers, die in Amsterdam-Diemen ervoor
zorgen dat jongeren die al zijn uitgevallen en echt in moeilijke
situaties zitten, toch weer naar school kunnen, met heel veel
persoonlijke aandacht en begeleiding. Dit moet niet blijven bij leuke
voorbeelden die in een brief beschreven staan. We moeten te weten komen
op hoeveel plekken in Nederland dit gebeurt en als wij weten dat iets
werkt, moeten we zorgen dat dat in elk samenwerkingsverband gedaan
wordt. Hoe zorgen we dan ook voor concrete cijfers en resultaten?
Ook aan het onderwijs op afstand moeten we denken. In Vlaanderen hebben
de scholen daar wettelijk het recht om onderwijs digitaal aan te bieden,
wanneer een kind bijvoorbeeld kort uitvalt door ziekte, maar ook
langdurig. Kunnen de staatssecretaris en de minister aangeven hoe dat
hier zit en of daarvan ook een wettelijke verankering nodig is? LBVSO
stelt ook voor om te zorgen voor een laptop met camera voor elke school,
zodat kinderen die er niet bij kunnen zijn, de kans krijgen om het
onderwijs te blijven volgen alsof ze in de klas zitten. Nog voordat ze
uitvallen, zouden die laptops op scholen beschikbaar moeten zijn voor
kinderen. Is de staatssecretaris bereid om daar mogelijkheden voor te
bieden binnen de leermiddelenbegroting?
Dan mijn derde punt: het inclusief onderwijs. Wij kunnen plakband
blijven plakken op een systeem dat niet werkt, of we kunnen eerlijk
zijn: passend onderwijs in z'n huidige vorm schiet tekort. D66 wil
toewerken naar echt inclusief onderwijs. Natuurlijk, speciale scholen
blijven bestaan voor wie ze echt nodig heeft. De misvatting dat speciale
scholen helemaal zouden verdwijnen, wil ik wegnemen. Er is niemand die
dat zegt en er is ook geen kabinetsbrief die dat zegt.
Wat wij wel willen, is dat zo veel mogelijk kinderen samen naar school
kunnen, in een klas, in een wijk, dat ze samenleven, dat ze de kans
krijgen om mee te doen in de samenleving en wel op scholen in hun eigen
buurt. Dat vraagt, zoals de AOb heel terecht uitspreekt, goede
randvoorwaarden die ook op orde zijn, leraren die erop toegerust zijn en
kleinere klassen — we werken aan een initiatiefwetsvoorstel daarover met
mevrouw Beckerman — en het vergt gedragsspecialisten en orthopedagogen
op school. Is de staatssecretaris bereid om een
professionaliseringsbudget dat er komt voor leraren ook hierop in te
zetten? Kan zij ingaan op die randvoorwaarden en op hoe ze daar concreet
aan wil gaan voldoen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik ben aangenaam verrast dat D66 min of meer lijkt toe te geven dat het
systeem nu niet werkt, dat we dus een systeemprobleem hebben en dat er
altijd speciale scholen moeten blijven bestaan, als ik mevrouw
Rooderkerk goed heb verstaan. Wat ik begrijp uit de stukken is dat het
idee is dat er in 2035 geen speciale scholen meer zijn, als ik dat goed
begrepen heb. Wij zijn daar heel erg tegen, maar is D66 dan ook tegen
die stip op de horizon?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is niet wat er in de brieven staat. Daarin staat dat we naar
inclusief onderwijs toe willen, wat betekent dat we meer kinderen een
plek op school kunnen geven. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de Samen
naar School-klassen. Ik ben daar ook op bezoek geweest. Reguliere
scholen hebben dan een aparte klas waardoor kinderen dus gewoon met de
kinderen op die school naar school kunnen gaan, maar wel extra zorg en
ondersteuning krijgen — het zijn ook kleinere klassen, met meer leraren
op minder kinderen — om echt aan de behoefte van de kinderen te voldoen.
Dat zijn de voorbeelden die laten zien hoe je dat voor elkaar kunt
krijgen. Er zijn ook andere hele mooie initiatieven. Het is interessant
om ook daar eens samen heen te gaan met de partijen die hier aanwezig
zijn, zodat we echt zien hoe we deze voorbeelden overal in het land voor
elkaar kunnen krijgen. Dat is waar we naar streven. We zien nu namelijk
dat we aan twee kanten kinderen verliezen, aan de ene kant omdat ze
thuis komen te zitten omdat er helemaal geen school is en aan de andere
kant omdat de wachtlijsten voor het speciaal onderwijs enorm zijn en
alleen maar oplopen. Dat werkt dus niet. Willen we dat oplossen, dan
moeten we er echt naartoe dat kinderen meer naar reguliere scholen toe
kunnen, zij het met een aparte voorziening of klas. In het kort zegt dus
niemand dat het speciaal onderwijs waar dat echt noodzakelijk is, niet
zou kunnen blijven bestaan.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot dan. Ik denk dat er duidelijk een capaciteitsgebrek is in het
speciaal onderwijs; daarom zijn er ook die wachtlijsten. Ik zou dus tot
slot het volgende aan mevrouw Rooderkerk willen vragen. Het schijnt nu
zo goed als onmogelijk te zijn om een nieuwe school op te richten in het
speciaal onderwijs. Dat is ook logisch, want men wil natuurlijk naar
inclusief onderwijs toe. Daar is trouwens in 2019 al een motie over
aangenomen door de Kamer. Zou D66 dus ook een motie kunnen steunen die
het weer makkelijk maakt, mogelijk maakt, zou ik wellicht zelfs willen
zeggen, om nieuwe scholen voor speciaal onderwijs op te richten?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
We hebben de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen, waarmee aan de lopende
band scholen worden opgericht, zoals ook scholen die gelieerd zijn aan
Forum, waar we ook wel wat van vinden, dus daar bent u vast mee bekend.
Dat is volgens mij dus niet het probleem. We zien dat de wachtlijsten
voor het speciaal onderwijs lang zijn, maar dat we eigenlijk ook heel
graag de beweging willen maken naar meer Samen naar School-klassen. Wat
ons betreft moet dat gewoon bij elk samenwerkingsverband mogelijk zijn,
zodat de kinderen in het samenwerkingsverband die nu thuiszitten, dan
wél samen naar een school toe kunnen. Als je dat met elkaar organiseert,
dan gaat dat natuurlijk beter. Dat betekent wat ons betreft dus niet dat
er nog meer speciaalonderwijsscholen bij moeten komen, want dan houd je
dus het huidige systeem in stand. Wil je naar inclusief onderwijs, dan
moet je er ook aan werken dat je op meer reguliere scholen voorzieningen
mogelijk maakt.
De voorzitter:
Tot slot, heel kort.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, tot slot, omdat ik maar geen antwoord krijg op mijn vraag, wat vrij
irritant is. Mijn vraag is eigenlijk heel simpel. Zou het, los van
inclusief onderwijs en Samen naar School, wat D66 betreft op z'n minst
net zo makkelijk moeten zijn om een school in het speciaal onderwijs op
te richten als het is om een andere, reguliere school op te richten?
Laat ik het dan maar zo formuleren.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Excuus dat ik geen antwoord geef op de vraag, maar dan was mij die niet
helemaal helder. Ik wil horen wat dan de bezwaren zijn. Ik ken niet de
bezwaren dat het qua wetgeving veel moeilijker zou zijn om een
speciaalonderwijsschool op te richten dan om een reguliere school op te
richten, anders dan dat het natuurlijk wel vraagt om veel meer zorg,
ondersteuning, leraren et cetera. Daar zit dan bij mij een
onduidelijkheid.
De voorzitter:
Uw laatste halve minuut spreektijd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Tot slot het financieringssysteem. Ik ben blij dat de bewindspersonen
van zowel Onderwijs als Zorg hier aanwezig zijn, want het is van belang
dat er veel meer wordt samengewerkt, ook op de budgetten. Zodra een kind
een toelaatbaarheidsverklaring voor het speciaal onderwijs krijgt, gaat
het geld bijvoorbeeld mee naar die school, maar als een kind met de
juiste ondersteuning gewoon op een reguliere school kan blijven, dan
moet het geld ook daar ingezet kunnen worden. Wij pleiten dus voor een
flexibilisering van die middelen, zodat een kind niet hoeft te verhuizen
naar een andere school. Hoe kijken de bewindspersonen daarnaar?
Tot slot. In de brief zie ik ten eerste te weinig feiten, cijfers en
resultaten. Ik vrees echter ook voor het nieuwe regionale
ondersteuningsnetwerk dat wordt opgericht. We zien steeds dat er een
structuur op een structuur op een structuur wordt geplakt, maar het
wettelijk verankeren van het afdwingbare recht op onderwijs en een
doorzettingsmacht wanneer dat niet gebeurt, ontbreekt. Richt u daar dus
op en zorg voor het recht op onderwijs voor elk kind.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank, mevrouw Rooderkerk van D66. We gaan naar mevrouw Raijer,
die spreekt namens de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De PVV heeft al jaren gewaarschuwd voor het
zogenaamd passend onderwijs. Dit leidt in de praktijk tot chaos en
overbelasting van kinderen, die tussen wal en schip vallen. Inmiddels
kunnen we vaststellen dat die waarschuwingen terecht waren.
Tienduizenden kinderen zitten thuis zonder goed onderwijs, ouders lopen
vast in een wirwar van regels en leraren raken compleet overvraagd. Wat
ooit verkocht werd als een prachtig ideaal — ook mijn partij vond het
passend onderwijs er op papier heel goed uitzien — is uitgegroeid tot
een systeem waarin de realiteit uit het oog is verloren. Toch blijven we
doorsturen op inclusie en iedereen zo veel mogelijk bij elkaar houden,
terwijl scholen nu al moeite hebben om de boel draaiende te houden.
Klassen worden onrustiger, leraren moeten steeds meer zorgtaken
uitvoeren en veel scholen kampen al met personeelstekorten en overvolle
klassen. Kinderen die extra hulp nodig hebben, krijgen daardoor vaak
juist minder aandacht, in plaats van meer. Kan de staatssecretaris
concreet uitleggen hoe een volledig inclusief onderwijssysteem in 2035
eruit moet komen te zien? Wat betekent dit concreet voor het speciaal
onderwijs?
Voorzitter. Mijn fractie vindt dat scholen weer scholen moeten zijn.
Leraren zijn opgeleid om les te geven en niet om hulpverlener,
gedragscoach of jeugdzorgmedewerker te spelen. Laten we ook stoppen met
doen alsof speciaal onderwijs iets negatiefs is. Voor sommige kinderen
is het juist de plek waar zij de rust, structuur en begeleiding krijgen
die zij nodig hebben. Wat de PVV betreft moet het speciaal onderwijs
juist versterkt worden. In de stukken staat ook nergens dat het speciaal
onderwijs wordt afgeschaft, maar wij zien wel een voortdurende beweging
richting inclusief onderwijs in 2035, waarbij steeds meer kinderen naar
het regulier onderwijs worden geleid. Laat ik even helder zijn: kinderen
die dat aankunnen, moet je zeker naar het regulier onderwijs laten gaan.
Organisaties waarschuwen ervoor dat hierdoor de druk op het speciaal
onderwijs verder zal toenemen en dat de kwaliteit en toegankelijkheid
onder druk komen te staan. Kan de staatssecretaris aangeven wat zij gaat
doen om dit te voorkomen?
Voorzitter. Niet elk kind is hetzelfde, niet elk kind leert hetzelfde en
niet elk kind hoort automatisch in dezelfde klas terecht te komen.
Onderwijs moet aansluiten op wat een kind nodig heeft. Goed onderwijs
begint met rust, structuur en veiligheid in de klas. Juist voor kinderen
met het zogenaamde rugzakje is die veiligheid heel belangrijk.
Een ander groot punt van zorg is de jeugdzorg. Die staat al behoorlijk
onder druk. Hoe is de staatssecretaris van plan de zorg op reguliere
scholen te faciliteren als die scholen steeds inclusiever moeten worden?
Kan zij aangeven wat er minimaal nodig is om reguliere scholen daarvoor
geschikt te maken? Zijn scholen daar überhaupt voldoende voor uitgerust,
zeker aangezien heel veel schoolgebouwen verouderd zijn?
Daarnaast ziet de PVV dat er rondom passend onderwijs een enorm
bestuurlijk systeem is ontstaan. Mijn collega's van D66 en PRO noemden
dat ook al. Er zijn 151 samenwerkingsverbanden, grote regionale
verschillen en eindeloze overlegstructuren. Terwijl er miljoenen omgaan
in het systeem, groeien de wachtlijsten, stijgt het aantal thuiszitters
en lopen kinderen vast in regels, loketten en procedures. Uit de stukken
blijkt dat scholen, ouders en leerlingen nog steeds te maken hebben met
bureaucratie, versnippering en verschillen per regio. Leraren geven
ondertussen aan dat de druk in de klas alleen maar verder toeneemt. In
het rapport over "iedereen zo veel mogelijk bij elkaar" wordt zelfs
erkend dat het huidige systeem van de samenwerkingsverbanden te
ingewikkeld en te versnipperd is geworden. Is de staatssecretaris daarom
bereid te onderzoeken of deze samenwerkingsverbanden kunnen worden
afgeschaft en of het geld rechtstreeks naar scholen en ondersteuning in
de klas kan gaan?
Voorzitter. De PVV is niet tegen passend onderwijs, de PVV is tegen een
systeem dat kinderen laat vastlopen en leraren laat bezwijken. Ik vind
dat we daarvoor moeten maken — mijn voorgangers hebben dat ook al gezegd
— bij de invoering van het inclusief onderwijs.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we verder met mevrouw Beckerman, namens de SP.
U mag wachten totdat de bel voorbij is. Haal allemaal even diep adem.
Dan gaan we zo meteen … Voor de mensen op de publieke tribune: deze bel
betekent niet dat het hier niet goed gaat. Het is een opmaat voor uw
eerste termijn, mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter. Wat als we vanaf nul zouden kunnen beginnen? Hoe zou ons
ideale onderwijs er dan uitzien? Kleine klassen? Aandacht voor elk kind?
Leraren met autonomie? Scholen in de buurt? Wat ons betreft zijn dat
openbare scholen, waar zo veel mogelijk verschillende kinderen welkom
zijn en iedereen gelijke kansen krijgt, met aanpassingen en extra
ondersteuning voor wie het nodig heeft, bijvoorbeeld door een schaduw,
een extra ondersteuner, in de klas, of meer speciaal onderwijs voor wie
dat nodig heeft. Ook gaat het geld voor onderwijs wat ons betreft ook
echt naar onderwijs. Het is pijnlijk om te zien hoe ver we daarvan
verwijderd zijn. De aantallen zijn al heel vaak genoemd: 70.000
leerlingen — het zijn maar schattingen — die thuiszitten, uitvallen en
klem zitten. Er zijn wachtlijsten voor het speciaal onderwijs. Er zijn
grote klassen. De werkdruk voor leraren is hoog. Hoe komen we van de
huidige situatie naar de gewenste situatie?
Voorzitter. Dat we moeten veranderen, dat het systeem faalt, is
duidelijk. Maar gaat de overheid het deze keer wel goed doen? Dat is de
grote vraag. Leren we van de fouten die gemaakt zijn bij de invoering
van onder andere het passend onderwijs, waar zo veel leerlingen dag in,
dag uit de dupe van zijn? Voor de invoering van passend onderwijs
waarschuwde de SP: passend onderwijs knelt als je de randvoorwaarden
niet op orde hebt. Helaas kregen we daarin ook gelijk.
De Algemene Rekenkamer wees er deze week nog maar eens op dat er
samenwerkingsverbanden zijn waar al het geld naar het speciaal onderwijs
gaat, wat ook nodig is, maar dat er daardoor geen ondersteuningsbudget
meer over is voor passend onderwijs op reguliere scholen. Dit alles
terwijl leerlingen in de klas minder aandacht krijgen en de werkdruk van
leraren stijgt, met uitval en tekorten tot gevolg. Graag een reactie van
het kabinet.
Voorzitter. Leren we van de fouten die gemaakt zijn bij de invoering van
passend onderwijs, of maken we dezelfde fouten opnieuw? Inclusief
onderwijs klinkt heel erg mooi, maar als het alleen bij modieuze
beleidstaal blijft, wordt het de volgende ramp voor het onderwijs. Als
je de structurele problemen niet oplost, kun je steeds een andere naam
bedenken maar wordt de uitkomst niet minder problematisch voor
leerlingen en leraren. Daarom vraag ik ook met klem aandacht voor de
zorgen uit de praktijk, van leerlingen en van leraren. Het meeste
personeel ziet het namelijk niet gebeuren in 2035. Ze zien het niet
alleen als onrealistisch, maar ze zien het echt als risicovol. Ze
verwachten precies de problemen die we nu ook al zien: een gebrek aan
middelen, personeel en expertise, te grote klassen, hoge werkdruk en een
gebrek aan passende faciliteiten. Bovendien voelen ze zich niet
gehoord.
Dat geldt vooral voor het personeel dat het onderwijs daadwerkelijk
verzorgt of ondersteunt. Hoe verder men van de klassen af staat, hoe
minder kritisch men is. Terwijl we toewerken naar integratie en afbouw
van het speciaal onderwijs, is twee derde van het personeel daarop
tegen. Mijn voorgangers hebben het ook al gevraagd, maar ik krijg graag
een reactie op het rapport en alle concrete aanbevelingen daarin.
Toen passend onderwijs werd ingevoerd, gingen leraren staken. Als het
kabinet toen had geluisterd, was het niet zo'n ellende geworden die het
voor veel leerlingen en leraren nu is. Op papier was het zo mooi: het
onderwijs moest passen bij elke leerling. Maar voordat het goed en wel
was ingevoerd, waren de budgetten daarvoor alweer weg. En toch zien we
opnieuw dezelfde houding. We horen opnieuw dat leraren en leerlingen te
weinig gehoord worden. In haar brief zegt de staatssecretaris de zorg te
begrijpen en erop te vertrouwen dat de bonden met haar aan de slag
willen om de komende periode stappen te zetten. Maar wat gaat de
staatssecretaris zelf doen om het onderwijspersoneel er beter bij te
betrekken? Welke concrete stappen komen er? De voorgangers hadden het er
al over: we hebben geen concreet stappenplan. We weten niet wat het plan
is.
Voorzitter. Mijn laatste minuut voor twee onderwerpen. We zijn blij dat
onze motie over leerlingenvervoer is aangenomen, maar wat gaat daar
concreet mee gebeuren? Jaarlijks zijn er 4 miljoen ritten die te laat op
school arriveren, als de leerlingen überhaupt al aankomen. Er is nu een
werkagenda. Wat betekent dat concreet? Wordt het voorstel van de SP om
niet meer aan te besteden meegenomen?
Voorzitter. Tot slot, het rommelpotje. Dat was bedoeld voor al die mooie
initiatieven die er zijn buiten de samenwerkingsverbanden om leerlingen
te helpen die nu uitvallen of klem zitten. We vroegen in het vorige
debat naar de besteding ervan. Nu blijkt dat ten minste een deel hiervan
alsnog naar extra activiteiten van de samenwerkingsverbanden zelf gaat.
Dat was niet de intentie. Het is mooi dat er een evaluatie achteraf
komt, maar je kunt toch veel beter nu al ingrijpen en zorgen dat het
echt terechtkomt bij de leerlingen die het nodig hebben.
Dank u wel.
De voorzitter:
Tot op de seconde nauwkeurig. Een ervaren Kamerlid. Meneer Claassen,
probeer dat ook maar eens.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Sterker nog, ik ga het binnen de vijf minuten doen. We zitten hier met
twee dikke Kamerbrieven van de staatssecretaris. Alle voorgangers hebben
het er al over gehad. De regering meldt positieve effecten van de Wet
kwaliteit (v)so sinds 2013: meer opbrengstgericht werken, een sterkere
focus op basisvaardigheden en betere voorbereiding op uitstroom. Maar
tegelijkertijd erkent ze zelf dat het misgaat. Het opp is uitgegroeid
tot een dik zorgdossier vol irrelevante informatie. Vso-scholen
gebruiken nauwelijks nog gewone examens. Leraren zijn onvoldoende
voorbereid op zware ondersteuningsbehoeften. De uitval is dramatisch.
Slechts 41% tot 45% van de arbeidsmarktprofielleerlingen heeft na vier
of vijf jaar nog werk. In het mbo valt meer dan de helft uit op
entreeniveau of op niveau 2. Dat zijn geen cijfertjes, dat zijn kinderen
die tussen wal en schip vallen.
Wat doet de regering? We zien precies de Haagse reflex waar de heer
Beertema, de voorganger op onderwijs binnen onze gedeelde gelederen, zeg
ik tegen mevrouw Raijer, al jaren voor waarschuwde: nog een
verbetertraject opp, nog een expertisepunt, nog een handreiking, nog
meer samenwerking. Mevrouw de staatssecretaris, hoe moet een vso-leraar
die al verzuipt in formulieren nog fatsoenlijk lesgeven als er telkens
een nieuw traject bovenop komt? Wanneer stopt u met de eindeloze stroom
aan plannen?
De kern van het probleem wordt niet aangepakt. Het is de ideologische
inclusieagenda die alles naar regulier onderwijs duwt, terwijl veel
kinderen met zware beperkingen, gedragsproblemen of verstandelijke
handicaps juist in het gespecialiseerd onderwijs mogelijk, denken wij,
het beste zouden kunnen gedijen. De recente evaluatie en de Staat van
het Onderwijs 2025 liegen er ook niet om. Regulier onderwijs raakt
overbelast, leraren branden op en de kinderen betalen de prijs.
Garandeer daarom ruime, goed gefinancierde vso-plaatsen in plaats van ze
weg te bezuinigen.
Voorzitter. We hebben beknellend onderwijs — het is al gezegd — in
plaats van passend onderwijs. Duizenden thuiszitters bewijzen dat.
Thuiszitten begint ook al vaak veel eerder, in een klas zonder rust,
waar de leraar brandjes blust en ongewenst gedrag de leeromgeving
bepaalt. Passend onderwijs is voor de meeste leerlingen simpel: een
ordelijke, veilige school, met structuur, duidelijke regels, hoge
verwachtingen, en een leraar die de klas onder controle heeft. De
Nederlandse klas is de afgelopen decennia veranderd in een omgeving vol
zorg en gedragsproblemen. Niet overal, want categorale gymnasia en
scholen buiten de grote steden doen het prima. Maar juist waar de orde
onder druk staat, heerst het lerarentekort en vluchten gemotiveerde
leerlingen weg. Daar wordt passend onderwijs een lege belofte.
DNA wil regulier onderwijs dat voor meer dan 95% van de leerlingen
werkt, klassikaal, gedreven door bevoegde leraren met hoge
verwachtingen, met discipline en de kennis die centraal staat. De
Michaela Community School in Londen bewijst dat het kan. Het staat in
een superdiverse omgeving. Er is structuur, er zijn duidelijke normen en
positief gedrag wordt gehandhaafd. Zolang ordeverstorend gedrag onder
het mom van gelijke kansen domineert, betalen de welwillende leerlingen
de prijs. De voorvechters van zogenaamde kansengelijkheid doen aan
"cosplaydeugen", gepamper dat neerkomt op bigotry of low expectations.
Daarom zeg ik ook: heb gewoon hoge verwachtingen van je kinderen en je
studenten. Dat is eervol en dat zal hen stimuleren. Echte gelijke kansen
bieden we met uitstekend onderwijs dat verheft.
Voorzitter. De bureaucratie die het systeem log maakt, moet verdwijnen:
het opp moet terug naar één simpel A4-tje, geen twee onafhankelijke
deskundigen meer en één landelijk digitaal tlv-format zonder jaarlijkse
heraanvragen. De voorzitter mag dadelijk alle afkortingen even
uitleggen. Wanneer haalt u die rompslomp weg, zodat leraren weer les
kunnen geven? Of is er weer, zoals mevrouw Van der Plas zei, een salvo
aan moties nodig om dat voor elkaar te krijgen? Ik denk dat dat niet
gaat werken. Vso-leraren verdienen beter. Geen pabo-light, maar gerichte
vakopleidingen. Focus op kennisoverdracht, orde en basisvaardigheden, in
plaats van op inclusie-ideologie. Wil de staatssecretaris deze ideologie
in het onderwijs en in alle plannen dan laten varen?
De nazorg vanaf 1 januari 2026 moet actief en praktijkgericht. Echte
stages bij bedrijven, voor wie dan ook. Geen papieren begeleiding.
Alleen zo dalen de uitvalcijfers.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Westerveld.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb nog één zin. Mag dat?
De voorzitter:
Eén zin nog? Jazeker.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het passend onderwijs is voor ons geen logisch experiment. Het is een
praktische opdracht. Ieder kind krijgt het onderwijs dat bij hem past
zonder dat leraren, reguliere scholen of kwetsbare leerlingen de
rekening betalen. Minder papier en meer resultaat.
C'est tout.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij willen de meeste mensen hier graag dat kinderen zo veel
mogelijk met elkaar naar school gaan. Voor sommige kinderen is dat
echter niet mogelijk; daar heb je dan gespecialiseerd onderwijs voor
nodig. Mijn vraag is waarom de heer Claassen het idee achter inclusief
onderwijs nou weer afdoet als "inclusie-ideologie". Volgens mij zijn dat
soort termen nergens voor nodig en doen ze ook heel veel mensen tekort
die gewoon willen dat hun kind het allerbeste onderwijs krijgt, zo veel
mogelijk met andere kinderen, en het liefst op een school in de buurt.
Volgens mij is dat het idee. Dat hoeven we niet op deze manier neer te
zetten.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ben het wel met u eens, hoor, maar politiek is soms ook om iets zo
neer te zetten dat het aandacht krijgt. Daarom stelt u mij ook die
vraag. Ik denk dat het een hele goede vraag is. Net werd het voorbeeld
gegeven van een kind met een ernstige meervoudige beperking. Natuurlijk
kun je niet verwachten dat dat geen aandacht behoeft of nodig heeft. Dat
heeft ook met vervoer te maken. De docent, degene die voor de klas
staat, snapt wat de problematiek van een kind met een meervoudige
handicap is. Logisch! Maar er is natuurlijk ook een grijs gebied in dit
hele verhaal en dat maakt het soms heel lastig. Soms helpt het om te
zeggen: weet u, we hebben gewoon de normale verwachtingen; we verwachten
normaal gedrag en daar wordt een kind op aangesproken. Het gaat dus niet
om de kinderen met een meervoudige beperking of een ernstige handicap,
maar het gaat om het gebied waarin al heel snel wordt gezegd: dat moet
inclusief en dat moet allemaal maar kunnen; dan passen we onze
verwachtingen maar aan. Dat is volgens mij een misonderkenning van het
kind an sich.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp niet zo goed wat er nou mis is met rekening houden met de
specifieke behoeften van een kind. Dat heeft er ook mee te maken dat we
steeds beter weten, op grond van wetenschappelijk onderzoek, dat
kinderen verschillende leerbehoeften hebben. Dat kan ook gelden voor
kinderen met bijvoorbeeld autisme, kinderen met een licht verstandelijke
beperking of kinderen die enorm prikkelgevoelig zijn. We weten allemaal
dat dat een rol kan spelen in de reden waarom kinderen thuiszitten. We
moeten nu vooral niet doen alsof dat de schuld is van die kinderen, dat
zij te veel vragen van het onderwijs. We weten dit, dus wat is er dan
mis mee om rekening te houden met de behoeften van kinderen om
thuiszitten tegen te gaan, om meer van elkaar te leren en om te zorgen
dat leraren zo veel mogelijk hun werk kunnen doen in de klas en
begrijpen wat er aan de hand kan zijn met een kind, dus waarom een kind
soms niet zo goed kan meedoen?
De voorzitter:
Dit was een lange interruptie; dat begrijpt u.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Enorm eervol dat er dan niet meer dan 30 seconden wordt gebruikt om dat
aan mij voor te leggen. Ik begrijp het idee wel. Ja, dat is mooi, maar
het is totaal niet uitvoerbaar. Tegenwoordig heeft elk kind wel iets. Er
is een beetje een cultuur aan het ontstaan dat elk kind maakbaar en
perfect moet zijn. Als het kind daar niet aan voldoet, vinden ouders dat
er iets mee is en vragen ze om een specifieke behandeling, begeleiding
of de inzet van ik-weet-niet-wie om maar te kunnen voldoen aan de
standaardeis voor hoe een kind in de klas zou moeten kunnen presteren.
Een docent zou dan ook maar alles moeten kunnen doen om daar iets mee te
doen. Soms is het gewoon goed om te zeggen: dit is de standaard en die
verwachting hebben we van jou; daar gaan we je op aanspreken en bij
begeleiden. Je kunt niet voor alle afwijkingen iets bedenken waarvoor
een docent dan maar dat specifieke passende onderwijs moet geven. Dat is
volgens mij het grote probleem waardoor sommige docenten gillend de klas
uit rennen.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik dacht dat de voorzitter mij misschien geen derde interruptie meer zou
geven.
Maar volgens mij doet de heer Claassen hiermee het idee achter inclusief
onderwijs tekort, maar ook heel veel kinderen en heel veel ouders. Ja,
natuurlijk, op het moment dat een kind niet z'n best doet, mag je het
kind daarop aanspreken. Maar er worden zaken gevraagd van kinderen die
gewoon niet kunnen. We weten ook steeds meer dat dat zo is. Laten we
daar gewoon zo veel mogelijk rekening mee houden. Volgens mij is dat het
idee achter inclusief onderwijs.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Daar ben ik het dus niet mee eens. Ik denk dat je goed moet kijken naar
waar je die grens legt. In de wereld zoals die nu geschetst wordt, is
elk kind uniek. Ja, dat snap ik; elk kind is uniek. Maar als je een klas
hebt met 30 kinderen, ieder kind uniek is met zijn eigen vragen en je
één docent voor de klas zet die met al die specifieke dingen rekening
moet gaan zitten houden, dan is het werk niet te doen. Volgens mij
hebben we docenten daar ook niet voor gekozen. In de wereld die nu
geschetst wordt, betekent dit dat nog meer docenten het onderwijs uit
gaan. Verstevig de positie van die docenten en zorg ervoor dat die hun
onderwijs gewoon goed kunnen geven. Leer ze … Misschien moet ik het
anders zeggen: misschien moet ook ouders geleerd worden dat hun kind
heel erg bijzonder is, maar misschien een beetje minder uniek in al zijn
vormen. Ik denk dat het enorm gepsychologiseerd is in de huidige
maatschappij.
De heer Hamstra (CDA):
Ik hoorde de heer Claassen net "normaal gedrag" zeggen. Als het gaat
over de jeugdzorg, waar ze van 1 op de 27 kinderen naar 1 op de 7
kinderen gaan, gaat het ook vaak over hoe breed de norm is van wat
normaal gevonden wordt. Wat vindt de heer Claassen dan normaal gedrag?
Hoe ziet hij dat?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Laten we zeggen dat het in de volksmond het gedrag is dat op het moment
overeenkomt met de verwachtingen van de omgeving. Ik ben geen socioloog
en ook geen psycholoog, maar dat is ongeveer wat je mag verwachten van
normaal gedrag in de klas. Jeugdgezondheidszorg is mijn portefeuille
niet, hoor, maar er zijn enorme wachtlijsten in de zorg. Volgens mij
krijgt hele laagcomplexe zorg voorrang, omdat die een hoge turn-over
heeft. Die gaan we dus heel graag vergoeden. Het is misschien een gevolg
van de huidige maatschappij dat ouders blijkbaar, als een kind huilend
in de gang ligt te dreinen om nog meer chocomel, denken: we hebben een
probleem en we moeten daarmee naar jeugdzorg. Ik denk dat dat ook een
heel groot probleem is in onze maatschappij.
De heer Hamstra (CDA):
Een kind dat in de gang chocomel wil, hoeft inderdaad geen jeugdzorg.
Dat zijn we volgens mij met elkaar eens. Ik ben jeugdzorgwoordvoerder.
Een van de problemen waar we in de jeugdzorg tegen aanlopen, is dat die
norm zo beperkt is. Dat is ook een van de redenen — ik kom daar in mijn
termijn ook op terug — waarom inclusief onderwijs zo'n goed idee is.
Misschien kunnen we daar straks nog even verder over doorpraten. Dat is
voor ons de reden om hier wel achter te staan.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik sta er niet achter dat inclusief onderwijs verkeerd is. Alleen, ik
ben bang dat we, net als bij passend onderwijs, helemaal gaan doorslaan
en dat we voor elk kleurtje en elk vakje allemaal oplossingen gaan lopen
bedenken waardoor we het probleem niet oplossen. Ik denk dat de opdracht
aan de minister — volgens mij heb ik dat ook gezegd — is: kom met een
duidelijke afbakening van wat dat dan zou moeten zijn of laat het gewoon
varen en verwacht wat je van andere kinderen ook verwacht. Dat is, denk
ik, ook gewoon heel eerlijk.
De voorzitter:
Goed, hartelijk dank. Een vso-leraar is een leraar in het voortgezet
speciaal onderwijs. Ik zeg het even, omdat dit een van uw afkortingen
was. We proberen dat zo veel mogelijk te vermijden. Ik help iedereen
daar dan ook een beetje bij.
De heer Hamstra (CDA):
Ja, en tlv is: toelaatbaarheidsverklaring.
Voorzitter. Het maakt uit waar je wieg staat. Dat geldt helaas voor veel
zaken in het leven. Het maakt bijvoorbeeld uit of de plek waar je woont
een vochtig huis vol schimmel is of dat het een warme, comfortabele
woning is. Het maakt uit of dat in een wijk staat waar veel
criminaliteit is of in een veilige buurt waar ouders elkaar kennen.
Hetzelfde geldt voor de kwaliteiten die je hebt meegekregen. Het ene
kind functioneert nu eenmaal makkelijker in het schoolsysteem zoals we
dat bedacht hebben dan het andere. Het CDA vindt het belangrijk dat
kinderen kansrijk kunnen opgroeien, ongeacht waar je wieg staat en
ongeacht de kwaliteiten en de talenten die je hebt meegekregen. Juist
daarom zijn passend onderwijs en nu inclusief onderwijs zo belangrijk.
Vandaag wil ik het over drie onderwerpen hebben: inclusief onderwijs,
zorg in onderwijstijd en leerlingenvervoer.
Laat ik bij inclusief onderwijs beginnen. Het doel dat gesteld is, is
dat uiterlijk in 2035 zo veel mogelijk scholen die funderend onderwijs
geven, inclusieve scholen zijn. Die ambitie is mooi, maar de praktijk is
weerbarstig. Kinderen en ouders lopen vast door trage uitvoering,
onduidelijke regie en verschillen tussen regio's en
samenwerkingsverbanden. De onderwijsinspectie concludeerde vorig jaar al
dat 7 van de 28 onderzochte samenwerkingsverbanden een onvoldoende
scoren. Een probleem was het ontbreken van een dekkend aanbod en passend
onderwijs. Als het gaat om thuiszitters: we hebben het al gehad over de
70.000 kinderen die langer dan drie maanden thuiszitten en over de meer
dan 280.000 kinderen die geen volwaardig onderwijs krijgen. Ik weet dat
het ministerie cijfers heeft die lager zijn, maar ook die laten een
stijging zien van het aantal kinderen dat kortere of langere tijd
thuiszit. Zijn zij voldoende in beeld, is mijn vraag aan de
staatssecretaris.
Ik heb een vraag aan de minister over de wet reikwijdte. Daarin staat
dat er een wederzijdse plicht voor gemeenten en scholen moet zijn om
samen te werken en afspraken te maken. Maar in hoeverre gaat dit
concreet bijdragen aan het verlagen van het aantal thuiszitters? Het
voorstel van de staatssecretaris, of eigenlijk moet ik zeggen van de
minister, is een langetermijnoplossing. Mijn vraag is: wat is de
kortetermijnoplossing? De kern is dat veel kinderen nog steeds tussen
systeem en uitvoering vallen, terwijl het beeld is dat het nieuw papier
oplevert en te weinig werkbare verbetering voor leerlingen, ouders en
leraren. De inzet moet daarom verschuiven van een discussie over van
systeem naar uitvoering gaan. Wie levert wanneer een merkbaar resultaat
voor kind, ouder en school? De staatssecretaris kiest voor een
gefaseerde aanpak, met elke drie jaar een ijkmoment. Daar zijn wij
voorstander van. Ik denk dat dat verstandig is. Maar denkt de
staatssecretaris dat zij tussentijds voldoende kan bijsturen? Welk
instrumentarium heeft zij in haar gereedschapskist zitten om bij te
kunnen sturen?
Voorzitter. Dan zorg in onderwijstijd.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dit is volgens mij zo'n debat waarin de meeste interrupties erover gaan
dat we het eens zijn maar we wel willen kijken hoe we dit willen
aanpakken. Ik zie eigenlijk hetzelfde als bij passend onderwijs: op
papier was het zo mooi toen het ingevoerd werd. Het klonk fantastisch:
iedere leerling het onderwijs dat bij hem of haar past. Nou,
fantastisch. En toch wisten we vanaf de start: dit gaat knellen. Hoe
voorkomen we dat opnieuw? Ik zie dat we heel veel vragen stellen, ook
omdat we aan de ene kant wel dat mooie woord hebben dat ik echt wel een
beetje een modewoord vind, maar dat we aan de andere kant heel weinig
weten als Kamer. Welke rol zouden wij moeten innemen?
De voorzitter:
Dit was uw tweede lange interruptie.
De heer Hamstra (CDA):
Dan ga ik ook een extra lang antwoord geven. Waar het volgens mij om
gaat, is dat de randvoorwaarden goed op orde moeten zijn. Dat hoorde ik
meerdere collega's ook aangeven; daar ben ik helemaal voorstander van.
Als je dat niet hebt, dan ben je iets aan het invoeren wat op papier
mooi klinkt, zonder dat je de consequenties daarvan goed kan doorleven.
Maar doe het ook vooral samen. Er wordt vaak gewezen naar de mensen, aan
wat voor mij de linkerkant is, die er verstand van hebben, zeg ik dan
maar eventjes. Als dat onvoldoende gebeurt, dan gaat het gewoon niet
werken. Dat geldt niet alleen voor passend of inclusief onderwijs; dat
geldt voor heel veel onderwerpen die we hier in deze Kamer bespreken.
Dat is, denk ik, een van de lessen die we zouden moeten trekken. Dat
lees ik ook wel terug in de brief van de staatssecretaris. Dat is een
van de rollen die wij als Kamer kunnen oppakken in het kader van
monitoring.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Hamstra (CDA):
Dat ga ik doen, voorzitter.
Ik was gebleven bij zorg in onderwijstijd. Er zijn genoeg leerlingen,
zeker in het speciaal onderwijs, die zorg nodig hebben en die ook
krijgen. Zorg en onderwijs zijn vaak gescheiden werelden met gescheiden
beleid en gescheiden financieringsstromen. Maar het is hetzelfde kind.
Twee weken geleden was ik, samen met collega Raijer, bij onderwijsgroep
Leijpark in Tilburg. Daar geven ze een prachtig voorbeeld van hoe zorg
in onderwijstijd gegeven kan worden. Ze namen ons ook mee in de
uitdagingen, bijvoorbeeld waar het gaat om de bekostiging, die bestaat
uit de stapeling van regelingen: de bekostiging vanuit OCW, de drie
verschillende toelaatbaarheidsverklaringen vanuit de
samenwerkingsverbanden en daarbovenop de middelen via jeugdzorg of
Wlz.
Kortom, dit systeem vraagt om bureaucratie om uitgevoerd te worden. Dan
heb ik het nog niet eens over de perverse prikkels, bijvoorbeeld om een
lagere tlv te geven die minder kost. Er zit daar gewoon een incentive
in. De voorgestelde aanpak waarover ik teruglees, wil van het individu
naar het collectief en wil dat knelpunten binnen stelsels worden
opgelost via brede en specifieke bestuurlijke afspraken. Dan heb je het
over inkoop, financiering, verantwoording en organisatie. Maar waarom
denkt de staatssecretaris dat dit nu wel kan werken? Hoe worden ouders
en de vertegenwoordiging van ouders betrokken bij het maken van
dergelijke bestuurlijke afspraken over zorg in het onderwijs? Wordt er
naast met de onderwijsinstellingen ook echt met hen samengewerkt?
Voorzitter. Tot slot ten aanzien van dit punt: hoe wordt geborgd dat er
voldoende pgb voor zorg thuis overblijft bij een collectieve inzet op
school, bijvoorbeeld voor de momenten dat een kind om verschillende
redenen niet naar school kan? Graag een reactie van de staatssecretaris
hierop.
Voorzitter. Het laatste punt dat ik wil maken, gaat over
leerlingenvervoer. Leerlingen moeten tenslotte ook naar school. Als
wethouder ben ik verantwoordelijk geweest voor de uitvoering. Ik ken de
schrijnende verhalen van de radeloze ouders: geen vaste chauffeurs,
waardoor er elke week een ander gezicht voor de deur stond, chauffeurs
die niet kwamen opdagen, en ritten die veel te lang duurden, waardoor
kinderen in hun broek plasten, te laat aankwamen op school of, nog
erger, veel te vroeg kwamen, waardoor er van warme overdracht zeker geen
sprake was.
Vorige week overhandigde de gemeente Katwijk ons namens de alliantie een
petitie met een aantal aanbevelingen. Volgens de alliantie staat passend
onderwijs ernstig onder druk. De aanhoudende problemen schaden het
welzijn, de ontwikkeling en de onderwijskansen van kwetsbare leerlingen.
Staatssecretaris Becking heeft een landelijke werkagenda voor het
leerlingenvervoer opgesteld. Dat is een stapje, maar verandert dat nu
wat aan de praktijk? De alliantie komt met stappen die verder gaan dan
de werkagenda van staatssecretaris Becking. Ik noem drie aanbevelingen.
Eén: maak van leerlingenvervoer een publieke randvoorwaarde voor het
leerrecht. Twee: stel landelijke minimumnormen vast, bijvoorbeeld
maximale reistijden en normen voor veiligheid, begeleiding, continuïteit
van chauffeurs en klachtenafhandeling. Drie: stop aanbestedingen die
alleen sturen op prijs. Welke aanbevelingen kan de staatssecretaris
overnemen? Daar hoor ik graag een reactie op.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zou het CDA graag willen vragen welke aanbeveling het CDA zou kunnen
overnemen. Dat is niet bedoeld als een flauwe vraag. Ik vraag het omdat
dit onderwerp al heel lang speelt, omdat er al heel lang vanuit de Kamer
breed wordt gevraagd aan de bewindspersonen om in te grijpen, en omdat
de wethouder in Katwijk samen met anderen al heel lang aan de bel trekt.
Is het CDA dus ook bereid om verder te gaan?
De heer Hamstra (CDA):
Het antwoord is: ja, zeker. Ik noem bijvoorbeeld de landelijke
minimumnormen. We zien gewoon dat we in 2014-2015 heel veel zaken
gedecentraliseerd hebben en dat we daar nu op terugkomen. Neem de
minimumregelingen of jeugdzorg: waar je wieg heeft gestaan of waar je
woont, maakt uit voor wat voor zorg of ondersteuning je krijgt. Dat kan
natuurlijk niet! Ik heb van dichtbij meegemaakt wat er gebeurt als je
bij een aanbesteding alleen maar stuurt op prijs: goedkoop is duurkoop.
Uiteindelijk komt daar zo veel ongein achter weg; dat moet je niet
willen. Wij kunnen dus met heel veel aanbevelingen uit de voeten. Ik ben
wel benieuwd wat de reactie van de staatssecretaris is met betrekking
tot de consequenties die dat met zich meebrengt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wat betreft die aanbesteding hebben we al vaker gezegd: maak daar nou
een landelijke aanbesteding van en zorg nou ook dat er meer chauffeurs
komen. We hebben daar in 2019, meen ik, met toenmalig minister Wiersma
nog een spoeddebat over gehad. Is het CDA dan ook bereid om niet alleen
te zeggen meer te willen, maar het ook echt te gaan doen en te zorgen
dat daar middelen en wellicht wetswijzigingen voor komen? Is het CDA dus
ook bereid om dat soort stappen te zetten?
De heer Hamstra (CDA):
Ik had de vraag verwacht. Ik snap die ook heel goed. Het antwoord is:
ja. De vraag die hier altijd mee gepaard gaat, is waar we dat dan mee
dekken. Ik kan nu niet overzien wat dat betekent en wat we dan
bijvoorbeeld niet meer kunnen doen. Dat gesprek ga ik dus wel graag met
u en met andere collega's aan. Het tekort aan chauffeurs is een van de
grootste problemen. Er is natuurlijk nog steeds een krappe arbeidsmarkt.
We hebben niet een blik dat we kunnen opentrekken en waar in één keer
zoveel chauffeurs uit kunnen komen, maar daar kun je wel beleid op
maken. Daar denk ik dus ook graag verder over mee.
De voorzitter:
Oké. Afsluitend mevrouw Westerveld nog.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij moeten we de antwoorden van het kabinet afwachten. Het lijkt
me mooi om daarin samen op te trekken.
De voorzitter:
Helder. Dit was uw spreektijd in eerste termijn, meneer Hamstra. Wij
gaan luisteren naar de heer Boomsma namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Dit debat wordt gevoed door een
verheven ideaal, of eigenlijk door twee idealen: dat alle kinderen naar
dezelfde buurtschool gaan en dat alle kinderen daar ook nog precies het
onderwijs krijgen dat bij ze past. Die droom is op zich niet nieuw.
PvdA-minister Van Kemenade kwam er al mee in 1974. Vanaf 1992 heette dat
dan "Weer samen naar school". Vervolgens is die droom vervat in het
VN-verdrag Handicap uit 2016 en de Werkagenda VN-verdrag Handicap.
Artikel 24 van het verdrag vraagt alle ondertekenaars om te zorgen voor
een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus. In 2014 is deze droom
vervat en gestold in nieuwe beleidstermen zoals "passend onderwijs" en
"inclusieve leeromgeving", en is het doel van 2035 in de wet
opgenomen.
Voorzitter. Wat er in al die jaren niet kwam, is een adequaat plan om
ook de voorwaarden te scheppen om het benaderen van die idealen
daadwerkelijk te realiseren, om dat handen en voeten te geven. Zomaar
prachtige ambities formuleren — eigenlijk hebben velen hier al naar
verwezen — zonder het ijzeren voornemen en de voorwaarden te formuleren,
lijkt een soort magisch denken. Ook iets tot een recht verklaren zonder
dat verder uit te werken, vind ik overigens een soort magisch denken.
Dat gaat het ook nog niet oplossen.
De realiteit anno 2026 is gewoon dat alle seinen op rood staan. Het
aantal thuiszittende kinderen neemt toe, zowel met vrijstelling als
zonder. Het zijn er 70.000, maar er zijn bijvoorbeeld ook nog eens 6.000
kinderen die al drie maanden niet ingeschreven staan maar eigenlijk wel
naar school moeten. Het aantal kinderen in de jeugdzorg neemt toe. Het
gaat inderdaad nu om een op de zeven. Het aantal kinderen in het
speciaal basisonderwijs is gewoon toegenomen, en het aantal in cluster 4
ook, dus speciaal basisonderwijs voor kinderen met gedragsproblemen. Het
neemt allemaal toe.
Waarom kan wat in de afgelopen vijftig jaar niet is gelukt, nu in dik
acht jaar opeens wel? Dat lijkt me toch een recept voor mislukking. Ik
zou tegen de staatssecretaris zeggen: kom gewoon met een realistische
doelstelling. Velen hebben gezegd dat er altijd wel scholen voor
speciaal onderwijs zullen zijn, maar hoe dan? Laten we kijken wat we
moeten behouden als voorraad. Wat is er in elke regio nog nodig? Ik vind
dat nu nog veel te vaag.
Voorzitter. Uiteindelijk is de realiteit ook dat passend en inclusief op
een gegeven moment gewoon tegenstrijdig kunnen worden. Het uitgangspunt
is natuurlijk heel goed: probeer ervoor te zorgen dat alle kinderen, als
het enigszins mogelijk is, op een reguliere school kunnen blijven, ook
als ze met specifieke problemen kampen, en bied alle ondersteuning die
daarvoor nodig is. Je moet ervoor waken dat scholen te snel afscheid
nemen van kinderen als het lastig is, maar er zijn natuurlijk ook gewoon
grenzen. Er is al eerder over gesproken, maar volgens mij is de
belangrijkste grens dat het haalbaar moet zijn voor de docenten en dat
het niet ten koste mag gaan van de andere kinderen.
Als kinderen een rolstoel hebben, extra zorg of aandacht krijgen of een
plek op school hebben waar die zorg wordt geboden, dan heeft niemand
anders daar last van. Zet daar dus volop op in. Ga dat dan ook goed
realiseren. De vraag is dan wel hoe je ervoor zorgt dat het extra geld
dat nu voor die zorg en ondersteuning bij het speciaal onderwijs zit,
dan naar het regulier onderwijs gaat. Ik denk dat je heel veel extra
kosten op andere plekken kunt voorkomen als je zorg op school kunt
bieden, maar zorg er dan wel voor dat leraren en schoolbesturen daar zo
veel mogelijk zeggenschap over houden en dat ze eigenaar zijn voor wat
betreft hoe ze dat het beste kunnen inrichten.
Voorzitter. Dan nog heb je altijd kinderen met gedragsproblemen. Als die
structureel de les verstoren of zo veel aandacht vragen dat er te weinig
overblijft voor andere kinderen, dan gaat dat ten koste van andere
kinderen. Dat is gewoon niet goed. Leraren kunnen ongekend veel, maar ze
kunnen niet op drie plekken tegelijk zijn. Het is dus niet verrassend
dat 70% volgens de bonden zegt hier niet in te geloven. Sterker nog, men
geeft aan dat het streven ook averechts kan werken. Het kan juist leiden
tot meer thuiszitten als je te veel op de verkeerde manier op
inclusiviteit gaat sturen. Dat leidt namelijk tot meer onrust in de klas
en dergelijke. Op veel scholen krijgen leerkrachten al steeds meer
gedragsproblemen op hun bord. De opdracht moet dan niet gericht zijn op
hoe we dat onderwijs zo inclusief mogelijk maken, maar op hoe we dit zo
goed mogelijk werkbaar houden.
Juist in het streven naar een inclusieve werkomgeving is een goed
werkend noodventiel belangrijk, zoals dat nu bestaat in de vorm van
opdc's, waar kinderen tijdelijk naartoe kunnen als het echt even niet
meer gaat. Dat moet gewoon te voorzien zijn en dat moet gewoon
beschikbaar zijn. In hoeverre is dat netwerk nu dekkend? Welke kansen
ziet de staatssecretaris om dat te verbeteren? In hoeverre ziet zij dat
ook als voorwaarde voor het streven naar meer inclusiviteit
elders?
Een andere vraag is: wat wordt er nou precies gedaan om negatieve
prikkels die inclusiviteit eigenlijk weer ontmoedigen, uit de
beoordeling van de inspectie te verwijderen?
Voorzitter. De belangrijkste uitdaging is nu toch vooral gewoon de basis
op orde krijgen. Ik denk dat de beste manier om scholen inclusiever te
maken, gewoon beter onderwijs is. Ik was vrijdag op de Heldringschool in
Rotterdam-Zuid. Dat is een school voor speciaal basisonderwijs. Die
school behaalt hele goede resultaten met klassikaal onderwijs,
expliciete directe instructie gecombineerd met hoge verwachtingen, goed
klassenmanagement, rust, reinheid, regelmaat, discipline, strenge regels
en een voorspelbaar regime. Ik ga afronden, voorzitter. Kinderen waar
het eerder niet goed mee ging, deden daar gewoon braaf mee. Ik heb ook
een les bijgewoond, waarbij ik heel veel heb geleerd over Egyptische
kunst. Dat werkt dus gewoon. Dan moet je toch niet een streven
formuleren dat zo'n school eigenlijk zou moeten verdwijnen? Die
onduidelijkheid moet ook weg, denk ik ...
De voorzitter:
Rond u af.
De heer Boomsma (JA21):
Ja. Oké, dan laat ik het hierbij.
De voorzitter:
U bent een halve minuut over uw tijd heen. Ik probeer daar wel rekening
mee te houden. Hartelijk dank voor uw bijdrage. De heer Van Houwelingen
heeft een vraag aan u, meneer Boomsma.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Misschien kan hij een deel van wat hij nog wil zeggen kwijt in het
antwoord. Ik zou in ieder geval het volgende willen vragen. Ik heb dit
al een paar keer gevraagd. Moeten we niet het hele pad verlaten van die
transitie naar passend en inclusief onderwijs? Moeten we daar niet mee
stoppen? Mocht u verder nog wat te zeggen hebben, dan hoor ik dat ook
graag.
De heer Boomsma (JA21):
Dit zijn sympathieke interrupties. Ik denk dat het niet goed is om
onhaalbare doelen te stellen en dat het dus gewoon niet goed is om te
zeggen: in 2035 zo veel mogelijk. Je moet veel duidelijker aangeven wat
je verwacht dat op dat moment een goed en passend netwerk is van
verschillende typen scholen die we dan gewoon nodig zullen hebben. Dat
geeft ook meer rust aan leraren en meer duidelijkheid over waar we nou
eigenlijk naartoe bewegen. Volledig passend en inclusief lijkt mij dus
gewoon niet kunnen.
Dit brengt mij op één laatste vraag. Schoolleiders in het speciaal
onderwijs die ik heb gesproken, geven ook aan dat zij op die scholen
voor speciaal onderwijs niet kunnen zien welke zorg nu beschikbaar is
voor kinderen die daar al zitten. In Rotterdam kunnen ze bijvoorbeeld
niet zelf opschalen naar een Jeugdbeschermingsplein. Dat verhindert dus
ook de passende aanpak die daar nodig is. Graag ook daarop een
reactie.
De voorzitter:
De heer Van Houwelingen. U bent nu aan het woord voor uw eerste
termijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Passend onderwijs, inclusief onderwijs, klinkt
natuurlijk heel sympathiek. Het ideaal is natuurlijk ook sympathiek,
alleen lijkt het niet te werken. We hebben natuurlijk deze petitie
gehad; dat is al een paar keer ter sprake gekomen. Onder bijna 10.000
leraren is een enquête uitgezet, die allemaal zeggen dat het niet werkt
en niet realistisch is. Minder dan 20% van de leraren — die hebben ermee
te maken — steunt die transitie naar passend en inclusief onderwijs. De
ironie is dus dat het juist niet passend is. Dat is ook logisch;
iedereen had dat kunnen bedenken. Als je leerlingen met ontzettend
verschillende leerbehoeftes in dezelfde klas gaat zetten, krijg je
natuurlijk allerlei problemen. Daarom is ook ooit dat speciaal onderwijs
ontstaan. Daar is een reden voor. Er zijn heel veel problemen. Een
aantal zijn al genoemd: de onrust in de klas neemt toe, het aantal
thuiszitters neemt toe, de prestaties nemen af. Ik denk dat het gewoon
goed is om bij die problemen een aantal citaten voor te lezen van
leraren zelf, die dus in die petitie staan. Dat ga ik ook doen, want die
laten zien wat er aan de hand is. Ik ga daar nu mee beginnen.
Als het om de werkdruk gaat, zegt een leraar: "Het curriculum voor mijn
vak wiskunde is heel erg vol. Ik heb daarom absoluut geen tijd om
achterblijvers binnen mijn huidige taakomgeving de extra aandacht te
geven die ze nodig hebben. Ik schreeuw dan ook om inkeer bij de
beleidsmakers en terugkeer naar speciaal onderwijs, zodat iedere
leerling weer passend onderwijs krijgt."
Een andere leraar zegt over welzijn: "Leerlingen die te veel afwijken
van de norm worden sociaal buitengesloten door medeleerlingen. Dit is
vreselijk om te ervaren voor het kind — dus voor dat kind dat eigenlijk
speciaal onderwijs nodig heeft — en frustrerend om te zien voor de
docent. Bovendien maakt het de ouders wanhopig, omdat ze, net als de
docent, machteloos zijn hierin iets te veranderen. Ze moeten toezien hoe
het kind steeds eenzamer en ongelukkiger wordt."
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoor de citaten. We hebben het rapport natuurlijk ook kunnen lezen.
Ik denk wel dat het iets meer wordt platgeslagen in de manier waarop de
heer Van Houwelingen dit nu interpreteert. Ik wil er een beetje voor
waken — ik hoor dit nu al bij meerdere sprekers — dat we in dit debat
kinderen tegen elkaar op gaan zetten, dat we kinderen als
probleemgevallen gaan bestempelen wanneer het gaat om kinderen met extra
ondersteuningsbehoefte. Ik zie ook de blikken van de ouders hier op de
tribune die dat als pijnlijk ervaren. Ik wil de heer Van Houwelingen dus
ook vragen wat hij precies zegt wanneer hij zegt dat het allemaal niet
kan en dat we niet alle kinderen bij elkaar in de klas moeten
zetten.
De voorzitter:
Dit was een lange interruptie. De heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik zeg dat juist ook voor die kinderen die speciale behoeftes hebben,
voor wie ik heel veel sympathie heb, kan ik u verzekeren. Die leerlingen
komen ook niet tot hun recht in het reguliere onderwijs. Dat is het punt
van de citaten die ik voorlees. De leraren zeggen dat ook. Het laatste
citaat dat ik net oplas, is daar een voorbeeld van. Die kinderen worden
dus bijvoorbeeld buitengesloten. Dat gebeurt niet altijd, maar het
gebeurt soms. Zo is de wereld nou eenmaal. Ik zit hier dus niet in met
de vraag wat goed voelt, maar met de vraag wat werkt. Het gaat mij om
verantwoordingsethiek, om Weber aan te halen. Dat is het enige waar ik
in geïnteresseerd ben: of het werkt of niet. Ik heb heel veel sympathie
voor kinderen die extra behoeftes of een handicap hebben. Dat kan ik
mevrouw Rooderkerk verzekeren. Dat is het verhaal niet. Ik zit helemaal
niemand tegen elkaar op te zetten, integendeel.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
"Kinderen worden buitengesloten; zo werkt de wereld." Er worden hier wat
wereldbeelden opgeworpen. Er wordt gezegd dat inclusief onderwijs een
utopie is, maar ik denk dat wat hier wordt geschetst ook een utopie is,
alsof elk kind naar een speciale school kan worden gestuurd of zo. Dat
is nu een beetje wat de heer Van Houwelingen doet voorkomen, terwijl we
natuurlijk een grote wachtlijst hebben op de scholen voor speciaal
onderwijs. Dus dat is dan toch ook niet de oplossing?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Voor de kinderen waarvoor bijvoorbeeld die Samen naar School-klassen
werken … Ik ben niet tegen Samen naar School. Als dat werkt, de ouders
het willen en iedereen zegt dat het een mooi idee is, dan moet je dat
vooral doen. En er zijn inderdaad wachtlijsten in het speciaal
onderwijs. Straks kom ik daar nog op terug; daar hebben wij ook hele
grote zorgen over. Die wachtlijsten zijn er omdat er onvoldoende
geïnvesteerd wordt in het speciaal onderwijs. Dat is een grote vraag die
ik heb. Het lijkt eerder een soort van sterfhuisconstructie te zijn. Er
worden scholen gesloten. We hadden net een interruptiedebat over iets
waar in 2019 ook een motie over is ingediend door de heer Kwint,
namelijk om het weer makkelijker te maken om speciale scholen op te
richten. Het wordt moeilijk gemaakt, denk ik, omdat men die transitie
naar inclusief onderwijs wil inzetten, waar dus in ieder geval minder
plek is voor speciaal onderwijs. Als je dat speciaal onderwijs gaat
afbouwen — dat is wat er nu toch gebeurt, denk ik — dan is het
natuurlijk logisch dat er op een gegeven moment wachtlijsten ontstaan.
Maar dan moet je daar iets aan doen en dan moet niet de conclusie zijn
dat we dus nog meer moeten inzetten op inclusief onderwijs.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het positieve wat ik hoorde, is dat de heer Van Houwelingen ook niet
tegen de Samen naar School-klassen is en dat dus wel als een oplossing
ziet. Maar hoe hij het wil oplossen … Hij zegt dat er meer scholen voor
speciaal onderwijs moeten worden opgericht. Dat lijkt me dan weer de
hele andere kant op gaan. Dat strookt niet helemaal met elkaar. Ik zou
zeggen: laten we dan met dat eerste idee verdergaan. Zo kunnen we ervoor
zorgen dat kinderen daadwerkelijk een plek krijgen op school die bij hen
past, kunnen we inderdaad voorkomen dat we kinderen allemaal uit elkaar
moeten gaan halen en kunnen we ervoor zorgen dat ze gewoon zo veel
mogelijk met elkaar naar school gaan. Volgens mij hoeft dat niet als een
utopie te worden bestempeld, maar kunnen we dat gewoon doen.
De voorzitter:
Dat was uw tweede lange interruptie. De heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Om dat misschien toch wat te verduidelijken: wij zijn heel erg tegen al
die onderwijsvormen met centraal opgelegde ideeën. Dit wat mij betreft
vreselijke idee van passend en inclusief onderwijs is daar een voorbeeld
van. Als scholen zelfstandig besluiten een Samen naar School-klas op te
richten en het ouders en leraren een goed idee lijkt, wie ben ik dan om
daartegen te zijn? We zijn daar niet tegen of zo. Alleen, wij
constateren dat die hele transitie niet werkt. Ik constateer dat niet,
maar de leraren die ermee te maken hebben, die 10.000 leraren. Daar
maken we ons dus zorgen over. Daarom zeg ik: laten we er alsjeblieft mee
stoppen, want het lijkt niet te werken; laten we weer teruggaan naar het
speciaal onderwijs. Dat is mijn boodschap hier de hele tijd. Als er
mensen zijn die het zo veel mogelijk willen combineren met het regulier
onderwijs, dan kan dat natuurlijk prima — het staat mensen altijd vrij
om te doen wat ze willen — alleen lijkt die transitie niet te werken.
Daar wordt nu op ingezet, wat ons onverstandig lijkt om de reden die ik
net noemde.
De heer Hamstra (CDA):
De transitie in de jeugdzorg van 2015 is een van de redenen geweest
waarom we er nu mee te maken hebben dat een op de zeven kinderen in de
jeugdzorg zit. Dat heeft ook een beetje te maken met het feit dat aanbod
vraag creëert. In hoeverre denkt dat heer Van Houwelingen dat het de
oplossing is als we nu wel gaan investeren in speciaal onderwijs, waar
nu al wachtlijsten zijn en waar de druk nu al gevoeld wordt, en dat we,
als we die weg inslaan, dan niet over vijf of tien jaar dezelfde
discussie voeren, van: hé, het heeft toch niet gewerkt, want de druk is
te hoog en het systeem is niet houdbaar?
De voorzitter:
Ook dat was een lange interruptie. De heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Als ik de interruptie goed begrijp, is de vraag: kan het überhaupt? Dit
is het verhaal dat die leraren ons vertellen. Dat wat we nu doen, kost
pas veel geld. Het zorgt voor enorme verstoringen in onder andere het
regulier onderwijs. Het zorgt ervoor dat kinderen thuis komen te zitten.
Die hebben straks dan wellicht meer zorgbehoeftes omdat ze niet eens
onderwijs krijgen. Zoals we het nu doen, is het dus heel kostbaar en
eigenlijk ook heel inefficiënt. Ik draai de vraag dus om. Ik denk juist
dat wat we nu aan het doen zijn het systeem belast. Dat is wat die
leraren ons ook zeggen in die petitie, die 10.000 leraren. Ze zeggen:
het werkt niet; het belast het hele systeem. Dan zou ik zeggen: geef
passend onderwijs. Dat wil zeggen: de kinderen die extra ondersteuning
nodig hebben, die extra ondersteuning geven in hun eigen omgeving op het
speciaal onderwijs. Dat schijnt beter te werken. Dat ontlast het
systeem, denk ik.
De voorzitter:
Vervolg uw betoog, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik was nog met een paar citaten bezig.
Cognitief niveau. Een andere leraar schrijft dan op: "Leerlingen die
extra aandacht vragen, hebben invloed op het leerklimaat in een klas."
Dat zeg ik niet om leerlingen tegen elkaar op te zetten. Dit is wat
leraren constateren. "Ze houden op, het wordt onrustig en men komt
minder aan leren toe. Dit gaat onder andere ten koste van de
leerprestaties van de reguliere leerlingen." Dat zegt die leraar. Dat is
een zeer zorgelijke zaak.
Onrust. Een leraar zegt: "Door het inclusieve onderwijs is de onrust en
de hoeveelheid werk zeer toegenomen."
Tot slot, thuiszitters. "Het gemiddelde speciaalonderwijskind past
simpelweg niet op een reguliere school", schrijft een leraar. "Ze kunnen
alleen functioneren in een kleine groep in een omgeving met weinig
prikkels en veel structuur." Dat is natuurlijk een andere
schoolomgeving. "Mochten deze kinderen toch naar een reguliere school
móéten, dan zullen veel kinderen overvraagd en dus beschadigd raken."
Het is dus ook niet goed voor die kinderen zelf. Er komen juist veel
kinderen thuis te zitten.
Mijn eerste vraag aan de minister is: hoe reageert de minister nou op al
die citaten van leraren uit het onderwijs die eigenlijk zeggen "dit
werkt niet; stop er alsjeblieft mee"? Dat is mijn eerste vraag.
De voorzitter:
U bedoelt de staatssecretaris. Let daar even goed op.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, de staatssecretaris. Goed dat u daarop let, voorzitter. Dank.
Dan de thuiszitters. Die zijn al een paar keer langsgekomen in het
debat. We zien dat er steeds meer kinderen thuiszitten. Daar hebben we
ook een briefing over gehad. Dat is natuurlijk een hele zorgelijke
ontwikkeling. Dat begint volgens mij al bij de kinderdagcentra. In Den
Haag hebben we wachtlijsten van twee, drie jaar. Dat komt onder andere,
begrijpen wij, omdat die kinderen niet kunnen doorstromen naar het
speciaal onderwijs. Daar heb je weer het gebrek in het speciaal
onderwijs, waardoor dus die hele keten verstopt raakt. De vraag die ik
aan de minister heb, is of dit alles niet wijst op een gebrek aan
capaciteit in het speciaal onderwijs, zoals ik net ook zei. Het aantal
scholen is, zo begrijpen we, in ieder geval voor speciaal basisonderwijs
gedaald. Er zijn ook steeds meer kinderen die een vrijstelling krijgen
op basis van artikel 5a omdat ze dus een lichamelijke of geestelijke
beperking hebben; dat hebben we ook in een briefing te horen gekregen.
Dat is ook zorgwekkend, want waarom zouden er nou ineens meer kinderen
zijn met een lichamelijke beperking? Dat lijkt erop te wijzen dat er dus
geen plek voor hen is in het speciaal onderwijs. Een vraag die ik heb,
ook naar aanleiding van het interruptiedebatje met mevrouw Rooderkerk,
is of het nou klopt dat het dus moeilijk is — daar hebben we hier in de
Kamer een motie over aangenomen, de motie-Kwint uit 2019 — om een school
op te richten in het speciaal onderwijs. Kan dat nog of wordt dat
eigenlijk tegengegaan? Dat zou wel logisch zijn vanuit de gedachte van
die transitie, want die wil dan stoppen met het speciaal
onderwijs.
Tot slot, voorzitter. Het laatste onderwerp waar ik nog heel kort even
op in wil gaan, gaat over de samenwerkingsverbanden. Ik wil de
staatssecretaris vragen: wat is nou de toegevoegde waarde van die
samenwerkingsverbanden? Er wordt heel kritisch door de
onderwijsinspectie over geschreven. Die krijgen vaak het oordeel
onvoldoende. Maar straks wordt er nog extra ingezet, begrijp ik, op die
samenwerkingsverbanden. Die krijgen meer macht, zo lees ik in een brief,
doorzettingsmacht, om dus een kind op een reguliere school te plaatsen
tegen de zin van die school in. Dan zou ik aan de staatssecretaris
willen vragen: is dat nou verstandig? Dan wordt dus de autonomie van die
school ondermijnd. Ik probeer me ook even in te denken hoe dat moet
voelen voor dat kind en de ouder van het kind als je tegen je zin — je
weet dat die school het niet wil — op die school wordt geplaatst door
het samenwerkingsverband. Dat is toch een onhoudbare situatie? Maar daar
wil de minister blijkbaar naar toe. Excuus, de staatssecretaris; dank u,
zeg ik tegen mijn ambtsgenoot die me erop wijst.
Ik rond af. Wij maken ons dus heel veel zorgen over die transitie.
Passend onderwijs klinkt mooi, maar het is dus juist niet passend. Dat
zeg ik niet, maar dat zeggen heel veel leraren die zelf in dat onderwijs
werken. We moeten dat niet door extra inzet weer proberen beter te
maken. Het hele idee is onzalig, dus we zouden die transitie — ik rond
af, voorzitter — wat ons betreft moeten stoppen.
De voorzitter:
Hartelijk dank. We gaan luisteren naar de heer Kisteman voor zijn eerste
termijn. Aan u het woord.
De heer Kisteman (VVD):
Samen met je leeftijdsgenoten naar school gaan in de wijk of het dorp
waar je woont, goed onderwijs ontvangen, samen spelen, leren en je
ontwikkelen: voor de VVD is dat het uitgangspunt als het gaat om
onderwijs. Helaas is het zo dat niet alle leerlingen in het regulier
onderwijs meekomen. Daarvoor hebben wij in 2014 passend onderwijs in het
leven geroepen. Dit had als doel zo veel mogelijk kinderen naar het
regulier onderwijs te laten gaan. Echter is het aantal thuiszitters
enorm gegroeid en is er een wachtlijst voor het speciaal
onderwijs.
Vorige week ontvingen wij van de staatssecretaris de brief Van passend
naar inclusief onderwijs. Mijn fractie staat zeer positief tegenover de
ambitie van het kabinet om in 2035 inclusief onderwijs in Nederland
georganiseerd te hebben. Toch moeten er nog veel vragen ingevuld en
uitgewerkt worden. Daar hebben wij een aantal vragen over.
Zo ontving de commissie — het is al een paar keer gezegd — vorige week
een petitie namens de leraren en die was niet heel positief. De
staatssecretaris geeft in haar brief aan te hopen dat de leraren willen
meegaan in het samenwerken. Maar hoe gaat zij hen meekrijgen? Hoe gaat
zij deze belangrijke factor voor inclusief onderwijs over de drempel
krijgen? Wat als ze niet willen?
Ook geven leraren aan niet goed opgeleid te zijn voor passend onderwijs,
of straks inclusief onderwijs. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor
zorgen dat nieuwe leraren wél goed opgeleid gaan worden en wél het
vertrouwen hebben? De staatssecretaris en de minister — dan bedoel ik
niet deze minister, maar een andere minister — gaan tenslotte niet over
het curriculum van de opleiding. Hoe gaat zij ervoor zorgen dat alle
opleidingen in Nederland aangesloten worden en blijven in deze
transitie? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat dit in heel Nederland op
dezelfde manier gaat, zodat er straks overal in Nederland even goed
opgeleide leerkrachten voor de klas staan?
Voorzitter. 2035 klinkt ver weg, maar het betekent dat de opleidingen in
2030 hier al klaar voor moeten zijn en dus daarmee moeten starten. Dat
roept ook de vraag op welke stappen er nu al gezet zijn om de
opleidingen mee te krijgen.
Voorzitter. Hoe gaat inclusief onderwijs aandacht geven aan hoogbegaafde
kinderen? In de praktijk lijkt het onderwijs toch vooral gericht op
gemiddelde kinderen of kinderen die moeilijker meekomen. Hoe gaan
hoogbegaafde kinderen uitgedaagd worden in het inclusief onderwijs? Deze
groep is groot. Veel van hen zitten thuis. Vaak worden zij
vergeten.
Voorzitter. Er zullen ook meerdere wetten aangepast moeten worden om de
ambities van inclusief onderwijs te behalen; ik vroeg er net al naar aan
mevrouw Westerveld. Het doel is om deze nu in beeld te krijgen. Ik zou
graag van de staatssecretaris willen weten of zij hier een tijdlijn aan
wil koppelen. Wanneer moeten deze wetten door de Tweede Kamer en Eerste
Kamer zijn behandeld en eventueel aangenomen? Is de staatssecretaris
bereid een keiharde tijdlijn te presenteren met daarop wanneer welke wet
in behandeling moet worden genomen en wat dan de stand van zaken is? Ik
zei het al eerder: 2035 lijkt ver weg, maar de tijd vliegt hier voorbij.
Deze en toekomstige Kamers en kabinetten zijn verantwoordelijk voor het
behalen van deze ambitie. Een duidelijk beeld kan zeker bijdragen aan
een goede behandeling en kwaliteit.
Voorzitter. Dan over de geldstromen. In 2026 gaat ongeveer 3 miljard
naar de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. Van dit bedrag
blijft ongeveer 8% achter bij de samenwerkingsverbanden. Dat is geld dat
niet naar kinderen gaat om passend onderwijs te krijgen. Dit geld blijft
achter omdat er een extra bestuurslaag is gecreëerd. Mijn fractie wil
graag van de staatssecretaris weten hoe dit voorkomen gaat worden bij
inclusief onderwijs. Hoe gaat inclusief onderwijs ook efficiënt worden,
zodat middelen doelmatig besteed worden en doelmatig ingezet worden?
Begrijp me niet verkeerd: er is niks tegen bestuurders, maar het kan
soms doorslaan. Geld moet zo veel mogelijk naar de leerlingen en de
ondersteuning die zij nodig hebben. Hoe gaat zij hiervoor zorgen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het is heel fijn om te horen dat ook de VVD kritisch is op die
samenwerkingsverbanden, waar ook de onderwijsinspectie kritisch over is.
Mijn vraag is eigenlijk: wat is volgens de VVD überhaupt de toegevoegde
waarde van die samenwerkingsverbanden? Ze kosten namelijk ook geld. Zijn
we ze niet beter kwijt dan rijk?
De heer Kisteman (VVD):
Het doel van de samenwerkingsverbanden is natuurlijk dat zij de opdracht
hebben om voor elk kind passend onderwijs in de regio te verzorgen. Dat
is als ambitie natuurlijk heel goed, alleen gaat het in de praktijk niet
overal even goed. Wat mij betreft heffen we ze dus niet op, maar richten
we ze gewoon beter in. Daar kom ik zo meteen in mijn vervolg nog op
terug.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. "Maar we heffen ze niet op." Waarom kunnen scholen dat niet
zelf afhandelen? Wat is nou de toegevoegde waarde? Ik snap wel hoe het
op papier staat, maar ze doen hun werk niet goed; u bent er zelf terecht
ook heel kritisch op. Het is weer een nieuwe bureaucratische laag. Zijn
we ze dan niet beter kwijt dan rijk? Ik begrijp niet waarom u ze dan wil
houden.
De heer Kisteman (VVD):
Omdat we nu ook op weg gaan naar inclusief onderwijs in plaats van
passend onderwijs. Het idee is natuurlijk dat je anders misschien als
school wel bepaalde keuzes gaat maken in de trant van: ik wil dit wel en
ik wil dat niet. Op deze manier, door met een samenwerkingsverband te
werken, bied je een dekkend netwerk aan voor de kinderen in de regio.
Dat was het idee van de samenwerkingsverbanden. Bij de ene regio gaat
dat beter dan bij de andere. Volgens mij — daar kom ik zo meteen op
terug — zouden we daar nogal wat stappen in kunnen zetten.
De voorzitter:
Vervolg uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Nog even heel kort over de EMB-leerlingen; mevrouw Westerveld noemde ze
net ook al. Hoe zit het bijvoorbeeld met middelen voor deze leerlingen?
Kunnen die niet gewoon rechtstreeks naar scholen gaan? Voor de ouders is
de zoektocht naar deze vorm van onderwijs al enorm lastig. Hoe gaat dat
straks bij inclusief onderwijs? Wat gaat de staatssecretaris voor die
tijd doen om deze leerlingen en ouders te helpen?
Tot slot, voorzitter. We zijn nog niet bij inclusief onderwijs. Passend
onderwijs lijkt momenteel steeds meer te falen in plaats van te slagen.
De onderwijsinspectie is kritisch; ouders zijn wanhopig. Wat gaat de
staatssecretaris tot 2035 doen om de samenwerkingsverbanden wél te laten
functioneren? Is zij het met mijn fractie eens dat er heel snel
duidelijke kaders en doelstellingen moeten komen voor de
samenwerkingsverbanden, zodat alle leerlingen die de komende negen jaar
nog passend onderwijs nodig hebben, dit ook echt en kwantitatief
ontvangen? Hoe zorgt zij ervoor dat tot die tijd het aantal thuiszitters
gaat afnemen?
Voorzitter, hier wil ik het bij laten. Ik moet zo meteen ook naar de
plenaire zaal toe.
De voorzitter:
Goed. Hartelijk dank. U heeft nog wel een vraag van mevrouw
Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het voor een heel groot deel heel terechte vragen van de heer
Kisteman. De discussie over samenwerking is hier al heel vaak gevoerd.
De discussie over directe bekostiging is hier ook al heel vaak gevoerd.
We merken af en toe wel dat als er dan echt concrete voorstellen van de
Kamer komen, de VVD vervolgens tegenstemt. Ik wil de heer Kisteman dus
vragen: als we nou met elkaar vinden dat het sneller, efficiënter en
beter kan, is de VVD dan ook bereid om die controlerende rol van de
Kamer heel stevig op te gaan pakken in de komende tijd?
De heer Kisteman (VVD):
Ik kan natuurlijk niet voor mijn voorgangers spreken over hoe zij
gestemd hebben, maar als het over efficiëntie en een goede besteding van
middelen gaat, dan vindt u de VVD volgens mij altijd aan uw kant.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een vraag en die gaat ook over financiën. Er gaat namelijk
een transitieplan komen. We gaan de komende tijd in een periode komen
waarin het onderwijs heel veel voor de kiezen krijgt. We lezen ook bij
leerkrachten, onderwijsondersteuners en alle betrokken organisaties
terug dat er flink wat nodig is. Het kan natuurlijk best wel zo zijn dat
het geld gaat kosten. Nou heeft deze coalitie gelukkig voor het grootste
deel de bezuinigingen van de afgelopen tijd teruggedraaid, maar stel dat
het wél nodig is en dat de staatssecretaris aangeeft: we hebben gewoon
meer nodig om te kunnen zorgen dat de transitie naar het inclusieve
onderwijs van de grond komt. Gaat de VVD dan ook de staatssecretaris
helpen?
De voorzitter:
Dit was uw tweede lange interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij gaat de vraag over: meer middelen naar het onderwijs. Laat
ik het zo zeggen: meer geld naar het onderwijs betekent niet altijd dat
het onderwijs beter wordt. Als er bijvoorbeeld meer geld naar passend of
inclusief onderwijs zou moeten, zou dat bijvoorbeeld betekenen dat er
binnen het ministerie gewoon geschoven kan worden. Als wij daar de
staatssecretaris mee kunnen helpen, zullen wij dat zeker doen. Maar wat
de VVD betreft betekent meer geld naar het onderwijs niet automatisch
dat het dan ook beter wordt, dus wij zouden eerder voorstander zijn van
efficiënt besteden en eventueel het labelen van bepaalde middelen. Ik
heb weleens eerder gezegd: het is maar de vraag of een lumpsum altijd
goed is. Misschien moeten we gewoon duidelijke kaders stellen aan het
onderwijs.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Hier komt mijn eerste lange interruptie, voorzitter.
Ik hoorde een heleboel randvoorwaarden die nodig zijn om te komen tot
het ideale beeld van inclusief onderwijs dat nagestreefd wordt. Het zijn
dezelfde als die wij benoemden, alleen met een andere uitkomst. Onze
uitkomst is: doe dat inclusieve onderwijs dan wat minder en kijk vooral
naar het speciaal onderwijs; zorg dat het speciaal onderwijs goed
gefaciliteerd wordt, met de juiste leraren, de juiste opleidingen en
voldoende geld. U komt tot een andere uitkomst. Hoeveel van die
randvoorwaarden moeten behaald worden? Waar zit het kantelpunt? Als
dingen niet in de randvoorwaarden verwezenlijkt worden aan de voorkant
in die transitie, wanneer bent u dan bereid om te zeggen: laten we
stoppen met deze weg en laten we voor een andere route kiezen, misschien
de weg die de heer Claassen voorstelde?
De voorzitter:
Dit was uw tweede lange interruptie.
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij zei ik in mijn inbreng al dat wij positief staan tegenover
de doelstelling van inclusief onderwijs voor 2035. We gaan daar nu naar
toewerken. Ik zou daar duidelijke doelstellingen aan willen koppelen en
aan de staatssecretaris willen vragen: hoe gaan we dat dan doen en welk
tijdspad zit daaraan gekoppeld? Volgens mij — dat ben ik zeker met
mevrouw Westerveld eens — zullen we hier vaak over moeten gaan
debatteren met z'n allen om de vinger aan de pols te krijgen.
De voorzitter:
Correctie: het was niet uw tweede lange interruptie, meneer Claassen.
Als u dus nog een reactie wilt geven ...
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Daar maak ik dan graag gebruik van, voorzitter.
Ik wilde dus het volgende punt maken. Is er een moment denkbaar dat we
zeggen "laten we het dan maar niet doen", als we niet kunnen voldoen aan
die randvoorwaarden, of enkele daarvan, op de weg van de transitie? Ik
schat in dat dat heel lastig gaat worden. Je moet ergens stoppen, want
anders zitten we over tien jaar te babbelen over inclusief onderwijs
zoals we nu over passend onderwijs zitten te babbelen. Wanneer komt u
dus tot inkeer? Wat is daarvoor nodig?
De heer Kisteman (VVD):
De eerste vraag was wanneer de grens is bereikt en vervolgens zegt de
heer Claassen: wanneer komt u tot inkeer? Volgens mij zijn dat twee
totaal verschillende vragen. Tot nu toe vinden wij de doelstelling heel
goed. Wij willen gewoon dit pad met de staatssecretaris ingaan. Voor ons
zijn er momenteel geen duidelijke dingen waarvan wij zeggen "als dit
wordt bereikt, dan niet" of "als we zover komen, dan niet". Laten we
daar dus eerst met z'n allen over in gesprek gaan en dit gaan behandelen
met z'n allen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
De heer Kisteman (VVD):
O ja, ik was nog niet eens klaar, voorzitter. Ik wou al wegrennen.
De voorzitter:
Nee, u mag nog een halve minuut spreken.
De heer Kisteman (VVD):
Oké. Nee, hoor. Ik was wel klaar, voorzitter. Ik heb afgerond.
De voorzitter:
U hebt afgerond; kijk eens aan. Hartelijk dank. Dan gaan we naar de heer
Stoffer, voor zijn eerste termijn namens de Staatkundig Gereformeerde
Partij.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Excuses dat ik wat later ben, maar als kleine partij
heb je soms heel veel dingen tegelijk. Daarom heb ik helaas een heel
aantal bijdragen gemist. Ik heb echter de afdronk van mijn medewerker
meegekregen en weet wat u ongeveer naar voren hebt gebracht.
Goed, voorzitter. De inhoud. Recent hebben we een maanmissie kunnen
volgen. Die missie kende spannende risico's, maar was tot in de puntjes
voorbereid. Het doel was helder en het team was er klaar voor. Nu wil ik
de inzet voor inclusief onderwijs bepaald niet vergelijken met een
ruimtereis — laten we in de onderwijspolitiek vooral dicht bij de grond
blijven, zou ik zeggen — maar we kunnen er wel wat van leren. Wie op
missie gaat, moet weten wat het doel is, wat de strategie is en met welk
team je de opdracht gaat klaren. Vanuit dat perspectief heeft de SGP
grote vraagtekens bij de missie inclusief onderwijs. De ambitie is mooi
en bijna zo groot als bij een maanreis, maar toch kan die politieke
droomreis voor de echte onderwijsmensen juist een nachtmerrie worden.
Laten we ook niet vergeten dat de regering bij de implementatie van het
VN-Gehandicaptenverdrag bewust koos voor passend onderwijs en niet voor
inclusief onderwijs.
Voorzitter. Wie leest wat het doel van inclusief onderwijs is, krijgt
bijna de indruk in een educatieve heilstaat te belanden. Als politicus
moet je dan oppassen, zeker als de afweging van problemen en oplossing
onduidelijk is. Hoe komt het toch dat we weer druk aan de slag gaan met
allerlei structuren en fusies, terwijl het rapport-Peeters juist de
nabijheid bij leerlingen benadrukt? Een fundamentele vraag: kan het ook
zo zijn dat de zaken die we overhoop halen, nog erger zijn dan de
evidente problemen die we momenteel hebben?
Ook de bedoeling van de inclusiefonderwijswereld is vaag. Hoe gaan we
bijvoorbeeld bepalen of kinderen dicht bij huis volwaardig en
gelijkwaardig toegang hebben tot een inclusieve leeromgeving? Wanneer
krijgen we daarvoor een criterium en een nulmeting? Waarom is een
landelijke norm voor basisondersteuning eigenlijk nodig als elke
leerling straks op elke school in de buurt terechtkan?
Voorzitter. De SGP vindt het een gemiste kans dat het rapport van de
Onderwijsraad over welzijn en onderwijs niet is meegenomen in deze
voortgangsbrief. Dit rapport raakt namelijk aan de diepste fundamenten
van de enorme uitdaging waar scholen mee worstelen in het passend
onderwijs en bepaalt ook wat een serieuze oplossing is. Gaat de
kabinetsreactie op dit advies nadrukkelijk de brug slaan naar de ambitie
om de pedagogische basis in scholen te versterken en meer oog te hebben
voor de gemeenschap in plaats van individuele zorg op indicatie?
Voorzitter. Ik weet niet of ik het goed interpreteer, maar ik vind het
hoogst opmerkelijk dat we uit een bijzin in bijlage 1 de opheffing van
de samenwerkingsverbanden moeten concluderen. Daar staat dat ze in de
huidige vorm in 2035 niet meer zullen bestaan. Een grondige onderbouwing
voor deze in mijn ogen radicale keuze ontbreekt eigenlijk helemaal. Mijn
vraag is: hoe kan dit? Levert dit niet een groot risico op
boemerangbeleid op, zoals Sharon Stellaard dat noemt, waarbij de
overheid nauwelijks leert van de problemen in eerdere
stelselwijzigingen? Deze keuze is best opvallend, want uit een andere
bijlage blijkt dat twee derde tot driekwart van de
samenwerkingsverbanden volgens de inspectie op orde is, terwijl 80% zich
verbetert na een herstelopdracht. Vreemd is ook dat we in de komende
jaren nog allerlei maatregelen gaan verspijkeren om de
samenwerkingsverbanden te verbeteren, terwijl ze in die huidige vorm
gaan verdwijnen. Geldt hiervoor niet ook dat dit weggegooide tijd en
energie is?
Voorzitter. De SGP vindt het onverstandig om oude schoenen weg te gooien
voordat er zelfs maar zicht is op nieuwe. We creëren nu maximale
onzekerheid zonder een duidelijk alternatief. Hoe reëel is het om te
denken dat de nieuwe regionale ondersteuningsnetwerken niet ook met
diezelfde problemen te kampen gaan krijgen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoorde een referentie aan het boemerangbeleid en het onderzoek
daarnaar. Ik deel volledig dat we daarvoor moeten waken. In die zin deel
ik ook de bijdrage van de heer Stoffer, maar wat vindt hij er nou van
dat zo'n groot deel van de samenwerkingsverbanden goed wordt beoordeeld?
Kan dat wel kloppen wanneer we 70.000 kinderen thuis hebben
zitten?
De heer Stoffer (SGP):
Dat is natuurlijk een heel boeiende vraag. Bij die 70.000 kinderen die
thuiszitten, ligt, denk ik, een heel groot probleem. Daar speelt
inderdaad wat. Ik denk dat daar wellicht ook een lek zit. Ik denk dat we
evident een probleem hebben, maar ik benoem maar datgene wat ik in de
bijlage zie, namelijk dat een groot deel van de samenwerkingsverbanden
goed functioneert, dat dat voor een deel niet geldt en dat er
herstelopdrachten zijn. Hier zit echter wel ergens een lek, dus het is
wellicht goed om ook die vraag met elkaar bij het kabinet neer te
leggen, want dat is ook een vraag die bij mij evident speelt.
De vraag is natuurlijk: lossen we dit dan op met datgene waar we nu
naartoe gaan? Ik denk dat we die vraag ook goed met elkaar uit moeten
discussiëren voordat we maar nieuwe stappen gaan zetten vanuit een
optiek van: tja, een aantal dingen gaan niet goed. Misschien maken we
het probleem straks nog groter. Daarom begon ik ook met die maanmissie.
We moeten dit wel echt tot in de puntjes doordacht hebben, zodat we
straks niet van die 70.000 nog weer 80.000 maken of het 70.000 blijft.
Uiteindelijk moeten we natuurlijk wel zorgen dat iedere leerling in wat
voor omstandigheden dan ook zo goed mogelijk ... Dat blijft natuurlijk
altijd een beetje hangen en wurgen, want waarschijnlijk past geen enkele
leerling in het exacte malletje. Zelfs de leerlingen die wél op school
zitten en hun ouders ervaren soms ook best ongemak. We moeten met elkaar
echter zorgen voor een zo optimaal mogelijk resultaat. Ideaal zal het
natuurlijk nooit zijn.
Maar dank voor de vraag; ik leg hem graag samen met D66 bij het kabinet
neer, om dat met elkaar, niet in hardheid, maar met oog voor leerlingen
en ouders, tot iets goeds te brengen.
De voorzitter:
Vervolg uw eerste termijn.
De heer Stoffer (SGP):
De toerusting van het team is het volgende punt dat ik bij de kop wilde
pakken. Wat dat betreft knippert er bij inclusief onderwijs een
alarmlicht. De vakbonden concluderen uit een grote peiling dat er een
kloof bestaat tussen beleid en praktijk. Hoe verder men van de klas
afstaat, hoe minder je die risico's ziet. Het beleid wordt uitgezet door
mensen die niet voor de klas staan. De SGP heeft dat vorig jaar in den
brede als probleem benoemd. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen
dat het beleid niet slechts samen met het onderwijs wordt gemaakt, maar
echt vanuit de werkelijkheid van de klas wordt uitgedacht? Komen er
bijvoorbeeld concrete richtlijnen voor de verhouding van leerkrachten en
ondersteuning ten opzichte van het aantal leerlingen, met ook de
vereiste middelen?
Voorzitter. Ik wil nog één punt maken. Er zijn veel politieke
krokodillentranen gehuild over de zogenaamde zorg voor kinderen in het
thuisonderwijs op grond van overtuiging, maar de werkelijkheid is dat de
politiek dit onderwerp jarenlang bewust heeft verwaarloosd. OCW
grossiert in wetsvoorstellen, maar met thuisonderwijs zijn we nooit
verder gekomen dan een consultatie. Mijn vraag is: wil de
staatssecretaris haar rug rechten en er in naam van de rechtsstaat voor
staan dat deze ouders en kinderen niet het slachtoffer worden van ons
politiek geklungel door ze nu ineens halsoverkop naar een school toe te
jagen?
Dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan constateer ik dat we nu in de eerste termijn alle
sprekers van de zijde van de Kamer hebben gehad. Ik stel voor dat we
schorsen tot 12.00 uur, dus het wordt een vroege lunch. Dat is ook een
voordeel, want dan lopen we iets in in de tijd en hebben we gewoon een
goede ... Is 12.00 uur akkoord? Zijn jullie daar akkoord mee? Het wordt
even vroeg lunchen, maar het komt helemaal goed. We vervolgen dus om
12.00 uur met de beantwoording door de staatssecretaris en de
minister.
De vergadering wordt van 11.22 uur tot 12.02 uur geschorst.
De voorzitter:
Fijn dat u er allemaal weer bent. We gaan verder met de beantwoording in
de eerste termijn van de bewindspersonen. Ik zou willen voorstellen dat
allereerst de staatssecretaris de vragen beantwoordt. Ik neem aan dat u
aangeeft in welke blokjes u dat gaat doen. Ik stel ook voor dat we zo
veel mogelijk proberen per blokje eerst te horen wat de antwoorden zijn
en daarna de interrupties plegen. Ik hoop dat iedereen het heeft
meegekregen, meneer Van Houwelingen wellicht ook. Laten we dus even
proberen het per blokje af te handelen. Staatssecretaris, aan u het
woord.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan uw Kamer voor alle bijdragen en dat
we met elkaar spreken over wat we van het onderwijs verwachten.
Onderwijs is vooruitgang. Iedereen in Nederland heeft daar recht op. Dat
gaat over gezien worden en over een leraar die weet wie je bent en wat
je nodig hebt. Dat gaat over samen in de klas zitten en leren, spelen en
ontwikkelen met leeftijdgenoten. Dat gaat over onderwijs dat aansluit
bij wat een leerling nodig heeft, met een sterk schoolteam en een sterke
relatie tussen de school, de leerling en de ouders. Dat is eigenlijk ook
inclusief onderwijs in mijn visie, om maar gelijk een hele grote stap te
maken, maar daar ga ik verderop nog op in. Uw Kamer gaf ook duidelijk
aan dat er nu nog te vaak kinderen vastlopen in een schoolklimaat dat
eigenlijk niet goed kan inspelen op de verschillende talenten en
behoeften. Of er is iets in de thuisomgeving, waardoor een kind heel
lastig aan leren toekomt in de klas. Iedereen kan daar zo talloze
voorbeelden van geven. Dat heeft impact op kinderen, op hun ouders, maar
uiteraard ook op scholen en hun leraren en op de samenleving. De
afgelopen jaren is er best veel in beweging gezet, maar met wisselend
succes. Ik denk dat dat ook wel sprak uit de bijdragen van uw leden. Er
is dus ook nog echt wel veel werk aan de winkel.
Ik wil eigenlijk van passend naar inclusief onderwijs. Dat zijn mooie
termen en die klinken sympathiek — dat is ook door uw leden gezegd —
maar wat betekent dat dan en hoe kunnen we dat in gang gaan zetten? Hoe
kunnen we ervoor zorgen dat scholen daarmee aan de slag kunnen en dat
kinderen en hun ouders daar ook daadwerkelijk in herkennen wat ze nodig
hebben? Dat betekent dat elk kind welkom is op school, dat de school in
de buurt is, dat je daar samen met bijvoorbeeld broertjes, zusjes en
buurkindjes naartoe kan, dat daar de hulp is die je nodig hebt en dat
daar dus ook de ondersteuning is met het kind mee in plaats van dat het
kind naar de ondersteuning toekomt.
Is dat toekomstmuziek? Voor een deel wel, maar voor een deel ook niet,
want er gebeuren al best wel hele goede dingen in het land. Zo was ik
vorige week in Bunschoten-Spakenburg, bij de school De Grondtoon, waar
echt op een andere manier wordt gekeken naar hoe dat pedagogisch klimaat
er daadwerkelijk aan bijdraagt dat kinderen van en met elkaar leren, en
dat iedereen anders is en iedereen toch gewoon mee kan doen. Dat is op
De Grondtoon heel gewoon; dat heb ik er tenminste gezien. Dat betekent
volgens mij wat inclusief onderwijs is. Zo'n school zou er eigenlijk
voor ieder kind in Nederland moeten kunnen zijn. Er zijn er meer dan
deze ene die ik als voorbeeld geef, wil ik daarbij zeggen.
Dat heeft wel een aantal dingen nodig. Ook daar hebben uw leden al aan
gerefereerd. Denk bijvoorbeeld aan een schoolteam dat vanuit één visie
samenwerkt op de school. Of denk aan een sterk schoolklimaat, waarin
leraren fijn kunnen werken, waar de lat inderdaad hoog ligt en de
verwachtingen hoog liggen, waar kinderen zich goed voelen en ook goed
onderwijs kunnen krijgen, waarin ook ondersteuning is vanuit een sterk
netwerk om de school, dat met dezelfde visie als de school aan de slag
gaat, zodat het kind en zijn ouder daarvan kunnen profiteren. En denk
aan een schoolteam dat samen goed onderwijs levert voor elk kind.
Daar ga ik zo meteen in wat meer detail op in, in de volgende blokjes.
Allereerst de verbeteraanpak passend onderwijs. Nu voel ik me echt zo'n
juf met een dictee, want ik zie iedereen direct gaan schrijven! Het
volgende blokje: verzuim. Het volgende blokje: inclusief onderwijs. Gaat
het toch te snel? Het vierde blokje: overig, wat altijd een mooie kleur
van verschillende vragen geeft.
De voorzitter:
U doet dat heel goed, hoor. We hebben dus de verbeteraanpak passend
onderwijs, verzuim als tweede blokje, inclusief onderwijs als derde
blokje en overige als vierde. Dan gaan we nu beginnen met het eerste
blokje, neem ik aan. Ga uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Precies, verbeteraanpak passend onderwijs. Het zou ook grappig zijn als
ik nu een ander blokje pak; maar goed, dat doe ik niet. Er zijn veel
vragen gesteld over wat we nou de afgelopen jaren met passend onderwijs
hebben gedaan en wat we daaruit hebben geleerd.
Ik begin met de vraag van mevrouw Westerveld: wat doen we met de lessen
die we hebben geleerd uit de onderwijszorgarrangementen en wat doen we
daarmee na 2028? We werken nu aan een wetsvoorstel, dat tijdens het
experiment al wordt voorbereid om de ruimte voor maatwerk structureel
mogelijk te maken. Dat noemen we dan maar voor het gemak "het
wetsvoorstel Maatwerk". Daar zijn we nu behoorlijk ver mee. Mijn doel is
om dat voor het zomerreces in internetconsultatie te brengen. Ik verwijs
bij de komende antwoorden nog een aantal keer terug naar het
wetsvoorstel Maatwerk, dus dan kunt u zien wat er allemaal ongeveer in
zit. Dan kijken we aan het eind of dat voldoende dekkend is.
Mevrouw Westerveld vroeg ook wat we doen voor de initiatieven waarin
zorg en onderwijs worden gecombineerd. In de wet Maatwerk komt ook
ruimte om onderwijs en zorg te combineren of samen te kunnen werken met
initiatieven die niet zozeer in, maar buiten de school zitten. Een paar
keer werden ook initiatieven genoemd zoals Digibende of een zorglocatie
waar onderwijs geboden kan worden. Ook daar willen we in dat
wetsvoorstel de ruimte voor bieden met een bepaald percentage van het
totaalbedrag waarmee samenwerkingsverbanden aan de slag kunnen. Op die
manier bieden we ook ruimte om dat soort letterlijk op maat gemaakte
initiatieven daadwerkelijk wat te kunnen bieden. Verder hebben we de
subsidie ondersteuning en preventie thuiszittende jeugdigen. Daarmee
proberen we die samenwerking nu al te kunnen stimuleren en goede
voorbeelden te delen.
Zowel mevrouw Westerveld als mevrouw Rooderkerk vroegen naar het
verankeren van het leerrecht. U hoort mij het woord "rechten" heel vaak
gebruiken, maar dat is natuurlijk iets anders dan dat er een groot
wetboek ligt. Wij kijken ernaar vanuit het internationale
Kinderrechtenverdrag. We proberen dat wel te versterken in nationale
wetgeving, met name voor bijvoorbeeld het verankeren van de
basisondersteuning, het versterken van de zorgplicht van scholen en het
meer ruimte geven aan scholen voor maatwerk. Dat zijn drie richtingen
waarin we dat wettelijk proberen vast te leggen. Uiteraard is het doel
dat ieder kind ook daadwerkelijk een plek heeft waar het passend
onderwijs kan vinden.
Zowel mevrouw Westerveld als mevrouw Beckerman vroegen naar het
zogenoemde "rommelpotje". Het is mooi hoe een term zijn eigen leven kan
gaan leiden. Samenwerkingsverbanden kunnen nu met die regeling
ondersteuningsmogelijkheden uitbreiden, ook als ze niet ingeschreven
staan op een school. Dat maakt dat daar wat ruimte voor is. In de wet
Maatwerk gaan we die ruimte wat mij betreft vergroten. Dat is de wet
waar ik net naar verwees, die voor de zomer in internetconsultatie komt.
Daarmee wordt de flexibiliteit dus nog wat groter voor kinderen die
uitgevallen zijn, maar vooral ook voor kinderen die wellicht dreigen uit
te vallen, zodat we voorkomen dat kinderen daar last van krijgen en
onderwijs missen.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar een voorbeeld als Fixers. Hoe zorgen we
ervoor dat dat beschikbaar komt? Die komen dus uit dat rommelpotje.
Officieel heet het "subsidieregeling preventie en ondersteuning
thuiszittende jeugdigen". Dat kun dus al gebruikt worden, onder andere
voor voorbeelden als Fixers. Maar zoals gezegd proberen we dat
structureel in het wetsvoorstel Maatwerk in te bedden, zodat daar ook
makkelijker gebruik van gemaakt kan worden.
Mevrouw Rooderkerk vroeg ook wie nou bepaalt of het aanbod in een regio
dekkend is als het gaat over passend onderwijs. Dat is best wel strak
geregeld in die zin dat het samenwerkingsverband er verantwoordelijk
voor is en de inspectie erop toeziet. De inspectie kan ook
herstelopdrachten geven als blijkt dat het samenwerkingsverband niet
alles heeft gedaan om ervoor te zorgen dat het netwerk dekkend is. Dan
krijgt het daar ook een financiële sanctie voor. Ik heb gezien dat 16
van de 151 samenwerkingsverbanden daar een herstelopdracht op hebben
gehad de afgelopen tijd. Dat is ook een antwoord op de vraag van meneer
Boomsma, maar die vraag komt straks weer langs; die zit in het verlengde
hiervan.
Mevrouw Rooderkerk vroeg ook naar het recht op digitaal
afstandsonderwijs. Er is een subsidie, namelijk de subsidieregeling
Digitale school 2024. Daarmee wordt het aanbod van digitaal
afstandsonderwijs vergroot in zestien coalities. Daar gaat ongeveer 23,5
miljoen euro naartoe tot en met eind volgend jaar. Ook daar gaan we
bekijken wat we ervan kunnen leren zodat we dat in het wetsvoorstel
Maatwerk, over een maatwerkoplossing voor kinderen die dat nodig hebben,
kunnen regelen. Uiteindelijk blijft het uiteraard wel een overweging die
moet worden gemaakt tussen de school en het samenwerkingsverband, waarin
kind en ouders een belangrijke stem hebben. Het is niet altijd voor
ieder kind de beste oplossing.
Mevrouw Rooderkerk vroeg specifiek naar de robot in de klas. Dat is wel
grappig, want ik zag LBVSO al op de publieke tribune zitten. We hadden
laatst een overleg met een aantal betrokkenen bij passend en inclusief
onderwijs. Een van de kinderen — beter gezegd: een van de tieners — die
daar niet bij aanwezig kon zijn, was er via een robot. Je zag dus gewoon
dat het goed kan werken. Het voelde gewoon echt alsof hij aan tafel kon
zitten, terwijl hij ergens anders zat. Ik zie daar dus zeer de waarde
van. Via digitaal afstandsonderwijs kan dat geregeld worden. Dat kan met
een robot, maar natuurlijk ook op een andere manier. Ik wil dat niet
gedetailleerd vastleggen, maar er is wel ruimte om dat te doen. Ook
daarvoor geldt dat het aan scholen zelf is in hoeverre ze daarvoor
kiezen of voor andere vormen van digitaal afstandsonderwijs.
Meneer Stoffer vroeg naar de samenwerkingsverbanden. Hij vroeg
eigenlijk: waarom zou je er iets aan doen als we ze later toch op gaan
heffen? Dat is mijn parafrase van wat meneer Stoffer zei. Je moet je
oude schoenen natuurlijk niet weggooien. Zolang je nog op die schoenen
moet lopen, moeten ze daar wel geschikt voor zijn en moeten de zolen er
niet onderuit vallen. Wat dat betreft denk ik dat het heel goed is om
bezig te blijven met die samenwerkingsverbanden. Een heleboel doen het
best wel goed, maar er zijn grote verschillen als je alle 151
samenwerkingsverbanden op een rijtje zet. Die grote verschillen zou ik
graag willen verkleinen, uiteraard ten gunste van de beter werkende
samenwerkingsverbanden. Er wordt in de samenwerkingsverbanden bovendien
ook heel veel expertise opgedaan over ondersteuning van scholieren en
leraren in de klas. Tot we kunnen zeggen dat de samenwerkingsverbanden
niet meer hoeven omdat we een andere vorm van inclusief onderwijs
hebben, moeten we ervoor zorgen dat ze allemaal hun uiterste best kunnen
blijven doen met de kennis die ze bij elkaar opdoen.
Dat is denk ik ook ongeveer de richting van de vraag van de heer
Kisteman. Hij zei: het moet gewoon beter. Ik zei al dat ik de
verschillen tussen de samenwerkingsverbanden te groot vind. Hoe gaan we
dat dan verbeteren? Onder andere door te bekijken hoe we het
financieringsmodel meer hybride kunnen maken zodat een deel van het geld
bij de school en bij de samenwerkingsverbanden komt, zodat het geld
daadwerkelijk neerkomt waar het hoort te zijn. Betere data is ook een
punt. Ik zal dat nog vaker zeggen, zeg ik terwijl ik met een schuin oog
naar mevrouw Rooderkerk kijk. U heeft enkele weken geleden de Wet
verzuim aangenomen. Daarmee hebben we betere inzichten in en meer grip
op data over de leerlingpopulatie en het verzuim. We hebben al eerder
het programma van eisen aangescherpt waarin de wettelijke taken van
samenwerkingsverbanden en schoolbesturen staan. Op die manier proberen
we echt met z'n allen de betere kant op te bewegen.
Meneer Van Houwelingen vroeg of de samenwerkingsverbanden
doorzettingsmacht krijgen. Hij vroeg zich af of dat nou wel zo
verstandig was. Uiteindelijk vind ik het belangrijk dat er wel enige
mate van stimulans of soms zelfs een beetje dwang is, zodat een kind
daadwerkelijk op school kan zijn. Ik denk dat er echt ouders zijn die
wanhopig worden omdat hun kind nergens terecht lijkt te kunnen. Dan moet
er ergens iemand zijn die zegt: nu is het genoeg; dit kind mag gewoon
naar deze school. Maar dat gaat natuurlijk niet van nul op één. Je kunt
niet in één seconde naar 100 km/u, om het maar zo te zeggen. Dus voordat
je iets met doorzettingsmacht doet, zul je er altijd eerst voor moeten
zorgen dat de betrokken partijen goed met elkaar in gesprek gaan. In
jargon gezegd moet er sprake zijn van "constructieve gespreksvoering"
tussen school, samenwerkingsverbanden en uiteraard kind en ouders. Dan
kun je er idealiter goed met elkaar uitkomen. Maar als er uiteindelijk
nergens een weg lijkt te zijn, dan moet er toch een wil zijn die daar
een beetje op doorduwt. Maar goed, dat wordt dus altijd voorafgegaan
door doorzettingskracht.
De vraag van de heer Boomsma en mevrouw Rooderkerk over de dekkendheid
van het regionale aanbod heb ik al beantwoord.
Meneer Stoffer vroeg waarom er een landelijke norm voor
basisondersteuning nodig zou zijn. Die landelijke norm maakt de
verschillen kleiner. Zoals ik al zei zijn er wat mij betreft te veel en
te grote verschillen tussen samenwerkingsverbanden en de steun die aan
scholen beschikbaar wordt gesteld. Met een landelijke norm kunnen we wat
mij betreft in ieder geval op korte termijn ervoor zorgen dat leerlingen
de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Daarmee hebben scholen ook
houvast in de richting van inclusief onderwijs.
Nog twee antwoorden, voorzitter. Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de
flexibilisering van budgetten. We zien dat samenwerkingsverbanden zonder
toelatingsverklaringen al arrangementen af kunnen geven in het regulier
onderwijs. In het transitieplan inclusief onderwijs, waar ik straks nog
verder op inga, gaan we kijken wat die flexibilisering wel en niet kan
doen tussen die verschillende vormen van budgetten en wat dat zou
betekenen voor de bekostiging, en natuurlijk vooral wat het betekent
voor het daadwerkelijk krijgen van goede ondersteuning in de klas.
Meneer Claassen stelde ... Hij zit er niet meer; dat is jammer. Hij komt
vast weer terug. Zal ik het antwoord bewaren of toch maar geven? Hij
vindt eigenlijk dat er een te grote stroom aan plannen is. Wat hem
betreft is er één oplossing, namelijk de bureaucratie verminderen. Dat
gevoel deel ik wel met hem, maar dat is wel een net te plat geslagen
oplossing. Met de verbeteraanpak passend onderwijs zijn we juist bezig
geweest om aan de ene kant passend onderwijs beter te laten worden en
aan de andere kant de bureaucratie te verminderen. Meneer Claassen
verwees ook naar het opp, oftewel het ontwikkelingsperspectief. Hij wil
daar geen eindeloze ordners mee vol maken, maar dat juist versimpelen.
Daar zijn we ook mee bezig in de verbeteraanpak. We proberen dat slank
terug te krijgen in plaats van met allerlei extra dingen, ook al zijn
die vaak ingezet met alle goede bedoelingen. Of het één formuliertje op
één A4'tje wordt, durf ik niet te zeggen, maar we zijn er wel mee bezig
om het korter en efficiënter te maken.
Dat was mijn deel over de verbeteraanpak passend onderwijs.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Beckerman had als eerste een vraag. Ik heb een
lijstje bijgehouden. We zetten mevrouw Raijer er ook op, maar mevrouw
Beckerman had als eerste haar hand opgestoken.
Mevrouw Beckerman (SP):
Mooi dat het rommelpotje, zoals ik het toch blijf noemen, in de wet
komt. Wij hebben de staatssecretaris gevraagd wat zij tot die tijd doet.
De bedoeling was dat het juist bijzondere regelingen en vormen buiten de
samenwerkingsverbanden zou subsidiëren, maar nu wordt het toch veel
uitgegeven ín de verbanden.
Staatssecretaris Tielen:
Eigenlijk stelt mevrouw Beckerman een vraag die bij mij twee antwoorden
oproept. Het rommelpotje, oftewel de subsidieregeling, blijft bestaan
tot 2028. De vraag is in hoeverre we er dan op moeten toezien dat
samenwerkingsverbanden dat geld aan een externe organisatie overmaken of
dat ze zelf een aanbod hebben. Dat tweede is in sommige gevallen aan de
orde. Ik vind niet dat ik dat moet voorschrijven. Uiteindelijk is het
doel dat kinderen een aanbod krijgen dat ervoor zorgt dat ze of niet
uitvallen op school of er weer naartoe terugkeren. Wie het precies
aanbiedt, vind ik dan wat minder relevant.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat klinkt leuk, maar we hebben 70.000 thuiszitters. Daar gaat het
volgende blok over. We hebben gezien dat onorthodoxe — laat ik het zo
noemen — vormen van onderwijs goed kunnen werken. Ik ga ze in verband
met de tijd nu niet allemaal opnoemen. Maar toch komt het geld binnen
het samenwerkingsverband terecht. Daar is toch al financiering voor?
Waarom kan dit geld nou niet juist naar die heel bijzondere vormen gaan
waarmee we thuiszitters of dreigende thuiszitters weer aan het leren
krijgen?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Beckerman suggereert nu de nul-of-één-variant, maar dat is het
volgens mij niet. Die subsidieregeling is beschikbaar. Deels wordt dat
door samenwerkingsverbanden overgemaakt aan — hoe noemde u het ook
alweer? — creatieve en effectieve andere vormen om een kind binnen het
onderwijs te houden. Een klein deel gaat naar initiatieven die
samenwerkingsverbanden zelf leveren. Volgens mij is de vraag
uiteindelijk of het geld gaat naar kinderen om te voorkomen dat ze
uitvallen. En ja, dat is het geval.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Maar de reden dat dit potje er kwam, was dat we heel goede initiatieven
zagen die thuiszittende leerlingen of dreigend thuiszittende leerlingen
konden helpen, initiatieven die niet gefinancierd werden. Het gevolg van
deze uitvoering kan zijn dat het geld weer niet bij die initiatieven
terechtkomt. Wil de staatssecretaris daar wel op toezien?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, maar als je nu naar de praktijk kijkt, is het niet zoals mevrouw
Beckerman schetst. Er zijn volgens mij drie of vier voorbeelden genoemd.
Die hebben gewoon de ruimte om vanuit die subsidieregeling, uit dat
rommelpotje, betaald te worden om kinderen binnen het onderwijs te
houden. In mijn beleving werkt deze regeling in de praktijk. We gaan
proberen dat ook in het wetsvoorstel over maatwerk mogelijk te maken,
juist omdat ik heel goed herken wat mevrouw Beckerman zegt. Als we,
populair gezegd, in hokjes blijven denken en nieuwe hokjes proberen te
bouwen en het allemaal binnen die hokjes moet gebeuren, dan is er geen
ruimte voor kinderen die juist tússen die hokjes het beste af zijn, en
daar moet wel ruimte voor zijn. Dat is echt wat we nog steeds met dit
rommelpotje voor elkaar krijgen.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Ik stel nog even vast dat we bezig zijn met de eerste
termijn van de bewindspersoon, dat het aantal interrupties weer gaat
tellen en dat de regels ook nog steeds gelden: 30 seconden, een lange
interruptie et cetera. We beginnen weer met een clean sheet.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De staatssecretaris zegt "mogelijkheden", maar wij krijgen juist
signalen van hele mooie initiatieven dat ze voortdurend tegen
bureaucratische muren oplopen of voortdurend opnieuw aanvragen moeten
doen. Dat wordt op deze manier niet verholpen, lijkt het. Graag een
reactie daarop.
Staatssecretaris Tielen:
Het nare van bureaucratie is dat je het nooit helemaal weg krijgt. Die
belofte kan ik dus niet doen. Uiteindelijk moeten we weten of geld,
zeker subsidies, op de juiste plek terechtkomt. Als mevrouw Westerveld
signalen heeft waarvan zij zelf ook denkt dat het echt de perken te
buiten gaat, dan hoor ik die graag. Ons doel met het rommelpotje — zo
blijf ik het toch maar noemen — is hetzelfde. Wij zien dat het best goed
werkt, maar als er signalen zijn dat het ergens aan schort, dan is het
goed voor ons om dat te zien. Daarnaast kunnen we dan bekijken hoe we
dat in het wetsvoorstel op een goede manier kunnen voorkomen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan over dat wetsvoorstel. Ik hoor de staatssecretaris een aantal keer
spreken over samenwerkingsverbanden, terwijl we met deze Kamer een
aantal maanden geleden bij de wet over verzuimbeleid een motie hebben
aangenomen die vraagt om het advies uit het rapport-Peeters over te
nemen. Dat gaat juist uit van een minder grote rol van
samenwerkingsverbanden of zelfs het verdwijnen van
samenwerkingsverbanden. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Dat lijken
namelijk twee tegengestelde bewegingen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is ook het ingewikkelde aan iets echt veranderen. De heer Stoffer
refereerde er ook al aan: onze visie op inclusief onderwijs is dat er
geen samenwerkingsverbanden meer zijn. Maar we hebben daar wel tijd voor
nodig. Er was wat verschil in perceptie tussen de leden: dendert die
trein in een razende rotvaart door of gaat het te langzaam? Ik vind 2035
best ambitieus, maar ook haalbaar. Ik kom daar straks nog op. Tot die
tijd hebben we de samenwerkingsverbanden wel nodig, juist om ervoor te
zorgen dat we ergens een bepaalde mate van samenwerking in de regio's
tussen scholen voor kinderen met een speciale ondersteuningsbehoefte
regelen.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als ik nu zie hoelang het duurt om wetsvoorstellen door de Kamer te
krijgen, dan lijkt het mij onverstandig om iets op te tuigen wat een
aantal jaren daarna eigenlijk niet meer geldt omdat we dan naar
inclusief onderwijs toe gaan. Dat lijkt me gewoon onverstandig. Dan over
dat wetsvoorstel. Begrijp ik het goed dat in dat wetsvoorstel rondom
maatwerk ook zaken komen te staan over mogelijke afwijking van het
aantal onderwijsuren? Ik zou de staatssecretaris ook willen vragen of de
lessen over de TOV's, die ook veel bureaucratie met zich meebrengen,
terugkomen in het wetsvoorstel.
Staatssecretaris Tielen:
Kort en simpel gezegd: ja en ja. Over afwijking van onderwijstijd komen
daar wetszaken in. Voor de bureaucratie rondom de TOV's geldt
hetzelfde.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Over de samenwerkingsverbanden, aanvullend op het interruptiedebat
tussen de SGP en de SP: onder die 70.000 thuiszitters is een groep die
graag speciaal onderwijs zou willen, maar dat niet krijgt. Zijn die
samenwerkingsverbanden daar primair verantwoordelijk voor?
Staatssecretaris Tielen:
Samenwerkingsverbanden zijn verantwoordelijk voor een dekkend aanbod van
passend onderwijs in de regio. Dat kan zijn op een reguliere school met
aanvullende ondersteuning dan wel op een school voor gespecialiseerd
onderwijs.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is toch wel ernstig, want dan moeten we die samenwerkingsverbanden
daarvoor verantwoordelijk houden. De staatssecretaris zei zojuist dat de
inspectierapporten vaak onvoldoende zijn en dat er dan soms financiële
sancties worden opgelegd, maar in bijlage 2 staat in de brief dat er tot
op heden geen financiële sancties zijn opgelegd. Klopt dat?
Staatssecretaris Tielen:
De vraag was: wat gebeurt er áls? Daar is de escalatieladder voor. De
inspectie ziet erop toe. Als de inspectie niet tevreden is over wat zij
ziet, bijvoorbeeld als het gaat om het dekkend aanbod, dan zegt de
inspectie: u moet dat herstellen; hier is een herstelopdracht. Mocht een
samenwerkingsverband vervolgens nog steeds niet aan dat doel voldoen,
met of zonder herstelopdracht, dan zegt de inspectie: dan krijgt u een
boete.
De voorzitter:
Afsluitend, de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Afsluitend en tot slot. Dan is het dus vreemd dat ik lees dat de
inspectie, met al die wachtlijsten waar we het de hele tijd over hebben
— die zijn er al jaren — nog nooit een financiële boete heeft opgelegd.
Wordt er dan wel voldoende gehandhaafd?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, er wordt voldoende gehandhaafd. Als het gaat om wat de inspectie
doet aan inspectiewerk — dat is dus toezicht en handhaving op onder
andere de samenwerkingsverbanden — dan ben ik tevreden over de aantallen
die langskomen. Ik denk dat de vraag van meneer Van Houwelingen vooral
is hoe kwalitatief streng de inspectie is als er nooit boetes worden
uitgedeeld. Dan richt ik mij toch op het oordeel van de inspectie dat
zij tevreden is met de herstelopdrachten. De vraag van meneer Van
Houwelingen begon met het aantal thuiszitters. Of dat er nou 19.000 zijn
of 70.000, of iets ertussenin, dat zijn er natuurlijk altijd gewoon te
veel. Zo begon ik ook: ik vind dat ieder kind een goede plek op school
moet krijgen waar het goed onderwijs krijgt, zodat het vooruit kan in
z'n leven. Dat is een veelkoppig vraagstuk. Daar hebben we het vandaag
over en daar hebben we het bij de wet verzuim over gehad; we hebben daar
op heel veel vlakken echt wel wat te doen, uiteraard met de ambitie om
dat aantal over een x-aantal jaren drastisch terug te brengen. De
inspectie heeft daar een rol in, de samenwerkingsverbanden hebben daar
een rol in en wij hebben daar met elkaar een rol in.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Hierop doorgaand: wat is volgens de staatssecretaris een "dekkend
aanbod"?
Staatssecretaris Tielen:
Ik kan terugvallen op de definitie zoals de inspectie die hanteert. Die
haal ik er dan schriftelijk even bij.
De voorzitter:
Dat is een toezegging, dat u daar schriftelijk op terugkomt?
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga het nu niet parafraseren. Er hebben mensen nagedacht over hoe je
dat het beste opschrijft; dat weet ik nu niet uit mijn hoofd, dus dat
zoek ik even op.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het gaat er mij niet om hoe je het precies het beste omschrijft. Mijn
definitie zou zijn "als er geen kind thuiszit". Dat lijkt me dan toch
een dekkend aanbod voor onderwijs?
Staatssecretaris Tielen:
Dan kom je op de vraag van meneer Van Houwelingen, waar ik net op
reageerde. Dan zou je nu kunnen zeggen dat er per definitie geen dekkend
aanbod is. Maar daarbij spelen een paar dingen. Aan de ene kant gaat het
over het individuele kind dat een individuele ondersteuningsbehoefte
heeft, maar dat in een groep of klas, of dat nou op een reguliere school
of op een speciaalonderwijsschool is, terecht moet kunnen. Daar zitten
twee kanten aan die bij elkaar moeten passen. Dan kom je ook op alle
andere vrijstellingen, zoals kinderen die ongeoorloofd uitvallen om wat
voor reden dan ook, waar noch de samenwerkingsverbanden noch ik direct
invloed op heb. Er zitten een paar stappen tussen het dekkend aanbod en
het aantal thuiszitters.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Volgens mij niet. Volgens mij zitten er 70.000 kinderen thuis, die dus
geen recht hebben op onderwijs en niet het onderwijs krijgen dat zij
nodig hebben. Daarmee is er geen dekkend aanbod. Daarom verbaast het mij
dat er maar zestien herstelopdrachten zijn uitgedeeld aan de
samenwerkingsverbanden, waar er 151 van zijn. Daarvan weten we ook niet
of het herstelopdrachten zijn geweest vanwege het niet-dekkende aanbod
of vanwege andere zaken. Het verbaast mij des te meer dat er geen
financiële sancties worden ingesteld wanneer samenwerkingsverbanden
helemaal niet voldoen aan het dekkend aanbod. Dit is de enige
doorzettingsmacht in het systeem. Deelt de staatssecretaris dan niet dat
dit om heel veel urgentie vraagt en om meer regie, wellicht vanuit het
ministerie?
De voorzitter:
Dit was een lange interruptie. De staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Ik blijf erbij dat samenwerkingsverbanden verantwoordelijk zijn voor een
dekkend aanbod. Dat betekent dat zij in ieder geval overzicht en toegang
hebben tot alle verschillende scholen in de regio, welke plekken er
zijn, enzovoort, enzovoort. Vervolgens moeten scholen ook plekken hebben
en aanbieden. Vervolgens moet de inspectie daarop toezien. Vervolgens
zijn er heel veel dingen, ook rondom een kind, waar scholen eigenlijk
weinig mee te maken hebben, maar die wel van invloed zijn op het
thuiszitten. Ik vind het echt te makkelijk om dekkend aanbod en het
aantal thuiszitters tweedimensionaal aan elkaar te verbinden. Dat laat
onverlet dat ik het met mevrouw Rooderkerk eens ben. Ik proef uit haar
bijdrage dat we dat aantal duizenden thuiszitters niet moeten accepteren
met elkaar. Daarom zitten we hier onder andere met elkaar, volgens mij.
We zitten hier om te kijken wat er wel en niet klopt in het passend
onderwijs, waar we naartoe willen, hoe we omgaan met verzuim et
cetera.
Wat ik ook begrijp uit de vraag van mevrouw Rooderkerk, is: is de
inspectie scherp genoeg of niet? Moet de inspectie niet restrictiever
zijn? Daar kan ik nu geen ja of nee op zeggen, dus daar kom ik nog even
op terug. Het punt is natuurlijk: als de inspectie boetes uitschrijft,
dan gaat het om geld dat eigenlijk beter naar die plekken zou moeten
gaan. Dat maakt het wel een beetje ingewikkeld om hier zo hard en
eendimensionaal op in te gaan.
De voorzitter:
U bedoelt dat u daarop terugkomt in de tweede termijn, of bedoelt u iets
anders?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, ik probeer er in tweede termijn op terug te komen. Als dat niet lukt
… Ik ga dan namelijk iets zeggen over de inspectie. Daar ben ik altijd
een beetje terughoudend in, want dat is een onafhankelijk
toezichthoudend orgaan. Ik moet even kijken of ik dat zo kan doen.
De voorzitter:
In ieder geval gaan we er in de tweede termijn op terugkomen, en dan
kunt u alsnog uw woorden kiezen. De heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Over de samenwerkingsverbanden meen ik te concluderen dat we die
demissionair verklaren tot 2035, zonder dat we exact weten waar we dan
precies naartoe gaan. Klopt dat?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind de vergelijking leuk, maar die gaat niet helemaal op. Of
misschien ook wel. Nu nodigt meneer Stoffer mij uit om te gaan
improviseren. Dat is nooit een goed idee, in mijn geval. Er is echt nog
wel wat te doen aan de samenwerkingsverbanden voordat we kunnen zeggen
dat ze niet meer nodig zijn. Bij "demissionair" heb ik eigenlijk een
soort "status quo"-gevoel. Dat is waarom ik niet direct denk dat het
vergelijkbaar is. De verschillen tussen samenwerkingsverbanden moeten
echt kleiner worden. Ze moeten allemaal beter werken, wat mij betreft.
De kennis die ze daar opdoen, is echt van groot belang voor wat we
straks nodig hebben in de scholen. Ze hebben nog echt wel wat te doen in
de komende jaren. Het ligt er een beetje aan hoe je ernaar kijkt, maar
2035 is nog wel echt negen jaar vanaf nu.
De heer Stoffer (SGP):
Die parallel trek ik niet voor niets. Bij een demissionair kabinet — ik
heb het nu een paar keer meegemaakt — denk je: we doen de lopende zaken
nog wel een beetje. Maar bij iets nieuws en echt vooruitstrevends
waarbij je iets echt met elkaar wil oplossen, denk je: nou, ik wacht wel
tot dat nieuwe kabinet er is. Zou dat gevaar hier ook kunnen ontstaan
bij de samenwerkingsverbanden, dat mensen denken: weet je, we zien het
wel gaan; we doen de lopende zaken wel, maar we doen eigenlijk niks
nieuws meer?
Staatssecretaris Tielen:
Dat gevaar is er in theorie, net zoals dat er bij een kabinet is. Dan is
er echter altijd een Kamer die op sommige dingen toch echt wat harder
doorduwt, omdat ze geen zin heeft om te wachten tot er een nieuw
missionair kabinet is. Dat geldt hier natuurlijk ook. We hebben als
samenleving, en ook als scholen en ouders en leerlingen, wat te
verwachten van samenwerkingsverbanden en dat mogen we ook verwachten.
Daar zullen we echt op duwen. De vraag hoe de eerste fase in het
transitieplan richting inclusief onderwijs eruitziet, lijkt me typisch
een onderwerp waarbij we ook even stilstaan bij wat we in de komende
periodes van de samenwerkingsverbanden verwachten.
De voorzitter:
Afsluitend, de heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Ik denk dat de staatssecretaris en ik elkaar ergens wel een beetje
aanvoelen. Zou het een optie zijn om eens goed op papier te zetten hoe
we de komende periode zien? Kan de staatssecretaris daar misschien een
toezegging op doen? Dat geeft ons en het onderwijsveld ook een beetje
grip voor de komende tijd, want ik tast nu wat in het luchtledige, moet
ik heel eerlijk zeggen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat snap ik best goed en daar kom ik straks in mijn blokje inclusief
onderwijs ook nader op terug. Volgens mij hebben we best een beeld van
waar we naartoe willen, maar het is zeker de vraag hoe je daar dan komt
en hoe je daarmee omgaat zonder dat je de winkel negen jaar moet
sluiten. Ik ga dat opnemen in het transitieplan dat ik schrijf. Daarin
zal ik hier specifiek een alinea aan wijden op het gebied van
samenwerkingsverbanden. Ik vermoed dat hier straks nog wel meer
onderwerpen over komen, dus wat mij betreft is dat een toezegging.
Uiteraard ga ik dat dan niet in mijn eentje achter een laptopje zitten
verzinnen, maar ook daar kom ik straks op terug; dat doe ik juist ook
samen met al die andere betrokkenen in het veld.
De voorzitter:
Ik hoor u een toezegging doen. Heeft u daar ook nog een termijn
voor?
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij heb ik gezegd dat ik dat transitieplan begin 2027 naar uw
Kamer stuur.
De voorzitter:
Dan noteren we dat bij deze toezegging. De heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik zeg er alvast bij dat deze interruptie langer dan 30 seconden gaat
duren, want ik wil graag ook iets voorlezen. Ik wil even doorgaan op dit
onderwerp. Ik heb hier het rapport van de onderwijsinspectie over
samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs. Daarin schrijven zij
dat er bij 16 van de 40 onvoldoende presterende samenwerkingsverbanden —
dat zijn er dus best veel — in 2022-2025 tekortkomingen waren in het
dekkend netwerk. Dat is net ook vaak gezegd.
Ik maak me een beetje zorgen over het volgende; daarmee wil ik het toch
even naar het bedrijfsleven trekken. Als je een onderneming hebt en de
boel verpest, dan ga je failliet en ben je als ondernemer de sjaak. Bij
een samenwerkingsverband in het onderwijs hebben we echter met kinderen
te maken. Ik snap wat de staatssecretaris zegt, maar we hebben recent
gesprekken gehad met samenwerkingsverbanden en die zeggen gewoon: zorg
nou voor keiharde kaders waar wij aan moeten voldoen en geef ons nou
gewoon doelstellingen, zodat wij weten hoe we het moeten inrichten. Nou
ben ik zeker geen voorstander van boetes, want dan gaan we geld
rondpompen, maar zou de inspectie daar bijvoorbeeld niet veel korter en
strakker op kunnen zitten en veel vaker kunnen controleren? De
onderwijsinspectie is wel onafhankelijk, maar de staatssecretaris en de
minister zijn daar volgens mij ook wel een beetje de baas van, dus die
mogen prima zeggen wat er moet gebeuren bij de inspectie. Volgens mij —
dan rond ik af — moeten we veel hardere doelstellingen geven aan die
samenwerkingsverbanden, ze veel vaker controleren en er veel meer
bovenop zitten, ten behoeve van het kind. Daar gaat het namelijk
uiteindelijk om; zo begon de staatssecretaris haar betoog ook. We doen
dit uiteindelijk zodat kinderen goed onderwijs, passend onderwijs,
kunnen krijgen. Is de staatssecretaris dat met me eens?
De voorzitter:
Dit was inderdaad een lange interruptie. De staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat ben ik met meneer Kisteman eens en ik snap zijn metafoor ook
goed. Het is precies zoals meneer Kisteman zegt. Als hier iets fout gaat
is het niet van "o, wat jammer", maar zijn kinderen daar gewoon de dupe
van. Als kinderen rondom onderwijs ergens de dupe van zijn, dan heeft
dat vaak langjarig effect. Ik voel die urgentie dus evengoed en ik wil
graag met de inspectie in gesprek. Nogmaals, ze zijn onafhankelijk, maar
we zijn wel regelmatig in gesprek. Zij komen natuurlijk de hele dag door
bij zowel samenwerkingsverbanden als scholen over de vloer en hebben dus
ook heel veel informatie waar ik wat aan kan hebben. Ik ga dus graag met
de inspectie in gesprek over de vraag wat zij eventueel extra nodig
heeft van mij om dat toezicht aan te scherpen en om te zorgen — zoals ik
daarstraks al zei — dat die samenwerkingsverbanden onderling minder
grote verschillen hebben en uiteindelijk ook beter werken voor al die
kinderen die behoefte hebben aan een goede plek in het onderwijs.
De heer Kisteman (VVD):
Dat is goed om te horen. De staatssecretaris gaf, als ik het goed
begreep, net aan dat ze in 2027 met de brief over de
samenwerkingsverbanden wil komen. De samenwerkingsverbanden geven echter
nu ook aan wat zij zouden willen en wat voor doelstellingen en eisen zij
nodig hebben om te weten waar ze aan moeten voldoen. Zouden we daar niet
alvast na de zomer een eerste stap in kunnen zetten? Het gaat toch om de
kinderen, zoals ik net zei.
Staatssecretaris Tielen:
In gesprek gaan kan op korte termijn altijd. Tenminste, dat hoop ik en
ik hoop dat dat voor iedereen geldt. Ik kijk met een schuin oog naar de
tribune. Begin 2027 wil ik het transitieplan opleveren. Dat is wat mij
betreft echt de totale route, die, zoals ik in de brief al heb
geschetst, in fases is ingedeeld: wat inclusief onderwijs betekent, hoe
we er gaan komen, hoe we die rollen verdelen en wat we in de tussentijd
van de verschillende betrokkenen verwachten. Ik weet niet of ik een
jaarlijkse brief over de inspectie heb om te sturen, maar dat zou
volgens mij een moment kunnen zijn waar meneer Kisteman naar verwijst.
Laat me dus even dubbelchecken wat er op dat punt al in de planning
staat. Ik kan natuurlijk een gespreksverslag gaan sturen, maar dat is
weer een beetje los zand. Ik probeer het graag te verbinden aan de
doelstellingen. Daar kom ik dan in tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Afsluitend de heer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik zal het heel kort houden. Ik ben er vooral naar op zoek dat wij die
samenwerkingsverbanden, doelstellingen en kaders krijgen. Als ik het
goed begrijp, namelijk dat het transitieplan niets anders is dan dat,
moet het best mogelijk zijn om dat op korte termijn te realiseren. Ik
wil de staatssecretaris niet onder druk zetten, maar volgens mij … "Zo
voelt het wel", hoor ik de staatssecretaris zeggen, maar dan kent u mij
nog niet, staatssecretaris. Nee, grapje. Volgens mij moeten we dat best
wel voor elkaar kunnen krijgen, ook omdat die samenwerkingsverbanden er
zelf om vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Nogmaals, ik snap heel goed wat meneer Kisteman zegt, maar laat mij even
kijken wat dan een goed moment is. Ik denk dat begin 2027 sowieso een
goed moment is. Tegelijkertijd zijn die samenwerkingsverbanden ook geen
losse eilandjes. Scholen verwachten daar ook iets van. Ik moet dus ook
even zorgen dat er een rond verhaal komt. Ik doe de toezegging, maar ik
kan er nog geen tijdsplanning aan koppelen. Ik begrijp wel wat meneer
Kisteman zegt en ik zie een aantal mensen non-verbaal meeknikken. Ik
denk dat dat betekent dat ze het ermee eens zijn.
De voorzitter:
U wilt iets zeggen over hetzelfde punt, meneer Hamstra? Is het akkoord
dat we eerst naar mevrouw Rooderkerk gaan?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Volgens mij komen we nu een stap verder. Het is goed om te horen dat de
staatssecretaris hiermee aan de slag gaat. We zoeken, denk ik, niet wat
de wettelijke taak is. Wij willen gewoon dat samenwerkingsverbanden zich
houden aan de wettelijke taak. Dat is een dekkend aanbod. Dat betekent
gewoon dat er geen thuiszitters zijn. Is het dus mogelijk om een
overzicht te geven van het aantal thuiszitters per verband en een
meetbare doelstelling te geven om dat omlaag te brengen?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat is mogelijk, maar niet op heel korte termijn. In de wet over het
verzuim hebben we geregeld dat we deze data ophalen. Ik weet dat we in
dat debat ook wel iets zeiden als "dan moeten we weer allemaal
registraties gaan doen en zo", maar in ieder geval gaan we met de wet
die u heeft aangenomen die data ophalen. Die wet moet nog door de Eerste
Kamer worden vastgesteld. Dus ja, dat gaan we doen, maar ik weet niet
precies op welke termijn. Dat hangt ook van de Eerste Kamer af.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Maar volgens mij loopt er ook nog een onderzoek naar het aantal
thuiszitters, omdat er dus verwarring is over de vraag hoeveel het er
nou zijn. Het waren er eerst 4.000 en nu blijken het er 70.000 te zijn.
Ik zou over dat onderzoek dus zeggen dat het goed zou zijn als we zouden
weten hoeveel het er per samenwerkingsverband zijn en welke verbanden
dat zijn. Wat gaat zij doen om dat op te lossen en binnen welke
termijn?
Staatssecretaris Tielen:
Die behoefte deel ik heel erg, maar daar heb ik wel die wet over het
verzuim voor nodig.
De voorzitter:
Afsluitend.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat lijkt me goed. Verder denk ik dat het vooral nodig is dat we
doorgaan met die wet over het leerrecht, om te zorgen dat er echt een
stok achter de deur is als er geen sprake is van het terugdringen van
verzuim, want die ontbreekt dus nu. Ik hoop dat we anders inderdaad een
terugkoppeling krijgen over het gesprek met de inspectie over de vraag
hoe we de wet, die, zoals blijkt, niet goed wordt uitgevoerd, dan
strenger gaan naleven.
Staatssecretaris Tielen:
Ik hoorde niet heel duidelijk een vraag, maar ik denk dat dit vooral een
pleidooi van mevrouw Rooderkerk was. Ik herken dat. Volgens mij is de
Wet leerrecht een initiatiefwet. Ik bemoei mij als lid van het kabinet
nooit zozeer met initiatiefwetten, want die laat ik echt aan de
Kamer.
De voorzitter:
Ik begrijp dat mevrouw Rooderkerk meer zoekt naar een brief waarin u dit
bevestigt.
Staatssecretaris Tielen:
Dat zei ik al tegen meneer Kisteman: daar kom ik in tweede termijn op
terug.
De voorzitter:
Ja, daar komen we in tweede termijn op terug. We gaan naar de heer
Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
De vraag over het dekkend aanbod die ik had, is inmiddels beantwoord. Ik
had in aanvulling op wat mevrouw Beckerman zei nog wel een vraag over
dat zogenoemde rommelpotje, dus over onorthodoxe methoden die we op deze
manier, via het samenwerkingsverband, moeten financieren en over de
doelmatigheid van de bestedingen. Zijn er op dit moment nog onorthodoxe
methoden, om het even zo te noemen, die niet gefinancierd worden omdat
het rommelpotje niet toereikend is?
Staatssecretaris Tielen:
Niet dat ik weet, maar dat is altijd gevaarlijk om te zeggen, want als
je het niet weet, dan kan je … Snap je? Als er signalen zijn, zou ik het
doorgeven, maar wat ons betreft is wat wij terugzien van de
subsidieregeling effectief.
De heer Hamstra (CDA):
Tot slot, voorzitter. Dat is wat mij betreft de essentie, want als die
middelen inderdaad via het samenwerkingsverband beschikbaar gesteld
worden en bij het samenwerkingsverband blijven liggen terwijl er nog
onorthodoxe methoden zijn die een gebrek aan financiering hebben, dan
hebben we volgens mij een probleem. Als die signalen bij u niet bekend
zijn, is dat, denk ik, heel erg mooi. Als de signalen bij u bekend zijn,
zou ik dat als Kamer wel graag van u horen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ben het helemaal eens met wat de heer Hamstra zegt.
De voorzitter:
Dat is ook een kort antwoord. Dat kan ook nog.
Mevrouw Beckerman (SP):
Omdat we nu net een vrij uitgebreid debat hadden over die
samenwerkingsverbanden, wijs ik erop dat ik daar ook nog een vraag over
had gesteld. Ik was benieuwd of die beantwoord was. Dat ging over de
kritiek die vorige week van de Algemene Rekenkamer is gekomen. Ik was
benieuwd naar dat antwoord.
De voorzitter:
De staatssecretaris over de kritiek van de Algemene Rekenkamer. Of komt
dat in een volgend blokje terug? Ik denk het niet, hè? We gaan het
opzoeken.
Staatssecretaris Tielen:
Ik lees dat de Rekenkamer in zijn rapport zegt: ga met de inspectie van
het onderwijs en DUO kijken naar met name dat toezicht op de afgifte van
de toelaatbaarheidsverklaringen. Dat is een van de punten daarin, maar
ik weet niet zeker of dat is wat mevrouw Beckerman bedoelde. Dat ga ik
uiteraard doen, namelijk met de inspectie en DUO in gesprek gaan.
Mevrouw Beckerman (SP):
Mijn vraag ging over de opmerking van de Rekenkamer dat in sommige
samenwerkingsverbanden al het geld naar speciaal onderwijs gaat en er
geen ondersteuningsbudget meer over is voor het passend onderwijs.
Staatssecretaris Tielen:
Nu u dit herhaalt, herinner ik mij dat u dat in de eerste termijn gezegd
heeft, maar ik kan me niet herinneren dat die specifieke vraag in het
antwoordensetje zit, dus die gaan we even opzoeken. Mensen luisteren
mee!
De voorzitter:
Er zit een onzichtbare schil om u heen, maar die is er wel. Mevrouw
Beckerman, afsluitend.
Mevrouw Beckerman (SP):
Daar zit wel een beetje de kern. Als we zeggen dat we "naar inclusief
onderwijs gaan", klinkt dat hartstikke leuk, maar als er nu al geen geld
is om leerlingen op een reguliere school te ondersteunen omdat dat geld
nodig is bij het speciaal onderwijs en als je zegt dat het op magische
wijze wel helemaal goedkomt, wat zijn we dan aan het doen? Dan is het
gewoon een modewoord. Voor mij is dit wel echt een kernvraag.
De voorzitter:
Ik zou anders willen voorstellen dat we die vraag in de tweede termijn
nog even terug laten komen of wil de staatssecretaris …? Reageer anders
even.
Mevrouw Beckerman (SP):
Nee, voorzitter, als het niet kan, dan kan het niet. Alleen merkte ik
net ook wat frustratie bij de antwoorden van mevrouw Rooderkerk waarbij
ik dacht: er is wel een probleem met die samenwerkingsverbanden en die
verdeling van het geld. We kunnen namelijk allemaal mooie beloftes doen,
maar als we zeggen dat we het allemaal inclusief gaan maken en er nu al
geen geld is om deze leerlingen te steunen, wat zijn we dan aan het
doen? Mooie beloftes zijn ook gedaan bij het passend onderwijs: voor
elke leerling een passende plek.
De voorzitter:
Het ging me ook even over het proces. Dus als de staatssecretaris
aangeeft dat ze het antwoord niet heeft, stel ik voor dat in de tweede
termijn te laten komen. Maar ik geef de staatssecretaris de gelegenheid
om even te reageren.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap heel goed wat mevrouw Beckerman zegt en daar ben ik het ook
helemaal mee eens, maar het financiële plaatje heb ik nu nog niet
helemaal voor ogen. Onderdeel van mijn transitieplan is uiteraard om
alle randvoorwaarden — ik kom zo op heel veel meer terug — duidelijk te
maken, maar ook hoeveel geld ervoor nodig en beschikbaar is en aan wie
we welk geld overmaken en wat er dan voor wordt gekocht. Al dat soort
dingen vergt echt wat meer dan één antwoord in twee zinnen in een debat,
nog afgezien van het feit dat we daar nog dingen voor door moeten
rekenen. De grap — dat is eigenlijk niet zo heel grappig — is dat als de
samenwerkingsverbanden alleen geld besteden aan speciaal onderwijs en
niet aan passendonderwijsplekken, ze waarschijnlijk meer geld kwijt zijn
dan als er ook passendonderwijsplekken in zaten. Ik zou dus wel een
beetje weg willen blijven van het nu al trekken van conclusies over het
totale bedrag dat beschikbaar is. Die conclusies zijn op termijn
misschien wel nodig of mogelijk. Dat is prima, maar geef mij de
gelegenheid om in het transitieplan een goede, doorwrochte financiële
paragraaf op te nemen.
De voorzitter:
Dan is het voor mij nog niet helemaal helder. Gaat u hier in de tweede
termijn nog iets over zeggen of zegt u nu richting mevrouw Beckerman:
nee, u moet wachten tot de brief van begin 2027?
Staatssecretaris Tielen:
Zoals ik al zei, heb ik dat niet in een paar minuten uitgerekend.
Volgens mij vraagt de Algemene Rekenkamer om hier heel goed naar te
kijken, dus ik wil daar ook graag goed naar kijken. Daarna neem ik dat
mee in het transitieplan dat begin 2027 naar u wordt gestuurd.
De voorzitter:
Oké. Dan is dat voor mij helder.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik heb een vervolgvraag hierop. Inclusief onderwijs is meer dan alleen
onderwijs; de jeugdzorg is daar ook aan verbonden. Mijn vraag luidt als
volgt. Ik heb zelf heel lang in de gemeenteraad van een grote stad
gezeten. Als je nu naar de gemeenten kijkt, zie je dat zij bezuinigen op
de jeugdzorg omdat er geen geld meer bij komt. De zorg voor passend
onderwijs komt vanuit de jeugdzorg. Gemeenten zijn behoorlijk aan het
bezuinigen. Zou er vanuit die hoek dan ook nog extra budget voor de
gemeenten komen?
De voorzitter:
Dit was een lange interruptie. Dit was een vraag uit Almere, denk
ik?
Staatssecretaris Tielen:
Een vraag over de jeugdzorg delegeer ik graag aan de minister van
jeugdzorg, om het maar zo te zeggen. Ja, er zit synergie in, maar vanuit
mijn portefeuille en verantwoordelijkheid kijken we vooral naar hoe we
ervoor kunnen zorgen dat er vanuit een onderwijsdoel en een
onderwijsvisie op al die scholen voor ieder kind een plek is, ongeacht
welke extra ondersteuningsbehoeften er zijn.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik snap wat de staatssecretaris zegt. Het is goed als er voor ieder kind
een passende plek is. Maar als er wel een passende plek is en geen zorg,
dan heeft dat kind nog niks aan die passende plek. Daarom mijn vraag. Ik
denk dat we dat samen moeten gaan bekijken.
Staatssecretaris Tielen:
Daarom zitten we hier ook allebei, omdat het echt met elkaar te maken
heeft. Maar als je vraagt waar we vanuit passend onderwijs richting
inclusief onderwijs naartoe aan het ontwikkelen zijn, dan is dat met
name op het gebied van pedagogisch stevige scholen, het klimaat op
scholen en wat leraren nodig hebben om ervoor te zorgen dat zij de klas
kunnen managen en daadwerkelijk onderwijs kunnen geven et cetera.
De voorzitter:
Oké. Dat was het dan, denk ik, voor dit eerste blokje over de
verbeteraanpak passend onderwijs. Dan gaan we verder met het tweede
blokje: verzuim. Hoeveel vragen heeft u daarin ongeveer?
Staatssecretaris Tielen:
Zeven of zes.
De voorzitter:
Zes of zeven. Ik stel voor om het weer per blokje te doen. Degene die
zich als eerste meldt, geef ik als eerste het woord. Ik zie dat de heer
Kisteman zijn hand al opsteekt. Ja, ja, de groetjes! Het woord is aan de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld vroeg of ik wilde reageren op de aankondiging dat
Balans naar de rechter stapt. Mijn reactie daarop is dat iedereen in
Nederland naar de rechter mag stappen als hij daar een goede reden voor
ziet. Of die reden goed is, is aan de organisatie zelf. Ik hoef daar nu
niks over te zeggen, anders dan dat ik nog niet weet wat de
daadwerkelijke reden is en wat ik daarvan moet vinden. Ik wacht het dus
gewoon af. Tegelijkertijd hoop ik natuurlijk altijd dat we vooral om de
tafel kunnen zitten met de relevante partijen en wellicht stevige
discussies kunnen voeren, maar dat we met elkaar beleid kunnen inzetten
en uitvoeren waarin iedereen zijn rol in heeft. Naar de rechter stappen
is eigenlijk altijd onwenselijk.
De voorzitter:
Een verduidelijkende vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp natuurlijk dat de staatssecretaris niet kan ingaan op hoe de
rechtszaak er straks uit gaat zien. Mijn punt was meer dat organisaties
het dus nodig vinden om naar de rechter te stappen, omdat er voor een
heel aantal kinderen geen onderwijs is. Wat vindt zij daarvan?
Staatssecretaris Tielen:
Nogmaals, je zou willen dat onze rechtsstaat zo functioneert dat alles
in principe gewoon werkt en de rechter het ultimum remedium is. Ik vind
het dus jammer. Dat betekent dat er ergens dingen fout gaan. We zien ook
dat er op andere manieren dingen fout gaan. Daarom zitten we hier ook
met elkaar om te kijken hoe we het kunnen verbeteren. Ik hoop altijd dat
mensen eerst met elkaar en ook met mij om de tafel gaan om te kijken
waar de verbeterpunten zitten. Uiteindelijk liggen onze
gemeenschappelijke doelen volgens mij niet ver uit elkaar: we willen
ervoor zorgen dat ieder kind in Nederland goed onderwijs kan
krijgen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld vroeg ook wanneer er een volgend wetsvoorstel over
het terugdringen van schoolverzuim komt. U heeft de wet net in uw Kamer
aangenomen; daar verwees ik al naar. Die treedt in werking op 1 januari
2027 als het gaat om de procedure rondom vrijstelling. Per 1 augustus
2027 is de wet zodanig in werking getreden dat alle scholen een
verzuimbeleid hebben en in beeld hebben wat het totale verzuim is.
Daarnaast zijn we bezig met een wetsvoorstel voor maatwerkmogelijkheden.
Dat is met name gericht op het tegengaan van verzuim met behulp van
specifieke maatwerkmaatregelen. Voor de zomer start de
internetconsultatie daarvan. Voor de zomer kom ik nog met een brief over
het vraagstuk van vrijstelling van de leerplicht; meneer Stoffer verwees
daar ook al naar.
Mevrouw Rooderkerk vroeg hoe we omgaan met leerplichtambtenaren en hoe
we ervoor zorgen dat zij een preventieve rol kunnen spelen. We hebben
het daar uitgebreid over gehad in het debat over de Wet terugdringen
schoolverzuim. Ingrado is de vereniging die daar nu ondersteuning bij
biedt, met financiële ondersteuning vanuit ons ministerie. We zijn nu
aan het kijken hoe die preventieve rol vorm kan krijgen. Ik kom voor de
zomer terug met wat specifiekere antwoorden op die vraag. We gaan,
uiteraard samen met de VNG, in gesprek om te kijken hoe we op basis van
die onderzoeksresultaten leerplichtambtenaren verder kunnen
ondersteunen. Dat past wat mij betreft bij de Wet terugdringen
schoolverzuim; daar verwees mevrouw Rooderkerk ook al naar.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar het aantal thuiszitters per
samenwerkingsverband. Daar ben ik op teruggekomen. Zodra die wet door de
Eerste Kamer is aangenomen, kunnen we die cijfers ophalen en overzicht
bieden. Daarmee krijgen we inzicht en vinden we hopelijk
oplossingen.
Meneer Hamstra vroeg hoe we er echt voor gaan zorgen dat het aantal
thuiszitters gaat afnemen. Daar zit wat mij betreft een korte en een
lange termijn in. Ik denk dat het belangrijk is om kinderen elke dag
weer terug te geleiden naar school. Dat lukt nog niet honderd procent.
Tegelijkertijd zien we ook dat een hoop langdurige verzuimers wel weer
terug naar school komen. Met de Wet terugdringen schoolverzuim kunnen we
dat nog beter doen, is mijn vaste overtuiging, en ook die van u; daarom
heeft u die aangenomen. We zijn dus ook bezig met maatwerkoplossingen in
het kader van de wet voor maatwerk. Uiteindelijk willen we met inclusief
onderwijs een heel meetbaar doel neerzetten wat betreft thuiszitters. In
het transitieplan kom ik daarop terug, om dat scherp te zetten.
Dat was ook het antwoord op de vraag van meneer Kisteman over het aantal
thuiszitters. Ik denk dat we met z'n allen kunnen constateren dat dit te
hoog is. Nogmaals, of het 19.000 of 70.000 is, het is gewoon veel te
veel. We moeten echt de handen ineenslaan om dat aantal fors omlaag te
krijgen.
De voorzitter:
Dit was het tweede blokje. Er zijn geen interrupties op dit punt. Dan
gaan we verder met het derde blokje van de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: inclusief onderwijs. Mevrouw Tielen,
het derde blokje.
Staatssecretaris Tielen:
Een heleboel vragen en ook een heleboel antwoorden. Misschien is het ook
wel de kern van het debat van vandaag.
De voorzitter:
Misschien dat we dan eerder interrupties toestaan, want anders zijn we
wel heel lang bezig voordat we aan het eind zijn. Dat zou mijn voorstel
zijn. Iedereen heeft dit meegekregen? Ja? Helemaal goed. Aan u het
woord, mevrouw Tielen.
Staatssecretaris Tielen:
Er is door een aantal van uw leden gerefereerd aan het rapport "Help(t)
het inclusief onderwijs?" van de Algemene Onderwijsbond, CNV en FvOv. De
vraag is onder andere of ik per aanbeveling kan aangeven hoe de
aanbevelingen geïmplementeerd gaan worden. Ik had, toen ik het rapport
las, wel een beetje het gevoel van: c'est le ton qui fait la musique. Ik
denk dat ik het met heel veel eens ben, maar tegelijkertijd zie ik harde
en stevige koppen. Die hoor ik overigens ook terug in uw bijdrages. Voor
mij is het wel een zoektocht. Ik refereerde er net al aan, die zoektocht
leg ik graag samen met de partijen af. Ik begrijp heel goed dat als
dingen veranderen, en zeker als dingen nu al niet goed gaan, je denkt:
hoho, op de noodrem trappen, we moeten niet verder. Dat begrijp ik heel
goed en er zijn ook veel vraagstukken. De ambitie is hoog wat mij
betreft.
Tegelijkertijd lees ik door de regels heen dat er ook misverstanden
zijn. Ik ga heel graag in gesprek met de schrijvers van het rapport —
sowieso, maar zeker ook naar aanleiding van alle verwachtingen die we
met elkaar hebben en de ambities waarin we elkaar al dan niet kunnen
vinden. Ik hoop dat die uitnodiging ook wordt aangenomen. Uiteindelijk
zijn er bij inclusief of passend onderwijs heel veel partijen betrokken:
de schoolleiders, maar ook de docenten en de sectoren. Uiteindelijk, en
ik vind het fijn om dit te bevestigen, gaat het echter om de leerlingen
en hun ouders. Alles moet daartoe dienen. Daar hebben we elkaar voor
nodig.
Kan ik per aanbeveling aangeven hoe ik daarmee aan de slag ga, was de
vraag. Die aanbevelingen vind ik niet heel vreemd of raar, maar ik ga
graag in gesprek met de schrijvers van het rapport om te kijken hoe we
ze moeten verstaan.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat is mooi weggeredeneerd, maar ik denk dat de Kamer heel graag wil
weten hoe de staatssecretaris reageert op de aanbevelingen. Laten we het
heel concreet maken. Iets waar mijn partij al heel lang voor strijdt, is
die kleine klas. Dat is aanbeveling één: breng de basis op orde, met als
eerste punt kleinere klassen. Ik zou graag concreet willen horen hoe de
staatssecretaris daarmee aan de slag gaat en welke waarborgen er
komen.
Staatssecretaris Tielen:
Dan verwijs ik naar de brief die ik begin 2027 ga sturen over het
transitieplan zelf.
Mevrouw Beckerman (SP):
De staatssecretaris zegt heel subtiel: een hoop misverstanden tussen de
regels door. Die kunnen echter ook ontstaan als je niet duidelijk maakt
dat dit soort dingen een absolute voorwaarde zijn; dus niet in 2027. Ik
begrijp niet zo goed waarom dit vooruit wordt geschoven, terwijl we
allerlei toekomstbeelden horen over inclusief. Dan moet je toch een idee
hebben over — dit is alleen al aanbeveling één — kleinere klassen, meer
personeel in de klas en structureel budget voor ondersteuning? Waarom
zou je daar niet nu al duidelijkheid over willen geven aan de Kamer dat
dit een harde voorwaarde is? Waarom zou je de beelden daarover niet
willen delen?
Staatssecretaris Tielen:
De betrokken schrijvers vinden dat een harde voorwaarde, ik vind dat
niet. Daar moeten we dus over in gesprek om te kijken hoe hard het al
dan niet moet zijn. Ik wil in ieder geval een transitieplan maken. Dat
betekent: concreter maken waar we uit willen komen, ook concreter in de
drie fases waarin we dat pad gaan bewandelen en die ik beschreven heb in
de brief die u vorige week heeft gekregen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Nu komen we ergens. De staatssecretaris begint met "hartstikke mooi
rapport", "met heel veel eens" en "we gaan in gesprek", maar als we bij
de eerste aanbeveling doorvragen, blijkt de staatssecretaris het er
gewoon mee oneens te zijn. Hoe kan inclusief onderwijs werken zonder
kleinere klassen, zonder meer personeel in de klas en zonder structureel
budget voor ondersteuning?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Beckerman heeft eerst een zin met één ding en vervolgens een zin
met drie dingen. Dat is precies waarom je soms een gesprek moet hebben:
om te kijken waarover we het precies hebben. Ik heb een aantal
voorbeelden van inclusief onderwijs gezien waarin de klassen niet per se
kleiner zijn, maar waar wel meer ondersteuning in de klas is en aan meer
andere andere voorwaarden wordt voldaan. De weging van die verschillende
voorwaarden en hoe hard je ze neerzet, is typisch iets waar je geen
calculator op los kunt laten. Daarover moet je met elkaar in gesprek
gaan. Je moet leren van wat al goed blijkt te werken en wat nog niet.
Dat begint echter wel met samen met elkaar kijken naar: waar willen we
precies heen, begrijpen we elkaar goed? Ik heb nooit gezegd — een aantal
leden zei het ook al — dat speciaal onderwijs wordt afgeschaft. Dat lees
je in het rapport wel tussen de regels door. Daarover moeten we wel met
elkaar in gesprek. Waar gaan we naartoe, wat verwachten we, hebben we
hetzelfde beeld of niet? Vervolgens kunnen we dat met elkaar gaan
opschrijven. Tenminste, ik hoop dat we dat met elkaar kunnen gaan
opschrijven.
De voorzitter:
Gaat u verder. De heer Van Houwelingen heeft nog een interruptie,
staatssecretaris.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het gaat nu over dat rapport, dat in mijn ogen vernietigend is. De
leraren zeggen zelf dat passend onderwijs niet werkt, dat het niet
passend is. Ik lees één zin voor: "Na vijf jaar passend onderwijs blijkt
dat passend onderwijs ertoe heeft geleid alle leerlingen in de klas
minder aandacht kregen (...)." Vijf jaar laten is dat weer het geval.
Wat is de reactie van de staatssecretaris?
Staatssecretaris Tielen:
Nogmaals, ik zie heel veel dingen in het passend onderwijs die niet
lopen zoals we zouden willen. Ik herken goed wat leraren daarover
zeggen. Uiteraard spreek ik zelf ook veel leraren, weliswaar niet al
9.000 die een vragenlijst hebben ingevuld. Ik zie dat veel dingen van
passend onderwijs beter kunnen. Nogmaals, volgens mij hebben we daarover
ook debatten met elkaar. Het rapport zegt dat inclusief onderwijs de
verkeerde route is; "stop ermee". Daarover wil ik graag in gesprek. Als
we niet tevreden zijn over waar we nu zijn en als we niet tevreden zijn
over waar we naartoe willen, dan moet er kennelijk iets anders zijn en
wat is dat dan? Dat is iets voor een gesprek. Ik geloof in inclusief
onderwijs. Ik heb zo meteen nog een aantal antwoorden die daarover gaan.
We hebben echt wel wat te doen met elkaar, het is echt geen gemakkelijke
route. Ik geloof erin en ik ben ervan overtuigd dat dat aansluit bij het
recht van ieder kind op goed onderwijs, maar daar hebben we elkaar wel
bij nodig. Dan heb je ook het gesprek met elkaar nodig om scherp te
krijgen wat je wel en niet van elkaar mag verwachten.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Begrijp ik de staatssecretaris nou goed? Ze zegt dat ze gelooft in
inclusief onderwijs. Die hele transitie, waar in het rapport heel veel
kritiek op is, kan niet ter discussie worden gesteld. We zitten op een
pad en dat blijven we volgen. We kunnen nog wel wat aanpassen en zo,
maar we gaan de wissels niet meer omzetten. Vat ik het zo goed
samen?
Staatssecretaris Tielen:
Het pad heb ik nog niet uitgetekend. Ik heb drie tussenstations benoemd.
Ik heb een visie waar we in 2035 terecht zouden kunnen komen. Het pad
moet ik nog uittekenen. Nogmaals, dat kan ik niet in mijn eentje achter
een laptopje doen, daar ik heb ik heel veel betrokken experts,
ervaringsdeskundigen en mensen met wil en visie voor nodig, net als
mensen die goede voorbeelden hebben neergezet. Dat is iets wat we samen
doorlopen en dat kost even tijd. Begin '27 heb ik de brief daarover
klaar.
De voorzitter:
Afsluitend de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
De staatssecretaris gaat straks in gesprek met de leraren die het
rapport hebben geschreven; heel goed. Kan de conclusie ook nog zijn dat
deze hele transitie goed is bedoeld maar niet werkt, zoals de leraren
zeggen? Kan de conclusie zijn dat we ermee moeten stoppen en terug
moeten naar de situatie van voor de transitie? Kan dat een uitkomst zijn
van die gesprekken, of zegt de staatssecretaris "nee, dat staat gewoon
niet ter discussie, we gaan in principe door op het pad"?
Staatssecretaris Tielen:
Dan is de vraag: wat is de situatie van voor de transitie? We zijn met
z'n allen niet heel tevreden over waar we nu zijn en we lijken ook niet
heel tevreden, sommigen tenminste, met waar we naartoe gaan. We kunnen
niet 30 jaar terug in de tijd, nog even los van de vraag of die situatie
beter was. Wat is dan het alternatief? Dan heb ik wel een alternatief
nodig, maar dat zie ik nu niet. Je kunt hooguit dit zeggen. Het beeld
van waar we naartoe gaan heb ik in vijf uitgangspunten neergezet — niet
kwantitatief, maar wel ambitieus. Je kunt zeggen dat je het daar niet
mee eens bent. Daarover wil ik dan wel graag in gesprek. Ik ben er echt
van overtuigd dat we stappen te zetten hebben en dat dat uiteindelijk
het goede punt moet zijn.
De heer Boomsma (JA21):
Kan de staatssecretaris in ieder geval aangeven wat het beeld is voor de
toekomst? Hoeveel scholen voor speciaal onderwijs, dus sbo, zullen er
dan nog in Nederland zijn? Wat is het streven? Ik denk namelijk dat het
niet goed is om het zo vaag te laten als "zo veel mogelijk naar
reguliere scholen". Dan riskeer je namelijk dat je maatregelen neemt die
een averechts effect zullen hebben en juist zullen leiden tot meer
thuiszitters.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat kan ik, maar dat kan ik niet alleen en dat kan ik niet nu. Dat
is het mooie van een visie. Een visie is geen rekensom; een visie is
waar je met elkaar naartoe gaat. In de brief heb ik daar vijf
uitgangspunten bij geschreven. Wij hebben daarbij gezegd: voor sommige
kinderen zal gespecialiseerd onderwijs het beste onderwijs blijven.
Hoeveel dat er dan zijn, hangt natuurlijk deels af van hoeveel ruimte
voor ondersteuning je in het ... Dat vergt dus een aantal doordenkingen,
waarin ik samen met de mensen die daar verstand van hebben en die daar
ook mee aan de slag willen een rekensom moet maken. In het transitieplan
dat ik begin 2027 met u zal delen, kan ik wat numerieke antwoorden
geven. Dit had een korter antwoord kunnen zijn, zie ik aan meneer
Boomsma: ja, meneer Boomsma, dat kan.
De voorzitter:
U leert elkaar zo steeds beter verstaan; dat is helemaal geen probleem.
Laten we proberen nu een aantal vragen bij de kop te pakken. Dan gaan we
ook door dit derde blokje, inclusief onderwijs, heen. Het woord is aan
u.
Staatssecretaris Tielen:
De suggestie dat ik dit alleen op mijn zolderkamertje heb zitten typen
zonder de werkvloer te horen, is natuurlijk ook niet helemaal waar. We
zijn afgelopen jaar met ruim 70 schoolleiders, leraren enzovoort
enzovoort aan de slag geweest om themagroepen te vormen en daarmee die
visie op inclusief onderwijs te formuleren. Ten opzichte van de
duizenden professionals in het veld is dat natuurlijk maar een klein
groepje, maar we hebben ze daar echt bij betrokken. Nogmaals, bij het
verder aanscherpen van dat plan ga ik graag in gesprek met alle
betrokkenen, in ieder geval met vertegenwoordigers van alle betrokkenen.
Zo zit ik ook gewoon daadwerkelijk in het werk. Ik kan het niet in mijn
eentje verzinnen, laat staan uitwerken, laat staan uitvoeren. We hebben
elkaar daar echt bij nodig.
Leraren hebben daarin uiteraard een belangrijke rol. Die hebben ook
behoefte aan goede ondersteuning; dat hoor ik goed. Daarom is het
belangrijk om de samenwerking binnen de schoolteams en met partners om
de school te verbeteren. Daarbij moeten we kijken naar wat de leraar
nodig heeft om het onderwijs in een inclusieve klas zo goed mogelijk
neer te zetten. Dat betekent ook wat voor de lerarenopleidingen.
Wat doen we met de zorg op school? Mevrouw Raijer vroeg daar eigenlijk
al eerder naar. Uiteindelijk is het doel van het onderwijs natuurlijk
gewoon zorgen dat kinderen goed onderwijs krijgen. Daarin zal
samenwerking met de stevige lokale teams rondom de school een belangrijk
onderdeel zijn.
Mevrouw Westerveld vroeg wat er allemaal in het transitieplan komt. Over
cijfers heb ik al een aantal dingen genoemd, maar ook over hoe we de
drie fases in gaan. Elke drie jaar zal er een ijkmoment zijn. Een vraag
van iemand anders was: kan je dan nog bijsturen? Ja, dan kan je zeker
bijsturen. Sterker nog, volgens mij is dat de bedoeling van de fases in
een langduriger plan, namelijk onderweg kijken tegen welke onverwachte
dingen we aan lopen, wat er sneller gaat dan we hadden verwacht, wat er
langzamer gaat en wat we verder nog nodig hebben. We gaan elke drie jaar
officieel ijken: hoe gaan we verder?
Mevrouw Van der Plas maakte zich zorgen over het feit dat inclusie
misschien averechts gaat werken voor leerlingen. We weten uit
internationaal onderzoek dat inclusief onderwijs goed is voor alle
kinderen, dus niet alleen voor kinderen met een extra
ondersteuningsbehoefte. Vandaar dat ik erin geloof dat dat de route is.
Het betekent wel dat we de manier om daar te komen echt zorgvuldig
moeten inzetten. Daarom hebben we een transitieplan in drie fases. De
samenwerkingsverbanden hebben we eigenlijk al gehad.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de flexibilisering van budgetten. Ik
refereerde er net ook al eventjes aan dat het nu ook al mogelijk is voor
samenwerkingsverbanden om niet per se toelaatbaarheidsverklaringen te
gebruiken, maar wel geld te besteden. We kijken dus hoe we die
flexibilisering van financiering van diverse vormen van ondersteuning
het beste vorm kunnen geven, zodat die ook daadwerkelijk terechtkomt
rondom de leerling in de klas.
Wat is er nodig om reguliere scholen voor zorg geschikt te maken, vroeg
mevrouw Raijer. Ze refereerde daarbij ook aan verouderde schoolgebouwen.
Daarbij moeten die regionale ondersteuningsnetwerken een rol spelen.
Samen met minister Sterk en minister Aartsen kijken we hoe dat sociale
domein rond de scholen goed ingericht kan worden. Er kan ook eigenlijk
al best veel met de scholen zelf. Onderzoeksbureau Oberon heeft een
kader gemaakt met daarin wat nodig is qua huisvesting voor scholen. We
hebben de wet over huisvesting besproken. Schoolbesturen en gemeenten
kunnen daarmee aan de slag. Het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting
van het Nationaal Groeifonds kan daar ook mee aan de slag.
Mevrouw Beckerman zei: ga nou niks doen waar je niet uit kunt leren.
Daar hebben we het al een beetje over gehad. We zijn de verbeteraanpak
passend onderwijs nu helemaal aan het evalueren. Uiteraard nemen we die
leerpunten mee in het transitieplan. De evaluatie van die verbeteraanpak
gebeurt in de loop van dit jaar, dus dat is mooi op tijd om die
daadwerkelijk te verwerken in het transitieplan, dat begin volgend jaar
voor u beschikbaar is.
Mevrouw Raijer vroeg hoe voorkomen kan worden dat de druk toeneemt en de
kwaliteit verslechtert. Inclusief onderwijs is niet per se van mindere
kwaliteit. Sterker nog, wat mij betreft is er juist goede kwaliteit voor
iedereen. Dat betekent dus dat er naast een goede pedagogische basis,
waarbij ieder kind gezien wordt en leraren ondersteund worden om aan
verschillende groepen leerlingen les te geven, uiteraard een hoge
onderwijskwaliteit moet zijn. Daarvoor zijn er ook een aantal andere
zaken. Dat geldt ook nu al voor de scholen. Daar zijn we druk mee bezig.
We weten dat er in het gespecialiseerd onderwijs best veel kennis is die
we daarvoor kunnen gebruiken. Volgens mij werd er ook al een paar keer
gerefereerd aan voorbeelden daaruit.
Is er budget voor gedragsspecialisten en orthopedagogen, vroeg mevrouw
Rooderkerk. Ja, dat kan nu al. Scholen kunnen nu al aanvullende
ondersteuning inzetten als ze dat nodig vinden, zowel op schoolniveau
als regionaal. We gaan landelijk in kaart brengen wat dat precies
betekent en wat dat betekent voor wat onderwijs- en zorgpersoneel nodig
heeft.
De heer Kisteman en mevrouw Beckerman vroegen naar de betrokkenheid van
lerarenorganisaties. Daar heb ik al iets over gezegd. Nogmaals, ik ga
graag in gesprek om met elkaar te kijken waar we naartoe werken en wat
de beste manier daarvoor is. Ik ga er eigenlijk van uit dat we daar heel
leuke en soms schurende, maar goede gesprekken over zullen voeren, om
beter met elkaar te komen waar we willen zijn.
De heer Boomsma vroeg of er wel realistische doelstellingen in zitten.
Nogmaals, ik begrijp heel goed de behoefte aan cijfers daaromheen. Die
wil ik er ook graag in opnemen. In het transitieplan komen dus zowel
financiële als algemene doelstellingscijfers terug, zodat we na een
aantal jaar met elkaar kunnen kijken: zijn we op de goede weg of gaat
het helemaal niet goed? Dan hebben we namelijk echt een ander
gesprek.
De heer Kisteman vroeg naar de tijdlijn rondom de wetswijzigingen die
nodig zijn. We zijn de komende drie jaar bezig met een wetsvoorstel om
inclusief onderwijs de standaard te maken en met wat dat dan betekent
voor de ondersteuning voor kinderen in de klas. Ik verwacht dat dat
wetsvoorstel in 2028 in internetconsultatie kan gaan. Daarnaast zijn nog
een aantal andere dingen van belang, zoals het ontschotten van budgetten
en de beleidsregel inclusieve leeromgeving, waar we nu mee aan de slag
zijn. Ook daarvoor zal ik in het transitieplan een schema maken en bij
wijze van spreken de precieze kalender vermelden.
De heer Kisteman vroeg ook hoe het gaat met de opleidingen voor leraren.
Hij zei: het klinkt als nogal een grote omslag; hoe zorgen we dat
leraren dat daadwerkelijk kunnen? We zijn nu bezig om met leraren,
schoolleiders en opleidingen in kaart te brengen wat een startende
leraar of schoolleider zou moeten kunnen in de
inclusiefonderwijssituatie, en wat dat betekent voor de kennis en
vaardigheden. Dan moeten we met de lerarenopleidingen en universiteiten
in gesprek gaan om te kijken wat dat betekent voor de curricula.
Uiteraard betrek ik daar de minister van Onderwijs bij.
De heer Stoffer zei: zorg nou dat het onderwijs aan tafel zit en dat het
niet alleen vanuit de koepels komt, maar gewoon vanuit de mensen die
dagdagelijks voor een klas staan. Ja, graag. Ik denk ook dat dat moet.
Ik geloof helemaal niet in tekentafelvisies en dat soort dingen.
Uiteindelijk gaat het erom dat kinderen in de praktijk daadwerkelijk een
plek vinden. Dus ja, heel graag. Ik denk dat dat moet komen vanuit de
leraren, maar vergeet ook niet de schoolleiders, die moeten zorgen voor
goede schoolteams en een goed pedagogisch klimaat. Vergeet ook niet de
ouders, die natuurlijk ook heel veel ervaring hebben. Dat is dus echt
een multidisciplinaire tafel, zou ik zeggen.
De heer Kisteman vroeg nog specifiek naar hoogbegaafde kinderen. Hij
vroeg of er voor hen wel voldoende uitdaging is. Dat was wel grappig;
bij een van mijn werkbezoeken in de afgelopen weken was er bijvoorbeeld
een jongetje dat echt, echt veel problemen met zijn gedrag vertoonde, om
het zo maar te zeggen. Toen zijn niet alleen de docent, maar ook een
aantal andere professionals in de school — ook daar was dat een
multidisciplinair team — eens rustig gaan zitten, kijken en beschouwen.
Zij kwamen tot de conclusie: dit kind wordt totaal niet uitgedaagd, dus
laten we eens wat dingen uitproberen. De gedaanteverwisseling was enorm,
omdat uiteindelijk bleek dat het kind dingen aankon op een ander niveau.
Dat is maar één voorbeeld, maar die zijn er veel meer. We hebben
natuurlijk de landelijke norm voor de basisondersteuning bij
hoogbegaafdheid ingesteld. Alle scholen kunnen ook terecht bij het
Expertisecentrum Hoogbegaafdheid. Er ligt dus heel veel om daarbij te
kunnen ondersteunen, maar het moet wel gezien worden. Ik denk dat dat is
wat we met inclusief onderwijs willen, dat elk kind gezien wordt en dat
erover wordt nagedacht wat het kind wel of niet nodig heeft.
Dat was het best dikke stapeltje over inclusief onderwijs.
De heer Kisteman (VVD):
De vraag was vooral hoe we dat straks in het inclusief onderwijs gaan
meenemen. Worden hoogbegaafde kinderen dan een aparte groep waar
speciaal aandacht voor komt, of is dat — hoe zeg ik dat goed? — een
soort subgroepje binnen de groep van kinderen die extra ondersteuning
nodig hebben?
Staatssecretaris Tielen:
De grap van inclusief onderwijs is wat mij betreft … Zei ik nou weer
"grap"? Ik bedoel het helemaal niet grappig. We gaan juist niet meer in
labeltjes en groepjes denken, maar we gaan uit van een klas waarin per
definitie heel veel verschillende kinderen zitten. Ik weet niet wie van
u het ook alweer zei, maar ieder kind heeft wel iets. Volgens mij was
dat de heer Claassen. Ja, ieder kind heeft wel iets. Dat bedoel ik met
de transitie. We zijn met elkaar een beetje gewend om diagnoses te
stellen en labels, lijstjes, groepjes en clusters te maken. Daardoor
ontstaat er iets wat indruist tegen wat goed is voor al die kinderen,
denk ik. Nogmaals, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het is echt een
plan, maar ieder kind heeft wel iets. Dat betekent dus dat een klas
bestaat uit heel veel verschillende individuen en dat de leraar geholpen
moet worden om te zorgen dat alle individuen in het collectief van een
klas geholpen worden. Het voert te ver om nu helemaal uit te tekenen wat
dat dan precies betekent voor differentiatie en ondersteuning voor de
een of de ander, maar voor ieder kind moet er plek zijn, of het kind nou
hoogbegaafd is, meervoudig beperkt of wat anders.
De voorzitter:
Dat was 'm, meneer Kisteman? Ja? Dan gaan we naar de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Het kan zijn dat ik het gemist heb, maar ik had in de eerste termijn een
vraag gesteld over de gefaseerde aanpak en hoe we tussentijds kunnen
bijsturen. Kunt u daar misschien nog op ingaan?
Staatssecretaris Tielen:
Ik dacht dat ik daar enigszins op ben ingegaan, maar ik begrijp nu dat
dit misschien iets te snel gebeurde. Die drie fases zijn voor mij heel
belangrijk, precies om wat meneer Hamstra zegt. Ik kan nu ook nog niet
overzien waar we over negen jaar mee te maken hebben. In het
transitieplan dat ik begin komend jaar naar uw Kamer stuur, zal ik
daarom opschrijven wat onze doelstellingen zijn na negen jaar, maar ook
tussentijds, aan de ene kant financieel, maar ook als het gaat om
thuiszitters, ondersteuningsbehoefte, leraren die daadwerkelijk tools
hebben om dat goed te doen, schoolleiders en teams; dat soort dingen.
Hoeveel en wanneer dat is, weet ik nog niet precies, maar dan kunnen we
ook tussentijds echt monitoren en zeggen: dit gaat niet goed, dus we
moeten bijsturen. Daarom ga ik de tweede en derde fase ook nog niet
helemaal uitschrijven. Precies zoals de heer Hamstra zegt, moet je echt
met elkaar eraan werken om uiteindelijk uit te komen waar je wilt zijn.
Dat betekent soms tussentijds bijsturen, ja.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik diende op 18 april 2023 met collega De Hoop een motie in die de
regering vroeg om bij de verdere uitwerking en concretisering van de
werkagenda inclusief onderwijs "gedetailleerd te beschrijven hoeveel
elke actielijn en maatregel gaat kosten zodat in kaart wordt gebracht
hoeveel financiële middelen nodig zijn om de ambitie te realiseren". Dat
deden we precies met het doel dat we als Kamer blijvend kunnen bijsturen
en controleren. Dit is drie jaar geleden. Wordt dit meegenomen in het
transitieplan dat komt?
Staatssecretaris Tielen:
Jazeker. Ik voel wel met mevrouw Westerveld mee als zij zegt: ik heb het
drie jaar geleden al ingediend. Dat snap ik heel goed. We nemen het
zeker mee in het transitieplan dat begin komend jaar naar u toe
komt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Oké.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik was benieuwd naar het tijdpad ten aanzien van de wetgeving. De wet
maatwerk werd net aangekondigd, maar ook voor inclusief onderwijs is
nieuwe wetgeving nodig. Wanneer verwacht de staatssecretaris die naar de
Kamer te sturen?
Staatssecretaris Tielen:
De verwachting is dat we die in 2028, dus over twee jaar, in
internetconsultatie brengen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Daar kijken wij vol verwachting naar uit.
Staatssecretaris Tielen:
Wij ook!
De voorzitter:
Sinterklaas komt vroeg dit jaar. We gaan verder met het vierde blokje,
overig. Heeft u veel overige vragen, of valt dat reuze mee? We zijn u
nog niet zat, hoor. Ga uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Fijn dat u het nog even expliciet maakt, voorzitter. Ik ook niet. Ik heb
wel veel vragen. Maar telkens als je naar de publieke tribune kijkt,
wordt het besef alleen maar groter dat het wel ergens om gaat.
Mevrouw Westerveld en meneer Kisteman vroegen naar de landelijke
aanmelding van en bekostiging voor ernstig meervoudig beperkte kinderen,
afgekort EMB. Naar aanleiding van die motie hebben we een aantal
beleidsopties verkend. Ik erken, en herken ook wat mevrouw Westerveld
zei over 2019, dat er echt wat extra nodig is. Daarom hadden we in 2019
ook afspraken gemaakt, die als volgt luidden. Het waren drie afspraken,
die in ieder geval eenvoudig te benoemen waren, namelijk: de kinderen
met een ernstig meervoudige beperking waarover we het nu hebben, vallen
altijd in de hoge toelaatbaarheidsverklaringcategorie, ze krijgen een
toelaatbaarheidsverklaring voor hun hele schoolloopbaan, dus je moet die
niet telkens opnieuw aanvragen, en iedereen gebruikt hetzelfde format
voor inschrijving. Dat waren best wel eenvoudige afspraken, maar die
worden nog lang niet altijd nageleefd. Ook zijn ze nooit gemonitord. Ik
kijk weer even met een schuin oog naar mevrouw Rooderkerk. Mede naar
aanleiding van de oproep van mevrouw Westerveld en meneer Kisteman ben
ik van plan om maar weer eens even om tafel te zitten met de Sectorraad
Gespecialiseerd Onderwijs en de samenwerkingsverbanden, om deze
afspraken te herbevestigen, niet omdat ik signalen heb dat die afspraken
op zichzelf niet goed zijn, maar wel dat ze gewoon niet goed zijn
uitgewerkt. Daar zouden we dus bestuurlijke afspraken over moeten
vastleggen.
Dat geeft ons dan ook de mogelijkheid om de inspectie te vragen daar
toezicht op te houden. Als ik een wetsaanpassing moet doen, kost me dat
ook weer ongeveer drie jaar. Ik wil dus proberen om het op deze manier
af te spreken. Ik kijk ook weer naar de publieke tribune, want daar
zitten een aantal mensen die ik dan om tafel verwacht. De komende een à
anderhalf jaar kunnen we bekijken of dat werkt, even afhankelijk van
wanneer ik deze afspraak kan hebben. Daarna kunnen we bekijken of we
alsnog een wet moeten invoeren. Ik voel gewoon heel erg met mevrouw
Westerveld en meneer Kisteman mee. Het gaat ook om een relatief
overzichtelijk aantal leerlingen. Voor hen is het extra belangrijk dat
het goed geregeld is. Het moet best wel makkelijk kunnen. Tenminste, ik
denk dat het met de afspraken die we in 2019 uitgezet hebben kan. Laten
we dat dus ook gewoon gaan doen. Dit is dus een toezegging,
voorzitter.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hartstikke mooi. Tegelijkertijd zijn er natuurlijk al afspraken gemaakt,
over de hoge bekostiging, zoals de staatssecretaris terecht zegt, maar
ook over de tlv's. Ik sprak afgelopen vrijdag nog een schoolbestuurder
die vertelde dat hij fulltime één orthopedagoog werkzaam heeft, maar dat
hij met verschillende samenwerkingsverbanden samenwerkt om tlv's aan te
vragen. Dat is dus iemand die fulltime aan het vertellen is wat
leerlingen niet kunnen, als er een tlv wordt aangevraagd. Dat is al heel
vervelend, maar diegene zou ook veel beter ingezet kunnen worden in het
onderwijs zelf. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of ze in de
tussentijd alvast een wetsvoorstel kan voorbereiden, zodat ze al iets in
concept op de plank heeft liggen als die afspraken uiteindelijk tot
niets leiden.
De voorzitter:
Dit was een lange interruptie.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, en dat laatste ga ik nu niet toezeggen. Waarom niet? Ik ben
momenteel überhaupt aan het bekijken waarop en hoeveel
wetgevingscapaciteit ik de komende tijd ga inzetten. Ook dat is managen
in schaarste, om het maar zo te zeggen. Ik zeg toe om die afspraken te
herbevestigen in een bestuurlijke afspraak, en daarbij de inspectie te
laten meekijken. We gaan ook echt monitoren wat er wel en niet gebeurt.
Nogmaals, het gaat om een redelijk overzichtelijke groep leerlingen, dus
dat vergt volgens mij ook geen heel uitgebreide instrumenten. Mocht ik
het idee krijgen dat het toch echt veel langzamer gaat, dan neem ik de
tip van mevrouw Westerveld ter harte.
De voorzitter:
Ik hoor u een toezegging doen rond een brief, als ik het goed heb. Op
welke termijn komt die? Dat is een vraag aan u.
Staatssecretaris Tielen:
Ik neem dat mee in de verzamelbrief die voor de zomer naar uw Kamer
komt.
De voorzitter:
Goed, helder.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik sluit me hierbij aan en zie ook uit naar die brief. Ik heb daarbij
nog de volgende vraag. We zien natuurlijk heel veel verschillen tussen
samenwerkingsverbanden als het gaat om in hoeverre dit wordt toegekend.
We horen ook dat ouders dit elk jaar opnieuw moeten aanvragen voor
kinderen met een ernstig meervoudige beperking. Zouden we een
versimpeling van de regels mogelijk kunnen maken? Als dit het hele leven
van een kind lang moet gebeuren, vind ik het niet menselijk om dat elk
jaar te laten doen. Het zorgt ook nog eens voor veel te veel
regeldruk.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is precies het tweede deel van de afspraak die we in 2019 hebben
gemaakt, waaraan ik net refereerde. De eerste is dat de tlv gelijk de
hoogste zwaartecategorie krijgt. Ten tweede is die tlv voor de hele
schoolloopbaan, dus tot, hup, 18 jaar en niet elk jaar. Dat is dus al
afgesproken. Maar het wordt niet gemonitord en wordt te weinig
nageleefd. Ik ga het daarom herbevestigen met de Sectorraad
Gespecialiseerd Onderwijs en de samenwerkingsverbanden. Vervolgens vraag
ik de inspectie om dat een beetje in de gaten te houden. Als het te lang
duurt, zullen we met een wetsvoorstel moeten komen, maar laten we ervan
uitgaan dat dat niet nodig is.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ook dit is wellicht iets om met de inspectie te bekijken, in plaats van
het "een beetje in de gaten te houden". We hopen natuurlijk dat die
afspraak echt gewoon wordt gehandhaafd. Anders zijn we steeds maar half
aan het sturen en zitten kinderen gewoon weer met dezelfde
problemen.
De voorzitter:
De staatssecretaris, wellicht afsluitend.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, eens.
De voorzitter:
Nou, kijk eens aan.
Staatssecretaris Tielen:
Maar ik wil eerst nog maar weer eens gewoon een natte handtekening van
de betrokken partners.
De voorzitter:
Een natte handtekening! Nou, die gaat er ook bij. Meneer Kisteman, daar
wilt u vast iets over vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat betekent dat die niet digitaal is maar dat ik gewoon om de tafel
zit, met de mensen samen, en dat ik zie dat ze het ermee eens
zijn.
De voorzitter:
Dat staat netjes in de Handelingen opgenomen. Ik heb nog een interruptie
voor u van de heer Kisteman. Even stilte graag.
De heer Kisteman (VVD):
Houd de klas onder controle, voorzitter, zou ik zeggen. Hartstikke goed.
Eens met de lijn die de staatssecretaris schetst. Ik had u gevraagd hoe
dat vervolgens bij inclusief onderwijs gaat werken voor deze leerlingen.
Hoe ziet het er dan uit? Ik snap dat de staatssecretaris daar nu
misschien geen antwoord op kan geven, maar het zou fijn zijn voor de
lange termijn om daarover ook al wat duidelijkheid te geven. Want voor
deze groep leerlingen en de ouders is dat echt heel prettig.
Staatssecretaris Tielen:
Zeker. Zeker als we dat nu wel geregeld krijgen en als dat ook effect
heeft op wat die leerlingen en hun ouders daar ook bij ervaren, dan moet
dat een plek krijgen in inclusief onderwijs. Dat betekent dat ik er ook
in het transitieplan een aparte alinea aan wijd om daar nog even op
terug te komen.
De voorzitter:
Helder. Mevrouw Rooderkerk nog.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb een vraag gesteld over het regionale ondersteuningsnetwerk, dat
in de brief werd vermeld. Ik zou willen voorkomen dat dat een
samenwerkingsverband 2.0 met dezelfde problemen wordt. Hoe gaat de
staatssecretaris dat voorkomen en wat is het doel hiervan?
De voorzitter:
Als die nog in het pakketje zit, zou ik zeggen: we wachten 'm even af.
Anders kan die ook nu beantwoord worden door de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Die hoorde bij het vorige onderwerpje inclusief onderwijs. Die regionale
ondersteuningsnetwerken komen echt veel dichter bij de school. Dat wordt
dus minder een apart orgaan en meer een samenwerking tussen scholen. Dat
is de bedoeling. We gaan geen nieuwe structuren optuigen wat dat
betreft.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat lijkt mij goed. Betekent dat ook dat het geld dan rechtstreeks naar
scholen gaat? Of zouden we dat wellicht kunnen doen?
Staatssecretaris Tielen:
Dat sluit ik niet uit, maar dat ga ik ook nog niet toezeggen. Dat is
onderdeel van het transitieplan als je kijkt naar de financiën: hoeveel
hebben we waarvoor nodig en wat maken we aan wie over en onder welke
voorwaarden?
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat u nu de overige vragen beantwoordt. Afsluitend
proberen we wellicht nog een aantal interrupties toe te staan.
Staatssecretaris Tielen:
Over het leerlingenvervoer zijn een paar vragen gesteld, onder anderen
door mevrouw Westerveld, meneer Hamstra en mevrouw Van der Plas. Die
verwijzen naar de werkagenda. Samen met vertegenwoordigers van ouders en
leerlingen werken we dus aan een gezamenlijke aanpak, die we ook wel de
werkagenda noemen. Die loopt tot eind volgend jaar. Mochten er al
tussentijdse resultaten zijn, dan delen we die met u, maar met name met
de betrokken organisaties. Meneer Hamstra noemde een aantal
aanbevelingen. Daar ga ik graag naar kijken. Ik zie al positieve
signalen, maar ik denk dat het nog heel veel beter kan. Daar lopen we in
voorop, samen met die anderen. Mevrouw Beckerman vroeg er speciaal naar
of haar motie daarin wordt meegenomen, wat natuurlijk een heel logische
vraag is.
Voor wie de motie niet helemaal uit het hoofd kent: die gaat over
alternatieven voor aanbesteden. Ik zie mevrouw Beckerman knikken; dan
heb ik het goed begrepen. Dit jaar hebben we daar hopelijk wat meer
zicht op. Dan ga ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kijken
hoe we daar invulling aan kunnen geven. Dan denk ik met name aan
inbesteden in plaats van aanbesteden.
Mevrouw Beckerman (SP):
Mooi. De motie vroeg om voor de zomer van 2026 te rapporteren over de
voortgang. Welke datum koppelt de staatssecretaris nu aan wat zij net
heeft toegezegd?
Staatssecretaris Tielen:
Ik zou het jammer vinden om voor de zomer een brief te schrijven met "ik
kom erop terug". Ik vermoed dat ik in het najaar met de VNG heb
gesproken. Dan kan ik het delen met mevrouw Beckerman, als net een
beetje de blaadjes gaan kleuren.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat lijkt me heel mooi. Die noteren we dan wel, want dit is natuurlijk
al lang een wens. In het najaar zitten we wel met de volgordelijkheid,
want heel veel leerlingen staan dan, als die blaadjes net aan het vallen
zijn, in dat druilerige herfstweer weer te wachten op een busje dat niet
komt. Dus kan de staatssecretaris er wel voor zorgen dat dat voor die
hele kritieke periode gaat gebeuren?
De voorzitter:
Staatssecretaris, kunnen we die toezegging dus nog wat concreter maken?
Dat is volgens mij wat mevrouw Beckerman vraagt.
Staatssecretaris Tielen:
Hoe snel het kan, is hoe snel ik het ook doe. We zitten echt met wat
juridische dingen die wat meer uitzoekwerk vergen — daar zaten we niet
op te wachten — en waar ik ook graag met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten over in gesprek ga. Maar weet dat we hier zo veel mogelijk
vaart achter zetten. Ik herken namelijk wel wat mevrouw Beckerman
zegt.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik tel even mijn zegeningen wat betreft dit onderwerp.
De voorzitter:
Het is altijd heel goed om dat te doen. Minister, ik hoorde "wanneer de
blaadjes vallen", maar ik vind het toch een beetje ingewikkeld om de
toezegging op die manier op te nemen. Heeft u wellicht een maand voor
ons?
Staatssecretaris Tielen:
Voor het herfstreces.
De voorzitter:
Voor het herfstreces. Oké. Mevrouw Beckerman knikt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een aanvullende vraag. Die ligt misschien ook op het bordje
van de minister, omdat die in bredere zin over het doelgroepenvervoer
gaat. Ik kan me nog een spoeddebat herinneren over leerlingenvervoer als
onderdeel van doelgroepenvervoer van jaren geleden, waarin dit gesprek
eigenlijk ook zo ongeveer plaatsvond. Toen zouden er ook maatregelen
genomen worden. We hadden het toen ook over de arbeidsomstandigheden van
chauffeurs en het feit dat het vaak kleine contracten zijn en dat het
vaak niet goed te combineren is met de rest van het doelgroepenvervoer.
Daar zou het kabinet toen ook mee aan de slag gaan. Mijn uitdrukkelijke
verzoek is om dit mee te nemen. Dat ligt dan volgens mij weer op het
bordje van de minister. Ik kijk dus even naar de staatssecretaris, maar
ik kan me ook voorstellen dat de minister hier straks misschien op in
kan gaan: hoe kunnen we er nou echt voor zorgen dat er straks voldoende
chauffeurs zijn, die dit werk ook goed kunnen combineren?
De voorzitter:
Dit is uw tweede lange interruptie.
Staatssecretaris Tielen:
De minister kan hier straks op terugkomen, maar dit is typisch een van
die juridische dingen. Denk ook aan contact met de VNG, om te kijken of
er daar een overlap te vinden is.
De voorzitter:
Gaat u verder met de overige vragen. Dan proberen we er een klein beetje
vaart achter te zetten.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ben er bijna, maar daarna heeft de minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport nog heel veel. Meneer Stoffer vroeg naar de verkenning
van de Onderwijsraad, Welzijn en onderwijs, die we enkele weken geleden
hebben ontvangen. Ik heb die brief bijna af. U krijgt die beleidsreactie
op korte termijn in uw inbox. Volgens mij is er ergens volgende maand
ook een debat gepland om daar met elkaar over van gedachten te wisselen.
Als ik meneer Stoffer goed heb begrepen, zei hij: de kern van het
onderwijs is vooral een sterke pedagogische basis. Ik heb een aantal
anderen daar ook over gehoord. Ik ben het daar heel erg mee eens. Maar
zult mijn brief dus spoedig te lezen krijgen.
Dan de vrijstelling op grond van artikel 5 onder b. Die is actueel deze
weken. Ik weet niet precies wat de heer Stoffer vroeg, maar ik zeg even
wat ik daarover wil zeggen. We zien het aantal kinderen dat een
vrijstelling krijgt, enorm stijgen. We hebben te maken met een aantal
omstandigheden die maken dat we hier iets mee moeten doen. "We" betekent
dan wij als kabinet, in samenwerking met uw Kamer. Dan gaat het onder
andere over de uitspraak van de Hoge Raad. Het gaat ook over hoe de
gemeentes en het Openbaar Ministerie hier, vanuit hun rol, invulling aan
geven. Ik heb gezegd — dat wil ik nog wel een keer herhalen — dat ik
voor de zomer met een brief kom waarin ik kijk hoe we de vrijstelling
rond artikel 5 onder b kunnen aanscherpen, om er zo voor te zorgen dat
kinderen goed onderwijs krijgen. Recht op goed onderwijs begint met
onderwijs door een bevoegde docent, samen met leeftijdsgenoten. Maar dat
is een wetswijziging, dus daar moeten we het met elkaar dan ook helemaal
over eens zijn. Daarnaast bekijk ik ook wat we eventueel aan
thuisonderwijstoezicht kunnen doen. U ontvangt voor de zomer een brief
met de weging van die twee routes.
De voorzitter:
De heer Van Houwelingen, met een korte interruptie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, een korte. U bent bekend met de problematiek, met die uitspraak van
de Hoge Raad. Zou er in die brief misschien ook een gedachtevorming op
gang kunnen komen over het recht op thuisonderwijs; hoe kijkt de
staatssecretaris daartegenaan? Dat kan dan aangevuld worden met
controles, natuurlijk. Dat zou ik graag ook in die brief zien.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zal in ieder geval wat schrijven over thuisonderwijs. Dat ziet u dan
tegemoet.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Tielen:
De laatste vraag is van de heer Van Houwelingen. Hij vroeg of het klopt
dat het moeilijk is om een nieuwe school voor speciaal onderwijs te
stichten. Het is in ieder geval niet zomaar mogelijk om een nieuwe
speciale school te stichten. Dat komt ook omdat we — meneer Van
Houwelingen refereerde daar al aan — met de ingang van passend onderwijs
proberen om leerlingen zo veel mogelijk op reguliere scholen te krijgen.
Maar het is niet onmogelijk. Scholen kunnen nevenvestigingen toevoegen
op grond van — let op; ik ga nu een juridisch artikel noemen — artikel
76a van de Wet op de expertisecentra. Je ziet dus wel dat het aantal
speciaalonderwijslocaties groeit, in weerwil van wat de heer Van
Houwelingen stelde. We hebben in 2021 uit onderzoek gezien dat er niet
zo veel behoefte is aan nieuwe hoofdvestigingen, maar vooral aan
nevenvestigingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mijn eerste vraag is dan hoe de minister tegen het volgende aan kijkt.
Er zijn wachtlijsten. Het doorstromen vanuit een KDC is moeilijk. Is het
niet zo dat er nu te weinig plek in het speciaal onderwijs is?
Staatssecretaris Tielen:
We zien in ieder geval dat er best een behoorlijke groei is in het
aantal leerlingen dat er gebruik van maakt, of wenst te maken.
Uiteindelijk is de vraag die eronder ligt hoe je er nou voor zorgt dat
kinderen op de best passende plek onderwijs kunnen krijgen. Althans, dat
vind ik de belangrijkste vraag. De uitvoering van dat doel is voor een
deel bij samenwerkingsverbanden neergelegd. We hebben een heel debat
gevoerd over de vraag waar er nog sprake is van problematiek en wat de
oplossingsrichtingen zijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Als ik de staatssecretaris goed begrijp, is het nu nog steeds niet
makkelijk om speciaal onderwijs op te richten. Dan heb ik een vraag over
iets waar ik ook al aan had gerefereerd: die motie-Kwint van 12 november
2019. Die is unaniem door de Kamer aangenomen. Die verzocht de regering
om de huidige wettelijke belemmering en inperking voor het oprichten van
scholen voor speciaal onderwijs weg te nemen. Is die dan niet
uitgevoerd? Hoe staat het met het uitvoeren van die motie, is dus
eigenlijk de vraag.
Staatssecretaris Tielen:
Die motie heb ik dan weer niet zo scherp in mijn hoofd. Uiteindelijk
gaat het erom dat er locaties zijn waar … Overigens is een locatie wel
belangrijk, maar is personeel ook belangrijk. Het is gewoon mogelijk om
nevenvestigingen met gespecialiseerd onderwijs op te richten. Dat
gebeurt dus ook.
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is toch echt geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag is of die
motie, die unaniem door de Kamer is aangenomen, wel of niet is
uitgevoerd. Want het gaat daarin ook om nieuwe scholen. Ik begrijp het
als de staatssecretaris dat nu niet weet. Maar kan ze daar dan in die
omnibusbrief iets over zeggen? Ik kan begrijpen dat ze die informatie nu
niet paraat heeft. Maar kunnen wij als Kamer dan in ieder geval te horen
krijgen hoe het staat met de uitvoering van die motie?
Staatssecretaris Tielen:
Weet u, ik wil daar best een paar zinnen aan wijden. Dan zal ik zo
meteen zoeken in alle brieven die de afgelopen zeven jaar zijn gestuurd,
om erachter te komen in welke brief dan staat dat die motie is afgedaan.
Er worden door de Kamer 5.000 moties per jaar behandeld, waarvan er ik
weet niet hoeveel worden aangenomen. Ik zou het in debatten liever
hebben over de vraag wat we met elkaar willen bereiken, welke stappen we
bereid zijn te zetten met elkaar en wat we daarvoor nodig hebben. Maar
nogmaals, als meneer Van Houwelingen een zin in een brief wil krijgen,
dan kan dat natuurlijk.
De voorzitter:
Dan stel ik toch voor dat u die in tweede termijn nog even meeneemt,
want de vraag was volgens mij concreet of die motie is afgedaan.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Van Houwelingen zegt "blijkbaar niet", maar dat is niet waar. Elk
jaar worden bij de begrotingsstukken ook alle moties verwerkt die het
jaar daarvoor op dat terrein zijn aangenomen. Er is dus vast ergens een
tabel. Als de heer Van Houwelingen mij vraagt om die tabel op te zoeken,
dan ga ik dat doen.
De voorzitter:
Wie weet luistert er iemand mee. De vraag is in ieder geval helder. Ik
ga u bedanken voor uw eerste termijn. We gaan naar minister Sterk
luisteren. Wellicht kunt u ook aangeven wat voor blokjes u eventueel
voor ons in petto heeft.
Minister Sterk:
Ja, absoluut, voorzitter. Mijn blokjes zijn gelukkig wat beperkter qua
aantal vragen. Ik zal eerst kort ingaan op ZiO, Zorg in Onderwijstijd.
Dan was er een vraag over de EMB. Er waren twee vragen over de
dagbesteding. Ten slotte waren er nog drie overige vragen. Het is
volgens mij best overzichtelijk dus.
Dank voor de vragen die zijn gesteld. Ik begin bij de vragen van mevrouw
Westerveld. Die vraagt: hoe gaat u in op de knelpunten op het snijvlak
van onderwijs en zorg? Ik denk dat we net met elkaar opnieuw hebben
geconstateerd dat we echt voor een complex vraagstuk staan. U heeft net
ook al wat wetsgeschiedenis besproken. Het duurt inderdaad best heel erg
lang om de oplossingen te realiseren.
Met de verbeteraanpak die we nu vormgeven in Zorg in Onderwijstijd, zet
ik in op het versterken van de samenwerking tussen die verschillende
partijen. Dat ga ik borgen in de Wet reikwijdte. In die wet komt er
duidelijkheid over welke afspraken er moeten worden gemaakt. Dat moet de
vrijblijvendheid verminderen die er nu is in die samenwerkingsverbanden.
Er komt een geschillenregeling voor gevallen waarin het niet lukt om tot
die afspraken te komen.
Daarnaast is zorg op school voor kinderen in cluster 1 en 2 toegevoegd
aan het landelijk transitiearrangement, waarmee de organisatie en de
financiering van zorg op school ook eenvoudiger wordt. Samen met mijn
buurvrouw, de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, bieden wij
praktische ondersteuning. Wij werken ook aan modelafspraken met de VNG,
de onderwijskoepels en Zorgverzekeraars Nederland.
De heer Hamstra van het CDA vroeg hoe de ouders hierbij betrokken worden
en of er echt met hen wordt samengewerkt. Het is natuurlijk heel erg
belangrijk dat juist die ouders goed betrokken worden bij de vormgeving
van ZiO. Het doel van ZiO is om zo veel mogelijk collectief in te kopen.
Het samenwerkingsverband voor passend onderwijs is daarbij het eerste
aanspreekpunt voor ouders en leerlingen. Via reguliere medezeggenschap
in het onderwijs kunnen ouders ook betrokken zijn bij het maken van
afspraken, maar ik snap dat ouders soms ook nog maatwerk willen. Je kunt
namelijk wel iets collectief inkopen, maar misschien is er voor jouw
kind nog wel net iets meer nodig. Dat moet ook gewoon mogelijk blijven.
Dan gaat het over individuele maatwerkvoorzieningen en het
persoonsgebonden budget. Dat is iets wat ze nog steeds samen met de
gemeente en de zorgverzekeraar moeten kunnen organiseren. Die
mogelijkheid blijft dus. Daarin hebben ouders ook een rol.
De heer Hamstra vroeg ook: waarom zouden bestuurlijke afspraken nu wel
gaan werken? Wij gaan daar in ieder geval wel voor. Of het ook gaat
lukken, moeten we gaan zien. Zoals ik net al zei, constateren we dat het
grootste knelpunt de samenwerking tussen de betrokken partijen is.
Daarom zet ik via de reikwijdtewet een aantal zaken verder vast,
waardoor er meer borging is dat dit soort dingen echt gaan gebeuren. We
helpen het veld ook, bijvoorbeeld met de inzet van zorgarrangeurs, die
speciaal worden ingezet om de verbinding te maken tussen de school en de
zorg. We werken ook aan een leidraad voor ZiO. Op die manier proberen we
ervoor te zorgen dat het beter gaat.
De heer Hamstra vroeg ook of er nog wel voldoende pgb overblijft voor
thuis, bijvoorbeeld in het geval dat een leerling ziek is en niet naar
school kan. Ja, er blijft ook geld beschikbaar voor thuis. Ik zei het
net al: enerzijds hebben we die collectieve inzet, maar anderzijds moet
maatwerk ook mogelijk zijn, en dus ook financierbaar blijven.
Dat was mijn eerste blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Gaat u verder met het tweede blokje.
Minister Sterk:
Er was een vraag van mevrouw Westerveld over de EMB. Ze vroeg of wij, in
lijn met haar eerdere motie, bereid zijn om verdere stappen te zetten
rond de EMB-regeling. Daar willen we goed naar kijken. We gaan in ieder
geval evalueren hoe die regeling tot nu toe heeft gewerkt.
De voorzitter:
EMB staat voor: ernstige meervoudige beperking.
Minister Sterk:
Ja. Heel goed dat u dat eventjes vertaalt, voorzitter. Als we u niet
hadden! In 2026 gaan we die regeling evalueren. Op basis daarvan zal ik
laten weten wat dat betekent voor het budgettaire kader in 2027.
Bij die EMB-regeling is er sprake van directe bekostiging. Ik meen dat
daar ook een vraag over was gesteld. De school vraagt het geld aan bij
DUO.
Dat was het tweede blokje.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Specifiek een vraag hierover. Ook hierop zijn in het verleden
toezeggingen gedaan. Die staan bijvoorbeeld in een brief van toenmalig
minister Arie Slob en van minister Hugo de Jonge, de voorganger van deze
minister. Wat betreft zorg- en onderwijstijd zijn er in die brief een
aantal afspraken gemaakt over het eenvoudiger maken van
financieringsstromen en het verminderen van bureaucratie. Zo staan er
nog een flink aantal dingen in. Mijn vraag aan deze minister is als
volgt. Dat waren allemaal prima uitgangspunten. Gelden al die
verschillende beloften die destijds zijn gedaan nog steeds als de
minister de volgende stappen zet?
Minister Sterk:
Dat is een vrij open en ook grote vraag die u zo even stelt. Ik stel
voor dat ik probeer om daar in de tweede termijn even wat explicieter op
terug te komen. Als dat nog te weinig is, kijk ik of er ergens in een
brief nog even nader op ingegaan kan worden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp best wel dat de minister een oude brief niet zomaar paraat
heeft. Het is de brief van 23 november 2018 over onderwijs en zorg. Daar
heeft de Kamer toen heel lang om gevraagd. Het was bij mijn weten ook de
eerste keer dat we met twee bewindspersonen bij elkaar zaten. Dat vonden
we toen best een grote stap, omdat er eindelijk concrete punten waren
beloofd. Daarom hang ik zo aan die eerder gemaakte afspraken.
Minister Sterk:
Ik denk dat het ook in tweede termijn niet lukt om daar meteen op te
reageren. Als u het goedvindt, voorzitter, kijk ik even waar wij er op
een later moment concreet op zullen ingaan. Daar kom ik wél in tweede
termijn op terug.
De voorzitter:
Dan maken we het in tweede termijn concreet met de toezegging die u dan
kan doen. Gaat u verder met het derde blokje: dagbesteding.
Minister Sterk:
Mevrouw Van der Plas, die niet meer aanwezig is, had daar vragen over,
maar zij leest vast ook de Handelingen, dus ik zal deze toch
beantwoorden. De vragen gingen over passende dagbesteding en hoe we
ervoor gaan zorgen dat daar meer van komt. Ik denk inderdaad dat
passende dagbesteding ontzettend belangrijk is, juist om kinderen te
kunnen ondersteunen bij hun ontwikkeling. Gemeenten en zorgkantoren zijn
natuurlijk in eerste instantie verantwoordelijk om te zorgen voor een
toereikend aanbod voor alle kinderen, maar ik zal hier met hen over in
gesprek gaan. Dat wil ik toezeggen.
Dan was er nog een andere vraag over de dagbesteding, namelijk of er ook
meer maatwerk komt in de indicatiestelling, zodat de ondersteuning los
van een woonvraag kan worden georganiseerd. Ja, dat kan en dat gebeurt
ook. Daarbij begint het natuurlijk met eerst heel goed in kaart brengen
wat precies de hulpvraag is. Vervolgens leidt dat tot een bepaalde
indicatie. Als het nodig is, kan de dagbesteding los geïndiceerd worden
van een woonvraag. Dat is de wat langere uitleg. Dat was het derde
blokje.
Dan kom ik bij het laatste blokje, met een aantal overige vragen. Als
eerste de vraag van de heer Hamstra hoe de reikwijdtewet gaat bijdragen
aan het verminderen van het aantal thuiszitters. Ik denk dat de
staatssecretaris net al vrij uitvoerig heeft aangegeven hoe belangrijk
het is dat zorg en onderwijs meer gaan samenwerken. Dat is ook de
gedachte waar de Wet reikwijdte Jeugdwet op is gebouwd, namelijk op dat
inclusieve onderwijs en de kortere lijnen tussen onderwijs en zorg.
Daarnaast is het heel erg belangrijk dat het onderwijs goed is
aangesloten bij de sterke lokale teams en dat die heel goed gaan
samenwerken om tot een oplossing te kunnen komen voor de meer
ingewikkelde vraagstukken.
De heer Boomsma had een vrij specifieke vraag over een signaal uit
Rotterdam. De heer Boomsma is niet meer aanwezig. Ik ken de casus alleen
niet, dus ik vind het een beetje ingewikkeld om daar nu op in te gaan.
Meer in het algemeen kan ik wel kijken of mensen bij Veilig Thuis, die
ik later vandaag ook nog spreek, dit signaal herkennen. Ik vind het
ingewikkeld om hier even op een individuele casus in te gaan.
Mevrouw Westerveld stelde net in een interruptie nog even een nieuwe
vraag over doelgroepenvervoer. Omdat ik uw vraag graag met de best
beschikbare kennis wil beantwoorden, doe ik dat even in de tweede
termijn.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dan constateer ik dat de eerste termijn vanuit de
bewindspersonen is geweest en dat de vragen zijn beantwoord. Ik zou
willen voorstellen om direct door te gaan met de tweede termijn aan de
zijde van de Kamer, als u daarmee kan instemmen. Dat is het geval. We
gaan dan direct verder met de tweede termijn. Daarin hebben we 1 minuut
40, als ik het goed heb; ik kijk even naar de griffier. Ja, dat is het
geval: u hebt 1 minuut 40 om uw bijdrage te doen, mocht u die hebben. Er
klinkt nu een vergaderbel en er gebeurt van alles. Als u wil wachten,
vind ik dat helemaal prima en anders praat ik de tijd vol, hoor. Dat is
ook geen probleem. Maar in de tweede termijn is allereerst het woord aan
mevrouw Westerveld namens GroenLinks-PvdA of PRO. Aan u het woord.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Dank aan beide bewindspersonen voor de antwoorden. Ik
heb nog een paar losse eindjes naar aanleiding van dit debat.
Ik begin met een brief van Arie Slob destijds, van 4 november 2020, met
de titel Verbeteraanpak passend onderwijs en route naar inclusiever
onderwijs, waar ook in de laatste brief van de staatssecretaris naar
verwezen wordt. In die brief zijn toen 25 voorstellen aangekondigd om de
route van passend naar inclusiever onderwijs in te gaan. De eerste
maatregel die daarin wordt genoemd gaat over het leerrecht en het
verankeren daarvan in de wet. Daar gaat mijn vraag over, want ik hoor
eigenlijk dat deze staatssecretaris daar toch wat op terug lijkt te
komen en aangeeft dat er wel wetsvoorstellen komen. Ik zie haar
gezichtsuitdrukking. Misschien kan ze daarop ingaan. Wat gaat er precies
gebeuren om tegemoet te komen aan wat Arie Slob destijds zei en waar een
heel groot deel van de mensen die hier aanwezig zijn of meeluisteren op
wijst, namelijk om dat leerrecht te verankeren en te zorgen dat het
kunnen volgen van onderwijs op je eigen niveau en een locatie die bij je
past echt een recht wordt?
Het experiment onderwijs in zorg loopt af op 1 januari 2028, als ik het
goed heb. Mijn vraag is of de staatssecretaris kan garanderen dat er
echt voor wordt gezorgd dat wetsvoorstellen geen vertraging oplopen,
zodat al die kinderen die nu met dit experiment meedoen, die onderwijs
krijgen op een andere locatie dan school, niet tussen de wal en het
schip vallen.
Mijn laatste punt gaat over de EMB-leerlingen, leerlingen met een
ernstig meervoudige beperking. Ik begrijp dat de minister zegt dat
wetsvoorstellen heel veel capaciteit kosten. Tegelijkertijd hebben
afspraken in het verleden ook niet het gewenste resultaat gehad. Wat is
nu echt de harde garantie van deze staatssecretaris?
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Westerveld namens PRO, GroenLinks-PvdA. Dan mevrouw
Rooderkerk namens D66 voor haar tweede termijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank. Allereerst zou ik een tweeminutendebat willen aanvragen, als dat
nog niet is gebeurd. Ik wil de staatssecretaris en de minister danken
voor de beantwoording en voor de toezeggingen. Ik wens hun daarbij
voortvarendheid toe, want de afgelopen kabinetsperiode — daar komt ook
wat frustratie vandaan aan deze kant van de Kamer, maar wellicht ook bij
het publiek — heeft het stilgestaan op passend onderwijs, maar de
problemen zijn toegenomen. Het is echt van belang dat we voor de komende
tijd de wet gaan handhaven zoals we die hebben. Dit betekent dat als
samenwerkingsverbanden niet functioneren — dat is zo, want er zijn
70.000 thuiszitters — er wordt gehandhaafd. Ik hoop dat de
staatssecretaris daar ook regie op wil pakken, samen met de
inspectie.
De staatssecretaris heeft daarnaast aangekondigd in 2028 een wet voor
inclusief onderwijs voor te leggen. Dat is heel mooi nieuws. Dat noem ik
wel voortvarendheid. Dat is zeker een grote volgende stap. Daarbij is
het dan weer nodig dat we zorgen dat de randvoorwaarden op orde zijn, zo
hoorden we ook heel breed uit de Kamer en ook van leraren, maar ook dat
we niet een passend onderwijs 2.0 gaan optuigen met allerlei nieuwe
ingewikkelde constructies. We moeten echt zorgen voor een fundamenteel
ander systeem dat werkt.
Dat brengt mij ook bij onze initiatiefwet voor een leerrecht waar wij
aan werken. Ik nodig iedereen uit om daarover mee te denken en daaraan
mee te werken, zodat we daadwerkelijk komen tot een oplossing voor deze
thuiszittende kinderen.
Ik hoop ook dat we met elkaar kunnen besluiten tot een nieuw debat in
het najaar, zodat we niet opnieuw een jaar hoeven te wachten, maar we
met elkaar stappen kunnen zetten en we hopelijk ook voor betere
oplossingen voor deze kinderen kunnen zorgen.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Rooderkerk. Ik hoor een adhesiebetuiging ter
linkerzijde van u. Dan komen we bij mevrouw Raijer. We slaan mevrouw Van
der Plas over. Voor de mensen op de publieke tribune: een aantal leden
zijn er niet meer omdat ze zich moesten voegen bij een ander debat. Dat
heeft waarschijnlijk niks met hun betrokkenheid bij dit debat te maken.
Maar dat terzijde. Mevrouw Raijer.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil allereerst de bewindslieden bedanken voor
de heldere beantwoording.
Voorzitter. Op 17 oktober 2014 werd deze Kamer precies hetzelfde
beloofd: een passende plek voor ieder kind en ondersteuning op maat.
Mooie woorden, mooie plannen, grote ambities. Maar ruim tien jaar later
moeten we vooral kijken naar de praktijk. Die praktijk ziet er niet zo
heel rooskleurig uit: 70.000 kinderen zitten thuis zonder goed
onderwijs. De vraag die ik nog heb, is dus eigenlijk heel simpel. Waarom
zouden ouders, leraren en leerlingen nu wel vertrouwen hebben in een
nieuw wetsvoorstel met ruimte voor maatwerk? Dat was mijn allerlaatste
vraag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw tweede termijn. Dan gaan we nu naar mevrouw
Beckerman, namens de SP, de Socialistische Partij.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel, voorzitter. Om daarop door te gaan: wat nou als je zo'n
leerling bent die in de knel zit of thuiszit? Ik sluit me aan bij wat
mevrouw Rooderkerk zei. Als we nu zien dat die netwerken niet op orde
zijn, moeten we daar de komende tijd ook echt wel veel harder op gaan
toezien. Je kunt niet jarenlang beloven passend onderwijs te hebben en
vervolgens zien dat leerlingen die in de knel komen, niet geholpen
worden. Dat dus allereerst.
De staatssecretaris heeft aangekondigd dat er in het najaar een
evaluatie en verbeteraanpak voor passend onderwijs ligt. Ik sluit me aan
bij de oproep om daar dan als Kamer direct over te debatteren en dat te
laten volgen door een debat begin 2027, wanneer de staatssecretaris met
een transitieplan komt. Ik ben er namelijk niet gerust op. Iedereen hier
heeft gezegd dat je niet naar inclusief onderwijs kunt als je de
randvoorwaarden niet op orde hebt. De staatssecretaris zei dat zij
daarover in gesprek gaat met de betrokkenen. Ik vind dat we daar als
Kamer ook bovenop moeten zitten, want we kunnen niet weer een hele
bureaucratie optuigen. Daarmee sluit ik weer aan bij mevrouw Rooderkerk.
We kunnen niet over tien jaar opnieuw tot de conclusie komen dat we
beloofd hebben dat er voor iedereen een plek zou zijn, maar dat het weer
niet gelukt is.
Dank voor de toezeggingen over het "rommelpotje" — ik blijf dat gewoon
zo noemen — en over het leerlingenvervoer. Ook dat is namelijk een
dossier dat al jarenlang terugkeert en waarop we nu echt doorbraken
moeten forceren.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we nu naar de heer Hamstra, namens het
CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Dank. Ook vanuit mijn kant dank aan beide bewindspersonen voor de
beantwoording in eerste termijn. Ik heb een aantal punten.
Mijn vraag over de aanbevelingen ten aanzien van het leerlingenvervoer
is of de staatssecretaris hierop schriftelijk terug kan komen, wanneer
zij een reactie heeft waar zij iets mee kan. Mijn eerste vraag is of zij
daar schriftelijk op kan terugkomen.
Dan de beantwoording van de minister ten aanzien van de Wet reikwijdte.
Ik denk dat het goed is om de thuiszitterproblematiek deels te beleggen
bij de sterke lokale teams. De vraag is natuurlijk automatisch wel
altijd of de lokale teams daarvoor voldoende zijn toegerust. Daar zou ik
in de tweede termijn graag nog een reactie op willen krijgen van de
minister.
Tot slot sluit ik me aan bij de voorstellen om dit debat frequenter te
laten plaatsvinden, te beginnen met dit najaar. Daar sluit ik me
volledig bij aan.
Voorzitter, dank.
De voorzitter:
Goed. Hartelijk dank voor uw tweede termijn. Dan gaan we naar de heer
Van Houwelingen, namens Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Passend onderwijs klinkt mooi, maar de weg naar de hel is geplaveid met
goede bedoelingen. De leraren laten zelf zien dat het in de praktijk
niet werkt en dat passend onderwijs dus juist geen passend onderwijs
biedt. Ik denk dat het een onzalig idee is, dat ook nooit zou kunnen
werken. Leerlingen zijn namelijk zo verschillend. Dat is natuurlijk ook
de reden dat ooit dat speciaal onderwijs is ontstaan. Toch liet de
staatssecretaris weten ermee door te gaan, koste wat het kost blijkbaar.
Dat vinden wij heel jammer. Ik denk ook dat er steeds meer dwang en
drang nodig zal zijn. De staatssecretaris heeft namelijk net ook
onverbloemd verteld dat die samenwerkingsverbanden in de toekomst dus
wellicht tegen de zin van scholen in daar kunnen plaatsen. Dat is dus
dwang. Dat krijg je dus als je een cirkel in een vierkant wilt gaan
proppen. Dat is allemaal heel zorgelijk.
Tot slot de motie-Kwint waarover ik het net had. Ik heb het net
waarschijnlijk niet goed gezegd tegen de staatssecretaris; het zal vast
aan mij liggen. Die motie is dus niet uitgevoerd; dat is glashelder. De
staatssecretaris heeft zelf net heel duidelijk gezegd dat je een
nevenvestiging kunt oprichten, maar het is in principe niet de bedoeling
dat je met een nieuwe school voor speciaal onderwijs komt; dat kan niet
meer. Die motie, die unaniem door de Kamer is aangenomen, verzoekt de
regering om al die belemmeringen weg te nemen. Die motie is dus niet
uitgevoerd. Dat is een feit. Mijn vraag is of zij alsjeblieft wil
toelichten waarom die niet is uitgevoerd en wat de staatssecretaris gaat
doen om die motie wel uit te voeren. Dat is de vraag.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw tweede termijn. Dan gaan we nu naar de heer Kisteman,
namens de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris danken voor de beantwoording. Ik
heb verder geen vragen. Ik heb ook niet alles meegekregen vanwege andere
debatten. Daar wil ik het verder bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Stoffer, namens de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de bewindsleden voor de beantwoording. Ik
moet zeggen dat ik best aangenaam verrast ben door de nuchtere manier
waarop de staatssecretaris tegen de zaken aankijkt. Dat geeft me best
enige hoop. Als conservatief heb ik nog weleens de indruk dat vroeger
heel veel dingen eigenlijk iets beter waren dan nu. Ik ga toch even
terugdenken: 100 jaar geleden was het onderwijs een stuk slechter dan
nu, volgens mij. Dus laten we dan die zegening op z'n minst ook wel
tellen. Dat laat onverlet dat we wel met elkaar moeten streven naar het
beter maken. Er is namelijk echt wel veel aan de hand. 70.000 kinderen
die thuiszitten, dat moeten we niet willen. Ik ben heel blij dat er niet
vanuit de staatssecretaris een heleboel dingen komen met betrekking tot
structuren en dat soort dingen. Ik ben heel blij met dat toch wel
nuchter ernaar kijken.
Ik heb nog één vraag. Is het zeker dat het transitieplan grofweg in
januari 2027 echt bij ons ligt? Het klinkt ver weg, maar het is
dichterbij dan je denkt. Welke risico's zitten er nog omheen? Zou het
misschien ook kunnen dat dit een uiterste planning is en dat het
misschien nog wat eerder bij ons komt? Zou daar nog iets over gezegd
kunnen worden?
De voorzitter:
De heer Stoffer vergelijkt ons met 100 jaar geleden. Ik geloof dat de
koning van Engeland "just the other day" zei, toen hij in Amerika in het
Congres een toespraak hield. Dus in die zin zijn heel veel dingen
relatief. Ik kijk even naar de staatssecretaris en de minister: hoeveel
tijd heeft u nog nodig? Met "u" bedoel ik u allebei. Heeft u wellicht
een schorsing nodig van vijf of tien minuten? Er is geen schorsing nodig
voor de minister. Staatssecretaris, wat denkt u ervan?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat het lukt.
De voorzitter:
Denkt u dat het lukt of lukt het? Het lukt!
Staatssecretaris Tielen:
De Kamer is de baas. Ik kan ergens van overtuigd zijn, maar dan zegt de
Kamer toch dat het anders is.
De voorzitter:
Dat wilde ik u even ontlokken. "De Kamer is de baas." Dat staat nu
netjes in de notulen. Gaat u verder met uw tweede termijn. Wederom geldt
dat we weer met een clean sheet beginnen als het gaat om het aantal
interrupties.
Staatssecretaris Tielen:
Dat was overigens geen toezegging, maar een staatsrechtelijk feit.
De voorzitter:
Maar toch noteer ik 'm als zodanig. Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Het is gewoon een heel belangrijk onderwerp. Ik
vind het oprecht leuk om daar met zo veel Kamerleden vanuit
verschillende insteken met elkaar over van gedachten te wisselen, omdat
die gedachten uiteindelijk moeten landen in beleid en plannen die
kloppen. Dank aan iedereen voor de bijdrage.
Ik dacht dat ik er al kort op terug was gekomen, maar ik zal dat nog een
keer doen: mevrouw Westerveld vroeg hoe we nou de leerrechten verankeren
in de wet. Ik denk dat ze vond dat ik daar iets te snel doorheen ging en
misschien was dat ook wel zo. Ik verwees naar het Kinderrechtenverdrag
als basis voor onze wetgeving. Daarnaast wil ik die leerrechten ook wel
versterken. Dat doen we via een aantal bestaande wetten die we
aanscherpen. Dat gaat bijvoorbeeld om de zorgplicht van scholen
versterken en bijvoorbeeld de wet maatmerk, die voor de zomer in
internetconsultatie gaat en waarmee we er eigenlijk voor zorgen dat
kinderen daadwerkelijk gebruik kunnen maken van maatwerk dat nodig is om
goed onderwijs te kunnen volgen. Het gaat ook om basisondersteuning
verankeren in de wet. Aan meneer Kisteman is ook deels toegezegd om in
het transitieplan een overzicht, met een soort kalender, te geven van
alle wetten die te maken hebben met inclusief onderwijs. Ik hoop dat u
daarin herkent dat we daadwerkelijk proberen om die leerrechten te
verankeren. We kijken natuurlijk ook uit naar de wet die mevrouw
Rooderkerk heeft voorbereid.
Mevrouw Westerveld vroeg ook het volgende. "Wat gebeurt er met die
leerlingen die nu in het experiment onderwijs-zorgarrangement zitten?
Dat experiment loopt 1 januari 2028 af. Ondertussen is de
staatssecretaris wel bezig met een wetvoorstel, maar stel dat dat langer
duurt of zo." Als mevrouw Westerveld graag wil dat ik toezeg dat we er
alles aan doen om ervoor te zorgen dat die kinderen gewoon soepel
overgaan, zeg ik: ja, natuurlijk. Uiteindelijk moeten we er gewoon voor
zorgen dat als die leerlingen in dat experiment geholpen worden zoals de
bedoeling is, dat ook zo kan blijven. We proberen dat wettelijk te
verankeren in dat wetsvoorstel maatwerk. We kijken even scherp naar de
timing om te voorkomen dat er kinderen tussen wal en schip vallen. Dat
willen wij zeker niet, want dat gaat in tegen onze doelstelling. Mevrouw
Westerveld vroeg ook nog door over kinderen met een ernstige meervoudige
beperking. Mevrouw Westerveld wil een harde garantie. Ik heb weleens
gehoord: garanties krijg je op wasmachines. Dat is een flauw antwoord.
Ik ga niet nu al werken aan een wetsvoorstel, maar ik ga wel hard die
afspraken maken en ze ook goed monitoren. Ik hoop overigens dat dit ook
al een werking heeft naar de betrokken partijen. Ik ga niet anderhalf
jaar wachten om te kijken of het werkt. We gaan het die anderhalf jaar
wat mij betreft dus wel volgen, maar mocht ik signalen krijgen dat het
echt nog nergens komt, dan gaan wij alvast schrijven aan een wet.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp best wat de staatssecretaris zegt, maar tegelijk vind ik
bestuurlijke afspraken en convenanten ook een ingewikkeld concept. Ik
herinner me nog goed het thuiszitterspact van x jaar geleden, waarbij is
afgesproken dat nul kinderen meer thuiszitten in 2020. Zes jaar later
zitten 70.000 kinderen thuis. Dat is gewoon wat ik te vaak zie bij dit
soort afspraken. Mensen die het moeten uitvoeren, moeten uiteindelijk
aan de wet gehouden kunnen worden. Ik hoop dat de staatssecretaris
begrijpt dat ik naar een manier zoek waarbij de Kamer zelf een vinger
aan de pols kan houden.
Staatssecretaris Tielen:
Dat snap ik. Wat ik nu in een bestuurlijke afspraak met een natte
handtekening ga vastleggen, zijn heel simpele dingen. Als het gaat over
ernstig meervoudig beperkte kinderen: hup, de hoogste tlv-waarde, voor
de hele schoolloopbaan en volgens een landelijk format, dus niet 150
verschillende formulieren. Die zijn redelijk goed te controleren. Net
wat moeilijker misschien dan een doelstelling die de uitkomst moet zijn.
Maar ik hoor heel goed wat mevrouw Westerveld zegt. Volgens mij
verschillen wij hier zeker niet over van mening. Ik voel ook wel de
steun van mevrouw Westerveld, ook richting de betrokken partijen. Ik mag
daar wel wat stevig aan de uitvoering trekken, om maar zo te
zeggen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ben ook benieuwd wanneer we deze bestuurlijke afspraken tegemoet
kunnen zien. Volgens mij zijn het niet zulke heel moeilijke afspraken.
Ik hoop dan ook dat we hier als Kamer heel snel een afschrift van kunnen
ontvangen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat hoop ik ook, maar ik ben natuurlijk wel een beetje afhankelijk van
de partijen die aan tafel komen. Zullen we dan zeggen: uiterlijk het
herfstreces? Ik neem het ruim. Dat is dan "underpromise, overdeliver",
maar ik hoop heel veel eerder.
De voorzitter:
Gaat u verder met de beantwoording.
Staatssecretaris Tielen:
Af en toe kijk ik schuin naar de tribune.
De voorzitter:
Kijkt u maar gewoon naar uw basis, staatssecretaris. Het staat nergens
in de Grondwet dat u naar de tribune moet kijken.
Staatssecretaris Tielen:
Uiteindelijk zijn de mensen in het land dan weer de basis van die kant
van de Kamer. Maar goed, mevrouw Rooderkerk refereerde nog even aan de
handhaving op de samenwerkingsverbanden. Ik ga in gesprek met de
inspectie, zoals gezegd. Het toezichtskader zegt over de
samenwerkingsverbanden het volgende. Het samenwerkingsverband voert de
aan hem opgedragen taken uit en realiseert daarmee een samenhangend
geheel aan ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen,
zodat alle leraren die extra ondersteuning behoeven een zo passend
mogelijke plek krijgen. En een samenwerkingsverband doet al het
mogelijke ... enzovoort. De inspectie ziet toe op dat "al het mogelijke"
en ik ga met hen in gesprek om te kijken wat dit nog verder nodig heeft.
Op zichzelf denk ik dat het op papier allemaal goed klopt, maar ik ga
graag de zorgen van de Kamer met de inspectie delen en kijken hoe we dit
daadwerkelijk in de praktijk voor elkaar krijgen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat klinkt als een heel interessant en belangrijk gesprek. Kunt daarover
naar ons terugkoppelen?
Staatssecretaris Tielen:
Ja hoor, daar koppel ik zeker over terug.
De voorzitter:
Wanneer koppelt u daarover terug?
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk ... In de zomer mag niet, hè? Dat is een beetje het punt.
De voorzitter:
U heeft nu alle varianten wel te pakken. Zegt u nu augustus?
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat zeg ik.
De voorzitter:
Dat dacht ik al. Nou, augustus.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Rooderkerk roept op tot een nieuw debat. Anderen deden dat ook.
Dat is uiteraard volledig aan uw Kamer, maar ik ben erbij; dat is
logisch.
De voorzitter:
Dat is toch ook een verrassing. Kijk eens aan. Gaat u verder.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Raijer stelde een vraag die ik heel goed snap. "We hebben best
wel wat jaartallen langs horen komen, 2014, 2019; waarom zouden partijen
er nu wel vertrouwen in hebben?" Ik denk oprecht wel dat we weer een
stuk verder zijn dan in 2014, maar we zijn nog niet waar we moeten zijn.
Vertrouwen is goed, controle is beter. Daarom is de Kamer er ook. Ik
denk dat we nu een aantal dingen echt wel hebben vastgelegd. In het
transitieplan zal ik dat ook nog wat scherper doen. Dan laat ik het ook
aan uw Kamer om mij daar scherp op te controleren. "Mij" betekent dan
natuurlijk ook: samen met alle betrokken partijen. Op dit vlak kun je
gewoon niets alleen doen en dat moet je ook niet willen, maar u kunt mij
wel aanspreken op de verantwoordelijkheid om die partijen bij elkaar te
brengen en verdere stappen te zetten.
Mevrouw Beckerman wil ook graag dat we harder toezien op wat we
afgesproken hebben. Dat herken ik. Daar heb ik net al wat over gezegd.
Ze vraagt ook naar de evaluatie en aanpak passend onderwijs. Dat is
overigens geen door een onafhankelijk bureau opgesteld evaluatierapport.
Het is gewoon een overzicht van wat we hadden afgesproken, waar we
zitten en hoe we kijken naar de plus- en minpunten, om het maar even zo
te zeggen. Volgens mij moeten we dat meenemen bij een volgend debat
hierover. Daar kijk ik naar uit. Ik zorg dat u dan ook informatie heeft
om met mij te bespreken.
Meneer Hamstra vroeg om schriftelijk terug te komen op de afspraken
rondom leerlingenvervoer. Ik verwacht dus in het najaar daarin een stap
verder te zijn met de VNG, als we alles juridisch op een rijtje hebben.
Ik ben uiteraard bereid om dat mee te nemen in een brief.
De heer Hamstra (CDA):
Even een verduidelijkingsvraag. Ik gaf in mijn eerste termijn een aantal
aanbevelingen die in de petitie staan. Neemt u die daarin mee? Ja?
Super. Top. Helemaal goed. Dank.
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Volgens mij had ik zelfs uw naam al genoemd, maar dat moet ik dan
ietsje harder doen. Zeker, meneer Hamstra.
Meneer Van Houwelingen is het niet eens met de richting. Dat kan. Het
zou gek zijn als we het allemaal met elkaar eens zijn. Ik ga graag nog
nader in debat om wel te zoeken naar waar we gezamenlijke doelen en
routes kunnen vinden. In antwoord op de vraag over de motie-Kwint uit
2019: dat was voor corona. Dat zeg ik, omdat deze motie is afgedaan in
een verzamelbrief moties en toezeggingen van 22 januari 2021. Dat was
toen anderhalf jaar geleden. Daarin wordt verwezen naar het feit dat
deels door corona een aantal dingen vertraging hebben opgelopen. Naar
aanleiding van die motie van Kwint, die door een breed deel van de Kamer
is ondersteund, is onderzoek gedaan naar de behoeften van het
gespecialiseerd onderwijs en hoe de samenwerkingsverbanden daarnaar
kijken. Daar kwam eigenlijk uit voort dat … Nee, niet "eigenlijk". Daar
kwam uit voort dat slechts 2 van de 150 samenwerkingsverbanden behoefte
hadden aan nieuwe hoofdvestigingen voor gespecialiseerd onderwijs. Ik
verwijs graag naar de brief. Die is dus van 22 januari 2021. Daarin
staat hoe dat verder is opgevolgd. Overigens begrijp ik uit de brief dat
dit ook nog met uw Kamer is besproken in het notaoverleg op 16 november
2022.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Maar dan is dus de motie, die unaniem door de Kamer is aangenomen, niet
uitgevoerd. De Kamer vraagt niet om te inventariseren wat
samenwerkingsverbanden die niet goed functioneren, al dan niet … Dat is
de motietekst niet. De motie gaat over belemmeringen wegnemen. Dat is
het dictum. Is dat dus niet uitgevoerd, is mijn vraag aan de
staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Hoe ik het in de Kamer gewend was, is dat moties worden aangenomen en er
vervolgens aan het kabinet wordt gevraagd om te laten zien wat er met
die moties is gedaan. Dat is gedaan in de brief van 22 januari
2021.
De voorzitter:
Ik vrees dat het antwoord dat u nu krijgt, u niet bevalt. Ik zou u
willen voorstellen om afsluitend misschien nog enkele woorden te
richten. De vraag herhalen, is vragen om hetzelfde antwoord.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is goed, voorzitter. Mensen op de tribune en in Nederland kunnen dit
nakijken. De motie is dus niet uitgevoerd. Het kabinet draait
daaromheen. Het is heel normaal dat dit hier gebeurt in de Tweede Kamer.
We nemen moties aan, unaniem! En ze worden niet uitgevoerd. Daar vinden
wij wat van.
De voorzitter:
Wellicht de staatssecretaris nog in reactie?
Staatssecretaris Tielen:
Nee, voorzitter. Ik verwijs gewoon opnieuw naar de brief van 22 januari
2021. Er is vast nog wel een tabel in de begroting waarin heel netjes
wordt gereageerd op hoe de Kamer ermee omgaat. Als de Kamer vijf jaar
later opeens bedenkt dat ze daar niet tevreden over is, is het aan de
Kamer om daar actie op te ondernemen.
De voorzitter:
Goed. U heeft, afsluitend, nog een laatste vraag te beantwoorden, geloof
ik.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Stoffer vroeg nog naar de precieze planning van het
transitieplan. Dat hangt natuurlijk een beetje af van hoe snel ik met
iedereen die daarover mee moet denken om tafel zit, maar begin volgend
jaar lijkt mij heel goed. Ik verheug me erop om daarover weer scherp en
kritisch, maar ook nuchter met de Kamer in gesprek te gaan.
De voorzitter:
Hartstikke fijn. We gaan naar de minister. Mevrouw Sterk.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Ik had nog drie vragen vanuit de tweede termijn
en ook vanuit de eerste termijn. De eerste was van mevrouw Westerveld
over dat doelgroepenvervoer. Zoals u wellicht weet wordt er gewerkt aan
de agenda doelgroepenvervoer. Voor de zomer zal ik u daarover een brief
sturen. Verder noemde u expliciet het tekort aan chauffeurs. Het
personeelstekort is niet alleen in die sector een probleem. Het is een
veel groter probleem. De branche doet er zelf ook al wel het nodige aan,
maar vanwege de schaal van de problematiek is het ook iets wat mijn
collega van Sociale Zaken nu heeft opgepakt, daar waar het gaat om
werken moet lonen. Hij is nu een onderzoek gestart. Ik weet overigens
niet welke van de twee collega's dat is, maar het gebeurt op het
ministerie. Ik kijk daar in ieder geval op mee. U krijgt voor de zomer
een brief over de agenda en het loopt mee in het onderzoek dat nu door
Sociale Zaken gedaan wordt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is mooi. Wat wij nog steeds terughoren van chauffeurs, is dat het
probleem vaak is dat zij kleine contracten hebben. Dan ben je 's
ochtends een paar uur bezig en aan het einde van de middag, en daar kan
je in principe niet je hypotheek van kan betalen. Dus wellicht kan deze
minister dat meegeven aan haar collega's.
Minister Sterk:
Ik zal dat doorgeven aan de minister bij Sociale Zaken. Het gaat erover
dat werk moet lonen en dit vraagstuk hoort daarbij, denk ik.
Dan had u nog een andere vraag gesteld, namelijk over die tien
uitgangspunten van de brief uit 2018. Toen was ik hier inderdaad niet.
Er is vrij uitgebreid ingegaan op die tien punten in het schriftelijke
overleg dat wij u hebben toegestuurd. Daarin hebben we aangegeven wat
wij daarmee doen. Ik denk dat daarmee een aantal punten zijn afgerond of
in de afrondende fase zitten, maar met name de knelpunten op het
snijvlak van onderwijs en zorg, zijn best behoorlijk complex. Daar
hebben we dus gewoon meer tijd voor nodig. Ik denk dat de beweging naar
het inclusief onderwijs daar voor een deel door is ontstaan. Ik hoop ook
dat dat echt maakt dat dat veel beter bij elkaar komt. In die zin ga ik
u geen brief toezeggen, want eigenlijk hebben we hierop al geantwoord.
Daar vindt u vast iets van, maar ik denk wel dat we daarmee recht doen
aan uw vraag.
Dan was er nog een derde vraag van de heer Hamrath. Sorry, de heer
Hamstra. Sarath Hamstra. Ik gooi het nog weleens door elkaar. Sorry. Hij
had een vraag over die sterke lokale teams. Het klopt inderdaad dat die
nog niet overal op sterkte zijn. Ik heb onlangs, in maart, een convenant
gesloten met de VNG. Ook een heleboel andere organisaties moeten daar
een plek in krijgen, in ieder geval om afspraken met elkaar vast te
leggen over hoe dat eruit moet zien. We gaan daarbinnen ook nog een
speciale module vastleggen, die heel erg gaat over de verbinding met het
onderwijs. Daarin is ook aandacht voor thuiszitters. Ik hoop dat ik u
daarmee wat geruststel op dit punt.
De voorzitter:
Helder. Dan was dit de beantwoording vanuit het kabinet in de tweede
termijn. Ik kijk nog één keer rond. Er zijn geen vragen meer. Dan gaan
we richting een afsluiting van dit commissiedebat. Allereerst zal ik de
toezeggingen die zijn gedaan nog even met u delen.
De Kamer ontvangt begin 2027 het transitieplan over inclusief onderwijs en de rol van samenwerkingsverbanden. In deze brief gaat de staatssecretaris onder andere in op de algemene en financiële doelstellingen en cijfers, de financiering van samenwerkingsverbanden en van het "rommelpotje", de vraag hoe samenwerkingsverbanden dienen te functioneren tot 2035, de aanbevelingen uit het rapport Help(t) inclusief onderwijs?, de motie van de leden Westerveld en De Hoop over bij de verdere uitwerking van de werkagenda inclusief onderwijs gedetailleerd beschrijven hoeveel elke actielijn en maatregel gaat kosten (31497, nr. 462), en op de aanstaande wetsvoorstellen over passend en inclusief onderwijs met een voorgenomen tijdlijn.
De tweede toezegging. O, mevrouw Westerveld heeft een vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde nu begin 2027. Ik meen me te herinneren dat in de stukken
stond dat we dat transitieplan dit jaar zouden krijgen. Ergens in mijn
hoofd zit dat ik "dit jaar" las en dat mijn vraag toen was: maar wanneer
dan dit jaar? Het lijkt nu alsof het weer verschoven wordt.
De voorzitter:
Ik heb gehoord: begin 2027. Ik heb in dit debat ook "januari" gehoord.
Zullen we het even aan de staatssecretaris vragen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb in het debat telkens "begin 2027" gezegd. Dat zou in aansluiting
moeten zijn op wat er in de brief van vorige week staat. Het zou
bijzonder zijn als dat veranderd is.
Mevrouw Beckerman (SP):
Er is over twee dingen gesproken. Er is gesproken over de evaluatie en
verbeteraanpak passend onderwijs. Die zou eind 2026 komen. Een deel van
de onderdelen van de toezegging hoort volgens mij bij die
2026-brief.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, schep een beetje licht in deze duisternis.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik weet het niet, dus misschien moeten we hier dan even schriftelijk op
terugkomen. Ik wil voorkomen dat ik nu, omdat ik meen iets gelezen te
hebben, de hele vergadering ophoud en dat iedereen zich afvraagt welke
datum het nou was. Ik heb erg veel stukken gelezen afgelopen weekend,
dus het kan ook aan mij liggen.
De voorzitter:
Wat zou dan verstandig zijn?
Staatssecretaris Tielen:
Ik houd vast aan wat ik gezegd heb, tenzij ik erachter kom dat het heel
anders is. Waar we het minder over gehad hebben, maar wat wel past bij
"eind van dit jaar", is het convenant rondom inclusief onderwijs. Dat
staat echt wel voor het eind van dit jaar. Misschien dat daar de
verwarring bij mevrouw Westerveld zit.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter, misschien moeten we ze even uit elkaar trekken. Door mevrouw
Rooderkerk is namelijk ook gevraagd of we in het najaar kunnen
debatteren. Het zou mooi zijn om dat te doen in verband met die
evaluatie en verbeteraanpak onderwijs. Een onderdeel van de toezegging
die net werd voorgelezen, was de vraag wat je nou doet met de
samenwerkingsverbanden die nu bestaan. Volgens mij zou die vraag heel
goed passen in die brief van 2026. Want waarom zou je wachten tot 2027,
als we hier al in het najaar over gaan debatteren?
De voorzitter:
Ja. Ik geef ook mevrouw Rooderkerk nog even het woord, voordat ik de
staatssecretaris het woord geef.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb de brief er even op nageslagen, maar de verbeteraanpak passend
onderwijs zou inderdaad eind dit jaar komen en het transitieplan begin
volgend jaar.
Staatssecretaris Tielen:
Dat past ook mooi in elkaar, want dan kunnen we eind van dit
kalenderjaar met elkaar debatteren over die evaluatieaanpak. U heeft dan
vast nog dingen die ik anders zie, verkeerd zag of vergeten ben. Dan kan
ik die nog meenemen in de brief over het transitieplan. Dan leren we ook
daadwerkelijk de lessen uit wat we geëvalueerd hebben. Dus dit jaar —
dat is overigens eind van dit jaar; de blaadjes zijn dan misschien
allemaal al gevallen — de evaluatieaanpak passend onderwijs, waarin we
ingaan op de samenwerkingsverbanden. Als u dat wilt, kunnen we daar
eventueel over debatteren; ik laat me graag uitnodigen. De dingen die
uit dat debat komen — dat hoeft dan misschien niet eens in moties, maar
dat hangt er een beetje van af — kunnen we dan meenemen in het
transitieplan dat ik begin van het nieuwe jaar met u deel.
De heer Kisteman (VVD):
Even namens de commissie, hoop ik. Wij hebben natuurlijk aan de hand van
de brieven die wij verwachten vanuit uw ministerie een planning gemaakt
voor de commissiedebatten die we graag dit jaar willen voeren. Nu gaat
dat toch iets anders, komen die brieven niet en gaan we dus debatten
annuleren. Ik zou toch wel graag willen voorstellen dat wij aan de hand
van de brieven die wij als commissie kunnen verwachten die debatten
inplannen en dat wij die brieven dan ook krijgen. Het zou wel handig
zijn dat als we als commissie aan het eind van dit jaar het debat over
passend onderwijs willen gaan voeren, we die brief ook daadwerkelijk
hebben.
De voorzitter:
Ik stel eigenlijk voor wat mevrouw Beckerman ook zei, namelijk dat we de
toezeggingen even uit elkaar trekken. Wat komt er in het najaar? En wat
komt er begin 2027? Dan kunnen we daar de agenda weer op aanpassen. Is
dat een heldere conclusie? Ja? Ik zie geknik.
Dan gaan we eerst verder met de toezeggingen. Schroom niet om gewoon
even in te breken, want het moet wel helder zijn wat we hier met elkaar
afspreken. De tweede toezegging:
Na het aannemen, door de Eerste Kamer, van de Wet terugdringen schoolverzuim wordt in beeld gebracht hoeveel thuiszitters er zijn per samenwerkingsverband. De Kamer ontvangt dit overzicht zo snel mogelijk.
De derde toezegging:
De Kamer ontvangt voor de zomer van 2026 een verzamelbrief waarin de staatssecretaris onder andere ingaat op de stand van zaken met betrekking tot de reeds gemaakte afspraken over toelaatbaarheidsverklaringen voor leerlingen met een ernstig meervoudige beperking. Voor het herfstreces van 2026 volgt een brief over de bestuurlijke afspraken die zij met de sector maakt over de naleving van deze afspraken.
De vierde toezegging:
De Kamer ontvangt voor het herfstreces van 2026 een brief over de gesprekken die de staatssecretaris voert met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over leerlingenvervoer, waarin zij ook ingaat op de motie van het lid Beckerman over een plan ter verbetering van het leerlingenvervoer en de aanbevelingen van meneer Hamstra.
Heel goed.
Mevrouw Beckerman (SP):
Het gaat ook expliciet om het onderdeel van de motie over het niet meer
verplicht aanbesteden. Dat heeft de staatssecretaris ook expliciet
gemaakt. Dat zit deels ook in die aanbevelingen, maar zat ook al in een
aangenomen Kamermotie. Voordat we weer opnieuw moeten beginnen, is dat
er wel eentje waar wij heel erg aan hechten.
De voorzitter:
Dan verwijzen we ook naar Kamerstuk 36800-VII, 121. Dan wordt dat ook
goed in de Handelingen opgenomen. Dit doe ik trouwens niet uit mijn
hoofd.
Dan toezegging nummer vijf:
De Kamer ontvangt in augustus 2026 een brief van de staatssecretaris met een terugkoppeling van het gesprek dat zij heeft gevoerd met de onderwijsinspectie over het handhaven van het dekkend aanbod van samenwerkingsverbanden zoals wettelijk vastgelegd.
De zesde toezegging:
De Kamer ontvangt voor de zomer van 2026 een brief van de minister over de Verbeteragenda Doelgroepenvervoer.
De staatssecretaris heeft ook nog een aantal toezeggingen gedaan,
onder andere over schoolverzuim, de rol van de leerplichtambtenaar en
artikel 5b van de Leerplichtwet. Deze toezeggingen zijn al bij eerdere
debatten geregistreerd en zijn dus nu niet nog een keer genoteerd.
Dit was wat ik nog te zeggen had. Ik denk dat we richting de afronding
van dit debat gaan. Het was een lang debat. Ik heb veel gezien toen ik
om me heen keek, zowel aan de zijde van de Kamer als aan de zijde van
het kabinet. Ook heb ik een hele volle tribune gezien. Daar viel ook van
alles te bespeuren. Dat zag ik de staatssecretaris en de minister soms
ook doen. Vandaar de volgende woorden. De tribune zat vol. Er werd een
trui gehaakt en geluisterd naar ontwikkelperspectief voor passend
onderwijs. Op deze zonnige lentedag werd toegezegd dat niet op
zolderkamers, maar met de Kamer en de praktijk wordt gewerkt aan
nuchtere transitiepaden.
Ik dank de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording van de
vragen en de toezeggingen. Ook de leden van de vaste Kamercommissie wil
ik hartelijk danken voor hun voorbereiding en vragen. Ik dank de bodes,
de technische kant en de griffie voor hun medewerking. Ik wens u
allemaal nog een hele prettige dag en sluit bij dezen de
vergadering.
Sluiting 14.36 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|