Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Kamerstuk 36945-VI-2)
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie en Veiligheid 2025
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D27878, datum: 2026-06-08, bijgewerkt: 2026-08-24 13:25, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiƫle HTML versie (kst-36945-VI-6).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (JA21)
- Mede ondertekenaar: B.A. Paauwe, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VI-6 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie en Veiligheid 2025 .
Onderdeel van zaak 2026Z12282:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-03 14:19 ā Afgevoerd van de stand der werkzaamheden. (Besluit)
- 2026-06-23 17:00 ā Behandeld. (Besluit)
- 2026-06-18 10:00 ā Agenderen voor het wetgevingsoverleg over het jaarverslag en de Slotwet 2025 ministerie Justitie en Veiligheid op 23 juni 2026. (Besluit)
- 2026-06-10 14:00 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-10 14:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-18 10:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-06-23 17:00: Jaarverslag en Slotwet 2025 ministerie Justitie en Veiligheid (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-09-03 14:19: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (š origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 |
36 945 VI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Justitie en Veiligheid 2025
Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de brief van 20 mei 2026 over het Rapport resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (Kamerstuk 36 945 VI, nr. 2). De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 8 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie,
Paauwe
Vraag (1):
Is de regering het eens met de observatie van de Algemene Rekenkamer dat het gebrek aan stuurinformatie over de (strafrecht)ketenprestaties een effectieve aanpak in de weg staat?
Antwoord:
Het is belangrijk om te beschikken over juiste en tijdige informatie om de voortgang en de prestaties in de strafrechtketen te kunnen monitoren. Deze informatie is van belang om samen met de keten te kijken of er tussentijds bijsturing nodig is, en of wij als verantwoordelijke bewindspersonen de ketenorganisaties extra kunnen ondersteunen om de prestaties te verbeteren. Er zijn al verschillende instrumenten beschikbaar om de prestaties in de keten te kunnen monitoren. Om beter vooruit te kunnen kijken en tijdig bij te kunnen sturen wordt hard gewerkt aan belangrijke aanvullende instrumenten.
In de strafrechtketen is de nodige informatie voorhanden over de voortgang in strafzaken, zoals de (factsheet) Strafrechtketenmonitor. Om intern te sturen beschikken de ketenorganisaties over eigen dashboards en monitors op grond waarvan wordt gestuurd. Om in de toekomst gezamenlijk beter te kunnen sturen wordt bovendien gewerkt aan enkele aanvullende instrumenten.
Naast de landelijke monitors wordt er hard gewerkt aan lokale strafrechtketenmonitors op de geprioriteerde zaakstromen. Er is inmiddels een pilot uitgevoerd op een regionale zedenmonitor en een regionale jeugdmonitor. In verschillende regioās wordt van deze monitors gebruik gemaakt.
In dit licht is tevens in de afgelopen periode een verkenning uitgevoerd naar de bruikbaarheid van een tool om in de keten vooruit te kijken, op basis van het PMJ-model. Deze tool zou kunnen helpen om beter zicht te krijgen op hetgeen op de partners afkomt, specifiek met betrekking tot de te verwachten hoeveelheid zaken. Op grond hiervan kunnen de organisaties preciezer inschatten welke capaciteitsinzet benodigd zal zijn. De komende tijd wordt samen met de ketenorganisaties gekeken hoe deze door het WODC ontwikkelde tool het beste kan worden ontwikkeld en gebruikt.
Vraag (2):
Kan de regering aangeven hoe zij van plan is om het gebrek aan stuurinformatie in de (strafrecht)keten weg te nemen?
Antwoord:
De komende periode wordt de informatie waarmee binnen de keten kan worden gestuurd verbeterd. Actuele informatie vanuit de keten, zoals hierboven toegelicht, wordt al op verschillende manieren gedeeld. Dit gebeurt niet alleen via bestuurlijke gesprekken die wij met individuele ketenorganisaties voeren, maar ook via het Bestuurlijk Ketenberaad, waar J&V thans voorzitter van is. Ook beschikken we over de strafrechtketenmonitor en de jeugdmonitor.
Op het terrein van jeugd is het gelukt om een doorbraak te bereiken in het delen van data, waardoor er kan worden gewerkt aan ketenbrede informatie over de doorlooptijden ten aanzien van deze zaakstroom. Deze systematiek kan in de toekomst ook voor andere zaakstromen gaan helpen.
Daarnaast heeft het CJIB in het kader van het deltaplan strafrechtketen de opdracht gekregen om ten aanzien van de geprioriteerde zaakstromen een verkenning te doen naar de mogelijkheid van het ontwikkelen van een strafrechtketen breed dashboard en een bijbehorend systeem van besturen naar het model van de executieketen.
De afgelopen periode is een verkenning uitgevoerd naar de bruikbaarheid van een tool om in de keten vooruit te kijken, op basis van het PMJ-model. Deze tool kan helpen om beter zicht te krijgen op de te verwachten hoeveelheid zaken voor verschillende ketenpartners. Wij zullen de komende tijd samen met de ketenorganisaties kijken hoe deze tool het beste kan worden ontwikkeld en gebruikt.
Vraag (3):
Kan de regering aangeven hoe zij van plan is om te zorgen dat de keten op zijn minst aan de voorwaarden voor decharge gaat voldoen?
Antwoord:
Die voorwaarden behelzen de beschikbaarheid van essentiƫle informatie over doorlooptijden van individuele zaken, en hoe de bewindspersonen hun wettelijke bevoegdheid om aanwijzingen te geven en regie te voeren inzetten ter bevordering van de bedrijfsvoering.
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven wordt bezien of gekomen kan worden tot een ketenbreed dashboard naar het model van de executieketen. Het CJIB heeft al de opdracht gekregen om hiertoe een verkenning te doen. Hiermee wordt onderzocht op welke wijze individuele zaken door de keten kunnen worden gevolgd en wat daar voor nodig is.
Wat betreft de inzet van aanwijzingsbevoegdheid past hierbij uiterste terughoudendheid. De aanwijzingsbevoegdheid komt bijvoorbeeld in geval van de Rechtspraak pas in beeld bij zwaarwegende beheer- of stelselrisicoās, nadat regulier overleg, afspraken en escalatie binnen de governance met de Raad voor de Rechtspraak geen oplossing hebben geboden. De aanwijzing moet beperkt zijn tot zuiver beheer en organisatie en mag derhalve ook niet indirect eventueel kunnen leiden tot beĆÆnvloeding van te maken keuzes in individuele zaken of rechterlijke oordeelsvorming.
De huidige omstandigheden geven ons geen aanleiding nu een dergelijke aanwijzing te overwegen. Wij zien dat alle partijen binnen de strafrechtketen zeer gemotiveerd zijn de resultaten in de keten in brede zin te verbeteren. Er is evident geen sprake van onwil bij partijen, maar de materie is weerbarstig en complex. Dit laat onverlet dat wij de regie op de strafrechtketen op andere manieren versterken. Zo is er sinds kort binnen het departement een programmadirecteur strafrechtketen aangesteld om de coƶrdinatie binnen en vanuit het departement richting de strafrechtketen steviger vorm te geven. Zijn taak is om samen met de ketenorganisaties de prestaties in de strafrechtketen te helpen verbeteren en een soepele en ordentelijke implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering te bevorderen. In de voortgangsbrief Strafrechtketen wordt nader op het versterken van de regie en de aanwijzingsbevoegdheid ingegaan.
Vraag (4):
Kan de regering aangeven hoe zij van plan is om duidelijke doelen voor de prioriteiten uit de beleidsagenda op te gaan stellen, zodat het voor de Tweede Kamer duidelijker is hoe de regering voortgang op beleidsprioriteiten bijhoudt en zij daarop kan controleren?
Antwoord:
Zoals door het kabinet is toegezegd in het verantwoordingsdebat van 3 juni jl., zullen in de Ontwerpbegroting 2027 duidelijke doelen worden opgenomen waarbij ook risicoās zullen worden benoemd. Dit is een Rijksbrede uitwerking van de motie Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36 740, nr. 7) en het verzoek van de Commissie Rijksuitgaven (Kamerstuk 31 865, nr. 284).
Vraag (5):
De Algemene Rekenkamer licht ook de Nederlandse score op de Rule of Law-index uit: kan de regering aangeven of zij deze index (al dan niet wettelijk vastgelegd) zou willen benutten als een vaste indicator en richtlijn voor de publieke dienstverlening op het gebied van justitie en veiligheid?
Antwoord:
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke democratische rechtsstaat en van betrouwbare indicatoren die inzicht geven in het functioneren van de instituties die deze rechtsstaat vormgeven, waaronder de justitiƫle en veiligheidsketen. De internationale Rule of Law Index vormt in samenhang met andere kwalitatieve en kwantitatieve bronnen/instrumenten een waardevolle bron van informatie, omdat deze inzicht biedt in aspecten zoals toegang tot het recht, onafhankelijkheid van instituties, transparantie, corruptiebestrijding en vertrouwen in de rechtsorde.
De index biedt een nuttig signalerend en spiegelend perspectief, vergelijkbaar met rapportages van de European Commission for the Efficiency of Justice (CEPEJ), het jaarlijkse EU-Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie en adviezen en standaarden van de Venetiƫ Commissie van de Raad van Europa. Deze rapporten en instrumenten bieden in samenhang een breed en verdiepend beeld van onder andere toegang tot het recht, kwaliteit en efficiƫntie van de rechtspraak, institutionele checks and balances en de bescherming van fundamentele rechtsstatelijke beginselen.
Het kabinet onderstreept het belang van het structureel en in samenhang monitoren van ontwikkelingen op het terrein van de rechtsstaat, rechtsbescherming en toegang tot het recht. Omdat een zorgvuldige beoordeling van het functioneren van de rechtsstaat vraagt om een bredere weging van verschillende kwalitatieve en kwantitatieve bronnen en instrumenten zijn internationale rapportages en vergelijkende indicatoren juist als onderdeel van een bredere beoordeling een waardevol ijkpunt voor beleidsreflectie en beleidsontwikkeling. Een wettelijke verankering van ƩƩn specifieke internationale index acht het kabinet daarom op dit moment niet wenselijk.
Vraag (6):
Kan de regering per ketenpartner (Openbaar Ministerie, politie, rechtspraak) de actuele gemiddelde doorlooptijden per zaakstype (zeden, jeugd, verkeer) over 2023 tot 2025 geven voor zover beschikbaar?
Antwoord:
In de Factsheet Strafrechtketenmonitor wordt niet gerapporteerd over gemiddelde doorlooptijden. De achtergrond is dat gemiddelde doorlooptijden sterk beĆÆnvloed kunnen worden door extreme waarden. Gemiddelden geven daardoor een vertekend beeld. In de Factsheet is ervoor gekozen om te rapporteren over het percentage dat binnen een bepaald aantal dagen wordt afgedaan. Hiermee wordt de voortgang met betrekking tot de gestelde streefnormen gemonitord. De factsheet is opgenomen onder het antwoord op vraag 29.
Vraag (7):
Kan de regering uiteenzetten welke afwegingen er worden gemaakt bij de zaken die de doorlooptijd beĆÆnvloeden? Achterblijven van het beloop van het recht schaadt vertrouwen in de overheid: wat als naast zorgvuldigheid ook snelheid wordt gewogen? En hoe heeft dat dan invloed op een score van de Algemene Rekenkamer?
Antwoord:
Focus op doorlooptijden alleen is uiteindelijk onvoldoende is om de prestaties als geheel te verbeteren. Een goed functionerende strafrechtketen is een keten die er niet alleen voor zorgt dat strafzaken binnen redelijke termijn tot een einde komen, maar ook dat straffen rechtvaardig en effectief zijn. Wij zijn daarom voornemens om samen met de ketenorganisaties de focus te verbreden en daarbij te kijken naar de gehele keten, van het begin van de opsporing tot en met de executie hoe die maatschappelijke doelstellingen het beste gehaald kunnen worden, inclusief het vergroten van het vertrouwen van de samenleving in het strafrecht.
Vraag (8):
Welke ambitieuze en haalbare doelstellingen denkt de regering dat vastgesteld kunnen worden op basis van de indicatoren in het justitie- en veiligheidsdomein die de Algemene Rekenkamer deelt, bijvoorbeeld de Rule of Law-index, het aantal geregistreerde en opgehelderde meldingen, etc.?
Antwoord:
De werkwijze voor doelstellingen en indicatoren is andersom. Het kabinet stelt doelstellingen vast aan de hand van het coalitieakkoord. Daarbij worden passende acties gezocht en indicatoren om de voortgang op en de effectiviteit van de acties te kunnen meten, monitoren en evalueren.
Vraag (9):
Welke risicoās ziet de regering ten aanzien van de foutieve tenaamstellingen in het komende jaar, bijvoorbeeld ten aanzien van met terugwerkende kracht herstellen van fouten, het herstellen van fouten samen met andere organisaties zoals Openbaar Ministerie en Rechtspraak en hoe nieuwe wetsvoorstellen of koppelingen (zoals het Europees strafregistratiesysteem Ecris van een tijdje terug) hier weer een foutmarge in brengen? Hoe voorkomen we dat het volgend jaar weer verergerd is?
Antwoord:
Voor de risicoās van foutieve tenaamstellingen is van belang om welke fase van het strafproces het gaat. Voordat een strafvonnis onherroepelijk is geworden, stelt de Matching Autoriteit binnen Justid conform de bestaande werkwijzen de Leidende Administratieve Identiteit vast.
Daarnaast wordt dit verwerkt in de strafrechtketendatabank. Hiermee worden de ketenpartners die dit register raadplegen voorzien van adequate informatie. Nadat een strafvonnis onherroepelijk is geworden, kan de Matching Autoriteit zelf correcties doorvoeren als het gaat om gevallen die zich lenen voor een administratieve correctie. In andere gevallen is rechterlijke tussenkomst vereist. In beide soorten gevallen wordt in de systemen een markering aangebracht, zodat de raadplegende organisaties op de hoogte kunnen zijn. Voor systemen zoals ECRIS, waarbij het justitiƫle documentatiesysteem betrokken is, geldt ook dat daarin is gemarkeerd wanneer sprake is van een mogelijk identiteitsconflict, zodat de organisaties die dit raadplegen kunnen voorkomen dat onjuiste informatie zonder nader onderzoek gebruikt wordt.
Daarmee zijn de risicoās niet volledig weggenomen. Volledige foutloosheid is niet realistisch, omdat identiteitsgegevens op verschillende momenten in de strafrechtketen worden vastgesteld, verwerkt en gebruikt door meerdere organisaties. De inzet is daarom om risicoās voor burgers en ketenprocessen zo snel mogelijk te beperken, signalen sneller te herkennen en herstel zorgvuldig te organiseren. Daarvoor lopen momenteel diverse trajecten in verband met de aanpak van de problematiek van onjuiste tenaamstellingen in onherroepelijke vonnissen. Over de voortgang hiervan wordt de Kamer periodiek bij brief geĆÆnformeerd.
Vraag (10):
Kan de regering uiteenzetten waarom het niet mogelijk is om de omvang van het probleem van de foutieve tenaamstellingen vast te stellen? Zijn daar randvoorwaardelijke oorzaken voor, zoals tekortschietende ICT-toepassingen? Zo ja, hoe is de regering voornemens om die randvoorwaardelijke oorzaken aan te pakken?
Antwoord:
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer heeft Justid een haalbaarheidsonderzoek gedaan naar de totale omvang van mogelijke onjuiste tenaamstellingen over de periode 2011ā2024. Uit de nu beschikbare uitkomsten daarvan kan nog geen eindconclusie worden getrokken. Dat houdt verband met enkele knelpunten in de strafrechtketen, waaronder bij de informatievoorziening rondom identiteitsvaststelling, versnipperde ICT, onvoldoende uniforme werkwijzen en fouten in de registraties en gegevensuitwisselingen. Binnen het Programma Modernisering Identiteitsbehandeling en Vindbaarheid, wordt gewerkt aan structurele verbetering van identiteitsbehandeling en vindbaarheid in de strafrechtketen, onder andere door om verbetering van werkprocessen, informatie-uitwisseling en onderliggende systemen. Voor het zomerreces informeer ik uw Kamer hier nader over in de volgende voortgangsrapportage.
Vraag (11):
Wat is de rol van ICT in alle vastgestelde onvolkomenheden? Kan een betere IT-organisatie bij het Rijk en uitvoerders zorgen voor een voortvarendere aanpak en signalering van fouten? En wanneer wordt deze achterstand van de kwaliteit van de ICT-huishouding een onacceptabel risico?
Antwoord:
Het is gezien de reikwijdte van de vraag lastig deze te beantwoorden. Naast de Rijksbrede focus van de vraag zijn veel factoren van invloed op de voortvarende aanpak en signalering van fouten. Het is vooraf niet mogelijk vast te stellen welke invloed een «betere ICT-organisatie» hierop heeft.
Iedere organisatie binnen het Ministerie van JenV pakt de bevindingen en onvolkomenheden met urgentie op gezien de risicoās. Er is door zowel de Audit Dienst Rijk (ADR) als de Algemene Rekenkamer (ARK) geconstateerd dat er in 2025 opvolging is gegeven en voortgang is geboekt op nagenoeg alle bevindingen (ADR) en onvolkomenheden. (ARK).
Voor de coördinatie strafrechtketen specifiek geldt naast aanscherpen van het verbeterplan en de problematiek van doorlooptijden en werkvoorraden van een beperkt aantal zaakstromen, de focus ook wordt verbreed naar de gehele keten. Bij dit traject betrekken we ook de motie Mutluer waarin wordt verzocht om een «deltaplan» voor de strafrechtketen (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 86).
Vraag (12):
Wat waren de directe operationele gevolgen van de recente ICT-inbreuk bij het Openbaar Ministerie, bijvoorbeeld in uitgestelde zaken, doorlooptijden, etc.?
Antwoord:
De ICT-verstoring waarmee het OM in de zomer van 2025 te maken kreeg, had een grote impact op het OM en de strafrechtketen. Hierdoor zijn administratieve achterstanden ontstaan in de verwerking in de ICT-systemen. Aan het einde van 2025 waren deze achterstanden bij het OM voor het grootste deel weggewerkt. De inbreuk heeft ook effect gehad op de doorlooptijden, maar het is niet mogelijk om de omvang van dit effect in getallen te duiden. De Tweede Kamer ontvangt op korte termijn het jaarbericht van het OM over 2025 waarin nader wordt ingegaan op de gevolgen van de ICT-inbreuk.
Vraag (13):
Wat wordt er ondernomen om de ICT-huishouding van ministerie en uitvoerders I) slagvaardig en toekomstbestendig te maken en II) beter op elkaar aan te laten sluiten?
Antwoord:
Zowel binnen als buiten het Ministerie van JenV staat werken aan een slagvaardige en toekomstbestendige ICT-huishouding centraal. Voor de ICT-huishouding geldt dat maatregelen nauw verbonden zijn met de doelen uit regeerakkoord, CIO-stelsel en wijzigingen voor de interdepartementale inrichting met focus op de veranderingen in de digitaliseringsopgave.
We zetten in op een robuustere ICT-infrastructuur door middel van structurele modernisering, waaronder de verdere sanering van legacy-systemen, aangescherpte I-Governance, investeren in intern IT-vakmanschap en efficiƫnter maken van de gegevensuitwisseling. Voor de onderlinge aansluiting en verbinding is de ketenarchitectuur en verbeteringen ketengovernance belangrijk.
Vraag (14):
Hoe gaat het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen optrekken met andere ministeries aan Rijksbrede sturing op een veiligheidsstrategie en waarom is dat tot op heden nog niet gebeurd?
Antwoord:
Verantwoordelijkheden op grond van de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (verder: de Veiligheidsstrategie) zijn belegd bij de (vak)departementen. Op deelthemaās die onder de reikwijdte vallen van de Veiligheidsstrategie vindt zo nodig op verschillende ambtelijke niveaus interdepartementale afstemming en besluitvorming plaats. Politieke beslissingen worden genomen in de ministeriĆ«le onderraden. Het is een bewuste keuze geweest geen integrale, centrale sturing op de Veiligheidsstrategie te organiseren maar per dreigingsthema gebruik te maken van de bestaande departementale sturings- en verantwoordingslijnen1. Zo blijft de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de strategie op de plaats waar ook de expertise is en wordt voorkomen dat er dubbele sturings- en verantwoordingslijnen ontstaan. Hoe de strategie concreet wordt uitgevoerd staat in domeinspecifieke strategieĆ«n, zoals bijvoorbeeld de Nationale Contraterrorisme Strategie. Ook de domeinspecifieke strategieĆ«n komen in afstemming met alle relevante (overheids)partners tot stand. In algemene zin is het zo dat op themaās waar dat op grond van de dreiging tegen onze nationale veiligheidsbelangen noodzakelijk wordt geacht de Nationaal Coƶrdinator Terrorismebestrijding en Veiligheid een coƶrdinerende rol kan nemen om de samenhang en effectiviteit van het nationale veiligheidsbeleid te bevorderen.
Vraag (15):
Kan de regering alsnog uiteenzetten wat het escalatiemodel van de veiligheidsstrategie is?
Antwoord:
In de onderraden, zoals ook de RDINEV, vindt politieke besluitvorming plaats over complexe onderwerpen, veelal betreft dit themaās of besluiten waar meerdere departementen een verantwoordelijkheid in hebben. De besluiten worden altijd goedgekeurd in de ministerraad. Tevens kunnen in deze gremia besluiten voor de ministerraad zelf voorbereid worden. Onderwerpen die onder de reikwijdte vallen van de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden ā zoals de uitvoering hiervan ā kunnen hier worden besproken. Ook is het mogelijk om meer strategische discussies rond de Veiligheidsstrategie te voeren in de Nationale Veiligheidsraad. Agendapunten worden op verschillende ambtelijke niveaus voorbereid. Daarmee zijn de onderraden en ministerraad niet van zichzelf een escalatiemiddel, maar vindt er wel besluitvorming plaats op een hoger en politieker niveau.
Vraag (16):
Kan uiteengezet worden in hoeverre het aandeel van de uitgaven van de begroting dat naar de politie ging in de afgelopen 10 jaar, zich heeft ontwikkeld? Hoeveel procent van de begroting Justitie en Veiligheid komt per jaar ten goede aan de politie?
Antwoord:
In onderstaande tabel zijn de uitgaven op het artikel 31 Politie afgezet tegen de totale JenV begroting. De hoge uitgaven van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 en 2024, komen grotendeels door een stijging van de uitgaven aan immigratie, asielopvang en de opvang van OekraĆÆense ontheemden. Vanaf 2025 zijn deze uitgaven opgenomen in een apart begrotingshoofdstuk (Hoofdstuk 20, AenM). Voor de vergelijking van de jaren is bij het percentage uitgaan van de bedragen op de JenV begroting, ex. AenM.
| 2016 | 13,2 | 1,7 | 11,5 | 5,6 | 48,6% | Jaarverslag VenJ 2016 |
| 2017 | 13,1 | 1,5 | 11,5 | 6,0 | 52,2% | Jaarverslag VenJ 2017 |
| 2018 | 12,8 | 1,3 | 11,5 | 5,9 | 51,4% | Jaarverslag JenV 2018 |
| 2019 | 13,7 | 1,3 | 12,4 | 6,3 | 50,9% | Jaarverslag JenV 2019 |
| 2020 | 14,4 | 1,5 | 12,9 | 6,5 | 50,2% | Jaarverslag JenV 2020 |
| 2021 | 15,0 | 1,4 | 13,5 | 6,6 | 49,0% | Jaarverslag JenV 2021 |
| 2022 | 18,2 | 3,3 | 14,9 | 7,4 | 49,4% | Jaarverslag JenV 2022 |
| 2023 | 23,0 | 7,2 | 15,8 | 7,6 | 47,9% | Jaarverslag JenV 2023 |
| 2024 | 25,5 | 8,2 | 17,3 | 8,3 | 48,0% | Jaarverslag JenV 2024 |
| 2025 | 18,9 | 18,9 | 8,9 | 47,3% | Jaarverslag JenV 2025 | |
| 2026 | 19,1 | 19,1 | 8,9 | 46,3% | eerste supp. JenV 2026 |
Vraag (17):
Kan de regering bevestigen dat Nederlanders, ook wanneer zij daarnaast de Israƫlische nationaliteit hebben, onder omstandigheden in Nederland vervolgd kunnen worden voor oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid die zij in Gaza, Israƫl of de Westelijke Jordaanoever hebben gepleegd of waaraan zij hebben bijgedragen?
Antwoord:
Ja. Het Nederlands strafrecht is van toepassing op Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken aan oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid. Dit is neergelegd in artikel 2 van de Wet internationale misdrijven. Het hebben van een tweede nationaliteit ā naast de Nederlandse nationaliteit ā doet daar niet aan af. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te beslissen of het opportuun is om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.
Vraag (18):
Kan de regering uiteenzetten op basis van welke bepalingen in de Wet internationale misdrijven Nederland rechtsmacht heeft over Nederlandse onderdanen die in dienst van een buitenlands leger mogelijk internationale misdrijven plegen?
Antwoord:
Op grond van artikel 2, eerste lid onder c, van de Wet internationale misdrijven heeft Nederland rechtsmacht over Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken aan in een die wet omschreven internationaal misdrijf.
Vraag (19):
Klopt het dat dienst in de Israel Defense Forces op zichzelf niet strafbaar is, maar dat individuele deelname aan of medeplichtigheid bij internationale misdrijven dat wƩl kan zijn?
Antwoord:
Dat klopt. Het is Nederlandse burgers niet verboden in vreemde krijgsdienst te treden, tenzij zij militair ambtenaar zijn in Nederland of wanneer zij dit doen terwijl Nederland in gewapend conflict dreigt te raken met het land in kwestie en oorlog uitbreekt. Het plegen van internationale misdrijven is echter wel strafbaar.
Vraag (20):
Kan de regering uiteenzetten hoe de Wet internationale misdrijven van toepassing is op Nederlanders die in dienst van een buitenlands leger mogelijk hebben deelgenomen aan aanvallen op burgers, vernieling van civiele infrastructuur, gedwongen verplaatsing, mishandeling van gevangenen of plundering?
Antwoord:
Op grond van artikel 2, eerste lid onder c, van de Wet internationale misdrijven heeft Nederland strafrechtsmacht over Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen of het misdrijf van agressie. Deze misdrijven bestaan elk uit verschillende elementen en bestanddelen waar aan dient te zijn voldaan. Zo kan bijvoorbeeld het opzettelijk doden van een persoon een misdrijf tegen de menselijkheid opleveren indien deze gedraging is gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval. Dit betreft dus telkens een casuĆÆstische beoordeling. Belangrijk daarbij is dat individuele strafbare aansprakelijkheid bij het misdrijf dient te worden bewezen.
Vraag (21):
Kan de regering bevestigen dat het volgen van bevelen geen volledige vrijwaring biedt bij oorlogsmisdrijven of andere internationale misdrijven?
Antwoord:
Ja. Het volgen van bevelen biedt niet automatisch vrijwaring van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid. In beginsel heft het uitvoeren van een voorschrift of een bevel de strafbaarheid van een internationaal misdrijf niet op. Alleen onder strikte voorwaarden kan een ondergeschikte toch niet strafbaar zijn: het moet gaan om een bevel dat hij te goeder trouw als bevoegd gegeven heeft aangemerkt en waarvan de uitvoering binnen zijn ondergeschiktheid viel. Het Openbaar Ministerie beoordeelt per geval of hiervan sprake is en of vervolging opportuun is. In de Wet internationale misdrijven is bovendien vastgelegd dat een bevel tot het plegen van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid of gedwongen verdwijning in elk geval kennelijk onbevoegd is gegeven.
Vraag (22):
Is het Openbaar Ministerie bevoegd om onderzoek te doen naar Nederlanders die in de Israel Defense Forces hebben gediend wanneer er concrete aanwijzingen zijn van betrokkenheid bij internationale misdrijven? Zo ja, gebeurt dat ook actief?
Antwoord:
Ja. Op grond van artikel 2, eerste lid onder c, van de Wet internationale misdrijven heeft Nederland rechtsmacht over Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maken aan een in die wet omschreven internationaal misdrijf. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot strafrechtelijke vervolging, omdat er geen aanwijzingen zijn van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Vraag (23):
Doen politie en Openbaar Ministerie proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven in Gaza of gebeurt dit uitsluitend naar aanleiding van aangiftes, meldingen of signalen?
Antwoord:
Onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven kan plaatsvinden indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld door signalen, aangiften of het anderszins beschikbaar komen van informatie. Voor wat betreft dat laatste kan ook worden gedacht aan berichtgeving in de media. Het Openbaar Ministerie weegt deze informatie altijd zorgvuldig om te beoordelen of het opportuun is om een strafrechtelijk onderzoek en (vervolgens) vervolging in te stellen.
Vraag (24):
Is er binnen Buitenlandse Zaken, Justitie en Veiligheid, Nationaal Coƶrdinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, politie of Openbaar Ministerie een werkwijze om signalen over mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven in Gaza, de Westelijke Jordaanoever of Israƫl te verzamelen, te beoordelen en door te geleiden?
Antwoord:
Vooropgesteld moet worden dat het beoordelen van signalen over mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven gepleegd buiten Nederland altijd aan het Openbaar Ministerie en politie is. Zowel de politie als het Openbaar Ministerie beschikken over gespecialiseerde teams die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen en beoordelen van signalen over internationale misdrijven.
Signalen die bijvoorbeeld bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid binnenkomen worden doorgeleid naar politie en/of het Openbaar Ministerie. Dit geldt voor alle signalen aangaande internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Vraag (25):
Op welke wijze kunnen slachtoffers, nabestaanden, journalisten en maatschappelijke organisaties relevante informatie over mogelijke internationale misdrijven in Gaza delen met de Nederlandse autoriteiten, indien die informatie van belang kan zijn voor de Nederlandse rechtsmacht?
Antwoord:
Personen en organisaties die beschikken over relevante informatie over internationale misdrijven kunnen contact opnemen met het Team Internationale Misdrijven van de politie. Dat kan schriftelijk, per e-mail of telefonisch. De contactgegevens staan vermeld op de website van de politie.
Vraag (26):
Hoeveel aangiftes, meldingen of signalen zijn sinds 7 oktober 2023 bij politie, Openbaar Ministerie of het Team Internationale Misdrijven binnengekomen over Nederlanders of in Nederland verblijvende personen die mogelijk betrokken waren bij internationale misdrijven in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Antwoord:
Het Team Internationale Misdrijven rapporteert niet over het aantal aangiftes. In de Rapportagebrief Internationale Misdrijven 2024ā2025 is uw Kamer geĆÆnformeerd dat er de afgelopen jaren sprake is van een toename van aangiftes met betrekking tot internationale misdrijven gepleegd in Gaza. Deze aangiftes worden door het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld volgens de Instructie afdoening aangiften Wet Internationale Misdrijven.
Vraag (27):
Beschikt het Team Internationale Misdrijven over voldoende capaciteit en expertise om mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij misdrijven in Gaza te onderzoeken? Zo nee, acht de regering uitbreiding wenselijk of nodig?
Antwoord:
Politiecapaciteit is per definitie schaars. Het team internationale misdrijven zet de bestaande beschikbare capaciteit op basis van professionele analyse. Eind 2021 is de capaciteit en expertise van het Team Internationale Misdrijven uitgebreid.
Vraag (28):
Kan nader worden toegelicht wat in 2025 is gedaan door Justitie en Veiligheid om meer regie te voeren op de strafrechtketen?
Antwoord:
Er zijn de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen die op termijn bij zullen dragen aan het verbeteren van de coƶrdinatie vanuit ons departement. Sinds juni 2025 is het voorzitterschap van het Bestuurlijk Ketenberaad (BKB) in handen van JenV. In het BKB vindt de afstemming over en sturing op de prestaties in de strafrechtketen plaats. Wij nemen twee keer per jaar deel aan de vergaderingen van het BKB om ons door de vertegenwoordigers van de ketenorganisaties te laten informeren over de gemaakte afspraken en vorderingen. Daarnaast wordt de voortgang gemonitord in de gesprekken tussen de verantwoordelijke DGās met de ketenorganisaties, en worden de opdrachten richting de ketenorganisaties in de aanschrijvingen en opdrachtbrieven beter op elkaar afgestemd. En om de coƶrdinatie binnen en vanuit het departement richting de strafrechtketen steviger vorm te geven, is er sinds kort binnen het departement een programmadirecteur strafrechtketen aangesteld. Zijn taak is om samen met de ketenorganisaties de prestaties in de strafrechtketen te helpen verbeteren en een soepele en ordentelijke implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering te bevorderen.
Vraag (29):
Deelt de regering de constatering dat er geen vorm is van centrale monitoring van de veiligheidsstrategie? Zo ja/nee, waarom?
Antwoord:
Ja. De reden hiervoor is dat de sturing en verantwoording op de uitvoering van de Veiligheidsstrategie plaatsvindt vanuit de bestaande departementale beleidsverantwoordelijkheden. Waar nodig vindt op verschillende ambtelijke niveaus altijd interdepartementale afstemming en besluitvorming plaats. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Tabel bij vraag 6
| Ernstige verkeersmisdrijven | 2023 | 2024 | 2025 |
| Plegen feit tot 1e zitting % binnen 360 dagen | 27% | 20% | 25% |
| 1e zitting tot vonnis rechter % binnen 90 dagen | 79% | 83% | 83% |
| Norm: % binnen gestelde dagen | 85% | 85% | 85% |
| Ernstige zedenmisdrijven | 2023 | 2024 | 2025 |
| Aangifte tot inzenden OM % binnen 180 dagen | 53% | 53% | 56% |
| Instroom OM tot beoordeling dagvaarden OM % binnen 60 dagen | 49% | 60% | 72% |
| Beoordeling dagvaarden OM tot 1e zitting % binnen 120 dagen | 41% | 43% | 45% |
| Instroom OM tot 1e zitting % binnen 180 dagen | 37% | 41% | 43% |
| 1e zitting tot eindvonnis % binnen 90 dagen | 71% | 71% | 72% |
| Groeinorm 2026: % binnen gestelde dagen | 70% | 70% | 70% |
| Norm: % binnen gestelde dagen | 80% | 80% | 80% |
| Jeugd | 2024 | 2025 | |
| Aanmerken verdachte tot definitieve afdoening politie % binnen 7 dagen | 72% | 73% | |
| Aanmerken verdachte tot inzenden OM % binnen 60 dagen | 67% | 67% | |
| Instroom OM tot afdoening (OMSB) % binnen 120 dagen | 74% | 68% | |
| Instroom OM tot afdoening OM anders dan OMSB % binnen 60 dagen | 66% | 67% | |
| Instroom OM tot besluit dagvaarden % binnen 60 dagen | 70% | 71% | |
| Besluit dagvaarden tot vonnis kinderrechter % binnen 120 dagen | 52% | 53% | |
| Besluit dagvaarden tot vonnis MK % binnen 180 dagen | 38% | 28% | |
| Groeinorm juni 2026: % binnen gestelde dagen | 70% | 70% | |
| Norm: % binnen gestelde dagen | 80% | 80% |
Zie: Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden, pagina 4ā©ļø