Nota van wijziging
Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Nota van wijziging
Nummer: 2026D26836, datum: 2026-06-03, bijgewerkt: 2026-06-03 16:35, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij de Nota van wijziging inzake Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Kamerstuk 36917)
Onderdeel van kamerstukdossier 36917 -9 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.
Onderdeel van zaak 2026Z05923:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-05-21 14:10 ⇒ Agenderen voor plenair debat. (Besluit)
- 2026-05-21 10:15 ⇒ Aanmelden voor plenaire behandeling. (Besluit)
- 2026-04-24 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-04-02 10:15 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 24 april 2026 om 10.00 uur. (Besluit)
- 2026-04-02 10:15 ⇒ Middels e-mail wordt geïnventariseerd welke leden meegaan met het werkbezoek aan Beeld en Geluid en Bureaus Lokaal op vrijdag 24 april 2026. (Besluit)
- 2026-04-02 09:30 ⇒ De tijdelijke commissie besluit een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36917) gelet op het dictum en advies van de Raad van State. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-31 16:25 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Besluit)
Onderdeel van zaak 2026Z11761:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-03-31 16:25: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-02 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-04-02 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-04-24 10:00: Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-04-24 10:00: Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid en Bureaus Lokaal (geannuleerd) (Werkbezoek), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-05-21 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-05-21 14:10: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-22 00:00: Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau 36917 (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
| 36 917 | Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau |
| Nr. 9 | NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 3 juni 2026 |
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel QQ, wordt als volgt gewijzigd:
In het voorgestelde artikel 2.190 wordt het tweede derde lid vernummerd tot vierde lid en worden het vierde (oud) en vijfde lid hernummerd tot vijfde en zesde lid.
B
Artikel I, onderdeel YY, wordt als volgt gewijzigd:
1
Na het opschrift van de voorgestelde titel 9.2b wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:
Artikel 9.14h1
In deze titel wordt verstaan onder:
nieuwe wet: Wet van [] tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Stb. 202x, xxx).
2
Het voorgestelde artikel 9.14i komt te luiden:
Artikel 9.14i
Onze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.
3
Het voorgestelde artikel 9.14k komt te luiden:
Artikel 9.14k
1. Aanwijzingen als lokale publieke media-instelling op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet die gelden op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet blijven van rechtswege gelden tot het begin van de eerste concessie die wordt verleend aan de NLPO op grond van artikel 2.87d, en vervallen daarna van rechtswege.
2. Voor de lokale publieke media-instellingen, bedoeld in het eerste lid, blijft de Mediawet 2008 van toepassing zoals deze luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet.
3. In afwijking van het tweede lid bestaat het college van omroepen van de NLPO tot het begin van de eerste concessie van de NLPO uit het college van omroepen van het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zoals dat college van omroepen was samengesteld voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet.
4. Op bezwaar en beroep tegen een besluit over aanwijzing als lokale publieke media-instelling dat is genomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet blijft de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet van toepassing.
5. Indien op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet in een gemeente of gemeenten geen geldende aanwijzing als lokale publieke media-instelling is op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, de laatste zodanige aanwijzing is vervallen na 1 juli 2026, er een lopende aanwijzingsprocedure is op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet en er één aanvrager is over wie in die aanwijzingsprocedure door de betrokken gemeenteraad of -raden op grond van artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet is geadviseerd dat deze voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, danwel één aanvrager die de voorkeur heeft gekregen in de adviesvraag aan de gemeenteraad of -raden in het kader van de toetsing van het Commissariaat, bedoeld in artikel 2.63, tweede lid, van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, wordt die aanvrager van rechtswege aangewezen als de betreffende lokale publieke media-instelling met ingang van de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Deze aanwijzing geldt tot het begin van de eerste concessie van de NLPO en vervalt daarna van rechtswege.
6. Indien op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet in een gemeente geen geldende aanwijzing als lokale publieke media-instelling is op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, de laatste zodanige aanwijzing is vervallen na 1 juli 2026 en het vijfde lid niet van toepassing is, wordt de laatste zodanig aangewezen lokale publieke media-instelling in die gemeente van rechtswege aangewezen als de betreffende lokale publieke media-instelling met ingang van de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Deze aanwijzing geldt tot het begin van de eerste concessie van de NLPO en vervalt daarna van rechtswege.
7. Bij toepassing van het vijfde of zesde lid is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
8. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing bij inwerkingtreding van de nieuwe wet na april 2027.
9. In afwijking van artikel 2.170b, eerste lid, van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, dragen de betrokken colleges van burgemeester en wethouders bij toepassing van het zesde lid gedurende de periode vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet tot het begin van de eerste concessie van de NLPO zorg voor de bekostiging van de lokale publieke media-instelling in hun gemeente.
4
Het voorgestelde artikel 9.14l wordt als volgt gewijzigd:
a. Aan het slot van onderdeel a wordt een zin toegevoegd, die luidt:
Indien de periode, bedoeld in de aanhef, mede een volgend kalenderjaar omvat, wordt de uiterste datum voor indiening van de begroting van de NLPO voor dat jaar bepaald door Onze Minister, met dien verstande dat indiening in elk geval plaatsvindt vóór het begin van dat kalenderjaar.
b. Onderdeel e vervalt.
5
Na het voorgestelde artikel 9.14m wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:
Artikel 9.14m1
In afwijking van artikel 2.170d stelt Onze Minister voorafgaand aan de aanwijzingsperiode, bedoeld in artikel 2.87j, eerste lid, waarvan het begin gelijktijdig is met het begin van de eerste concessie van de NLPO, het totaalbudget dat gedurende die aanwijzingsperiode jaarlijks ten minste beschikbaar is voor de bekostiging van de lokale publieke media-instellingen vast voorafgaand aan de start van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2.87u, tweede lid, dat op die aanwijzingsperiode betrekking heeft.
Toelichting
Deze nota van wijziging bevat het herstel van een misslag en aanpassingen van het overgangsrecht.
A
Het voorgestelde artikel 2.190 heeft twee leden die als derde lid worden aangeduid. Dat wordt hier door middel van hernummering hersteld.
B
1
Subonderdeel 1 voegt met het voorgestelde artikel 9.14h1 een definitiebepaling voor “nieuwe wet” toe. Hiermee wordt de Wet van [] tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Stb. 202x, xxx) bedoeld. De definitiebepaling geldt voor de voorgestelde titel 9.2b, die het overgangsrecht van het wetsvoorstel bevat. De definitiebepaling strekt ertoe de overgangsbepalingen beter leesbaar te maken.
2
Het voorgestelde 9.14i, de evaluatiebepaling, wordt met subonderdeel 2 herschreven met toepassing van de definitiebepaling uit subonderdeel 1. Er is geen sprake van inhoudelijke wijziging.
3
Subonderdeel 3 bevat het gewijzigde overgangsrecht voor aanwijzingen als lokale publieke omroep op grond van de huidige Mediawet 2008. Het overgangsrecht wordt verruimd en verduidelijkt.
Er wordt een nieuw artikel 9.14k voorgesteld. De wijzigingen in het eerste tot en met vierde lid zien uitsluitend op het gebruik van de definitie “nieuwe wet”. In deze leden is geen inhoudelijke wijziging aangebracht. Het vijfde tot en met negende lid bevatten de verruiming en verduidelijking van het overgangsrecht voor de aanwijzingen als lokale publieke omroep.
Het oorspronkelijke overgangsrecht voor de aanwijzingen in het wetsvoorstel houdt in dat aanwijzingen als lokale publieke omroep die gelden op het moment van het in werking treden van het wetsvoorstel van rechtswege blijven gelden tot het begin van de eerste concessie van de NLPO en daarna van rechtwege vervallen (artikel 9.14k, eerste lid). De wetgever zorgt er zo voor dat de geldende aanwijzingen worden verlengd voor de duur van de zogenoemde overgangsperiode. Dit is de periode tussen het moment van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en de start van het nieuwe stelsel, dat wil zeggen: het moment waarop de aanwijzingen als lokale publieke omroep op grond van het wetsvoorstel en de eerste concessie van de NLPO van start gaan. In deze overgangsperiode worden de benodigde voorbereidingen voor het nieuwe stelsel gerealiseerd, waaronder de aanwijzingsprocedures voor de nieuwe lokale publieke omroepen.
Aangrijpingspunt voor de overgangsbepaling zijn dus geldende aanwijzingen als lokale publieke omroep. Voor een goed begrip is van belang dat aanwijzingen op grond van de huidige Mediawet 2008 een vaste duur hebben van vijf jaar, en dat er geen startmoment is geregeld. Dit betekent dat aanwijzingen door het jaar heen vervallen en er door het jaar heen aanwijzingsprocedures worden opengesteld en doorlopen. Volgens het wetsvoorstel blijft de vaste duur van vijf jaar gehandhaafd, maar gaat voor alle aanwijzingen gelden dat ze tegelijk beginnen en wel tegelijk met de start van een concessie of de tweede helft van een concessie van de NLPO. Een concessie bestaat uit twee tijdvakken van vijf jaar.
De taak en bevoegdheid om instellingen aan te wijzen als lokale publieke omroep zijn in de Mediawet 2008 belegd bij het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat).1 Aan dat gegeven verandert het wetsvoorstel niets.2 In de verwachting dat het wetsvoorstel per 1 juli 2026 in werking zou treden, is het Commissariaat medio 2025 gestopt met het openstellen van procedures voor de aanwijzing als lokale publieke omroep. Het stopzetten betrof de vervanging van aanwijzingen die na 1 juli 2026 zouden vervallen. Immers, wanneer inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 juli 2026 zou worden gerealiseerd, zouden dergelijke procedures, gelet op het overgangsrecht, overbodig zijn geweest.
Inmiddels is duidelijk dat het wetsvoorstel niet per 1 juli 2026 in werking zal treden. Het Commissariaat heeft daarom de aanwijzingsprocedures hervat.3 Blijkens de publicatie in de Staatscourant op 1 mei 2026 gaat het om aanwijzingen in 22 gemeenten.4 De website van het Commissariaat maakt duidelijk dat deze hervatting procedures betreft voor de veertien aanwijzingen (sommige omroepen zijn aangewezen voor meer dan één gemeente) die vervallen in de periode van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027. Voor deze procedures geldt als aanvraagtijdvak de periode van 1 tot en met 31 mei 2026. Het Commissariaat vermeldt op zijn website te voorzien dat besluitvorming volgens de hervatte aanwijzingsprocedures plaatsvindt in de periode van oktober 2026 tot en met april 2027.
Het is, ondanks de inspanningen van het Commissariaat, niet ondenkbaar dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel op een datum die later is dan 1 juli 2026, maar niet zodanig later dat de inhaalslag van het Commissariaat al volledig zijn beslag heeft kunnen krijgen, in een aantal gemeenten op de datum van die daadwerkelijke inwerkingtreding geen aanwijzing voorhanden is waarvoor het oorspronkelijke overgangsrecht zijn werking kan hebben. Dat is onwenselijk. Voor die situatie wordt het overgangsrecht verruimd.
Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk ruimte wordt gelaten voor het functioneren van de aanwijzingsprocedure. Het gaat bij de aanwijzing als lokale publieke omroep immers om de verdeling van schaarse rechten. Die is het beste geborgd in een open en eerlijke procedure, waarbij aanvragers zoveel mogelijk gelijke kansen hebben om een aanwijzing te verkrijgen. Verder dient zoveel mogelijk recht te worden gedaan aan de positie van de betrokken gemeenten, als wettelijk adviseur (de gemeenteraad) en als bekostiger van de lokale publieke omroep (het college van burgermeester en wethouders).5 Ook dat gebeurt het beste door het doorlopen van een aanwijzingsprocedure. Maar het is met het oog op een geslaagde overgang van het huidige stelsel voor de lokale publieke omroep naar de nieuwe inrichting daarvan op grond van het wetsvoorstel noodzakelijk om duidelijkheid te creëren en te zorgen voor continuïteit, zodat in beginsel in alle gemeenten lokale publieke omroepen zijn die meekunnen in de overgangsperiode. Daarnaast moet voorkomen worden dat het Commissariaat en overige betrokkenen ook na de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel nog belast zouden zijn met aanwijzingsprocedures op grond van het - dan - oude recht, terwijl die procedures zouden leiden tot aanwijzingen die, hoewel formeel voor een tijdvak van vijf jaar verleend, effectief een kortere gelding zouden hebben dan de duur van de overgangsperiode. Dat zou ondoelmatig zijn en niet passen bij de onderbouwing van het (oorspronkelijke) overgangsrecht, waarin een belangrijk element is dat de duur van een aanwijzing op grond van de huidige Mediawet 2008 bij de overgang naar het nieuwe stelsel niet korter is dan de duur van de overgangsperiode.6
De uitbreiding van het overgangsrecht geldt uitsluitend in situaties dat de laatste aanwijzing als lokale publieke omroep is vervallen na 1 juli 2026. De uitbreiding ziet primair op de volgende situatie (artikel 9.14k, vijfde lid). Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel is er in een gemeente geen geldende aanwijzing als lokale publieke omroep. Er is wel een lopende aanwijzingsprocedure en er is sprake van een positief advies van de betrokken gemeenteraad of -raden voor één aanvrager. Dit kan zijn een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet 2008 (dat wil zeggen dat de aanvrager voldoet aan wettelijke vereisten), of een zogenoemd voorkeursadvies in het kader van de toets van het Commissariaat op grond van artikel 2.63, tweede lid, van de Mediawet 2008. Een voorkeursadvies is aan de orde wanneer er meer aanvragers zijn voor wie een positief advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet 2008 is uitgebracht door de gemeenteraad of -raden.
Als dus de advisering van de betrokken gemeenteraad of -raden klip en klaar wijst naar één aanvrager, ligt aanwijzing van die aanvrager zo voor de hand dat de regering die stand van zaken wil honoreren. De betreffende instelling wordt dan per inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel van rechtswege aangewezen als lokale publieke omroep voor de betrokken gemeente(n). De aanwijzing eindigt, eveneens van rechtswege, bij de start van het nieuwe stelsel.
Ten slotte is er een vangnetbepaling (artikel 9.14k, zesde lid). Als op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel in een gemeente geen geldende aanwijzing als lokale publieke omroep voorhanden is en de hierboven beschreven situatie zich niet voordoet, dan wordt aansluiting gezocht bij het naastliggende aanknopingspunt voor legitimiteit van een aanwijzing. Dat betekent dat de instelling van wie de aanwijzing als lokale publieke omroep in die gemeente na 1 juli 2026 is vervallen met ingang van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel als lokale publieke omroep opnieuw voor die gemeente wordt aangewezen. Uiteraard kan deze vangnetbepaling alleen werken als de betreffende instelling nog bestaat op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet.
Aanwijzing van rechtswege betekent dat geen sprake is van een nieuw aanwijzingsbesluit van het Commissariaat. Aldus wordt optimaal voorkomen dat het Commissariaat en overige betrokkenen ook na de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel nog belast zouden zijn met aanwijzingsprocedures op grond van het - dan - oude recht. Het ligt wel voor de hand dat het Commissariaat bekendheid geeft aan de aanwijzing van rechtswege van de lokale publieke omroepen die het betreft.
Voor zover sprake is van een periode tussen het vervallen van een aanwijzing als lokale publieke omroep en de aanwijzing van rechtswege wordt verwezen naar het gedoogbeleid van het Commissariaat in vergelijkbare situaties. Uitgangspunt is dat de oude lokale publieke omroep in die fase zijn werkzaamheden voortzet.7 Het Commissariaat geeft aan dat hij de gedoogfase, dat wil zeggen de periode tussen het vervallen van een aanwijzing en de start van de nieuwe aanwijzing voor hetzelfde verzorgingsgebied, zo kort mogelijk wil houden. De regering onderschrijft dit streven, dat ook blijk geeft van een inzet van het Commissariaat op een voortvarende aanpak van de hervatte procedures.
Voor de aanwijzingen op grond van artikel 9.14k, vijfde of zesde lid, blijft de – dan – oude Mediawet 2008 van toepassing (artikel 9.14k, zevende lid). Dit betekent voor de aanwijzingen op grond van het vijfde lid ook dat de bekostiging door de betreffende gemeente of gemeenten in de overgangsperiode doorloopt. In de situatie van het vijfde lid wordt namelijk voldaan aan artikel 2.170b, eerste lid, van de huidige Mediawet 2008. Volgens deze bepaling is aan een positief advies van een gemeente uitdrukkelijk een bekostigingsverplichting verbonden.8 Voorts is van belang dat in de overgangsperiode de uitname uit het gemeentefonds van het bedrag dat is gerelateerd aan de gemeentelijke bekostiging nog niet heeft plaatsgevonden. Overigens was het dóórlopen van de gemeentelijke bekostigingsverplichting tijdens de overgangsperiode al voorzien voor het oorspronkelijke overgangsrecht.9
Zoals hierboven al is aangehaald, voorziet het Commissariaat blijkens de publicatie op zijn website dat besluitvorming volgens de per 1 mei hervatte aanwijzingsprocedures plaatsvindt in de periode van oktober 2026 tot en met april 2027. Dit betekent dat de uitbreiding van het overgangsrecht haar noodzaak verliest bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel na april 2027. Een overeenkomstige beperking in de tijd is derhalve opgenomen (artikel 9.14k, achtste lid).
Ten slotte wordt buiten twijfel gesteld dat ook bij toepassing van het zesde lid de bekostiging van de lokale publieke omroep tijdens de overgangsperiode gebeurt door de betreffende gemeente of gemeenten (artikel 9.14k, negende lid). Deze bepaling is een uitzondering op het voorschrift dat de huidige Mediawet 2008 tijdens de overgangsperiode van toepassing blijft voor de aanwijzingen die onder het overgansgrecht vallen. Het huidige artikel 2.170b, eerste lid, van de Mediawet 2008 maakt immers uitdrukkelijk de verbinding tussen een positief advies van een gemeente over aanwijzing en het ontstaan van de bekostigingsverplichting. En een dergelijk advies zal bij toepassing van het zesde lid ontbreken. Ook hier is van belang dat in de overgangsperiode de uitname uit het gemeentefonds van het aan de gemeentelijke bekostiging gerelateerde bedrag nog niet heeft plaatsgevonden.
4
Het voorgestelde artikel 9.14l gaat over begrotingen van de NLPO in de overgangsperiode. Wanneer het wetsvoorstel in werking treedt in de loop van een kalenderjaar, gaat het daarbij om een begroting voor de rest van dat kalenderjaar en een begroting voor het opvolgende jaar. De wijziging van artikel 9.14l houdt een versoepeling in ten aanzien van de indieningsdatum van de tweede begroting. De nieuw voorgestelde bepaling is dat de Minister van OCW die indieningsdatum vaststelt. Zo kan voor deze eenmalige situatie een maatwerkdatum worden bepaald. Wel blijft voorgeschreven dat indiening van de begroting gebeurt vóór het begin van dat opvolgende jaar.
5
Toegevoegd wordt een overgangsbepaling voor artikel 2.170d van het wetsvoorstel. Dat artikel regelt dat de Minister van OCW vóór 1 augustus van het tweede jaar dat voorafgaat aan een aanwijzingsperiode van lokale publieke omroepen het totaalbudget vaststelt dat gedurende die periode jaarlijks ten minste beschikbaar is voor die lokale omroepen. Die specifieke datum is mogelijk niet werkbaar voor de allereerste aanwijzingsperiode op grond van het wetsvoorstel, namelijk in de situatie dat inwerkingtreding van het wetsvoorstel gebeurt in de loop van de tweede helft van het tweede jaar dat voorafgaat aan die eerste aanwijzingsperiode. Voor de eerste aanwijzingsperiode op grond van het wetsvoorstel is daarom in het nieuw voorgestelde artikel 9.14m1 bepaald dat de vaststelling van het budget moet gebeuren vóór de start van het aanvraagtijdvak voor aanwijzing als lokale publieke omroep. Die aanpassing geeft meer flexibiliteit, maar verzekert nog steeds dat aanvragers tijdig kunnen weten welke bekostiging zij van het Rijk kunnen verwachten, zodat zij hun beleidsplannen daarop kunnen afstemmen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Zie paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008.↩︎
Zie de voorgestelde paragraaf 2.4.3 van het wetsvoorstel.↩︎
Zie de informatie op de website van het Commissariaat. Het gaat om een verkorte procedure.
Stcrt. 2026, nr. 16187.↩︎
Zie paragraaf 2.3.1a en artikel 2.170b van de Mediawet 2008.↩︎
Zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2025/26, 36917, nr. 3, p. 84-85.↩︎
Zie via de website van het Commissariaat: Leidraad_verkorte_aanwijzingsprocedure_lokale_publieke_omroepen.pdf; de eerste pagina van de toelichting.↩︎
Zie artikel 2.170b, eerste lid, van de Mediawet 2008. Meer precies gaat het om een positief advies over de vraag of de aanvrager een representatief programmabeleid bepalend orgaan heeft.↩︎
Zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2025/26, 36917, nr. 3, p. 85.↩︎