[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [đź§‘mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 (Kamerstuk 36945-VII-1)

Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025

Lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D28164, datum: 2026-06-09, bijgewerkt: 2026-09-02 13:49, versie: 3 (versie 1, versie 2)

Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-36945-VII-6).

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VII-6 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 .

Onderdeel van zaak 2026Z12399:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (đź”— origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026

36 945 VII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 juni 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 20 mei 2026 inzake het Jaarverslag Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 (Kamerstuk 36 945 VII, nr. 1).

De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,
Kisteman

De griffier van de commissie,
Honsbeek

Vraag 1:

Kunt u aangeven op welke manier de productiviteit van het ambtenarenapparaat wordt gemeten?

Antwoord:

Het Instituut voor Publieke Sector Efficiëntie Studies (IPSE Studies) voert voor het BZK-programma Kennis van de Overheid, sinds 2017 onderzoek uit naar de productiviteit van o.a. de rijksdienst (uitvoeringsorganisaties en beleidsdepartementen). Tevens heeft de Kamer de Algemene Rekenkamer verzocht inzicht te bieden in de productiviteitsontwikkeling van rijksuitvoeringsorganisaties. In juni 2024 is een eerste onderzoek verschenen dat de productiviteit bij 12 organisaties in kaart bracht, dit najaar wordt een tweede rapport verwacht. Genoemde onderzoeken vormen belangrijke aanknopingspunten voor verbetering.

Vraag 2:

Beschikt u over indicatoren voor de mate waarin burgers te maken hebben met of hinder ondervinden van administratieve lasten als gevolg van beleidskeuzes van de rijksoverheid?

Antwoord:

Nee, het Ministerie van BZK beschikt niet over deze indicatoren. Het kabinet is dit via de Taskforce Slagvaardige Overheid ter hand genomen en werkt aan vereenvoudigingen en het terugdringen van regeldruk voor mensen en ondernemers. U wordt hier via de actieagenda Slagvaardige Overheid nog voor de zomer nader over geĂŻnformeerd.

Vraag 3:

Kunt u aangeven wat het overkoepelende beeld is van de verschillende klanttevredenheidsonderzoeken?

Antwoord:

De beschikbare klanttevredenheidsgegevens bij de batenlastenagentschappen wijzen op een overwegend positieve waardering van de dienstverlening. De meeste organisaties behalen de gestelde normen voor klant- of gebruikerstevredenheid. Bij enkele organisaties (FMHaaglanden, Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek en de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens) ontbreekt nog een structurele meetmethodiek, waardoor het totaalbeeld nog niet volledig is. Deze worden momenteel ontwikkeld.

Vraag 4:

Kunt u aangeven hoeveel ICT-projecten in 2025 uitstel of afstel hebben opgelopen en daarbij aangeven en om welke redenen dit doorgaans gebeurde?

Antwoord:

Voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geldt dat van de 26 gerapporteerde ICT-projecten op het RijksICTDashboard 16 projecten zijn vertraagd. De redenen hiervoor zijn doorgaans de aanpassing van (business)doelen of -eisen, het overnemen van aanbevelingen extern advies (bijvoorbeeld na AC ICT-advies), tegenvallers binnen het project (zoals complexiteit in techniek) of interne scopewijzigingen. Dit is in lijn met wat wordt aangegeven in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk.

Vraag 5:

(blz: 15) Om welke redenen werden 24 subsidieaanvragen geweigerd terwijl er minder werd uitgegeven dan begroot?

Antwoord:

Er zijn in 2025 127 aanvragen ontvangen voor de Subsidieregeling Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Europees Nederland (SUMSNL) categorie 1. Daarvan zijn er 17 afgewezen en 110 verleend.

Er zijn in 2025 31 aanvragen ontvangen voor de Subsidieregeling Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor het Caribisch deel van het Koninkrijk (SUMSC) categorie 1. Daarvan zijn er 7 afgewezen en 24 verleend.

Van de totale158 aanvragen (voor EU-NL en de Cariben) zijn er daarmee 24 afgewezen en 134 verleend.

De aanvragen zijn getoetst op de vooraf vastgestelde criteria. De redenen voor afwijzing zijn verschillend. Dit betrof onder andere:

– het ontbreken van benodigde en/of volledige bijlagen;

– track record / link met trans-Atlantisch slavernijverleden is onvoldoende;

– organisatie niet gevestigd in Europees NL (dat is een vereiste voor subsidieaanvragen SUMSNL ofwel niet gevestigd in de Cariben (dat is een vereiste voor subsidieaanvragen SUMSC);

– activiteiten niet gericht op professionalisering (opleidingen / website);

– reiskosten;

– Geen rechtspersoon (zonder winstoogmerk);

Ook zijn er afwijzingen geweest o.b.v. intrekkingen of het niet ontvangen van een aanvullende reactie.

Vraag 6:

(blz: 25–26) In hoeverre hebben bedrijven die werkzaam zijn voor de Nederlandse digitale infrastructuur en werken met Nederlandse gegevens toegang tot die gegevens? Of verzorgen zij enkel de infrastructuur zonder zelf bij die data te kunnen?

Antwoord:

Dit is niet in algemene zin te zeggen en is volledig afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Dit hangt af van het type bedrijf, met welke (rijks)(overheids)organisatie zij zaken doen, welk type dienstverlening zij leveren, en wat de specifieke afspraken zijn in de gesloten overeenkomsten. Generiek kan wel gesteld worden dat versleutelde gegevens niet zomaar ontcijferd kunnen worden, tenzij de betrokken organisatie over de sleutels beschikt.

Vraag 6:

(blz: 25–26) Kunnen bedrijven die werkzaam zijn voor de Nederlandse digitale infrastructuur en werken met Nederlandse gegevens de versleutelde gegevens ontcijferen en aan derden doorgeven als ze daartoe worden gedwongen?

Antwoord:

Zie het antwoord op vraag 6.

Vraag 8:

(blz: 31–32) Kunt u aangeven in hoeverre onderuitputting met betrekking tot het niet kunnen vullen van vacatures voor eigen personeel het gevolg is van concurrentie met andere werkgevers, buiten het domein van de overheid?

Antwoord:

Het is niet bekend of de onderuitputting met betrekking tot het niet kunnen vervullen van vacatures het gevolg is van de concurrentie met werkgevers buiten het domein van de overheid, de arbeidsvoorwaarden of de doorgroeimogelijkheden (zie ook vraag 9). Onderbezetting, die vooral voor specifieke specialistische kennis geldt, kent een veelheid aan oorzaken. Naast een samenhang met de inhoud van het werk zijn ook omstandigheden bepalend, zoals het moment van ontstaan en vervullen van vacature, het soms om strategische redenen nog niet invullen ervan en de doorlooptijd van de procedure. Gezien de aantrekkelijkheid van het Rijk als werkgever is er geen reden voor bezorgdheid over de concurrentiepositie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met betrekking tot het aantrekken van nieuwe medewerkers

Vraag 9:

(blz: 31–32) Kunt u aangeven in hoeverre onderuitputting met betrekking tot het niet kunnen vullen van vacatures voor eigen personeel het gevolg is van de arbeidsvoorwaarden en/of de doorgroeimogelijkheden bij de rijksoverheid?

Antwoord:

Het is niet bekend of de onderuitputting met betrekking tot het niet kunnen vervullen van vacatures het gevolg is van de arbeidsvoorwaarden, de doorgroeimogelijkheden of de concurrentie met werkgevers buiten het domein van de overheid (zie ook vraag 8). Onderbezetting, die vooral voor specifieke specialistische kennis geldt, kent een veelheid aan oorzaken. Naast een samenhang met de inhoud van het werk zijn ook omstandigheden bepalend, zoals het moment van ontstaan en vervullen van vacature, het soms om strategische redenen nog niet invullen ervan en de doorlooptijd van de procedure. Gezien de aantrekkelijkheid van het Rijk als werkgever is er geen reden voor bezorgdheid over ontoereikende arbeidsvoorwaarden of doorgroeimogelijkheden.

Vraag 10:

(blz: 31–32) In hoeverre heeft de onderuitputting van 17,1 miljoen euro op eigen personeel door krapte op de arbeidsmarkt geleid tot extra uitgaven voor externe inhuur?

Antwoord:

Er is sprake van krapte op de arbeidsmarkt, waardoor vacatures moeilijk te vervullen kunnen zijn en er sprake is van onderbezetting. Dit is één van de redenen voor het inzetten van externe inhuur. Gelet hierop is het aannemelijk dat er een verband bestaat tussen de krapte op de arbeidsmarkt en de uitgaven voor externe inhuur. Vrijwel alle organisatieonderdelen van BZK huurden in 2025 echter minder in dan in 2024. Zie ook het antwoord op vraag 17.

Vraag 11:

(blz: 31–32) Kunt u aangeven welk aandeel van de niet gevulde vacatures betrekking heeft op ICT-personeel?

Antwoord:

Ongeveer 20% van de niet vervulde vacatures zijn ICT-vacatures in 2025.

Vraag 12:

(blz:) Kunt u aangeven of, en zo ja, hoeveel ICT-projecten uitstel of afstel hebben opgelopen als gevolg van het niet vullen van vacatures?

Antwoord:

Er zijn mij geen ICT-projecten bekend die uitstel of afstel hebben opgelopen specifiek als gevolg van het niet vervullen van vacatures.

Vraag 13:

(blz: 37) Hoeveel externe medewerkers zijn langs de route van «verambtelijking» in dienst gegaan als ambtenaar per jaar in 2025, 2024, en 2023?

Antwoord:

Er wordt niet centraal geregistreerd welke nieuwe medewerkers middels verambtelijking in dienst treden.

Vraag 14:

(Blz. 40) Hoe staat het met de verdeling en besteding van de «Enveloppe goed bestuur en sterke rechtsstaat»?

Antwoord:

De enveloppe goed bestuur en sterke rechtsstaat bedroeg in 2025 € 100 mln., oplopend naar € 200 mln. structureel vanaf 2027. Met de verdeling van de enveloppe is in 2025 € 25 mln. oplopend naar € 50 mln. structureel vanaf 2027 op het begrotingshoofdstuk van Justitie en Veiligheid (VI) beland ten behoeve van de versterking van de rechtsstaat. Voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) was in 2025 € 75 mln. beschikbaar, oplopend tot € 150 mln. structureel vanaf 2027. Over de verdeling van de middelen uit de enveloppe en de bijbehorende doelen is de Kamer geïnformeerd via de Kamerbrief TK 2024/2025 33047 nr. 41 van 2 juli 2025, genaamd «Inzet middelen enveloppe goed bestuur en sterke rechtsstaat».

Ten opzichte van de brief heeft er in de ontwerpbegroting vanaf jaar 2028 en verder nog een wijziging plaatsgevonden voor wat betreft de middelen die gereserveerd waren voor het oprichten van een constitutioneel hof en verzelfstandiging Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hiervan is € 25 mln. voor de jaren 2028–2030 en € 50 mln. structureel vanaf 2031 overgeboekt naar het Ministerie van JenV voor versterking van het gevangeniswezen. Een andere wijziging betrof het incidenteel herprioriteren van € 34 mln. voor de dekking van de kosten van de tussentijdse TK verkiezing in 2025.

In de loop van 2025 heeft het Ministerie van BZK de plannen uit de Kamerbrief voor de besteding aan de doelen uit het hoofdlijnenakkoord verder uitgewerkt. Omdat een aantal trajecten nog in de opstartfase zat, zijn niet alle middelen in 2025 uitgeput. De verwachting is dat alle middelen in 2026 worden uitgeput, behalve de middelen die zijn bestemd voor de voorbereiding van de oprichting van een constitutioneel hof en de verzelfstandiging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vraag 15:

(blz: 45) Welke stappen zijn gezet richting de versterking van de rechtsstaat?

Antwoord:

In 2025 is het voorstel in consultatie gebracht om toetsing door de rechter van wetten aan verschillende grondrechten mogelijk te maken. Dit voorstel draagt bij aan versterking van de rechtsstaat door de rechtsbescherming van burgers te versterken en de grondwettelijke cultuur te bevorderen. Daarnaast draagt de constitutionele toets van ontwerp wet- en regelgeving bij de versterking van de rechtsstaat.

In 2025 is ook een grondwetswijziging in consultatie gebracht om de procedure voor de vervolging van ambtsdelicten van Kamerleden en bewindspersonen aan te passen. De huidige procedure is verouderd en niet werkbaar. Dit grondwetsvoorstel is op 26 mei jl. ingediend bij de Tweede Kamer.

Daarnaast zijn in 2025 onderzoeken en voorbereidende werkzaamheden gestart voor bijeenkomsten met experts over de invloed van nieuwe technologie op de grondrechten en de grondwettelijke waarborgen op het institutionele vlak. Ook zijn verschillende beleidsvoornemens rondom de aanpak van discriminatie en racisme verder uitgewerkt, zodat de stelselherziening van de antidiscriminatievoorzieningen en de oprichting van een antidiscriminatievoorziening op de BES.

Tot slot is in 2025 de kabinetsreactie op het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat uitgebracht en wordt uitvoering gegeven aan de aanbevelingen (Kamerstukken II,.2024/2025, 29 279, nr. 981).

Vraag 16:

(blz: 89) Met welke reden zijn de uitgaven voor de ICT van de Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding lager uitgevallen dan begroot?

Antwoord:

De uitgaven voor de ICT van de Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding (RvIHH) aan ICT zijn lager uitgevallen dan begroot, omdat bepaalde investeringen vertraging hebben opgelopen. Zie daarvoor het antwoord op vraag 4. Voor de uitvoering van gestelde groeiambities en de (door)ontwikkeling van programma’s, producten en diensten is RvIHH afhankelijk van stelselpartijen. Dit heeft effect op zowel de uitgaven als ook de ontvangsten bij RvIHH. Uiteindelijk is het voor de RvIHH van belang dat de uitgaven en ontvangsten binnen het kasjaar in balans zijn. De lagere uitputting moet wel bezien worden in het licht dat bij de tweede suppletoire begroting de uitgavenraming is verhoogd. Waardoor de onderuitputting nu hoger uitvalt de oorspronkelijk begroot.