[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [đź§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Reactie op verzoek commissie over rechtspositie Nederlandse burnpit-militairen

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026

Brief regering

Nummer: 2026D26701, datum: 2026-06-02, bijgewerkt: 2026-06-12 11:55, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36800 X-88 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026.

Onderdeel van zaak 2026Z11706:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (đź”— origineel)


> Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Bezuidenhoutseweg 67

2594 AC Den Haag

Datum 2 juni 2026
Betreft Verzoek reactie brief derde inzake rechtspositie Nederlandse burnpit militairen

Ministerie van Defensie

Plein 4

MPC 58 B

Postbus 20701

2500 ES Den Haag

www.defensie.nl

Onze referentie

D2026-003198/

MINDEF2026003827

Geachte voorzitter,

Met deze brief reageer ik op het verzoek (Kenmerk 2026Z05316/2026D17633 van 14 april jl.) van uw Kamer om te reageren op de brief over de rechtspositie van Nederlandse militairen die aan burnpits zijn blootgesteld. In deze brief geef ik eerst nadere toelichting over het onderzoek naar burnpits en daarna beantwoord ik de vragen die in die brief zijn opgenomen, waarmee ik inga op de aan u toegezonden brief van een derde.

Om te beginnen wil ik mijn waardering uitspreken aan militairen die een bijdrage hebben geleverd aan vrede en veiligheid, waar ook ter wereld, vaak onder moeilijke omstandigheden. Daarom vind ik goede zorg voor het personeel heel belangrijk. Als mensen ziek zijn, is dat altijd erg, ongeacht de vraag waar het door komt. Wij trekken ons het lot aan van onze mensen, ook als ze Defensie verlaten hebben.

In 2018 uitten (oud-)militairen zorgen over mogelijke gezondheidsklachten door de uitstoot van burnpits in missiegebieden. Mijn ambtsvoorganger informeerde uw kamer over het in 2019 geopende onafhankelijk meldpunt burnpits (Kamerstuk 35 000 X, nr. 99) en over verschillende onderzoeken. Defensie heeft zelf opdracht gegeven tot verschillende onderzoeken, uitgevoerd door het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) van Defensie en daarnaast is een aanvullende literatuurstudie door het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) uitgevoerd (Kamerstukken 35 000 X, nr. 133; 35 300 X, nr. 59 en 35 570 X nr. 103).

De conclusies van het CEAG en het IRAS waren in lijn met elkaar. Mijn ambtsvoorganger informeerde uw Kamer bij brief van 11 mei 2021 (Kamerstuk 35 570 X, nr. 103) dat volgens de onderzoekers de literatuur niet toereikend bleek om algemene conclusies te trekken over de relatie tussen uitstoot van burnpits en gezondheidsrisico’s van de uitgezonden militairen. Wel werd gesteld dat er geen twijfel bestaat dat uitstoot van burnpits gezondheidseffecten tot gevolg kan hebben.

Of sprake is van een mogelijke relatie kan alleen op individuele basis worden bezien. Hiervoor kunnen de veteranen voor het krijgen van een Militair Invaliditeitspensioen of een vergoeding uit de Regeling Volledige Schadevergoeding de reguliere procedures van Defensie volgen, waarbij (post-actieve) veteranen zich tot het Nederlands Veteraneninstituut kunnen richten. Op individueel niveau wordt, als de veteraan vraagt om een vergoeding, onderzocht of klachten in verband staan tot blootstelling aan uitstoot van burnpits.

Zoals aan uw Kamer is geschreven, blijft Defensie de wetenschappelijke ontwikkelingen en literatuur betreffende burnpits nauwlettend volgen. Daarnaast volgen we ook de ontwikkelingen bij onze internationale partners. Hiermee is niet toegezegd dat we de maatregelen van onze internationale partners hoe dan ook overnemen, zoals door de briefschrijver wordt verondersteld.

Antwoorden op de vragen in de brief

  1. Acht de staatssecretaris het redelijk om epidemiologisch bewijs te verlangen, terwijl eerder is vastgesteld dat relevante epidemiologische studies en valide blootstellingsgegevens ontbreken?

Ja, ik vind het redelijk om voldoende wetenschappelijke aanwijzingen voor een verband tussen de ziekte en de blootstelling te vragen, zodat het beleid eenduidig blijft en willekeur wordt voorkomen.

Het is niet nodig dat een verband volledig vast staat, maar er moeten wel voldoende wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat er überhaupt een verband kan zijn met blootstelling aan burnpits. Een Militair Invaliditeitspensioen met vervolgens een vergoeding uit de Regeling Volledige Schadevergoeding kan alleen worden toegekend als de aandoening is veroorzaakt door de dienst (oorzakelijk dienstverband) of de dienst de aandoening heeft verergerd (verergerend dienstverband). Voor het aannemen van een oorzakelijk dienstverband moet sprake zijn van een aandoening die – kort gezegd – aantoonbaar in overwegende mate het gevolg is van het werk als militair. Van een verergerend dienstverband is sprake als de militaire dienst een duidelijk aanwezige factor is (geweest) bij het ontstaan, tot uiting komen of verergeren van de aandoening. We gebruiken bij de beoordeling steeds de wetenschappelijke literatuur die tot dan toe is gepubliceerd.

Sinds de Kamerbrief van 11 mei 2021 is er wel meer relevant epidemiologisch onderzoek verschenen. Dit leent zich niet direct voor algemene toepassing, maar is wel behulpzaam bij de beoordeling van individuele zaken. Per individuele zaak wordt gekeken welke onderzoeken relevant zijn voor de beoordeling.

Defensie blijft de wetenschappelijke ontwikkelingen en literatuur over burnpits volgen voor de individuele beoordelingen, waarbij steeds de laatste stand van de wetenschap in ogenschouw wordt genomen.

  1. Deelt de staatssecretaris de opvatting dat het ontbreken van blootstellingsgegevens niet in het nadeel van de betrokken militair mag werken, mede gelet op de bijzondere zorgplicht?

Ik vind het inderdaad wenselijk dat de situatie zoveel mogelijk in het voordeel van de veteraan wordt uitgelegd. Bij de individuele beoordeling wordt nu al zo goed mogelijk gekeken naar de beschikbare informatie over de blootstelling die wel voor handen is. Als bepaalde gegevens ontbreken, kunnen ook (wetenschappelijk verantwoorde) aannames worden gedaan op basis van wat wel bekend is. Ook al is de exacte blootstelling van de veteraan vaak niet bekend, kunnen de epidemiologische onderzoeken toch helpen bij de individuele beoordeling. Er bestaan namelijk onderzoeken die specifiek kijken naar bepaalde missiegebieden of naar de schadelijke effecten van afzonderlijke stoffen die vrijkomen bij uitstoot van burnpits.

Voor het toekennen van een Militair Invaliditeitspensioen en vervolgens een vergoeding uit de Regeling Volledige Schadevergoeding is het nodig dat de medisch-wetenschappelijke literatuur voldoende basis biedt voor het aannemen van een verband tussen de aandoening en de dienst. Als dat zo is, moet de verzekeringsarts vervolgens vaststellen dat verband ook in het individuele geval kan worden aangenomen. Daarbij kan namelijk, afhankelijk van de aandoening, ook sprake zijn van aan het individu gebonden oorzakelijke factoren die invloed hebben. Omdat dit nogal kan verschillen per individu, evenals de mate van blootstelling, leent zich dit meer voor een individuele beoordeling.

  1. Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel Nederlandse militairen gezondheidsklachten hebben gemeld die mogelijk samenhangen met burnpitblootstelling, en waarom hiervoor geen structurele registratie bestaat?

Er zijn meerdere mogelijkheden om blootstelling aan gevaarlijke stoffen en eventuele gezondheidsklachten te registreren. Al naar gelang de procedure, komt dit in het personeelsdossier of medisch dossier terecht. Daarnaast kan melding worden gedaan bij het eerder genoemde meldpunt burnpits.

In de Kamerbrief van 2021 (Kamerstuk 35 570 X, nr. 103) is gemeld dat zich sinds de openstelling van het meldpunt burnpits 366 veteranen hebben gemeld. Tot mei 2026 zijn daar 33 meldingen bij gekomen. Van het totaal aantal melders heeft ongeveer 33% gemeld gezondheidsklachten te hebben die de melder zelf in verband brengt met burnpits.

  1. Is de staatssecretaris bereid te onderzoeken of een ruimhartiger of (gedeeltelijk) presumptieve regeling, naar voorbeeld van de Amerikaanse PACT Act, passend zou kunnen zijn binnen de Nederlandse invulling van de bijzondere zorgplicht?

Ik zie daarvoor geen aanleiding. De bestaande rechtspositionele regelingen voor Nederlandse militairen op uitzending zijn voldoende ruimhartig, mede in combinatie met het Nederlandse stelsel voor sociale zekerheid en zorg.

In de Pact Act die in 2022 in de Verenigde Staten (hierna: VS) is aangenomen, wordt een vermoedelijke relatie aangenomen tussen bepaalde ziektes en blootstelling aan burnpits en andere giftige stoffen. De omstandigheid dat de Amerikaanse overheid deze aanname doet, onderstreept dat een oorzakelijk verband op dit moment niet kan worden aangetoond. Dat is een politiek-bestuurlijke keuze geweest die is gemaakt in een andere context en heeft geleid tot een regeling met een beperktere reikwijdte. Daarbij is onder meer sprake van een ander sociaal zekerheid- en zorgstelsel dan wij in Nederland kennen, zoals bijvoorbeeld het stelsel van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de wettelijk verplichte basisverzekering voor zorg. Dit is in de VS beperkter geregeld en minder breed toegankelijk.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Derk Boswijk