Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (36777) 1e termijn Kamer (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D26809, datum: 2026-06-02, bijgewerkt: 2026-06-03 09:13, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:Preview document (🔗 origineel)
Wet vrij en veilig onderwijs
Wet vrij en veilig onderwijs
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de versterking van het veiligheidsbeleid op scholen (Wet vrij en veilig onderwijs) (36777).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van de Wet op het
primair onderwijs, Wet primair onderwijs BES, de Wet op de
expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 et cetera, et cetera,
et cetera. Oftewel, de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik heet van harte
welkom de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Even een streng woord richting de Kamer vooraf: er zijn sinds gisteren
negentien amendementen ingediend. Wij willen in deze Kamer wetten graag
zorgvuldig behandelen. Ik heb al begrepen dat de staatssecretaris alle
amendementen gaat voorzien van een appreciatie aan het einde van haar
eerste termijn, maar laten we proberen om daar toch wat eerder mee te
zijn.
We zijn met elf sprekers, met een spreektijd van ongeveer 130 minuten.
We gaan gewoon kijken hoe de avond loopt. U heeft het ook een beetje in
eigen hand.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
De eerste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Ceder, die
spreekt namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank, voorzitter. Het is de Week van de Mentale Gezondheid, een week
waarin bewustwording en het bespreekbaar maken van mentale gezondheid
centraal staan. Het is daarom ook passend dat we dit wetsvoorstel voor
een vrije en veilige onderwijsomgeving nu met elkaar bespreken.
Voorzitter. Ik begin met een anekdote en een verhaal. Op mijn middelbare
school, in Amsterdam, maakte ik jaren geleden iets mee dat ik niet meer
van mij heb kunnen afschudden. Terwijl ik van de kantine naar de
kluisjes liep, zag ik in mijn ooghoek iets op een tafel vallen. Wat ik
toen niet begreep, maar wat later duidelijk werd, is dat een meisje, een
schoolgenoot, vanaf de derde etage naar beneden was gesprongen, een
suïcidepoging. De tafel die daar stond, brak haar val en heeft haar
daarom volgens mij uiteindelijk ook gered. U kunt zich voorstellen dat
de impact groot was, allereerst voor het meisje en de mensen om haar
heen, maar eigenlijk voor de hele school. Het is belangrijk dat de
school een plek is waar kinderen en jongeren zich beschermd, gezien en
veilig voelen en dat moeten we zo goed als mogelijk aan de voorkant
regelen. Maar de wereld is ook niet maakbaar. Er kunnen heftige
gebeurtenissen plaatsvinden op school, of gebeurtenissen die impact
hebben in de school waarbij de veiligheid van kinderen of leraren in het
geding is. Dan is het belangrijk dat er ook goede opvolging is.
De school is namelijk niet alleen een plek waar men onderwijs krijgt.
Het is een minisamenleving, waarin van alles kan gebeuren, ook
gebeurtenissen die zorgen voor onveiligheid. Voordat ik de inhoud van de
wet bespreek, wil ik hier ook wel een fundamentele vraag neerleggen:
begint onveiligheid op school of veel eerder? Ik denk dat het in veel
gevallen juist het laatste is, dus dat onveiligheid niet op school
begint maar juist op andere plekken: in het gezinsleven, op straat of op
andere plekken. Dan is de vraag of we het gesprek niet veel integraler
moeten voeren dan het alleen te laten gaan over deze wet. Denk aan het
versterken van het gezinsleven of mentale weerbaarheid, aan de rol van
social media, aan de rol van de manosfeer, waar collega Moorman geregeld
aandacht voor vraagt, aan goede jeugdzorg en aan voldoende toegang tot
de ggz. Hoe spreekt de staatssecretaris hierover met haar collega's
binnen het kabinet?
Voorzitter. Wat betreft de wet die voorligt, waarmee het kabinet de
veiligheid op school verder wil verbeteren, wil ik allereerst opmerken
dat heel veel kinderen en jongeren zich echt veilig voelen op school.
Dat is een groot compliment aan al die mensen die in het onderwijs
werken en natuurlijk aan de klasgenoten die zorgen voor een goede en
veilige sfeer. En toch, elk kind dat zich op school onveilig voelt, is
er een te veel. Iedereen weet wat voor wissel bijvoorbeeld pesterijen
kunnen trekken op levens en hoelang je dat verdriet en die eenzaamheid
met je kan meedragen.
Voorzitter. Laat ik met de deur in huis vallen: over de wetstekst zelf
ben ik best sceptisch. Want gaat het wetsvoorstel dat we vandaag
bespreken daadwerkelijk bijdragen aan die veiligheid, wat we zo graag
willen? Ik heb daar grote twijfels bij. Daarbij wijs ik bijvoorbeeld op
het advies van de Raad van State, waarin zelfs de waarschuwing staat dat
de focus op administreren, monitoren, melden en controleren ervoor kan
zorgen dat de maatregelen juist een averechts hebben. Dat moeten we niet
willen. Volgens de raad bestaat het risico dat er minder ruimte, tijd en
aandacht komen voor het open gesprek. Ook na de schriftelijke antwoorden
heeft de regering deze zorg bij mijn fractie nog niet weggenomen. Waarom
zou een toename van registratie en voorschriften zorgen voor meer
veiligheid? Gaat het inderdaad niet méér om het open gesprek en om het
faciliteren daarvan? Gaat het er niet om continu het gesprek te voeren
over de vraag hoe je met elkaar een veilige school bent en uiteraard
stevig normeert op het moment dat dat nodig is? De profielorganisaties
geven in een brief aan dat een gestructureerde samenhang tussen alle
interventies voor een veilig schoolklimaat, inclusief de brede aanpak
tegen seksuele intimidatie, ontbreekt. Erkent de staatssecretaris dat en
hoe reflecteert zij hierop? Welke inzet van de staatssecretaris kunnen
we hierop verwachten?
Wat betreft het bevorderen van de veiligheid zie ik een belangrijke rol
voor het onderwijspersoneel, dat onderdeel is van die minisamenleving
waar ik eerder over sprak. In het wetsvoorstel gaat het daar niet over.
Hoe kijkt de staatssecretaris naar de rol van de leraren, die er nu
eigenlijk op natuurlijke wijze ook al is, vooral op basisscholen?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel zorgt vooral ook wel voor meer
administratieve lasten, want ik lees in de memorie dat deze wet zorgt
voor een feitelijke toename van de ruim 60 miljoen euro aan structurele
kosten en regeldrukkosten, die volgens mij volledig ten laste komt van
scholen. Voor 60 miljoen euro aan overhead. Is dat nu een goede
besteding van onderwijsgeld? Er moet toch zo veel mogelijk geld in de
klas belanden?
Voorzitter. Het gaat niet alleen over dit wetsvoorstel. Eerder uitte ik
dezelfde zorgen al bij de behandeling van de Wet terugdringen
schoolverzuim, en er komt ook nog een Wet strategisch personeelsbeleid
aan, waarmee de regeldruk ook verhoogd wordt. Kamer en kabinet zijn
bekend met de zorgen van scholen over de grote regeldruk, en volgens mij
zorgen we nu de facto alleen maar voor meer regels. Op welke manier
draagt de staatssecretaris nu bij aan het verminderen van regeldruk
terwijl ze hier wetsvoorstellen verdedigt die zorgen voor méér
regels?
Onderdeel van die regeldruk is bijvoorbeeld de verplichte registratie
van veiligheidsincidenten. Als die registratie toch wordt ingevoerd,
moet dat goed gebeuren. Daarom heb ik ook een aantal amendementen
ingediend over de explicitering van specifieke incidenten. In algemene
zin is het namelijk goed gesteld met de sociale veiligheid van zowel
leerlingen als onderwijspersoneel. Als we preciezer kijken naar de
cijfers, maak ik me zorgen. Denk aan de veiligheid van Joodse
leerlingen. Begin dit jaar schrok ik van het UNESCO-onderzoek dat hoge
percentages liet zien van antisemitisme in het klaslokaal. Dit onderzoek
betrof de EU, maar is er al meer bekend over de Nederlandse situatie? Zo
nee, zou die niet alsnog in beeld moeten worden gebracht? Hoeveel
leraren in ons land zien bijvoorbeeld antisemitisme in de klas, zien dat
de Holocaust wordt gebagatelliseerd of ontkend of hebben zelf als leraar
te maken met antisemitisme? We hebben inmiddels enige tijd een
handreiking voor het omgaan met antisemitische incidenten. Ziet de
staatssecretaris al effect van deze handreiking? En is er volgens haar
meer nodig? Omdat we dit willen expliciteren heb ik samen met collega's
Kisteman van de VVD en Claassen van Groep Markuszower een amendement
ingediend om ook stelselmatig antisemitisme als veiligheidsincident te
registreren, zodat deze specifieke vorm van discriminatie als zodanig
wordt meegenomen bij de evaluatie van het veiligheidsbeleid, zoals we
ook een kabinetsaanpak tegen discriminatie en een kabinetsaanpak tegen
antisemitisme hebben. Graag een reactie hierop.
Voorzitter. Toen ik dit wetsvoorstel las, moest ik ook denken aan de
veiligheid van docenten. Want hoewel het veiligheidsgevoel van docenten
in het algemeen hoog is, zien we dat ze wel te vaak te maken hebben met
verbaal en zelfs fysiek geweld. Dit bleek uit de rapportage Sociale
veiligheid en uit recent onderzoek van CNV en EenVandaag. Bij dit
onderzoek gaf zelfs 85% van de respondenten aan te maken te hebben gehad
met verbaal geweld, en 43% met fysiek geweld. 27% gaf aan bepaalde
onderwerpen te mijden uit angst voor intimidatie. Kunt u zich
voorstellen dat leraren onderwerpen vermijden omdat zij bang zijn?
Voorzitter. Zulke cijfers zijn natuurlijk onacceptabel. De
personeelsmonitor is er, na advies van de Raad van State, uitgehaald;
dat is goed. Maar is er straks geen blinde vlek als het gaat om verbaal
geweld waar onderwijspersoneel mee te maken krijgt, zowel van leerlingen
als van ouders? Ik heb daarom samen met collega Rooderkerk een
amendement ingediend om ernstige intimidatie en stelselmatig verbaal
geweld toe te voegen aan de lijst van geregistreerde
veiligheidsincidenten. Dat vinden we een belangrijke toevoeging, maar
uiteindelijk gaat het om de aanpak daarvan.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Ergin. U bijt het spits af. Ik was niet van
plan het aantal interrupties te maximeren, maar u heeft het wel een
beetje in eigen hand.
De heer Ergin (DENK):
Ik heb het amendement van de heer Ceder hier voor me. De heer Ceder
wijst er terecht op dat antisemitisme, net zoals alle andere vormen van
discriminatie, zoals moslimhaat of haat op basis van huidskleur of
andere persoonlijke kenmerken, natuurlijk onacceptabel is. Alleen zou ik
aan de heer Ceder willen vragen waarom in het amendement de focus
specifiek gericht is op stelselmatig antisemitisme.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De afgelopen maanden hebben we hier in de Kamer vaker het debat hierover
gevoerd. Dat debat voeren we vaker met elkaar. We zien namelijk dat
antisemitisme de pan uit rijst. Elke vorm van discriminatie, geweld of
intimidatie richting bepaalde groepen, richting moslimjongeren of
christelijke jongeren, is onacceptabel. Daar probeer ik met deze monitor
ook in te voorzien. Maar we constateerden de afgelopen maanden met
elkaar, in ieder geval met een groot deel van de Kamer, en dat speelt
ook in de samenleving, dat het antisemitisme dusdanig toeneemt dat het
belangrijk is om specifiek te meten of de aanpakken die we hebben
ingezet — ik heb er net een aantal genoemd — ook effect hebben in de
klaslokalen. Daarom vind ik het belangrijk om, naast alle andere
factoren die ook gemonitord zullen moeten worden, het punt van
antisemitisme te expliciteren. Daarmee maken we andere vormen van
intimidatie of geweld niet minder belangrijk. Maar goed, het debat van
de afgelopen maanden laat ook wel zien dat het goed is om dit te blijven
monitoren.
De voorzitter:
De heer Ergin met een vervolgvraag.
De heer Ergin (DENK):
Ik vind het antwoord van de heer Ceder heel opmerkelijk. In het
amendement gaat het namelijk alleen over "stelselmatig" antisemitisme.
Met andere woorden, met dit amendement zegt de heer Ceder dat als
antisemitisme eenmalig plaatsvindt, dit niet geregistreerd hoeft te
worden en dat daar geen melding van gemaakt hoeft te worden. Juist als
het belangrijk is om antisemitisme aan te pakken — DENK ondersteunt dat;
we moeten alle vormen van haat, ook antisemitisme, aanpakken — dan is
het amendement van de heer Ceder toch heel raar? Je gaat het dan alleen
registreren als het structureel plaatsvindt. Met andere woorden, als je
dat één keer doet in de klas, wordt daar geen melding van gemaakt. Ik
vind dat onnavolgbaar. Kan de heer Ceder dat nader toelichten?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben allereerst blij met de impliciete steun van de heer Ergin voor
het amendement; dat is alvast mooi meegenomen. De heer Ergin heeft zelf
een aantal amendementen ingediend om het woordje "stelselmatig" eruit te
halen; dat zit in heel veel facetten. Ik ga daar goed naar kijken. Ik
heb dit zo gedaan in mijn amendement, omdat ik wil aansluiten bij de
wetsystematiek die er nu ligt. U heeft een amendement ingediend waarmee
u het woord "stelselmatig" eigenlijk overal eruit wil slopen. Daar ga ik
goed naar kijken, want misschien heeft u wel een punt. Als dat zo is,
zou dat wetstechnisch betekenen dat als uw amendementen worden
aangenomen en die van mij ook, antisemitisme het enige zou zijn waarbij
sprake zou moeten zijn van stelselmatigheid. Dan zou je dat moeten
subamenderen. De heer Ergin knikt. Ik zie waar hij op doelt. Dat is
mooi. Ik ga eerst de appreciaties afwachten en wegen of ik uw
amendementen ga steunen. Als ik die ga steunen, kan ik u toezeggen dat
ikzelf of u een subamendement op mijn amendement kan indienen, waardoor
het wetstechnisch dezelfde tekst wordt. Volgens mij vinden we elkaar dan
zo.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Ergin (DENK):
In de techniek kunnen we elkaar altijd vinden, bijvoorbeeld met
subamendementen. Maar ik vraag de heer Ceder eigenlijk waarom hij met
dit amendement de strijd tegen antisemitisme verzwakt? Kijk gewoon naar
dit amendement. Dat zegt: je moet het pas melden en het moet pas
geregistreerd worden als een kind meermaals wordt gediscrimineerd
vanwege haar of zijn Joods-zijn. Ik stel gewoon de simpele vraag: waarom
moet het per se stelselmatig zijn? Waarom zeggen we niet dat we alles
gaan registreren, dus alles wat te maken heeft met antisemitisme maar
ook alles wat te maken heeft met moslimhaat en alles wat te maken heeft
met discriminatie op basis van huidskleur, zodat we op z'n minst weten
hoe ernstig het probleem is? We weten namelijk allemaal dat we allemaal
gaan schrikken van die cijfers.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De heer Ergin doet een leuk trucje. Hij doet alsof ik met het indienen
van dit amendement iets verzwak ten opzichte van de huidige situatie,
maar zij die de tekst in de wet kennen, weten dat nu overal, bij elke
vorm van incidenten, het woordje "stelselmatig" staat. Ik heb ervoor
gezorgd dat mijn tekst daarbij aansluit. Als ik het zo hoor — ik heb het
ook gelezen — heeft de heer Ergin het plan om overal "stelselmatig"
eruit te halen, want u vindt dat elke vorm meteen gemonitord zou moeten
worden. Dat vind ik best een interessante gedachte, dus wat dat betreft
sta ik hier helemaal niet tegenover u. Alleen wil ik wegen en weten wat
de impact van dit amendement zou zijn; daarom is het goed om dit van de
staatssecretaris te horen. Als die impact positief is, zal ik mijn
amendement ook wijzigen, om dan ook aan te sluiten bij de beweging die u
maakt. Maar het is dus niet zo dat ik hiermee een verzwaring indien.
Iedereen die de tekst leest, begrijpt dat ook. Ik denk wel dat
antisemitisme nu als expliciete grond ontbreekt en dat dat eigenlijk
haaks staat op de discussie die we de afgelopen maanden met elkaar
voeren. We moeten juist heel precies weten of antisemitisme onder
leerlingen of richting leraren groeit, gezien de afgelopen jaren en de
stijging daarvan, zodat we effectieve maatregelen kunnen nemen.
De voorzitter:
Dan is er nog een vraag voor u van de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat we allemaal elke discriminerende opmerking op scholen
verwerpelijk vinden en vinden dat we dat moeten voorkomen. Maar de heer
Ceder had het net ook over de grote regeldruk die al op verschillende
vlakken wordt geconstateerd bij dit wetsvoorstel. Denkt hij nou niet dat
het volstrekt ondoenlijk is om elke discriminerende opmerking die op een
school valt te moeten registreren?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het met de heer Boomsma eens en de ambtenaren die deze tekst
hebben opgesteld volgens mij ook. Ik heb die wettekst niet opgesteld,
maar in het licht daarvan is deze tekst wetstechnisch opgesteld. Als het
qua regeldruk kan, ben ik er helemaal niet principieel op tegen om dat
woord "stelselmatig" te schrappen. Maar daarom zeg ik dat ik graag ook
even wil weten waarom het er zo in staat. Ik ben het met u eens: als dat
ervoor zorgt dat je met elkaar in een onmogelijke situatie komt, dan
moet je dat niet willen. Even uitzoomend ben ik mijn inbreng begonnen
met dat ik heel kritisch ben over überhaupt nut en noodzaak van deze
wet. We hebben het nu namelijk over registratiegronden, maar alles, de
klachtencommissie et cetera … Het is een enorm vehikel dat we eigenlijk
bij de scholen neerleggen, en het is ook nog eens verplicht. Even
uitzoomend ben ik zeer kritisch op wat we hier nu aan het doen zijn, ook
in combinatie met de wetten die we een paar weken geleden behandeld
hebben en die er nog aan komen. Het gaat om heel veel regels achter
elkaar aan. Ik vraag me af of wat we echt willen, namelijk die
veiligheid, daarmee ook gewaarborgd wordt. Daar ben ik nog niet helemaal
over uit; daarom stel ik ook mijn vragen. Over uw punt. Ik vind wel dat
als we dit doen of als scholen hiervoor kiezen — ik heb een amendement
om het niet verplicht te maken — het wel goed moet gebeuren. Daarbij zeg
ik richting de heer Ergin: tja, als het woord "stelselmatig"
veronderstelt dat je het een paar keer door de vingers laat glippen, ben
ik daar niet heel erg fan van.
De voorzitter:
Zullen we het iets bondiger doen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Excuses, voorzitter. Doe ik.
De voorzitter:
Er is nog een vraag voor u, denk ik, van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik was even aan het afwachten om te zien of de heer Ceder misschien al
een beetje aan het einde van zijn tekst was gekomen. Er kwam net
namelijk een interruptie van de heer Boomsma. Daar was ik eigenlijk op
aan het wachten, want de heer Ceder zoomde weer een beetje uit en had
echt kritische noten. Daar wilde ik eigenlijk ook naartoe, want als we
nou gewoon kijken naar de totale wet, maakt dit kinderen en docenten dan
veiliger? Die vraag werd ook door de heer Ceder gesteld. Maar wat is dan
het antwoord? En moeten we dit dan überhaupt wel op deze manier willen
doen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wist niet dat mevrouw Moorman zo kritisch was, maar ik ga zo haar
bijdrage horen. Ik ben kritisch. Ik ben kritisch op een aantal punten,
bijvoorbeeld dat dit verplichtend werkt. Als een school dit wil doen, is
dat prima. Maar als scholen zeggen "bij ons gaat het goed; wij hebben al
beleid dat werkt en waarvan anderen misschien kunnen leren", zeg ik:
waarom geef je die vrijheid niet? Ik vind het ook ingewikkeld dat een
school niet alleen een school is, maar ook een werkgeversfunctie heeft
en vanuit daar al verplichtingen en rechten heeft jegens de werknemer.
Nu voegen wij er een bevoegd gezag tussen dat bepaalde handelingen kan
verrichten waarvan ik denk: volgens mij heb je die verantwoordelijkheid
al vanuit je werkgeversrol. Als je die niet pakt, is er ook de politie,
is er Veilig Thuis en zijn er nog tal van instanties die al doen wat wij
hier beogen te doen. Het kost 60 miljoen euro. Dat geld komt er niet
bij. Dat geld zal worden gehaald uit het geld dat naar onderwijs gaat.
60 miljoen euro is veel geld. Ik vraag mij dan af of wij daar geen
andere dingen mee kunnen doen. Ik ben dus kritisch. Zeg ik nu: ik schiet
'm helemaal af? Nog niet, maar ik heb volgens mij zeven amendementen
ingediend. Dat laat wel zien dat ik met de huidige wettekst gewoon nog
niet tevreden ben. Als ik u, de heer Boomsma en de heer Ergin zo hoor,
ben ik niet de enige.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
De fractie van GroenLinks-PvdA is inderdaad zeer kritisch en vraagt zich
echt af of dit de veiligheid gaat helpen. Ik heb uw amendementen nog
niet allemaal helemaal kunnen bestuderen. Maar als ik het nu zo hoor,
zijn het amendementen die vooral iets toevoegen wat ook geregistreerd
moet worden en zie ik eigenlijk niets over preventie, waarover we het
wel zouden moeten hebben met z'n allen. Zou deze wet zonder die
preventie eigenlijk niet een wet zijn die niet doelmatig en doeltreffend
is voor het doel dat we met elkaar willen bereiken?
De heer Ceder (ChristenUnie):
U noemt de woorden "doelmatig" en "doeltreffend". Dat is de toets die we
volgens mij moeten doen. Ik ben het met u eens dat er geen preventieve
maatregelen in zitten. De fundamentele vraag is of je dat überhaupt gaat
bereiken met een wet die zich richt op de scholen en niet per se op het
leefdomein van kinderen, onder andere de school. Misschien zijn we dus
ook wel met de verkeerde bewindspersoon dit debat aan het voeren.
De voorzitter:
Volgens mij niet!
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben er nog niet uit of ik het naar de prullenbak verwijs, maar ik
hoor uw kritische noot en die heb ik ook. Ik probeer het als
medewetgever wat beter te maken. Ik begin overigens met de lichte
amendementen. Daarmee voeg ik wat dingen toe. Maar ik heb ook
amendementen waarmee ik de verplichting er eigenlijk uit sloop en
daarmee de facto deze wet verbouw, dus misschien dat die u wat meer
enthousiasmeren.
De voorzitter:
Ik kan mij zo voorstellen dat u in al die interrupties al best wel wat
zaken uit uw eigen spreektekst heeft behandeld.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zal daarop letten.
De voorzitter:
Ja. U vervolgt uw betoog.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Het punt over antisemitisme heb ik gehad.
Ik heb al aangegeven dat ik over de veiligheid van docenten een
amendement heb ingediend, samen met mevrouw Rooderkerk, om ernstige
intimidatie en stelselmatig verbaal geweld toe te voegen bij het
registreren van veiligheidsincidenten. Ik heb daar een vraag over. Wat
is een stevige en samenhangende aanpak om ervoor te zorgen dat ook het
personeel zich veilig voelt? Hebben scholen bijvoorbeeld meer handvatten
nodig om op te treden? Wordt er voldoende voor gezorgd dat de leraar er
bij een incident niet alleen voor staat? Ik hoor graag welke oplossingen
de staatssecretaris heeft.
Voorzitter. Ik begon mijn verhaal met het ingrijpende verhaal van mijn
schoolgenoot die een suïcidepoging deed. Ik denk dan ook aan het
voorkómen van suïcide. Helaas kan het ook op scholen gebeuren dat dit
soort gevallen plaatsvinden. Samen met collega Kostić heb ik daarom een
amendement ingediend om een suïcide-incident ook onder de meld- en
registratieplicht te laten vallen. Het doel hierachter is natuurlijk
echter dat elke school goed beleid voert om, daar waar ze kunnen,
suïcide te voorkomen.
Voorzitter. In een recente Kamerbrief lees ik over de opvolging van de
motie die ik samen met collega Westerveld heb ingediend over hoe
suïcidepreventie op scholen beter geborgd en geïmplementeerd kan worden.
Het kabinet geeft een aantal maatregelen aan en geeft aan dat het de
komende tijd gaat inzetten op het beter ontsluiten van dit aanbod voor
scholen. Kan de staatssecretaris dit concreet maken? Kunnen we nog voor
het einde van het jaar een plan van het kabinet verwachten om het
huidige aanbod voldoende te ontsluiten? Is de staatssecretaris bereid om
daarna bij scholen te inventariseren of het aanbod voldoende wordt
gefaciliteerd of dat er meer inzet van het kabinet nodig is?
Voorzitter. Dan de landelijke klachtencommissies. Dit wetsvoorstel
regelt namelijk dat de scholen verplicht zijn zich aan te sluiten bij
een van de door de minister aan te wijzen landelijke klachtencommissies.
Het regelt daarnaast dat scholen in principe verplicht zijn om het
oordeel en de aanbevelingen van de klachtencommissie op te volgen. Ik
heb grote moeite met deze verplichtingen, die volgens mij ook
verstrekkend zijn. De Raad van State wijst op de beperking van de
vrijheid van inrichting die deze verplichting met zich meebrengt. Ik
vind die beperking niet proportioneel.
Wat betreft de verplichte aansluiting ben ik het met het kabinet eens
dat de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de klachtencommissie op
orde moet zijn. In de praktijk is 94% van de scholen al vrijwillig
aangesloten bij een van de twee landelijke commissies. Dat is goed. Ik
zie daarom geen reden waarom, als een school dat wenst, aansluiting bij
een regionale of interne klachtencommissie niet goed zou zijn, mits
uiteraard de kwaliteit en onafhankelijkheid op orde zijn. Om die reden
heb ik samen met JA21 en de SGP een amendement ingediend dat regelt dat
er een register van klachtencommissies komt. Zo zijn de kwaliteit en
onafhankelijkheid geborgd, maar blijft er ook veel meer vrijheid voor
scholen in de aansluiting bij een klachtencommissie. Dat is wat ons
betreft een zeer wenselijke stap. Ik snap dat die verstrekkend is, maar
die is voor ons wel zeer gewenst.
Wederom met de SGP en JA21 heb ik een amendement ingediend om de
verplichting tot het opvolgen van het oordeel te schrappen. Voor de
helderheid: de klachtencommissie velt niet zomaar een oordeel, dus de
school moet heel serieus naar het oordeel kijken. Met verplichte
opvolging wordt echter direct ingegrepen in het beleid dat de school
voert. Dan kan het ook over onderwijskundig beleid gaan. De
klachtencommissie krijgt zo trekken van een rechtbank. Dat is intrinsiek
niet de rol van de klachtencommissie en zorgt ervoor dat er onnodig veel
druk wordt gelegd op een dergelijke procedure. Wat ons betreft lopen er
ook een aantal situaties door elkaar. Als er bijvoorbeeld sprake zou
zijn van ernstige feiten, heb je de klachtencommissie, maar bijvoorbeeld
ook de politie. Je zou ook een civielrechtelijke procedure tussen
werkgever en werknemer kunnen hebben. De uitspraak van de rechtbank dien
je op te volgen, maar hier zou je ook de uitspraak van de
klachtencommissie bindend moeten opvolgen. Als er strafrechtelijke
aspecten zijn, is de politie er ook nog bij betrokken. Het wordt dan wel
heel warrig, terwijl we hiermee allemaal hetzelfde doel willen dienen.
De regeldruk wordt wel heel stevig, waarbij ik me afvraag wat nut en
noodzaak is. Graag een reactie van de staatssecretaris.
Voorzitter. Dan ten aanzien van de meld-, overleg- en aangifteplicht. Ik
zie dat de gegevens die te maken hebben met een meld-, overleg- en
aangifteplicht bij mogelijke seksuele intimidatie en seksueel misbruik
maximaal drie jaar mogen worden bewaard, maar wat als een leerling na
die termijn onverhoopt weer slachtoffer zou worden? Ik hoop van niet,
maar wat als dat gebeurt? Hoe wordt als na drie jaar de gegevens met
betrekking tot de gedane klacht gewist worden, geborgd dat er voldoende
bekend is over de voorgeschiedenis, zodat er adequaat gereageerd kan
worden? Ik zie dat het bevoegd gezag bij deze meld-, overleg- en
aangifteplicht in een aantal gevallen onverwijld in actie moet komen. Ik
zie dat er in de praktijk diverse keren juridisch geharrewar is geweest
over de vraag wat "onverwijld" is en wat niet. Dat wil ik voorkomen.
Daarom heb ik een amendement ingediend om "onverwijld" te verduidelijken
tot "binnen maximaal één werkdag". Graag een reactie hierop, want het
zou onwenselijk zijn dat iemand waartegen een klacht loopt, die klacht
vervolgens naast zich neer kan leggen omdat de rechtbank concludeert dat
er niet onverwijld gehandeld zou zijn. Het is dus duidelijker voor de
leerling, de leraar en degene die beklaagd is om af te bakenen wat dan
de uiterste termijn is om onverwijld actie te ondernemen.
Voorzitter, ik kom tot een afronding. De vertrouwensinspecteurs hebben
aangegeven dat ze de meld-, overleg- en aangifteplicht in het hbo en het
wo graag uitgebreid zien naar promovendi. De regering wijst naar de
verkenning in een ander wetstraject. Mijn vraag is: waarom zou je dat
niet alsnog gelijk bij deze wet regelen, in lijn met de
vertrouwensinspecteurs en de geest van de wet? Waarom zou je iedereen
onder de reikwijdte laten vallen behalve promovendi, die ook gewoon
verkeerde dingen kunnen doen? Ook daarover heb ik een amendement
ingediend.
Voorzitter. Het verbaast me dat de school zou kunnen besluiten om ouders
niet te informeren als er aangifte is gedaan indien het belang van de
leerling zich daar ernstig tegen verzet. Mijn principiële vraag is of
het aan de school is om te bepalen of het belang zich daartegen verzet,
bijvoorbeeld als een school verwacht dat informeren over de aangifte zou
leiden tot mishandeling. Ouders dergelijke informatie ontzeggen is
immers nogal wat. Waarom heeft het kabinet hiervoor gekozen? Ik heb een
amendement ingediend dat regelt dat de school, als die overweegt ouders
niet te infomeren, daarover eerst met de vertrouwensinspectie moet
overleggen, en dan dat advies moet opvolgen.
Voorzitter, mijn laatste zin. Is een eerdere evaluatie van het
wetsvoorstel niet op zijn plaats, juist gezien onder meer het kritische
advies van de Raad van State en de tientallen amendementen die ook
vanuit de Kamer zijn ingediend? Ik heb daarom ook een amendement
ingediend.
Dank u wel.
De voorzitter:
Nog even voor onze administratie: u heeft acht amendementen ingediend,
maar er negen aangekondigd. Het amendement-Ceder/Kostić hebben wij nog
…
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is het allereerste amendement. Dat heb ik twee maanden geleden of zo
ingediend. Ik was er vroeg bij.
De voorzitter:
O jee. Nou, dan gaan wij even kijken in onze administratie. U heeft een
vraag van de heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik voorzie al een administratieve Poolse landdag met al die
amendementen. Die gaan ook allemaal weer gewijzigd worden en dan krijg
je … Nou ja, je weet hoe het gaat. Maar we hebben een hele goede
voorzitter die dat voor ons in de gaten gaat houden.
Ik heb verduidelijking nodig van meneer Ceder over die buitenpromovendi.
Wat beoogt meneer Ceder nou precies met dat amendement? Welk probleem
moeten we met elkaar nu gaan oplossen? Het is mij nog niet helemaal
helder, ook niet uit de toelichting op het amendement.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat snap ik. Als wij al met elkaar besluiten dat het een goed idee is
dat mensen die met kinderen werken onder de reikwijdte vallen van dat
bevoegd gezag, dus als er sprake is van intimidatie, van dingen die we
niet willen, dan zou het bevoegd gezag stappen kunnen zetten. Dat geldt
voor de leerkracht en waarschijnlijk ook voor de directeur et cetera.
Het geldt voor iedereen die rondloopt, behalve voor promovendi. Daarover
zegt de regering desgevraagd: ja, maar dat doen we in een ander
wetstraject. Terwijl het volgens mij, als we dit met elkaar willen, best
gek is om promovendi niet onder die reikwijdte te laten vallen, ook
omdat de vertrouwensinspecteur daar specifiek om vraagt. Ik zorg er dus
voor dat ieder persoon, als we dit al met elkaar willen, ook
aanspreekbaar is door het bevoegd gezag, want anders heb je de gekke
situatie waarin eenieder een klacht zou kunnen krijgen behalve
promovendi, omdat het wettelijk niet is vastgelegd.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Tot slot. Het gaat om het verschil tussen promovendi en
buitenpromovendi. Ik weet wat een buitenpromovendus is. Ik ben het zelf
geweest. Hoe duidt u dat verschil? Ik volg het nog niet helemaal.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het gaat om eenieder die zich rondom de school begeeft. Dat kan iemand
zijn die daar continu werkt, maar ook iemand die als buitenpromovendus
wel degelijk nog in contact staat met de school en daarmee met de
leerlingen. In de praktijk zal die persoon veel minder aanwezig zijn en
is de kans dus klein, maar iemand niet onder die reikwijdte laten vallen
met als argument "misschien is het wel verstandig, maar dat regelen we
op een ander moment" is wat ons betreft onzinnig.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee mag ik de volgende spreker uitnodigen. Dat is
mevrouw Moorman. Zij spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van
de Arbeid.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Deze wet heet de Wet vrij en veilig onderwijs.
En ja, vrij en veilig onderwijs is natuurlijk een absolute voorwaarde
voor goed onderwijs. Als je je niet veilig voelt, kun je niet goed
leren. Als je je niet veilig voelt, kun je niet goed lesgeven.
Zeer terecht denken wij dus als wetgevende en uitvoerende macht na over
hoe we kunnen zorgen dat onze scholen veilig zijn. Daar is ook
aanleiding toe. We zien namelijk in verschillende monitoren dat het
aantal incidenten toeneemt. We zien de manosfeer, waar door de heer
Ceder ook al naar verwezen werd. We zien nog steeds ontzettend veel
pestgedrag. We zien dat er heel veel gebeurt in de onlineomgeving. Er is
dus ook zeker reden om met elkaar te spreken over waarom wij meer willen
doen op het gebied van vrij en veilig onderwijs.
De vraag is dus: hoe gaan we dat dan bieden aan onze leerlingen en ons
personeel? Ervaringen uit de praktijk en onderzoek zijn daar eigenlijk
heel helder en ook vrij unaniem over: een open, transparante, op
preventie gerichte cultuur in scholen leidt tot de meest veilige
omgeving. Dat is dus ook de lat waarlangs we deze wet moeten leggen.
Leidt deze wet inderdaad tot een meer open cultuur waarin gewerkt wordt
aan het voorkomen van veiligheidsincidenten en waarin er een goed
samenspel wordt gevonden tussen de wereld op school, maar zeker ook de
wereld op straat, online en thuis? De heer Ceder verwees er net ook al
naar: het onderwijs is een minisamenleving en dat kun je eigenlijk niet
los zien van de context waarin het plaatsvindt. Een school kun je niet
isoleren van de rest van de samenleving. Wat buiten de muren van de
school gebeurt, offline en online, sijpelt de school binnen.
Voorzitter. Ik kijk naar deze wet; ik wil altijd graag beginnen met een
positieve noot. Er zitten ook zeker positieve dingen in; laat ik dat
onderstrepen. Er wordt meer ingezet op vertrouwenspersonen en
veiligheidscoördinatoren. Dat is echt goed. De praktijk laat ook zien
hoe belangrijk die vertrouwenspersonen en veiligheidscoördinatoren zijn.
De meeste scholen hebben die dan ook, omdat ze gewoon weten dat het goed
werkt voor een veiliger leerklimaat op school.
Voorzitter. De kern van deze wet is echter een andere. Die gaat meer
over het registreren, over het administreren, over het monitoren, over
het verantwoorden, over regels, over druk, over juridisering, en over
bureaucratie. De vraag is: gaat dat nou allemaal helpen om de veiligheid
op scholen ook daadwerkelijk te verbeteren? Gaan leerlingen en leraren
zich veiliger voelen omdat er een hele administratieve rompslomp wordt
opgezet? Of verschuiven we hiermee het professioneel handelen naar
bureaucratische procedurevoorschriften? Vernauwen we complexe
veiligheidssituaties naar administratieve handelingen?
Voorzitter. Ik zei het net al in een interruptiedebatje met de heer
Ceder: ik mis volledig in deze wet juist datgene waarvan al die
wetenschappers en al die mensen uit de praktijk zeggen dat het daar
uiteindelijk om moet gaan, en dat is preventie. Niet alleen ik mis dat,
maar in de reacties van het onderwijsveld zien we dat het ook daar wordt
gemist. Ook de Raad van State zegt het. Die geeft zelfs een dictum c
voor deze wet. Zij hebben daarmee dus eigenlijk geadviseerd om deze wet
niet op deze manier in te dienen bij de Tweede Kamer. Ja, ik heb gezien
dat er een aantal wijzigingen zijn gedaan, maar dat zijn eigenlijk maar
hele minuscule wijzigingen over bijvoorbeeld de dingen die onder de
Arbowet vallen. Ze gaan niet over het fundamentele punt: leidt dit nou
echt tot meer veiligheid?
Ik vind het dus ook best jammer dat deze regering, weliswaar met goeie
intenties — daar ben ik van overtuigd — toch deze wet uit het
kabinet-Schoof heeft doorgezet. Mijn vraag aan de staatssecretaris is
dan ook: waarom heeft u deze wet niet op de punten van de fundamentele
kritiek van de Raad van State aangepast? De Raad van State oordeelt dat
onvoldoende duidelijk is hoe de voorgestelde maatregelen bijdragen aan
een veilige schoolcultuur. Het versterken van de veiligheid op school
kan volgens de Afdeling advisering niet zonder aandacht voor zo'n
veilige schoolcultuur, waarin men openlijk kan praten over wat gewenst
is en wat niet, en over waar dan de grenzen liggen. Maar doordat nu de
nadruk is komen te liggen op voldoen aan procedurevoorschriften,
ontstaat juist het risico dat er juist minder ruimte, tijd en aandacht
is voor het open gesprek. De wet kan daarmee dus weleens een averechts
effect hebben: dat er dus juist minder oog is voor de veiligheid op
school. Ik vind het echt pijnlijk om dit te constateren, maar ik denk
echt dat het risico levensgroot is.
Voorzitter. Dat is geen theoretische of hypothetische mogelijkheid. Zelf
heb ik in de praktijk als wethouder gezien waar angst voor een slecht
imago bij scholen toe kan leiden. Het leidt tot veel te strikt afbakenen
van wat wel of niet de verantwoordelijkheid is van de school, tot
verkrampen rondom veiligheidsproblemen, en tot wegkijken van wat
aandacht nodig heeft. Omdat de heer Ceder daar net ook een heel
praktisch en pijnlijk voorbeeld van gaf, wil ik dat eigenlijk ook wel
geven. Ik twijfelde erover, maar ik denk toch dat het helpt. Ik was op
een gegeven moment als wethouder op een school omdat wij een
schoolveiligheidsprogramma hadden. Ik wilde in de praktijk kijken wat
hielp. Toen vertelde een van de leraren hoe het ging voor we daarmee
bezig waren. Er was een jongen van 13 die een mes mee naar school nam,
overigens niet omdat hijzelf daarmee kwade intenties had, maar omdat hij
ontzettend bang was voor anderen die dat deden. Hij deed dat een soort
van preventief. Ik ben overigens blij dat de Kamer vandaag dat
messenverbod heeft aangenomen; ik denk dat dat heel belangrijk is. Wat
deed deze leraar? Die zei: breng maar niet naar binnen, stop maar in de
bosjes. Dan is het namelijk niet meer het probleem van de school; dan is
het buiten de school.
Voorzitter. Om zo'n cultuur te doorbreken heb je juist openheid nodig.
Ik ben heel bang dat de manier waarop wij nu deze wet gaan
implementeren, dit gedrag juist zal versterken, omdat je het buiten de
school zal plaatsen omdat je niet in de lijstjes terecht wil komen. We
moeten dus juist starten met een veiligheidsaanpak die gericht is op
preventie, bijvoorbeeld met jongerenwerk en school, door in te zetten op
opleiding en advies. Daarmee kun je namelijk echt veel bereiken, zo heb
ik ook gezien in de praktijk.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb een vraag naar aanleiding van het voorbeeld van mevrouw Moorman
van dat jongetje met dat mes en dat mes niet in de bosjes stoppen. Dat
geloof ik allemaal wel, maar wat zullen we dan wel doen? Zullen we dan
gewoon lik op stuk geven, deze vriendelijke gast verzoeken om de school
te verlaten en aangifte doen bij de politie? Volgens ons zou dat
namelijk de enige juiste oplossing zijn.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik wil vooral dat kinderen niet het gevoel krijgen dat ze messen moeten
meenemen naar school. Ik zei al dat dit jongetje dat mes niet meenam
omdat hij daar zelf kwade intenties mee had, maar omdat hij bang was.
Heeft het dan zin om lik op stuk te geven, aangifte te doen bij de
politie, een kind van school te sturen? Ik twijfel daarover. Wat wel
werkt, is open het gesprek aangaan, zorgen dat er een veilige
schoolcultuur is en zorgen dat kinderen überhaupt niet met messen
rondlopen op school. Daarover ben ik het volledig eens met de heer
Claassen; ik vind het afschuwelijk als kinderen met messen rondlopen op
school, dat mogen we nooit laten gebeuren. Maar ik zoek naar een
effectieve aanpak en niet alleen maar stoere woorden.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het gevolg daarvan is dat iedereen gaat roepen: ik heb een mes
meegenomen omdat ik me onveilig voel. Zo simpel is het dan immers:
iedereen gaat een mes meenemen omdat iedereen een mes meeneemt. Dan zou
lik op stuk geven en niet knuffelen dus de allerbeste remedie zijn.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik knuffel helemaal niemand. Dat is weer de taal die de heer Claassen
graag bezigt; ik heb het juist over effectief veiligheidsbeleid. Daar
zou de heer Claassen blij mee moeten zijn, want volgens mij moeten we
het hebben over wat werkt. En ja, ik ben blij dat we vandaag het
messenverbod hebben aangenomen, met steun van GroenLinks-PvdA, want het
kan niet zo zijn dat kinderen messen meenemen naar school. Ik heb ook
getwijfeld over dit voorbeeld omdat ik eigenlijk deze vrij … Hoe zal ik
het eens zeggen? Ik had deze reactie van de heer Claassen wel verwacht.
Het is een beetje reflexmatig, iets wat altijd gebeurt. Daarmee slaan we
het debat dood. We moeten het met elkaar hebben over hoe we kinderen en
leraren écht veilig houden. We weten uit de praktijk en uit onderzoek
dat dat vooral door preventie is, het inzetten op preventie. Dat heeft
niks, niks, níks te maken met knuffelen; het heeft te maken met
effectief beleid.
De voorzitter:
Deze zag ik wel een beetje aankomen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, voorzitter, omdat het geen reflex is. Het is gewoon normaal
rationeel nadenken over hoe je ermee om zou moeten gaan. Wat een reflex
is, is naar oplossingen gaan lopen zoeken die alles maar in de marge
plaatsen. En dat is wat mevrouw Moorman doet: alles in de marge
plaatsen. Voor alles is een reden om het te vergoelijken, voor alles is
een reden om maar met iedereen weer te gaan zitten praten, een
rondetafelgesprekje hier en daar. Dat is geen reflex van mij; dat is een
reflex van mevrouw Moorman, om op die manier tegen mij te zeggen dat
mijn reactie een reflex is. Dat is niet netjes en dat vind ik niet
eerlijk. Kijk in de spiegel, mevrouw Moorman, en zeg: nou, volgens mij
was het een reflex van mijzelf; ik zal het nooit meer doen, meneer
Claassen.
De voorzitter:
Haha! Sorry, ik moest lachen. Mevrouw Moorman, gaat u ooit nog doen wat
de heer Claassen vraagt?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nu moet ik ook lachen, voorzitter. Ik wil het juist niet in de marge
plaatsen. Dat was mijn hele punt. Ik vrees dat deze manier van
registreren het juist heel erg in de marge en ook buiten de school gaat
plaatsen. Dat was ook precies het voorbeeld dat ik gaf. Ik denk … Ik
denk het niet alleen, ik weet dat een effectief schoolveiligheidsbeleid
zoals dat in sommige gemeentes wordt gevoerd heel erg gericht is op
training van docenten. Hoe ga je ermee om? Hoe ga je het gesprek aan?
Het is heel erg gericht op jongerenwerk binnen de school brengen, zodat
je weet hoe om te gaan in de school met wat er gebeurt op straat. We
zien dat het inderdaad een minisamenleving is. Ik heb de heer Claassen
niet willen beledigen, op geen enkele manier, natuurlijk niet. Maar ik
wil wel met elkaar op zoek — ik nodig de heer Claassen daar ook voor uit
— naar een effectieve aanpak die we hier met elkaar kunnen maken.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik weet dat ambtenaren van OCW daar ook geïnteresseerd in
zijn. Ik weet dat ze op meerdere scholen zijn geweest en onder de indruk
waren van de schoolveiligheidsaanpak. Maar helaas vind ik daar niks van
terug in de wet. Ik neem dat de staatssecretaris ook niet zozeer
kwalijk, want dit is natuurlijk een wet uit een vorige periode. Maar de
vraag is wel of we op deze weg moeten doorgaan. Moeten we dit op deze
manier doorzetten? Waarom is er niet voor gekozen om even pas op de
plaats te maken en ook een preventieve aanpak te bekijken? Het is ook
niet voor het eerst dat we dit met elkaar bediscussiëren. Er heeft
eerder, in 2012, al een wet in de Kamer gelegen, die in Rutte II door de
VVD en de PvdA terug is genomen, met precies dezelfde kritiek als die ik
hier nu uit. Waarom ontbreekt elke notie van een pedagogische visie over
hoe veiligheid ontstaat? Ik weet dat er vanuit D66, in ieder geval
vanuit mevrouw Rooderkerk, ook aandacht is voor de onlineleefwereld. Dat
is zeer terecht. Het is raar dat deze wet daar eigenlijk helemaal geen
oog voor heeft, terwijl we weten dat die onlineleefwereld een enorme
impact heeft — we hebben in bijvoorbeeld Beverwijk vreselijke dingen
gezien — en dat de school zich daar niet zomaar van kan isoleren. "Thuis
of in de kluis" is geen antwoord op de gevaren van de onlineleefwereld
op school.
Voorzitter. De VVD en de PvdA hebben in 2012 een vrij vergelijkbare wet
teruggetrokken omdat ze inzagen dat die niet het beoogde doel zou
bereiken, en dat meer administratie, monitoring, registratie en
verantwoording alleen maar schijnveiligheid zou opleveren. Het is een
papieren tijger. Waarom gaan we dan nu, veertien jaar later, toch weer
door op dit heilloze pad? Graag een reflectie van de staatssecretaris
over hoe zij kijkt naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze
wet en naar het risico op averechtse effecten.
Voorzitter. In de memorie van toelichting zien wij vooral een hele
formalistische benadering; het spijt me om dat te zeggen. Zo lezen wij
op pagina 55 dat de staatssecretaris denkt — ik denk niet dat zij dat
zelf echt denkt, maar goed, zo staat het in de memorie van toelichting —
dat de administratie van een ernstig veiligheidsincident vijf minuten
kost. Dit geeft echt blijk van een fundamenteel onbegrip van wat een
veiligheidsincident met een school doet, en van wat het doet met de
leerlingen, met de leerkrachten, met het ondersteunend personeel en met
de ouders. Het legt ook een fundamenteel onbegrip bloot van de context
waarin scholen opereren en van de verschillen in de lokale situatie, de
thuissituatie, van leerlingen. Het gaat steeds over gemiddelden. Het
gaat inderdaad over 60 miljoen in totaal, maar dat zijn allemaal
gemiddelden of totaalsommen. Het gaat hier natuurlijk ook over die
lokale context. De wetgever laat hier zien eigenlijk niet te begrijpen
waar scholen mee te maken hebben. Heeft de staatssecretaris zich
verplaatst in hoe deze wet uitpakt voor een school in een buurt waar in
straten en thuis meer geweld plaatsvindt? Hoe worden deze scholen
geholpen door deze wet? Hoe worden ze geholpen door de regel- en
administratiedruk zonder dat ze er een cent, of extra hulp, bij krijgen?
Of worden ze er echt alleen maar op afgerekend? Dat is precies de angst
die er is.
Heeft de wetgever zich verplaatst in alle dilemma's waar het
onderwijspersoneel straks mee te maken krijgt? Wanneer moet een incident
alleen maar geregistreerd worden en wanneer moet het ook gemeld worden?
Hoe moet er omgegaan worden met de AVG? Wanneer mag je informatie wel
delen met bijvoorbeeld de wijkagent en wanneer niet? Hoe moet dit
allemaal geïmplementeerd worden zonder extra middelen en handen, terwijl
de tekorten in het onderwijs al enorm groot zijn, juist vaak op die
plekken waar veiligheidsrisico's vaker voorkomen? Is de staatssecretaris
dan niet bang dat het personeel op deze locaties door deze extra
regeldruk nog vaker zal vertrekken, waardoor de problemen juist daar nog
meer opstapelen? Is zij bereid om een gerichter actieprogramma voor
schoolveiligheid op te zetten, waarbij scholen die het het hardste nodig
hebben, ook meer ondersteuning krijgen via bewezen effectieve methodes,
zoals jongerenwerk op school?
Hoe kijkt de staatssecretaris naar de veiligheid van specifieke groepen
jongeren? Er werd net al gesproken over jongeren die zich
gediscrimineerd voelen, bijvoorbeeld omdat ze Joods zijn of omdat ze
moslim zijn. Maar dat geldt ook voor lhbtiq+'ers. Ook over hen lees ik
niets in de plannen, terwijl we weten dat de veiligheid van deze
jongeren nog meer onder druk staat. Zij worden drie keer zo vaak gepest
als alle andere leerlingen. Alleen registreren en bijhouden is ook
hiervoor natuurlijk niet de oplossing. Wat wel werkt in de praktijk,
zijn GSA's. Dat zijn netwerken van leerlingen die zich op school actief
inzetten voor lhbtiq+-acceptatie. Deze zorgen voor zichtbaarheid, voor
gemeenschap en, uiteindelijk, voor meer acceptatie. Dat is keihard
nodig. Een paar maanden terug schrokken we ons met z'n allen kapot, echt
Kamerbreed, van een onderzoek dat liet zien dat maar liefst 41% van de
jongeren vindt dat lhbtiq+-leerlingen niet gelijk zijn aan hetero's.
Laten we er daarom voor zorgen dat we het GSA-netwerk in Nederland
versterken. Is de staatssecretaris bereid om zich hier hard voor te
maken en daarvoor ook de nodige middelen beschikbaar te stellen?
Voorzitter. Tot slot wil ik nog een kort punt maken over het mbo. Er is
eerder aangegeven dat het mbo echt bij het hoger onderwijs hoort, en
niet bij het p.o. en het vo. Toch zien we dat het mbo er bij deze wet
toch weer in is gezet. Kan de staatssecretaris daar een reflectie op
geven? Voorzitter. Ik sluit af.
De voorzitter:
Meneer Boomsma wil interrumperen, zie ik, maar zullen we dat eerst
afwachten?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
U bent voorzitter!
De voorzitter:
Laten we dat eerst even afwachten.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik sluit af. Het is duidelijk dat wij heel kritisch zijn over wat hier
voorligt. Voor ons geldt er maar één vraag: gaan leerlingen en
personeelsleden zich veiliger voelen door deze wet? Het antwoord daarop
lijkt helaas nee te zijn. Het kan zelfs een averechts effect hebben.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: waarom neemt u deze wet, die
gemaakt is tijdens Schoof-I, niet gewoon terug, zoals ook de Raad van
State u adviseert? Waarom komt u niet met een wet — ik ben er echt van
overtuigd dat de staatssecretaris daartoe in staat is, ook omdat de
ambtenaren daar al heel lang in geïnteresseerd zijn — die gericht is op
preventie en samenwerking en die wél werkt? Nu is er een kans voor de
staatssecretaris om aan het begin van deze periode echt een nieuwe stap
te zetten, in het belang van kinderen, jongeren, gezinnen en
onderwijspersoneel. Het kabinet is pas — ik noem het toch maar "pas" —
100 dagen onderweg. Laten we niet aan het begin van deze periode al een
heilloze weg op gaan. Laten we de komende periode beter benutten. Wij,
de fractie van GroenLinks-PvdA, binnenkort PRO, helpen u daar graag
bij.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan het betoog van mevrouw Moorman goed volgen. Ze zei ook iets wat
ik heel interessant vond, namelijk: zou je je, in plaats van allerlei
administratieve verplichtingen aan alle scholen opleggen, niet beter
kunnen richten op specifieke interventies waarvan we weten dat ze
werken, voor de scholen waar die problemen het meeste spelen? Maar ik
vraag me af welke interventies in haar ervaring dan het beste werken. Ze
had het over jongerenwerk. We weten natuurlijk dat er in grote steden
als Amsterdam en Rotterdam nog steeds hele grote problemen zijn, ook
daar waar gemeenten op zich al best goede programma's hebben ontwikkeld.
Welke maatregelen zouden dan echt effect hebben?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Jongerenwerk is echt een uitstekende maatregel; dat blijkt echt heel
effectief te zijn. Daarmee worden de leraren ook ontlast, die er dan
niet de hele tijd zelf tussenin hoeven te staan. Jongerenwerkers zijn
ook steeds beter in staat om de onlinewereld heel goed in de gaten te
houden en juist ook dicht bij jongeren te staan om al vroeg te
signaleren. Brugfunctionarissen kunnen ook zeker een heel goede rol
spelen. Maar ik wil ook niet onbenoemd laten dat er hele uitstekende
trainingsprogramma's bestaan waarmee leraren uit die
"handelingsverlegenheid" kunnen komen. Dat is een rotwoord, maar dat is
wel vaak wat er speelt, ook in het voorbeeld dat ik net gaf Hoe ga je er
nou mee om als er wordt gediscrimineerd of als er ongewenst ook seksueel
overschrijdend gedrag plaatsvindt, maar zeker ook als er echt gevaar
dreigt? Hoe doe je dat? Wat doe je dan als leraar in plaats van dat je
jezelf heel bedreigd voelt of misschien zelfs denkt dat je maar ergens
anders gaat werken, waardoor de problemen eigenlijk alleen maar groter
worden? Dit is allemaal in de praktijk allang getest en getoetst. We
zouden daar dus veel meer in kunnen investeren. Ik ben het ook zeer met
de heer Boomsma eens: ongelijk investeren voor gelijke kansen precies op
de plekken waar dat nodig is.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Boomsma (JA21):
Zeker. Je ziet de laatste jaren natuurlijk ook echt een toename van
criminele uitbuiting, waarbij jongeren en kinderen gewoon echt voor het
karretje van criminelen worden gespannen om de wet te overtreden voor
drugshandel en dergelijke. Hoe zou je dat het beste kunnen beteugelen?
Ik denk dat er daarbij ook een rol is voor trainen en misschien
signaleren. Misschien heeft mevrouw Moorman daar ook ideeën over.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Helaas is dat waar. Ze worden bijvoorbeeld ook gebruikt als geldezels.
We zien dat dit juist ook in de kwetsbare wijken plaatsvindt. Ook daarin
bestaan uitstekende programma's om jongeren en kinderen weerbaarder te
maken, vaak ook vanuit de wijkagenten. Er zijn hele mooie voorbeelden
waarin de wijkagent echt een hele belangrijke rol speelt in de school,
maar dat kan eigenlijk alleen als er een hele open cultuur is, want als
de wijkagent alleen langskomt op het moment dat het probleem al is
ontstaan, kan dat juist averechts werken. Je wil een wijkagent eigenlijk
gewoon elke dag langs sommige plekken laten lopen, zodat jongeren zo'n
wijkagent ook kennen. Dat heeft niks te maken met knuffelen; dat is
juist effectief zorgen dat je met elkaar een pedagogisch veilige
gemeenschap maakt waarin je niet alle veiligheidsincidenten — helaas
kunnen we nooit zo'n mooie wereld krijgen — maar wel veel
veiligheidsincidenten kan voorkomen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik deel veel van de kritiek van mevrouw Moorman. Ook ik vind dat de
leefwereld van studenten en leerlingen voor een deel op school
plaatsvindt, maar dat heel veel grondoorzaken eigenlijk daarbuiten
liggen. Die moet je daar dus eigenlijk bij betrekken. Het is lastig dat
we hier natuurlijk alleen kunnen praten over de bevoegdheden die binnen
het takenpakket van de staatssecretaris vallen. Als ik dit alles zo
hoor, heeft mevrouw Moorman best wel fundamentele kritiek. Is uw fractie
er al over uit wat u vervolgens met de wet doet, even afgezien van de 30
amendementen en welke kant het allemaal opgaat?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dat is een hele logische vraag van de heer Ceder. Wij zijn zeer
kritisch, maar wij hebben ook waardering voor de inzet van de
staatssecretaris. Wij gaan dus uiteraard eerst luisteren naar wat de
staatssecretaris gaat doen met deze kritiek. Wij vrezen echter dat wij
een wet gaan aannemen die "Vrij en veilig onderwijs" heet, waarmee wij
dus de indruk wekken het onderwijs vrij en veilig te maken, maar dat de
situatie zelfs onveiliger kan worden en dat dit een averechts effect
heeft, zoals ik in mijn betoog heb laten zien. Voordat we dan weer een
andere wet gaan maken, zijn we vaak weer jaren verder in dit huis. Dat
zou ik heel risicovol vinden. Ik moet dus ook alle amendementen —
volgens mij zijn er negentien ingediend — even heel goed bestuderen om
te zien of daar amendementen tussen zitten die het echt heel veel beter
maken. Wij hebben zelf ook goed nagedacht: zijn er amendementen die het
beter kunnen maken? Dat vond ik eigenlijk best ingewikkeld, omdat het zo
fundamenteel is en omdat we eigenlijk een heel stuk missen aan het begin
van deze wet. Deze wet begint ergens halverwege, bij het administreren,
terwijl er nog zo'n groot stuk voor zit. Daarom wachten wij het debat af
om te kijken wat wij uiteindelijk zullen doen.
De voorzitter:
Oké. Daarmee is een einde gekomen aan uw termijn. Dan gaan we naar de
volgende spreker van de zijde van de Kamer. Dat is mevrouw Rooderkerk,
die spreekt namens D66. Ik zeg daar alvast bij dat we een uur verder
zijn en dat we twee sprekers hebben gehad. In dit tempo gaan we de
staatssecretaris vandaag niet meer horen. Dat zeg ik maar even richting
de Kamer, want volgens mij hebben we er niet zo heel veel aan om een wet
midden in de nacht met elkaar te slopen, te verbouwen of welke termen ik
allemaal al gehoord heb. Dus bij dezen. Mevrouw Rooderkerk, het woord is
aan u. Gaat uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Bedankt, voorzitter. Goed onderwijs kan niet zonder veiligheid voor
leerlingen, leraren en onderwijsondersteuners. Laat ik ook meteen
duidelijk zijn: bij de overgrote meerderheid van het aantal scholen gaat
het goed, voelen leerlingen zich veilig en vrij en worden problemen
opgepakt door onderwijsprofessionals. Maar niet overal gaat het goed.
Een tijdje geleden was ik op bezoek bij een middelbare school en stond
ik met docenten te praten in de docentenkamer, toen twee scholieren in
de hal ruzie met elkaar kregen en op de vuist gingen. Ik kon zien hoe
een docent er meteen op afging en de situatie wilde oplossen, maar in de
chaos zelf ook een vuist in het gezicht kreeg. Terug in de docentenkamer
werd hierover nagesproken, maar al snel ging het weer over andere zaken.
Met enige verbazing en zorg vroeg ik aan de docent hoe het met hem ging.
Aan de schoolleider vroeg ik wat hier nu mee ging gebeuren. De docent
haalde feitelijk zijn schouders op en ging gewoon weer aan het werk. De
schoolleider zei hier niets mee te gaan doen. Ze vroegen zich af waarom
of met welk doel ze dat zouden doen. Ik deel dit om te laten zien hoe
vanzelfsprekend onveiligheid soms is geworden op sommige scholen in ons
land, voor leerlingen en voor leraren. Die docent ging door met zijn
werk. Dat deed hij niet omdat het hem niet raakte, maar omdat hij niet
wist wat het hem zou opleveren. Handelingsverlegenheid speelt daar wel
degelijk een rol in, net als wellicht ook andere zaken. Ik denk dat het
belangrijk is dat we met elkaar het debat voeren over de vraag: hoe
lossen we dat op? Hoe zorgen we daadwerkelijk voor meer
veiligheid?
Voorzitter. Zolang ik woordvoerder Onderwijs ben, hoor ik de uitdrukking
dat pesten van alle tijden is. Dat zal zo zijn, maar daar neem ik geen
genoegen mee. Ik zal me er altijd met hart en ziel voor inzetten dat we
er alles aan doen om ons onderwijs zo veilig en inclusief mogelijk te
maken, op school en online. Alle onderlinge verschillen die we met ons
meedragen, zijn onderdeel van deze maatschappij. Het is van het grootste
belang dat we daar vanaf jonge leeftijd goed mee leren omgaan, waar
nodig met consequenties als iemand over de schreef gaat. Racisme,
discriminatie en pesten: het zijn voorbeelden van het missen van de
eigenschappen om succesvol samen te leven in onze maatschappij.
Veiligheid is daarbij een randvoorwaarde voor goed onderwijs, voor
leerlingen en leraren. Daarom snappen we de intentie van het
wetsvoorstel. De grote meerderheid voelt zich veilig op school — ik geef
een compliment aan iedereen die zich daar hard voor maakt — maar we
moeten in actie komen voor iedereen voor wie dat niet geldt.
We maken ons zorgen over de regeldruk die dit wetsvoorstel met zich
meebrengt. Scholen die al worstelen met de administratieve lasten, zijn
niet gebaat bij nog meer verplichting, zonder dat duidelijk is wat dat
in de praktijk oplevert. Die balans leg ik de staatssecretaris graag
voor. Dit wetsvoorstel regelt een aantal zaken, onder andere een
uitbreiding van de leerlingmonitor, de invoering van een meld- en
registratieplicht bij veiligheidsincidenten, een jaarlijkse verplichte
evaluatie van de veiligheid op school, de verplichte aanstelling van een
interne en externe vertrouwenspersoon en veiligheidscoördinator, een
interne klachtenregeling en aansluiting bij de Landelijke
Klachtencommissie en een uitbreiding van de meld-, overleg- en
aangifteplicht na seksuele intimidatie. Dit zijn veel maatregelen. De
vraag is of het ook echt het probleem van onveiligheid op scholen
oplost. Daarom wil ik ingaan op drie zaken: ten eerste preventie, ten
tweede onlineveiligheid en ten derde de veiligheid van niet alleen
leerlingen, maar ook leraren.
Voorzitter. Mijn eerste punt gaat dus over preventie. Deze wet regelt
namelijk de registratie van incidenten en de evaluatie van het
veiligheidsbeleid door scholen, zodat ze dit waar nodig verbeteren en
daar ook melding van maken bij de inspectie. Dat is een goede gedachte,
maar nog niet genoeg om een school echt veiliger te maken. Je zou kunnen
zeggen dat een wet an sich een school sowieso lastig veiliger maakt,
want dat moet in de praktijk gebeuren. Preventie vraagt meer. Veel
scholen zijn er al serieus mee bezig. Die hebben vertrouwenspersonen
aangesteld, pakken antipestprotocollen aan en organiseren gesprekken
tussen docenten en leerlingen. Maar om het breed van de grond te
krijgen, hebben scholen ondersteuning nodig, bijvoorbeeld via Stichting
School & Veiligheid. Ze hebben ook een ministerie nodig dat niet
alleen wetgeving maakt, maar scholen er ook bij helpt om die te
gebruiken. Mijn vragen aan de staatssecretaris zijn de volgende. Hoe
zorgt de wet dat evaluaties daadwerkelijk leiden tot verbetering? Welke
aanpalende maatregelen neemt het ministerie om scholen preventief te
ondersteunen? Een goed opgeleide veiligheidscoördinator per school is
van belang, maar er is meer nodig. We zien ook grote onveiligheid onder
lhbtiq+'ers. Wat is de aanpak en wat zijn de maatregelen van dit kabinet
om dat te verbeteren? Hoe draagt dat bij aan een verbetering ten aanzien
van dit soort concrete problemen?
Ten tweede de online veiligheid. Online kan niet off limits zijn. Al in
2020 vond 15% van alle pesterijen digitaal plaats en dat aandeel groeit.
Uit onderzoek van Pointer bleek dat op twee derde van de scholen
schokkende geweldsvideo's rondgaan. Afgelopen week sprak ik nog een
leerling van wie beelden waren bewerkt tot naaktfoto's, die zijn
rondgedeeld. Haar leven op school was verpest, maar de politie zei het
niet te kunnen oppakken. Met de opkomst van AI wordt dat alleen nog maar
erger. Leerlingen zijn ook nooit meer helemaal weg uit hun
schoolomgeving. Als ze naar huis gaan, gaat het pesten online gewoon
door.
Dat zien we ook terug in de schoolsluitingen van de afgelopen jaren. In
Amsterdam werden twintig scholen bedreigd via Snapchat. In Beverwijk en
Heemskerk circuleren mishandelingsvideo's op TikTok. Ik miste in dit
wetsvoorstel de expliciete aandacht voor online misbruik en de
combinatie van online en offline pesten. Daarom heb ik een amendement
ingediend samen met de heer Kisteman om de wet expliciet van toepassing
te laten zijn op de digitale omgeving van leerlingen. Ik hoop op brede
steun uit de Kamer, want hier is helemaal nog geen aandacht voor in de
schoolveiligheidsplannen die er nu zijn of in de vorige wet. In het
jaartal waarin we nu leven, moet die aandacht er absoluut zijn.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe kijkt zij naar de groeiende
rol van online pesten en misbruik in relatie tot de wet? Wat doet het
ministerie concreet om scholen te ondersteunen bij het aanpakken van
onlineonveiligheid? Deze vragen liggen ook op het terrein van collega's,
maar het is heel belangrijk voor deze leerlingen. Hoe zorgen we dat de
politie en het OM sneller meldingen oppakken die worden gedaan ten
aanzien van onlineveiligheid? Hoe zorgen we dat als scholen met digitale
veiligheid te maken hebben, zij ondersteund worden in het goede gesprek
daarover, ook in de lessen die over digitale vaardigheid moeten worden
gegeven? En hoe zorgen we er met elkaar voor dat bijvoorbeeld platforms
worden aangesproken wanneer zij video's of beelden doorlaten die op
onlinemisbruik duiden?
Tot slot. Ik herhaal graag de oproep van Arnhem. Want inderdaad, "thuis
of in de kluis" lost ook nog niet alles op. Geef je kind zo laat
mogelijk een smartphone. Bij die van mij — ze zijn nu 2 en 6 — proberen
we daar heel lang mee te wachten; ik sluit me aan bij de oproep om dat
niet voor het bereiken van de leeftijd van 15 jaar te doen.
Ten derde: de veiligheid van leerlingen en leraren. Het voorbeeld uit
mijn inleiding vandaag staat helaas niet op zichzelf. Deze wet scherpt
de maatregelen voor leerlingen aan, maar het voelt raar om daarvoor wél
stappen te zetten en de onderwijsprofessionals buiten beeld te laten,
terwijl zij zich dagelijks in situaties begeven waarin ze meer
zichtbaarheid en steun van ons mogen verwachten. En ja, de veiligheid
van onderwijspersoneel valt onder de Arbeidsomstandighedenwet; daar wees
ook de Raad van State terecht op. De veiligheidsmonitor voor leraren is
nu uit dit wetsvoorstel gehaald, maar niet ergens anders teruggekomen.
Hoe zorgen we dan wel dat de veiligheid van leraren wordt vergroot? Wat
gebeurt er op dat gebied? Dat is mijn vraag aan de staatssecretaris. Als
scholen een incident tussen leerlingen registreren maar een leraar daar
ook onderdeel van is, hoe moeten ze daar dan mee omgaan?
Daarnaast heb ik een paar andere amendementen ingediend om te zorgen dat
deze wet meer kan betekenen voor leerlingen om de veiligheid te
versterken. Samen met de heer Ceder heb ik een amendement ingediend om
verbale agressie onderdeel te laten zijn van de wet en om bij meldingen
aan te geven als een incident een discriminatoir karakter of oogmerk
heeft. Dat kan immers ook een strafverzwaringsgrond zijn.
Met de heer Ergin heb ik een amendement ingediend om het criterium
"stelselmatig" te schrappen waar het om discriminatie gaat. Ik ben ook
benieuwd naar de reactie daarop van de staatssecretaris, want er zijn
ook incidenten die discriminatie betreffen die ook volgens het
strafrecht bijvoorbeeld strafbaar zijn. Dan hoeft het niet stelselmatig
te zijn, dan zou het ook bij één keer al strafbaar zijn.
Voorzitter, tot slot. Een school moet een plek zijn waar elk kind zich
veilig voelt en elke leraar met vertrouwen voor de klas staat. We zien
dat gerichte maatregelen effect hebben. D66 wil daar vol op doorgaan.
Deze wet gaat een aantal zaken doen, maar wij willen dat het
daadwerkelijk de veiligheid vergroot. Daar is deze wet alleen niet
voldoende voor; daar is ook meer voor nodig op het gebied van preventie,
online en voor leraren. Ik zie dan ook uit naar de beantwoording van de
staatssecretaris.
De voorzitter:
Allereerst een interruptie van de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben het helemaal eens met de zorg van D66 over de onlineveiligheid en
dat we veel meer aandacht moeten hebben voor wat daar allemaal gebeurt.
Alleen, ten aanzien van deze wet zegt mevrouw Rooderkerk dat er nog veel
meer moet gebeuren. Maar de Raad van State en andere partijen zeggen:
deze focus op protocollen kan juist averechts werken. Ik ben wel
benieuwd hoe D66 die kritiek weegt.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank voor deze vraag. Dit is precies de afweging waar wij als Kamer nu
voor staan. Wij willen dat de veiligheid van leerlingen wordt vergroot.
Een op de tien geeft aan zich onveilig te voelen. We delen natuurlijk
dat we dat allemaal willen verbeteren, maar hoe doe je dat op een goede
manier? Over het algemeen denk ik dat wanneer je ergens mee aan de slag
gaat of beleid wilt maken, je ook goed zicht moet hebben op de
problemen. De vraag is of we dat nu helemaal hebben. Dus ik snap wel dat
de regering zegt: zorg voor een goede registratie van meldingen en een
evaluatie. Maar als D66 zijn wij ook altijd kritisch geweest op de
regeldruk en de administratielast die deze wet met zich meebrengt. Ook
zorgt de wet alleen wat mij betreft niet voor meer veiligheid, omdat het
dus ook moet gaan over de zaken die ik al noemde, preventie et cetera.
Ik wil de antwoorden daarop van de staatssecretaris dus afwachten. Ik
vind het vooral belangrijk dat wij ons in deze Kamer de komende jaren
met elkaar gaan inzetten voor de vergroting van de veiligheid, met
voorstellen die daaraan bijdragen. Ik heb mijn best gedaan om die toe te
voegen aan deze wet. Zeker ten aanzien van onlineveiligheid is het heel
belangrijk dat we dit gaan doen, omdat het nu nog helemaal niet in de
wet staat. Ik zie ernaar uit om daar met de andere partijen in de Kamer
over van gedachten te wisselen dan wel om daar samen voorstellen voor te
doen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Boomsma (JA21):
Ik snap de afweging die moet worden gemaakt tussen de regeldruk en meer
zicht krijgen op wat er gebeurt. In de kritieken die her en der zijn
gegeven, speelt alleen ook nog iets anders. Uit die regels komt namelijk
een dynamiek voort — het kost dus niet alleen geld en tijd — waardoor
het afleidt van de daadwerkelijke veiligheid, omdat je je meer gaat
bezighouden met protocollen en voldoen aan de regels dan met dat open
gesprek. Dat kan dus juist leiden tot verkramping. Hoe ziet D66 dat?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is natuurlijk de vraag. Ik zag ook weer verkramping de andere kant
op in het voorbeeld dat ik aanhaalde van wat ik op de school zag. Als je
namelijk gewend bent om er geen melding van te doen, omdat je misschien
bang bent dat het dan juist meer aandacht of een negatieve beeldvorming
krijgt, dan gebeurt er ook niks. We moeten er dus bij al dit soort zaken
met elkaar naartoe dat we een open cultuur, een veilige schoolcultuur,
hebben, zoals de Raad van State dat ook noemt, waarin je wel over dit
soort zaken het gesprek aangaat, het serieus neemt en het oppakt. De
vraag is inderdaad of alleen het registeren daarvoor zorgt. Ik denk het
niet. Je moet daar dan dus ook beleid op maken, bijvoorbeeld het goed
opleiden van vertrouwenspersonen en zorgen dat schoolleiders en leraren
er ook op toegerust zijn om met dit soort situaties om te gaan. Daar
vraagt het wat mij betreft wel om.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Rooderkerk heeft helemaal gelijk: D66 is altijd heel kritisch
geweest. Dat was ook al zo bij een voorgaande wet, de wet over de
registratie van incidenten, die hier heel erg op leek. Die kwam toen
voort uit het kabinet-Rutte I. Door het kabinet-Rutte II werd toen
gezegd dat die eigenlijk helemaal niet werkte. Nu hadden we het
Kabinet-Schoof. Dat is ook niet voor niks, want het komt eigenlijk
steeds vanuit dezelfde partij — laat ik het maar gewoon benoemen —
namelijk de PVV. Ik ben er een beetje verbaasd over dat mevrouw
Rooderkerk wel degelijk hele goede punten noemt als het gaat om de
onlineomgeving, maar eigenlijk niet echt kritisch lijkt op of deze wet
überhaupt wel gaat helpen. Ik wil dan toch terugverwijzen naar het
kabinet-Rutte II, toen we de wet ook gewoon van tafel hebben gehaald.
Zou dit kabinet er niet gewoon over na moeten denken om hem te
verbeteren? Deelt mevrouw Rooderkerk niet met mij de angst dat het
schijnveiligheid is als wij deze wet nu aannemen en dat we dan weer
jaren verder zijn voordat we weer tot echte schoolveiligheid gaan komen?
Waarom pakken we niet gewoon deze kans om nu met elkaar een betere wet
te maken?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Die angst deel ik. Ik ben er helemaal voor om met elkaar een betere wet
te maken. Als mevrouw Moorman zegt dat ze geen kritiek op de wet heeft
gehoord, dan zou ik toch mijn bijdrage gaan terugluisteren. Ik heb daar
heel veel vragen over gesteld aan de staatssecretaris, omdat ik vind dat
alleen registeren, melden et cetera niet voor de veiligheid zorgt. Daar
zijn veel meer maatregelen voor nodig. Ik ben van de partij van "het kan
wél". We kunnen nu weer zeggen dat we het niet gaan doen, maar wie weet
wanneer we dan weer een wet over de veiligheid op scholen kunnen
bespreken. Ik heb concrete voorstellen gedaan om de wet te verbeteren.
Mijn oproep aan mevrouw Moorman, maar ook de andere leden van de Kamer,
is om met elkaar te kijken hoe we hem kunnen verbeteren. Dat is in ieder
geval mijn inzet en hoe ik politiek bedrijf. Ik ben natuurlijk wel
kritisch over de wet zoals die nu voorligt. Ik wil dus ook de antwoorden
van de staatssecretaris afwachten.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dit is precies waar ik D66 toe uitnodig. Ik zou heel graag willen dat
wij inderdaad met een betere wet komen. De inschatting van
GroenLinks-PvdA is dat dat niet met een paar amendementen kan. Als ik nu
naar al die negentien amendement kijk, zie ik helaas niet hoe deze wet
daarmee fundamenteel wordt aangepast, zodat we het vooral gaan voorkomen
en het echt tot meer veiligheid gaat leiden. Ik neem dus heel graag de
handschoen van mevrouw Rooderkerk op om met elkaar te kijken hoe het
echt beter kan. Ik denk dat als deze wet wordt teruggenomen en we daar
nog hard aan gaan werken, we hier binnen een jaar weer met elkaar over
een betere wet kunnen praten. Zou D66 erover willen nadenken om deze wet
misschien of in te trekken of er niet mee in te stemmen, zodat we het
beter kunnen gaan doen met elkaar?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat vind ik dan te makkelijk. Ik heb geen voorstellen van mevrouw
Moorman of haar fractie gezien om de wet te verbeteren. Dan vraag ik:
wat mist mevrouw Moorman waarvan zij zegt dat het erin zou moeten
zitten? We zijn nu dat debat met elkaar aan het voeren. Ik heb daar nu
dus ook zelf voorstellen voor gedaan. Ik verwacht daarvan dan ook dat we
daar serieus op ingaan met elkaar en we niet alleen door de amendementen
bladeren en denken: dit is toch niet helemaal wat ik zoek. Dat is dus
echt mijn vraag: wat mist er dan nu?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Daar wil ik heel graag antwoord op geven: het hele preventieve deel. Het
is heel moeilijk om dat in een amendement te fietsen. Dat is precies
waarom we met elkaar het gesprek moeten voeren over hoe we tot een
betere wet komen. Alleen al het feit dat er nu al negentien amendementen
liggen, laat zien dat er gewoon nog heel veel niet goed is aan deze wet,
en dan zijn we nog niet eens bij het fundamentele punt van de preventie
aangekomen. Juist D66 heeft daar altijd een heel stevig punt van
gemaakt, ook de voorganger van mevrouw Rooderkerk, de heer Van Meenen,
heeft menigmaal hier gestaan om te wijzen op de grote regeldruk bij
scholen, om erop te wijzen dat die niet juist nog sterker moet zijn en
om te wijzen op juist het preventieve karakter. Ik zou het dus heel
jammer vinden als we deze kans gewoon niet met elkaar gaan benutten.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Volgens mij vinden wij elkaar dan helemaal, want ik heb er nu zelf juist
ook een groot punt van gemaakt dat de regeldruk hiermee vergroot wordt.
Ik heb er ook een groot punt van gemaakt dat de preventie daarbij vooral
ontbreekt. Ik heb ook concrete voorstellen gedaan, waarover ik ook
vragen heb gesteld aan de staatssecretaris en waarop ik antwoorden
verwacht, om dan ook die preventieve kant aan te pakken en te
verbeteren. Laten we daar dan dus verder het woord over voeren. Dat
lijkt mij een goede afspraak.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Kisteman, die spreekt namens de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ik heb er even over nagedacht of ik dit moet zeggen, maar ik
ga het toch doen. Afgelopen weekend is een zeer gewaardeerde collega van
ons, mevrouw Armut, in het huwelijksbootje gestapt en ik wou haar toch
even van harte feliciteren, want ik denk dat wij de laatste weken meer
tijd met haar hebben doorgebracht dan haar man, Westerink. Mijn
felicitaties hiervoor. Ik hoop — dat geldt voor heel veel van ons — dat
we af en toe het thuisfront iets meer mogen zien dan dat wij elkaar hier
zien. Felicitaties.
(Geroffel op bankjes)
De heer Kisteman (VVD):
Dan de Wet vrij en veilig onderwijs, voorzitter. Op school leren
kinderen de basisvaardigheden die ze later nodig hebben om mee te doen
in de samenleving. Minstens zo belangrijk: op school leren kinderen ook
hoe we in Nederland met elkaar omgaan. Juist daarom raakt het mij dat
leerlingen steeds vaker al op jonge leeftijd in aanraking komen met de
ruwe handen van de samenleving. We zien meer pesterijen, meer
discriminatie, intimidatie of zelfs bedreigingen. Leerlingen worden soms
online opgejaagd door hun leeftijdsgenoten en voelen zich niet welkom op
school. We zien ook een toename van geweld en mishandeling. Sommige
leerlingen nemen zelfs wapens mee naar school; het is al vaker gezegd.
Voor de VVD-fractie staat één ding voorop, namelijk dat de school veilig
moet zijn. Het moet een plek zijn waar leerlingen zich kunnen
ontwikkelen, waar ouders hun kinderen met een gerust hart naartoe kunnen
sturen en waar leraren les kunnen geven zonder angst voor geweld of
bedreiging.
Ik ben daarom blij dat we vandaag stilstaan bij deze wet en, breder, bij
veiligheid op school. De VVD steunt deze wet. We moeten beter zicht
krijgen op de veiligheid op school en sneller kunnen ingrijpen als die
veiligheid onder druk staat. Deze wetgeving regelt vooral dat scholen
meer kunnen en moeten registreren, melden, monitoren en evalueren. Dat
is nuttig, maar mijn fractie vraagt zich af hoe dit concreet een
schoolleider helpt die bijvoorbeeld morgen wordt geconfronteerd met een
ernstig geweldsincident of met een leerling die een mes op zak heeft.
Kan de staatssecretaris aangeven hoe scholen concreet worden ondersteund
bij de aanpak van wapenbezit en ernstige geweldsincidenten? Bestaat er
bijvoorbeeld een landelijk handelingskader voor de signalering en aanpak
van wapenbezit op scholen? Geven onderwijsorganisaties en -instellingen
in hun gesprekken met de staatssecretaris aan over voldoende
bevoegdheden te beschikken? Ik overweeg op dit punt een motie.
Dan naar de wet zelf. Als ik alle reacties uit het veld hoor, dan brengt
dit mij wel in een spagaat, want volgens het veld gaat dit voor enorm
veel regeldruk zorgen en als ik ergens gevoelig voor ben, is het wel
daarvoor. Maar aan de andere kant zijn de reacties dat scholen dit
gewoon behoren te doen, dat ze dit al doen en dat dit niet voor extra
regels zorgt. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Is deze wet nu wel
of niet een papieren werkelijkheid? Doen scholen dit al wel of niet? Hoe
werkt het in de praktijk als er een pedagogisch gesprek gevoerd wordt
tussen leerkracht en leerling, maar de leerling weet dat het wordt
geregistreerd? Is het gesprek dan nog van toegevoegde waarde? Kan de
staatssecretaris toezeggen dat zij er alles aan wil doen om de extra
regeldruk zo veel mogelijk te voorkomen? Maar dan vraag ik me dus
daarvoor wel af of dit tot extra regeldruk gaat leiden of dat het
meevalt voor scholen die dit dus misschien al doen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een verhelderende vraag. Ik ken de VVD inderdaad als een partij
die altijd heel erg strijdt tegen regeldruk. We zien dat deze wet de
regeldruk kan verhogen en de heer Kisteman heeft daar terecht vragen
over gesteld. Nou heeft de VVD eerder, over een eerdere versie van deze
wet, in 2012, gezegd: dit gaan we niet doen, want het is een papieren
tijger en leidt tot niets. Wat is er in het denken van de VVD veranderd
waardoor het nu ineens wel kan. Ik hoor de heer Kisteman al zeggen dat
de VVD dit steunt, dus eigenlijk heeft de heer Kisteman zijn geest al
opgemaakt. Wat is er in de tussentijd veranderd waardoor de wet nu
ineens wel gesteund kan worden?
De heer Kisteman (VVD):
Dat is een terechte vraag. Nu we hiermee bezig zijn geweest, zien we dat
heel veel incidenten gewoon niet worden gemeld en dat scholen incidenten
voor zich houden vanuit de gedachte: als we heel veel negatieve
beoordelingen krijgen, heeft dat invloed op hoe mensen naar onze school
kijken. Sommige incidenten worden wel gemeld, door andere scholen.
Eigenlijk zeggen we dat als we echt een goed beeld willen krijgen van
scholen waar kinderen veilig naartoe kunnen en waar leraren zich veilig
voelen, we een goed beeld moeten hebben van de incidenten die daar
plaatsvinden en die gewoon beter geregistreerd moeten worden.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ziet de heer Kisteman — dat heeft de VVD namelijk in het verleden wel
erkend — dat er misschien een heel pervers effect van uit kan gaan? Denk
aan een vechtpartij die nét buiten het hek van de school plaatsvindt,
maar wel in de pauze. Vindt de heer Kisteman dat een school zich daar
dan wel of niet mee bezig moet houden? Met het oog op de registratie zal
de school namelijk liever niets doen met zo'n incident.
De heer Kisteman (VVD):
Dat is een hele lastige. Het geldt online ook: wanneer moeten we iets
wat op school is begonnen en vervolgens buiten school plaatsvindt, de
school aanrekenen? Als pesten of andere incidenten buiten het
schoolplein plaatsvinden, moeten we dat de school dan aanrekenen of
niet? Nou, dit gaat vooral om het melden van incidenten. Wij vinden het
belangrijk om dat te doen op die manier, maar het blijft altijd schuren
met dit soort dingen, ook online. Wanneer is de school verantwoordelijk
en wanneer niet?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit een fijn debat, omdat we onze gedachtes hierover kunnen
uitwisselen op een hele rustige manier. Ik vind het ook fijn dat de heer
Kisteman hier heel goed op ingaat, maar is de heer Kisteman het ook niet
met mij eens dat scholen het liefst wél verantwoordelijkheid moeten
nemen op het moment dat ze iets kunnen voorkomen? Bij zo'n vechtpartij
net buiten het hek van de school is het prettig als de school daar iets
mee gaat doen. Is de heer Kisteman het niet met mij eens dat juist zo'n
registratie ertoe zou kunnen leiden dat de school zich daar liever aan
onttrekt?
De heer Kisteman (VVD):
Ik vind dit een terechte vraag. Ten eerste denk ik dat scholen deze
verantwoordelijkheid nemen. Ze zullen niet op een afstandje blijven
kijken als er buiten het schoolplein iets gebeurt, van: die vechtpartij
vindt daar plaats dus daar gaan we nu niet op ingrijpen. Ik denk dat we
erover moeten nadenken hoe we hiermee omgaan als ze het wel gaan
registreren. Hoe valt zo'n beoordeling dan? Gaat de onderwijsinspectie
daar dan heel zwaar aan tillen, of zegt die: je hebt je
verantwoordelijkheid genomen hoewel het buiten het schoolplein heeft
plaatsgevonden? Ik denk dat we daar heel goed naar moeten kijken, ook om
te voorkomen dat dit een soort papieren werkelijkheid gaat worden en de
praktijk vervolgens anders gaat uitpakken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
We kennen de VVD natuurlijk als een partij die strijdt tegen regeldruk.
Nu heeft de Algemene Rekenkamer onlangs geadviseerd om, hoe belangrijk
de doelen van een wet ook kunnen zijn, bij het opwerpen van nieuwe
regels ook te zeggen welke taken er dan minder prioriteit krijgen. Mijn
concrete vraag is dus welke regel de VVD voorstelt om in ruil hiervoor
níét te doen?
De heer Kisteman (VVD):
Dat is een hele goeie. Ik kan me nog herinneren dat ik deze interruptie
ooit bij mevrouw Rooderkerk heb gepleegd. Complimenten dus voor deze
zeer goeie interruptie! De vraag is natuurlijk, of deze wet voor extra
regels gaat zorgen. Die vraag stel ik nu aan de staatssecretaris. Wij
krijgen signalen uit het veld dat sommige scholen en
onderwijsinstellingen dit al doen en dat het helemaal niet voor extra
regels zorgt. De vraag vooraf is dus even: gaat deze wet überhaupt voor
extra regels zorgen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik kan mij herinneren dat ik daar toen wel een antwoord op had. Er zijn
natuurlijk scholen die het al wel goed doen, maar er zijn ook scholen
die het nog niet goed doen. Daarbij krijgt natuurlijk elke school ook
wel extra verplichtingen. Het melden is maar één deel ervan. Er moeten
ook nog evaluaties gemaakt worden. Er moet extra melding gemaakt worden
van seksuele intimidatie. Nou ja, er zitten verschillende uitbreidingen
in. Ik denk dat het dus toch goed is om na te denken — dat hoeft niet
per se nu; dat kan misschien ook daarna — over welke zaken scholen dan
minder hoeven te doen. Dat is misschien ook een vraag aan de
staatssecretaris. Anders zijn we namelijk weer alleen maar aan het
stapelen.
De heer Kisteman (VVD):
Volledig mee eens. Verderop in mijn spreektekst kom ik daar ook zeker op
terug, want er worden een aantal personen toegevoegd. Dan ga ik ook aan
de staatssecretaris vragen: "Kunnen we bepaalde functies misschien
samenvoegen of zijn bepaalde functies niet meer nodig? Wat gaan we
bijvoorbeeld doen met kleine scholen in kleine plattelandsgebieden? Hoe
werkt het daar uit?" Ik ben het dus zeker eens met het idee om te kijken
waar we wat dingen kunnen laten.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Tot slot dan. "Kijken waar we wat kunnen laten." Dat kan, maar het is
wel gewoon een serieus en terecht punt van scholen. Ik hoor de heer
Kisteman zeggen dat hij niet weet of dit nou veel regeldruk toevoegt
voor scholen. Op basis van wat ik hoor van de scholen die ik spreek,
durf ik wel te zeggen: dat doet het wel. Als we dat doen, wil ik dus ook
echt een goede onderbouwing van wat scholen dan minder kunnen doen.
De heer Kisteman (VVD):
Zeker, eens. De scholen die ik heb gesproken, die vorige week bij mij op
de lijn kwamen, zeiden: dit doen we al; dit gaat niet voor extra
regeldruk zorgen. Misschien moeten we een keer samen op werkbezoek gaan
of samen naar dezelfde scholen gaan. De vraag is: ga je de adviezen van
de raden volgen of ga je in gesprek met scholen zelf, ga je daar je
informatie ophalen en ga je op basis daarvan dit debat voorbereiden? Ik
heb met directeuren en schoolleiders gesproken. Die zeggen: het is
gewoon doodnormaal dat we dit doen en dit gaat niet voor extra regels
zorgen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het interessante aan de heer Kisteman vind ik altijd dat hij naast
woordvoerder Onderwijs ook woordvoerder Ondernemerschap is. Dan pleit
hij continu voor minder regels, maar elke keer wanneer wij tegenover
elkaar staan, is het juist omdat ik vind dat er misschien wel te veel
regels worden doorgevoerd in het onderwijs, onder aanvoering van de heer
Kisteman. Maar goed, daar hebben mijn collega's al wat over
gezegd.
In het coalitieakkoord staat dat deze wet, of in ieder geval iets wat
hierop lijkt, is afgesproken. Kan ik dan concluderen dat de partij van
de heer Kisteman, en ook de andere partijen, hier sowieso mee instemmen
of is er bij u nog bewegingsruimte? U heeft de kritiek gehoord. Ik denk
dat er nog andere partijen, van links tot rechts, zullen volgen die zich
oprecht afvragen of dit nu een goede stap vooruit is en of dit op dit
moment echt een goede besteding is van die 60 miljoen euro. Mijn vraag
is of die mentale ruimte er nog is bij de heer Kisteman, ook gezien wat
er in het coalitieakkoord is afgesproken, en of dat ook geldt voor de
andere coalitiepartijen.
De heer Kisteman (VVD):
Die laatste vraag zult u aan mijn collega's zelf moeten stellen. Even
over die regels, want dat is natuurlijk wel interessant. Bij het
ministerie van Onderwijs zijn nog maar vier regels vereenvoudigd of in
beeld gebracht om te gaan vereenvoudigen. Ook daar blijven we ons dus
voor inzetten. Ik ben ook zeker kritisch over wat hier nu ligt, want als
het wel tot meer regels gaat leiden, is dat volgens mij niet wat wij in
het kabinet voor ogen hebben. Zijn wij nu al getrouwd met deze wet? Dat
is volgens mij de vraag van de heer Ceder. We vinden het belangrijk dat
er geregistreerd gaat worden. We vinden het belangrijk dat we weten wat
er op scholen speelt en dat we daar een duidelijk beeld van krijgen.
Stel nu dat deze wet het niet haalt en er over een maand of twee een
incident plaatsvindt. Dan staat iedereen hier op dinsdag vooraan bij de
microfoon om een debat aan te vragen, omdat het een schande is dat we
niet wisten dat dit speelde in het onderwijs. Ik weet niet of dit al het
geweld op scholen gaat oplossen. Gaat het voor veiligere scholen zorgen?
Dat weet ik ook niet, maar het kan er wel aan bijdragen dat we een beter
beeld krijgen van wat er op scholen speelt. Als de Kamer besluit om deze
wet niet aan te nemen, maar er binnen nu en een paar maanden wel iets
gebeurt, dan ben ik heel benieuwd wie hier allemaal vooraan bij de
microfoon staan om daar schande van te spreken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit is een beetje tegenstrijdig. De heer Kisteman zegt dat hij de
scholen heeft gesproken en de raden gepasseerd heeft. Die scholen
verzekeren hem ervan dat heel veel scholen dit al doen. Dan zou dit in
de praktijk dus niet heel veel verschil maken, want dan is die
beschermingslaag er al. Maar goed, los daarvan: het is goed om dit te
weten. Ik zal dit natuurlijk ook straks aan de collega's vragen, omdat
ik me even afvraag of we al voor een voldongen feit staan of dat de
opmerkingen die links en rechts gemaakt worden misschien ook tot
nadenken aanzetten, met als doel dat we hier vervolgens gewoon het beste
beleid door de Tweede en Eerste Kamer heen krijgen.
De heer Kisteman (VVD):
Wij maken deel uit van een minderheidskabinet, dus wij zullen sowieso
naar alle opmerkingen uit de oppositie luisteren om tot een gedegen
besluit te komen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Als deze wet wordt aangenomen, zijn scholen verplicht om een
interne en externe vertrouwenspersoon en een veiligheidscoördinator te
hebben. Scholen hebben ook al een antipestcoördinator,
preventiemedewerkers, vertrouwenspersonen, brugfunctionarissen en ga zo
maar door. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe zij hierin
samenhang weet aan te brengen. Ziet zij mogelijkheden om meer samenhang
aan te brengen in al deze functies die er zijn en erbij komen? Kunnen er
nu ook functies verdwijnen of worden samengevoegd? Mevrouw Rooderkerk
vroeg hier al naar. Als scholen de drie nieuwe functies straks hebben
ingevuld, aan welke kwaliteitseisen moeten deze dan voldoen? Worden die
eisen ook bekendgemaakt? Wie gaat controleren of zij daar ook
daadwerkelijk aan voldoen? Zijn er ook mogelijkheden voor kleinere
scholen in dunbevolkte gebieden om bepaalde personen meerdere functies
te laten uitvoeren, en zo ja, welke dan? Krijgt het onderwijsveld hier
ook duidelijkheid over, zodat het weet waar het aan toe is?
Voorzitter. Met de invoering van deze wet is het de bedoeling dat
scholen jaarlijks onderzoek gaan doen onder de leerlingen naar hun
veiligheidsbeleving. De vraag is hoe dit in de praktijk in zijn werk
gaat. Moeten leraren alle leerlingen dan een invullijstje geven? Gebeurt
dit klassikaal? Is elke leerling dan wel zo vrij om echt te delen wat
hij van de veiligheid op zijn school vindt? Hoe gaat dit in de praktijk?
Hoe wordt er bij leerlingen zo'n comfort gecreëerd, zodat ze eerlijk
durven te zijn over hun veiligheidsbeleving? Wat gebeurt er als een
leerling zich niet veilig voelt, maar de school dat niet erkent of dit
niet ziet als een veiligheidsincident?
Incidenten die leiden tot ernstige psychische of sociale schade moeten
direct gemeld worden bij de inspectie. In de memorie van toelichting
wordt hiervan een voorbeeld gegeven: een kind kwam uit voor zijn
geaardheid, maar was totaal niet veilig. Waar ligt voor de
staatssecretaris hierbij de grens? Mogen scholen leerlingen uitsluiten
of discrimineren op basis van levensbeschouwing of seksuele voorkeur,
omdat dit onder de vrijheid van onderwijs valt? Geeft dit artikel uit de
Grondwet hun hiervoor een vrijbrief? Wat verwacht de staatssecretaris
van deze scholen als deze wet wordt aangenomen? Hoe gaat zij hierop
toezien, en wat zijn de consequenties als scholen zich niet aan deze wet
houden?
Tot slot, voorzitter. Ik zou graag van de staatssecretaris willen weten
of het onderwijs ook een rol moet krijgen binnen de veiligheidsregio's.
Dagelijks gaan 2,4 miljoen kinderen naar school. Nu de veiligheid in
Nederland steeds meer aandacht krijgt, zou het dan niet logisch zijn dat
het onderwijsveld af en toe aanschuift bij bepaalde onderwerpen die
binnen de veiligheidsregio spelen? Kan de staatssecretaris aangeven hoe
zij hiernaar kijkt? Ziet zij mogelijkheden om scholen beter te laten
aansluiten op bestaande veiligheidsstructuren, zodat kennis over
veiligheidsdreigingen en crisisbeheersing sneller gedeeld wordt?
Daar wil ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee bent u de eerste die ons helpt de tijd een beetje in te lopen.
Veel dank daarvoor.
De heer Ergin (DENK):
De heer Kisteman heeft net in zijn bijdrage een aantal keren gezegd: we
moeten een beter beeld krijgen van wat er op scholen gebeurt.
Tegelijkertijd zie ik de naam van de VVD, van de heer Kisteman, onder
een amendement staan dat zegt dat discriminatie al wordt gemeld als die
stelselmatig plaatsvindt, maar dat we een aparte categorie moeten maken
voor antisemitisme. Ik zou aan de heer Kisteman willen vragen waarom er
specifiek een aparte categorie moet komen voor antisemitisme en waarom
we dat niet gaan doen voor alle vormen van discriminatie, aangezien de
VVD die beter in beeld wil krijgen.
De heer Kisteman (VVD):
Wij vinden dit een belangrijk onderdeel. Het kabinet is al bezig om
antisemitisme beter in beeld te krijgen en hier meer grip op te krijgen.
Wij vinden het belangrijk om dit in deze wet te amenderen.
De heer Ergin (DENK):
DENK vindt het ook belangrijk om antisemitisme aan te pakken. Maar als
we kijken naar het aantal ADV-meldingen, dan zien we dat herkomst op
nummer één staat. Daarna komt geslacht, daarna seksuele gerichtheid,
daarna handicap, daarna godsdienst, daarna een categorie overig, daarna
leeftijd en pas daarna antisemitisme. Mijn vraag aan de VVD is: waarom
worden alle andere gronden van discriminatie overgeslagen en wordt
antisemitisme — terecht — alleen als specifieke categorie genoemd? Dat
is toch raar?
De heer Kisteman (VVD):
Wij sluiten alle vormen van discriminatie uiteraard uit, maar wij vinden
dit gewoon belangrijk. Het is in lijn met waar het kabinet nu mee bezig
is. Er zijn steeds meer incidenten en wij vinden het belangrijk om dit
als apart onderdeel hierin op te nemen.
De heer Ergin (DENK):
Wij vinden het allebei belangrijk om antisemitisme en alle andere vormen
van discriminatie aan te pakken, maar de vraag is waarom dan alleen die
ene specifieke discriminatiegrond, namelijk antisemitisme, apart
geregistreerd moet worden. Het zou toch veel beter zijn om te zeggen: we
zijn tegen alle vormen van discriminatie, dus dan zijn we ook voor het
registreren van alle vormen van discriminatie? Als de VVD zegt tegen
alle vormen van discriminatie te zijn, maar "ho!" zegt als het gaat om
de vraag om dat dan ook te registreren, dan kan ik niks anders dan de
conclusie trekken dat de VVD kennelijk bijvoorbeeld moslimhaat of
discriminatie op basis van seksuele gerichtheid gewoon niet belangrijk
genoeg vindt.
De heer Kisteman (VVD):
Het is voor ons niet zo dat iets minder belangrijk is dan andere dingen.
Alleen vinden wij deze gewoon dusdanig belangrijk dat we het op deze
manier in de wet proberen te amenderen. Dat is waarom wij deze erbij
zetten. Maar wij hebben daar geen rangschikking in.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. De volgende spreker van de zijde van de
Kamer is mevrouw Armut, die spreekt namens het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Dank ook voor de felicitaties.
Voorzitter. Ieder kind moet veilig naar school kunnen: om te leren, om
fouten te maken, om vragen te stellen en om zichzelf te zijn. En iedere
leraar moet veilig voor de klas kunnen staan, zonder intimidatie,
bedreiging of het gevoel er alleen voor te staan als er iets
misgaat.
Voor het CDA raakt dit voorstel daarom aan iets fundamenteels. Onderwijs
is meer dan kennisoverdracht. Een school is namelijk ook een
gemeenschap, een plek waar kinderen leren samenleven, waar grenzen
worden gesteld, waar vertrouwen groeit en waar volwassenen
verantwoordelijkheid dragen voor een veilig pedagogisch klimaat. Scholen
moeten weten wat er speelt. Leerlingen, ouders en personeel moeten weten
waar zij terechtkunnen. Meldingen moeten serieus worden opgepakt en
klachten moeten zorgvuldig worden behandeld.
Tegelijk geldt: veiligheid ontstaat niet door registratie alleen en een
protocol verandert nog geen cultuur. Met andere woorden, is dit
wetsvoorstel proportioneel? Is deze overheidsinterventie
gerechtvaardigd? Zal deze wet tot effectief veiligheidsbeleid leiden? De
kernvraag is dus niet alleen of scholen straks aan de wettelijke
verplichtingen voldoen, maar vooral of leerlingen, ouders en leraren in
de praktijk merken dat de school veiliger wordt.
Voorzitter. Een veilige school voor leerlingen kan niet bestaan zonder
veilige leraren. In antwoorden op vragen van mijn fractie over agressie
door ouders richting leraren en ook uit onderzoek blijkt dat
grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren toeneemt. Een
school moet voor medewerkers een veilige plek zijn. Tegelijkertijd laten
cijfers uit de landelijke Veiligheidsmonitor zien dat dit geen
randverschijnsel is. 17% van het personeel in het primair onderwijs en
28% van het personeel in het voortgezet onderwijs wordt maandelijks of
soms nog vaker geconfronteerd met een incident. In iets minder dan 20%
van de gevallen is de dader een familielid van een leerling. Dat zijn
forse cijfers.
Natuurlijk moeten scholen investeren in een goede relatie met ouders.
Ouders kunnen hun zorgen uiten en soms zijn ouders boos, verdrietig of
machteloos. Daar moet een school dan professioneel mee omgaan. Maar
zorgen of boosheid zijn nooit een vrijbrief om leraren uit te schelden,
te bedreigen, te intimideren of fysiek te benaderen. Het CDA wil
voorkomen dat de individuele leraar zelf voor de-escalatie,
verslaglegging, opvolging en het moeilijke gesprek met een agressieve
ouder zorg moet dragen. Juist in zulke situaties moet de schoolleiding
zichtbaar achter het personeel gaan staan.
In dat verband heeft mijn fractie drie vragen. Worden incidenten met
ouders richting personeel expliciet meegenomen in de registratie en
jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid? Worden schoolleiders
ondersteund met duidelijke handelingsperspectieven voor situaties waarin
ouders grenzen overschrijden? Is er in de training en bijscholing van
docenten, schoolleiders en ook op de lerarenopleidingen voldoende
aandacht voor de omgang met ouders in conflictsituaties?
Daarbij vraag ik ook aandacht voor de klachtenprocedures, zoals ik ook
al eerder heb gedaan. Zorgvuldige klachtenbehandeling is namelijk
belangrijk. Ouders moeten ergens terechtkunnen als er iets misgaat.
Tegelijkertijd horen we signalen dat klachtenprocedures veel tijd en
energie vragen van scholen en leraren, en dat die soms worden ingezet op
een manier die de verhouding tussen ouder en school verder onder druk
zet. Hoe kijkt de staatssecretaris naar die spanning? Hoe voorkomen we
dat een klachtenprocedure nodig is terwijl een tijdig en zorgvuldig
gesprek eerder had kunnen helpen?
Voorzitter. De waarde van preventie krijgt in dit wetsvoorstel nog te
weinig nadruk. Dat is ook al eerder benoemd vanavond. De focus komt
vooral te liggen op administreren, melden en controleren. Dat kan ook
nodig zijn, maar scholen hebben bij ernstige incidenten in de praktijk
juist vooral behoefte aan betere ondersteuning. Hoe kunnen we nu een
goede preventieve structuur opzetten? Voorkomen is immers beter dan
genezen.
Voorzitter. De regering wijst erop dat veel scholen de structuren die
dit wetsvoorstel verplicht, al hebben. Zo heeft 97% van de p.o.-scholen
en 93% van de vo-scholen al een incidentenregistratie. Ook is 94% van de
scholen aangesloten bij een landelijke klachtencommissie en beschikt een
groot deel van de scholen al over een interne en een externe
vertrouwenspersoon. Dat laat zien dat heel veel scholen hun
verantwoordelijkheid al nemen.
Maar het bestaan van een structuur betekent nog niet dat die in de
praktijk werkt. Uit antwoorden op eerdere vragen van mijn fractie blijkt
dat het huidige meld- en opvolgingssysteem rond seksueel
grensoverschrijdend gedrag nog onvoldoende functioneert. Dat bleek ook
uit een onderzoek van NOS Stories. Veel leerlingen die seksueel
grensoverschrijdend gedrag meemaken, melden dat nog steeds niet. In het
primair onderwijs deed 20% van de leerlingen die dit ervoeren geen
melding. In het voortgezet onderwijs was dat 38%. Van de leerlingen in
het voortgezet onderwijs die wel een melding deden, gaf 61% aan dat daar
niets mee was gedaan. Dat zijn cijfers die ons allemaal moeten raken.
Een leerling die na een melding niets terugziet of terughoort, leert:
melden werkt niet. Dan wordt een meldroute een papieren route.
Voorzitter. We moeten dus niet alleen regelen dat er structuren zijn,
maar er ook voor zorgen dat die werken wanneer leerlingen, ouders en
leraren die nodig hebben. De centrale vraag voor het CDA is hoe deze wet
in de praktijk leidt tot meer veiligheid, meer vertrouwen en betere
opvolging van meldingen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik was mijn hersens net een beetje aan het pijnigen. Ik zal het aan het
CDA voorleggen, want anders zal ik het in mijn eigen spreektekst moeten
doen. Dan gaat het van mijn tijd af. Wat mij opvalt …
De voorzitter:
U heeft onbeperkte spreektijd bij een wet.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nou, zo weinig wil ik ook niet doen. Wat me nu opvalt, is het volgende.
Ik heb dat ook in mijn eigen spreektekst staan. Ik hoor de anderen en
het CDA dingen benoemen waarbij ik denk: waar zijn we in terechtgekomen?
We hebben het over scholen. Het lijkt wel alsof we aan het praten zijn
over opvoedingsgestichten, waar eigenlijk alles misgaat. Dat is niet
overal zo, maar het klinkt alsof we echt een enorm probleem hebben. Ik
denk ook dat dat zo is. Mijn vraag is: wat is de reflectie op waarom dit
zo is ontstaan?
Mevrouw Armut (CDA):
Dat vind ik een hele goede vraag. Ik snap ook zeker dat de heer Claassen
daar aandacht voor wil vragen in zijn eigen inbreng, want ik vraag me
dat ook weleens af. Ik denk dat we zien dat we in een maatschappij leven
waarin we steeds verder verharden en waarin kinderen met steeds meer
uitdagingen te maken krijgen. Logischerwijs belanden die ook op de
scholen. Dan blijft het een hele lastige balans. Voor wie is
uiteindelijk de verantwoordelijkheid om het op te lossen? Kinderen zijn
een heel groot deel van hun dag op school. Het is dus ook logisch dat je
van een school een bepaalde verantwoordelijkheid vraagt, maar het zit
niet alleen bij school. Het heeft inderdaad ook met opvoeding te maken.
Het heeft met nog veel meer dingen te maken, dus ik snap die vraag van
de heer Claassen wel. Ik weet niet of hij van mij nu een antwoord
verwacht waarmee ik het meteen oplos — ik wou dat ik dat had — maar ik
deel in ieder geval de zorg.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nee, integendeel, ik had geen antwoord verwacht. Ik heb het antwoord
namelijk ook niet. Volgens mij heeft hier niemand het antwoord. Het is
heel raar dat we een debat voeren over een nieuwe wet die dan dingen zou
moeten oplossen, terwijl we met elkaar helemaal niet eensgezind zijn
over wat hier nu precies de reden achter is. U noemt enkele dingen op.
Andere partijen zullen weer andere dingen opnoemen of dat weerleggen,
dus gaan we het wel oplossen met deze wet als we eigenlijk helemaal niet
weten wat de oorzaken zijn?
Mevrouw Armut (CDA):
Gaan we het oplossen met deze wet? Daarop is het antwoord in ieder geval
nee, want we gaan sowieso problemen niet zomaar oplossen met een wet;
was het maar waar. Maar het kan wel helpen. Het kan wel helpen richting
een oplossing van een heel klein deel, maar de heer Claassen heeft
helemaal gelijk: het heeft met opvoeding te maken en het heeft ermee te
maken in welke wijk een kind opgroeit. Met wat voor problemen krijgt het
te maken? Misschien krijgt het te maken met zorg; noem het allemaal maar
op. Dat heeft met zoveel meer te maken dan alleen met school. Dus
nogmaals, ik snap het.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Tot slot.
De voorzitter:
Dat mag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb een heleboel dingen gehoord waar het mee te maken zou kunnen
hebben. Ik heb één woord niet gehoord: cultuur. Kunt u daar nog iets
over zeggen?
Mevrouw Armut (CDA):
"Cultuur" is zo'n groot woord. Misschien kan de heer Claassen toelichten
wat hij daar specifiek mee bedoelt.
De voorzitter:
Neenee.
Mevrouw Armut (CDA):
Laat ik dan iets zeggen …
De voorzitter:
Nee, dat mag niet, want hij heeft al drie vragen gesteld.
Mevrouw Armut (CDA):
Excuus. Ik ga wel heel goed luisteren naar wat de heer Claassen daar
zelf over gaat zeggen.
De voorzitter:
O, nou, dat vinden we heel spannend. U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik snap het. Het laat wel zien hoe ingewikkeld het is.
Voorzitter. We moeten dus niet alleen regelen dat er structuren zijn,
maar er ook voor zorgen dat die werken wanneer leerlingen, ouders en
leraren die nodig hebben. Dat had ik al gezegd. Ik ga verder.
Het kabinet erkent dat leerlingen en studenten zich niet altijd bewust
zijn van de grens tussen geaccepteerd gedrag en grensoverschrijdend
gedrag. Ook erkent het kabinet dat scholen soms terughoudend zijn om in
overleg te treden met de vertrouwensinspecteur. Juist daarom steunt het
CDA de uitbreiding van de meld- en overlegplicht naar seksuele
intimidatie en naar meerderjarige leerlingen en studenten. Een signaal
mag niet blijven hangen bij één mentor of docent, of bij de
leidinggevende. Er moet tijdig overleg plaatsvinden met de
vertrouwensinspecteur, zodat zorgvuldig kan worden gewogen wat er aan de
hand is en welke vervolgstappen nodig zijn. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is hoe zij voorkomt dat scholen in de praktijk toch
eerst zelf gaan beoordelen of een signaal ernstig genoeg is. De
bedoeling van de wet is volgens mij juist dat de vertrouwensinspectie
eerder betrokken wordt. Hoe wordt dat in de implementatie helder gemaakt
voor schoolleiders, bestuurders en personeel?
Daarnaast vraagt mijn fractie of scholen niet alleen ondersteuning
krijgen bij juridische verplichtingen, maar ook een praktisch
handelingskader voor de opvolging van meldingen. Voor leerlingen, ouders
en personeel moet duidelijk zijn wat er na een melding gebeurt, wie
verantwoordelijk is voor de opvolging, welke ondersteuning beschikbaar
is en wanneer en op welke manier er wordt teruggekoppeld.
Voorzitter. Ik zou ook graag willen stilstaan bij meerderjarige
leerlingen en studenten. De aangifteplicht is niet uitgebreid naar
meerderjarigen, omdat de autonomie van meerderjarige slachtoffers zwaar
moet wegen. Dat is mede in het licht van het advies van de Raad van
State een begrijpelijke keuze. Een meerderjarige moet zelf kunnen
afwegen of hij of zij aangifte wil doen, maar autonomie mag nooit
betekenen: zoek het zelf maar uit. Ook meerderjarige slachtoffers
verdienen informatie, ondersteuning en hulp. Juist als de wet geen
aangifteplicht oplegt, moet de begeleiding daaromheen stevig zijn. Kan
de staatssecretaris toelichten hoe wordt geborgd dat meerderjarige
leerlingen en studenten na een melding actief worden geïnformeerd over
hun mogelijkheden? Denk aan zelf of samen met de school aangifte doen,
contact opnemen met het Centrum Seksueel Geweld of ondersteuning door
een vertrouwenspersoon. Waar wordt vastgelegd wie deze begeleiding biedt
en welke minimale informatie iemand in ieder geval krijgt?
Voorzitter. De beoogde inwerkingtreding is verschoven naar 1 augustus
2027. Dat vindt mijn fractie verstandig. Scholen hebben tijd nodig om
deze wet zorgvuldig in te voeren, maar die extra tijd moet wel goed
worden benut. Daarom vraag ik de staatssecretaris wat er voor de
inwerkingtreding wordt gedaan om scholen hierbij te ondersteunen. Het
gaat niet alleen om uitleg van de wet, maar ook om praktische
ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van handreikingen,
voorbeeldprocedures en voorbeeldcommunicatie richting leerlingen en
ouders.
De opdracht die het CDA aan de staatssecretaris meegeeft, is helder.
Deze wet mag niet leiden tot veel administratie zonder een veiligere
schoolcultuur. De wet moet in de praktijk scholen helpen om het goede
gesprek te voeren, eerder te handelen en beter te weten wat er misgaat.
Het CDA wil dat deze vraag centraal staat bij de evaluatie van deze
wet.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Een vraag van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Mevrouw Armut is al bij de evaluatie van de wet over een paar jaar, maar
ik ben nog bij de registratie. In de wet staat heel duidelijk dat
discriminatie alleen wordt geregistreerd als containerbegrip, waarbij er
niet wordt gekeken naar de gronden, dus op basis waarvan iemand wordt
gediscrimineerd. Vindt het CDA het belangrijk om juist ook goed zicht te
krijgen op wat er op scholen gebeurt en om met het wetsvoorstel niet
alleen discriminatie te melden, maar ook de gronden zoals we die kennen
in de Algemene wet gelijke behandeling, dus op basis van religie,
huidskleur of seksuele gerichtheid? Antisemitisme valt daar natuurlijk
ook onder. Hoe kijkt het CDA daarnaar?
Mevrouw Armut (CDA):
Zo uit mijn hoofd zeg ik: dat klinkt niet heel onredelijk. Ik denk dat
de heer Ergin hierover een amendement heeft ingediend. Daarop moet ik
zeggen dat ik nog niet alle negentien amendementen heb gelezen. Ik zal
nu dus niet uit de losse pols zeggen: goh, dat lijkt me een goed idee en
laten we de wet op die manier aanpassen. Ik ga er wel goed naar kijken.
Wat de heer Ergin zegt klinkt mij niet heel gek in de oren. Als je dan
toch registreert lijkt het me wel goed om ook echt te willen achterhalen
wat er precies is gebeurt.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Ergin (DENK):
Mevrouw Armut geeft wel een tweeledig antwoord. Enerzijds zegt ze dat
het haar eigenlijk logisch lijkt dat je het goed registreert. Aan de
andere kant zegt ze dat ze niet weet wat ze met de amendementen gaat
doen. Mijn vraag is eigenlijk de volgende. Is het fair als je zo'n
systeem inricht — het is een vergaande wet voor scholen — waarbij je de
scholen verplicht om te registreren of het incident discriminatie
betreft, dat je vervolgens tegen de scholen zegt: weet je wat, laat het
daar maar bij en kijk niet verder of het te maken heeft met iemands
huidskleur, dat iemand moslim is, of iemand vrouw of man is, of dat
iemand gehandicapt is? Ik zou eigenlijk daarover wel een
principe-uitspraak willen van het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Het is tweeledig om het volgende. Ik snap wat de heer Ergin zegt; dat
klinkt mij vrij logisch in de oren. Tegelijkertijd is het eerlijke
antwoord ook dat er volgens mij dus negentien amendementen zijn
ingediend. Daarmee verander je dus de wet.
De voorzitter:
Twintig.
Mevrouw Armut (CDA):
O. Ik zou graag daarom van de staatssecretaris willen weten wat precies
het gevolg van die wijziging zou zijn. Is die wijziging nodig? Gebeurt
het misschien al? Dat vind ik best wel relevante informatie. Ik zeg
daarbij inderdaad dat het mij gewoon logisch in de oren klinkt dat als
je gaat registreren je ook weet wat er precies is gebeurd.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zei "twintig". Dat komt doordat we inmiddels het
amendement-Ceder/Kostić hebben gevonden. Dat was inderdaad erg vroeg
ingediend. Daarmee staat de teller dus op twintig. De volgende spreker
van de zijde van de Kamer is de heer Claassen. Nee, dat is niet zo; het
is de heer Ergin. Dan heeft de heer Claasen nog even tijd om te bedenken
wat hij gaat zeggen; daar zijn we erg benieuwd naar. Meneer Ergin, gaat
uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, de heer Claassen lijkt wel op mij, dus ik begrijp de
verwarring wel. Helaas lijkt hij niet op mij qua politieke opvatting.
Als het gaat om dit wetsvoorstel zijn we volgens mij allemaal duidelijk:
een school hoort een veilige plek te zijn waar kinderen bloeien, waar
kinderen hun vriendschappen sluiten, ervaringen opdoen en herinneringen
maken die hen voor het leven gaan achtervolgen. Maar voor één op de tien
leerlingen — dat zijn 230.00 leerlingen — is de school niet altijd een
plek waar ze fijne ervaringen opdoen en waar ze fijne herinneringen aan
hebben. Gelukkig komt het ook met een groot deel van die 230.000
leerlingen goed, want niet iedere nare en negatieve ervaring tekent je
voor het leven.
Voorzitter. Soms schrik ik echt enorm van al die verhalen die ik hoor.
In de afgelopen periode zijn dat heel vaak verhalen waar geweld bij komt
kijken, waarbij een kind, een leerling, in elkaar wordt geslagen door
een groepje leerlingen. Alles wordt opgenomen en wordt vervolgens op
TikTok geplaatst, met alle verwensingen, bedreigingen en discriminatie,
tot racistische bedreigingen aan toe.
Voorzitter. Dan begrijp je dat een kind dat dat meemaakt eigenlijk voor
het leven getekend wordt. Volgens mij willen wij allemaal dat voorkomen
en ervoor zorgen dat een school een veilige omgeving wordt. In al die
verhalen die ik dan met name van ouders hoor, is er één rode draad, en
dat is dat bijna alle ouders zeggen: op het moment dat ik iemand nodig
had om ons te helpen, om mijn kind te begeleiden, om mij te begeleiden,
om deze pijn en vernedering te verwerken, was er niemand voor me. Ik
werd van het kastje naar de muur gestuurd.
Voorzitter. Eigenlijk is dat de kern die we moeten aanpakken. Ja, als er
sprake is van geweld, pesten, discriminatie of seksuele intimidatie, dan
moet dat gewoon worden geregistreerd. Daar zijn wij voorstander van
zodat we in ieder geval weten wat er op scholen gebeurt. Eigenlijk gaat
de discussie in dit debat ook over wat we nou doen met het gevoel van
onveiligheid van al die leerlingen die die nare ervaringen hebben. Ja,
we kunnen registreren, maar wie gaan die kinderen daadwerkelijk helpen?
Hoe gaan we de scholen meer ondersteunen zodat ze ook aan de slag kunnen
gaan met het ondersteunen van de leerlingen? Een registratie maakt een
school immers niet veiliger, een registratie voorkomt geen vechtpartij,
een registratie stopt geen pester en een registratie beschermt geen
leerling die wordt gediscrimineerd.
Voorzitter. Ik zou de staatssecretaris graag willen vragen hoe zij die
verbetering ziet. Ja, er moet beter geregistreerd worden, daar zijn wij
in principe niet op tegen, maar hoe zorgen we ervoor dat een
geregistreerd incident leidt tot een veiliger klaslokaal? Hoe zorgen we
ervoor dat een melding van discriminatie leidt tot een aanpak van
discriminatie op school? Hoe zorgen we ervoor dat signalen van pesten
niet alleen worden vastgelegd, maar ook daadwerkelijk worden opgelost?
Ik zou graag een reflectie van de staatssecretaris willen op deze
vragen. Uiteindelijk ontstaat veiligheid in de klas bij de docent die
ingrijpt, bij de schoolleider die verantwoordelijkheid neemt en bij een
cultuur waarin leerlingen niet meer worden buitengesloten of
vernederd.
Voorzitter. Een heel belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is de
registratie van incidenten. Dat vormt eigenlijk de kern van het
wetsvoorstel. Als we kijken naar de registratie van de incidenten, zien
we dat dit wetsvoorstel op één fundamenteel punt onvolledig is. Dat punt
betreft het registreren van discriminatie. Stelselmatige discriminatie
wordt wel geregistreerd, maar er wordt vervolgens niet gekeken op basis
waarvan. Als een leerling wordt gediscrimineerd omdat die leerling
islamitisch is, wordt dat in dit wetsvoorstel pas geregistreerd als dat
stelselmatig plaatsvindt. De volgende vraag die bij de scholen gaat
leven, is dan natuurlijk wat "stelselmatig" is. Is dat bij de tweede
keer? Is dat bij de derde keer? Er wordt überhaupt niet gekeken of dat
kindje, de leerling die wordt gepest vanwege zijn seksuele gerichtheid,
als het registratiesysteem is opgetuigd, herleid kan worden naar naar
een trend. Dat willen we natuurlijk zien met de registratie van
incidenten. Er zijn dus twee kernpunten als het gaat om discriminatie.
Ik zou graag een reflectie hierop willen van de staatssecretaris. Waarom
moeten we het eerst laten gebeuren dat een kind vaker, stelselmatig,
wordt gediscrimineerd voordat we daar in de cijfers naar gaan
kijken?
Voorzitter. Een klachtenprocedure is ook belangrijk. Die moet
toegankelijk zijn. Als we eerlijk kijken naar scholen die heel vaak te
maken hebben met veiligheidsincidenten en naar regio's die heel vaak te
maken met incidenten, dan zie je heel vaak dat in die regio bijvoorbeeld
laaggeletterdheid een groot probleem is.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb nog een vraag over het voorgaande. Ik denk dat we het er allemaal
over eens zijn dat discriminatie verwerpelijk is, maar wil de heer Ergin
nou ook dat elk incident van discriminatie wordt geregistreerd op
school? Doelt hij dan ook op discriminatie van leerlingen onderling of
alleen op discriminatie vanuit de volwassenen richting het kind?
De heer Ergin (DENK):
Als het aan mij ligt, registreren we inderdaad elk incident van
discriminatie. Maar als ik het goed heb gelezen, wordt er in dit
wetsvoorstel ook naar gekeken dat je iets redelijkerwijze moet kunnen
onderbouwen, dat er sprake moet zijn van een redelijk vermoeden. Als dit
wetsvoorstel wordt aangenomen, iets wat ik heel graag zou willen omdat
ik vind dat we een heel goed beeld moeten krijgen van wat er speelt op
onze scholen, gaat dat er dus niet toe leiden dat alle meldingen van
discriminatie ergens in een systeem worden opgenomen.
De heer Boomsma (JA21):
Oké, maar in principe wil de heer Ergin wel elk incident van
discriminatie laten registreren. Wat doe je dan bijvoorbeeld als er
onenigheid is en de leerling zegt "dit is discriminatie", maar dat niet
wordt erkend door bijvoorbeeld de leraar? Moet je het dan registreren of
niet?
De heer Ergin (DENK):
In het wetsvoorstel is het zo geregeld dat er dan bijvoorbeeld een
vertrouwenspersoon is naar wie je toe kunt stappen. Daar is een
klachtenprocedure voor. Maar als we gaan registreren wat er op scholen
gebeurt qua incidenten, dan moeten we daar één lijn in trekken. Dan moet
een leerling die zegt dat die onjuist bejegend is, of is gereduceerd tot
zijn cultuur of huidskleur, ook het recht hebben om dat te melden. Dan
wordt dat geregistreerd. Ik begrijp waar de heer Boomsma naartoe wil.
Betekent registratie ook niet dat per definitie het gesprek op school
stopt en dat er vervolgens wordt bekeken hoe er uit een incident iets
positiefs gehaald kan worden? Is registratie niet ook bedoeld om ervoor
te zorgen dat de leerling in kwestie leert dat het niet hoort en dat het
anders moet, zodat die hier een volgende keer anders mee omgaat?
Voorzitter. Niet iedere ouder beheerst de Nederlandse taal goed. We
hebben er sowieso mee te maken dat 20% van de Nederlanders laaggeletterd
is, in ieder geval in sommige regio's. Ook weet niet iedere leerling de
weg naar de klachtencommissie te vinden. Toen ik op de middelbare school
of op de basisschool zat, was ik echt niet bezig met de vraag hoe ik nou
terechtkwam bij de klachtencommissie. Meestal zijn het ouders die daar
de stap toe zetten. Daarom vraag ik aan de staatssecretaris hoe ervoor
wordt gezorgd dat de klachtenprocedure toegankelijk wordt voor mensen
die niet altijd mondig zijn en die de regels en de standaardwegen niet
altijd goed kennen.
Voorzitter. Ik kom bij een punt dat ik eerder heb gehoord, namelijk dat
de veiligheid niet stopt bij het schoolhek of bij de ingang. Als het
gaat om het effect van de veiligheid op de sfeer op school, dan speelt
dat natuurlijk breder. Ik zou ook graag aan de staatssecretaris willen
vragen waarom die hele onlineomgeving buiten de zorgplicht van de school
is gevallen. Er zijn ook verhalen waarin er bijvoorbeeld geen sprake is
van fysiek geweld, maar waarin een leerling online dusdanig wordt
gepest, bijvoorbeeld vanwege een lichamelijk kenmerk, dat het effect
heeft op de veiligheid op school, of in ieder geval op de sociale
veiligheid op school. In de wettekst zie ik dat daar aan de fysieke kant
voldoende rekening mee is gehouden, maar dat dat niet het geval is waar
het gaat om de impact van de digitale wereld. Denk ook aan de impact van
een vechtpartij even verderop bij de supermarkt, dus niet op het
schoolplein zelf of bij de ingang, maar een paar honderd meter verderop
bij een supermarkt. Die kan gigantische gevolgen hebben voor de
veiligheid op school.
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de registratie en de
bewaartermijn van de gegevens. Waar je gegevens registreert, worden
gegevens natuurlijk ook bewaard. Daar moeten we natuurlijk heel
voorzichtig mee zijn, want we weten dat de omgang met data in ieder
geval bij de overheid niet altijd goed is gegaan. Een school is niet
altijd direct een overheid, maar wordt wel gezien als de overheid. De
concrete betekenis van de wet is dat de gegevens over een melding of
registratie, al dan niet in afgeslankte vorm, tien jaar lang worden
bewaard. Ik houd mijn hart vast. Scholen zijn namelijk niet per se
ingericht op cybersecurity, dus op het waterproof inrichten van data.
Daar is een school niet op voorbereid. Een school koopt software in. Op
basis van die software worden leerlingen gevolgd. Maar het daadwerkelijk
bewaren van gegevens, en dat tien jaar lang, lijkt me toch echt een stap
te ver. Ik zou graag aan de staatssecretaris willen vragen of een
kortere termijn, zoals vijf jaar, niet gewoon voldoende is om de trends
te volgen en de data te gebruiken die we nodig hebben, terwijl we
tegelijkertijd de hoeveelheid data minimaliseren.
Voorzitter, tot slot. DENK wil veilige scholen, maar veilige scholen
ontstaan niet vanzelf door meer formulieren, meer registraties en meer
procedures. Wij beoordelen dit wetsvoorstel daarom uiteindelijk op één
eenvoudige vraag: leidt dit daadwerkelijk tot meer veiligheid voor
leerlingen en personeel? Voor ons gaat het ook om de vraag hoeveel
incidenten we hiermee zouden kunnen voorkomen. Heeft het bijvoorbeeld
een afschrikwekkend effect als sommige leerlingen weten dat de school
verplicht is om bepaalde incidenten bij te houden? Uiteindelijk wordt
een school niet veiliger door een registratie. Een school wordt veiliger
als een leerling gisteren een negatieve ervaring heeft meegemaakt, maar
de volgende dag gewoon naar school kan met een fijn en prettig
gevoel.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. En dan nu …
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, nog een dienstmededeling.
De voorzitter:
Dat mag, want u heeft nog …
De heer Ergin (DENK):
Ik heb namelijk een amendement ingediend: het amendement op stuk nr. 19.
Maar mevrouw Rooderkerk was eerder. Daarom wil ik het amendement op stuk
nr. 19 intrekken. Volgens mij heeft mevrouw Rooderkerk mij inmiddels ook
als indiener toegevoegd aan het amendement met dezelfde strekking dat
zij eerder heeft ingediend. Er is nu dus een amendement minder.
De voorzitter:
Ja, dank u wel.
De heer Ergin (DENK):
Krijg ik dan ook complimenten van de voorzitter?
De voorzitter:
Alle complimenten!
De heer Ergin (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Alle complimenten.
Het amendement-Ergin (stuk nr. 19) is ingetrokken.
Dan gaan we nu naar de volgende spreker. Vol verwachting klopt ons hart. Meneer Claassen, gaat uw gang.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter, ik ga een poging doen. Ik ga het toch nog een keer herhalen:
als het gaat over dit onderwerp, vind ik het zorgwekkend dat er allemaal
maatregelen moeten worden genomen die misschien twintig jaar geleden, of
zelfs nog langer geleden, toen ik op de middelbare school, of eigenlijk
op de basisschool zat, totaal ondenkbaar waren. In die tijd zeiden we
"toen was geluk nog heel gewoon". Volgens mij is dat behoorlijk
veranderd, maar ik ga toch een poging doen.
Ik had mijn spreektekst al klaar en zag toen al die amendementen. Ik ben
ook bang dat er nog heel wat moties gaan komen. Maar goed, ik zag die
amendementen en las het verhaal van de Raad van State, en toen dacht ik:
verhip, ik zit er met mijn spreektekst niet zo ver naast. Ik zal vijf
voorstellen doen om dingen te verbeteren, maar ik ga geen amendementen
indienen. Ik denk dat die niet veel meer zouden brengen dan de
amendementen die er nu al zijn. Ik zal aan het eind van mijn verhaal
daar nog iets over zeggen.
De Wet vrij en veilig … Ik zal iets verklappen: in het begin las ik
"vrij veilig onderwijs". Maar let op, ook voor de mensen op de tribune
en thuis: het is de Wet vrij en veilig onderwijs. Dat is de wet die de
regering volgens mij presenteert als de oplossing voor onveiligheid op
onze scholen. Het is een wet die vijf mooie kaders belooft: registratie
en een meldplicht, een uitgebreide meldplicht bij seksuele misdrijven,
verplichte interne en externe vertrouwenspersonen, één aangescherpt
klachtenstelsel en een jaarlijkse evaluatieplicht. Geweldig; ja, mooi.
De regering zegt: een veilig schoolklimaat is essentieel voor leren en
ontwikkelen. Tja, dat zou je op een tegeltje kunnen gooien, want dat is
natuurlijk ook zo. Daar heeft de regering gelijk in, maar daar stopt het
ook mee, want wat de regering hier voorlegt, is geen oplossing. Het is
een schoolvoorbeeld van symboolpolitiek. Daar kan deze minister wellicht
niks aan doen; het komt van een andere minister. Het verbaast me wel dat
deze minister het gewoon bijna een-op-een zo heeft doorgezet, want dit
wetsvoorstel is een papieren tijger. Het zet gewoon een nieuwe
bureaucratische verdieping op de bureaucratische torenflat die het
onderwijs al jaren verstikt, want onveiligheid in scholen los je niet op
met meer formulieren, meer meldingen en meer registratie. Aan de andere
kant zal ik waarschijnlijk wel amendementen steunen die misschien leiden
tot iets meer registratie. Ik spreek mezelf hier dus ook tegen, maar ik
denk dat we daar allemaal mee te maken hebben, want we willen iets, maar
niet nog meer registratie. Ja, als het goede registratie is en als die
registratie ook tot iets gaat leiden, zou zij op onze steun kunnen
rekenen.
Waar was ik gebleven? O ja, meer evaluatiecycli. Je lost het op door
keihard op te treden tegen de veroorzakers, zoals ik al aangaf in het
eerste debatje met mevrouw Moorman. Maar de regering kiest voor nog meer
administratie. Waarom, vraag ik de staatssecretaris. Wij — DNA, De
Nederlandse Alliantie, also known as de Groep Markuszower — kiezen
eigenlijk veel meer voor consequenties. Terwijl het kabinet het heeft
over "zicht op veiligheid" en "de structurele leercyclus", pleiten wij
voor een fundamentele omslag: weg met de focus op dossiers vullen; benut
volop alle mogelijkheden die de huidige wetgeving al biedt voor
schorsing en verwijdering. Leerlingen die de veiligheid van anderen
structureel ondermijnen, horen niet op school thuis. Wij pleiten voor
aanvullende wetgeving tegen onderwijsterroristen; zo noem ik ze maar:
figuren, leerlingen, groepen leerlingen die de veiligheid van
medeleerlingen én personeel structureel en ernstig ondermijnen; daar zie
ik genoeg filmpjes van voorbijkomen. Genadeloos aanpakken, geen gedoe,
geen trajectjes, geen eindeloze gesprekken. In onze wereld zou een
cultuur moeten bestaan waarin welwillende leerlingen beloond worden en
waarin leerlingen die zorgen voor onveiligheid consequent worden
geweerd, van pesten tot fysiek geweld, van intimidatie tot bedreiging.
Zero tolerance voor wangedrag; dat is de enige taal die werkt. Waarom
durft het kabinet die taal niet te spreken? Waarom kiest men opnieuw
voor procedures in plaats van voor pedagogische autoriteit? Omdat het
makkelijker is om scholen op te zadelen met nieuwe verplichtingen dan om
de echte oorzaken aan te pakken? Ik had daar zojuist een
interruptiedebatje over met de collega van het CDA: wat is nu echt de
oorzaak? Er worden wel dingen genoemd, maar we weten het niet. Misschien
weet de minister het. Mijn vraag aan de minister is dus: wat is volgens
de regering de echte oorzaak van alle problematiek die we met deze wet
proberen op te lossen? Althans, we proberen daar een richting aan te
geven.
Wij willen in ieder geval geen papieren veiligheid. Wij willen echte
veiligheid. Is de minister bereid om in kaart te brengen waar
onveiligheid in het onderwijs daadwerkelijk aan de orde is en vooral
welke groepen leerlingen en welk type schoolgemeenschappen het hardst
worden getroffen? Geen mooie verhalen, niet verdoezelen, maar keiharde
feiten. Doe onderzoek onder leraren, onder medewerkers, onder leerlingen
en onder ouders. Dan kunnen we gericht ingrijpen in plaats van met de
mantel der liefde proberen om lastige onderwerpen te maskeren.
Voorzitter. En dan nog iets: wij besteden expliciet aandacht aan de
sluiting van Cheider en aan de onveiligheid voor Joodse leerlingen die
letterlijk worden weggetreiterd uit het regulier onderwijs. Dat is geen
incident; dat is een schande. Joodse kinderen kunnen niet meer veilig
naar school. Ouders moeten hun kind uitschrijven, omdat pesten,
intimidatie en antisemitisme onbestraft blijven. Terwijl dit kabinet het
over inclusie en veiligheid voor iedereen heeft, kijkt het de andere
kant op als het om Joodse leerlingen gaat. Wij kijken niet weg, nooit.
Bij mijn debataanvraag hierover twee weken geleden vond iedereen in de
Kamer dit een belangrijk onderwerp, maar verwees men mij naar Justitie
en Veiligheid, omdat er op dat terrein een debat zou zijn. Dat debat is
geweest. Ik vraag de staatssecretaris of hij weet wat daar de afdronk
van is geweest. Gaan we het nu echt beter maken?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel is een gemiste kans. In plaats van vijf
nieuwe administratieve lagen had de regering kunnen kiezen voor vijf
duidelijke daadkrachtige lijnen die het verschil maken. Ten eerste had
dit kabinet gewoon volledig gebruik kunnen maken van de bestaande
mogelijkheden voor schorsing en verwijdering van mensen die de
veiligheid van anderen structureel kapotmaken. Waarom gebeurt dat niet?
Waarom laat dit kabinet leraren en leerlingen in de steek, terwijl de
wet dit instrument al biedt?
Ten tweede had dit kabinet scherpe wetgeving kunnen introduceren tegen
de onderwijsterroristen, de leerlingen die keer op keer de hele klas, de
leraar en de school onveilig maken. Wanneer gaat dit kabinet die groep
aanpakken in plaats van die groep met meldformulieren te omringen?
Ten derde: een echt zerotolerancebeleid, van pesten tot fysiek geweld,
van intimidatie tot bedreiging, waarbij er geen sprake is van een grijs
gebied of excuses. Waarom durft dit kabinet die duidelijke lijn niet te
trekken?
Ik zie dat de heer Boomsma wil interrumperen, maar als u het niet erg
vindt, voorzitter, maak ik het even af.
De voorzitter:
Ja, maakt u het maar even af.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb namelijk vijf punten en ben nu bij nummer vier.
Ten vierde: voer een onderzoek onder leraren, leerlingen en ouders
uit.
Ten vijfde: concrete bescherming voor kwetsbare groepen, waaronder
Joodse leerlingen, die letterlijk worden weggepest uit het regulier
onderwijs. Wanneer gaat het kabinet die kinderen echt beschermen in
plaats van alleen maar mooie woorden gebruiken?
De heer Boomsma (JA21):
De heer Claassen heeft het over "onderwijsterroristen", over jongeren
die zich misdragen op school, waar anderen last van hebben. Hij zegt dat
je die gewoon moet verwijderen. Waar moeten ze dan naartoe?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Niet naar school. Nu wordt het mijn probleem gemaakt, maar het is hun
probleem. Als je ze verwijdert en zegt "jammer, dan krijg je maar geen
onderwijs, ga maar lekker thuiszitten bij je ouders", dan gaat dat ze
ook de keel uithangen. Maar er moet wel een lijn getrokken worden.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan het pleidooi over consequenties op zich volgen. Er moeten
consequenties volgen op het moment dat je anderen verhindert om
fatsoenlijk te kunnen functioneren op school. Op een gegeven moment is
er een grens bereikt en moet je optreden. Alleen is het wel weer heel
erg makkelijk om te zeggen: dan is het mijn probleem niet. We zitten
hier in de Tweede Kamer. Je moet toch iets van perspectief kunnen bieden
op wat er dan met deze jongeren gaat gebeuren. Moeten ze bijvoorbeeld
naar een tuchtschool? Ik wil toch graag iets meer horen dan alleen maar
"het is mijn probleem niet".
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Moeten ze naar een tuchtschool? Ja, misschien moeten ze naar een
tuchtschool. Als het echt hele vervelende, strafbare dingen zijn, moeten
ze misschien opgepakt worden. Ik pleit voor de kinderen in de klas die
het gewoon goed willen doen, die het goed doen. Daar is bijna geen
aandacht voor. Je moet die kinderen stimuleren. Je moet aan de anderen
die de neiging hebben een onderwijsterroristje te worden, laten zien dat
als je dat niet doet, goed gedrag wordt beloond. Je moet ze niet
pamperen, dus dat je gesprekjes gaat voeren, dat je in gesprek gaat met
de ouders, dat er vervolggesprekjes zijn, dat er reflectiemomentjes
komen, dat ze een opstel moeten schrijven en moeten tekenen wat ze erbij
voelen. Die aandacht moet stoppen.
De heer Boomsma (JA21):
Nee, maar er bestaat toch ook nog wel iets tussen volledig pamperen en
meteen van school af schoppen en er niet meer naar omkijken. Ziet de
heer Claassen dat ook zo?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat zie ik ook zo. Ik denk alleen dat het aan de bestuurders van ons
mooie land is om met goede voorstellen te komen. Ik ben geen bestuurder.
Ik zie alleen dat de onderwijsterroristjes of onderwijsterroristjes in
spe heel veel aandacht krijgen. Zij krijgen vanavond ook weer veel
aandacht van ons. We willen allemaal dingetjes oplossen. Maar we hebben
het nooit over de leerlingen die het heel goed doen, die andere kinderen
helpen, die bijdragen aan het sociale klimaat op hun school. Daar hoor
je heel weinig over.
De heer Ergin (DENK):
We behandelen hier wetgeving. De Leerplichtwet is bijvoorbeeld ook
wetgeving. Daarin staat dat kinderen tussen de 5 en 16 jaar verplicht
zijn om naar school te gaan. De heer Claassen zegt hier even: als iemand
een fout maakt, dan moet diegene maar van school af. Hoe verhoudt de ene
wet zich tot de andere wet volgens de heer Claassen?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ten eerste heb ik niet gezegd "een fout maakt". Ik heb gezegd: als ze
structureel onderwijsterroristje willen spelen, dan moeten ze dat niet
op school doen. Dan moeten ze maar van school af gaan. Er zitten genoeg
kinderen thuis.
De heer Ergin (DENK):
Dat impliceert ...
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan heb ik liever dat die kinderen niet op school zitten dan dat de
kinderen die wel naar school willen maar dat niet meer durven omdat ze
daar geterroriseerd worden, thuis gaan zitten en thuisonderwijs moeten
krijgen. Draai de wereld om! Laat de kinderen die terroriseren lekker
thuiszitten. Dan kunnen de andere kinderen, die wel willen en nu van
school vluchten, zich lekker veilig voelen op een school waar ze gehoord
worden en waar ze hun ding kunnen doen.
De voorzitter:
Een tweede vraag van de heer Ergin.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dit voorstel zou eigenlijk gesteund moeten worden.
De heer Ergin (DENK):
Ik probeer hier serieuze wetgeving te behandelen. Volgens mij proberen
we hier te kijken of we de tekst van het wetsvoorstel op een bepaalde
manier kunnen wijzigen. Zoals de heer Boomsma ernaar kijkt, zo kijk ik
er ook naar. Dat doen andere collega's hier ook. We staan hier niet in
het café, waar we zeggen: dan hebben ze maar een probleem. We proberen
hier problemen op te lossen en scholen veiliger te maken. Het gaat om
230.000 leerlingen die zich onveilig voelen. U noemt ze
"onderwijsterroristen". Dat is gewoon cafépraat. We proberen hier een
probleem op te lossen. Ik zou aan de heer Claassen willen vragen welke
concrete wetswijzigingsvoorstellen hij hier op tafel legt. Ik zou die
graag willen lezen voordat ik beoordeel of de plannen van de heer
Claassen goed doordacht en onderbouwd zijn. Dat wil ik gewoon weten. Dat
is toch een logische vraag?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik hoef nu niet met onderbouwde plannen te komen. Ik zeg alleen dat er
heel veel aandacht gaat naar het oplossen van problemen door ons te
focussen op jeugdigen die de boel verstieren en dat we geen aandacht
hebben voor de kinderen die het goed willen doen. Dat raakt mij; dat
vind ik vervelend. Daar moeten we een oplossing voor zoeken. Ik ben
benieuwd of de minister dat ook zo ziet. Het volgende zou nog mooier
zijn. Volgens mij komt deze wet namelijk niet van de hand van deze
staatssecretaris, maar van een andere minister. Door het in dit debat
scherp te stellen en tot inzichten te komen, komt deze staatssecretaris
misschien over een jaar of anderhalf jaar wel met een hele mooie wet,
die al de ideeën die ik had, inclusief de vijf aspecten, incorporeert.
Dan zouden we voor een hele mooie wet kunnen stemmen.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Ergin (DENK):
De heer Claassen doet hier een beetje aan zeemeeuwenpolitiek. Hij loopt
hier, hij staat daar en hij heeft wat leuke woorden bedacht in de
fractiekamer, die hij hier even op tafel legt. Als er iemand komt om wat
vragen te stellen over de onderbouwing en wat er precies moet gebeuren —
dat heeft de heer Boomsma net ook geprobeerd — dan zegt de heer
Claassen: kijk maar naar de staatssecretaris. Volgens mij is dat
zeemeeuwenpolitiek. Je komt hier, je roept wat, je schijt de boel onder
en vervolgens vertrek je. De mensen die in de zaal zitten, moeten het
maar gaan oplossen. Heel makkelijk.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nou, zo makkelijk is het niet. Ik geef ook de worsteling aan die ik heb
met deze wet. Ik geef de worsteling aan die ik heb met de situatie, waar
we blijkbaar op scholen in beland zijn. Ik heb er mijn ideeën bij over
wat daar de redenen van kunnen zijn. Daarom vraag ik ook expliciet om
wat beter helder te krijgen wat nou de oorzaak is van die problematiek.
Ik zie ze in de regio waar ik woon — ik kom uit Landgraaf — zeg maar in
de gebiedjes in de provincie, buiten de Randstad … Maar in de grote
steden, zoals Eindhoven, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, noem maar op, is
het echt schrijnend. Ik roep de minister op om daar eens naar te kijken
en onderzoek te doen hoe dat komt. Ik heb niet voor niks het CDA net
gevraagd of cultuur daar niet bij hoort. Ik denk dat cultuur een hele
grote invloed heeft of je in aanleg onderwijsterroristje bent en het
daadwerkelijk ook gaat worden. Dat geldt ook voor sociaaleconomische
klasse. Vaak gaan die helaas hand in hand. Daar zouden we naar moeten
kijken. Ik doe nu dus een voorstel om goed te kunnen kijken naar een
vorm van preventie en daar gericht interventies op los te laten, zodat
we kunnen voorkomen dat een eventueel onderwijsterroristje daadwerkelijk
een onderwijsterroristje wordt. Ik vind dat niet zeemeeuwenpolitiek. Het
is een leuk woord, dat nu in de Handelingen staat. Ik doe ook vijf
andere voorstellen over hoe het er ook uit had kunnen zien.
De voorzitter:
Zullen we verdergaan?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik vind het goed, voorzitter. Ik dacht al: wanneer grijpt hij in?
De voorzitter:
Het is een wetsbehandeling. Ik probeer dat dus zo min mogelijk te
doen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik had dus vijf dingen. Ik ga ze niet nog een keer herhalen. Als u die
vijf dingen zou doen, een stukje preventie, zoals ik net al zei … Welke
factoren leiden er op basis van onderzoek toe dat er een onveilige
situatie in een klas ontstaat, waardoor kinderen willen vluchten uit de
klas? Daar zouden wij ons op willen focussen. Wij kiezen daarnaast voor
scholen waar leraren autoriteit hebben, waar ouders het vertrouwen in
hebben en waar leerlingen die willen leren dat ongestoord kunnen doen,
een school waar welwillenden welkom zijn en raddraaiers buiten de deur
blijven. Dat werkt echt, maar we moeten het wel gaan doen.
Voorzitter, tot slot. Ik heb alle amendementen gezien en gelezen. Er
zitten wat mij betreft goede en wat minder goede amendementen bij. Er
zitten ook wat amendementen bij waar ik misschien nog even op moet
studeren. Misschien kan de minister ons daar wegwijs in maken. Maar ik
maak me wel zorgen. Ik ga geen amendementen indienen, maar er gaat
ongetwijfeld nog een grote motiebrij komen. Ik hoop van niet, want dat
gaat niet helpen. Ik maak me zorgen dat we, ondanks al die amendementen,
of ze wel of niet gesteund worden en of ze het wel of niet gaan halen,
met een wet overblijven die niet veel gaat oplossen of die niet
uitvoerbaar wordt. Ik maak me daar zorgen over. Ik hoop op enig wijs
inzicht van deze staatssecretaris om ons daar doorheen te geleiden.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is de heer
Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. De "Wet vrij en veilig onderwijs", zo heet de
wet. Wie kan daartegen zijn? Als er iets is wat kinderen op school
moeten zijn, dan is het wel veilig en beschermd, juist als dat in de
wereld om hen heen, in de wijk of zelfs bij hen thuis niet zo is. Voor
veel kinderen is het helaas anders. Op sommige scholen, bijvoorbeeld in
Amsterdam-Zuidoost, is al jaren sprake van een soort wapenwedloop.
Jongerenwerkers signaleren dat voorheen alleen de slechte jongeren, die
niet wilden deugen, een mes meenamen, maar dat nu steeds vaker ook
andere jongeren dat doen om zich te kunnen verdedigen. Mevrouw Moorman
had het daar ook al over. Ik sluit me wat dat betreft aan bij de vragen
van de heer Kisteman over het probleem van wapenbezit op scholen. Je
hebt ook drugscriminelen die azen op onze jongeren om ze te laten
dealen, geld wit te laten wassen, pakjes te laten bezorgen. Soms hangen
ze gewoon rond op het schoolplein. Recent onderzoek van het Centrum
Kinderhandel en Mensenhandel laat zien dat in sommige wijken in
Rotterdam een op de negen jongeren een groot risico loopt om in de
drugscriminaliteit te belanden. Een op de negen! Uit scholenonderzoeken
in Gelderland en Zeeland blijkt dat 11% van de jongeren zelf aangeeft
dat ze weleens zijn benaderd voor het verrichten van strafbare feiten.
Helaas zijn veel kinderen ook slachtoffer van seksuele uitbuiting. De
nationaal rapporteur constateert dat er nauwelijks zicht is op
minderjarige slachtoffers van mensenhandel en uitbuiting. Het is
natuurlijk volstrekt onacceptabel dat kinderen aan dergelijke ellende
worden blootgesteld. Gelukkig is dat op heel veel onderwijsinstellingen
ook niet het geval — laten we hopen op de meeste niet — maar het gebeurt
wel. Waar dat speelt, kan het niet anders dan een absolute topprioriteit
van ons en deze regering zijn om dat te bestrijden en die jongeren en
kinderen te beschermen. De vraag is nu: doet deze wet dat? Worden
scholen en onderwijsinstellingen en kinderen veiliger met die wet? Daar
zet JA21 grote vraagtekens bij, net als enkele anderen die hier al
hebben gesproken.
Ik denk dat de focus in de eerste plaats zou moeten liggen op de
gruwelijke praktijken die ik net noemde. Sowieso is dat in deze wet veel
breder en veel diffuser. Dat komt ook door het taalgebruik. De memorie
van toelichting begint er al mee dat "iedere leerling zich op school
veilig en geaccepteerd moet kunnen voelen". Ik vind het vooral
belangrijk dat je veilig bént. Zelf betreur ik de inburgering van de
term "sociale veiligheid'. Ik zou zeggen: bewaar de term veiligheid voor
situaties van fysiek gevaar, bijvoorbeeld brandveiligheid. Dat gaat echt
over veiligheid. Seksuele intimidatie kan daar natuurlijk onder vallen,
omdat daar ook de dreiging van fysiek geweld van uitgaat. Er zijn
allerlei dingen, gedrag en omstandigheden die ontzettend vervelend,
stressvol, naar, rot en benauwend kunnen zijn. Die moet je ook
bestrijden, maar dat maakt het nog niet "onveilig". Ik denk dat dat ook
belangrijk is omdat die taalverschuiving kan leiden tot eerdere
escalatie. Als je zegt "ik voel me onveilig door wat jij zegt", dan is
het moeilijker om tot een goed gesprek te komen om die situatie op te
lossen dan als je zegt: ik vind het heel vervelend; ik voel me onprettig
hierbij. Dus ik vrees dat die taalverschuiving al snel kan bijdragen aan
de verkramping die bij deze wet toch al op de loer ligt.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik probeer het een beetje te begrijpen. De heer Boomsma zegt dat hij
überhaupt een probleem heeft met het woord "sociale veiligheid". Volgens
mij zou je bijvoorbeeld discriminatie of intimidatie op de werkvloer of
op scholen ook kunnen scharen onder sociale veiligheid. Geldt dat dan
niet? Hoe kijkt de heer Boomsma daarnaar?
De heer Boomsma (JA21):
Dat zijn hele vervelende en nare dingen, maar toen ik opgroeide bestond
het hele begrip "sociale onveiligheid" niet. Dit is iets van de laatste
jaren. Ik vind het helemaal geen nuttige verbreding. Daarom zei ik ook
al: er kunnen allerlei dingen zijn, zoals discriminatie en pesten, die
heel vervelend, rot en benauwend zijn en die op een verschrikkelijke
manier invloed kunnen hebben, maar die nog niet maken dat iemand
letterlijk onveilig is. Ik vind die trend een soort therapeutisering van
de taal, terwijl je daar onderscheid tussen moet maken. We hebben het
hier over onveiligheid; daar zijn heel ernstige zaken aan de hand. Dat
wil niet zeggen dat andere dingen niet belangrijk zijn, maar er is wel
een verschil.
Mevrouw Armut (CDA):
Dat klinkt een beetje als: vroeger was het allemaal beter. Ik snap
eerlijk gezegd niet helemaal wat de heer Boomsma hiermee zegt. Want als
je stelselmatig — dat woord is al een keer gevallen — wordt
gediscrimineerd, constant voelt dat je letterlijk niet geaccepteerd
wordt om wie je bent, om je huidskleur, om je religie of om wat dan ook,
dan is dat toch zeer serieus te nemen? Dan ben je toch ook niet veilig?
Ik snap niet zo goed waarom de heer Boomsma zegt: "Dat is een trend.
Vroeger was dat er niet. Dat is nu een beetje ontstaan en dat was
eigenlijk niet nodig."
De heer Boomsma (JA21):
Ik zeg toch niet dat het niet erg is. Ik zeg juist heel nadrukkelijk dat
het allemaal heel erg kan zijn, maar dat het toch iets anders is dan
onveiligheid. Ik ontken ook helemaal niet dat er situaties kunnen zijn
waarin mensen zich heel onveilig gaan voelen. Alleen, in bredere zin is
het goed om een onderscheid te maken met situaties waarin mensen fysiek
onveilig zijn. Dan kan er ook sprake zijn van intimidatie, waarbij je
werkelijk fysiek wordt bedreigd met geweld, of dan kan er sprake zijn
van seksuele intimidatie waar de dreiging van geweld achter zit. Er zijn
allerlei andere dingen die heel erg naar en rot zijn, maar waar je niet
letterlijk onveilig van wordt. Dat neemt niet weg dat het wel degelijk
erg is. Op universiteiten en de werkvloer lopen die dingen ook door
elkaar heen. Dan zeg ik: "Onveilig? Zijn er giftige slangen? Zijn er
hongerige beren? Zijn er psychopaten met bijlen? Nee, oké, dan is het
misschien heel vervelend, maar dan ben je niet letterlijk onveilig."
Maar goed, dat is niet het belangrijkste punt dat ik hier wilde
maken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Los van deze slangen, die niet op veel scholen voorkomen en mij dus ook
niet heel relevant lijken voor dit debat, zijn er wel 1,7 miljoen mensen
die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag. In dat
licht verbaast het mij toch dat de heer Boomsma hier een amendement
indient waarmee hij de meld- en overlegplicht voor seksuele intimidatie
uit deze wet wil schrappen. Wat zegt u dan tegen de slachtoffers van
seksueel grensoverschrijdend gedrag en intimidatie?
De heer Boomsma (JA21):
Volgens mij moeten we wel met elkaar kunnen vaststellen dat het mogelijk
is om seksuele intimidatie af te keuren, zelfs afgrijselijk en
verwerpelijk te vinden, en toch niet de verplichting in de wet op te
willen nemen om dat altijd te registeren. Het amendement is erop gericht
dat de verplichting om altijd te administreren, terwijl het begrip niet
altijd heel eenduidig is, ook kan leiden tot verkramping. De Raad van
State en vele andere raden die hierover hebben ingesproken, delen die
kritiek. Gisteren is daar ook een stuk over verschenen in Trouw. Dat wil
dus niet zeggen dat het niet erg is, maar dat de verplichting om te
administreren en een heel protocol in werking te laten treden, dat je
het altijd moet melden aan de inspecteur, juist een soort escalatiemodus
teweeg kan brengen waar eigenlijk niemand mee geholpen is. Daar is dat
amendement voor bedoeld.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Maar met dat amendement wordt bijvoorbeeld de overlegplicht eruit
gehaald, terwijl die nou juist regelt dat ervaren personen, zoals
vertrouwenspersonen, kunnen worden ingeschakeld om te overleggen wat we
hier precies mee moeten doen. Niet elke school, niet elke leraar, weet
misschien precies wat die daarmee moet doen. Het kan natuurlijk ook gaan
om leraren van een school, die nu juist vaak in bescherming worden
genomen ten opzichte van de rechten van de leerlingen. Door dit eruit te
halen, versterk je de positie van de slachtoffers toch niet?
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het in sommige gevallen heel goed is dat de
vertrouwenspersoon van de inspectie of andere betrokkenen worden
geraadpleegd en dat die ook advies kunnen geven, maar er zijn ook
situaties waarin dat niet nodig of misschien zelfs niet wenselijk is. De
memorie van toelichting geeft zelf al allerlei situaties waarin scholen
er soms voor kiezen om niet meteen in die escalatiemodus te gaan. Ik
denk dat daar soms goede redenen voor zijn. De PO-Raad schreef gisteren
in Trouw: wat volgens leerlingen onder elkaar een onschuldige
stoeipartij is, kan door iemand die komt aanlopen verkeerd worden
opgevat en een leraar die een arm om een leerling heenslaat omdat die
troost nodig heeft, kan ook verkeerd worden opgevat. Dus ja, als er
sprake is van ernstige seksuele intimidatie is het heel goed dat het er
is en moet je daar onmiddellijk tegen optreden. Ik denk ook dat de
schoolleiding dat dan zal doen. Als ze dat niet doet, moeten er wegen
zijn om dat alsnog af te dwingen. Maar dat betekent niet dat je in alle
gevallen een verplichting moet opleggen om het te administreren. Mijn
amendement beoogt juist dat je ook de afweging kunt maken om het niet te
doen. Je kan het nog altijd wel doen, maar je kan er dan ook van afzien.
Het bevoegd gezag behoudt dan die vrijheid.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoor de heer Boomsma zeggen: als er sprake is van seksuele
intimidatie, denk ik dat scholen dat dan wel doen. Het gaat er bij deze
wet juist om dat er ook heel veel gevallen zijn waarin dat niet gebeurt.
Dat weten we ook uit onderzoek. Onder andere NOS Stories heeft
aangegeven dat er ontzettend veel leerlingen zijn die geen melding
maken, omdat ze bang zijn dat er toch niks mee gebeurt. De heer Boomsma
zegt nu letterlijk: dan zullen er wel wegen zijn om dat af te dwingen.
Maar die wegen schrapt hij nu uit deze wet. Dat lijkt mij
onverstandig.
De heer Boomsma (JA21):
Een verplichting tot een melding en het inschakelen van
vertrouwensinspecteurs is natuurlijk niet de enige weg. In de meeste
gevallen is het veel beter om dat onderling op te lossen. Als er
inderdaad sprake is van seksuele intimidatie, dan moet daar het gesprek
over worden gevoerd, dan moet de dader daarop worden aangesproken en dan
moeten er disciplinaire maatregelen worden getroffen et cetera. Dat kan
nu ook al. Als dat niet gebeurt, dan kan iemand natuurlijk ook aangifte
doen. Het is immers een misdrijf. Het betekent niet dat als je die
verplichting tot het administreren en melden nu uit deze wet haalt — dat
is wat er nu namelijk wordt toegevoegd en waar dus zelfs de Raad van
State voor waarschuwt — er dan helemaal niks meer mogelijk is.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik wil aan meneer Boomsma vragen: hoe komt het dat we zover zijn
gekomen?
De voorzitter:
Kort.
De heer Boomsma (JA21):
Cultuur.
De voorzitter:
Vervolgvraag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat delen wij, maar dan is mijn vraag aan de heer Boomsma nu: welke
cultuur en wat is de oplossing?
De heer Boomsma (JA21):
Ik wilde bijna zeggen: hoe komt het dat we hier gekomen zijn? Dat is
niet alleen de cultuur, dat is ook de zondeval. We kunnen heel ver
teruggaan. Er is ellende en sommige kinderen worden niet goed opgevoed.
Sommige volwassenen misdragen zich. Ik ben mijn bijdrage begonnen met
die gruwelijke vormen van criminaliteit en uitbuiting die helaas ook
plaatsvinden in de wereld. Ja, waarom dat zo is, is wel een hele brede
vraag. Duidelijk is dat wij natuurlijk moeten proberen om dat zo goed
mogelijk te bestrijden en zo veel mogelijk moeten inzetten op preventie.
Daar kom ik inderdaad zo op, want de vraag is of deze wet daarvoor de
oplossing is of dat die het juist erger maakt.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat was eigenlijk de vraag die ik wilde stellen aan de heer Boomsma:
maakt deze wet het beter of maakt deze wet het erger?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is een vraag die ik dus ook heb. Velen hebben ook aangegeven dat
heel veel scholen al zuchten onder enorme regeldruk. Zie ook de
noodkreet van die onderwijsraden. We zien dus een opeenstapeling van
regels, maatregelen en functies, ook op het gebied van veiligheid, van
antipestcoördinatoren en preventiemedewerkers tot vertrouwenspersonen en
brugfunctionarissen. Wij vrezen dus dat deze wet in die zin ook
voortkomt uit een verkeerd soort bestuurlijke reflex: je constateert een
probleem en komt dan met protocollen en papier. De overheid kan wetten
maken, dus als er een probleem is, ga je wetten maken en extra regels
toevoegen. Maar je kunt problemen in een disfunctionele cultuur vaak
niet oplossen met andere structuur. Te veel regels en protocollen kunnen
er juist voor gaan zorgen dat goede schoolbestuurders zich bijvoorbeeld
gebonden voelen en minder snel en kordaat gaan handelen, terwijl slechte
schoolbestuurders zich juist gaan verschuilen achter dit probleem en
achter die protocollen. Het is dus ook niet voor niets dat al die
onderwijsorganisaties en de Raad van State waarschuwen dat het niet
alleen kan leiden tot extra regeldruk, dus extra kosten en extra tijd,
maar dat het ook juist averechts kan werken en kan leiden tot
schijnveiligheid.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik kan het betoog van de heer Boomsma heel goed volgen. Eigenlijk geeft
hij gewoon aan dat we van professioneel handelen naar bureaucratisch
handelen gaan. Daarmee verzwakken we het professioneel handelen
eigenlijk. Dat is soms gewoon complex. De hele zoektocht hier laat dat
ook al zien. Meneer Boomsma doet zijn best. Hij maakt een amendement,
maar verzwakt daarmee eigenlijk die administratie, waarbij hij ook
aangeeft dat het heel ingewikkeld is. Is de indruk van de heer Boomsma
dat de wet met dit amendement zo wordt dat JA21 daarmee in kan stemmen
of zouden we het gewoon even allemaal opnieuw moeten doen? Nou, niet
"even". Het woord "even" is niet goed, voorzitter. Dat neem ik
terug.
De voorzitter:
De vraag is duidelijk.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Zouden we deze wet niet terug moeten nemen en opnieuw moeten doen om
precies dat professionele handelen te versterken?
De heer Boomsma (JA21):
Ik vind dat een hele goeie vraag en ik worstel daar zelf ook nog mee. Ik
kon het betoog van mevrouw Moorman heel goed volgen en ik kan me ook
heel veel voorstellen bij de oproep om tegen het kabinet te zeggen: dit
gaat 'm niet worden. Met alle twintig amendementen wordt die hele wet
eigenlijk zo uitgekleed en aangepast dat die ook een ratjetoe wordt. Kan
het kabinet niet beter de wet nu even terugnemen en dan gaan
inventariseren en met een beter voorstel terugkomen? Dat is ook een
vraag die ik, bij dezen, aan het kabinet wil voorleggen, want ik denk
dat daar veel voor te zeggen is.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort in vervolg hierop. De kritiek van de heer Boomsma en anderen
is natuurlijk volkomen terecht. Dit is volgens mij een hele slechte wet,
dus ik ben een beetje verbaasd. Als ik mag vragen … Ik ga er toch van
uit dat u hiertegen stemt! Dit is een draak van een wet.
De heer Boomsma (JA21):
Ik wil gewoon wel eerst het debat volledig afronden en ook kijken hoe
het kabinet gaat reageren. Ik wist van tevoren natuurlijk ook niet
precies hoe andere partijen in de wedstrijd zaten. Er zijn ook partijen
die er redelijk positief tegenover staan en die denken: met een
amendement kan het misschien wel. Dan wil je, als die wet wel wordt
aangenomen, in ieder geval pogen om hem toch nog ietsje beter te maken.
Maar goed, ik denk dat het kabinet de kritiek nu ook goed heeft gehoord.
We hebben hier serieuze zorgen over. Ik heb net al aangegeven dat het
amendement …
De voorzitter:
Zullen we het zo doen dat u uw betoog eerst afrondt of was u al
verdergegaan met uw betoog?
De heer Boomsma (JA21):
Ik ging nu verder met mijn betoog.
De voorzitter:
Dat was gewoon een mooi bruggetje. Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Ja, het vloeide daarin over. Ik heb net al tegenover mevrouw Rooderkerk
mijn amendement over seksuele intimidatie een beetje toegelicht. Ik denk
dat het begrip soms ook heel vaag kan zijn. Ik heb ook gevallen gehoord
waarbij het gewoon heel onduidelijk is en waarbij er heel erg
verschillend wordt gekeken naar een situatie waarbij escalatie, denk ik,
niet in het belang is van wie dan ook, hoewel iedereen seksuele
intimidatie natuurlijk zo veel mogelijk wil voorkomen. Ik denk ook zeker
dat het belangrijk is om aan te sluiten bij wat er ook in de memorie van
toelichting staat, namelijk wat de regering aangeeft in antwoord op die
kritiek: er moet ook worden gekeken naar een bredere dialoog over wat
nou grensoverschrijdend gedrag is. Ik denk dat dat heel goed is. Maar
het leidt nu toch tot veel onduidelijkheid. Als je dit doet, kan je dus
ook in plaats van een discussie te hebben die leidt tot betere
bewustwording en tot een dialoog over wat die grenzen dan zijn, sneller
belanden in een situatie waarin mensen gaan wegkijken of juist tegenover
elkaar komen te staan. Dan beland je dus te snel in die escalatiemodus.
Vandaar dat amendement. Wij willen dus gewoon dat die school dat toch in
principe zelf kan afwegen, op basis van de eigen professionaliteit en de
eigen inschattingen, en dat als blijkt dat dat niet goed gaat — dat
geldt eigenlijk voor de hele wet — je je veel meer moet richten op
scholen waar het aantoonbaar niet goed gaat. Als de inspectie dus ziet,
of als uit de omstandigheden blijkt, dat het niet goed loopt op een
school en die school niet goed in staat is om op te treden bij al deze
incidenten, om te leren van incidenten en om te komen tot een beter
beleid, kun je een strenger regime gaan opleggen voor registratie,
meldingen en protocollen. Dat kun je dan tegelijkertijd aanvullen met
extra steun en hulp en met jeugdwerk en al die andere dingen waarvan we
weten dat ze in ieder geval wel helpen.
Voorzitter. Ik vind dus in brede zin ook, net als mevrouw Moorman, dat
het kabinet eigenlijk te weinig heeft gedaan met de kritiek van de Raad
van State. Er zijn een aantal kleine wijzigingen aangebracht,
bijvoorbeeld bij de monitorverplichting voor personeel en de
aangifteplicht voor meerderjarigen. Ik wil dan ook vragen waarom niet
serieuzer op die kritiek is ingegaan en waarom daaraan niet tegemoet is
gekomen, aangezien die ook zo breed leeft in het veld.
Een andere vraag die ik had is waarom kinderen onder de 12 zelfstandig
een klachtrecht moeten krijgen. Waaruit blijkt nou dat daar behoefte aan
is? Kinderen zijn toch veel te beïnvloedbaar om dat zelfstandig te
kunnen doen?
Ik denk dus dat het veel beter zou zijn om in plaats van al die
verplichtingen voor alle scholen, te gaan focussen op de scholen die nu
kampen met grote problemen, en ons dan met name te richten op de grote
veiligheidsproblemen die ik aan het begin van mijn betoog noemde. Hoe
ziet het kabinet dat? Hoe ziet de staatssecretaris dat? Welke
maatregelen zouden daarvoor het meest effectief zijn? Welke
mogelijkheden ziet het kabinet om beter op te treden tegen de toename
van criminele uitbuiting? En hoe gaan we ervoor zorgen dat leraren of
vertrouwenspersonen beter worden in het signaleren van tekenen van
mensenhandel of uitbuiting?
Voorzitter. Ik was het enigszins eens met de heer Claassen dat je
leerlingen die zich echt slecht gedragen, waar alle andere kinderen de
dupe van zijn en waar ook leraren soms geen raad meer mee weten, in het
uiterste geval moet kunnen verwijderen van school. Je moet een soort
noodventiel hebben zodat het klimaat op de rest van de school beter
wordt. Daarvoor heb je dus die opdc's. Ik heb al eerder gevraagd of de
staatssecretaris erop kan ingaan hoe dat dan gaat. Onder wiens toezicht
komen die te vallen en zijn er mogelijkheden om die opdc's beter te
benutten en meer plekken te creëren, juist om de scholen zelf veiliger
te krijgen?
Voorzitter. De heer Ceder had het ook al over antisemitisme op scholen
en universiteiten. Heeft het kabinet nou zicht op hoe vaak Joodse
scholieren van school of van de universiteit zijn gegaan, zijn gestopt
met hun opleiding of school, vanwege antisemitische agressie? Hebben we
dat goed in beeld?
Tot slot, voorzitter. Ik heb al gezegd: niet alles wat wenselijk is,
moet je ook verplicht stellen en niet alles wat wenselijk is in sommige
gevallen, moet je in alle gevallen verplichten.
Daar wil ik het eigenlijk maar even bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Voordat ik de volgende spreker uitnodig — wacht nog heel
even, mevrouw Raijer — wil ik even met uw Kamer overleggen. Het is nu
21.00 uur. We hebben nog twee sprekers, goed voor ongeveer twintig
minuten spreektijd. De staatssecretaris heeft aangegeven dat zij een
schorsing van ongeveer twintig minuten nodig heeft. Dan zal zij in haar
eerste termijn ook de twintig amendementen appreciëren. Daarna volgt er
een tweede termijn van de Kamer met moties, weer een schorsing et cetera
et cetera. Ik denk dat we twee opties hebben. Optie 1 is dat we ermee
stoppen na de eerste termijn van de Kamer. Optie 2 is dat we het debat
afmaken. Ik heb zelf niet heel veel fiducie in het scenario waarin we de
appreciatie van de amendementen doen en dan stoppen. Ik wil graag even
horen hoe de Kamer daarnaar kijkt. Daarbij geef ik ook aan dat u
uiteindelijk de baas bent.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik ben eigenlijk heel erg voor uw optie 1, dus dat we de
eerste termijn Kamer afmaken en dan stoppen, ook gezien de toch wel
fundamentele kritiek hier in deze Kamer. Ik zie hier ook niet meteen een
meerderheid zich aftekenen voor deze wet. Misschien is het gewoon
verstandig, ook voor de staatssecretaris, om even een pauze in te lassen
nadat wij de eerste termijn Kamer hebben gehad, zodat zij zich daar nog
eens op kan beraden.
De voorzitter:
Die afweging laat ik uiteraard bij u. Ik kijk naar de klok.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik zou ook voor optie 1 willen kiezen, voorzitter.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik zou ook willen kiezen voor optie 1, vanwege de zorgvuldigheid en ook
vanwege mijn eigen zorgvuldigheid.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Optie 1.
De heer Boomsma (JA21):
Optie 1.
Mevrouw Raijer (PVV):
Optie 1.
De voorzitter:
De heer Ceder. Nee, de heer Kisteman. Wie het eerst komt, die het eerst
maalt. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Het is goed om op tijd te eindigen, maar volgens mij kunnen
we gewoon tot 23.00 uur door. Ik zou dus eigenlijk gewoon willen
doorgaan tot in ieder geval de appreciaties en daarna willen kijken wat
we doen. Misschien kan het ook wel heel snel gaan als iedereen
eensgezind is. Ik zou dus niet vooraf willen stoppen, want het is de
vraag wanneer we dit weer behandelen. De agenda loopt steeds voller. Er
worden telkens heel veel debatten verschoven, terwijl we maar beperkt
plek hebben. We hebben nu nog gewoon minimaal twee uur.
De voorzitter:
Daarbij geef ik meteen aan dat we wel al even contact hebben gehad en
dat er ruimte is om dit debat op korte termijn voort te zetten. Dat is
al wel gecheckt, maar uw punt is duidelijk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik ben ook heel erg benieuwd naar de antwoorden op de vragen. Wanneer
zou die voortzetting zijn?
De voorzitter:
Daar gaat u mij op vastpinnen. We gaan erg ons best doen om dat in ieder
geval volgende week in te plannen.
De heer Kisteman (VVD):
Volgens mij is er al een meerderheid voor optie 1.
De voorzitter:
Dat is correct. Oké. Dan gaan we nu verder met de eerste termijn van de
Kamer. Mevrouw Raijer spreekt namens de fractie van de PVV. Dan stoppen
we na de inbreng van de heer Van Houwelingen, die de laatste spreker is.
Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Een docent vertelde dat hij een leerling die de
les verstoorde naar de gang stuurde. De leerling bleef gewoon zitten en
zei: u kunt mij toch niets maken. Dat is precies het probleem waar we
vandaag over spreken: niet een gebrek aan protocollen, maar het gedrag.
Wij zijn van mening dat je dit probleem dus niet oplost door formulieren
in te vullen, maar dat je juist moet zorgen voor gezag en orde, en dat
je consequent moet zijn. Elke leerling en docent in Nederland moet
veilig naar school kunnen gaan. Dat is geen vrijblijvend ideaal; dat is
de eerste voorwaarde voor goed onderwijs. Zonder veiligheid wordt er
niks geleerd en is er geen ontwikkeling.
Maar wat doet deze regering met dit wetsvoorstel? De regering wil met
dit wetsvoorstel een berg nieuwe regels, registratieplichten,
meldplichten, vertrouwenspersonen, klachtencommissies en jaarlijkse
evaluaties instellen. Dat betekent meer papier, meer ambtelijke
rompslomp en meer Excelsheets. Ondertussen wordt het probleem op
schoolpleinen en in de klas alleen maar groter.
Voorzitter. De Wet veiligheid op school bestaat al sinds 2015. Kan de
staatssecretaris aangeven welk veiligheidsprobleem vandaag niet opgelost
kan worden met de huidige wet, maar straks wel met deze wet? De PVV
steunt het doel van een veilig schoolklimaat, maar dit is weer typisch
Haags geneuzel. Leraren worden dagelijks uitgescholden, bedreigd,
geïntimideerd en soms zelfs fysiek aangevallen. Terwijl de straatcultuur
toeneemt — we zien messentrekkerijen en we zien zelfs dat het wapenbezit
op scholen toeneemt — richt het kabinet zich op procedures en
meldformulieren. Sterker nog, dit kabinet erkent zelf dat het wapenbezit
onder leerlingen toeneemt en dat scholen daar steeds vaker mee worden
geconfronteerd. Waarom kiest het kabinet dan voor meer registratie en
meldingen in plaats van maatregelen die de veiligheid op het schoolplein
daadwerkelijk verbeteren? De PVV is van mening dat veiligheid niet uit
een ambtelijk handboek komt. Veiligheid komt door gezag in de klas en
consequent optreden. Lastige leerlingen die de boel verpesten moeten
gewoon van school verwijderd worden. Een aantal collega's noemden dat
hier ook al.
Voorzitter. De problemen stapelen zich op en worden steeds groter. Uit
onderzoek van EenVandaag blijkt dat bijna de helft van de docenten te
maken heeft gehad met fysiek geweld en verbale agressie. Brutale
leerlingen, vaak met een straatmentaliteit, bepalen de sfeer in de klas.
Docenten worden steeds vaker geconfronteerd met agressie en intimidatie.
Zonder gezag in de klas kunnen leraren geen onderwijs geven.
Straatcultuur wint terrein, terwijl leraren met de handen in het haar
zitten.
Voorzitter. Leraren hebben geen tekort aan protocollen, maar aan gezag.
Kan de staatssecretaris aangeven welke maatregel in dit wetsvoorstel
ervoor zorgt dat docenten daadwerkelijk sterker voor de klas staan?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik herken alles wat er gezegd wordt. De straatcultuur is een groot
probleem en er zijn zware incidenten. Mijn vraag is: heeft de PVV een
idee hoe het komt dat dit zo is toegenomen?
Mevrouw Raijer (PVV):
Als ik daar een antwoord op had, zou ik u dat vertellen. Ik heb hier in
de Kamer een aantal keer het woord "cultuur" gehoord, en daar kan ik me
wel bij aansluiten. We zien inderdaad een hele cultuurverandering.
Daarnaast ben ik van mening dat je die problemen ook allemaal ziet
ontstaan in de multicultisamenleving: zij leven anders dan wij en hebben
een andere mentaliteit. Ja, dan krijg je problemen.
Voorzitter. Ik ga verder naar het pesten. Pesten is een ware plaag.
Kinderen komen huilend thuis en durven niet meer naar school, terwijl de
pesters ongestoord doorgaan. Geweldplegers blijven gewoon zitten, omdat
het verwijderen van geweldplegers te ingewikkeld is volgens de regels.
Scholen hebben pestprotocollen, maar die verdwijnen vaak ergens in een
lade. Het slachtoffer wordt gestraft, en de dader wordt beschermd en
blijft vaak onbestraft. Dat is de wereld op zijn kop.
Volgens de meest recente landelijke socialeveiligheidsmonitor, uit
2021-2022, geeft 17% van de basisschoolleerlingen en 9% van de
middelbare scholieren aan gepest te worden. Dat zijn geen incidenten
meer. In vrijwel iedere klas zitten leerlingen die slachtoffer zijn van
pesten, intimidatie of uitsluiting. Daarnaast laat de onderwijsinspectie
zien dat het aantal meldingen van pesten, intimidatie en geweld de
afgelopen jaren verder is toegenomen en dat de incidenten zelfs
ernstiger zijn geworden. Uit de landelijke veiligheidsmonitor blijkt dat
een op de tien leerlingen gevoelens van onveiligheid ervaart; meneer
Boomsma van JA21 had het hier ook al over. Kan de staatssecretaris
uitleggen waarom zij denkt dat extra registratieverplichtingen ervoor
zorgen dat deze leerlingen zich morgen veiliger voelen? Hoelang blijven
we nog toestaan dat structurele pesters ongestoord hun gang kunnen gaan,
terwijl gepeste kinderen thuiszitten omdat zij te bang zijn om naar
school te gaan? En wanneer gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat
bij pesten niet het slachtoffer, maar de pester wordt aangepakt?
Voorzitter. Dan de Joodse basisschool Cheider in Amsterdam. Vorige week
sloot deze school zijn deuren, omdat er bomdreigingen waren. Joodse
kinderen durven niet meer veilig naar de Joodse school te gaan. En dat
gebeurt in Nederland, anno 2026. Antisemitisme viert hoogtij,
radicalisering sluipt binnen en wat doet deze Wet vrij en veilig
onderwijs daartegen? Ondanks jarenlange beveiliging, extra toezicht en
inzet van de politie en marechaussee, moest het Cheider meerdere keren
sluiten vanwege ernstige dreigingen en veiligheidsrisico's. Dat roept de
vraag op of de huidige aanpak voldoende bescherming biedt aan Joodse
leerlingen en docenten. Hoe gaat deze wet daaraan bijdragen, vraag ik
aan de staatssecretaris. En kan de staatssecretaris aangeven wat deze
wet concreet betekent voor scholen die worden geconfronteerd met
antisemitisme, intimidatie of radicalisering? Welke extra bescherming
die zij nu nog niet hebben, krijgen deze leerlingen en docenten
straks?
En dan hebben we het nog niet eens over de bureaucratie. De VO-raad
waarschuwt dat deze wet leidt tot extra lasten en betwijfelt of de
nieuwe meldplicht zorgt voor veilige scholen. Leraren moeten lesgeven,
niet formulieren invullen. Dit kabinet stelt dat scholen onvoldoende
zicht hebben op veiligheidsincidenten. Kan de staatssecretaris aangeven
hoeveel veiligheidsproblemen daadwerkelijk zijn ontstaan doordat
incidenten niet werden geregistreerd? En welke veiligheidsproblemen
worden opgelost door nog meer registraties?
Tot slot, voorzitter. Bijna de helft van de docenten krijgt te maken met
agressie, nog te veel basisschoolleerlingen worden gepest en Joodse
scholen moeten hun deuren sluiten vanwege dreigingen, en wat krijgen
scholen van dit kabinet? Nog meer meldingen, protocollen en
registraties. De PVV kiest voor orde, gezag en veiligheid in plaats van
voor papierwerk.
Dank je wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Van
Houwelingen, die spreekt namens Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Ik zal het relatief kort houden, want veel is al
gezegd en ik heb net ook al verklapt: dit is een draak van een wet die
de veiligheid op scholen niet gaat bevorderen.
Maar wij zijn natuurlijk ook bezorgd over die veiligheid op onze
scholen. Het aantal incidenten op scholen neemt toe, zoals net ook al is
genoemd, ook het aantal zware incidenten, waarbij wapens betrokken zijn.
De staatssecretaris spreekt letterlijk over "een zich verhardende
straatcultuur". Dat brengt me tot onze eerste vraag aan de
staatssecretaris. Heeft het kabinet wellicht een idee waarom de
veiligheidssituatie op onze scholen de afgelopen decennia zo is
verslechterd? Daar lees ik namelijk weinig over. Welke grote
maatschappelijke ontwikkelingen of veranderingen in het onderwijs
gedurende de afgelopen decennia zouden dit wellicht kunnen
verklaren?
Voorzitter. Een gebrek aan veiligheid op school wijst in onze ogen
doorgaans allereerst op een gebrek aan gemeenschapszin, sociale
controle, en gedeelde normen en waarden op de school. Een school met een
sterke identiteit en een sterk gemeenschapsgevoel, een school waar
leraren en kinderen met plezier naartoe gaan, een school waar het gezag
van de leraar wordt geaccepteerd — dat is ook al een paar keer genoemd —
zal doorgaans ook een veilige school zijn. Daar moet wat Forum betreft
dus ook op worden ingezet.
Maar dat doet dit wetsvoorstel dus niet. Integendeel, er wordt op
landelijk niveau voor scholen een dwingend kader opgetuigd met allerlei
eisen en verplichtingen, waaronder "een registratieplicht voor
veiligheidsincidenten, een meldplicht voor ernstige
veiligheidsincidenten en een verplichting om de incidentenregistratie te
betrekken bij de evaluatie van het veiligheidsbeleid". Ook moeten er
straks vertrouwenspersonen op scholen worden ingesteld. Dit is weer een
citaat uit de toelichting van het kabinet bij deze wet: deze maatregelen
brengen een beperking van de vrijheid van inrichtingen met zich mee en
zorgen voor een toename van de regeldrukkosten. Ik ben blij dat het
kabinet daar tenminste heel eerlijk over is, want dat klopt allemaal.
Deze kosten zijn, lezen we, allerminst gering. Die zijn echt heel hoog.
Die bedragen straks per jaar vele tientallen miljoenen euro's, zoals de
heer Ceder ook al heeft gezegd. Die moeten dus uit het onderwijsbudget
komen. Dan kan dat geld dus niet meer aan het onderwijs worden besteed.
Dit is dus echt een draak van een wet.
Deze registraties zullen de veiligheid naar onze verwachting niet of
nauwelijks verbeteren, maar ondermijnen wel de autonomie van scholen en
brengen bovendien veel bureaucratie — dat is ook al heel vaak genoemd —
en kosten met zich mee. Ik noem ook nog die kramp die je dan krijgt op
scholen, omdat men denkt: tja, als ik iets ga registreren, dan staan we
er straks slecht op. Het levert dus helemaal niks op.
Wat helpt dan wel? Je zou immers ook iets positiefs kunnen doen. We
zeiden het al: scholen met veel sociale controle, gemeenschapsgevoel en
leraren met gezag zijn doorgaans ook veilige scholen. Dat zijn eerder
kleinschalige scholen met een duidelijke identiteit, in plaats van de
gigantische onderwijsfabrieken die onder dwang van het ministerie in de
afgelopen decennia in ons land zijn opgericht. Het ministerie heeft ons
bijvoorbeeld zelf laten weten dat het ziekteverzuim onder het personeel
in het primair onderwijs toeneemt naarmate het aantal medewerkers dat
onder een schoolbestuur valt, groter is. Onze tweede vraag aan het
kabinet is: wat vindt de staatssecretaris hiervan? Het kabinet schrijft
immers zelf in de toelichting bij deze wetswijziging dat een hoog
ziekteverzuim een aanwijzing is voor een onveilig schoolklimaat — dat
klinkt ook logisch, denk ik — net zoals het inhuren van derden,
consultants en onderwijsbureaus door het bestuur van een school
doorgaans geen goed teken is.
Daarom willen we de staatssecretaris nogmaals vragen of ze bereid is een
overzicht naar de Kamer te sturen met percentages. Daar hebben we
trouwens al heel vaak naar gevraagd. Ik weet dat ook andere partijen
hierin geïnteresseerd zijn. Die percentages zouden heel eenvoudig te
berekenen moeten zijn. Ik doel op percentages van alle uitgaven van de
schoolbesturen aan salarissen van leraren die in of voor de klas staan —
dat gaat dus om het primaire proces — uitgesplitst naar de omvang van
het schoolbestuur. Als de staatssecretaris hier geen toezegging op wil
doen, zullen we hiervoor in tweede termijn een motie indienen.
Nogmaals, voorzitter, wat helpt wel? Forum is dus van mening dat kleine,
zelfstandige scholen met een sterk gevoel van gemeenschapszin de
veiligheid op school bevorderen. De afgelopen decennia is dit type
kleine, zelfstandige scholen dus massaal vervangen door die
onderwijsfabrieken onder gigantische schoolbesturen. Denk bijvoorbeeld
aan roc's. Zowel leraar als leerling waant zich daar eerder een nummer
en er overheerst een gevoel van anomie. Dat is natuurlijk niet goed voor
de veiligheid. Wat Forum betreft worden scholen bij voorkeur weer zo
kleinschalig en zelfstandig mogelijk. Dat is goed voor het onderwijs,
maar wij denken dat dat ook goed is voor het thema van dit debat: de
veiligheid op school.
Daarom zouden we graag twee amendementen voorstellen, die aan ons zijn
voorgesteld door de vereniging van schoolleiders. Die hebben we dus niet
zelf bedacht; die komen uit het veld. Daarmee wordt de positie van
scholen versterkt ten opzichte van die van het schoolbestuur waar ze
deel van uitmaken. Wij menen dus dat dat ook goed is voor de veiligheid.
Het eerste amendement wijzigt artikel 12 van de Wet op het primair
onderwijs, zodat niet langer het bevoegd gezag, maar de schooldirecteur
verantwoordelijk is voor het opstellen van het schoolplan. Het bevoegd
gezag houdt hoogstens een toetsende en bekrachtigende rol. Dan sla ik
wat tekst over. Dat staat allemaal in de toelichting. Dat kan iedereen
lezen. Het tweede amendement voegt een nieuw artikel, artikel 29a, toe
aan de Wet op het primair onderwijs. Daarin worden de taken en
verantwoordelijkheden van de schooldirecteur expliciet wettelijk
verankerd, zodat die een wat sterkere positie krijgt.
Tot slot, voorzitter. Veiligheid op school is een groot probleem. We
geloven echter dat allerlei meld- en registratieplichten die wettelijk
worden opgelegd vanuit het ministerie niet de veiligheid op scholen
zullen vergroten, maar slechts de bureaucratie en de regeldruk, en dat
die tot veel extra kosten zullen leiden. Daarom zijn wij tegen dit
wetsvoorstel.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn aan de
zijde van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
We hebben zojuist afgesproken dat we het debat hierbij laten, maar we
gaan dit debat zo snel mogelijk voortzetten. Er wordt nu al druk gekeken
wanneer dat kan. Jullie zijn een drukke commissie, heb ik al begrepen.
Er zijn er veel commissieactiviteiten in de komende weken, maar we gaan
ons best daarvoor doen. Ik sluit de vergadering.
Sluiting
Sluiting 21.24 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|